Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.5.2
12.5.2 Intermezzo: differentiatie rechtsbescherming
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495973:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris); AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. (m.nt. Den Houdijker).
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris); AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. (m.nt. Den Houdijker), § 43. Zie eerder EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun t. Frankrijk),BNB 1994/175 (m.nt. Wattel), § 46 en EHRM 23 juli 2002 (Janosevic t. Zweden), § 81.
§ 46-48.
Zie nader de noot van Den Houdijker bij EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland), NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. Zie voorts de noot van Barkhuysen en Van Emmerik onder AB 2007/51.
Zie § 3.3.2.2 hiervoor.
Daarvan zou in de onderhavige zaak geen sprake zijn (percentueel noch absoluut).
Over art. 1 Eerste Protocol zie men uitgebreid Stevens 2004, p. 21 e.v.
EHRM 12 juli 2001 (Ferrazzini t. Italië),BNB 2005/222 (m.nt. Langereis). Uit deze zaak volgt dat art. 6, lid 1, EVRM niet toepasselijk is op belastingprocedures (zie § 3.3.4.2.1 hiervoor).
Pt. 6. Schrijvers verwijzen naar hun noot onder EHRM 13 december 2005 (Christoffer Nilsson t. Zweden) in AB 2006/285.
EHRM 23 november 2006 (Jussila t. Finland),BNB 2007/150 (m.nt. Feteris); AB 2007/51 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik); NJCM-Bulletin jrg. 32 (2007), nr. 2, p. 167 e.v. (m.nt. Den Houdijker). Vgl. Thomas in zijn aant. bij EHRM 29 juli 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), FED 2008/81, pt. 2.
Zie § 4.1 hiervoor.
Zie § 12.5.1 hiervoor.
In deze zin: Reijntjes, noot onder EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215, pt. 1.
In het arrest in de zaak Jussila ontwikkelt het EHRM een alternatieve, niet op publieke belangen steunende benadering met een min of meer verwant resultaat.1 Aan de klager in deze zaak was een fiscaal-bestuurlijke geldboete van € 308 opgelegd vanwege een onjuiste aangifte omzetbelasting. Op zijn klacht dat hij niet was gehoord in de procedure met betrekking tot de aan hem opgelegde boete, overweegt het Hof dat het belang van belastingen voor het effectief functioneren van de staat buiten twijfel is, maar dat het niet ervan overtuigd is dat het wegnemen van procedurele waarborgen bij het opleggen van punitieve sancties in die sfeer noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het belastingsysteem te waarborgen. Wel erkent het dat er strafaanklachten van verschillend gewicht zijn en dat er zaken zijn die weliswaar niet behoren tot het traditionele strafrecht, zoals belastingverhogingen, maar wel binnen het toepassingsbereik van art. 6 EVRM vallen. De waarborgen van art. 6 zijn daarop niet steeds op gelijke wijze van toepassing als in traditionele strafzaken.2
's Hofs oordeel dat het achterwege blijven van een mondelinge behandeling niet in strijd is met art. 6 EVRM, steunt primair op de vaststelling dat de beweegredenen voor klager om een mondelinge behandeling te willen, vooral de juistheid van de belastingaanslag betroffen. De vraag of klagers administratie zo gebrekkig was dat het een fiscaal-bestuurlijke boete rechtvaardigde, was aanvullend van aard. Daarbij weegt het Hof mee dat het verzoek om te worden gehoord, door de nationale rechter op aannemelijke gronden was afgewezen en ook dat de boete in kwestie gering was.3
Differentiatie rechtsbescherming of uitzonderen lichte boetes?
Uit het arrest volgt dat belastingverhogingen in de opvatting van het Hof verschillen van de harde kern van het strafrecht. Het betreft zaken die niet hetzelfde stigma als het klassieke strafrecht met zich brengen. De eisen die art. 6 EVRM stelt in belastingzaken met een punitief element, hoeven niet zonder meer in volle omvang te gelden.4 De hoogte van de boete staat niet voorop. In § 35 van het arrest overweegt het Hof dat ‘[n]o established or authoritative basis has (…) emerged in the case-law for holding that the minor nature of the penalty, in taxation proceedings or otherwise, may be decisive in removing an offence, otherwise criminal by nature, from the scope of Article 6’.
De differentiatie in rechtsbescherming van verdachten naar gelang de aard van de punitieve sanctie, heeft niet de unanieme steun van de rechters in het Hof. In hun partly dissenting opinion bij het arrest gaan enkele rechters een stap verder, wanneer zij zich op het standpunt stellen dat lichte belastingverhogingen in ieder geval van art. 6 EVRM moeten worden uitgesloten. Het strafkarakter van bestuurlijke boetes in belastingzaken, zoals die volgt uit de zogenoemde Engel-criteria5, is volgens hen niet zo vanzelfsprekend als uit het arrest volgt. In belastingzaken zouden slechts substantiële bestuurlijke boetes een strafkarakter moeten hebben.6 De geringe verhoging in kwestie zou in de weg staan aan de toepasselijkheid van art. 6 EVRM. Het bepaalde in art. 1, lid 2, van het Eerste Protocol7 en de zaak Ferrazzini is voor hen aanleiding te constateren dat belastingen een bijzonder (rechts)gebied betreffen.8 Reden waarom het toepassingsbereik van art. 6 EVRM in belastingzaken met een punitief element, niet zo ruim zou mogen worden getrokken als het Hof in Jussila doet.
Duidelijk zal zijn dat dit standpunt meer aansluit bij de benaderingswijze van het Hof in O’Halloran en Francis (te weten een bijzonder regime), zij het dat daarin art. 6 toepasselijk was en het publieke belang rechtvaardigingsgrond is.
Doorwerking naar het recht tegen gedwongen zelfbelasting
Barkhuysen en Van Emmerik merken in hun noot onder Jussila op dat het arrest kan worden onderschreven vanuit de wenselijkheid om te differentiëren waar het betreft het niveau van rechtsbescherming naar gelang de ingrijpendheid van de betrokken maatregel, maar dat het arrest juist op dit punt ook nieuwe vragen oproept.9 Heldere criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald voor welke zaken een lichter regime geldt, geeft het Hof inderdaad niet. Evenmin maakt het de inhoud van het voorgestane, lichtere regime van art. 6 EVRM duidelijk. Het beperkt zich in wezen tot de overweging dat de normale eisen van art. 6 niet steeds in volle omvang van toepassing zijn. Gelet hierop kan niet worden uitgesloten dat het Hof vroeg of laat zal oordelen dat (ook) het in art. 6 belichaamde zwijgrecht en het niet-meewerkrecht niet in volle omvang zullen gelden in belastingzaken waarin een niet-substantiële boete aan de orde is.10 Omdat het recht tegen gedwongen zelfbelasting de kern van de ‘notion of a fair procedure’ vormt11, lijkt de ruimte voor verwatering van dit recht echter gering.
Niettemin neemt de kans hierop toe wanneer het gestandaardiseerde boetes betreft. De zojuist genoemde minderheidsopvatting ligt niet ver af van de eerder genoemde overwegingen van het Hof in Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic, dat het massale karakter van de belastingheffing en de uniforme toepassing van sancties wegens onjuiste of onvolledige informatieverstrekking vereist, dat die sancties worden opgelegd op basis van gestandaardiseerde regels.12 Bij mijn weten heeft deze opvatting nadien niet tot concrete beslissingen c.q. toepassingen geleid voor wat betreft de onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM dan wel een van de andere in art. 6 vastgelegde of belichaamde verdedigingswaarborgen (waaronder het recht tegen gedwongen zelfbelasting).
Geen differentiatie betreffende zware boetes respectievelijk strafrechtelijke vervolging
Gelet op de overwegingen waar het oordeel dat art. 6 EVRM niet is geschonden op steunt (zie hiervoor), geeft het arrest de verdragsstaten naar mijn oordeel niet veel ruimte om te differentiëren in beschermingsniveau, althans voor zover het de (zuivere) boetecomponent betreft. Meer in het algemeen zijn ‘s Hofs overwegingen in Jussila aanleiding om te veronderstellen dat zware boetes respectievelijk strafrechtelijke vervolging in fiscale zaken niet (snel) aan een bijzonder regime zullen worden onderworpen. Maar ook hier geldt dat arresten uit Straatsburg niet zo gemakkelijk zijn te begrijpen en men er vooral niet meer in moet lezen dan er werkelijk staat.13