Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.6.1
10.6.1 Primaire of subsidiaire bevoegdheid
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378203:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Schmieman (2004), p. 378.
De Toelichting op het Voorontwerp van Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, opgenomen in SER-advies 1988/14, p. 121-122 (lees meer over de opmerking van De Ruiter in § 10.5.2.2). In dezelfde zin minister van Agt, die tijdens de behandeling van de Invoeringswet Boek 2 BW opmerkt dat uit de parlementaire geschiedenis van de wet uit 1971 volgt dat de bevoegdheid van de A-G een subsidiaire is: de A-G zal pas optreden als anderen die de enquêtebevoegdheid hebben, stilzitten (zie Van Zeben en Du Pon (1977), p. 1030 en p. 1037- 1038). In de literatuur wordt overigens betwijfeld of het subsidiariteitsvereiste uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 1971 kan worden afgeleid, zie Maeijer in zijn noot bij OK 28 december 1981, NJ 1983/25 (Diesel Holland) en Geerts, diss. (2004), p. 104. Een meerderheid van de schrijvers heeft het standpunt van minister van Agt zelfs afgewezen, zie Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek (1992), nr. 362; Asser-Maeijer 2-III (2000), nr. 524; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 747; Witteveen (1993), p. 93. Zie ook SER-advies 1988/14, p. 37.
HR 1 februari 2002, NJ 2002/226 m.nt. Maeijer (De Vries Robbé), r.o. 3.2.
OK 26 oktober 2000, JOR 2000/240 (De Vries Robbé), r.o. 4.3.
SER-advies 1988/14, p. 37 en Asser Maeijer 2-III (2000), nr. 524.
Uit de vorige paragraaf blijkt dat de A-G weinig gebruik maakt van de enquêtebevoegdheid. In de eerste jaren na de invoering van de enquêtebevoegdheid in 1971 is die terughoudende opstelling te verklaren doordat zowel bij de wetgever als bij het OM de overtuiging bestaat dat de enquêtebevoegdheid van de A-G een subsidiaire is.1 Met subsidiair wordt bedoeld dat er naast de A-G andere enquêtegerechtigden zijn en de A-G pas behoeft op te treden indien die anderen stilzitten.
Aanleiding voor de subsidiariteitsgedachte vormt de opmerking van minister de Ruiter in de toelichting op het uit 1981 stammende Voorontwerp tot wijziging en aanvulling van het enquêterecht. Volgens De Ruiter kan uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 1971 worden afgeleid dat aan de A-G in het enquêterecht een beperkte opdracht is gegeven en daar vloeit uit voort dat hij in het algemeen alleen dient op te treden wanneer andere enquêtegerechtigden, zoals aandeelhouders en vakbonden, dat niet doen.2 Sinds 2002 is echter duidelijk dat de A-G zijn bevoegdheid onafhankelijk van andere enquêtegerechtigden kan uitoefenen. De Hoge Raad overweegt in de De Vries Robbé-beschikking dat de strekking van art. 2:345 lid 2 BW meebrengt dat de A-G ook bevoegd is een enquête te verzoeken indien door de OK reeds een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW is gelast. De enquêtebevoegdheid heeft daarmee geen subsidiair karakter. De redenen van openbaar belang kunnen namelijk een bijzondere grond vormen voor het houden van een onderzoek naast andere gronden die eveneens tot het instellen van een onderzoek hebben kunnen leiden.3 De A-G heeft naast de in art. 2:346 en 2:347 BW genoemde partijen dus een separate, op redenen van openbaar belang te grondvesten, rechtsingang.4 Het openbaar belang kan immers in het geding zijn, zowel bij een stilzitten als in geval van een optreden van andere enquêtegerechtigden.5