Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.5.2
IX.5.2 Eerdere jurisprudentie
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178896:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad spreekt van ‘de goede trouw als bedoeld in art. 2:11’. Even daarvoor heeft de Raad evenwel geoordeeld dat de goede trouw van art. 2:11 (oud) BW gelijkstaat aan de redelijkheid en billijkheid van art. 2:7 (oud) BW. In moderne termen: de redelijkheid en billijkheid waaraan een besluit op grond van art. 2:15 lid 1 onder b BW te toetsen valt, vermag hetzelfde als de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.
HR 17 mei 1991, NJ 1991/645, m.nt. Maeijer (Lampe/Tonnema), rov. 3.2.
Ook al heeft dit arrest, evenmin als de hierna te bespreken arresten, geen betrekking op besluitvorming, aan de illustratieve waarde ervan doet dit niet af.
Nu hij niet krachtens de wet of statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, maar (meestal) uit hoofde van een overeenkomst. Vgl. Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/224.
HR 16 februari 2007, JOR 2007/112, m.nt. Van Veen (Tuin Beheer), rov. 3.10.
HR 18 februari 1966, NJ 1966/208, m.nt. Scholten (Nederlandse Klokkenspel-Vereniging).
HR 6 oktober 1995, NJ 1998/190, m.nt. Brunner (Christelijke Gymnastiekvereniging Oranje Nassau), rov. 3.3.
Dat zowel de redelijkheid en billijkheid als de maatschappelijke zorgvuldigheid een norm stelt met een open karakter, in te vullen met het oog op de omstandigheden van het geval, kan als algemene stelling moeilijk worden weerlegd. In zoverre valt tegen IMG weinig in te brengen. Maar, anders dan in IMG, lijkt de Hoge Raad in eerdere jurisprudentie wat meer richting te geven aan de te maken afweging. Hij legt daarin mijns inziens de nadruk op een enkele omstandigheid, te weten de mate waarin de feiten zijn verwerven met een rechtspersoonlijke context. Wat eenvoudiger gezegd: het gaat erom in hoeverre de onrechtmatige daad in kwestie ‘zich afspeelt binnen de rechtspersoon’. Hoe meer dat het geval is, hoe meer de normen van het rechtspersonenrecht de in acht te nemen zorgvuldigheid inkleuren. Hoe meer maatschappelijke en rechtspersonenrechtelijke zorgvuldigheid samenvallen.
De jurisprudentie illustreert een en ander. Eerst en vooral in Lampe/Tonnema, waar de Hoge Raad overweegt:
‘Evenmin valt in te zien dat een ontkennend antwoord op de vraag of de algemene vergadering in strijd met [de redelijkheid en billijkheid van art. 2:15 lid 1 onder b jo. 2:8 BW, KvV]1 tot haar besluit is gekomen, nog ruimte zou laten voor een bevestigend antwoord op de vraag of de vergadering heeft gehandeld in strijd met de jegens Lampe betamende zorgvuldigheid. Voor zover het onderdeel beoogt aan te voeren dat het bij dit laatste om meer gedragingen dan het enkele besluit gaat (‘het totale handelen’) faalt het eveneens nu het niet aangeeft op welke andere gedragingen het doelt.’2
Oftewel: als een besluit redelijk en billijk is, dan moet het wel rechtmatig zijn. Het besluit om de statuten van Tonnema te wijzigen was jegens aandeelhouder Lampe redelijk en daarmee ook overeenkomstig de maatschappelijke zorgvuldigheid. Dat laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. Wat de redelijkheid en billijkheid vermag, kleurt de zorgvuldigheidsnorm in. Anders ligt het wanneer het gaat om meer gedragingen dan het enkele besluit, zo impliceert de laatste volzin van het citaat hierboven. Deze overwegingen laten zich begrijpen tegen de achtergrond dat de rechtsverhouding tussen vennootschap Tonnema en aandeelhouder Lampe geheel en al van vennootschapsrechtelijke aard is. De zaak draait in de kern om de uitoefening van een vennootschapsrechtelijke bevoegdheid – het besluiten tot een statutenwijziging – die gevolgen heeft voor een vennootschapsrechtelijke betrokkene. Lampe en Tonnema moeten zich over en weer naar de maatstaven van art. 2:8 BW gedragen. De casus speelt geheel in de rechtspersoon. Er zijn geen aanknopingspunten met de buitenwereld.
Iets anders ligt dat in de zaak Tuin Beheer.3 Een schuldeiser – die buiten de kring van art. 2:8 BW staat4 – verwijt een bestuurder een faillissement te hebben uitgelokt om aldus de bezittingen van de vennootschap tegen een lage prijs te kunnen overnemen. Dat de schuldeiser tevens aandeelhouder was, maakt evenwel dat, zo overweegt de Hoge Raad, bij de invulling van de tegenover de schuldeiser geboden zorgvuldigheid ‘mede’ betekenis toekomt aan het gegeven dat in de verhouding tot de aandeelhouder de redelijkheid en billijkheid in acht te nemen valt.5 De redelijkheid en billijkheid weegt mee, maar geeft niet de doorslag. De reden daarvoor zal zijn dat de bedoelde overweging van de Hoge Raad betrekking heeft op de aansprakelijkheid jegens de benadeelde in haar hoedanigheid van schuldeiser, niet in haar hoedanigheid van aandeelhouder. De casus is niet geheel in de sfeer van de rechtspersoon te plaatsen, maar staat daar deels buiten. Vandaar dat de redelijkheid en billijkheid de zorgvuldigheid niet geheel opslokken.
Vergelijkbaar oordeelt de Hoge Raad in Nederlandse Klokkenspel-Vereniging.6 Een lid brengt het bestuur van de vereniging tegenover de buitenwereld in diskrediet, daarmee het functioneren van de vereniging belemmerend. Dat het een lid van de vereniging betreft, weegt voor de Hoge Raad zwaar. Tussen de regels door lijkt de Hoge Raad de norm te formuleren dat een lid gehouden is om, wanneer hij wat aan te merken heeft op de wijze waarop een bestuurder zich van zijn taken kwijt, zijn klachten ‘in eigen kring’ te uiten en om desnoods te proberen de middelen in te zetten die het verenigingsrecht hem biedt. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: de kwestie aan de orde stellen op de algemene ledenvergadering of te pogen de desbetreffende bestuurder te doen ontslaan. De redelijkheid en billijkheid eisen dat de vuile was zoveel mogelijk binnenshuis blijft. Een lid dat toch de was buiten hangt, handelt al snel onzorgvuldig. Hij verzaakt zijn protestplicht.
Ten slotte past ook het arrest inzake Christelijke Gymnastiekvereniging Oranje Nassau in de hier uiteengezette lijn. Een gymnastiekvereniging wordt verweten een onervaren trainster te hebben aangesteld, als gevolg waarvan in de gymzaal een ongeval heeft kunnen plaatsvinden. De Hoge Raad overweegt dat het verenigingsrecht, waaronder de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, niet meebrengt dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de vereniging jegens een lid anders moet worden beoordeeld dan wanneer het zou gaan om een niet-lid.7 Dat lijkt mij juist. Met het uitoefenen van verenigingsrechtelijke bevoegdheden heeft de casus niets van doen. De positie van de benadeelde – als lid binnen de kring van art. 2:8 BW – heeft geen betekenis voor de jegens haar in acht te nemen norm. Uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW noch uit enig andere norm van rechtspersonenrecht vloeit voort dat een vereniging erop moet letten dat een gymnastiektrainer voldoende bekwaam is. De zorgvuldigheidsnorm krijgt een eigen invulling. Gymnastiek valt tenslotte buiten de sfeer van de rechtspersoon.