Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.3.0:4.3.3.0 Introductie
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.3.0
4.3.3.0 Introductie
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946132:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Crijns 2010, p. 293.
Zie hierover hoofdstuk 3, paragraaf 2.2.1. De uitzondering op dit uitgangspunt betreft de schending van bedrijfsgeheimen waarbij ingevolge art. 273 lid 3 Sr niet de onderneming wier geheimen zijn geschonden het klachtrecht toekomt, maar dit recht exclusief is toebedeeld aan het bestuur van die onderneming.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De algemene beschouwingen ten aanzien van de rechtsbetrekking en de hierboven beschreven specifieke invulling van de rechtsbetrekking in het strafrecht bieden ruimte om meer concreet aandacht te besteden aan juridische relaties die (kunnen) worden beïnvloed door het klachtvereiste. Dit draagt bij aan het inzicht in de werking en functie van het klachtvereiste.
Bij klachtdelicten staat de driehoeksverhouding tussen de verdachte, het openbaar ministerie en het slachtoffer centraal. Het slachtoffer beïnvloedt door het al dan niet indienen van een klacht de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte. In de vorige paragraaf is de driehoeksverhouding tussen de verdachte, het openbaar ministerie en het slachtoffer in figuur B afgebeeld. In de hieronder weergegeven figuur C is de werking van het klachtvereiste in deze visualisatie ingepast.
Figuur C
Een aantal aspecten van deze illustratie verdient nadere toelichting. Onder de rechtsbetrekkingen waaraan het openbaar ministerie deelneemt in relatie tot de opsporing en vervolging van strafbare feiten worden – in navolging van Crijns1 – ook de rechtsbetrekkingen begrepen waaraan de politie in dat verband deelneemt. De politie oefent haar strafvorderlijke bevoegdheden op grond van art. 132a en 148 Sv uit onder leiding van de officier van justitie. Ook voorafgaand aan het inschakelen van de officier van justitie worden opsporingshandelingen wettelijk onder zijn verantwoordelijkheid verricht. In de hierboven weergegeven illustratie van rechtsbetrekkingen vinden opsporingshandelingen – die feitelijk door de politie worden verricht – dus plaats binnen de rechtsbetrekkingen waaraan het openbaar ministerie deelneemt. Met het oog op de in de illustratie weergegeven klachtgerechtigde verdient opmerking dat dit nagenoeg steeds het slachtoffer van het strafbare feit is. Dat uitgangspunt is neergelegd in art. 64 Sr.2 De figuur laat zien dat het indienen van een klacht vanwege (een verdenking van) een klachtdelict een juridische handeling is die plaatsheeft binnen de rechtsbetrekking tussen de klachtgerechtigde en het openbaar ministerie. De wijze van het indienen van een klacht en de rechten en verplichtingen voor de daarbij betrokken rechtssubjecten volgen uit het Wetboek van Strafvordering.3 Uit de illustratie volgt tevens dat opsporen en vervolgen – en het daarbij uitvoering geven aan strafvorderlijke bevoegdheden – hoofdzakelijk plaatsheeft binnen de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte.