Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/6.2.1
6.2.1 Nationaliteit
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947845:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het nationaliteitsvereiste wordt als legitieme beperking gezien en is nauwelijks onderwerp van geschil. Zie ECRM 21 mei 1997, ECLI:CE:ECHR:1997:0521DEC002761495 (Luksch/Italy).
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 13.
Tenminste dezelfde voorwaarden, hetgeen betekent dat ook strengere eisen gesteld kunnen worden. Kortmann 1987, p. 359-360.
Kamerstukken II 1984/85, 18619, nr. 3, p. 10. Onder meer dat laatste punt zorgde ervoor dat de termijn geen drie jaar, maar vijf jaar was.
De nationaliteitseis vormt een van de meest vanzelfsprekende beperkingen op het kiesrecht in de lidstaten van de Raad van Europa. Het hanteren van dit vereiste is algemeen geaccepteerd en levert zelden rechtspraak van het EVRM op.1 De Nederlandse nationaliteitseis volgt uit artikel 4 Gw, dat het kiesrecht voorbehoudt aan ‘iedere Nederlander’.2 De achtergrond van deze eis is dat in het parlement ook onderwerpen met een internationale component aan de orde komen. Omdat de Nederlandse belangen in zulke gevallen kunnen conflicteren met de belangen van andere betrokken landen, is het onwenselijk om onderdanen van deze andere landen invloed te laten uitoefenen op de Nederlandse besluitvorming. Dit nationaliteitsvereiste is het enige aspect van het Nederlandse kiesrecht dat een link legt tussen het grondrechtelijke karakter van het kiesrecht en het naar behoren kunnen functioneren van de volksvertegenwoordiging. Niet-Nederlanders hebben de mogelijkheid om te naturaliseren. Willen zij dit niet, dan is daarvan de logische consequentie dat zij niet mogen stemmen.3
De Venice Commission signaleert een tendens in de lidstaten van de Raad van Europa richting het toekennen van kiesgerechtigdheid op lokaal niveau aan ingezetenen die de nationaliteit van het betreffende land ontberen.4 In 1983 heeft de Nederlandse grondwetgever, voor wat betreft de verkiezing van de gemeenteraadsleden, deze mogelijkheid geschapen in artikel 130 Gw. De wetgever maakte vervolgens onderscheid tussen onderdanen van EU-lidstaten en onderdanen van andere landen. Op grond van artikel 20 lid 2 sub b VWEU bezitten onderdanen van EU-lidstaten het actief en passief kiesrecht voor de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven. Voor onderdanen van niet-EU-lidstaten zijn de artikelen 10 lid 2 Gemw en B 3 lid 1 Kw van belang. Om kiesgerechtigd te zijn, moeten zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaar ingezetene zijn van Nederland en daartoe een geldige verblijfstitel hebben. Voor zowel EU-onderdanen als niet-EU-onderdanen geldt overigens dat zij aan dezelfde voorwaarden voor kiesgerechtigdheid moeten voldoen als degenen die de Nederlandse nationaliteit hebben. 5 Zij moeten de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben en niet van het kiesrecht uitgesloten zijn.6
De toekenning van kiesrecht aan niet-Nederlanders ten behoeve van de gemeenteraadsverkiezingen vormt een doorbreking van het nationaliteitsvereiste. Als belangrijkste reden van de grondwetgever om in de mogelijkheid tot uitbreiding van het kiesrecht te voorzien geldt de betrokkenheid van niet-Nederlanders bij de lokale politiek. Besluiten van de gemeenteraad raken vaker alle ingezetenen van de gemeente dan slechts de Nederlanders, zo is de gedachte.7 Hoewel dit argument ook aangevoerd kan worden ter uitbreiding van het kiesrecht voor de Tweede Kamerverkiezingen, zag de grondwetgever in 1983 toch reden om onderscheid te blijven maken, nu het kiesrecht op nationaal niveau veel nauwer samenhangt met nationaliteit dan op lokaal niveau.8
De termijn van vijf jaar voor onderdanen van andere landen dan EU-lidstaten zorgt ervoor dat het kiesrecht toekomt aan ingezetenen die een zekere binding hebben opgebouwd met de Nederlandse samenleving en belang hebben bij het beleid dat op gemeentelijk niveau wordt vastgesteld.9 Bij het bepalen van de termijn, die volgens de regering overigens altijd ‘een element van willekeur’ kent, speelde daarnaast mee dat de kiezer na een periode van vijf jaar in elk geval één gehele zittingsperiode van de gemeenteraad heeft meegemaakt. Bovendien bestaat op dat moment meer zekerheid dat het verblijf in Nederland voor lange duur is en is de kiezer bekend geraakt met het Nederlandse politiek en de politieke spelregels, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken dan wel adequaat kan functioneren in de gemeenteraad.10