De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.5:8.3.1.5 Conclusie
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.3.1.5
8.3.1.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232412:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 8.3.1 zijn de vier regimes besproken voor de heffing van erfbelasting van de bij dode opgerichte stichting. Deze vier regimes zijn de ANBI-regeling, de regeling voor de SBBI en de steunstichting SBBI, het APV en als laatste het overige doelvermogen.
In 8.3.1.1 is gebleken dat de ANBI-regeling ingewikkeld is en strenge eisen stelt om voor de regeling in aanmerking te komen. Dit is ook niet vreemd als men bedenkt dat de ANBI-regeling gepaard gaat met vrijstelling van erf- en schenkbelasting. Een belangrijk onderdeel van de eisen aan ANBI’s is de anti-oppoteis van artikel 1b UR AWR 1994. Deze anti-oppoteis betekent dat de ANBI niet meer vermogen houdt dan nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden. De achtergrond van deze bepaling is, dat het algemene nut niet is gediend met het oppotten van middelen maar juist met de aanwending daarvan. Van belang is dat tot het vermogen dat nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ook worden gerekend het krachtens erfrecht of schenking verkregen vermogen waaraan de voorwaarde van instandhouding is verbonden en vermogensbestanddelen waarvan de instandhouding uit het doel van de ANBI voortvloeit (artikel 1b lid 2 letters a en b UR AWR 1994). Als een erflater een stichting bij dode wil oprichten die onder het ANBI-regime moet vallen, heeft hij het dus zelf in de hand of begunstigingen ten behoeve van die stichting moeten worden uitgekeerd of mogen worden opgepot.
Het regime voor de SBBI en de steunstichting SBBI bevat geen bijzondere aspecten voor de bij dode opgerichte stichting en is daarom verder niet besproken.
Het APV is de wellicht meest ingewikkelde van de regimes voor een bij dode opgerichte stichting. De reden voor de complexiteit vloeit voort uit de strijd tegen zwevend vermogen. Vermogen dat door afzondering in een entiteit formeel ̶ behoudens eventueel aan deze entiteit zelf ̶ aan niemand toebehoort, maar wel ter beschikking staat van de (nabestaanden van) degene die het vermogen heeft afgezonderd. Als gebruik is gemaakt van een stichting komt het APV-regime voor de erfbelasting er kort gezegd op neer dat het vermogen van de stichting wordt toegerekend aan de inbrenger van dat vermogen of aan zijn erfgenamen.
De APV-regeling vormt een anti-misbruik regeling ter bestrijding van zwevend vermogen. Van misbruik is mijns inziens echter geen sprake als over het afgezonderde vermogen erfbelasting zou worden geheven volgens de algemene regels voor verkrijgingen door derden. Naar mijn mening zou het daarom goed zijn als een instelling, zoals een stichting, zou kunnen kiezen voor non-transparantie.
Non-transparantie brengt mij bij de overige doelvermogens in de erfbelasting. Als, bijvoorbeeld een stichting, niet valt onder de kwalificaties ANBI, (steunstichting) SBBI of APV, wordt deze stichting als elke andere verkrijger in de heffing van erfbelasting betrokken. Daarvan kan sprake zijn als de stichting tot doel heeft het verlenen van studiebeurzen aan familieleden van de erflater die verder dan de vierde graad aan hem verwant zijn. Een ander voorbeeld is de stichting die materieel voldoet aan de eisen gesteld aan een ANBI, maar zich niet heeft laten rangschikken als zodanig. Als het wettelijk systeem al voorziet in een heffingsregime bij non-transparantie, bestaat geen goed argument om dit niet als keuzestelsel voor het APV te laten gelden.