Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.0.II.E
I.II.E Rechtsvergelijking
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625059:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder anderen Grossfeld 1968; Sünner 1969; Stiegeler 1985; Sens 1990; Zimmermann 1991; Kossmann1994; Wagner 1997; Frey 1999; Halding-Hoppenheit 2003.
Zie §§ 2151, 2156, 2193, 2198, 2200 en 2148 BGB. Hierover hoofdstuk 3 ‘Het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke’.
B. Schols 2007a, p. 15: ‘Meijers was enorm geïnspireerd door het Bürgerliches Gesetzbuch. De Duitse geest waart dan ook in ons Burgerlijk Wetboek rond’, waarbij hij in zijn noot verwijst naar ‘B.E. REINHARTZ, Recent Changes in the law of Succession in the Netherlands: On the Road towards a European Law of Succession?, vol. 11.1 Eletronic Journal of Comparative Law (May 2007), <http://www.ejcl.org/111/article11-17.pdf>, p. 10’. Ik lees hierin onder meer dat: ‘When one looks at the whole of the parliamentary history of the new law of succession, there are for instance 84 references to German law, 34 to Swiss law, 42 to French law, and 6 to Greek law. It is not possible within this article to list all references in detail but one can note that only a few members of parliament themselves referred to foreign legal systems. In most cases they used the references that were given by Meijers and later by the groups that proposed the other parts of the new law.’
‘Bei uns ist alles besser’. Voor wat het juridisch onderzoek naar de grenzen van wilsdelegatie in het erfrecht betreft, gaat dit cliché mijns inziens zeker op. Daar waar in Nederland het delegatievraagstuk nog in de kinderschoenen staat, heeft de Duitse doctrine al aardig wat aandacht aan het onderwerp gewijd.1 Dit verbaast overigens niet. Al geruime tijd vóór 1 januari 2003 kent het Duitse erfrecht de, in beginsel, verbintenisrechtelijke legitieme portie (Pflichtteil), hetgeen de realisatie van flexibele testamenten ten goede komt. Niettemin is delegatie in Duitsland geen vanzelfsprekendheid. Leunend op een door de geschiedenis gevormd beginsel, te weten het beginsel van die materielle Höchstpersönlichkeit, drukte de Duitse wetgever het delegeren van testeerbevoegdheden enigszins de kop in door in § 2065 BGB een algemeen delegatieverbod neer te leggen:
‘I. Der Erblasser kann eine letztwillige Verfügung nicht in der Weise treffen, dass ein anderer zu bestimmen hat, ob sie gelten oder nicht gelten soll.
II. Der Erblasser kann die Bestimmung der Person, die eine Zuwendung erhalten soll, sowie die Bestimmung des Gegenstands der Zuwendung nicht einem anderen überlassen.’
§ 2065 II BGB brengt het zogenoemde Drittbestimmungsverbot tot uitdrukking. In de literatuur en de rechtspraak is dit verbod omstreden. Daarenboven voorziet de wet zelf in een aantal belangrijke uitzonderingen,2 hetgeen de Duitse jurist niet onberoerd heeft gelaten. Het reeds verrichte onderzoek naar de ratio van het Drittbestimmungsverbot kan voor het Nederlandse delegatievraagstuk verhelderend werken. Wellicht heeft men daar met een zelfde soort vragen geworsteld. Een gedachte die niet onaannemelijk is, omdat het BW sterk op het BGB is geënt.3
Het doel van de rechtsvergelijking met Duitsland is het verwerven van inzichten die van belang kunnen zijn voor de ontwikkeling van het leerstuk ‘wilsdelegatie’ in het Nederlandse erfrecht. De rechtsvergelijking heeft enkel een praktisch doel, waarmee het Nederlandse delegatievraagstuk gerelativeerd kan worden. Gelet op dit doel blijft een uitgebreide beschrijving van het Duitse erfrecht als zodanig achterwege.