Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/3.4:3.4 Conclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/3.4
3.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457680:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader het onderzoek van de staatscommissie parlementair stelsel, die begin 2017 is ingesteld: Kamerstukken II 2016/17, 34430, 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is ingegaan op de bevoegdheden van de Tweede en de Eerste Kamer in het kader van het budgetrecht. Wat daaraan met name opvalt is dat het belang van deze bevoegdheden vooral principieel is. Beide Kamers hebben al geruime tijd geen begroting meer verworpen. Daarnaast zorgt het amenderen van begrotingen door de Tweede Kamer slechts voor een zeer beperkte verschuiving van budgetten. Het belang van deze bevoegdheden zit dus niet zozeer in de uitoefening ervan, maar in de pressiemiddelen die beide Kamers hierdoor tot hun beschikking hebben ten opzichte van de regering. De mogelijkheid tot verwerping of amendering alleen kan immers al leiden tot toezeggingen door de regering, bijvoorbeeld via moties. Het budgetrecht in zijn ruime betekenis, waarbij het wordt gezien als een continu proces van overleg over de overheidsfinanciën, speelt in dat kader een belangrijke rol.
Hieruit blijkt ook het belang van het budgetrecht voor de Eerste Kamer. Naar mijn oordeel zijn er geen overtuigende redenen om het budgetrecht niet langer toe te kennen aan de Eerste Kamer. Het argument dat de Eerste Kamer sinds jaar en dag instemt met begrotingen, gaat ook op voor de Tweede Kamer, en ten aanzien van de Eerste Kamer overigens voor veel wetsvoorstellen. De Eerste Kamer kan weliswaar geen amendementen indienen, maar zoals hierboven beschreven maakt ook de Tweede Kamer slechts op beperkte schaal gebruik van dit recht. Los daarvan geeft zoals gezegd mijns inziens niet zozeer de uitoefening van deze rechten (tot amendering of verwerping) uitdrukking aan het belang van het budgetrecht, maar veeleer de kracht die uitgaat van het enkel toekomen van deze rechten aan de Tweede en Eerste Kamer. Het enige valide argument voor afschaffing van het budgetrecht ten aanzien van de Eerste Kamer is mijns inziens dat de begrotingsbehandeling zonder de Eerste Kamer vaker voor aanvang van het betreffende begrotingsjaar zou zijn afgerond. Tegelijkertijd zijn er echter andere, minder vergaande mogelijkheden om hetzelfde effect te bereiken, zoals het uitbreiden van het aantal vergaderdagen voor de Tweede Kamer aan het einde van het jaar. Naar mijn mening levert dit argument alleen daarom geen voldoende reden op om het budgetrecht bij de Eerste Kamer weg te halen.
Daarnaast behoort het beoordelen van de verdeling van overheidsgelden tot een van de meest alomvattende rechten van het parlement. Het budget-recht heeft immers betrekking op alle ministeries en alle beleidsplannen van het kabinet. Zou dit recht voortaan uitsluitend aan de Tweede Kamer toekomen, dan betekent dat een belangrijke verschuiving in de verhouding tussen de Tweede en de Eerste Kamer. Mijns inziens zou een dergelijke verschuiving alleen plaats kunnen vinden als onderdeel van een volledige herziening van het huidige tweekamerstelsel.1 Het al dan niet weghalen van het budget-recht bij de Eerste Kamer kan naar mijn mening niet in afzondering worden bekeken, maar hooguit als onderdeel van een meer fundamentele discussie over de verhouding tussen beide Kamers, die buiten het bereik van dit proef-schrift valt.