Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.7
3.7 De economische rechtvaardiging van de normering van aandeelhoudersfinanciering
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410234:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Millon 2007, p. 1311 concludeert: “Because the [limited liability]rule applies to closely as well as publicly held corporations and to tort as well as contract creditors, limited liability cannot be defended solely on efficiency grounds. Instead, the true policy basis for limited liability seems to be the reallocation of some of the costs of doing business from business owners to those who transact (voluntarily or involuntarily) with the corporation. By requiring creditors to bear some of these costs, the law in effect requires them to subsidize business activity. This policy does not depend on a clear demonstration of efficiency for its legitimacy. Instead, there seems to be little more at work than an unquestioned assumption that the benefits of increased business investment will be worth the social costs.” Bratton 2006, p. 43 overweegt: “Limited liability flatly fails to pass efficiency inspection due to its allowance for externalization of risk on involuntary creditors.”
Millon 2007, p. 1317 stelt dienaangaande: “The social utility of this policy is simply taken for granted because actual demonstration of its efficiency is technologically impossible.”
Gelb overweegt: “[A] business that makes its money from taking advantage of creditors rather than from operating in some way beneficial or potentially beneficial to society does not deserve [limited liability] in contract cases except on rare occasions where a creditor has been shown to have thrown all caution to the wind and in effect waived her rights to equitable relief. […] For courts to simply presume that contract creditors should have obtained guarantees or other protections from corporate shareholders is to endorse corporate limited liability even for the financially irresponsible or those whose goals in entering or operating a business are not in the public interest.” (Gelb 2009, p. 567).
Millon 2007, p. 1382.
De voorgaande analyse leidt tot de conclusie dat aandeelhouders kosten kunnen externaliseren naar de crediteuren van de vennootschap door de vennootschap inadequaat te financieren. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende soorten schuldeisers. Vooral de schuldeisers die niet of slechts in beperkte mate in staat zijn om om de door de wet opgelegde risicoallocatie heen te contracteren, of zich anderszins te beschermen tegen onredelijke risico’s, kunnen worden benadeeld door een gebrekkige financiering. Het gaat daarbij niet uitsluitend om de onvrijwillige schuldeisers van de vennootschap, maar ook om de ‘zwakkere’ contractuele crediteuren en de overige stakeholders met een firm specific investment. De beperkte aansprakelijkheid kan aldus worden begrepen als een wettelijk geregelde subsidie voor aandeelhouders, gefinancierd door met name de ‘zwakke’ crediteuren van de vennootschap.1 Aan deze subsidie ligt de gedachte ten grondslag dat de macro-economische voordelen die verbonden zijn aan het ondernemerschap, opwegen tegen de genoemde nadelen. Anders gezegd: de samenleving is erbij gebaat dat risico’s worden genomen, aangezien deze leiden tot succesvolle ondernemingen die een positieve uitwerking hebben op de welvaart. Men zou kunnen stellen dat de negatieve externaliteiten worden afgewogen tegen de (overigens moeilijk meetbare) positieve externaliteiten van de beperkte aansprakelijkheid.2
De centrale vraag is aldus hoeveel risicoafwenteling toelaatbaar is en hoe het niveau van risicoafwenteling binnen de gewenste perken kan worden gehouden. De financieringsvrijheid van aandeelhouders dient mijns inziens te worden begrensd als deze leidt tot onredelijke externaliteiten. Beperkte aansprakelijkheid moet aandeelhouders beschermen tegen de verwezenlijking van het reguliere ondernemingsrisico en ook tegen de verwezenlijking van bijzondere, onvoorzienbare risico’s, mits de aandeelhouders zich financieel verantwoordelijk heeft gedragen; dit houdt in dat de aandeelhouder de vennootschap adequaat dient te financieren met oog op de risico’s die redelijkerwijs voorzienbaar zijn in het licht van de aard en omvang van de ondernemingsactiviteiten, en contractuele crediteuren niet blootstelt aan risico’s waarop zij niet bedacht hoefden te zijn.3
In de woorden van Millon:
“As to both contract and tort creditors, the key concern is with controlling shareholders who use limited liability as a device deliberately or recklessly to extract value from third parties without their consent and without compensation; absent the limited liability shield, such practices could not be effective. […] Limited liability should […] be limited to situations in which shareholders have managed the business with due regard for bargained-for expectations and potential victims of likely accidents. If corporate insolvency has occurred despite the shareholders’ reasonable efforts, the limited liability shield should protect them. In other words, the availability of limited liability should depend on whether the controlling shareholders have managed the business in a financially responsible manner.”4
De normering van aandeelhoudersfinanciering wordt kortom gerechtvaardigd door de externaliteiten die kunnen voortvloeien uit de beperkte aansprakelijkheid. Tegen die achtergrond zullen de grenzen van de financieringsvrijheid van aandeelhouders moeten worden getrokken. Als de aandeelhouder de vennootschap bijvoorbeeld reeds bij oprichting of aanvang van de activiteiten onderkapitaliseert, zullen de professionele crediteuren daardoor meestal niet benadeeld worden, omdat zij de voorwaarden van hun kredietverstrekking kunnen afstemmen op de financiële positie van de vennootschap. Door onderkapitalisatie benadeelt de aandeelhouder daarom primair de ‘zwakkere’ crediteuren. Als de aandeelhouder vermogen aan de vennootschap onttrekt, of de vennootschap extra vreemd vermogen aantrekt, geldt voor deze ‘zwakke’ crediteuren hetzelfde. Professionele crediteuren worden daardoor slechts benadeeld voor zover de aandeelhouder het risicoprofiel van de vennootschap in die mate wijzigt, dat zij ten tijde van de kredietverstrekking daarop niet bedacht hoefden te zijn.