Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3
5.3 Toepassing in de rechtspraak van het Hof van Justitie
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS956965:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. COM(2016)288, p. 2; Angelopoulos 2016, p. 11.
Daaronder bevinden zich naast de hier genoemde voorbeelden bepalingen omtrent de bescherming van bewijs (art. 7) en corrigerende maatregelen (art. 10).
Vgl. art. 47 TRIPs: “De leden kunnen bepalen dat de rechterlijke autoriteiten de bevoegdheid hebben, tenzij dit niet in verhouding zou staan tot de ernst van de inbreuk, om de inbreukmaker te gelasten de houder van het recht in kennis te stellen van de identiteit van derden die betrokken zijn bij de productie en distributie van de inbreukmakende goederen of diensten en van hun distributiekanalen”.
Ov. 23 Handhavingsrichtlijn.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 44. Zie ook HvJ EU 16 juli 2015, C-580/13, ECLI:EU:C:2015:485 (Coty Germany), rov. 34-35.
Zie ook: Teunissen, IER 2018/40, afl. 5, p. 384-386.
In de loop der jaren heeft het Hof van Justitie verschillende privaatrechtelijke remedies langs de lat van het evenredigheidsbeginsel gelegd. Het leeuwendeel van de uitspraken heeft betrekking op rechterlijke bevelen opgelegd aan een tussenpersoon. Deze ontwikkeling is een gevolg van het feit dat rechthebbenden hun handhavingsstrategie in de loop van de eeuw hebben veranderd en zich in toenemende mate zijn gaan richten op het aanspreken van tussenpersonen. De belangrijkste proponent is de internetserviceprovider (‘ISP’), maar het kan ook gaan om aanbieders van cyberlockers, sociale media, communicatiediensten, online marktplaatsen, betalingssystemen en platforms waarop gebruikers zelf werken kunnen delen (user generated content).1
De Handhavingsrichtlijn bevat verschillende bepalingen die voorzien in oplegging van maatregelen aan tussenpersonen.2 Van belang is onder meer art. 8 lid 1 Handhavingsrichtlijn, dat bepaalt dat rechterlijke instanties kunnen gelasten dat een derde nauwkeurige informatie verstrekt over de herkomst van de goederen of diensten die inbreuk maken, de distributiekanalen en de identiteit van bij de inbreuk betrokken derden.3 Daarnaast bepaalt art. 11 Handhavingsrichtlijn dat lidstaten er zorg voor dienen te dragen dat rechthebbenden kunnen verzoeken om een rechterlijk bevel tegen tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht te maken.4 De bepaling specificeert niet welke maatregelen onderwerp kunnen zijn van een bevel, maar laat aan lidstaten de vrijheid om daaraan naar eigen inzicht invulling te geven. In het verlengde daarvan laat de richtlijn de modaliteiten van het bevel, inhoudende de materiële en formele voorwaarden die daaraan worden gesteld, aan het nationale recht over.5
In meer recente rechtspraak past het Hof de evenredigheidstoets ook toe op maatregelen die betrekking hebben op de directe verhouding tussen rechthebbende en (vermeend) inbreukmaker. De bewoordingen van het Hof in Bastei Lübbe (‘bij de omzetting van richtlijnen’) bevestigen dat de toets van algemene strekking is.6 Zij is aldus van toepassing op alle (geharmoniseerde) remedies, waaronder het rechterlijk verbod en de schadevergoeding.7 Deze rechtspraak zal in deze paragraaf eveneens aan de orde komen.
5.3.1 De ‘early days’: het beginsel van een rechtvaardig evenwicht5.3.2 De ontwikkeling van een gestructureerde evenredigheidstoets5.3.3 Analyse