Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/5.4.2
5.4.2 HR 14 februari 2003 (Ontvanger/Gemeenschappelijke Eigendom): verrekening door de fiscus ten aanzien van onderdelen van een fiscale eenheid omzetbelasting
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS612046:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitwerking van mogelijke verrekeningsgevallen mijn JOR-noot bij het arrest, onder nr. 2.
Zie A. van Eijsden en H.M. Koster, 'Verrekening binnen de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting', WFR 1995/6146, p. 540-541. Zie tevens de conclusie van de A-G Van Kalmthout bij het onderhavige arrest, in noot 13, die het evenals de Hoge Raad niet met hun opvatting eens is dat de ontvanger omzetbelasting door middel van verrekening steeds naar eigen keuze aan onderdelen van een fiscale eenheid mag teruggeven. Boer lijkt het onderhavige arrest op dit punt over het hoofd te zien. Zie Boer 2009, p. 230 en mijn bespreking van diens dissertatie in TvI 2009/6, p.203-204, waar ik schreef: 'Zijn stelling op pagina 230, dat de ontvanger de bevoegdheden van art. 43 lid 2 Iw 1990 te allen tijde heeft, dus ook indien hij weet aan welke maatschappij uit de fiscale eenheid een teruggaaf toebehoort, is dan ook onjuist.' Ook Zwemmer ziet deze overweging van de Hoge Raad over de beperkte strekking van art. 43 lid 2 Iw 1990 kennelijk over het hoofd in zijn NJ-noot bij het arrest (NJ 2003, 259, onder nr. 2, slot).
Zie rechtsoverweging 3.4, onder E van het arrest.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 108-109.
In art. 43.2 Leidraad Invordering 2008 wordt een regeling gegeven voor betalingsuitstel, ten behoeve van een latere verrekening, voor het geval loonheffingen moeten worden betaald die kunnen worden verrekend met een teruggaaf omzetbelasting aan datzelfde onderdeel van de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, maar waarvan de teruggaaf nog niet is verleend. Er moet dan wel 'aanwijzing' hebben plaatsgevonden in de zin van art. 43.1 Leidraad Invordering 2008 dat het genoemde onderdeel die teruggaaf zal ontvangen. Zie over art. 432 Leidraad Invordering 2008 verder § 2.4.9. Mij komt het eigenaardig voor dat hier de aanwijzing doorslaggevend en noodzakelijk zou zijn. Dat staat op gespannen voet met de strekking van het arrest Ontvanger/Gemeenschappelijke Eigendom en de laatste alinea van het hier geciteerde art. 43.1 van de Leidraad.
Zie rechtsoverweging 3.4, onder F en G, van het arrest.
In dit arrest gaat het vooral om de status van een schuld en vordering uit omzetbelasting bij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De Hoge Raad geeft in het arrest regels voor de wijze waarop bij een dergelijke fiscale eenheid moet worden omgegaan met de (verrekening van) omzet-belastingschulden en -teruggaven. Zij vormen een uitwerking van het vereiste van wederkerig schuldenaarschap bij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting.1
Volgens de Hoge Raad moet de formele belastingschuld, voortvloeiende uit een naheffingsaanslag omzetbelasting die aan een fiscale eenheid omzetbelasting is opgelegd, als een deelbare geldschuld worden beschouwd. De aard van de schuld brengt mee dat deze schuld over de verschillende onderdelen van de fiscale eenheid in beginsel moet worden verdeeld naar de mate waarin elk van de onderdelen materieel aan het ontstaan van de schuld heeft bijgedragen. Verder overweegt de Hoge Raad dat de beschikking tot teruggaaf van omzetbelasting aan de fiscale eenheid omzetbelasting een geldvordering op de ontvanger doet ontstaan die eveneens deelbaar is en waarbij verdeling in beginsel moet plaatsvinden naar gelang de onderdelen materieel aan het ontstaan van de vordering hebben bijgedragen. Naast deze 'toerekeningsregels' voor de fiscale eenheid omzetbelasting, komt in het arrest een tweetal kwesties aan de orde in verband met de verrekening op de voet van artikel 24 Iw 1990. De eerste kwestie betreft de toepassing van artikel 43 lid 2 Iw 1990.2 Volgens die bepaling kan de ontvanger een teruggaaf omzetbelasting toegekend aan een fiscale eenheid omzetbelasting bevrijdend betalen aan één van de natuurlijke personen of lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid. In de literatuur is gesuggereerd dat deze bepaling de ontvanger een vrije bevoegdheid zou geven om de teruggaaf te doen aan een partij uit de fiscale eenheid op wie de ontvanger ook een vordering heeft, zodat de ontvanger aldus een verrekeningssituatie zou kunnen creëren.3 De Hoge Raad is het daar niet mee eens.4 Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 43 lid 2 Iw 19905 moet volgens de Hoge Raad worden afgeleid dat de strekking van deze bepaling een beperkte is. Uitgangspunt is dat de ontvanger een terugbetaling ten goede laat komen aan degene aan wie deze toekomt. De bepaling voorziet er slechts in terugbetaling mogelijk te maken in gevallen waarin niet duidelijk is aan wie moet worden betaald, zonder dat naderhand daaromtrent tegen de ontvanger kan worden geageerd. Op dezelfde wijze kan de ontvanger restituties door middel van verrekening ten goede doen komen aan de rechthebbende, aldus de Hoge Raad. De Leidraad Invordering werkt dit criterium, in artikel 43.1, op een mijns inziens logische en acceptabele wijze uit:6
"Een teruggaaf omzetbelasting vanwege een aangifte dan wel een vermindering van een naheffingsaanslag ten name van de fiscale eenheid wordt uitbetaald aan dan wel verrekend met de openstaande belastingschuld aan - het onderdeel van de fiscale eenheid dat door de fiscale eenheid is aangewezen.
Als geen aanwijzing heeft plaatsgevonden, wordt uitbetaald aan - dan wel verrekend met de openstaande belastingschuld van - het onderdeel waarbij de teruggaaf is opgekomen of dat de naheffingsaanslag heeft betaald.
Als er geen sprake is van een aanwijzing en het is de ontvanger niet duidelijk wie de rechthebbende is, dan kan hij de teruggaaf rechtsgeldig uitbetalen aan één van de personen of lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid.
De ontvanger is bevoegd een teruggaaf die materieel is opgekomen bij een onderdeel met een belastingschuld te verrekenen met de belastingschuld van dat onderdeel, ook al heeft aanwijzing aan een 'derde' plaatsgevonden."
De tweede kwestie in het arrest houdt verband met de vraag of tussentijdse wijzigingen in de samenstelling van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting van invloed kunnen zijn op de verrekeningsbevoegdheid onder artikel 24 Iw 1990. De Hoge Raad beantwoordt die vraag als volgt.7 In artikel 24 lid 1, eerste volzin, Iw 1990 is als hoofdregel gegeven dat de ontvanger ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd is aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere heffingen met elkaar te verrekenen. Blijkens het bepaalde in artikel 2 lid 1, aanhef, en onder k, Iw 1990 dient onder belastingschuldige te worden verstaan: "degene te wiens naam de belastingaanslag is gesteld". Indien een naheffingsaanslag of een teruggaafbeschikking in de omzetbelasting ten name van een fiscale eenheid omzetbelasting is gesteld kan volgens de Hoge Raad dan ook slechts de fiscale eenheid als belastingschuldige worden beschouwd. Het gevolg hiervan is, aldus de Hoge Raad, dat de ontvanger op grond van artikel 24 lid 1, eerste volzin, Iw 1990, omzetbelasting die hij dient terug te betalen mag verrekenen met omzetbelasting die hij heeft te vorderen, zolang hij binnen een combinatie van natuurlijke en rechtspersonen blijft die tezamen eenzelfde fiscale eenheid vormen. De Hoge Raad voegt hier aan toe dat een redelijke uitleg van artikel 24 lid 1, vierde volzin, Iw 1990 mee brengt dat, wanneer het gaat om een fiscale eenheid, van eenzelfde eenheid kan worden gesproken indien zowel de natuurlijke persoon of het lichaam die jegens de ontvanger een aanspraak op teruggaaf geldend kan maken, als de natuurlijke persoon of het lichaam die door de ontvanger kan worden aangesproken, deel uitmaakte van de eenheid gedurende de tijdvakken waarop de in verrekening te brengen omzetbelasting materieel betrekking hebben. In dat geval zijn immers, aldus de Hoge Raad, de gerechtigde tot teruggaaf en de aansprakelijke voor de belastingschuld beiden begrepen in de tenaamstelling van de teruggaafbeschikking en de tenaamstelling van de belastingaanslag.
De Hoge Raad geeft in dit arrest bruikbare - en naar het mij voorkomt redelijke - criteria voor de toerekening en verrekening van omzetbelastingschulden en -teruggaven bij een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Verder gaat de Hoge Raad om begrijpelijke redenen uit van een beperkte toepassing van de teruggaafregeling van artikel 43 lid 2 Iw 1990. Die kan daarmee niet als instrument worden gebruikt door de ontvanger om een teruggaaf zo te sturen dat daarmee een extra verrekeningsmogelijkheid wordt bewerkstelligd. Het is nuttig dat de fiscus in artikel 43.1 Leidraad Invordering 2008 deze criteria nader heeft uitgewerkt en dat daarbij de fiscale eenheid in beginsel de mogelijkheid wordt gegeven aan te wijzen aan welk onderdeel de teruggaaf toe zal komen.