Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/8.1.1
8.1.1 Drie gunstige kenmerken
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675415:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer artikel 5 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren; artikel 2 Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren; artikel 91 lid 1 sub f Wet rechterlijke organisatie; de artikelen 4 en 8 lid 2 Besluit opleiding rechters en officieren van justitie, en de Regeling Landelijke selectiecommissie rechters.
Artikelen 8:44, 8:45 en 8:47 Awb (vooronderzoek) en 8:59 en 8:60 Awb (onderzoek ter zitting).
Artikel 8:12a Awb. Over de relatie met het recours objectif zie paragraaf 8.4.1.
Artikel 8:12b Awb.
Over de verschillende aspecten van de onafhankelijkheid van de (bestuurs)rechtspraak recent Mak 2020, p. 336-338. Over de onafhankelijkheid van de rechter in constitutioneel perspectief Van den Eijnden 2011. Vgl. Bovend’Eert 2019; Dijkstra 2018; Bovend’Eert 2007 en Brenninkmeijer 2001, p. 49.
Artikel 121 Grondwet. Hierover recent Daalder 2019 en Tak 2019, p. 2471-2477.
Kamerstukken II 1999-2000, 27 182, nr. 3, p. 10-11. Vgl. Mak 2020, p. 334-335 en Brenninkmeijer 2001, p. 59-60.
Artikel 117 Grondwet; afdeling 8.1.4 Awb; artikel 6 lid 1 EVRM; artikel 14 lid 1 IVBPR en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie onder meer artikel 112 lid 2 Grondwet; de artikelen 1:4, 8:6 lid 1 en 8:105 lid 1 Awb en artikel 2, 3, 5 en 6 en afdeling 2 van de Wet op de Raad van State.
Zo bepaalt artikel 42 lid 4 van de Wet op de Raad van State dat een lid van de Afdeling dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies, niet deelneemt aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking heeft. Over deze problematiek bijvoorbeeld Visser 2017.
Hierover onder meer - met verwijzingen - Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 23-26.
Kritisch is onder meer Tak. Zie bijvoorbeeld Tak 2005.
Bijvoorbeeld Schlössels, Schutgens & Zijlstra 2019, p. 25 en Visser 2017, p. 233.
Bijvoorbeeld Tak 2019, p. 2534-2551.
Een eerste gunstig aspect van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure is de kennis en kunde van de bestuursrechter ten aanzien van de juridisch-rechtsstatelijke inbedding van bestuursorganen. Vanwege zijn aanstellingsvereisten (waaronder opleiding en ervaring)1 en het feit dat het om een gespecialiseerde rechter gaat (waarbij ook nog verdere specialismen bestaan bij bepaalde sectorale wetgeving), mag verondersteld worden dat hij beschikt over een bovengemiddelde deskundigheid op het gebied van de juridisch-rechtsstatelijke inkapseling van bestuursorganen en de zwakke aspecten daarvan. Dat is belangrijk in het kader van het verrichten van behoorlijk algemeen rechtmatigheidstoezicht. Hij kan zich bovendien (soms al tijdens het vooronderzoek) op specifieke terreinen laten voorlichten door ambtenaren van het betrokken bestuursorgaan of externe deskundigen.2 Indien een zaak in behandeling is bij een meervoudige of grote kamer van één van de hoogste bestuursrechters, kan sinds 2013 in het kader van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling een advies in de vorm van een conclusie van een advocaat-generaal worden gevraagd.3 Recentelijk is het instrument van de amicus curiae aan het ‘arsenaal’ van de hoogste bestuursrechters toegevoegd indien de zaak door een meervoudige of grote kamer wordt behandeld.4 Op basis hiervan kunnen niet-procespartijen in het kader van de rechtsvorming schriftelijke opmerkingen over de zaak indienen. Zij kunnen eventueel door het beroepscollege worden uitgenodigd ter zitting te verschijnen om over hun inbreng te worden gehoord.
De kennis en kunde van de bestuursrechter over de (wisselwerking met de) bestuurlijke uitvoeringspraktijk van alledag lijkt misschien minder vanzelfsprekend, maar is zeker niet ontoereikend. De bestuursrechter staat vanwege zijn zittingswerkzaamheden immers voortdurend in contact met de ‘werkvloer van bestuursorganen’, waardoor hij ook op dit terrein een Fingerspitzengefühl heeft ontwikkeld.
Al met al beschikt de bestuursrechter over een breed gezichtsveld dat zich uitstrekt over diverse aspecten van bestuurlijke besluitvorming, waardoor de juridische-rechtsstatelijke kwaliteit van bestuursoptreden ook in breder verband door hem op adequate wijze kan worden beoordeeld.
Een tweede gunstig aspect van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure is de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestuursrechter. Dat komt doordat hij evident opereert buiten het constitutionele vaarwater van bestuursorganen in het kader van de trias politica.5 Hoewel de Minister van Justitie en Veiligheid politieke ministeriële verantwoordelijkheid draagt voor het functioneren van de bestuursrechtspraak, opereert de bestuursrechter inhoudelijk volledig autonoom. Daardoor worden de legitimiteit, het gezag en daarmee de acceptatie van zijn uitspraken bevorderd. De eigen verantwoordelijkheid van de bestuursrechter voor de inhoud van zijn uitspraken komt mede tot uitdrukking in de grondwettelijk gewaarborgde openbaarheid daarvan.6 De Minister van Justitie en Veiligheid heeft enkel een rol met betrekking tot het verwezenlijken van de randvoorwaarden voor een behoorlijke rechterlijke taakvervulling. In de Memorie van Toelichting van de instellingswet van de Raad voor de rechtspraak uit 2002 werd dit in het kader van de ministeriële verantwoordelijkheid nog eens duidelijk verwoord:
“De ministeriële verantwoordelijkheid vindt zijn begrenzing in de rechterlijke onafhankelijkheid. Die verantwoordelijkheid strekt zich uit de aard der zaak niet uit tot de uitoefening van de rechterlijke functie: de onafhankelijke beslechting van geschillen. Dit is nu niet het geval en dit zal ook in de toekomst niet zo zijn. Wel is de minister van Justitie in algemene zin verantwoordelijk voor het goed kunnen functioneren van de rechterlijke organisatie. Deze komt tot uitdrukking in de sfeer van de bedrijfsvoering: hij is verantwoordelijk voor het creëren en handhaven van randvoorwaarden waarbinnen de gerechten hun rechtsprekende taak kunnen vervullen.”7
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestuursrechter bij de rechtbanken is bovendien (Grond)wettelijk en verdragsrechtelijk gewaarborgd.8 Dat geldt ook voor de hoger beroepsrechters, waaronder de Afdeling als ‘algemene en aanvullende’ hoger beroepsrechter (die overigens soms ook als rechter in eerste en enige aanleg fungeert).9 Hierbij moet wel de nuancerende opmerking worden gemaakt dat de Afdeling vanwege haar historische wortels met het nodige kunst- en vliegwerk buiten het constitutionele vaarwater van de besturende macht in de trias politica wordt gehouden.10 De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze bestuursrechter ten opzichte van het openbaar bestuur zijn minder evident dan bij de andere hoogste beroepscolleges en de bestuursrechters van de rechtbanken. Zo leidden de arresten Procola en Kleyn uit 1995 en 2003 tot aanpassingen van de organisatiestructuur van de Raad van State.11 Hoewel kritische geluiden over het gevaar van ‘gouvernementele Afdelingsrechtspraak’ niet zomaar mogen worden weggewuifd,12 bestaat onvoldoende concrete aanleiding om te veronderstellen dat door de huidige inrichting van de hoger beroepsrechtspraak politieke of beleidsmatige invloeden te zeer doordringen in bestuursrechtelijke uitspraken. Dat wordt over het algemeen ook wel erkend.13 In dat opzicht is mijns inziens de rechtmatigheidscontrole van de Afdeling en de lagere bestuursrechters die de Afdelingsjurisprudentie volgen dus niet te zeer bestuurlijk ‘vertroebeld’, ook niet voor algemeen rechtmatigheidstoezicht.
Een derde gunstig aspect van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure is de focus op concrete bestuursbeslissingen (het zogenaamde microbestuur), en dan met name de daarmee verband houdende bevoegdheid van de bestuursrechter om besluiten te vernietigen. Vanwege de grote impact van een vernietiging - de rechtsgevolgen van het besluit worden immers met terugwerkende kracht en erga omnes weggenomen - valt voor bestuursorganen iets te ‘vrezen’ van het oordeel van de bestuursrechter (zeker bij besluiten van grote politieke en maatschappelijke betekenis). Dat heeft, evenals zijn kennis en kunde en zijn rechtsstatelijk onafhankelijke positie, een gunstig effect op de preventieve en opvoedende werking van de bestuursrechtelijke beroepsprocedure. De bestuursrechter kan bestuursorganen immers krachtig bij de ‘rechtsstatelijke les’ houden. Het draagt ook bij aan het stelsel van macht en tegenmacht in het kader van de trias politica.
Hoewel gefundeerde kritiek bestaat op het traditionele vernietigingsberoep14 en de verzoekschriftprocedure ondertussen zijn intrede heeft gedaan in de bestuursrechtelijke beroepsprocedure,15 heeft het nog altijd goede papieren. Niet valt te verwachten dat in de nabije toekomst veel verandering komt in het vernietigingsberoep als ‘typische’ beroepsvorm voor de procedure bij de bestuursrechter.