Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/3.2.4.2.3
3.2.4.2.3 Regres
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931163:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-231/11, C-232/11 en C-233/11, ECLI:EU:C:2014:256 (Siemens/Commissie), r.o. 58. Vgl. HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-247/1 en C-253/11, ECLI:EU:C:2014:257 (Areva/Commissie), r.o. 151.
HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-231/11, C-232/11 en C-233/11, ECLI:EU:C:2014:256 (Siemens/Commissie), r.o. 59-60.
HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-231/11, C-232/11 en C-233/11, ECLI:EU:C:2014:256(Siemens/Commissie), r.o. 61-62. Het oordeel van het Gerecht dat het bepalen van de interne draagplicht een kwestie is van Unierecht, zodat het aankomt op de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, oordeelt het Hof van Justitie dan ook onjuist, zie r.o. 67. Vgl. HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-247/1 en C-253/11, ECLI:EU:C:2014:257 (Areva/Commissie), r.o. 152.
Zie hierover Bredenoord-Spoek 2015/5.1.
HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C-231/11, C-232/11 en C-233/11, ECLI:EU:C:2014:256 (Siemens/Commissie), r.o. 63.
56. Regres voor hoofdelijke boetes wegens schending van mededingingsrecht. Het Unierecht roept dus onder omstandigheden hoofdelijke verbondenheid in het leven voor boetes wegens schending van mededingingsrecht. Gelet op het publiekrechtelijke karakter van deze hoofdelijke verbondenheid worden haar eigenschappen in beginsel ook door het publiekrecht (van de Europese Unie) beheerst.
De regels over de eigenschappen van hoofdelijke aansprakelijkheid voor boetes wegens schending van het mededingingsrecht regelen de gevolgen van dergelijke hoofdelijkheid echter maar in beperkte mate. Het Hof van Justitie heeft reeds uitgemaakt dat regres tussen de hoofdelijk schuldenaren door het nationale recht wordt beheerst. In de arresten Siemens/Commissie en Areva/Commissie ging het om hoofdelijk opgelegde boetes in het kader van een inbreuk door producenten van zogeheten ‘gasgeïsoleerd schakelmateriaal’ (gas-insulated switchgear). In de twee zaken ging het onder meer om de vraag of de Commissie de bevoegdheid heeft om bij een boete die hoofdelijk is opgelegd aan meerdere, tot dezelfde onderneming behorende juridische entiteiten, ook de bedragen vast te stellen die elk van die vennootschappen uiteindelijk moet dragen. Het Gerecht had geoordeeld dat de aan Siemens respectievelijk Areva opgelegde beschikkingen moesten worden vernietigd omdat de Commissie deze interne verhoudingen niet had vastgesteld. De Commissie was het met dit oordeel niet eens en verzocht het Hof van Justitie om een hogere voorziening. Volgens het Hof van Justitie komt aan de Commissie inderdaad niet de bevoegdheid toe om deze interne verhoudingen vast te stellen:1
“58Uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 vloeit weliswaar voort dat de Commissie meerdere vennootschappen hoofdelijk een geldboete kan opleggen, voor zover zij deel uitmaakten van dezelfde onderneming, maar noch de formulering van deze bepaling noch het doel van het hoofdelijkheidsmechanisme wettigen de conclusie dat deze sanctiebevoegdheid niet alleen de externe hoofdelijkheid betreft, maar tevens de bevoegdheid omvat om het aandeel van de hoofdelijke medeschuldenaars in het kader van hun interne relatie te bepalen.” (onderstreping toegevoegd, DFHS)
Het Hof van Justitie memoreert dat het hoofdelijk opleggen van een boete de doeltreffendheid van geldboeten versterkt en bijdraagt aan de afschrikkende werking van mededingingsregels. Omdat het vaststellen van de interne verhoudingen tussen hoofdelijk schuldenaren niet aan dit ‘dubbele doel’ bijdraagt, omdat deze interne verhoudingen volgens het Hof van Justitie pas relevant worden indien de boete (door een of meerdere schuldenaren) is voldaan, kan de Commissie niet de interne verhoudingen vaststellen, zo redeneert het Hof.2 Interessant is dat het Hof van Justitie vervolgens overweegt dat het Unierecht ook geen algemene regels kent om de interne verhoudingen tussen hoofdelijk schuldenaren vast te stellen, en dat deze kwestie om die reden in beginsel is overgelaten aan het nationale recht:3
“61 (…) noch verordening nr. 1/2003 noch het Unierecht in het algemeen [bevat] regels ter beslechting van een dergelijk geschil betreffende de interne verdeling van de schuld die de betrokken vennootschappen hoofdelijk moeten betalen (zie naar analogie arrest Berel, reeds aangehaald, punten 42 en 43).
62 Wanneer niet contractueel is vastgelegd welk deel van de geldboete die hoofdelijk aan de medeschuldenaars is opgelegd, elk van hen dient te betalen, staat het dus aan de nationale rechterlijke instanties om deze aandelen op grond van het op het geding toepasselijke nationale recht te bepalen met inachtneming van het recht van de Unie.”
Wat opvalt, is dat het Hof van Justitie in r.o. 62 impliceert dat indien wél contractueel is vastgelegd welk deel van een hoofdelijk verschuldigde boete door iedere schuldenaar moet worden gedragen, het niet aan het nationale recht is overgelaten om deze kwestie te regelen (a contrario).4 Ook spreekt het Hof van Justitie ten aanzien van interne verhoudingen van “inachtneming van het recht van de Unie”. Hoewel het Unierecht dus niet zelf de maatstaf bepaalt voor het bepalen van ieders draagplicht, is het Unierecht hier wel degelijk relevant voor deze (in beginsel) nationaalrechtelijk kwestie, omdat het Hof van Justitie oordeelt dat hier toetsing plaats dient te vinden aan Unierecht. Ik begrijp de aangehaalde rechtsoverwegingen als een toepassing van de Rewe/Comet-doctrine. De interne verhoudingen tussen de hoofdelijke beboete rechtspersonen is overgelaten aan het nationale recht, dat dient te voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. In deze opvatting word ik gesterkt door de overweging van het Hof van Justitie dat uit het beginsel van Unietrouw (art. 4 VwEU) voortvloeit dat nationale rechterlijke instanties “in het kader van regresvorderingen” hun Unierechtelijke verplichting tot loyale samenwerking moeten nakomen, “ook al moet in beginsel op basis van het nationale recht uitspraak worden gedaan op deze vorderingen”.5 Hoewel het Unierecht zelf niet bepaalt wat de draagplicht is van hoofdelijk beboete rechtspersonen, oefent het Unierecht op de interne rechtsverhouding tussen die personen dus wel degelijk invloed uit.