Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.4.4
4.4.4 Overgang van afhankelijke rechten
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480522:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:82 BW. De nieuwe schuldeiser van de gesecureerde vordering verkrijgt bovendien het pandrecht van rechtswege als een bij die vordering behorend nevenrecht (art. 6:142 lid 1 BW).
Vgl. HR 16 september 1988, NJ 1989/10 (Onderdrecht/FGH).
Zo ook Faber & Vermunt 2010, p. 162-163; Biemans 2011/242-244; en Rongen 2012/966.
Anders: Wibier 2009b.
Zie ook de casus die ten grondslag lag aan HR 10 januari 1992, NJ 1992/744, m.nt. H.J. Snijders (Ontvanger/NMB Postbank Groep). Hoewel de Hoge Raad zich niet uitdrukkelijk over de kwestie uitlaat, wordt in het feitenrelaas aangenomen dat de bank door cessie van een vordering is getreden in alle ter zake van deze vordering door de cedent bedongen zekerheden, waaronder ook de aan hem tot zekerheid gecedeerde toekomstige vorderingen (huurpenningen). De rechtsvraag spitst zich echter slechts toe op de tegenwerpbaarheid van deze (kennelijk op de bank overgegane) levering bij voorbaat aan latere beslagleggers onder de schuldenaar van de tot zekerheid gecedeerde huurpenningen.
168. Indien pandrechten bij voorbaat zijn gevestigd, kan de overgang van de rechtsverhouding reeds volgen uit het afhankelijke karakter van het pandrecht, ook zonder dat sprake is van een overgang onder algemene titel. Het pandrecht is afhankelijk van de vordering of vorderingen tot zekerheid waarvan het strekt. Dit afhankelijke karakter brengt met zich dat bij overgang van de gesecureerde vordering het pandrecht “volgt”.1 Of is afgeweken van de hoofdregel dat het pandrecht als afhankelijk recht overgaat met de vordering waaraan zij is verbonden, en het pandrecht dus uitsluitend zal toekomen aan degene ten gunste van wie het is gevestigd, is een kwestie van uitleg van de omschrijving van de gesecureerde vorderingen.2 Aangenomen dat het pandrecht ook tot zekerheid blijft strekken van de gesecureerde vordering in het geval deze vordering aan een ander wordt overgedragen of anderszins op een ander (onder bijzondere of algemene titel) overgaat, verwerft deze ander ook de verbonden pandrechten. Dat zijn in de eerste plaats de pandrechten die reeds bestaan op het tijdstip van overgang. Daarnaast meen ik dat ook de bij voorbaat gevestigde pandrechten door de nieuwe schuldeiser worden “verkregen”, in die zin dat hij de vorige schuldeiser opvolgt in zijn goederenrechtelijke rechtsverhouding tot de pandgever. Zodra de pandgever de bij voorbaat verpande goederen verkrijgt, ontstaan de pandrechten rechtstreeks in het vermogen van de nieuwe schuldeiser van de gesecureerde vorderingen. Dit vloeit voort uit het afhankelijke karakter van het bij voorbaat gevestigde pandrecht.3 Het enkele gegeven dat het pandrecht nog niet tot stand is gekomen, is mijns inziens onvoldoende reden om de art. 3:82 en 6:142 lid 1 BW niet toe te passen op dit geval.4 Tussen de pandgever en pandnemer bestaat reeds door het bij voorbaat verrichten van de vestigingshandeling een relevante goederenrechtelijke rechtsverhouding die verbonden is met de te secureren vorderingen. Deze rechtsverhouding behoort deze vorderingen van rechtswege te volgen bij overgang van de vorderingen op een derde. Dit rechtsgevolg is in mijn ogen niet alleen wenselijk, maar doet ook recht aan het afhankelijke karakter van het pandrecht, dat niet kan bestaan zonder de vordering tot zekerheid waarvan het strekt. Indien de gesecureerde vordering zich reeds bij een derde bevindt, heeft de oorspronkelijke schuldeiser geen belang meer bij het pandrecht en kan – gelet op het afhankelijke karakter – dit recht voor deze vordering niet eens ontstaan in het vermogen van de voormalig schuldeiser.5 Noch het systeem van de wet, noch de wettekst dwingen mijns inziens ertoe om aan te nemen dat slechts reeds bestaande pandrechten de vorderingen kunnen volgen en dat ten aanzien van bij voorbaat gevestigde pandrechten een nieuwe vestigingshandeling ten gunste van de nieuwe schuldeiser noodzakelijk is.6