Verrekening door de fiscus
Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.4.4:5.4.4 HR 14 juli 2006 (Ontvanger/Van Kampen II): verrekening door de fiscus van civielrechtelijke schulden en vorderingen
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.4.4
5.4.4 HR 14 juli 2006 (Ontvanger/Van Kampen II): verrekening door de fiscus van civielrechtelijke schulden en vorderingen
Documentgegevens:
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS612057:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de uitspraak in eerste aanleg rechtbank 's-Hertogenbosch 1 maart 2005, V-N 2005/15.15. Er is vervolgens sprongcassatie ingesteld.
Zie § 1.2 slot en voetnoot 15 aldaar.
S.C.J.J. Kortmann, J.J. van Hees en N.E.D. Faber, 'Kroniek van het insolventierecht', NJB 2007, p. 2250.
Zie § 1.2, geval 2 en § 3.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Deze procedure is het vervolg op Ontvanger/Van Kampen I. Uit de vrij resolute overwegingen van de Hoge Raad in laatstgenoemd arrest leek te volgen dat hij van oordeel was dat met betrekking tot de verrekeningsbevoegdheid van de ontvanger de BW-bepalingen door de bijzondere regels van artikel 24 Iw 1990 volledig terzijde zijn gesteld (in de formulering van de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6: "geheel zijn terzijdegesteld"). Anders gezegd, op verrekening door de ontvanger zouden nimmer de BW-verrekeningsregels van toepassing zijn. Er bleek zich echter toch een uitzondering voor te doen.
Van Kampen had een vordering op de ontvanger terzake van proceskostenveroordelingen ter hoogte van € 2.772,94. De ontvanger had een tegenvordering op Van Kampen uit onverschuldigde betaling tot een bedrag van € 5.705,38. De beide vorderingen werden door de rechtbank gekwalificeerd als civielrechtelijke vorderingen, niet zijnde belastingschulden in de zin van artikel 24 Iw 1990. De ontvanger beriep zich op verrekening op de voet van de BW-regels. Van Kampen stelde zich, mede onder verwijzing naar het arrest Ontvanger/Van Kampen I, op het standpunt dat deze verrekening niet mogelijk was, vanwege het BWverrekeningsverbod. De Hoge Raad1 is van oordeel dat in dit geval, waar het de verrekening van uitsluitend civielrechtelijke vorderingen en schulden betreft, verrekening op de voet van de BW regels wel mogelijk is. De Hoge Raad overweegt dat, blijkens de tekst van artikel 24 Iw 1990 de uitsluiting van de verrekening op de voet van het BW slechts ziet op, kort gezegd, belastingvorderingen. Ook uit de in de conclusie van de A-G weergegeven parlementaire geschiedenis blijkt volgens de Hoge Raad dat de wetgever de uitsluiting heeft willen beperken tot deze belastingvorderingen en dat de bijzondere verrekeningsregeling van artikel 24 Iw 1990 is ingegeven door "het specifieke karakter van de belastingvorderingen". Dit betekent naar het oordeel van de Hoge Raad dat, indien het gaat om verrekening van vorderingen die niet kunnen worden aangemerkt als belastingvorderingen en het specifieke karakter van die vorderingen dus geen rol speelt, geen grond bestaat voor uitsluiting van de verrekeningsregels van het BW. Ik voeg daaraan toe dat de consequentie van dit oordeel van de Hoge Raad is, dat in die gevallen ook de belastingplichtige tot verrekening kan overgaan. Dit zal sinds 1 januari 2008 weer anders zijn indien de civielrechtelijke vordering van de belastingplichtige valt onder de omschrijving van artikel 24 lid 1, onderdeel b, Iw 1990.2 In een geval als het onderhavige, waarin zowel de schuld van de ontvanger aan Van Kampen als de vordering van de ontvanger op Van Kampen civielrechtelijk van aard is, staat artikel 24 Iw 1990 volgens de Hoge Raad niet in de weg aan verrekening op de voet van het BW. Het arrest Ontvanger/Van Kampen I dwingt volgens de Hoge Raad niet tot een andere opvatting, aangezien het in dat arrest niet ging om tegenover elkaar staande civielrechtelijke vorderingen maar om de vraag of de ontvanger een belastingvordering op de belastingschuldige mag verrekenen met een civielrechtelijke vordering van de belastingschuldige op de ontvanger.
In hun Kroniek van het insolventierecht in het NJB3 merken Kortmann, Van Hees en Faber bij de bespreking van dit arrest op dat, indien men het arrest Ontvanger/Van Kampen I nauwkeurig leest, men zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de Hoge Raad er in dat arrest veel verder strekkende gedachten op nahield. Daarvan tracht de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/Van Kampen II 'geruisloos' terug te komen. Zij houden het erop dat de Hoge Raad in het arrest Ontvanger/Van Kampen II is omgegaan ten opzichte van het arrest Ontvanger/van Kampen I. De uitkomst van het arrest Ontvanger/van Kampen II wordt door hen toegejuicht. Ik sluit mij aan bij deze positieve ontvangst van het arrest. Het arrest is mijns inziens weer een stap in de richting van het civielrechtelijke verrekeningsregime bij verrekening door de fiscus. De door de Hoge Raad geformuleerde uitzondering op de het verrekeningsregime van de Iw 1990 vertoont in dat opzicht overeenkomsten met het arrest Nieuwkoop/Ontvanger,4 zij het dat de civielrechtelijke verrekeningsmogelijkheid voor de fiscus (en de belastingplichtige) op de voet van Van Kampen II een specifieke exceptie vormt op de werking van artikel 24 Iw 1990, terwijl blijkens Nieuwkoop /Ontvanger onder de Iw 1845 het civiele recht domineerde.