Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/2.4
2.4 ONVREDE OVER DE TOEPASSING VAN NIEUWE REACTIEMOGELIJKHEDEN
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613034:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Buruma 2005, p. 90.
Zie bijv. Holthuis 1993, p. 925 en Lebesque 1993, p. 939-941.
Commissie Moons 1993, p. 12. Ook de zogenaamde ‘tyrannieke werking van de tenlastelegging’ was een pijnpunt.
Fokkens 1992, p. 5.
Illustratief is de conclusie van AG Biegman-Hartog toen het OM in een cassatiemiddel pleitte voor de mogelijkheid van strafvermindering bij schending van de redelijke termijn. De AG wees erop dat bij overschrijding van wettelijke termijnen ook niet-ontvankelijkheid volgde, en zei niet te zien waarom dat bij deze minder exact omschreven verdragsrechtelijke termijn anders zou moeten zijn. Zie: HR 18 november 1980, NJ 1981/118 m.nt. Van Veen.
Mevis 1995.
Buruma schrijft dat geleidelijk aan een steeds sterkere weerstand ontstond tegen de nadruk op vormfouten die gepaard ging met de vanaf de jaren ‘70 toegenomen controle of de politie de regels wel had nageleefd (‘policing the police noemde de Utrechtse strafjurist Peters dat’), die uiteindelijk leidde tot de Wet vormverzuimen.1 In het maatschappelijk debat werd de toepassing van bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het OM zwaar bekritiseerd. 2 Het brandpunt van de maatschappelijke onvrede vormde het idee dat verdachten van zware misdrijven als gevolg van kleine processuele verzuimen op vrije voeten moesten worden gesteld.3 Dat beeld was misschien wat ongenuanceerd, maar niet van elke realiteitszin ontbloot. Dat de Hoge Raad in 1987 strafvermindering had geïntroduceerd als reactie op overschrijding de redelijke termijn, deed er bijvoorbeeld niet aan af dat Fokkens in 1992 zijn inaugurele rede aan de VU kon beginnen met de zin dat het ‘Haagse Gerechtshof vorig jaar 413 verdachten – onder wie hoogstwaarschijnlijk ook daders van ernstige misdrijven – vrijuit liet gaan omdat hun zaken te lang waren blijven liggen’.4 De mogelijkheid van toepassing van strafvermindering beklijfde kennelijk in de rechtspraak niet direct. In aanmerking genomen dat voormeld aantal van 413 verdachten zag op één jaar en op één gerechtshof van de (toen nog) vijf en alleen op de vervolgingen die strandden wegens overschrijding van de redelijke termijn, is aannemelijk dat voor de maatschappelijke onvrede van destijds toch wel een vrij stevige feitelijke basis bestond.
De rigiditeit waarmee de door de rechter ontwikkelde reacties op onrechtmatige bewijsgaring en schending van de redelijke termijn werden toegepast, droeg bij aan de maatschappelijke onvrede over de wijze waarop in het strafrecht op vormverzuimen werd gereageerd. Zoals ook in de inleiding van dit boek uiteengezet was van het baseren van de reactie op een vormfout op een genuanceerde en geëxpliciteerde belangenafweging veel minder dan tegenwoordig sprake. Dat kan worden begrepen tegen de achtergrond van de toepassing van wettelijke niet-ontvankelijkheden, waarbij de strafrechter – afgezien van de bij de relativering van de wettelijke nietigheden ontwikkelde belangtoets – van oudsher ook geen uitvoerige eigen belangenafweging toepaste. 5 Dat kan ook de rigide toepassing van bewijsuitsluiting verklaren, die meebracht dat dit ingrijpende rechtsgevolg veel gemakkelijker dan tegenwoordig aan de orde kwam.6 Een afgewogen in plaats van een reflexmatige toepassing van reacties op vormfouten heeft de rechter zich langzamerhand eigen moeten maken.