Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.6.5
5.6.5 Verkoop met toestemming pandgever
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706269:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 17 januari 1929, ECLI:NL:HR:1929:372 (Schild/Centraal Administratie- en Trustkantoor) waarin de Hoge Raad onder het recht ten tijde van het voormalige BW oordeelde dat de na verzuim gemaakte afspraak tussen de pandgever en de pandhouder dat de pandhouder de in pand gegeven (genoteerde) aandelen zou verkrijgen tegen betaling van de middenkoers, rechtsgeldig was. Dit was echter geen wijze van executie, zie HR 1 april 1927, ECLI:NL:HR:1927:200. Zie nader Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986/118. In JOR 2018/310 ging ik hiervan nog ten onrechte uit. Vgl. Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:251 BW, aant. 2.1 (actueel t/m 1 januari 2021) waarin onder verwijzing naar het Schild/Centraal Administratie- en Trustkantoor-arrest wordt vermeld dat in de rechtspraak onderhandse verkoop door de pandhouder krachtens partijbeding werd aanvaard.
HR 17 januari 1929, ECLI:NL:HR:1929:372 (Schild/Centraal Administratie- en Trustkantoor); Parl. Gesch. Boek 3, p. 766; Pilto/Reehuis & Heisterkamp 2019/793; Snijders/Rank-Berenschot 2017/517.
Vgl. Van Schilfgaarde 1997, p. 597.
Zie Parl. Gesch. Inv. Boek 3, p. 1343; Pilto/Reehuis & Heisterkamp 2019/793; Schuijling & Verhagen 2014, p. 336. Beperkte rechten zoals een tweede pandrecht blijven in beginsel op de aandelen rusten.
Vgl. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:972 (Bethanie/Rabobank). Anders Maclaine Pont & Zwaan 2013, §7 die ervan lijken uit te gaan dat een statutaire regeling kan worden ontworpen op grond waarvan de pandhouder zelfstandig kan executeren, zonder tussenkomst van de rechter.
Vgl. Perrick 2020/12.7.8.
Vgl. (over medewerking in algemene zin) Spierings 2016/340; Bartels 2006, p. 10 en Bloembergen 1971, p. 10.
Vgl. het verschil tussen de rechtsfiguren schuldoverneming (art. 6:155 BW), waarvoor toestemming volstaat, en contractoverneming (art. 6:159 BW), waarvoor medewerking nodig is.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 781 (OM).
Zie Kaptein 2016, p. 212-21; Messelink 2009, p. 674.
Vgl. HR 17 januari 1929, ECLI:NL:HR:1929:372 (Schild/Centraal Administratie- en Trustkantoor) waarin de Hoge Raad overweegt dat de belangen van de pandgever geacht mogen worden in het algemeen te stroken met die van zijn overige schuldeisers.
In gelijke zin Van Gasteren 2010, p. 22. Zie ook Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020/11.4.4 die erop wijzen dat ook de eventuele moedervennootschap van de pandgever mogelijk een goedkeuringsrecht heeft.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4734 (M.E. Beheer).
Bartman, Dorresteijn & Olaerts 2020/11.4.4 menen bijvoorbeeld dat het niet voor de hand ligt. Anders Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/23 met verwijzingen.
Bij de ontvlechting van het Imtech-concern weerhield het toestemmingsvereiste uit art. 2:107a BW het bestuur van de vennootschap ervan toestemming te geven voor een afwijkende wijze van executie in de zin van art. 3:251 lid 2 BW, aldus Van de Klundert 2017, p. 92 voetnoot 29.
Wanneer echter in rechte komt vast te staan dat met betrekking tot een derde een transactie is aangegaan met de vennootschap terwijl hij weet dat het bestuur geen goedkeuring heeft verkregen, is een zekere externe werking niet bij voorbaat uit te sluiten, aldus de minister in Kamerstukken II 2003/04, 28 179, nr. B, p. 10 (MvA).
HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:319 (Feenstra q.q./ING).
Vgl. Van de Klundert 2017/4.4.3.
Kritisch is Messelink 2009, p. 674, die betoogt dat een schuldeiser die beslag legt na de vestiging van het pandrecht de pandexecutie niet zou moeten kunnen frustreren. In gelijke zin Kaptein 2016, p. 212-213. In de praktijk komt voor dat in een overeenkomst tussen schuldeisers wordt afgesproken dat bepaalde schuldeisers geen beslag mogen leggen. Zie bijvoorbeeld de LMA Intercreditor Agreement voor Leveraged Acquisition Finance Transacties (Senior/Mezzanine), voor leden beschikbaar via www.lma.eu.com.
Pitlo/Reehuis 2019/793; Reehuis 1987/163.
Zie over bestuurdersaansprakelijkheid wegens benadeling van schuldeisers en de samenhang met pauliana Van den Sigtenhorst & Winters 2017.
229. Na verzuim kunnen de pandhouder en de pandgever een van openbare veiling afwijkende executiewijze overeenkomen (art. 3:251 lid 2 BW).1 Er is in zo’n geval geen rechterlijke instemming meer nodig. Bij executie op grond van artikel 3:251 lid 2 BW wordt in de handen van de betrokkenen zelf gelegd hoe bij de executie aan hun belangen wordt recht gedaan. De pandgever kan zich tegen een door de pandhouder voorgestelde wijze van executie beschermen door haar niet te aanvaarden.
Artikel 3:251 lid 2 BW bepaalt dat de pandgever en de pandhouder pas een van openbare verkoop afwijkende executiewijze mogen overeenkomen nadat de pandhouder bevoegd is geworden om tot verkoop over te gaan. Voorafgaand aan verzuim wordt de pandgever geacht onvoldoende in staat te zijn om zijn belangen naar behoren te behartigen in verband met de ongelijke machtsverhouding tussen hem en de pandhouder.2 Afspraken voorafgaand aan verzuim over executiewijzen zijn daarom nietig.3 Deze nietigheid werkt niet door in de geldigheid van de eventuele verkoop van de aandelen, maar heeft wel tot gevolg dat de verkoop een executoriaal karakter mist.4 Gelet op de beschermende strekking van de verzuimeis uit artikel 3:251 lid 2 BW is het mijns inziens aannemelijk dat ook statutaire bepalingen die voorafgaand de executiewijze bepalen nietig zijn. Statutaire bepalingen kunnen wel de overdraagbaarheid van de aandelen beperken (§5.4), maar niet een executoriaal karakter verlenen aan de verkoop.5 Voor de geldigheid van de executieovereenkomst, moet de pandgever vrij zijn om zijn toestemming te weigeren voor een van openbare verkoop afwijkende executiewijze.
230. Ook anderen kunnen belang hebben bij de verkoopwijze van de aandelen. De wet bepaalt dan ook dat als er op het verpande goed een beperkt recht of een beslag rust, bij de totstandkoming van de executieovereenkomst de medewerking is vereist van deze gerechtigden (art. 3:251 lid 2 BW) – §5.10.4.6 De medewerkingseis houdt mijns inziens in dat deze gerechtigden tezamen de voorgestelde executiewijze moeten overeenkomen.7 Toestemming is dus onvoldoende.8 Opvallend is dat de medewerkingseis nog niet voorkwam in het Ontwerp-Meijers, en bij de invoering van de executieregeling in 1992 met weinig begeleidende woorden is toegevoegd.9 In de literatuur is wel opgemerkt dat dit vereiste onredelijk uitpakt wat betreft personen die na de verpanding hun recht hebben verkregen. Bovendien zou de medewerkingseis zich niet verdragen met het goederenrechtelijke karakter van een pandrecht.10 Gelet daarop is er in de literatuur betoogd dat jongere beslagleggers en jongere pandhouders de onderhandse executie door een oudere pandhouder niet kunnen frustreren. Een mededeling van de succesvolle executie, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, zou in zo’n geval moeten volstaan. De wetstekst luidt niettemin anders, en gelet op het ontbreken van aanwijzingen voor zo’n beperkte uitleg, zie ik geen ruimte voor de opvatting dat een mededeling aan hen volstaat.
Zijn er geen andere pandhouders of vruchtgebruikers, en is er geen beslag gelegd op de aandelen, dan komt het meewegen van de belangen van de eventuele overige schuldeisers aan op de pandgever en de pandhouder.11
Is de pandgever een kapitaalvennootschap dan is voor het besluit tot het aangaan van een overeenkomst met de pandhouder tot executie van de aandelen onder omstandigheden de goedkeuring nodig van haar algemene vergadering.12 Is de pandgever een nv, dan is haar bestuur op grond van artikel 2:107a lid 1 BW verplicht om de goedkeuring van de algemene vergadering te vragen voor besluiten ‘omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of onderneming’, waaronder in ieder geval ‘de overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde’ (onderdeel a) en ‘het afstoten van een deelneming in het kapitaal van een vennootschap ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa’ (onderdeel c). Bij de wettelijke regeling van de bv ontbreekt deze bepaling. In de rechtspraak is al eens geoordeeld dat zo’n verplichting bij de bv niet steeds bestaat.13 De meningen in de literatuur erover lopen uiteen.14 Bij de executie van verpande aandelen met toestemming van de pandgever zal de kwestie in ieder geval vanuit de pandgever een aandachtspunt moeten zijn.15 Het ontbreken van de door artikel 2:107a BW vereiste goedkeuring tast echter niet de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur van de pandgever aan (art. 2:107a lid 2 BW).16
231. Na de totstandkoming van een geldige executieovereenkomst kan de pandhouder de aandelen op de overeengekomen wijze executeren. Onder andere is het mogelijk dat de pandgever de aandelen namens de pandhouder executoriaal verkoopt.17 In het geval dat de pandgever failliet is, moet deze overeenkomst met de curator worden gesloten (art. 68 lid 1 Fw) – §5.10.6.
232. Vanuit de pandhouder bezien kan een onderling overeengekomen executieverkoop zowel voor- als nadelen hebben. Als de betrokkenen het eenvoudig eens kunnen worden over de verkoopwijze, dan kan deze executiewijze procedureel eenvoudiger zijn dan een openbare veiling of een daarvan afwijkende verkoopwijze met toestemming van de rechter. Dit zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn als een aanbiedingsregeling van toepassing is, en de medeaandeelhouders gebruik willen maken van hun recht om de aandelen te kopen. Ook kan executie met toestemming van de pandgever uitkomst bieden in de situatie dat, met het oog op de verwachte daling van de waarde van de aandelen, het opzetten van een openbare of besloten veiling niet kan worden afgewacht.18 Aan de executiewijze kleven echter ook nadelen. Is de pandgever niet failliet, dan kan de executiewijze worden gefrustreerd door een schuldeiser die tijdig beslag legt en geen medewerking wil verlenen.19 Verkoopt de pandhouder met de toestemming van de pandgever maar zonder de vereiste medewerking van een betrokkene, dan is mist de verkoop een executoriaal karakter (§5.10.4).20 Andere belangrijke omstandigheden die de executie met toestemming van de pandgever onder omstandigheden kunnen bemoeilijken zijn het risico dat de transactie wordt vernietigd op grond van schuldeisersbenadeling (art. 3:45 BW en 42 e.v. Fw) en het risico op aansprakelijkheid van de bestuurders van de pandgever (o.a. art. 2:9 lid 2, art. 2:138/248 en 6:162 BW).21 Verder moet de pandhouder er rekening mee houden dat in uitzonderlijke gevallen bij de executie met bewilliging van de pandgever een adviesrecht bestaat van de OR (§5.10.3).