Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.3.2
6.3.2 Financiering door verschillende concernvennootschappen
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652497:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 21 oktober 1999 (r.o. 4.11), JOR 1999/228, m.nt. F.J.P. van den Ingh (YVC IJsselwerf). Zie bijv. ook OK 24 augustus 2021 (r.o. 1.7 e.v.), ARO 2021/166 (SWB Shipping).
OK 26 maart 2003, JOR 2003/141 (Callas).
OK 15 maart 2001, JOR 2001/108 (Skagerak).
OK 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep).
Zie ook Hermans 2017, p. 171-172.
OK 9 januari 2020, ARO 2020/45 (RSW Property); OK 28 april 2020, ARO 2020/101 (RSW Property). De moedervennootschap en de bestuurder van de verschillende concernvennootschappen waren beiden ook voorwerp van onderzoek.
In sommige concernenquêtes verdeelt de Ondernemingskamer de kosten van het onderzoek over verschillende concernvennootschappen. Bij gelegenheid kiest de Ondernemingskamer daarbij voor een gelijke verdeling over concernvennootschappen. Zo bepaalde de Ondernemingskamer in YVC IJsselwerf dat de moedervennootschap en dochtervennootschap ieder de helft van de kosten van het onderzoek moesten financieren en dragen.1 In Callas werd een concernenquête bevolen naar drie concernvennootschappen; alle drie de rechtspersonen werden verplicht tot financiering van een derde deel van de kosten.2
Hiernaast besluit de Ondernemingskamer in voorkomende gevallen tot een ongelijke verdeling van de kosten van het onderzoek over concernvennootschappen. In Skagerak werd een onderzoek naar een drietal vennootschappen bevolen, waarbij twee van die vennootschappen werden verplicht de kosten van het onderzoek te financieren, één voor 40% en de ander voor 60%. Hoe de Ondernemingskamer tot deze kostenverdeling kwam motiveerde zij niet.3 In Van Lennep gelastte de Ondernemingskamer eveneens een onderzoek naar drie vennootschappen. Twee van die vennootschappen moesten de kosten van het onderzoek financieren, één voor 90% en de ander voor 10%. Ook in deze beschikking ontbrak een motivering voor die beslissing.4 Waar de Ondernemingskamer de rechtvaardiging voor een ongelijke verdeling van de kosten van het onderzoek over verschillende concernvennootschappen in vindt, is niet duidelijk. Het lijkt ook willekeurig in welke gevallen de Ondernemingskamer hiertoe overgaat.5
Wat afwijkend is RSW Property, waarin naast de moedervennootschap de bestuurder van de verschillende concernvennootschappen – een BV – werd verplicht tot financiering van de kosten van het onderzoek naar een viertal vennootschappen.6 De Ondernemingskamer bepaalde hier niet in welke verhouding beide concernvennootschappen de kosten van het onderzoek dienden te financieren, zodat op grond van art. 6:6 lid 1 BW (par. 6.3.3) mag worden aangenomen dat beide vennootschappen de helft van de kosten van het onderzoek dienen te financieren.
Een verdeling van de kosten van het onderzoek over verschillende concernvennootschappen zal overigens niet steeds het gewenste effect hebben, als door middel van uitkeringen van de dochtervennootschap aan de moedervennootschap de door de moedervennootschap verschuldigde kosten van het onderzoek worden gecompenseerd. De dochtervennootschap treedt dan op als indirecte financier. De benoeming van een OK-bestuurder of OK-beheerder, eventueel gecombineerd met een tijdelijke afwijking van de statuten, kan in een dergelijk geval uitkeringen aan de moedervennootschap voorkomen.