Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.3.a
8.3.a Conclusies
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604704:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Strikt genomen zijn ook deze autonome eisen stelsel- of contextafhankelijk, namelijk afhankelijk van of strafrechtelijke vervolging en berechting überhaupt plaatsvinden. Aangenomen dat dit in Nederland plaats zal blijven vinden, kan toch van autonome verdragsrechtelijke eisen worden gesproken.
Paragraaf 4.5a.
Paragraaf 4.4b; paragraaf 4.4e.
Paragraaf 3.9a; paragraaf 4.4b.
Paragraaf 4.5.
Paragraaf 4.4c; paragraaf 4.4e.
Paragraaf 3.8e.
Paragraaf 3.10c-d.
Paragraaf 4.4d; paragraaf 4.4e.
Paragraaf 4.4d.
Paragraaf 3.10c; paragraaf 3.10d.
Paragraaf 4.4c; paragraaf 4.4e.
Paragraaf 4.7.
Onvoorspelbaarheid bestaat verder nog omdat de inhoud van de jurisprudentie van het CRM en EHRM gewoonweg niet altijd duidelijk is, of soms uitzonderingen kent, zie paragraaf 3.4c; paragraaf 3.5a; paragraaf 3.9a-b; paragraaf 4.4e.
Paragraaf 3.10c.
Paragraaf 3.4; paragraaf 4.3.
Paragraaf 3.5a.
Paragraaf 3.10c.
Paragraaf 4.4c; zie ook paragraaf 4.7.
Paragraaf 3.9a-b; paragraaf 4.4b.
Paragraaf 3.10c.
Paragraaf 4.4e.
Paragraaf 4.3c.
Paragraaf 4.4a.
Paragraaf 4.4a.
Paragraaf 3.10e; paragraaf 4.4a.
Paragraaf 4.5.
De tweede deelvraag van dit onderzoek luidt: in hoeverre zijn verlofstelsels in gewone rechtsmiddelen in strafzaken toelaatbaar met het oog op voor Nederland relevante fundamentele verdragsrechten? Op basis van de hoofdstukken 3 en 4 zijn hierover zeker enige conclusies te trekken, maar vooropgesteld moet worden dat de deelvraag om twee reden moeilijk in algemene zin is te beantwoorden.
Ten eerste stelt het verdragsrecht drie verschillende typen eisen omtrent rechtsmiddelen in strafzaken: (i) autonome of zelfstandige eisen, (ii) stelselafhankelijke eisen en (iii) casusafhankelijke eisen. Sommige eisen van verdragsrecht zijn zelfstandig te noemen omdat zij gelden los van de nationale of processuele context, zoals de eis dat in elk geval na een strafrechtelijke veroordeling in eerste aanleg een vorm van review moet plaatsvinden, behoudens bagatellen, en de regel dat de rechtsmiddelrechter onafhankelijk en onpartijdig moet zijn.1
De inhoud van sommige andere vereisten hangt echter af van hoe het nationale stelsel van rechtsmiddelen en de daarin openstaande rechtsmiddelen zelf zijn vormgegeven. Een stelsel van rechtsmiddelen waarin het openbaar ministerie niet in beroep kan komen, kan namelijk volstaan met één rechtsmiddel na berechting in eerste aanleg. Een stelsel van rechtsmiddelen waarin het openbaar ministerie wel in beroep kan komen en waarin verdachten voor het eerst in hoger beroep kunnen worden veroordeeld, moet voorzien in een tweede rechtsmiddel conform artikel 14 lid 5 IVBPR.2 Ook de beschikbaarheid van een tweede rechtsmiddel, in Nederland cassatie, is hier van betekenis. Enerzijds stelt dit hogere eisen aan het toegankelijk maken van stukken alsook aan de motivering in hoger beroep,3 anderzijds kunnen in cassatie eventuele eerlijk-processchendingen in hoger beroep worden hersteld en is een inhoudelijk verlofstelsel in hoger beroep mogelijk beter aanvaardbaar.4 Voorts zijn bijvoorbeeld de eisen die worden gesteld aan de schriftelijke uitwerking van de uitspraak en het proces-verbaal afhankelijk van het karakter van de beoordeling in een rechtsmiddel (controle of herberechting), van de vraag of grieven tegen de uitspraak moeten worden geformuleerd en of deze grieven gedurende de behandeling van het beroep mogen worden aangevuld.5 In verschillende opzichten zijn de verdragsrechtelijke eisen aan rechtsmiddelen dus afhankelijk van het nationale recht.
Ten derde stelt het verdragsrecht casusafhankelijke vereisten. Indien bijvoorbeeld bij de berechting in eerste aanleg het recht op een eerlijk proces is geschonden kan de berechting in beroep zo’n schending herstellen, voor welk herstel in veel gevallen controle met volledige rechtsbevoegdheid (full jurisdiction) of hernieuwde berechting (retrial; fresh determination) nodig is.6 Afhankelijk van de berechting in vorige aanleg, stelt artikel 6 EVRM dus meer of minder strenge eisen aan de beoordeling in beroep. Verder hangen de vereisten van proper examination en motivering samen met de grieven die in beroep al of niet zijn ingediend.7
Hier komt een tweede – deels samenhangende – moeilijkheid bij. Tussen het CRM en het EHRM onderling, maar ook binnen de rechtspraak van voornamelijk het EHRM zelf, valt een (gradueel) verschil op in het karakter van de toetsing van klachten over rechtsmiddelen: soms abstract, soms gedifferentieerd/genuanceerd, soms zeer casuïstisch.
Vooral de uitspraken van het EHRM over klachten over rechtsmiddelen en leave to appeal onder artikel 2P7 EVRM zijn illustratief voor abstracte beoordeling. Als het EHRM vaststelt dat nationaal recht voorziet in enige vorm van beroep worden de klachten over dat rechtsmiddel vaak zonder omhaal van woorden afgewezen.8 De kenmerken van het rechtsmiddel doen niet ter zake, in het bijzonder niet of sprake is van inhoudelijke of niet-inhoudelijke leave to appeal.9 Dezelfde abstracte beoordeling vindt plaats in uitspraken over de motivering van verlofbeslissingen en uitspraken over de vraag of het nemen van verlofbeslissingen een openbare zitting vereist.10 Dit betekent dat schending van verdragsrecht minder snel of zelfs niet wordt vastgesteld indien een voorziening voor ontvankelijkheidsbeoordeling als leave to appeal wordt gekenmerkt.
Ten aanzien van andere specifieke rechten wordt wel gedifferentieerd tussen rechtsmiddeltypen zoals hoger beroep en cassatie, bijvoorbeeld bij het vereiste van een openbare zitting onder artikel 6 EVRM.11 Hier is vooral belangrijk dat het CRM nadrukkelijk onderscheidt tussen aanvaardbare en niet-aanvaardbare vormen van leave to appeal, afhankelijk van of binnen zo’n verlofstelsel inhoudelijke beoordeling van het beroep plaatsvindt.12
En ten slotte kan het EHRM in sommige gevallen zeer casuïstisch nagaan of sprake is geweest van een eerlijk proces, in het bijzonder onder het vereiste van proper examination en het motiveringsvereiste.13 De vaststelling van een schending hangt in dergelijk gevallen sterk samen met eigen feitenvaststelling door het EHRM en tamelijk uitgebreide weging van de omstandigheden van het geval. De uitspraak van het EHRM over artikel 410a Sv in de zaak Lalmahomed/Nederland is mijn ogen te beschouwen als een voorbeeld van dit soort casuïstische toetsing.14
De consequentie van deze twee voorbehouden voor Nederland is niet alleen dat aan hoger beroep andere eisen worden gesteld dan aan cassatie (stelselafhankelijkheid), maar ook dat de betekenis van het verdragsrecht van geval tot geval en enigszins onvoorspelbaar kan verschillen (casusafhankelijkheid; casuïstische toetsing). Dit noopt tot voorzichtigheid bij het doen van algemene uitspraken over de relevantie van het verdragsrecht voor rechtsmiddelen.15 Iets anders geformuleerd maakt het voorgaande reeds duidelijk dat de verdragsconformiteit van verlofstelsels niet alleen afhangt van zorgvuldige vormgeving van rechtsmiddelen door de wetgever, maar ook van gevoeligheid van de beroepsrechter voor de omstandigheden van het geval.
Met inachtneming van de genoemde voorbehouden kunnen aan het verdragsrecht niettemin enige algemene conclusies worden verbonden voor verlofstelsels in hoger beroep en cassatie. De fijnste nuances uit de hoofdstukken 3 en 4 daargelaten, volgen hieronder de zes voornaamste bevindingen – van autonoom naar casusafhankelijk:
In hoger beroep is alleen inhoudelijke verlofbeoordeling aanvaardbaar. Artikel 14 lid 5 IVBPR vereist volgens de jurisprudentie van het CRM dat ook binnen het bestek van een verlofstelsel een beoordeling plaatsvindt van de inhoud en totstandkoming van de bestreden uitspraak.16
In cassatie is in beginsel zowel een inhoudelijk als een vrij verlofstelsel acceptabel, aangezien het mensenrecht op beroep in beginsel niet op cassatie van toepassing is en artikel 6 EVRM geen eisen stelt aan het karakter van verlofbeoordeling.17 Dit is alleen anders indien de verdachte voor het eerst in hoger beroep wordt veroordeeld. Omdat artikel 14 lid 5 IVBPR ook van toepassing is na een eerste veroordeling in hoger beroep, en in het Nederlandse hoger beroep voor het eerst een veroordeling kan plaatsvinden, is in een dergelijk geval ook in cassatie alleen inhoudelijke verlofbeoordeling aanvaardbaar.18
Indien een inhoudelijk verlofstelsel van toepassing is, moet de inhoudelijke beoordeling van het beroep worden waargemaakt. Afhankelijk van de grieven, de instantie – hoger beroep of cassatie – en de vormgeving van de verlofprocedure, moet de verlofbeoordeling zowel de inhoud als de totstandkoming van de bestreden uitspraak betreffen,19 voldoende grondig zijn (proper examination),20 voorzien zijn van een adequate motivering,21 en moeten stukken uit de vorige aanleg, inclusief vonnis, beschikbaar zijn.22 Mogelijk dient tegen een inhoudelijke verlofweigering in hoger beroep zelfs nader beroep open te staan.23
Aan de toepassing van een vrij verlofstelsel stelt het verdragsrecht nauwelijks eisen – mits niet in hoger beroep toegepast. Hieraan doet niet af dat (slechts) in sommige uitspraken belang wordt gehecht aan de duidelijke motivering van verlofweigering,24 en aan verduidelijking van de verlofcriteria in vaste rechtspraak of een overzichtsarrest.25
Overdracht van verlofbeoordeling aan een bijzondere kamer van het beroepsgerecht of de iudex a quo is in beginsel toelaatbaar. Problematisch is echter de opeenvolging van inhoudelijke verlofbeoordeling en daadwerkelijk inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak door dezelfde rechters, bijvoorbeeld bij verlofverlening en beoordeling na verlofverlening van een beroep van het openbaar ministerie.26 Overdracht van inhoudelijke verlofbeoordeling aan de iudex a quo is eveneens problematisch, terwijl tegen beoordeling van de toegang tot beroep door de iudex a quo in het algemeen mogelijk beroep moet openstaan.27 Overdracht van verlofbeoordeling aan niet-rechterlijke ambtenaren lijkt pas acceptabel met aanvullende waarborgen zoals de mogelijkheid van beroep tegen de verlofbeoordeling.28
De verlofrechter dient verlof te verlenen indien in de vorige aanleg het recht op een eerlijk proces niet in acht is genomen. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in vrije en inhoudelijke verlofstelsels is als zodanig niet in staat om dergelijke missers te herstellen. Voor herstel is namelijk volledige controle (full jurisdiction) en soms zelfs vernietiging en herberechting op grondslag van de tenlastelegging nodig (retrial; fresh determination), terwijl het EHRM met tamelijk abstracte oordelen herstel door middel van leave to appeal proceedings als zodanig steeds onmogelijk acht.29