Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/8.3.4
8.3.4 Tijdselement vs. de grootste samengevoegde hoeveelheid
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258389:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het DWU-wetgevingspakket voorziet niet in de invulling van het begrip ‘het vroegste tijd’. Onder het CDW werd een en ander uitgelegd als: “„vroegste datum” de datum waarop verkopen van de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen tot stand komen in een hoeveelheid die voldoende is om de prijs per eenheid vast te stellen.” Zie artikel 152, lid 5, TCDW. Ik meen dat deze uitleg onder het DWU-wetgevingspakket nog steeds geldt.
Artikel 142, lid 2, UDWU.
HvJ EU 20 juni 2019, nr. C-1/18 (Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests), ECLI:EU:2019:C:2019:519, r.o. 39.
Artikel 142, lid 4, onderdeel d, UDWU.
De ingevoerde, soortgelijke of identieke goederen moeten op of omstreeks het tijdstip van de invoer worden doorverkocht. ‘Omstreeks het tijdstip’ is naar mijn mening net als het woord ‘nagenoeg’ (zie onderdeel 8.2.4.1) opgenomen om ‘op […] het tijdstip van invoer’ minder strikt toe te passen. Met deze ‘versoepeling’ wordt eveneens tegemoetgekomen aan het streven om de douanewaarde op een eenvoudige en met de handelspraktijk verenigbare grondslagen vast te stellen. Indien een dergelijke doorverkoop niet omstreeks het tijdstip van de invoer plaatsvindt, mag de eenheidsprijs worden bepaald op basis van een de doorverkoopprijs waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in het douanegebied van de Unie worden verkocht op het vroegste tijdstip1 na de invoer van de te waarderen goederen, in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer.2 Het 90-dagen criterium geldt als harde bovengrens getuige het arrest Oribalt Rīga tegen Valsts ieņēmumu dienests van het Hof van Justitie.3 Niettemin merk ik daarbij op dat de fysieke levering van de goederen de periode van 90 dagen kan overschrijden. Het gaat er namelijk om dat de doorverkoop plaatsvindt binnen de termijn van 90 dagen.
Voor de toepassing van de aftrekmethode moet worden aangesloten bij de eenheidsprijs waartegen de ingevoerde, identieke of soortgelijke goederen in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht. De hoeveelheid moet in iedere geval voldoende zijn om de eenheidsprijs vast te stellen.4 In de Aantekening op artikel 5 CVA staan voorbeelden genoemd op welke wijze de grootste hoeveelheid kan worden vastgesteld. De verkoopprijs van de grootste hoeveelheid zou in theorie een hogere waarde kunnen vertegenwoordigen dan prijzen die voor de in kleinere hoeveelheden verkochte goederen worden afgesproken. Met Sherman & Glashoff ben ik dan ook van mening dat het in bepaalde gevallen beter is om uit te gaan van een gewogen gemiddelde of aan te sluiten bij de mediaan.5 Daarmee worden dergelijke discrepanties voorkomen (onderdeel 8.3.5.5).
Het zoeken naar de doorverkoop van goederen in de grootste samengevoegde hoeveelheid lijkt op gespannen voet te staan met het tijdselement dat primair veronderstelt dat aangesloten moet worden bij de doorverkoop die omstreeks het tijdstip van invoer plaatsvindt. Om te beschikken over een representatief aantal verkoopprijzen van doorverkochte goederen om de grootste samengevoegde hoeveelheid vast te stellen, lijkt het namelijk aannemelijker om een langere periode in aanmerking te nemen. Derhalve zou meer recht worden gedaan aan de uitgangspunten van de aftrekmethode om aansluiting te zoeken bij de 90-dagen termijn in plaats van het zoeken naar eenheidsprijzen te beperken in de periode omstreeks het tijdstip waarop de gewaardeerde, identieke of soortgelijke goederen zijn ingevoerd.