Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.2.2.2
2.2.2.2 Selectie van informatiebronnen en informatie
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652452:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van den Blink 2010, p. 61.
Volgens de Leidraad, bepaling 5.4 ziet de wettelijke omschrijving boeken, bescheiden en andere gegevensdragers ook op interne rapportages en notities, de managementinformatie, verslagen van besprekingen, notulen, correspondentie en het e-mailverkeer, kortom alle documenten waarover de rechtspersoon beschikt.
In Onderzoeksverslag Xeikon, p. 11 (onder 22) sprak de onderzoeker een (goed voorstelbare) voorkeur uit voor e-mailcorrespondentie boven interviews als informatiebronnen, zeker in de beginfase van het onderzoek. Daarbij wijst de onderzoeker op de beperkingen van interviews als methode van waarheidsvinding: ‘informatieachterstand van de interviewer, falend geheugen van de geïnterviewde (in het bijzonder bij gebeurtenissen die al enkele jaren geleden hebben plaatsgevonden), etc.’ Bij e-mailcorrespondentie doen die beperkingen zich niet voor.
Van den Blink 2010, p. 61.
OK 18 maart 1976, NJ 1978/317, m.nt. B. Wachter; TVVS 1976, p. 379, m.nt. C.A. Boukema (Sekisui); OK 22 februari 2007 (r.o. 2.2), ARO 2007/52 (LdB Ogilvy & Mather); Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 24; Leidraad, bepaling 3.3.
OK (r-c) 18 maart 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/93 (Nieuwendijk Monumenten); OK (r-c) 31 maart 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/96 (De Jong).
Zie hierover ook Overkleeft 2018.
OK (r-c) 10 november 2014 (r.o. 2.5), JOR 2015/98, m.nt. M. Holtzer (Xeikon); Hermans 2017, p. 223. Zie ook Leidraad, bepaling 2.3; OK 31 augustus 2020 (r.o. 3.8), ARO 2020/151 (Royal Care).
Hermans 2017, p. 223.
De onderzoeker onderzoekt gericht de feiten in de enquêteprocedure. Hiertoe moet hij allereerst gegevens verzamelen. Daarbij vindt reeds een eerste selectie van potentiële informatiebronnen plaats, nu de onderzoeker zich de vraag moet stellen waar hij verwacht informatie uit te kunnen halen.1 De onderzoeker mag die bronnen raadplegen die hij nodig en nuttig acht ten behoeve van het onderzoek, waaronder de in art. 2:351 BW en art. 2:352 BW genoemde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.2 De onderzoeker kan daarnaast informatie vergaren door personen te horen.3 Uit de verzamelde informatie moet de onderzoeker wederom een selectie maken, en zich de vraag stellen welke informatie voor zijn bevindingen en de onderbouwing daarvan (hoogstwaarschijnlijk) relevant is.4 Aan de hand van de geselecteerde informatie stelt de onderzoeker het onderzoeksverslag op.
De onderzoeker richt het onderzoek naar eigen inzicht in.5 Hij bepaalt zelf welke onderwerpen hij vanuit welke invalshoek onderzoekt, maar is wel gebonden aan de grenzen van zijn onderzoeksopdracht, die volgt uit de beschikking van de Ondernemingskamer waarbij het onderzoek is toegewezen. De onderzoeker mag ook bepalen welke werkzaamheden ten behoeve van het onderzoek moeten worden uitgevoerd, in welke volgorde dat moet gebeuren, welke informatie voor het onderzoek nodig is, welke feiten en omstandigheden moeten worden geverifieerd, welke personen moeten worden gehoord en hoeveel tijd in een en ander mag worden gestoken. Door de onderzoeker te maken keuzes mogen daarbij worden beïnvloed door de wijze waarop partijen en andere bij de te onderzoeken rechtspersoon betrokkenen zich opstellen.6 Met de gebruikmaking van een plan van aanpak, waarover par. 2.5.3, hebben partijen gelegenheid op het voorgaande invloed uit te oefenen.
De onderzoeker moet een binnen zijn onderzoeksopdracht volledig onderzoek verrichten. Tegelijkertijd moet de onderzoeker het beschikbare budget bewaken. Tussen een kostenefficiënt onderzoek en een zorgvuldig onderzoek bestaat dan ook een spanningsveld.7 De selectie van informatie vervult daarbij een nuttige functie en dient zowel kostenefficiëntie als zorgvuldigheid. Zo kan de onderzoeker feiten die buiten de onderzoeksperiode of onderzoeksopdracht vallen en geen licht kunnen werpen op datgene wat binnen de onderzoeksperiode en onderzoeksopdracht valt in principe achterwege laten.8 De onderzoeker moet echter niet te snel tot deze conclusie komen: hij dient zich niet enkel te richten op de selectie van feiten die zijn eerste indruk, op basis van de beschikking van de Ondernemingskamer bevestigen, maar ook feiten waaruit het tegendeel kan blijken te bezien.9