De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.2.2.3:12.2.2.3 De motieven van de Duitse en Engelse wetgever nader beschouwd
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.2.2.3
12.2.2.3 De motieven van de Duitse en Engelse wetgever nader beschouwd
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371361:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het meest uitgebreid wordt de noodzaak van een objectieve termijn dus gemotiveerd door de Law Commission. Hij noemt in zijn geciteerde passage drie argumenten, waarvan de belangrijkste lijkt te zijn dat de aangesprokene beschermd moet worden tegen de ondergraving van zijn bewijspositie. Inderdaad is dat een heel belangrijke reden voor de eindige afdwingbaarheid van een vordering; deze overweging kwam uitgebreid aan de orde onder de vlag "bewijsrechtelijke nulpunt" in het eerste deel van dit boek.1
Ik geloof dat uit die functie ook de belangrijkste tegenwerping voortvloeit aan hen die menen dat iemand zijn recht niet moeten kunnen verliezen voordat hij het kon uitoefenen; die redenering veronderstelt het bestaan van een recht, terwijl juist in de vraag naar het bestaan van de vordering na ommekomst van twee of meer decennia het probleem schuilt.
Voor die gevallen waarin de aangesprokene zich niet meer kan verweren, rechtvaardigt dus de overweging van de Law Commission de long stop. Maar voor die gevallen waarin hij het juridisch debat nog wel kan voeren niet. Vloeit die rechtvaardiging dan voort uit zijn tweede argument, luidende dat "defendants are entitled to some limit on their need to insure themselves against liability"?
Dit verzekeringsargument kan worden geschaard onder het andere klassieke verjaringsmotief, namelijk dat van de 'individuele rechtszekerheid' ;2 zowel in economisch als in psychologisch opzicht moet de aangesprokene op enig moment weten waar hij aan toe is. Wordt hij veroordeeld tot het voldoen van een vordering waarop zijn vermogen niet meer was ingericht, dan kan hem dat uitermate hard treffen bijvoorbeeld doordat hij niet meer verzekerd is.
Dit argument is niet logisch dwingend — anders wat mij betreft dan het bewij sargument — maar benoemt een van de gewichten in de afweging van belangen van crediteur en debiteur. De debiteur heeft er inderdaad belang bij niet te worden overvallen door zeer oude vorderingen. Er zijn casusposities waarin dat belang inderdaad moet prevaleren, namelijk die waarin het belang van de crediteur bij nakoming door tijdsverloop vergaand is gereduceerd, maar de verplichting tot nakoming de debiteur wél serieus zou treffen. Die figuur werd eerder besproken onder de noemer 'tijd heelt alle wonden' .3 Buiten deze gevallen echter, zou ik als eerder gezegd betwijfelen of het `rechtszekerheidsbelang' van de debiteur het kan winnen van het actuele dus volwaardige belang bij nakoming van de crediteur.4
Is er elders in de overwegingen van de Law Commission een rechtvaardiging te vinden voor een long stop in geval van actuele, verifieerbare vorderingen? Zijn derde argument luidt dat een long stop "compensates for the loss of certainty which is inherent in the adoption of a limitation regime dependent on the date of knowledge of the relevant facts by the claimant". Over de precieze betekenis van deze overweging kan men twijfelen. Zij lijkt net als het verzekeringsargument een exponent van de `individuele rechtszekerheid'; het subjectieve aanvangsmoment is naar zijn aard onzeker, de 'individuele rechtszekerheid' van de debiteur vergt dat hij ooit weet waar hij aan toe is, dus moet er op enig moment een objectief gestuurde hakbijl vallen. Ook hier geldt: die 'individuele rechtszekerheid' kan het winnen als de crediteur zijn belang bij nakoming door tijdsverloop heeft verloren, maar niet duidelijk is waarom dat zo zou zijn als dat belang onverkort bestaat.
Het ziet er derhalve naar uit dat de overwegingen van de Law Commission de long stop kunnen dragen, behalve voor zover die long stop verifieerbare, actuele vorderingen treft.
De Duitse wetgever verdedigt, zoals wij zagen, de objectieve termijn eigenlijk nauwelijks. Hij ziet onder ogen dat het zich kan voordoen dat de crediteur pas na onafzienbare tijd in staat raakt zijn vordering in te stellen, beseft dat bij een louter subjectieve termijn zijn vordering dus pas na onafzienbare tijd zou verjaren en schrijft dan eenvoudig, "Um dies zu vermeiden" is een objectieve termijn nodig. Dat een vordering op enig moment moet verjaren, ook als de crediteur haar nooit kon uitoefenen, neemt de Duitse wetgever zonder toelichting tot uitgangspunt.5 Niet gezegd is daarmee dat de Duitse benadering verkeerd is, wel betekent het dat wij er voor onze gedachtevorming geen vruchten van kunnen plukken.