Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.6.b
6.6.b Recht op een eerlijk proces
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608337:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 december 2000, nr. 29202/95, NJ 2001/558, m.nt. Mevis (Zoon/Nederland); Paragraaf 4.4b.
Hoofdstuk 4.4b.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 94.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 23, verwezen wordt (met onjuiste datumaanduiding) naar EHRM 27 mei 2004, nr. 46549/99 (Yavuz/Oostenrijk), waarin overigens een schending van artikel 6 EVRM wordt vastgesteld.
Paragraaf 4.4d, zie bijv. EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië).
Paragraaf 4.4d, zie bijv. EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië).
Paragraaf 6.5c.
Paragraaf 4.4d., zie bijv. EHRM (GK) 18 oktober 2006, nr. 18114/02, EHRC 2007/4, m.nt. Attinger (Hermi/Italië).
EHRM 17 mei 2016 (ontv.), nr. 21496/10 (Van Velzen/Nederland).
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 95.
Paragraaf 4.4d.
EHRM 2 maart 1987, nr. 9562/81 & 9818/82, NJ 1991/165, m.nt. Alkema (Monnell & Morris/Verenigd Koninkrijk.
Paragraaf 4.6.
Wat het EHRM niet nodig lijkt te vinden in EHRM 17 mei 2016 (ontv.), nr. 21496/10 (Van Velzen/Nederland).
Paragraaf 4.5.
De fresh determination-rechtspraak lijkt geen uitzonderingen toe te laten afhankelijk van het gewicht van een zaak, zie ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 96.
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland).
Paragraaf 4.4c en Paragraaf 4.7.
Paragraaf 4.7.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 96.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24-25.
Paragraaf 4.5.
Op grond van artikel 6 EVRM zijn enkele aanvullende kanttekeningen te maken bij het verlofstelsel van artikel 410a Sv. De eerste betreft opnieuw de beschikbaarheid van de stukken. De memorie van toelichting bij de Wet stroomlijnen hoger beroep verzekert onder verwijzing naar een zinsnede uit de EHRM-uitspraak Zoon/Nederland dat het niet problematisch is dat in de verlofprocedure geen volledig vonnis beschikbaar is, nu immers bij behandeling ter zitting in hoger beroep een geheel nieuwe berechting plaatsvindt op grond van de tenlastelegging.1
Inderdaad heeft het EHRM het plaatsvinden van een “completely new establishment of the facts and a reassessment of the applicable law” in beroep van belang geacht bij de beoordeling van klachten over schending van het recht op adequate facilities op basis van artikel 6 lid 3, onderdeel b, EVRM.2 Dit betekent echter nog niet dat de verlofprocedure van artikel 410a Sv aanvaardbaar is, aangezien de geheel nieuwe berechting pas plaatsvindt nadat verlof wordt verleend, terwijl de verlofprocedure zelf geen volledige berechting biedt. Juist omdat de toetsing in de verlofprocedure schriftelijk en beperkt is, is de kwaliteit van de grieven van groter belang voor de kans op toegang tot het eigenlijke hoger beroep. Als dus enkel de uitspraak Zoon/Nederland tot uitgangspunt wordt genomen, moet de beperkte beschikbaarheid van stukken in de verlofprocedure juist minder acceptabel onder verdragsrecht worden beoordeeld.
Daarbij komt dat het EHRM in andere uitspraken ook van belang acht of ter zitting in beroep nog grieven kunnen worden ingediend of aangevuld – als gevolg waarvan de schriftuur meer of minder van belang wordt.3 In het kader van het verlofstelsel is aanvulling onmogelijk, waardoor het voor de insteller van het beroep juist op de schriftuur aankomt. Ook in dit opzicht is het verlofstelsel in hoger beroep op het punt van de beschikbaarheid van stukken juist erg kwetsbaar.4
Voor de aanvaardbaarheid van het verlofstelsel in hoger beroep is verder het recht op een public en oral hearing relevant. Evenals bij het recht op stukken gaat de wetgever hier tamelijk kort door de bocht. In de memorie van toelichting wordt met een enkel citaat uit een EHRM-zaak onderbouwd dat “het feit dat een verlofprocedure voor hoger beroep van toepassing is, [niet de plicht] impliceert [...] tot het horen van de verdachte”.5 Die stelling is in elk geval te algemeen en voor wat betreft het verlofstelsel in hoger beroep mogelijk ook onjuist.
Vooropgesteld moet worden dat de werking van verschillende eerlijk-procesrechten afhangt van de fase waarin het geding zich bevindt, of scherper: afhangt van de specifieke kenmerken van de instantie die de zaak behandelt. Dit geldt ook voor het aanwezigheidsrecht, in het kader waarvan het EHRM steevast overweegt dat “the manner of application of Article 6 to proceedings before courts of appeal depends on the special features of the proceedings involved; account must be taken of the entirety of the proceedings in the domestic legal order and of the role of the appellate court therein”.6 Cassatie- en verlofprocedures “may comply” met de eisen van artikel 6 EVRM indien de verdachte niet in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren, mits hij in eerdere aanleg is gehoord. Ook als feitelijke aspecten van de strafzaak aan de orde zijn, zoals in appel, geldt het aanwezigheidsrecht niet zonder meer. Tot zover heeft het Nederlandse verlofstelsel dus sterke papieren, aldus ook de wetgever.
Maar of de verdachte in een beroepsprocedure het recht heeft aanwezig te zijn, hangt volgens het EHRM uiteindelijk vooral af van de vraag of “an appellate court has to examine a case as to the facts and the law and make a full assessment of the issue of guilt or innocence”, omdat in dat geval het gerecht “cannot determine the issue without a direct assessment of the evidence given in person by the accused for the purpose of proving that he did not commit the act allegedly constituting a criminal offence”.7 Op het eerste gezicht lijkt de vormgeving van het verlofstelsel in hoger beroep naadloos op deze formulering aan te sluiten: de verlofprocedure houdt in dat de voorzitter zowel de feitelijke als juridische aspecten van alle voor- en hoofdvragen – waaronder de schuldvraag – beoordeelt. Zo bezien lijkt het recht op een openbare zitting dus van toepassing.
Om drie redenen kan aan die conclusie worden getwijfeld. Ten eerste is het de vraag of het EHRM met “a full assessment” alleen op de reikwijdte van de toetsing doelt (die is inderdaad groot in de verlofprocedure) of ook op de diepgang ervan. Daarvan is in elk geval geen sprake in de verlofprocedure, waarin de toetsing beperkt en globaal van aard mag zijn.8 Ten tweede is van belang dat het EHRM ook waarde hecht aan “the manner in which the applicant’s interests were actually presented and protected before the appellate court, particularly in the light of the nature of the issues to be decided by it and of their importance to the appellant”.9 Het verlofstelsel in hoger beroep draait weliswaar niet om bagatellen – een vorm van beroep is dus vereist – maar evenmin gaat het om zware zaken. Dat het dus in het verlofstelsel in hoger beroep gaat om een middelzware tussenstroom van zaken kan voor de beoordeling van het aanwezigheidsrecht van betekenis zijn, wat ook afgeleid kan worden uit de zaak Van Velzen/Nederland.10 Daar komt bij dat verlofbeoordeling niet is beperkt tot beoordeling van de schriftuur, maar de verlofrechter ook wordt geacht ambtshalve te beoordelen of verlof moet worden verleend. Ook dit is een waarborg voor de belangen van de verdachte.11
Ten derde is het zeer de vraag of de zojuist uitgevoerde concrete beoordeling van het recht op een openbare zitting in Straatsburg wel zal plaatsvinden. Diverse uitspraken van het EHRM over verlofbeoordeling in bestuurszaken en uitspraken over vereenvoudigde inhoudelijke behandeling in strafzaken duiden erop dat in leave to appeal proceedings in strafzaken geen openbare behandeling is vereist, ongeacht het karakter van de toegangsvoorwaarden.12 Daarop duidt in het bijzonder de zaak Monnel & Morris/Verenigd Koninkrijk,13 en meer algemeen de wijze waarop het EHRM in veel gevallen klachten over leave to appeal beoordeelt.14 Indien het EHRM dus een voorziening in beroep als verlofstelsel beschouwt, zullen klachten over het aanwezigheidsrecht in beginsel niet slagen – mits de verdachte in eerste aanleg is gehoord. Aangenomen dat het EHRM artikel 410a Sv als leave to appeal beschouwt,15 zal de beoordeling van het EHRM over het ontbreken van een public en oral hearing in de verlofprocedure in hoger beroep om deze redenen dus waarschijnlijk gunstig uitvallen.
Voorts is het recht op aanwezigheid in eerste aanleg hier van belang. Op grond daarvan lijkt te gelden dat een in eerste aanleg bij verstek veroordeelde verdachte recht heeft op een fresh determination van zijn zaak door een andere rechter.16 Nu bevat het verlofstelsel de regeling dat bij een ´schuldeloos verstek’-vonnis door de rechtbank, behandeling van de zaak in hoger beroep in elk geval in het belang van een goede rechtsbedeling is (art. 410a lid 2 Sv). In zoverre bestaat er geen probleem. Van deze automatische verlofverlening is echter een verstekvonnis van de kantonrechter uitgezonderd, en het is maar de vraag of dat aanvaardbaar is.17
Verder is de in hoofdstuk 4.7 uitgebreid besproken zaak Lalmahomed/Nederland nog relevant.18 Voor zover uit deze zaak algemene conclusies kunnen worden getrokken, sluiten die nauw aan bij de rechtspraak van het EHRM over de eis van proper examination, namelijk dat de verlofrechter in elk geval eventueel ingediende grieven serieus aandacht moet geven.19 Daarnaast moet de verlofrechter mogelijk ook ambtshalve met een zekere intensiteit de voorliggende verlofaanvraag beoordelen.20 Hoewel – nogmaals – over de algemene gelding van deze eisen kan worden getwijfeld, sluiten de vereisten wel nauw aan bij de overwegingen van het CRM over de full review die verlofbeoordeling in hoger beroep moet inhouden. Dit onderstreept dat verlofweigering vanuit mensenrechtelijk perspectief riskant is.21
Tot slot is van belang dat de wetgever met artikel 410a Sv weliswaar een inhoudelijk verlofstelsel lijkt te hebben willen invoeren, maar de verlofmaatstaf zelf veeleer de ruimte geeft voor vrije verlofbeoordeling. Dat betekent dat ook in gevallen waarin in hoger beroep het bestreden vonnis zou worden vernietigd, verlofweigering mogelijk is. Deze vrije toepassing van de verlofmaatstaf kan problematisch zijn met het oog op de mogelijkheid om in beroep schendingen van het recht op een eerlijk proces in eerdere aanleg te herstellen. In de wetsgeschiedenis is zoals opgemerkt namelijk erop gewezen dat dat geen verlof behoeft te worden verleend als “de redengeving voor het instellen van appel berust op beweerdelijke partijdigheid van of als onprettig ervaren bejegening door de rechter, maar [...] niet [wordt aangegeven] waarom de beslissing op basis van de feiten anders had behoren te luiden”, of indien “in de redengeving voor het instellen van appel de beslissing […] als zodanig niet [wordt] betwist”.22 Als in lijn met deze passages geen verlof wordt verleend indien in eerste aanleg artikel 6 EVRM is geschonden, dan zal het verlofstelsel ook om die reden in strijd komen met het recht op een eerlijk proces. De rechtspraak van het EHRM maakt namelijk duidelijk dat verlofbeoordeling als zodanig niet het vermogen heeft om schending van het recht op een eerlijk proces uit eerdere aanleg te herstellen, ongeacht de vormgeving van het verlofstelsel. Voor herstel is op zijn minst verlofverlening en inhoudelijke behandeling met full jurisdiction vereist.23 Als dus de verlofrechter vaststelt dat in eerste aanleg artikel 6 EVRM (mogelijk) is geschonden, dan zal hij verlof tot hoger beroep moeten verlenen, te meer omdat tegen verlofweigering geen nader beroep openstaat en de zaak met weigering dus finaal is afgedaan.