Rechtbank Den Haag 19 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1885.
HR, 28-01-2022, nr. 20/01888
ECLI:NL:HR:2022:80
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-01-2022
- Zaaknummer
20/01888
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:80, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑01‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:668, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2020:759
ECLI:NL:PHR:2021:668, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑07‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:80, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑06‑2020
- Vindplaatsen
INS-Updates.nl 2022-0047
JOR 2022/136 met annotatie van prof. mr. N,E.D. Faber
TvI 2022/18 met annotatie van B.F.M. Vulto
Uitspraak 28‑01‑2022
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Kan curator girale betaling die daags na faillissement is voldaan vanaf op naam van failliet staande bankrekening die debetsaldo vertoont, als onverschuldigd terugvorderen van schuldeiser? Betekenis van fixatiebeginsel, paritas creditorum en art. 20, 23 en 24 Fw. Toepassing van HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689?
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/01888
Datum 28 januari 2022
ARREST
In de zaak van
COÖPERATIE ROYAL FLORAHOLLAND U.A.,gevestigd te Aalsmeer,
EISERES tot cassatie,
hierna: RFH,
advocaat: D.Th.J. van der Klei,
tegen
Jan Joost WITTEKAMP, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement
van BLEISWIJK BOEKETSERVICE B.V.,kantoorhoudende te Naaldwijk, gemeente Westland,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de curator,
advocaat: B.I. Kraaipoel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 6222140 RL EXPL 17-19830 van de kantonrechter te Den Haag van 19 februari 2018;
het arrest in de zaak 200.245.234/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2020.
RFH heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De curator heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de curator mede door M.R. Schreurs en E.A.H. ten Berge.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot het alsnog bekrachtigen van het in eerste aanleg gewezen vonnis van de kantonrechter van 19 februari 2018.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bleiswijk Boeketservice B.V. (hierna: BB) exploiteerde een groothandel in boeketten
en decoratiematerialen.
(ii) RFH is een coöperatieve organisatie van en voor telers van sierteeltproducten, en is gericht op het veilen van sierteeltproducten, het verlenen van bemiddeling bij de verkoop van sierteeltproducten en de verhuur van bedrijfsruimtes aan handelaren in sierteeltproducten.
(iii) BB was lid van RFH en zette een deel van haar productie af via RFH. Daarnaast huurde BB bedrijfsruimte van RFH.
(iv) Bij vonnis van 2 oktober 2012 is BB in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.
(v) Op 3 oktober 2012 is vanaf de door BB bij ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro) aangehouden bankrekening (hierna: de ABN-rekening) € 4.518,09 overgeboekt naar de bankrekening van RFH. De ABN-rekening vertoonde ten tijde van de faillietverklaring een negatief saldo. Deze overboeking is geschied op basis van een automatische incasso. Stornering was volgens ABN Amro niet meer mogelijk.
(vi) De tussen BB en RFH gesloten huurovereenkomst is na het intreden van het faillissement beëindigd. Het bedrag van de huurvorderingen die na de datum van het faillissement zijn ontstaan, overstijgt het hiervoor onder (v) genoemde bedrag van € 4.518,09.
2.2
De curator vordert in deze procedure – voor zover in cassatie van belang – veroordeling van RFH tot betaling van € 4.518,09. De curator baseert zijn vordering op art. 23 Fw, waaruit voortvloeit dat BB vanaf 2 oktober 2012 om 00.00 uur niet langer rechtshandelingen kon verrichten die haar vermogen raken. De betaling van € 4.518,09 aan RFH op 3 oktober 2012 is dan ook onverschuldigd verricht, aldus de curator.
2.3
De kantonrechter1.heeft de vordering van de curator afgewezen.
2.4
Het hof2.heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en RFH veroordeeld tot betaling aan de curator van € 4.518,09.
Volgens het hof kan de curator de girale betaling van € 4.518,09 als onverschuldigd betaald van RFH terugvorderen (rov. 13). Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – het volgende overwogen:
“8. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of de curator een girale betaling die na datum faillissement is voldaan vanaf een op naam van de failliet staande bankrekening die een debetsaldo vertoonde, als onverschuldigd kan terugvorderen.
9. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.
Artikel 23 Fw bepaalt dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen verliest vanaf de dag (te rekenen vanaf 00.00 uur) waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken. Deze bepaling is een uitwerking van het aan de Faillissementswet ten grondslag liggende fixatiebeginsel, dat inhoudt dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen door het intreden van het faillissement onveranderlijk wordt.
Het fixatiebeginsel heeft aldus een bredere strekking dan alleen het verlies van beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar. Het strekt ertoe dat zowel de goederen van de schuldenaar waarop verhaald kan worden – de activa van de schuldenaar – als de hoogte en voorrang van de vorderingen – de passiva van de schuldenaar – worden gefixeerd c.q. bepaald naar de dag van de faillietverklaring (te 00.00 uur).
10. Niet in geschil is dat de girale betaling aan RFH heeft plaatsgevonden vanaf de bankrekening van BB nadat BB failliet was verklaard. Op grond van artikel 23 Fw was BB op dat moment niet meer bevoegd (beschikkings)handelingen te verrichten ten aanzien van haar onder het faillissement vallende vermogen. Dat geldt ook voor handelingen verricht door een opdrachtnemer van de schuldenaar, zoals de bank in het geval van een betalingsopdracht (al dan niet via een automatische incasso). Een dergelijke handeling bindt de boedel c.q. de curator niet. De curator kan dan ook steeds het betaalde waarmee na de aanvang van het faillissement de bankrekening van de begunstigde is gecrediteerd als onverschuldigd betaald terugvorderen, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.). De Hoge Raad refereert daarbij (in rechtsoverweging 3.5.2) aan de met artikel 23 Fw verband houdende bepaling van artikel 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW, op grond waarvan de lastgeving eindigt door het faillissement van de lastgever. Deze bepaling geldt evenzeer voor een betalingsopdracht aan de bank bij wie de schuldenaar een bankrekening met een negatief saldo aanhoudt. Door het faillissement van de schuldenaar eindigt de (al dan niet via een automatische incasso gegeven) betalingsopdracht aan de bank. De begunstigde van een als gevolg van die betalingsopdracht ontvangen betaling kan deze aldus evenmin aan de boedel tegenwerpen.
Het voornoemde arrest van de Hoge Raad bevat ook geen aanwijzing dat de reikwijdte van de daaruit voortvloeiende rechtsregel beperkt is tot girale betalingen ten laste van een creditsaldo. Een dergelijke beperking zou bovendien in strijd zijn met het fixatiebeginsel, dat ertoe strekt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste (wat betreft hoogte en voorrang van de vordering) mag worden gewijzigd. Bij een overschrijving tijdens faillissement vanaf de betaalrekening van BB onttrekt RFH zich door de ontvangst van de betaling aan de paritas creditorum. Dat de bankrekening van BB reeds een debetstand vertoonde, maakt dat niet anders. Het standpunt van de curator dat ook de girale betaling die tijdens het faillissement is verricht ten laste van een bankrekening met een debetsaldo door hem kan worden teruggevorderd, is dan ook juist.”
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Middel 1 klaagt onder meer dat onjuist is het oordeel van het hof (in rov. 10) dat de curator een girale betaling die na datum faillissement is voldaan vanaf een op naam van de failliet staande bankrekening, als onverschuldigd kan terugvorderen, ook als die bankrekening een debetsaldo vertoonde. Voorts klaagt het middel onder meer dat de rechtsopvatting van het hof (in rov. 9 en 10) over de strekking en de reikwijdte van het fixatiebeginsel en de paritas creditorum onjuist is.
3.2.1
Het intreden van het faillissement heeft tot gevolg dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt en dat de rechtspositie van een schuldeiser na dat tijdstip niet te zijnen gunste mag worden gewijzigd.3.Dit fixatiebeginsel vindt zijn uitdrukking onder meer in de art. 20, 23 en 24 Fw.
Ingevolge art. 20 Fw omvat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft.
Art. 23 Fw bepaalt dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen verliest, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen. Dit betekent dat door of vanwege de schuldenaar niet meer bevoegd (beschikkings-)handelingen ten laste van zijn vermogen kunnen worden verricht vanaf de aanvang van de dag van de faillietverklaring. Dat geldt ook voor handelingen verricht door een opdrachtnemer van de schuldenaar, zoals de bank in het geval van een betalingsopdracht.4.Die betalingsopdracht kan zijn gegeven via een automatische incasso.
Op grond van art. 24 Fw is de boedel niet aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar die na de faillietverklaring zijn ontstaan, behalve voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat.
Aldus beogen het fixatiebeginsel en de art. 20, 23 en 24 Fw aan de schuldeisers bescherming te bieden zowel tegen een vermindering van het actief van de boedel dat in het faillissement voor verdeling onder de schuldeisers beschikbaar is, als tegen een vermeerdering van het passief van de boedel waardoor de uitkering in het faillissement voor de schuldeisers lager wordt.
3.2.2
Het strookt met de hiervoor in 3.2.1 bedoelde bescherming die het fixatiebeginsel en de art. 20, 23 en 24 Fw aan de schuldeisers beogen te bieden, om aan te nemen dat de curator hetgeen na het intreden van het faillissement aan een schuldeiser is betaald, op de voet van art. 23 Fw slechts kan terugvorderen voor zover die betaling resulteert in een vermindering van het actief van de boedel, dan wel in een vermeerdering van het passief van de boedel.5.
3.3.1
In dit geval heeft de betaling aan RFH niet geresulteerd in een vermindering van het actief van de boedel, nu de ABN-rekening bij het intreden van het faillissement reeds een debetsaldo vertoonde. Evenmin heeft die betaling geresulteerd in een vermeerdering van het passief van de boedel. Weliswaar is als gevolg van de betaling aan RFH de schuld van BB jegens ABN Amro toegenomen, maar ingevolge art. 24 Fw is de boedel daarvoor niet aansprakelijk, nu de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de boedel door die betaling niet is gebaat.
3.3.2
Het vorenstaande betekent – anders dan het hof heeft geoordeeld – dat het fixatiebeginsel en art. 23 Fw geen grondslag bieden voor toewijzing van de vordering van de curator.
3.3.3
Toewijzing van de vordering van de curator kan evenmin steunen op een ontoelaatbare doorbreking van de paritas creditorum. De paritas creditorum ziet slechts op de gelijke behandeling waarop schuldeisers aanspraak hebben bij de voldoening van hun vorderingen uit (de opbrengst van) de goederen van de schuldenaar (art. 3:277 BW).6.Zoals hiervoor in 3.3.1 is overwogen, heeft de betaling aan RFH niet plaatsgevonden uit een actief van de boedel en is daardoor geen aanspraak op de boedel ontstaan. Van een ontoelaatbare doorbreking van de paritas creditorum is in dit geval dan ook geen sprake.
3.4
Het vorenstaande betekent dat de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten slagen. De overige klachten behoeven geen behandeling.
3.5
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het bestreden arrest te vernietigen en het vonnis van de kantonrechter te bekrachtigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2020;
- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 19 februari 2018;
- veroordeelt de curator in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van RFH begroot:
- in hoger beroep op € 1.485,--;
- in cassatie op € 1.013,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd
met de wettelijke rente over deze kosten indien de curator deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 28 januari 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 28‑01‑2022
Gerechtshof Den Haag 24 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:759.
Van der Feltz II, p. 126, en HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424 (Credit Suisse/Jongepier q.q.), rov. 3.5.1 en 3.5.4.
Vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.), rov. 3.5.2.
Vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.), rov. 3.10.3 en HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653 (Huijzer q.q./Rabobank), rov. 3.3.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98 (X/Unitco), rov. 3.3.2.
Conclusie 02‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Kan curator tijdens faillissement uitgevoerde girale betaling terugvorderen van begunstigde als saldo rekening negatief was? Automatische incasso en storneringsbevoegdheid. Stelsel van art. 20, 23 en 24 Fw en paritas- en fixatiebeginsel. Al beslissing in arrest JPR/Gunning q.q.? Mogelijkheid tot verrekening met vordering ex art. 23 Fw. Arrest Kuijsters/Gaalman q.q. analoog van toepassing?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01888
Zitting 2 juli 2021
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
Coöperatie Royal FloraHolland U.A.
tegen
J.J. Wittekamp
Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk .
1. Inleiding
Inzet van deze zaak is of de faillissementscurator een girale betaling die na datum faillissement door een automatische incasso is gedaan vanaf een op naam van de failliet staande bankrekening die een debetsaldo vertoonde, van de ontvanger van de betaling kan terugvorderen op grond van art. 23 Fw. De zaak vormt daarmee in zekere zin een vervolg op het arrest JPR/Gunning q.q. uit 2015,1.waarin deze vraag aan de orde was met betrekking tot een girale betaling vanaf een op naam van de failliet staande bankrekening met een creditsaldo. Die vraag werd in dat arrest bevestigend beantwoord. De vraag is of het feit dat de rekening een negatief saldo vertoonde, tot een andere uitkomst leidt.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.2.
(i) Bleiswijk Boeketservice B.V. (hierna: BB) exploiteerde een groothandel in boeketten en decoratiematerialen.
(ii) RFH is een coöperatieve organisatie van en voor telers van sierteeltproducten, gericht op het veilen van sierteeltproducten, het verlenen van bemiddeling bij de verkoop van sierteeltproducten en de verhuur van bedrijfsruimtes aan sierteeltproducthandelaren.
(iii) BB was lid van RFH en zette een deel van haar productie af via deze coöperatie. Daarnaast huurde BB van RFH een bedrijfsruimte op het veilingterrein aan de Klappolder in Bleiswijk.
(iv) Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2012 is BB in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig.
(v) Op 3 oktober 2012 is vanaf de door BB bij ABN Amro Bank N.V. (hierna: de Bank) aangehouden bankrekening (hierna: de ABN-rekening) een bedrag van € 4.518,09 overgeboekt naar de bankrekening van RFH. De ABN-rekening vertoonde ten tijde van de faillietverklaring reeds een negatief saldo.3.Deze betaling is geschied op basis van een automatische incasso. Stornering was volgens de Bank niet meer mogelijk.
(vi) De tussen BB en RFH gesloten huurovereenkomst is na datum faillissement beëindigd. De huurvorderingen die na datum faillissement zijn ontstaan overstijgen het bedrag ad € 4.518,09.
2.2
De curator heeft bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 21 juli 2017 RFH gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Den Haag en veroordeling van RFH gevorderd tot betaling van het hiervoor onder 2.1 onder (v) vermelde bedrag van € 4.518,09, en buitengerechtelijke incassokosten ad € 576,81, beide vermeerderd met de wettelijke rente. Aan de vordering heeft de curator ten grondslag gelegd dat BB ingevolge art. 23 Fw per datum faillissement onbevoegd was om te beschikken over haar vermogen. BB kon daarom sinds 2 oktober 2012 om 0:00 uur geen rechtshandelingen meer verrichten die haar vermogen raken. Als gevolg van het faillissement heeft de op 3 oktober 2012 gedane betaling van € 4.518,09 aan RFH dan ook onverschuldigd plaatsgevonden. Dat bedrag dient volgens de curator daarom terugbetaald te worden door RFH aan de boedel van BB.4.
2.3
RFH heeft als verweer gevoerd (i) dat het op 3 oktober 2012 aan haar betaalde bedrag niet tot de boedel van BB behoorde, omdat de ABN-rekening van BB op het moment van die betaling een roodstand vertoonde. Het is dus niet de boedel van BB, maar de Bank die bedoeld bedrag aan RFH heeft betaald. Daarom kan de curator het bedrag niet van RFH terugvorderen, aldus RFH. Daarnaast heeft RFH aangevoerd (ii) dat zij erop mocht vertrouwen dat de curator de opdracht tot betaling van het bedrag van € 4.518,09 had gegeven. RFH heeft voorts erop gewezen (iii) dat zij uit hoofde van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst een vordering op BB heeft met de status van boedelschuld (art. 39 Fw). Zij stelt het op 3 oktober 2012 betaalde bedrag te hebben toegedeeld aan die boedelschuld, althans dat bedrag met de boedelschuld te hebben verrekend, althans de terugbetaling van het op 3 oktober 2012 betaalde bedrag te hebben opgeschort totdat de boedelschuld aan haar is voldaan.5.
2.4
De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 februari 20186.de vordering van de curator afgewezen. Hij heeft daartoe als volgt overwogen:
“12. De kantonrechter is (…) van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een in strijd met artikel 23 Fw verrichte beschikkingshandeling. De op 3 oktober 2012 aan RFH gedane betaling betreft immers geen handeling die het onder het faillissement vallende vermogen raakt. Anders gezegd: de boedel van BB is door de betaling van 3 oktober 2012 niet gewijzigd. De kantonrechter licht dat als volgt toe.
13. Op grond van artikel 20 Fw omvat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. Ten tijde van de faillietverklaring bevatte de op naam van BB staande ABN-rekening een negatief saldo. De ABN-rekening bevatte ten tijde van de faillietverklaring dus geen tot [het] onder het faillissement vallend vermogen.
14. Op 3 oktober 2012, de dag na de uitspraak van het faillissement van BB, heeft De Bank het negatieve saldo van de op naam van BB staande ABN-rekening verder omlaag gebracht door ten laste van die rekening een bedrag van € 4.518,09 over te schrijven naar de bankrekening van RFH. Met die overschrijving is aldus géén wijziging gebracht in de omvang van de boedel. Zowel voor als na die overschrijving omvatte de ABN-rekening immers geen onder het faillissement vallend vermogen.
15. De curator heeft gewezen op rechtsoverweging 3.10.3 van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, NJ 2015/264 (JPR/Gunning q.q.), waarin de Hoge Raad overweegt dat de curator steeds het betaalde kan terugvorderen waarmee na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd. Dat arrest ziet evenwel op de situatie dat een betaling heeft plaatsgevonden ten laste van een aan de boedel van de failliet toekomend creditsaldo op de bankrekening van de failliet. Die situatie verschilt wezenlijk van de onderhavige situatie. In de onderhavige situatie bevatte de ABN-rekening ten tijde van de faillietverklaring immers geen aan de failliet toekomend saldo. De Bank had in het onderhavige geval dan ook geen “geld” van de failliet onder zich en kan met de door haar gedane betaling daarom ook geen “geld” van de failliet aan de boedel hebben onttrokken.
16. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de curator afgewezen. (…)”
2.5
De curator is van het vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag. Bij arrest van 24 maart 20207.heeft dat hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, RFH alsnog veroordeeld tot betaling aan de curator van het bedrag van € 4.518,09, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het hof heeft alle drie de hiervoor in 2.3 genoemde verweren van RFH ongegrond geoordeeld (rov. 8-12).
2.6
RFH heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof.8.De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna RFH nog heeft gerepliceerd.9.
3. Bespreking van de cassatiemiddelen
3.1
RFH voert twee middelen aan tegen het arrest van het hof. Middel 1 is in de eerste plaats – dat wil zeggen in de onderdelen 1-3 daarvan – gericht tegen rov. 8 tot en met 10, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
“8. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of de curator een girale betaling die na datum faillissement is voldaan vanaf een op naam van de failliet staande bankrekening die een debetsaldo vertoonde, als onverschuldigd kan terugvorderen.
9. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag.Artikel 23 Fw bepaalt dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen verliest vanaf de dag (te rekenen vanaf 00.00 uur) waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken. Deze bepaling is een uitwerking van het aan de Faillissementswet ten grondslag liggende fixatiebeginsel, dat inhoudt dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen door het intreden van het faillissement onveranderlijk wordt.Het fixatiebeginsel heeft aldus een bredere strekking dan alleen het verlies van beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar. Het strekt ertoe dat zowel de goederen van de schuldenaar waarop verhaald kan worden - de activa van de schuldenaar - als de hoogte en voorrang van de vorderingen - de passiva van de schuldenaar - worden gefixeerd c.q. bepaald naar de dag van de faillietverklaring (te 00.00 uur).
10. Niet in geschil is dat de girale betaling aan RFH heeft plaatsgevonden vanaf de bankrekening van BB nadat BB failliet was verklaard. Op grond van artikel 23 Fw was BB op dat moment niet meer bevoegd (beschikkings)handelingen te verrichten ten aanzien van haar onder het faillissement vallende vermogen. Dat geldt ook voor handelingen verricht door een opdrachtnemer van de schuldenaar, zoals de bank in het geval van een betalingsopdracht (al dan niet via een automatische incasso). Een dergelijke handeling bindt de boedel c.q. de curator niet. De curator kan dan ook steeds het betaalde waarmee na de aanvang van het faillissement de bankrekening van de begunstigde is gecrediteerd als onverschuldigd betaald terugvorderen, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.). De Hoge Raad refereert daarbij (in rechtsoverweging 3.5.2) aan de met artikel 23 Fw verband houdende bepaling van artikel 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW, op grond waarvan de lastgeving eindigt door het faillissement van de lastgever. Deze bepaling geldt evenzeer voor een betalingsopdracht aan de bank bij wie de schuldenaar een bankrekening met een negatief saldo aanhoudt. Door het faillissement van de schuldenaar eindigt de (al dan niet via een automatische incasso gegeven) betalingsopdracht aan de bank. De begunstigde van een als gevolg van die betalingsopdracht ontvangen betaling kan deze aldus evenmin aan de boedel tegenwerpen. Het voornoemde arrest van de Hoge Raad bevat ook geen aanwijzing dat de reikwijdte van de daaruit voortvloeiende rechtsregel beperkt is tot girale betalingen ten laste van een creditsaldo. Een dergelijke beperking zou bovendien in strijd zijn met het fixatiebeginsel, dat ertoe strekt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste (wat betreft hoogte en voorrang van de vordering) mag worden gewijzigd. Bij een overschrijving tijdens faillissement vanaf de betaalrekening van BB onttrekt RFH zich door de ontvangst van de betaling aan de paritas creditorum. Dat de bankrekening van BB reeds een debetstand vertoonde, maakt dat niet anders.Het standpunt van de curator dat ook de girale betaling die tijdens het faillissement is verricht ten laste van een bankrekening met een debetsaldo door hem kan worden teruggevorderd, is dan ook juist.”
3.2
Onderdeel 1 klaagt, voor zover hier van belang, dat het oordeel van het hof in rov. 10 dat de curator ook een vordering toekomt in de situatie waarin de girale betaling voldaan is van een rekening die een debetstand vertoonde, onjuist is. Onderdeel 2 en 3 voeren aan dat het oordeel van het hof in rov. 10 onjuist is dat het fixatiebeginsel ertoe strekt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste (wat betreft hoogte en voorrang van de vordering van de crediteur) mag worden gewijzigd. In elk geval is de uitspraak van het hof volgens de drie onderdelen10.onbegrijpelijk in het licht van onder meer de essentiële stellingen van RFH dat bij die vordering geen sprake is van geld ‘terug’ in de boedel, omdat de betaling aan de begunstigde RFH niet ten laste van de boedel was, maar ten laste van een derde (de bank), dat schulden (een debetstand bij de bank) niet zijn te executeren, dat art. 23 Fw, het fixatiebeginsel, niet van toepassing is op schulden, dat geen sprake is van nadeel voor de boedel en dat geen belang van de boedel is getroffen, maar hoogstens van de derde (de bank).
3.3
De onderdelen stellen met een en ander aan de orde de hiervoor aan het slot van 1 genoemde vraag en de gronden waarop het hof die vraag ontkennend heeft beantwoord in rov. 9 en 10. Alvorens op deze vraag, en dat antwoord en die gronden, in te gaan, wordt hierna eerst stilgestaan bij hetgeen geldt met betrekking tot de girale betaling en automatische incasso voor en tijdens faillissement in het algemeen.
Girale betaling voor en tijdens faillissement
3.4
Een girale betaling vindt plaats op het tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd (art. 6:114 lid 2 BW). Door het faillissement verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, vanaf de aanvang van de dag dat het faillissement is uitgesproken (art. 23 Fw). Daardoor is de schuldenaar vanaf dat tijdstip (00.00 uur van de dag dat het faillissement wordt uitgesproken) niet meer bevoegd een opdracht tot een girale betaling te geven. De bank is daarom eveneens vanaf dat tijdstip niet meer bevoegd een opdracht tot een girale betaling van de schuldenaar uit te voeren, ook al dateert die opdracht van vóór het faillissement. In deze zin is al beslist in het arrest Vis q.q./NMB.11.In dat arrest werd deze regel nog alléén gegeven voor de uitvoering van de opdracht door de bank van de schuldenaar. In het arrest JPR/Gunning q.q.12.is die regel uitgebreid tot ook de uitvoering van de opdracht door de bank van de schuldeiser en door de intermediairs tussen de banken van schuldenaar en schuldeiser. Uit laatstgenoemd arrest haal ik over een en ander het volgende aan (met weglating van hetgeen in de onderhavige zaak niet van belang is):
“3.5.1 De onderdelen stellen de vraag aan de orde wat de gevolgen zijn (…) voor de beslissing die is gegeven in het arrest Vis q.q./NMB. In dat arrest is overwogen:
“Blijkens de in 3.1 samengevatte feiten gaat het hier om een girale betaling door de schuldenaar, die pas na de aanvang van de dag van de faillietverklaring is voltooid. Het beginsel van art. 23 Fw, zoals dit mede in art. 1850, aanhef en onder derde, BW tot uiting komt, brengt mee dat de curator het aldus betaalde terug kan vorderen, indien de giroinstelling aan welke de overschrijvingsopdracht werd gegeven, bij de aanvang van de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen had verricht, die zij als opdrachtnemer van de schuldenaar ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten. Dit geval doet zich hier voor nu de afschrijving pas op 18 nov. 1981 heeft plaatsgevonden.”
3.5.2
De uit het beginsel van art. 23 Fw voortvloeiende regel die in deze overweging is weergegeven, stemt overeen met de regel van art. 35 lid 1 Fw, die inhoudt dat indien op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen hebben plaatsgevonden die voor een levering door de schuldenaar nodig zijn, de levering niet geldig meer kan geschieden. Het aldus in onder meer deze regels uitgewerkte beginsel van art. 23 Fw komt erop neer dat door of vanwege de schuldenaar niet meer bevoegd (beschikkings)handelingen ten laste van diens vermogen kunnen worden verricht vanaf het tijdstip van de aanvang van de dag van de faillietverklaring. Dat geldt ook voor handelingen verricht door een opdrachtnemer van de schuldenaar, zoals de bank in het geval van een betalingsopdracht. De met art. 23 Fw verband houdende bepaling van art. 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW (destijds art. 1850, aanhef en onder derde, BW) - op grond waarvan de lastgeving eindigt door het faillissement van de lastgever -, vormt hiervan een uitwerking.
3.5.3
Uit het hiervoor in 3.5.2 overwogene volgt dat het bij de regel van het arrest Vis q.q./NMB uitsluitend erom gaat of de bank van de schuldenaar voor de aanvang van de dag van de faillietverklaring alle handelingen heeft verricht die nodig zijn ter effectuering van de betaling. (…)
(…)
3.10.1
De Hoge Raad ziet (…) aanleiding om op een andere wijze dan door het middel bepleit, terug te komen van de regel van het arrest Vis q.q./NMB.
3.10.2
Bij een girale overmaking geschiedt de betaling op het tijdstip dat de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd (art. 6:114 lid 2 BW). Dat betekent dat eerst op dat tijdstip aan de verbintenis tot betaling van een geldsom is voldaan. In verband hiermee zijn alle banken en intermediairs die bij de uitvoering van de opdracht zijn betrokken, waaronder ook de bank van de schuldeiser - die ervoor moet zorgdragen dat de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd -, aan te merken als instanties van wier diensten de schuldenaar direct of indirect gebruik maakt bij de betaling.
3.10.3
Gelet op het in 3.10.2 overwogene strookt het meer met het hiervoor in 3.5.2 genoemde beginsel van art. 23 Fw om aan te nemen dat de curator steeds het betaalde kan terugvorderen waarmee na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd. Dit heeft bovendien als belangrijke voordelen ten opzichte van de regel van het arrest Vis q.q./NMB (i) dat niet meer behoeft te worden nagegaan wanneer de bank van de schuldenaar alle handelingen heeft verricht die nodig zijn ter effectuering van de betaling - hetgeen praktisch moeilijk kan zijn en bovendien kan leiden tot uitkomsten die naar gelang de (soms toevallige) omstandigheden kunnen verschillen - en (ii) dat het in dit verband geen verschil meer maakt of het gaat om een rekening van de schuldeiser bij dezelfde of bij een andere bank.”
3.5
Beide arresten verwijzen naar art. 23 Fw en naar het daarin niet nader gespecificeerde ‘beginsel’ van die bepaling. In beide arresten had echter mede kunnen worden verwezen naar art. 24 Fw, dat bepaalt dat de boedel niet aansprakelijk is voor verbintenissen van de schuldenaar die na de faillietverklaring zijn ontstaan, dan voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat, en naar art. 20 Fw, waarin de wetgever het karakter van het faillissement als gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van de schuldeisers heeft vastgelegd.13.Deze bepalingen komen erop neer dat de schuldenaar de boedel (dat wil zeggen het in art. 20 en 23 Fw bedoelde vermogen) vanaf het intreden van het faillissement niet meer kan binden. Deze bepalingen leiden tot een relatieve nietigheid van die handelingen van de schuldenaar: zij kunnen niet aan boedel worden tegengeworpen.14.
3.6
Vorenstaande regels van de art. 20, 23 en 24 Fw hebben niet alleen tot gevolg dat de curator de begunstigde van de girale betaling kan aanspreken tot terugbetaling van het in weerwil van art. 23 Fw ontvangene, zoals aan de orde was in de arresten Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q., maar ook dat de curator de bank van de schuldenaar die vanaf genoemd tijdstip uitvoering heeft gegeven aan de opdracht tot een girale betaling, tot ongedaanmaking van die uitvoering kan aanspreken. Aldus is dan ook beslist in de arresten Huijzer q.q./Rabobank en ING/Manning q.q.15.In eerstgenoemd arrest is (in rov. 3.3) overwogen:
“Het gaat in gevallen als het onderhavige om de aanvaarding en uitvoering door de bank van een na de faillietverklaring door de gefailleerde gegeven betalingsopdracht, tot het geven waarvan de gefailleerde ingevolge art. 23 F. niet bevoegd was. Nu de boedel door de uit die opdracht voortvloeiende betaling niet is gebaat, kan in beginsel deze betaling, ongeacht of de bank door publicatie van het faillissementsvonnis of op andere wijze bekend was of kon zijn met de faillietverklaring, niet aan de boedel worden tegengeworpen, en kan de curator hetgeen ingevolge de betalingsopdracht door de bank is betaald terugvorderen (vgl. HR 11 januari 1980, nr. 11512, NJ 1980, 563).”
In deze overweging wordt de grens getrokken bij ‘een na de faillietverklaring door de gefailleerde gegeven betalingsopdracht’, in afwijking van de arresten Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q., waarin, zoals hiervoor weergegeven, de grens wordt getrokken bij een na de faillietverklaring door de bank uitgevoerde betalingsopdracht, welke opdracht eventueel ook van vóór het faillissement kan dateren. Gelet op het gegeven dat beide arresten berusten op art. 23 Fw, en gelet op de motivering van de arresten Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q., waarin voor de daarin geformuleerde grens mede wordt verwezen naar art. 35 Fw, art. 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW en art. 1850, aanhef en onder derde, oud BW, ligt het voor de hand om aan te nemen dat ook voor de vordering tot terugboeking van het overgemaakte bedrag van de curator op de bank van de schuldenaar als grens heeft te gelden of de opdracht na de faillietverklaring door de bank is uitgevoerd.16.
3.7
Het voorgaande geldt ook bij een automatisch incasso. Een dergelijk incasso is immers niets anders dan een combinatie van een machtiging om namens de rekeninghouder aan de bank een opdracht te geven en de op basis daarvan gegeven opdracht.17.Daarvoor geldt dus hetzelfde als voor andere opdrachten.18.Na het intreden van het faillissement kan de bank daaraan dus geen uitvoering meer geven ten laste van de boedel. Partijen, kantonrechter en hof zijn hier dan ook alle van uitgegaan (het hof met zoveel woorden in rov. 10: “Door het faillissement van de schuldenaar eindigt de (al dan niet via een automatische incasso gegeven) betalingsopdracht aan de bank.”) en in de diverse commentaren op de uitspraken van kantonrechter en hof wordt ook niet een andere zienswijze naar voren gebracht.
Is de uitkomst anders bij een negatief saldo van de rekening?
3.8
Daarmee kom ik toe aan de vraag waar het in deze zaak om gaat: is de uitkomst anders als het saldo van de rekening van de schuldenaar negatief is?
3.9
Ik stel voorop dat uit de gedingstukken van deze zaak valt af te leiden dat het saldo van de rekening van BB reeds vóór het faillissement negatief was en dat daarin geen verandering is gekomen na het intreden van het faillissement. Dat brengt mee dat de betaling vanaf de rekening de schuld van BB jegens de bank heeft vergroot. Die verhoging van haar vordering kan de bank echter, gelet op de art. 20, 23 en 24 Fw, niet aan de boedel tegenwerpen (tenzij die daardoor zou zijn gebaat, maar dat is in dit geding niet (aan de orde) gesteld). De bank heeft dus geen vordering terzake in het faillissement.19.Wel kan zij op grond van de rechtsverhouding met de begunstigde en de schuldenaar het recht hebben om de betaling terug te draaien. Met name het binnen een bepaalde termijn uit te oefenen storneringsrecht dat bestaat bij een automatische incasso kan haar daartoe het recht geven. In de onderlinge verhouding van schuldenaar en schuldeiser heeft de betaling door middel van een automatische incasso te gelden als een betaling onder de ontbindende voorwaarde van stornering en heeft zowel de schuldenaar als de bank de bevoegdheid om binnen de daarvoor staande termijn over te gaan tot storneren (dat is het administratief ongedaan van de boeking), om welke reden ook.20.In het onderhavige geval heeft de bank blijkens de vaststaande feiten niet gestorneerd, kennelijk omdat zij daarmee te laat was (zie hiervoor in 2.1 onder (v)).21.Kennelijk had de bank niet anderszins jegens BB en RFH het recht om de betaling terug te draaien.22.
3.10
Het voorgaande betekent dat de girale betaling aan RFH ten koste is gegaan van de bank en niet ten koste van de boedel van het faillissement van BB. BB had immers geen tegoed bij de bank waaruit de betaling plaatsvond. De betaling heeft ook niet geleid tot een toename van de vorderingen in het faillissement, want als gezegd kan de bank terzake van de girale betaling geen vordering indienen in het faillissement.23.
3.11
De curator heeft betoogd dat wel sprake zou zijn van een betaling ten laste van de boedel, omdat ook de kredietruimte waarover de schuldenaar beschikt, tot de activa van de boedel is te rekenen.24.Gesteld noch gebleken is echter dat de girale betaling in dit geval heeft plaatsgevonden ten laste van met de bank overeengekomen kredietruimte. Bovendien zal de mogelijkheid om van kredietruimte gebruik te maken, normaal gesproken op grond van de voorwaarden van het krediet vervallen als de schuldenaar in staat van faillissement komt te verkeren. Dat dit in dit geval anders zou zijn geweest, is evenmin gesteld of gebleken. Uit het kredietruimte-arrest25.volgt bovendien ook duidelijk dat als kredietruimte met de bank is overeengekomen, die ruimte als zodanig geen vermogensrecht oplevert. Volgens dat arrest brengt het enkele bestaan van een kredietrelatie tussen bank en cliënt immers niet mee dat de cliënt reeds op die grond een – vooralsnog voorwaardelijke – vordering heeft op de bank. Het wilsrecht van de cliënt dat ligt besloten in de bevoegdheid tot afroep van het krediet, is volgens het arrest naar zijn aard niet vatbaar voor beslag en executie, overdracht en uitoefening door een beslaglegger. Ik zou menen dat dit ook geldt in faillissement en voor uitoefening van dat recht door de curator. Voor een en ander wordt in het arrest immers uitdrukkelijk mede verwezen naar het systeem van het faillissementsrecht.26.
3.12
Uitgangspunt moet dan ook zijn dat een girale betaling in een geval zoals hier de boedel op geen enkele wijze raakt, noch door een vermindering van het actief (de bezittingen), noch door een vermeerdering van het passief (de schulden) daarvan. Dat zo zijnde, valt niet goed in te zien dat de curator een vordering jegens RFH als begunstigde van de girale betaling zou toekomen. Daarmee zou de boedel immers zonder enige grond een voordeel verkrijgen dat afkomstig is van de bank. Daar komt dan bovendien nog bij dat de boedel door de betaling, opnieuw zonder enige grond, een voordeel heeft gekregen, doordat zij een schuldeiser kwijt is, omdat RFH is voldaan en dus niet zal meedelen in het actief in het faillissement (althans niet wat betreft de voldane vordering), waardoor er – mits er voldoende actief is – meer ter verdeling overblijft voor de andere schuldeisers.27.Veeleer zou men hier dan ook denken aan een vordering van de bank – die als gezegd de enige is die nadeel van de betaling heeft ondervonden – op de begunstigde, met name op grond van ongerechtvaardigde verrijking.28.
3.13
Uit het voorgaande volgt dat het antwoord op de hiervoor genoemde vraag bevestigend moet luiden.29.Er is immers geen grond aan te wijzen waarop de curator een vordering heeft in het geval de girale betaling ten koste is gegaan van een debetsaldo en daarmee uitsluitend van de bank. De art. 20 en 23 Fw zijn niet op de betaling van toepassing omdat deze bepalingen enkel zien op de activa die tot het faillissementsvermogen behoren, wat met betrekking tot de hier aan de orde zijnde girale betaling niet kan worden gezegd.30.Art. 24 Fw is niet van toepassing omdat geen vordering is ontstaan die jegens de boedel kan worden uitgeoefend, met andere woorden: er evenmin sprake is van een vermeerdering van het passief in het faillissement. Het oordeel van de kantonrechter, hiervoor in 2.4 aangehaald, is om deze redenen zonder meer juist te achten.
Kritiek Schuijling op vonnis kantonrechter
3.14
Het oordeel van de kantonrechter is evenwel bekritiseerd door Schuijling in zijn hiervoor in voetnoot 6 aangehaalde noot onder het vonnis van de kantonrechter.31.Volgens hem vormt het feit dat de rekening van BB al een debetstand vertoonde en de betaling daardoor het faillissementsvermogen niet heeft geraakt, “nog geen rechtvaardiging om dit geval buiten het bereik van art. 23 Fw te brengen. Ook bij een overschrijving vanaf een betaalrekening met een debetstand onttrekt de begunstigde zich door de ontvangst van de betaling aan de paritas creditorum.” Volgens hem bevat het arrest JPR/Gunning q.q. geen aanwijzing dat de reikwijdte van de rechtsregel daarvan is beperkt tot girale betalingen die ten laste komen van een creditsaldo. “Sterker nog”, aldus Schuijling:
“de Hoge Raad overweegt dat de curator stééds kan terugvorderen hetgeen tijdens het faillissement giraal wordt betaald. Met “het beginsel van art. 23 Fw”, waaraan de Hoge Raad refereert, wordt gedoeld op het aan de Faillissementswet ten grondslag liggende fixatiebeginsel. Dit beginsel houdt in dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt. De rechtspositie van een schuldeiser mag na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste worden gewijzigd. (…) Het strookt met het fixatiebeginsel dat ook de girale betaling die tijdens het faillissement is verricht ten laste van een debetsaldo, kan worden teruggevorderd door de curator.”32.
3.15
Deze argumenten heeft het hof in rov. 10 onderschreven en overgenomen voor zijn oordeel. Ik bespreek deze argumenten hierna puntsgewijs.
Strijd met paritas- of fixatiebeginsel?
3.16
Dat sprake zou zijn van strijd met de gelijkheid van schuldeisers (in het Latijn de ‘paritas creditorum’) die tegenwoordig in art. 3:277 BW is vastgelegd en die een belangrijk beginsel vormt van het faillissementsrecht, valt naar mijn mening niet in te zien. Bij de hiervoor in 3.12 genoemde feiten lopen de schuldeisers in het faillissement immers niets mis. Dat één van hen, RFH, wél betaling ontvangt, betekent niet dat zij zich aan de paritas onttrekt. De betaling aan haar heeft immers niet door of ten laste van de boedel plaatsgevonden, maar (per saldo) door en voor rekening van een derde, de bank, die daarvoor geen (regres)vordering heeft op de boedel. De boedel en dus de andere schuldeisers worden daardoor op geen enkel wijze geraakt. Het onderhavige geval verschilt niet wezenlijk van een andere betaling van een openstaande vordering op een gefailleerde door en voor rekening van een derde, zoals bijvoorbeeld die door een verzekeraar op grond van een kredietverzekering, die door een subsidiegever of waarborginstituut of door een bevriende relatie van de gefailleerde die deze laatste van zijn schulden wil afhelpen. Dergelijke betalingen staan geheel buiten het faillissement. De paritas heeft immers slechts betrekking op de gelijke behandeling van schuldeisers in het faillissement, dus bij de verdeling van de opbrengst van de boedel. Vergelijk het arrest H.H./Unitco uit 2014:
“Het staat derden in beginsel vrij hangende een procedure tot faillietverklaring steunvorderingen te voldoen. Dat levert geen doorbreking op van de paritas creditorum, ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of daarvoor geen zekerheid wordt gesteld. De paritas creditorum ziet immers slechts op de gelijke behandeling waarop schuldeisers aanspraak hebben bij de voldoening van hun vorderingen uit (de opbrengst van) de goederen van de schuldenaar (art. 3:277 BW).”33.
3.17
Om dezelfde redenen kan ik evenmin strijd zien met het fixatiebeginsel. Net als het paritasbeginsel is het fixatiebeginsel een beginsel dat niet in de Faillissementswet staat, maar wel onmiskenbaar ten grondslag ligt aan de bepalingen daarvan. De belangrijkste daarvan zijn de al genoemde art. 20, 23 en 24 Fw. Enerzijds is het faillissement als gezegd een gerechtelijk beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar (met het oog op, primair, de vereffening en verdeling daarvan), en is dat vermogen dus in die zin gefixeerd, anderzijds worden de rechten van de schuldeisers gefixeerd met het oog op de verdeling van dat (te vereffenen) vermogen over de schuldeisers. Het fixatiebeginsel beschermt dus de aanspraak van de schuldeisers op de opbrengst van de activa van de boedel en op de onderlinge gelijkheid bij de verdeling daarvan.34.In de memorie van toelichting op art.128-131 Fw, waarnaar de Hoge Raad voor het fixatiebeginsel verwijst in de prejudiciële beslissing Credit Suisse/Jongepier q.q. (in rov. 3.5.1), staat:
“De schuldeischers concurreeren in het faillissement voor het bedrag dat zij op het oogenblik der faillietverklaring te vorderen hebben; de dag der faillietverklaring fixeert hunne rechten; dit is het eenvoudige beginsel, ten grondslag liggende aan de regelen ten aanzien der verificatie in de artikelen 128-131 gesteld.”35.
3.18
In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het fixatiebeginsel onder meer omschreven als dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt.36.Wessels schrijft in het kader van de bepalingen die zijn opgenomen in de Tweede Afdeling van Titel I van de Faillissementswet (met het opschrift: ‘Van de gevolgen der faillietverklaring’) onder meer:37.
“De (…) geregelde rechtsgevolgen [van het faillissement] treden in ‘ten tijde van de faillietverklaring’ (art. 20, art. 37 lid 1), ‘door de faillietverklaring’ (art. 23), of als gevolg van het ‘vonnis van faillietverklaring’ (art. 33 lid 1) dan wel voorzover rechtsverhoudingen lopen ‘tijdens de faillietverklaring’ (art. 27 lid 1, art. 28 lid 1, art. 29), hetgeen in enkele gevallen is verondersteld (vergelijk art. 38a en art. 39). Sommige consequenties moeten worden beschouwd ‘van de dag’ van de faillietverklaring (art. 35, art. 35a, art. 35b, art. 39 lid 1, slot, en art. 40 lid 2) of met inachtneming van wat ‘vóór’ faillietverklaring (art. 30 lid 1, art. 33 lid 1, art. 34, en art. 36a) geschiedt. De bewoordingen in deze wetsartikelen geven daarmee uitdrukking aan het ‘...hoofdbeginsel van alle faillissementsrecht, dat door intrede van het faillissement de rechtspositie van alle bij den boedel betrokkenen onveranderlijk wordt’, zie HR 31 december 1909, W 8957. Deze onveranderlijkheid komt dan ook tot uitdrukking in de bepaling van de positie van een schuldeiser die in beginsel alleen in het faillissement kan opkomen voor de vordering die hij ten tijde van de faillietverklaring op de schuldenaar heeft, vergelijk Van der Feltz II (1897), p. 126, en Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 201.
De Hoge Raad rept meer algemeen over het ‘… systeem van fixatie van de rechten van crediteuren op het ogenblik van het faillissement … en onder meer neergelegd in de artikelen 23, 24, 33, 38, 39, 129-131 dier wet’, zie HR 5 januari 1923, NJ 1923, p. 359, of van het beginsel dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt, het zogenoemde ‘fixatiebeginsel’, zie HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, zulks beslissend ten aanzien van art. 23 en daarbij tevens aangevend dat op de dag van faillietverklaring de beschikking en het beheer bij de curator komt te berusten, zie art. 68 lid 1.”38.
3.19
Zoals uit het voorgaande volgt, ziet het fixatiebeginsel – evenals het paritasbeginsel, dat als gezegd door het fixatiebeginsel mede wordt beschermd – en alle hiervoor aangehaalde bepalingen van de Faillissementswet waarin het fixatiebeginsel tot uitdrukking komt, op de onderlinge verhoudingen in het faillissement tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers en de schuldeisers onderling met betrekking tot de boedel. Ook dit beginsel heeft dus, kort gezegd, geen betrekking op het geval dat een vordering van een schuldeiser wordt voldaan door een derde, zoals hier aan de orde is, waarbij geen actief aan de boedel wordt onttrokken en ook geen passief daaraan wordt toegevoegd (maar integendeel het passief zelfs juist wordt verminderd) en dat dus aan die onderlinge verhoudingen in het geheel niet raakt. Het is ook niet voor niets, denk ik, dat in dit geval uit de relevante bepalingen waarin het fixatiebeginsel tot uitdrukking komt (de art. 20, 23 en 24 Fw), geen vordering voor de curator volgt. Naar ik zou menen, komt de onderhavige betaling dan ook evenmin in strijd met het fixatiebeginsel.39.Overigens vraag ik mij af of in de arresten Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q. met het beginsel van art. 23 Fw inderdaad het fixatiebeginsel is bedoeld, zoals onder meer het hof meent. Mij lijkt dat bij het ‘beginsel’ waarover in die arresten wordt gesproken, veeleer is gedacht aan de regel zoals die mede in art. 35 Fw, art. 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW en art. 1850, aanhef en onder derde, oud BW staat en in rov. 3.5.2 van het arrest JPR/Gunning q.q. wordt aangehaald.40.Als de Hoge Raad het fixatiebeginsel in de arresten op het oog had gehad, dan zou het immers voor de hand hebben gelegen dat hij die aanduiding ook had gebruikt, zoals in zoveel andere arresten is gebeurd.
3.20
RFH heeft al in de eerste aanleg van deze procedure een parallel getrokken met de beslissing in het arrest Loeffen/Bank Mees en Hope II.41.Die parallel lijkt me gegrond. In de zaak van dat arrest had de bank een negatief saldo van de kort nadien gefailleerde vennootschap Meerhuys vrijwel geheel aangezuiverd door een zustervennootschap (APO) een krediet te geven en het bedrag daarvan door APO naar de rekening te laten overmaken van Meerhuys, ter voldoening van de openstaande schuld van APO aan Meerhuys. Vaststond dat APO, dat enige tijd later zelf ook failleerde, zelf geen middelen meer had om de vordering aan Meerhuys te voldoen. Desalniettemin meende de curator in het faillissement van Meerhuys dat de verrekening door de bank van de betaling door APO van haar schuld aan Meerhuys op de rekening van Meerhuys, met het debetsaldo van die rekening, paulianeus was en vorderde hij het bedrag van de betaling door APO van de bank op grond van art. 47 Fw. De Hoge Raad oordeelde die vordering in strijd met de strekking van art. 47 Fw. Hij overwoog:
Die strekking laat zich aldus samenvatten dat — in overeenstemming met wat ook geldt voor andere bepalingen die uitwerking geven aan de figuur van de Pauliana als grond van vernietiging van rechtshandelingen — de schuldeisers worden beschermd tegen benadeling in hun verhaalsmogelijkheden, zoals deze in geval van faillissement door de curator worden uitgeoefend. Daaraan is niet voldaan in een geval als het onderhavige waarin aan de schuldeisers, zonder dat hun enig nadeel wordt toegebracht, alleen een voordeel ontgaat.
Zou immers de curator op grond van art. 47 de nietigheid kunnen inroepen van de vermindering van het debetsaldo van de rekening van Meerhuys bij de Bank (…) en daardoor de Bank kunnen nopen [het] bedrag 'terug te geven', dan zou hij dusdoende in het de schuldeisers tot verhaal dienende vermogen van de failliet niet een bate terugbrengen die daaruit in het zicht van het naderend faillissement onoirbaar is verdwenen, maar aan dat vermogen een bate toevoegen die daarin niet thuis hoort. Die bate is immers enkel in dat vermogen geraakt doordat de Bank heeft bewerkstelligd dat door storting van het (…) bedrag (…) in het vermogen van Meerhuys een onverhaalbare en dus waardeloze vordering op APO werd vervangen door een aanspraak ten belope van dat bedrag op de Bank.”
3.21
De bescherming tegen de benadeling in hun verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers door de pauliana en de bescherming die de art. 20, 23 en 24 Fw en het fixatiebeginsel de schuldeisers bieden, komen overeen: beide beschermen tegen het verminderen van het actief dat door de schuldeisers in het faillissement verdeeld zou moeten worden en tegen een vermeerdering van het passief, waardoor de uitkering per vordering van hen in het faillissement lager wordt. Ik zou dan ook menen dat waar in een geval als dat van het arrest Loeffen/Bank Mees en Hope II geen grond bestaat voor een vordering van de curator, omdat het gaat om een voordeel dat afkomstig is van de bank en niet van de boedel, hetzelfde heeft te gelden voor het onderhavige geval.
Vraag al beslist in het arrest JPR/Gunning q.q.?
3.22
In het arrest JPR/Gunning q.q. valt mijns ziens niet te lezen dat de hiervoor in 1 genoemde vraag al is beantwoord door de Hoge Raad en wel in ontkennende zin, zoals het hof, in navolging van Schuijling, heeft gemeend. Het woord ‘steeds’ waarnaar Schuijling verwijst, staat in rov. 3.10.3 eerste zin van het arrest (hiervoor in 3.4 aangehaald), waarvan de inhoud is dat wordt teruggekomen van de regel van het arrest Vis q.q./NMB. Volgens die regel kon de curator niet ‘steeds’ het betaalde terugvorderen waarmee na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd, namelijk niet in het geval dat de overschrijvingsopdracht al geheel was uitgevoerd door de bank van de schuldenaar (zie het arrest). Kennelijk ziet het woord ‘steeds’ in rov. 3.10.3 van JPR/Gunning q.q. dus daarop.
Uitgangspunt in de zaak van het arrest was bovendien juist dat het banksaldo van de schuldenaar positief was (zie in 3.1 onder (iii) van het arrest, bij de vaststaande feiten). Er is daarom weinig reden om, zonder enige nadere tekstuele aanwijzing, het woord ‘steeds’ in rov. 3.10.3 eerste zin van het arrest op het geval van een negatief saldo te betrekken. Hierdoor blijkt immers uit niets dat (mogelijk mede) aan dat geval is gedacht. Partijen zullen, in verband met dat uitgangspunt, in de zaak van het arrest ook niet over dat geval hebben gedebatteerd. In die situatie ligt het voor de hand dat ook de Hoge Raad zich daarover niet uitlaat en dat, als hij dat wel doet, hij duidelijk expliceert dat zijn beslissing ook van belang is voor het buiten de aan de orde zijnde context vallende geval van een negatief saldo.42.
Mensink wijst denk ik ook nog terecht erop dat in genoemde zin van het arrest wordt gesproken van ‘terugvorderen’.43.Als er sprake is van een negatief saldo, dan valt er niets terug te vorderen, omdat de boedel dan niet eerst een tegoed op de rekening had, maar een tekort. Ook dat wijst erop dat niet aan het geval van een negatief saldo is gedacht en niet over dat geval is beslist.
‘Last but not least’ zijn er de hiervoor genoemde argumenten voor een bevestigende beantwoording van genoemde vraag, die het mijns inziens ook nogal onaannemelijk maken dat de Hoge Raad in het JPR-/Gunning q.q. die vraag heeft beantwoord in ontkennende zin, zeker op de impliciete wijze waarop dit dan zou moeten zijn gebeurd.
Slotsom
3.23
Naar ik meen kan in de door het hof genoemde argumenten dus geen grond worden gevonden om tot een andere slotsom te komen dan hiervoor in 3.13 genoemd. De eerste drie onderdelen van het middel zijn mijns inziens dus gegrond. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen, door alsnog het vonnis van de kantonrechter te bekrachtigen. Gelet op het voorgaande is immers geen andere conclusie mogelijk dan dat de vordering van de curator moet worden afgewezen: de curator kan geen aanspraak maken op het door RFH met de girale betaling ontvangen bedrag (alleen de bank kan dat eventueel, als enige die door de betaling is benadeeld).
3.24
Het voorgaande betekent dat middel 2 en de onderdelen 4 en 5 van middel 1, die betrekking hebben op de andere door RFH gevoerde verweren, geen behandeling behoeven. Volledigheidshalve worden de klachten hiervan hierna echter nog kort besproken, waarbij veronderstellenderwijs tot uitgangspunt wordt genomen dat de curator wel een vordering op grond van art. 23 Fw toekomt wegens de girale betaling.44.
Onderdelen 4 en 5 van middel 1; mocht RFH erop vertrouwen dat de betaling afkomstig was van de curator?
3.25
De onderdelen 4 en 5 van middel 1 keren zich tegen de verwerping door het hof in rov. 11 van het hiervoor als tweede in 2.3 genoemde verweer van RFH, dat zij erop mocht vertrouwen dat de girale betaling afkomstig was van de curator. Het hof heeft hierover in rov. 11 overwogen:
“11. RFH heeft daarnaast nog aangevoerd dat er ook daarom geen restitutieverplichting kan bestaan omdat zij erop mocht vertrouwen dat de curator de betalingsopdracht had gegeven en de betaling dus bevoegd was verricht. Zij wijst er daarbij op dat de bijschrijving op haar bankrekening tijdens faillissement plaatsvond en zij op dat moment een vordering op BB had met de status van boedelschuld ter zake huur voor de periode na datum faillissement.
Dit verweer gaat evenmin op.
Ongeacht of RFH onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat de betaling door de curator was verricht, kan haar een beroep hierop niet baten. Er is geen algemeen beginsel van derdenbescherming dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt, zodat een wettelijke basis nodig is om een uitzondering te kunnen maken op het in artikel 23 Fw neergelegde fixatiebeginsel (vergelijk artikel 24 Fw). Een dergelijke wettelijke basis ontbreekt voor een geval als hier aan de orde, waarin de begunstigde van een betaling na datum faillissement zich erop beroept dat hij op redelijke gronden heeft vertrouwd dat deze betaling met toestemming van de curator werd verricht, bijvoorbeeld ter voldoening van een boedelvordering. Het hof merkt hier volledigheidshalve nog bij op dat het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen overigens ook inhoudelijk geen hout snijdt. Het gaat hier immers om een betaling op basis van een automatische incasso die daags na het uitspreken van het faillissement is ontvangen. Dit is onvoldoende om te mogen aannemen dat deze betaling met uitdrukkelijke instemming van de curator is doorgelaten, ook als daarbij wordt betrokken dat de huur van de door BB gehuurde ruimte aan het begin van iedere maand verschuldigd was en geïncasseerd werd via een automatische overschrijving. Anders kan dit liggen indien er voor of na de ontvangst van de betaling contacten met de curator zijn geweest waaruit RFH die instemming redelijkerwijze heeft kunnen en mogen afleiden. Dat dergelijke contacten hebben plaatsgevonden, is echter gesteld noch gebleken.”
3.26
Onderdeel 4 klaagt dat het hof heeft miskend dat tegen RFH – die eens anders verklaring of gedraging (een betaling door of voor BB op 3 oktober 2012), overeenkomstig de zin die zij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander, de curator van BB, tot haar gerichte verklaring van een bepaalde strekking, zijnde het voldoen van schulden van BB, vooral terzake de huurovereenkomst, een boedelschuld – geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Daarbij wordt gewezen op volgens het onderdeel essentiële stellingen van RFH, te weten dat RFH vorderingen had op BB, waaronder een boedelvordering ex art. 39 Fw, dat de bijschrijving tijdens faillissement door RFH is opgevat en mocht worden opgevat als zijnde een betaling terzake (boedel)vorderingen van RFH op BB en dat gedurende een half jaar niet een correctie van de Bank of de curator is gevolgd na de bijschrijving op 3 oktober 2012.
Onderdeel 5 keert zich tegen het oordeel van het hof dat nu het ging om een automatische incasso er onvoldoende grond was om te mogen aannemen dat deze betaling met uitdrukkelijke instemming van de curator was doorgelaten en dat het door RFH gestelde vertrouwen dus niet gerechtvaardigd was. Blijkens de verwijzing naar de daarna volgende toelichting op het middel onder D heeft de klacht onder meer betrekking op de stelling van RFH dat zij uit de bijschrijving tijdens het faillissement mocht afleiden dat de betaling terecht was.45.
3.27
Het hof heeft genoemd verweer in rov. 11 op de twee gronden verworpen: (i) er ontbreekt een wettelijke basis om het door de curator opgewekte vertrouwen te honoreren en (ii) RFH kon er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de bijschrijving op haar rekening de instemming had van de curator, nu de bijschrijving een automatische incasso betrof en er buiten de bijschrijving geen omstandigheden zijn gesteld die tot dat vertrouwen hebben kunnen leiden.
3.28
De eerste door het hof genoemde grond is onjuist. Het vertrouwensbeginsel en in het bijzonder art. 3:35 BW geldt ook in de onderlinge verhouding tussen de curator en schuldeisers of andere derden. Voor zover in onderdeel 4 op dit punt een klacht te lezen valt, is die dus gegrond.46.De tweede grond geeft evenwel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is geenszins onbegrijpelijk. Uit het enkele feit dat kort na de faillissementsdatum een betaling wordt ontvangen door middel van een automatische incasso, kan immers niet worden afgeleid dat die betaling de instemming heeft van de curator. Kennelijk is het hof ervan uitgegaan dat voor RFH kenbaar was dat het een automatische incasso betrof. Ook dat is niet onbegrijpelijk. De betaalwijze pleegt immers normaal gesproken op het dagafschrift te worden vermeld. Dat dit in het geval van RFH anders was, heeft zij niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt door overlegging van het dagafschrift waarop de bijschrijving staat vermeld. Overigens is het door RFH gestelde vertrouwen niet gebaseerd op contacten met de curator, zoals het hof vaststelt. Het enige andere feit waarop zij zich in dit verband heeft beroepen, is dat de curator pas na een half jaar op de betaling is teruggekomen. Dat feit dwingt evenwel niet zonder meer tot een ander oordeel. De onderdelen 4 en 5 kunnen dus niet tot cassatie leiden.
Middel 2; verrekening mogelijk?
3.29
Middel 2 richt zich tegen de verwerping door het hof in rov. 12 van het hiervoor als derde in 2.3 genoemde verweer van RFH, dat dat zij uit hoofde van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst een vordering op BB heeft met de status van boedelschuld (art. 39 Fw) en dat zij die vordering in verrekening brengt met de vordering van de curator op haar. Het hof heeft hierover in rov. 12 overwogen:
“12. Voor het geval zij wel tot restitutie gehouden mocht zijn, heeft RFH meer subsidiair als verweer aangevoerd dat zij deze verplichting aan de boedel kan verrekenen met haar boedelvordering tot betaling van de huur vanaf de dag van faillietverklaring (artikel 39 Fw), althans dat zij de nakoming van deze verplichting kan opschorten zolang deze boedelvordering niet is voldaan. Dit verweer wordt verworpen.
Het zou in strijd zijn met doel en strekking van artikel 23 Fw indien RFH zich aan haar uit die bepaling voortvloeiende verplichting om het ontvangen bedrag aan de boedel terug te betalen en aldus de ontstane ongelijkheid van crediteuren ongedaan te maken, zou kunnen onttrekken door zich te beroepen op verrekening met een vordering op de failliet (BB), ook niet als dat een boedelvordering is. Hetzelfde geldt voor opschorting. Daar komt bij dat vast staat dat er sprake is van een negatieve boedel en het gerealiseerde boedelactief onvoldoende is om alle boedelschuldeisers, waaronder de boedelvordering van RFH, te voldoen.
Verrekening zou er dan toe leiden dat RFH een bevoorrechte positie zou verkrijgen ten opzichte van de andere boedelschuldeisers als gevolg van een betaling die ten opzichte van de boedel niet geldig is. Verrekening (dan wel opschorting) is dan ook niet mogelijk.”
3.30
Middel 2 klaagt, kort gezegd, dat het oordeel van het hof onjuist is omdat RFH, nu zij op grond van art. 39 Fw een boedelvordering heeft en het die vordering is die zij in verrekening wil brengen, wel een beroep op verrekening toekomt.
3.31
Het oordeel van het hof dat de ingeroepen verrekening in strijd is met doel en strekking van artikel 23 Fw, is kennelijk gebaseerd op de beslissing in het arrest Kuijsters/Gaalman q.q.,47.waarop de curator in dit verband een beroep heeft gedaan. In dat arrest ging het om verrekening met een op de art. 42 en 51 Fw gegronde pauliana-vordering van de curator. De Hoge Raad oordeelde die verrekening niet mogelijk met de volgende overweging:
“(…) [het Hof heeft] geoordeeld dat de door Kuijsters ingeroepen verrekening 'in strijd zou komen met doel en strekking van art. 42 Fw, dat immers beoogt de paritas creditorum te herstellen'. Ten overvloede heeft het Hof hieraan nog toegevoegd dat verrekening ook in strijd zou komen met het in art. 54 F. tot uitdrukking komende beginsel van goede trouw.
Eerstvermeld oordeel van het Hof is juist. Het Hof heeft, in cassatie tevergeefs bestreden, aangenomen dat de door de BV aan Kuijsters gedane betaling onverplicht was, dat deze betaling heeft geleid tot benadeling van de schuldeisers van de BV, en dat Kuijsters wist, althans behoorde te weten, dat die benadeling het gevolg van de betaling zou zijn. Het zou in strijd zijn met doel en strekking van art. 42 F., in verbinding met art. 51 F., indien Kuijsters zich aan haar uit die bepaling voortvloeiende verplichting om het ontvangen bedrag in de boedel terug te brengen en aldus de ontstane ongelijkheid van crediteuren ongedaan te maken, zou kunnen onttrekken door dat bedrag aan een andere schuldeiser (de bank) te verpanden en zich vervolgens, na uitwinning, te beroepen op verrekening met de door subrogatie verkregen vordering van die schuldeiser op de boedel.”
3.32
Zoals hiervoor in 3.21 aan de orde kwam, komt de bescherming die de faillissementspauliana en die de regeling van de art. 20, 23 en 24 Fw geeft, overeen. Beide beogen de schuldeisers te beschermen in hun verhaalsmogelijkheden en de aanspraak die zij aan de paritas kunnen ontlenen. De pauliana biedt die bescherming met betrekking tot handelingen vóór het faillissement verricht die die verhaalsmogelijkheden en aanspraak (ongeoorloofd) aantasten, de regeling van de art. 20, 23 en 24 Fw met betrekking tot de handelingen die dat daarná doen. Naar ik meen, heeft genoemde regel van het arrest Kuijsters/Gaalman q.q. dan ook inderdaad mede te gelden voor een op art. 23 Fw gegronde vordering, zoals het hof oordeelt. Dat wordt niet anders door het door het middel ingeroepen feit dat RFH op grond van art. 39 Fw een boedelvordering heeft met betrekking tot de tijdens het faillissement verschuldigde huur, welke vordering een hoger bedrag beloopt dan de ontvangen betaling. Door de verrekening zouden immers de andere boedelschuldeisers worden benadeeld in genoemde verhaalsmogelijkheden en aanspraak, wat art. 23 Fw nu juist beoogt te voorkomen, evenals de art. 42 en 51 Fw beogen in het geval dat het gaat om handelingen verricht vóór het faillissement. Mijns inziens beschermen de faillissementspauliana en art. 23 Fw evenzeer de boedelschuldeisers.48.Middel 2 is mijns inziens dus ongegrond.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot het alsnog bekrachtigen van het in eerste aanleg gewezen vonnis van de kantonrechter van 19 februari 2018.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2021
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689, NJ 2015/264 m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Vgl. rov. 2.1-2.6 van het in cassatie bestreden arrest.
Zie voor het woord ‘reeds’ de niet in hoger beroep bestreden vaststelling van de kantonrechter in rov. 6 van het vonnis in eerste aanleg. Zie ook de hierna in 2.4 aan te halen vaststellingen op dit punt in rov. 14 van het vonnis van de kantonrechter, op dat punt eveneens in hoger beroep niet bestreden.
Zie de vaststelling van de vordering en de grondslag daarvan in rov. 7 en 8 van het vonnis van de kantonrechter en rov. 3 en 4 van het bestreden arrest.
Zie de vaststelling van het verweer van RFH in rov. 10 van het vonnis van de kantonrechter.
Kantonrechter Rechtbank Den Haag 19 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1885, JOR 2018/163 m.nt. B.A. Schuijling, RI 2018/49.
Gerechtshof Den Haag 24 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:759, JOR 2020/240 m.nt. A.J. Tekstra, JIN 2020/98 m.nt. N.G. Cornelissen, RI 2020/57, NJF 2020/140. Het arrest is ook besproken door K.C. Mensink in De terugvorderingsactie op grond van art. 23 Faillissementswet, Tijdschrift voor Curatoren 2020, nr. 1/2, p. 13-18.
De procesinleiding in cassatie is op 23 juni 2020 ingediend in het portaal van de Hoge Raad.
De procesdossiers in deze zaak stemmen niet geheel overeen. In het B-dossier ontbreken ten opzichte van het A-dossier: de dagvaarding van de curator (processtuknummer 1 in het A-dossier) en de pleitaantekeningen voor de zitting van 14 november 2017 van de curator (processtuknummer 3 in het A-dossier).
De drie onderdelen bevatten veel herhaling en richten zich ten dele inhoudelijk ook tegen het oordeel van het hof in rov. 11, dat over een ander verweer van RFH gaat. Ik geef hier enkel de voornaamste klachten van de onderdelen tegen rov. 10 weer.
HR 31 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0705, NJ 1990/1 (Vis q.q./NMB).
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:689 (JPR/Gunning q.q.), NJ 2015/264 m.nt. F.M.J. Verstijlen, A.I.M. van Mierlo, TvI 2015/39 m.nt. R. Abendroth, AA20150392 m.nt. R.M. Wibier, JOR 2015/251, m.nt. Faber, RI 2015/44 en Tijdschrift voor financieel recht 2015, p. 343 e.v. m.nt. R.E. van Esch.
Zie Van der Feltz t.a.p.
HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0653, NJ 2006/503 m.nt. P. van Schilfgaarde (Huijzer q.q./Rabobank) en HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421 m.nt. P. van Schilfgaarde (ING Bank/Manning q.q.).
Zie in dezelfde zin Van Esch onder 5 van zijn noot onder JPR/Gunning q.q., hiervoor in voetnoot 12 aangehaald, en F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Monografieën Privaatrecht nr. 15), Deventer: Kluwer 2019/12.2.
Zie bijvoorbeeld F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Monografieën BW nr. B39), Deventer: Wolters Kluwer 2017/35, en B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Monografieën BW nr. A17), Deventer: Wolters Kluwer 2020/21.2. De automatisch incasso is nu wettelijk omschreven in art. 7:514 onder b BW. Titel 7B Boek 7 BW bevat daarover enkele bepalingen, die voor dit geding echter niet van belang zijn.
Hetzelfde zou op grond van de hiervoor in 3.4-3.7 vermelde regels hebben gegolden als na de afschrijving van de onderhavige girale betaling nog wel betalingen aan BB zouden zijn ontvangen op de rekening. Die regels houden immers in dat de bank door de afschrijving geen vordering heeft verkregen die zij tegen de boedel kan uitoefenen. Zij kan die vordering dus evenmin in verrekening brengen in de rekening-courantverhouding met de schuldenaar, zoals in het genoemde arrest Huijzer q.q./Rabobank mede is beslist. Dat geldt ongeacht het saldo van de rekening, dus ook als dat positief is of alsnog wordt.
Zie daarover HR 3 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR1943, NJ 2005/200 m.nt. P. van Schilfgaarde (Mendel/ABN Amro) en HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8732, NJ 2012/89 m.nt. P. van Schilfgaarde (SNS Bank/Pasman q.q.). Naar ik begrijp hebben die arresten hun betekenis behouden na de invoering in 2009 van titel 7B Boek 7 BW over de betalingstransactie, waarbij de Richtlijn betaaldiensten is geïmplementeerd. Zie aldus ook W.A.K. Rank, T&C BW, aantek. 2 op art. 7:530 BW, en F.H.J. Mijnssen & A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Monografieën Privaatrecht nr. 15), Deventer: Kluwer 2019/14.8-14.9.
De curator heeft in de inleidende dagvaarding onder 5 gesteld dat daarbij sprake was van een abuis van de bank.
In de periode 2009-2017 bepaalde art. 19 lid 3 van de Algemene bankvoorwaarden 2009 dat de bank bevoegd is om een creditering van een rekening door een beschikkingsonbevoegde ongedaan te maken. Aangenomen werd dat deze bepaling ook kon worden ingeroepen ten aanzien van betalingen in strijd met de in 3.4-3.7 vermelde regels. Zie KIFID 24 november 2015, RI 2016/53. In de Algemene bankvoorwaarden 2017 is deze mogelijkheid vervallen, naar ik begrijp op advies van de Betaalvereniging Nederland en omwille van de betrouwbaarheid van het girale betalingsverkeer. Zie daarover F.E.J. Beekhoven van de Boezem, ‘Gewijzigde Algemeen bankvoorwaarden (ABV 2017)’, TvI 2017/8, par. 3.
Om dezelfde redenen had zij voor die vordering ook geen zekerheden kunnen uitwinnen. Zie HR 30 januari 1953, ECLI:NL:HR:1953:121, NJ 1953/578 m.nt. Ph.A.N. Houwing (Doyer & Kalff), HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1517, NJ 1995/627 m.nt. P. van Schilfgaarde (NCM/Knottenbelt q.q.) en HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189, NJ 2019/343 m.nt. H.J. Snijders (Schepel q.q./Rabobank). Ik denk dan ook niet dat voor de bank de mogelijkheid kan bestaan om voor een vordering zoals hier zekerheidsrechten uit te winnen, zoals Mensink en Tekstra in hun hiervoor in voetnoot 7 genoemde commentaren wel als een eventueel denkbare mogelijkheid veronderstellen, in het voetspoor van Abendroth onder 6.2 van zijn in voetnoot 12 genoemde noot onder JPR/Gunning q.q. Abendroth ziet daar die mogelijkheid aanwezig met betrekking tot een vóór het faillissement gegeven betalingsopdracht. Dat miskent echter dat de grens in Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q. is gelegd bij de uitvoering van de opdracht na het faillissement en niet bij de na het intreden van het faillissement gegeven opdracht, zoals het arrest Huijzer q.q./Rabobank (nog) zegt; zie hiervoor in 3.6. Overigens is in deze zaak gesteld noch gebleken dat de bank zekerheden had en speelt deze kwestie daarin dus niet.
Memorie van grieven onder 49 en schriftelijke toelichting onder 4.12.
HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203 m.nt. H.J. Snijders (Kredietruimte).
Zie rov. 3.4-3.6 en 3.8 van het arrest. Zie in dezelfde zin onder meer B. Wessels, Insolventierecht: Gevolgen van faillietverklaring (1) (Wessels Insolventierecht nr. II), Deventer: Wolters Kluwer 2019/2047, B.A. Schuiling onder 3 van zijn noot onder het vonnis van de kantonrechter, hiervoor aangehaald in voetnoot 6, en K.C. Mensink, in zijn hiervoor in voetnoot 7 aangehaalde commentaar op het arrest van het hof, op p. 15, rechterkolom, halverwege.
Zie in dezelfde zin ook al Abendroth in zijn in voetnoot 12 genoemde noot en Mensink in zijn hiervoor in voetnoot 7 aangehaalde commentaar.
Zie aldus ook Mensink t.a.p., vanaf p. 15 rechterkolom, onderaan, die betoogt dat als de beslissing van het hof in deze zaak juist zou zijn, de bank jegens de boedel een vordering zou moeten hebben op grond van het bekende Ontvanger/Hamm q.q.-arrest (HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2419, NJ 1998/437 m.nt. P. van Schilfgaarde).
Zie voor het feit dat de art. 20 en 23 Fw enkele zien op activa, en dus niet op passiva, uitdrukkelijk Van der Feltz, toelichting op art. 20 Fw, Van der Feltz-I (O&R nr. 2-I) 2016/340 en 346 (“ ‘Goederen’ wordt hier, evenals in art. 22 [23], gebezigd in den zin van ‘bona, van ‘al wat deel uitmaakt van het vermogen’ of ‘vermogensbestanddeelen’ ”). Dit is dan ook ‘vaste leer’. Zie bijvoorbeeld: Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (1) (Wessels Insolventierecht nr. II) 2019/2013, F.M.J. Verstijlen, T&C Insolventierecht, art. 20 Fw, aant. 1, N.J. Polak & M. Pannevis, Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017/4.2.1 (“Het gehele vermogen in de zin van art. 20 omvat alle zaken en alle vermogensrechten van de gefailleerde die te gelde kunnen worden gemaakt. Anders gezegd: alle activa van de gefailleerde. (…) Het vermogen omvat dus niet, zoals bijv. in de bedrijfseconomie of bij de vermogensbelasting, ook de verplichtingen (de passiva).”), C. den Besten, Sdu Commentaar Insolventierecht, art. 20 Fw, aant. 1 en W.H. van Boom, Verhaal, uitwinning en rangorde : hoofdlijnen materieel beslag- en faillissementsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020/5.4.
Schuijling is bijgevallen door Tekstra en Cornelissen in hun hiervoor in voetnoot 7 genoemde noten. Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (1) (Wessels Insolventierecht nr. II) 2019/2248b haalt de mening van Schuijling zonder verder commentaar aan.
Zie voor een en ander de noot van Schuijling onder 3.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98, NJ 2014/61 (H.H./Unitco), rov. 3.3.2. Zie hierover ook Mensink, hiervoor aangehaald, p. 17.
De paritas dus. Uiteraard wordt de gelijkheid ‘doorbroken’ als de wet voorrang geeft aan vorderingen (zoals bij zekerheidsrechten en voorrechten). Het gaat dus eigenlijk niet alleen om de paritas, maar om de wettelijke geregelde rangorde als geheel, die wordt beschermd door de genoemde bepalingen van de Faillissementswet die neerkomen op een uitwerking van het fixatiebeginsel.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz, II/126.
HR 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424, NJ 2018/290, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Credit Suisse/Jongepier q.q.), rov. 3.5.1. Zie voor een nadere omschrijving van dat beginsel rov. 3.5.4 van dat arrest, waar verduidelijkt wordt dat het niet de rechten zijn, maar de rechtsposities die niet ten nadele van de boedel kunnen worden gewijzigd na het intreden van het faillissement. Vandaar dat de bank bijvoorbeeld de hiervoor in 3.9 genoemde bevoegdheden kan uitoefenen tijdens faillissement.
Er zijn ook vele andere arresten waarin de Hoge Raad over het fixatiebeginsel spreekt. Zie onder meer het hiervoor genoemde arrest Huijzer q.q./Rabobank. Zie voorts bijvoorbeeld Wessels, Gevolgen van faillietverklaring (1) (Wessels Insolventierecht nr. II) 2019/2009 en 2019, met vindplaatsen.
Vgl. F.H.J. Mijnssen en A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Monografieën Privaatrecht nr. 15) 2019/12.2: “Naast het fixatiebeginsel geldt het beginsel van art. 23 Fw. Dit komt erop neer dat door of vanwege de schuldenaar niet meer bevoegd (beschikkings)handelingen ten laste van diens vermogen kunnen worden verricht vanaf de aanvang van de dag van de faillietverklaring.”
HR 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0182, NJ 1992/214 (Loeffen/Bank Mees en Hope II), rov. 3.6.
Ik wijs in dit verband ook op de uiteenzettingen van Bakels in Ars Aequi over hoe arresten van de Hoge Raad zijn te lezen, F.B. Bakels, Totstandkoming en uitleg van uitspraken van de Hoge Raad, Ars Aequi 2015 (november), p. 927 e.v.
Mensink hiervoor aangehaald, p. 16 linkerkolom.
Mensink, hiervoor aangehaald, wijst terecht erop (p. 15 linkerkolom) dat, anders dan het hof overweegt, de curator terzake geen vordering toekomt uit onverschuldigde betaling. Zoals volgt uit de arresten Vis q.q./NMB en JPR/Gunning q.q., gaat het namelijk bij de onderhavige vordering om een ‘terugvordering op grond van art. 23 Fw’, wat een dus andere vordering betreft (de betaling was ook niet onverschuldigd). De middelen bevatten op dit punt geen klacht, maar hadden ze die klacht wel bevat dan zou deze niet tot cassatie hebben kunnen leiden, nu met een en ander tevens is gezegd dat er een andere, wel deugdelijke rechtsgrond voor de beslissing van het hof is en daarmee, op dit punt, geen grond bestaat voor cassatie.
Memorie van antwoord onder 16, waarnaar de toelichting op het middel onder D.4 verwijst.
Iets anders is dat met betrekking tot de ongeldigheid van handelingen op grond van art. 23 Fw geen beroep kan worden gedaan op vertrouwensbescherming, dus ook niet in het geval dat de betrokken wederpartij niet van het faillissement op de hoogte was en ook niet op de hoogte behoefde te zijn (zie het hiervoor in het citaat in 3.6 aangehaalde HR 11 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1780, NJ 1980/563 m.nt. B. Wachter (Aalburgse Bandencentrale/Emmerig), alsmede het daar genoemde arrest Huijzer q.q./Rabobank). RFH heeft echter in dit geval specifiek een beroep gedaan op door de curator jegens haar opgewekt vertrouwen met betrekking tot de betaling.
HR 30 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1465, NJ 1995/626, m. nt. P. van Schilfgaarde(Kuijsters/Gaalman q.q.), rov. 3.4.
Zie in dezelfde zin Schuijling onder 5 van zijn in voetnoot 6 genoemde noot.
Beroepschrift 23‑06‑2020
Samenvatting: Bank doet tijdens faillissement betaling aan verhuurder, boedelschuld-status. Kennelijk vanaf ‘rood’ staande rekening-courant failliet. Kennelijk zonder opdracht curator ex art 68 FW? Curator vordert die ‘rode’ overboeking als onverschuldigd betaald door de boedel terug van ontvangende crediteur. Art. 20 en 23 FW; fixatiebeginsel. Art. 3:35 BW, niet-geuite innerlijke wil curator om boedelschuld onbetaald te laten; lange ‘stilte’ na de betaling. Fixatiebeginsel en verrekening en opschorting door crediteur terzake boedelschulden.
CASSATIEBEROEP CIVIELE VORDERINGSPROCEDURE
PROCESINLEIDING
Geeft eerbiedig te kennen:
Eiseres in cassatie, COÖPERATIE ROYAL FLORAHOLLAND U.A., gevestigd te Aalsmeer, te dezer zake domicilie kiezende te Den Haag aan de Koninginnegracht 105, ten kantore van de advocaat mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat bij de Hoge Raad, die tot advocaat bij de Hoge Raad wordt gesteld en als zodanig als vertegenwoordiger in rechte zal optreden;
Verweerder in cassatie is mr. JAN JOOST WITTEKAMP, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van BLEISWIJK BOEKETSERVICE B.V., de curator wonende te Den Haag en kantoorhoudende te Naaldwijk (Gemeente Westland), laatstelijk domicilie gekozen hebbende in hoger beroep ten kantore van mr. E.A.H. ten Berge, kantoorhoudende te Naaldwijk (Gemeente Westland) aan de Tiendweg 14;
CASSATIEBEROEP:
RFH stelt beroep in cassatie in tegen het op 24 maart 2019 tussen RFH en de curator voornoemd gewezen arrest van het gerechtshof te Den Haag met zaaknummer 200.245.234/01 op de gronden in cassatie hierna, na de oproep en de aanzeggingen, nader aan te geven.
OPROEP TE VERSCHIJNEN :
Verweerder in cassatie kan in dit geding ten laatste verschijnen op vrijdag 11 september 2020, (niet in persoon maar) door tussenkomst van en vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden. De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in art. 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk 1 van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken ( Stcrt. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 (2511 EK) te 's‑Gravenhage.
AANZEGGINGEN:
Overeenkomstig de wettelijke eisen zegt RFH aan verweerder in cassatie aan:
- a.
indien gedaagde, verweerder in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, het recht van de verweerder om verweer in cassatie te voeren of om van zijn zijde in cassatie te komen vervalt;
- b.
bij verschijning in het geding van gedaagde een griffierecht zal worden geheven, te voldoen binnen vier weken te rekenen vanaf het tijdstip van verschijning;
- c.
de hoogte van de griffierechten is vermeld in de meest recente bijlage behorend bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken, die onder meer is te vinden op de website: www.kbvg.nl/griffierechtentabel
- d.
van een persoon die onvermogend is, een bij of krachtens de wet vastgesteld griffierecht voor onvermogenden wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:
- 1e.
een afschrift van het besluit tot toevoeging, bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, dan wel ;
- 2e.
een verklaring van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel e, van de Wet op de rechtsbijstand waaruit blijkt dat zijn inkomen niet meer bedraagt dan de inkomens bedoeld in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet;
GRONDEN VAN HET CASSATIEBEROEP:
Hierna zal RFH in cassatie de navolgende indeling aanhouden:
1. | Feiten | 3 |
2. | Middel 1: Fixatiebeginsel en betaling tijdens faillissement van rood staande rekening-courant; wilsuiting in betaling en opgewekt vertrouwen | 5 |
3. | Middel 2 : Verrekening en opschorting door crediteur ex art. 182 FW en fixatiebeginsel | 17 |
4. | Overig | 22 |
5. | Conclusie | 23 |
1. Feiten
- 1)
Verwezen zij naar de feiten als vastgesteld door het Hof in de bestreden uitspraak.1.
- 2)
Bleiswijk Boeketservice BV was lid van RFH2.. Als lid van de vereniging was zij gebonden aan de statuten van RFH, en aan het Veilingreglement3.. RFH administreert terzake van haar relatie met ieder lid een rekening-courant, aangeduid als Klantnummer, ook met Bleiswijk Boeketservice BV. RFH verwijst naar het Veilingreglement, art. 7 voor Verkopers, en art. 11 voor Kopers, lid van RFH, en hoofdstuk 9, ‘Definities’, aldaar ‘Klantnummer’. O.a. bij memorie van antwoord heeft RFH dit uiteengezet4.
- 3)
Bleiswijk Boeketservice BV huurde vanaf 1 september 2011 bedrijfsruimte, een ‘box’ bij RFH, in een veel grotere bedrijfsruimte van RFH op het veilingterrein van RFH te Bleiswijk5.: vloerruimte en een afsluitbare ruimte in een veel groter gebouw, in dit geval ook met kantoorruimte. Op 1 september 2012 was de huurovereenkomst met een jaar verlengd6.. Terzake de boxhuur heeft Bleiswijk Boeketservice BV RFH een waarborgsom betaald van € 5.696,207.. RFH gebruikte de box voor het behandelen resp. verwerken van sierplantmateriaal. Bleiswijk Boeketservice BV had o.a. huurschulden aan RFH.
- 4)
Op 2-10-12 ging Bleiswijk Boeketservice BV failliet.
- 5)
Tussen de betalingen na 2-10-12 zijn van belang resp. aan de orde in deze procedure voor zover blijkende uit de opvolgende rekening-courant afschriften van ABNAMRO, volgnummers 10 en 11, terzake de rekening-courant met Bleiswijk Boeketservice BV8.:
Rekening-courant Bleiswijk Boeketservice BV bank (geadministreerd door bank Bleiswijk Boeketservice BV)
4-10-2012
€ 839,30
Betaald aan Bleiswijk Boeketservice BV
(plantgoed)
4-10-2012
€ 665,19
Betaald aan Bleiswijk Boeketservice BV
(plantgoed)
3-10-2012
€ 4.518,09
Ontvangen van Bleiswijk Boeketservice BV
18-10-2012
€ 5.948,40
Betaald aan Bleiswijk Boeketservice BV
(vooral waarborgsom huur)
Al die tijd stond de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV bij ABNAMRO ‘rood’, een credit stand, van een schuld van Bleiswijk Boeketservice BV aan haar bank ABNAMRO. RFH verwijst naar het negatief saldo op dagafschrift 11 bij ‘Vorig saldo’, van € 27.971,90. Zijnde het negatief saldo van Bleiswijk Boeketservice BV op 3-10-12 bij ABNAMRO ten tijde van de betaling door ABNAMRO aan RFH op 3-10-12 van € 4.518,09.
- 6)
RFH heeft nog te vorderen, o.a. uit de boxhuurovereenkomst9..
- 7)
Voornoemde € 4.518,09 van 3-10-12 vordert de curator van RFH terug bij een sommatie van 15-5-1310. als onverschuldigd betaald. RFH verweerde zich, en deed voor zover vereist beroep op verrekening en opschorting terzake vorderingen op de boedel ex art. 182 FW. De Kantonrechter wees de vordering van de curator af, het Hof wees de vordering toe. Het Hof omschrijft de vordering van de curator als een vordering uit onverschuldigde betaling11..
- 8)
In het faillissement van Bleiswijk Boeketservice BV is sprake van een negatieve boedel12..
2. Middel 1: Fixatiebeginsel en betaling tijdens faillissement van rood staande rekening-courant; wilsuiting in betaling en opgewekt vertrouwen
A. Inleiding
Een rood staande rekening-courant van een failliet bij een bank is geen bezit, maar een schuld, daarop is art. 20 en 23 FW niet van toepassing. De betaling leek gerechtvaardigd op een rechtsgeldige betaling tijdens faillissement. De curator wendde zich meer dan 6 maanden later pas tot RFH dat de bijschrijving onbedoeld zou zijn geweest.
B. Klacht
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 7 t/m 11 van het arrest, daarop voortbouwend in r.o. 13, en in het dictum van het bestreden arrest onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden arresten, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen:
- 1)
Rechtens onjuist heeft het Hof overwogen dat de curator steeds als onverschuldigd betaald kan terugvorderen van de begunstigde, het betaalde, waarmee na aanvang van het faillissement de bankrekening van de begunstigde is gecrediteerd, ook in een situatie waarin die girale betaling voldaan is van een op naam van de failliet staande bankrekening, die een debetstand vertoonde. Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraak onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH, nader toegelicht onder D hierna13.: geen geld ‘terug’ in de boedel, omdat de betaling aan de begunstigde RFH niet ten laste van de boedel was maar ten laste van een derde (de bank); schulden (een debet-stand bij de bank) zijn niet te executeren, art. 23 FW, fixatiebeginsel, is niet van toepassing op schulden; geen nadeel voor de boedel; geen belang van de boedel getroffen, hoogstens van de derde (de bank); RFH mocht ervan uitgaan dat de betaling overeenkomstig de bedoeling van de curator in het licht van rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV, waar de bank of de curator de betaling niet terugdraaide dan maanden later, RFH had geen zicht op de interne relatie curator-bank.
- 2)
Rechtens onjuist heeft het Hof in r.o. 10 overwogen dat het fixatiebeginsel (o.a. in art. 23 Fw) een bredere strekking heeft dan alleen het verlies van beheer- en beschikkingsbevoegdheid, in die zin dat het mede ertoe strekt dat de hoogte en de voorrang van de vorderingen — de passiva van de schuldenaar — worden gefixeerd c.q. bepaald naar de dag van de faillietverklaring (te 0.00 uur). Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraken onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH , nader toegelicht onder D hierna14.: niet ‘terug’ naar de boedel, want niet uit de boedel afkomstig; art. 23 Fw ziet niet op schulden; geen belang boedel; geen nadeel boedel; uit bestaande rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV had RFH een boedelvordering op RFH; interne verhouding curator-bank onbekend.
- 3)
Rechtens onjuist heeft het Hof in r.o. 10 overwogen dat het fixatiebeginsel, ertoe strekt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste (wat betreft hoogte en voorrang van de vordering van de crediteur) mag worden gewijzigd. Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraken onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH, nader toegelicht onder D hierna15.: een crediteur kan jegens anderen dan de failliete debiteur verhaal nemen en de vordering incasseren; vergelijk ook zekerheidsrechten, die voor uitwinning vatbaar zijn, dat alles verandert de vordering van de crediteur na aanvang faillissement, zonder beletsel; niet ‘terug’ naar de boedel, want niet uit de boedel afkomstig; art. 23 Fw ziet niet op schulden; geen belang boedel; geen nadeel boedel; uit bestaande rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV had RFH een boedelvordering op RFH; interne verhouding curator-bank onbekend.
- 4)
Het Hof heeft miskend in r.o. 10 en 11 tegen RFH die eens anders verklaring of gedraging (een betaling door resp. voor Bleiswijk Boeketservice BV op 3-10-12), overeenkomstig de zin die zij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander, de curator van Bleiswijk Boeketservice BV, tot haar gerichte verklaring van een bepaalde strekking, zijnde het voldoen van schulden van Bleiswijk Boeketservice BV, vooral terzake de huurovereenkomst, een boedelschuld, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraken onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH, nader toegelicht onder D hierna16.: uit bestaande rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV had RFH een vorderingen op Bleiswijk Boeketservice BV, waaronder een boedelvordering ex art. 39 en 182 Fw; interne verhouding curator-bank onbekend; een bijschrijving tijdens faillissement is door RFH opgevat en mocht worden opgevat als zijnde een betaling terzake (boedel)vorderingen van RFH op Bleiswijk Boeketservice BV; gedurende een half jaar is niet een correctie van de bank of de curator gevolgd na die bijschrijving op 3-10-12.
- 5)
Rechtens onjuist terzake gerechtvaardigd vertrouwen van RFH op bijschrijving van € 4.518,09 op 3-10-12 als een betaling zijdens Bleiswijk Boeketservice BV in faillissement, althans onbegrijpelijk gemotiveerd is Hofs oordeel in r.o. 11 ‘het gaat immers om een betaling op basis van een automatische incasso die daags na het faillissement is ontvangen’, m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH , nader toegelicht onder D hierna17.: uit bestaande rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV had RFH een boedelvordering op RFH; interne verhouding curator-bank onbekend; het op 2-10-12 vervallen van eerdere automatische incasso's door het faillissement, de afwezigheid van actie terzake de bijschrijving op 3-10-12 van € 4.518,09 van de zijde van de bank of de curator gedurende meer dan een half jaar.
C. Toelichting
- 1)
In de kern heeft, naar stelling van de curator, ABNAMRO tijdens faillissement zonder opdracht van de curator voor Bleiswijk Boeketservice BV een betaling gedaan aan RFH, terwijl de bankrekening rood stond18.. De curator vordert afdracht van die € 4.518,09 aan de boedel, omdat hij niet opdracht zou hebben gegeven tot die betaling. Het Hof breidt onterecht het fixatiebeginsel, resp. art. 23 FW van goederen (art. 3:1 BW) uit naar schulden in strijd met art. 23 Fw, dat alleen op goederen, en in ieder geval niet op schulden als hier aan de orde ziet. Waar het Hof op zich terecht aangeeft in r.o. 10 ‘een dergelijke handeling bindt de boedel niet’, maar daar onjuiste conclusies aan verbindt.
I. Schulden, geen goed art. 3:1 BW, geen boedel art. 20 en 23 BW, art 3:276 BW
- 2)
De curator vordert deze € 4.518,09 terug van RFH gebaseerd op het arrest JPR\Gunning19. en het in r.o. 3.5.2 genoemde beginsel art. 23 FW:
‘Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen, te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.’
- 3)
Naar verweer van RFH komt deze procedure voort uit een foute lezing door de curator van het arrest van de Hoge Raad JPR\Gunning, dat het ging om een betaling ten laste van de boedel, die voor faillissement was gegeven, en pas uitgevoerd na ingang faillissement, en vooral dat een girale betaling ‘terug’20. moest naar de boedel, in welk arrest de Hoge Raad ook gebruikte het woord ‘steeds’, in r.o. 3.10.3.
- 4)
In het kort heeft RFH zich verweerd, dat de bank rechtsgeldig betaald heeft voor Bleiswijk Boeketservice BV op 3-10-12; dat niet de boedel hierin een belang had, dat zij geen vordering had, nu de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV bij ABNAMRO rood stond tijdens de overboeking van 3-10-12 aan RFH.
- 5)
Het Hof wijst in r.o. 7 t/m 10 toe het beroep van de curator op art. 23 FW, het fixatiebeginsel. Ten onrechte. Art. 23 FW gaat over het vermogen van de failliet, dat valt in het faillissement. De door het Hof aangehaalde uitspraak JPR\Gunning (ecli.nl.hr.2015.689) en de daaraan voorafgaande uitspraak Vis\NMB ( NJ 1990, 1) gaan over een rekening-courant saldo van de failliet op datum van faillissement dat credit staat. M.a.w. het saldo rekening-courant in die uitspraken viel in het faillissement als een vordering op de bank. Art. 23 FW, beschikkingsbevoegdheid, wordt gelimiteerd door art. 20 FW, de boedel en haar bestanddelen en de omvang daarvan. Art. 20 e.v., in ieder geval art. 23 FW, door het Hof aangehaald als fundament van zijn oordeel, zien op boedel van goederen, waarvan executie mogelijk is ex art. 3:276 BW. Hier door faillissement. In deze zaak stond de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV ‘rood’. Er is hier dus geen onderdeel van de boedel van art. 20 FW, waar (faillissements)beslag op mogelijk is en waar art. 23 Fw op van toepassing is, die verkleind is door de overboeking vanaf Bleiswijk Boeketservice BV's ‘rood’ staande rekening-courant bij ABNAMRO.
- 6)
RFH heeft ter motivering van haar verweer gewezen op een aantal parallellen om te duiden dat een schuld geen goed is voor de curator om te gelde te maken, dat een schuld groter laten worden niet beschikking over een goed in de boedel van art. 20 (en 23) FW is, die zij ter toelichting op de klachten in deze cassatie hier opnieuw aanhaalt:
- 1)
Geen negatieve verandering omvang boedel door gestelde rechtshandeling van ABNAMRO; Geen boedelbelang, niets betaald door de boedel, dus niets ‘terug’
- i)
In de casus in het Serco\-arrest, (HR 10-10-1980 NJ 1981, 2; Langeveld en Dommering QQ/Amsterdam-Rotterdam Bank) inde de DGA kort voor faillissement vorderingen van de failliet. De vorderingen waren rechtens verplicht fiduciair overgedragen aan de bank, in het kader van het bedrijfskrediet. De door het gestelde feit (‘ten onrechte innen van vorderingen toekomende aan …’) benadeelde partij was niet de boedel volgens de Hoge Raad, maar de bank, in het licht van deze fiduciaire overdracht aan de bank van die ten onrecht geïnde vorderingen. Geen boedel, die was verkleind door die onjuiste incasso's door de DGA, hier art. 20 (en 23) Fw. Dus ook geen belang van de boedel en de beide curatoren van Serco.
- 2)
Derden beslag onder de bank (Bank-beslag) tegenover beslag op kredietruimte, het gaat bij een ‘ rood-stand’ en een betaling door de bank in opdracht van de rekeninghouder hoogstens om een wilsrecht, dat niet voor executie of faillissement vatbaar is.
- i)
In de casus in het Van der Walle-arrest21. faalde derdenbeslag op rekening-courant van de debiteur onder diens bank: de schuld aan de bank is geen goed, zo de Hoge Raad als uitgangspunt nam, en derdenbeslag treft uitsluitend het credit-saldo22..
- ii)
Faillissement is een beslag op vermogen bedoeld in art. 3:276 BW, voor zover hier van belang: goederen ex art. 3:1 BW. Het faillissementsbeslag is slechts een ander beslag dan de beslagen in Rv. maar nog steeds een beslag op iemands vermogen. Een schuld is geen goed in de zin van art. 3:1 BW. Geen boedel, hier art. 20 (en 23) Fw, geen fixatie van goederen voor verhaal.
- 3)
Pauliana vereist nadeel voor de boedel, het missen van een voordeel is onvoldoende voor een vordering van de curator als de onderhavige
- i)
De pauliana is in de kern een verlenging van het beslagrecht op het vermogen van de debiteur bedoeld in art. 3:276 BW en 20 FW door onder voorwaarden de gevolgen van bepaalde rechtshandelingen ongedaan te kunnen maken om de faillissementsboedel te ‘herstellen’, ofwel hier het fixatiebeginsel toe te passen. Enigszins zijn strekkingsuitspraken over de pauliana ook toe te passen op het ‘directe vermogen’ in het faillissementsbeslag van art. 20 Fw. In de casus in het Loeffen\Mees II-arrest (HR 22-03-1991 NJ 1992, 214; Loeffen QQ\Mees en Hope II) riep de curator tevergeefs de actio Pauliana in tegen een bijschrijving ten laste van de rood staande rekening-courant van de failliet, mogelijk gemaakt vanaf een andere rood staande rekening-courant van een groepsmaatschappij, die hoofdelijk aansprakelijk was voor de schuld aan de bank. Ook hier kan de curator niet terugvorderen wat niet uit de boedel is gevloeid:
‘Die strekking laat zich aldus samenvatten dat — in overeenstemming met wat ook geldt voor andere bepalingen die uitwerking geven aan de figuur van de Pauliana als grond van vernietiging van rechtshandelingen — de schuldeisers worden beschermd tegen benadeling in hun verhaalsmogelijkheden, zoals deze in geval van faillissement door de curator worden uitgeoefend. Daaraan is niet voldaan in een geval als het onderhavige waarin aan de schuldeisers, zonder dat hun enig nadeel wordt toegebracht, alleen een voordeel ontgaat.’
- ii)
Het missen van een voordeel, aldus de Hoge Raad in r.o. 3.6, is onvoldoende. De strekking van die overweging van de Hoge Raad is direct toe te passen op de onjuiste redenering die het Hof in deze heeft toepast om vanwege de door het Hof gestelde strekking van ex art. 23 FW (arrt. 20 FW). De boedel heeft niets opgeofferd voor resp. geen nadeel van de overboeking door ABNAMRO aan RFH van € 4.518,09 op 3-10-2012, hoogstens ontgaat de curator een voordeel wanneer hij niet bedoelde € 4.518,09 in de boedel zou kunnen brengen.
- 7)
Met art. 54 lid 2 FW en het fixatiebeginsel van art. 23 FW kan de curator voorkomen en zal de curator hebben voorkomen dat ABNAMRO (haar vordering op Bleiswijk Boeketservice BV terzake) de debitering van de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV bij ABNAMRO op 3-10-12 met € 4.518,09 verrekent met schulden van ABNAMRO aan Bleiswijk Boeketservice BV of de boedel van Bleiswijk Boeketservice BV. Of verhaalt op zekerheden van Bleiswijk Boeketservice BV, die Bleiswijk Boeketservice BV voor het faillissement zou hebben verstrekt aan Bleiswijk Boeketservice BV ten laste van haar vermogen.
- 8)
Het woord ‘terug’, het fundament voor het Hof over de strekking van art. 23 FW, is misplaatst in de onderbouwing van het Hof van zijn overwegingen. Met de bestreden uitspraak van het Hof wordt nu aan de curator een executietitel gegeven om € 4.518,09 in de (faillissements)boedel te brengen, welk nooit onderdeel geweest is van de boedel ex art. 20 (en 23) Fw in het faillissement van Bleiswijk Boeketservice BV. Juist omdat de rekening-courant ‘rood’ stond, er was een schuld aan ABNAMRO. Die door de overboeken van € 4.518,09 aan RFH € 4.518,09 groter werd. ABNAMRO heeft die overboeking ‘gefinancierd’ buiten de boedel om.
II. Rechtsverhoudingen RFH- bleiswijk boeketservice BV, in faillissement; betalingen tijdens faillissement
- 9)
In r.o. 10 en 11 gaat het Hof in op de interne relaties tussen ABNAMRO, de opdrachtnemer, en Bleiswijk Boeketservice BV, de opdrachtgever. Relaties die zich aan RFH onttrokken. In r.o. 10 overweegt het Hof
‘Dat geldt ook voor handelingen verricht door een opdachtnemer van de schuldenaar, zoals de bank in het geval van een betalingsopdracht … De Hoge Raad refereert … aan … artikel 7:422 lid 1, aanhef en onder a, BW, op grond Door het faillissement eindigt de … betalingsopdracht aan de bank. De begunstigde van een als gevolg van die betalingsopdracht ontvangen betaling kan deze aldus evenmin aan de boedel tegenwerpen’
- 10)
De overwegingen van het Hof in r.o. 10 over beëindigde lastgeving zijn in de kern juist, maar niet volledig, resp. niet relevant voor waar het hier om gaat naar verweer van RFH, waar het gaat om de betaling aan RFH op 3-10-12. Dat het fixatiebeginsel zich in beginsel uitstrekt tot schulden is onjuist in het algemeen. Onderdeel van het faillissement is dat volmachten vervallen. Correct is dat een pre-faillissement lastgeving door de latere failliet gegeven aan een derde, dus in de kern een volmacht, om voor rekening en risico van de debiteur te handelen eindigt door het faillissement. Dat betekent dat de eerdere automatische overschrijving door Bleiswijk Boeketservice BV aan ABNAMRO van rechtswege verviel door het faillissement. En niet meer bestond op 3-10-12. Die voormalige automatische overschrijving was dus strict niet relevant als grondslag voor de betaling van € 4.518,09 door ABNAMRO op 3-10-20 aan (de bank van) RFH. Dat die automatische overschrijving niet relevant was in deze, wordt bevestigd in dat RFH meer dan 6 maanden niet vernam dat er iets niet in orde zou zijn geweest terzake de betaling van € 4.518,09 door ABNAMRO op 3-10-20 aan (de bank van) RFH.
- 11)
Dat is echter niet waar het hier om gaat, waar het Hof dit baseert op art. 23 FW. Resp. baseert op art. 7:422 BW. De interne verhoudingen tussen opdrachtgever, de curator van Bleiswijk Boeketservice BV, en opdrachtnemer, de bank, onttrokken zich aan het zicht van deze ontvanger, RFH, terzake deze betaling ten tijde van ontvangst van deze betaling op 3-10-12. RFH had onder meer een boedelvordering ex art. 39 en 182 FW op Bleiswijk Boeketservice BV en verwachtte betalingen (via de bank ten behoeve) van Bleiswijk Boeketservice BV. Bleiswijk Boeketservice BV betaalde steeds via de bank. Het is de uitvoering op 3-10-12 en de uiterlijke schijn ervan naar RFH, wat RFH wist en redelijkerwijs op af mocht gaan, wat telt. RFH verwijst naar het dagafschrift van de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV overgelegd door de curator23..
- 12)
Ex art 68 Fw is het aan de curator van Bleiswijk Boeketservice BV verplicht en bevoegd om de boedel te beheren. In dat kader vertegenwoordigt de curator de failliet Bleiswijk Boeketservice BV. Een rekening-courant overeenkomst met een bank is een contract. De opdracht tot betaling is een opdracht resp. lastgeving, voor zover niet een feitelijke werkzaamheid (opdracht) maar een rechtshandeling wordt beoogd. Dat is echter in de rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV niet waar het primair om gaat in deze, waar RFH in rechte betrokken is door de curator. Eerst dient die relatie, resp. dienen die relaties tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV te worden bezien. Het lidmaatschap van Bleiswijk Boeketservice BV en een reeks van overeenkomsten resp. afspraken tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV, waaronder een huurovereenkomst, en een rekening-courant verhouding.
- 13)
Een debiteur is verplicht opeisbare schulden te betalen. Ook wanneer hij failliet is. Door het faillissement verliezen crediteuren van vorderingen bedoeld in art. 26 FW bepaalde rechten; debiteur wordt niet ineens van schulden bevrijd. Dat gold ook voor Bleiswijk Boeketservice BV op 3-10-12. Dat de curator van Bleiswijk Boeketservice BV de wil zou hebben gehad op 3-10-12 om schulden van Bleiswijk Boeketservice BV aan RFH onbetaald te laten, ook boedelschulden, heeft de curator niet toen aan RFH meegedeeld. Meer dan zes maanden na 3-10-12 later volgde dit pas.
- 14)
Dat het fixatiebeginsel zich in beginsel uitstrekt tot schulden is onjuist in het algemeen zoals het Hof het overweegt. Een crediteur kan indienen ter verificatie ex art. 26 Fw, hij hoeft dat niet, dan deelt zijn vordering niet mee in de opbrengst van een faillissement; een crediteur kan zakelijke of persoonlijke zekerheidsrechten hebben; of bijzondere bevoegdheden. Vorderingen van derden kunnen na faillissement sterk veranderen, niet alleen van omvang, maar ook van crediteur.
- 15)
Bijvoorbeeld overeenkomsten veranderen door een faillissement niet,. dus geen fixatie, is uitgangspunt van art. 37 Fw, en de openingszin van de Memorie van toelichting24.:
‘uit haren aard oefent de faillietverklaring op bestaande wederkeerige overeenkomsten niet den minsten invloed uit; de verbintenissen van den gefaillieerde en diens medecontractant wordt er niet door gewijzigd. …’
De curator als vertegenwoordiger van de failliet mag nakomen en moet nakomen; het is de wederpartij die wellicht problemen zou kunnen ondervinden, wanneer de curator niet zou willen nakomen; dan is dwingen moeilijk. Vandaar de regeling van art. 37 FW. Wanneer de huurder failliet is, is in art. 39 FW de regeling anders, door de mogelijkheid aan overeenkomst om tussentijds op te zeggen, en de boedelschuld status van de betalingsverplichtingen van de huurder. De overeenkomst van boxhuur liep nog op 3-10-12. Crediteuren van vorderingen die de status van boedelschuld hebben bedoeld in art. 182 FW oefenen hun rechten uit alsof er geen faillissement is.
- 16)
RFH verwachtte in 2012 betalingen van Bleiswijk Boeketservice BV, er waren meer rechtsverhoudingen in het kader van het lidmaatschap van Bleiswijk Boeketservice BV van de coöperatie RFH. Al die vorderingen en schulden werden door RFH geadministreerd in de rekening-courant tussen haar en Bleiswijk Boeketservice BV, het Klantnummer25.. De boedel is verplicht boedelschulden te voldoen. De curator is binnen de grenzen van art. 68 Fw ook bevoegd om verplichtingen na te komen van de debiteur Bleiswijk Boeketservice BV aan de crediteuren van vorderingen, die geverifieerd moeten worden. Ook met passering van de paritas creditorum. Bij wijze van voorbeeld verwijst RFH voorts naar de casus in het arrest van de Hoge Raad inzake Veluwse Nutsbedrijven26. over betaling van energiekosten tijdens het faillissement. Het fixatiebeginsel staat die beleidsvrijheid van de curator ex art. 68 Fw niet in de weg.
- 17)
Zo de curator zou willen betalen, is zo'n betaling als hier voor Bleiswijk Boeketservice BV namens de boedel aan een crediteur, met wie een reeks van rechtsverhoudingen bestaat, een rechtshandeling, die kan blijven binnen de bevoegdheden van een curator inzake zijn bevoegdheden van art. 68 Fw. Ongeacht of de curator nu wel of niet een negatieve boedel heeft. Een negatieve boedel ziet op nog onbetaald gebleven boedelschulden, zodat die crediteuren hun rechten moeten uitoefenen resp. inroepen. Een negatieve boedel ziet niet op door of voor de curator, met gebruik van zijn bevoegdheid en beleidsvrijheid ex art. 68 FW, reeds voldane boedelschulden.
III. Betaling van schuld aan RFH; debet stand rekening-courant bankrekening; vertrouwensbeginsel jegens RFH
- 18)
De overboeking door ABNAMRO op 3-10-12 naar RFH is door RFH aangemerkt als een betaling voor resp. door Bleiswijk Boeketservice BV terzake haar schulden. Indien de curator betalingen van de rekening-courant van Bleiswijk Boeketservice BV bij ABNAMRO niet had willen doen, had de curator ABNAMRO kunnen stoppen direct op 2-10-12. In ieder geval voor al RFH weet, resp. mocht aannemen. De curator neemt actie en beslist. Ex art 3:35 en 3:36 BW kan de curator jegens RFH er niet beroep op doen dat zijn interne wil afweek, en dat hij opeisbare vorderingen van RFH ex art. 182 FW onbetaald wilde laten.
- 19)
Het Hof wijst ten onrecht af het verweer van RFH dat zij er op heeft vertrouwd, en heeft mogen vertrouwen dat die bijschrijving van 3-10-12 niet afweek van de wil van de curator, als degene die beschikkingsbevoegd was namens Bleiswijk Boeketservice BV. Die niet geuite wil van de curator op of voor 3-10-12 had RFH niet hoeven weten bij de ontvangst van de bijschrijving op 3-10-12. Tot meer dan zes maanden nadien vernam RFH niet dat dit anders zou zijn geweest. Vertrouwen kan ook worden opgewekt door de niets doen, door niet te klagen ‘vergissing …’ etc. Vergelijk art. 6:89 BW, de klachtplicht, aan dat artikel ligt ten grondslag dat de debiteur, wanneer hij niets hoort van de ontvanger van de prestatie, ervan uit mag gaan, dat zijn prestatie goed was. Ook terzake art. 3:35 BW geldt dat stilzwijgen kan worden uitgelegd als grond voor een beroep op het vertrouwensbeginsel, dat het met die ontvangen betaling goed zat. De dagafschriften zal ABNAMRO aan de curator kort na 3-10-12 al verstrekt hebben.
- 20)
Het Hof neemt als vast staand feit aan in r.o. 2.5 dat stornering van de automatische betaling van 3-10-12 door ABNAMRO aan de curator niet mogelijk was. Ondanks kennelijk art. 7:422 BW, dat lastgevingen door het faillissement van Bleiswijk Boeketservice BV automatisch tot een einde komen, dus ook opdrachten resp. lastgevingen van Bleiswijk Boeketservice BV, toen nog door of namens haar bestuur. Waar de curator ook niets had opgeofferd, is dat naar de mening van RFH op zich een begrijpelijk weigering van ABNAMRO aan de curator om de curator € 4.518,09 te betalen, die de curator niet eerder had opgeofferd (‘de rekening stond rood’). Van ‘terug’ aan de boedel is geen sprake.
IV. Geen onverschuldigde betaling door de boedel aan RFH op 3-10-12
- 21)
Met de overboeking van € 4.518,09 door ABNAMRO op 3-10-12 naar RFH ten laste van een rood staande bankrekening van Bleiswijk Boeketservice BV is niet voldaan aan de vereisten voor onverschuldigde betaling van art. 203 Rv, vooral dat de boedel dit bedrag ‘heeft gegeven’. Dit naar de eigen stellingen van de curator dat hij niet opdracht heeft gegeven aan de bank, en dat de bankrekening rood stond. ABNAMRO heeft het bedrag opgebracht, en het bedrag niet bij de boedel verhaald, wanneer de curator niet de opdracht tot de overboeking heeft gegeven. Dus heeft de boedel niets ‘gegeven’.
- 22)
In het licht van de rechtsverhoudingen tussen Bleiswijk Boeketservice BV en RFH als het lidmaatschap van Bleiswijk Boeketservice BV van RFH, de huurovereenkomst tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV, is de overboeking van € 4.518,09 door ABNAMRO op 3-10-12 naar RFH ten laste van een bankrekening van Bleiswijk Boeketservice BV niet zonder rechtsgrond geweest, dus niet onverschuldigd in het licht van de vordering van RFH op Bleiswijk Boeketservice BV, ook op grond van art. 39 en 182 FW. Niet ‘onverschuldigd’.
D. Gedingvoering in feitelijke instanties
- 1)
Voor zover relevant voor dit middel heeft RFH in feitelijke instanties naar voren gebracht:
- 2)
Bleiswijk Boeketservice BV was lid van RFH. Bleiswijk Boeketservice BV huurde bedrijfsruimte bij Bleiswijk Boeketservice BV. Bleiswijk Boeketservice BV verkocht door tussenkomst van RFH. Tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV bestond een rekening-courant verhouding. Bleiswijk Boeketservice BV ging failliet op 2-10-12. De overboeking van € 4.518,09 door ABNAMRO op 3-10-12 naar RFH ten laste van een bankrekening van Bleiswijk Boeketservice BV is door RFH als een rechtsgeldige betaling aangemerkt in het licht van de rechtsverhoudingen tussen RFH en Bleiswijk Boeketservice BV. RFH ontving een betaling en voor zover RFH wist en weet is de bijschrijving gebeurd op bevoegdelijke wijze overeenkomstig de wil van degene die betaling uitvoerde resp. opdroeg27.. Ruim een half jaar lang gebeurde niets, ondanks het faillissement een dag voor de boeking van 3-10-1228..
- 3)
De curator mag en moet boedelschulden ex art. 182 Fw betalen, art. 20 en 23 FW zien daar niet op29.. De curator mag afwijken van de paritas creditorum voor wat betreft schulden zonder de status van boedelschuld, verwijzend naar de uitspraak van de Hoge Raad inz. Veluwse Nutsbedrijven.
- 4)
RFH heeft afgeleid en mocht afleiden dat de betaling op 3-10-12 terecht was30.: RFH heeft haar bankrekening open gesteld; er was geen bijzondere vermelding; girale betalingen zijn gebruikelijk; geen toedeling; RFH heeft toegedeeld aan de huurovereenkomst mede in het licht van art. 39 en 182 FW. Nadien volgde een half jaar geen bericht dat die betaling onbedoeld was geweest.
- 5)
Geen boedel benadeeld, geen boedel verkleind door betaling van voornoemde € 4.518,09 op 3-10-12 ten laste van een rood staande bankrekening31..
- 6)
Schulden aan een bank terzake een rood staande rekening-courant zijn niet goederen, waar het faillissementsbeslag op ziet, op schulden als in deze is het fixatiebeginsel niet van toepassing32.. Een betaling aan een crediteur, resp. aan een crediteur ex art. 182 FW, ten laste van een rood staande bankrekening treft niet de boedel. Ex art. 54 FW zal de curator een beroep van de bank afwijzen met succes om die overboeking alsnog ten laste van de boedel te brengen. Dus alleen de bank heeft hier nadeel, en alleen de bank heeft hier een belang.
- 7)
Dat schulden van de failliet gefixeerd moeten worden door het faillissement is onjuist in de algemeenheid als het Hof dit oordeelt. Faillissement is een beslag voor een vordering op vermogen van 1 debiteur. Die vordering, voor zover hij mee wil delen in de opbrengsten van het faillissement, moet worden bepaald. Een crediteur kan meerdere bevoegdheden hebben en\of aanvullende zekerheden, die maken dat zijn vordering na faillissement nog verandert. Bijvoorbeeld mag een schuldeiser zekerheidsrechten hebben als opschorting, verrekening, hypotheek, pand, en mag een schuldeiser die zekerheidsrechten uitoefenen. Ook rechten als borgtocht, bankgarantie, etc. Bijvoorbeeld ook een keuzerecht tussen wel ontbinden of juist niet ontbinden en nakomen onder voorwaarden van bevredigende zekerheid door de curator ex art. 37 Fw. De keuzen zijn velerlei33..
- 8)
Hoge Raad inz JPR\Gunning is niet van toepassing omdat de casus in dat arrest gaat over een credit-stand op de tijdens faillissement gedebiteerde bankrekening34..
3. Middel 2 : Verrekening en opschorting door crediteur ex art. 182 FW en fixatiebeginsel
A. Inleiding
Het fixatiebeginsel belet een crediteur van boedelschulden ex art. 182 FW niet om te verrekenen en/of op te schorten in verband met die boedelschuld ex art. 182 FW. Contractuele verrekenrechten zijn voor boedelschulden in te roepen jegens de boedel.
B. Klacht
Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof in rechtsoverweging 12 van het arrest, daarop voortbouwend in r.o. 13, en in het dictum van het bestreden arrest onjuist en/of onbegrijpelijk heeft overwogen c.q. beslist als vervat in de bestreden arresten, gelet op een of meer van de volgende zo nodig in onderling verband en in onderlinge samenhang te lezen redenen:
- 1)
Het Hof heeft miskend dat RFH als crediteur van de failliet terzake een vordering met de status van boedelschuld bedoeld in art. 39 en 182 FW gerechtigd is die vordering te verrekenen met de door de curator gestelde verplichting van RFH om aan de boedel — terug — te betalen de creditering van haar bankrekening ten laste van bankrekening van de failliet, op grond van art. 6:127 BW en het contractuele verrekenrecht van RFH neergelegd in art. 27 van het Veilingreglement, en dat het fixatiebeginsel dit niet verhindert, althans niet behoudens in geval van bijzondere omstandigheden. Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraken onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH, nader toegelicht onder D hierna35.: het fixatiebeginsel verhindert niet vorderingen die boedelschuld zijn te verrekenen, rekening-courant overeenkomst, lidmaatschap, verrekening is geen executie van een goed in de boedel.
- 2)
Het Hof heeft miskend dat RFH als crediteur van de failliet terzake een opeisbare vordering met de status van boedelschuld bedoeld in art. 39 en 182 FW gerechtigd is de nakoming op te schorten jegens de curator van een verplichting verplichting van RFH om aan de boedel — terug — te betalen de creditering van haar bankrekening ten laste van bankrekening van de failliet, op grond van art. 6:127 BW en het contractuele verrekenrecht van RFH neergelegd in art. 27 van het Veilingreglement, en dat het fixatiebeginsel dit niet verhindert, althans niet behoudens in geval van bijzondere omstandigheden. Zo het Hof het in de voorgaande (rechts) klachten niet heeft miskend zijn de bestreden rechtsoverwegingen in Hofs uitspraken onbegrijpelijk gemotiveerd m.n. in het licht van de essentiële verweren resp. stellingen van RFH, nader toegelicht onder D hierna36.: opschorting mag in het kader van boedelschulden van de failliet, opschorting is geen executie van een goed in de boedel.
C. Toelichting
- 1)
Vooraf, van terugbetaling aan de boedel is geen sprake. De € 4.519,09 is niet betaald ten laste van een credit staande bankrekening. Zou RFH al zou moeten betalen aan de boedel:
- 2)
De door de curator gestelde schuld van RFH terzake de bijschrijving van € 4.518,09 op 3 oktober 2012 resulteert naar zijn stelling in een schuld aan de boedel. Op grond van de huurovereenkomst was Bleiswijk Boeketservice BV verplicht de huurprijs te betalen, welke schuld ex art. 39 en 182 FW de status van boedelschuld heeft. Boedelschulden moeten worden voldaan, en de crediteuren oefenen hun rechten uit alsof er geen faillissement is37..
- 3)
Verrekening heeft een zekerheidsfunctie voor de crediteur, ook in geval van faillissement. Zie de parlementaire geschiedenis op art. 53 FW. Zie ook bijv. de Hoge Raad in 2019 in NJ 2020/16638., waar de Hoge Raad die zekerheidsfunctie gebruikte voor het toestaan van uitbreiding van art. 53 FW. Of zoals de AG in de conclusie bij ABNAMRO\Den Hollander39. verrekening is een ‘feitelijk voorrecht’.
- 4)
De Hoge Raad limiteert in genoemd arrest uit 2019 dat zekerheidsrecht dat het fixatiebeginsel met zich meebrengt dat wel van schuld en vordering moet vaststaan dat beide hun oorsprong vinden voor faillissement. Het fixatiebeginsel verzet zich er slechts tegen dat verrekend wordt een vordering aan de failliet van voor faillissement met een schuld aan de failliet van na faillissement. De overweging 3.2–3.3. van de Hoge Raad uit 2019 is evenzeer van toepassing wanneer beide, schuld en vordering, hun oorsprong vinden na faillissement. Op boedelschulden, als hier terzake huurprijs verschuldigd aan RFH, vindt het fixatiebeginsel niet toepassing volgens de Hoge Raad40..
- 5)
Bij een negatieve boedel is het wettelijke preferentiestelsel evenzeer van toepassing volgens de Hoge Raad in De Ranitz\Ontvanger41. en recenter o.a. Rabobank\Verdonk42.. Dat leidt ertoe dat bij een negatieve boedel het recht van beslag en executie van de boedelcrediteur beperkt wordt, wanneer de omvang van de boedel en de rang de vordering van de crediteur het waarschijnlijk maken dat die boedelcrediteur niet voldaan zal kunnen worden.
- 6)
Verrekening en opschorting zijn echter juist middelen van een debiteur buiten het executie op goederen van de debiteur overeenkomstig onder meer het wettelijke preferentiestelsel. Dus ook in geval van een negatieve boedel voor crediteuren van de boedel.
- 7)
Zoals de Hoge Raad oordeelde o.a. in ABNAMRO\Den Hollander43. is een contractuele afspraak geldig, die met de bewindvoerder\curator is gesloten over verrekening. Dit geldt ook wanneer die contractuele afspraak over verrekening anderszins tegen de boedel is tegen te werpen. Dat arrest ging over de verrekenbevoegdheid van de bank in art. 24 ABV, welk de curator tegen zich moest laten gelden, nadat hij als bewindvoerder in surseance een boedelkrediet overeenkomst had gesloten met de bank om 3 opdrachten af te maken. Toen later betalingen werden bijgeschreven op de bankrekening van de sursiet\failliet uit andere opdrachten, dan waar het boedelkrediet op zag, verrekende de bank op grond van de verrekenbevoegdheid. De bank ontleende haar bevoegdheid aan de afspraak met de bewindvoerder\curator om boedelkrediet te verschaffen aan de boedel. In de noot wees Van der Grinten erop dat de curator dan maar als bewindvoerder, dat verrekenrecht van art. 24 ABV uit de afspraak tot boedelkrediet had moeten houden; nu was het verrekenrecht van de bank ‘regulier’ onderdeel van de rechtsverhouding bank-boedel in de boedelperiode.
- 8)
Voor wat betreft de status van boedelschulden uit rechtsverhoudingen met de boedel geldt dat contractuele verrekenafspraken niet uitgesloten worden van die rechtsverhouding. Dus blijven contractuele verrekenafspraken geldig voor vorderingen op de boedel met de status van boedelschuld ex art. 39 en 182 Fw.
- 9)
Vergelijkbaar geldt het voorgaande terzake opschorting, dat ook geen executie is, waarop het wettelijk preferentiestelsel van toepassing is. Opschorting is een verweermiddel van regelend recht: indien debiteur en crediteur over en weer verplichtingen hebben aan elkaar, is de crediteur van de partij in verzuim gerechtigd tot opschorten. Het fixatiebeginsel is volgens de Hoge Raad niet van toepassing op boedelschulden44.. Het fixatiebeginsel verzet zich er niet tegen dat een debiteur opschort terzake een vordering op de boedel met de status van boedelschuld ex art. 39 en 182 FW. Nagelopen moet worden of voldaan wordt aan de vereisten voor opschorting van art. 6:52 BW. Waar overigens naar verweer resp. naar stelling van RFH aan voldaan werd. Hetgeen de curator niet bestreed. Anders dan door beroep op het arrest JPR\Gunning.
D. Gedingvoering in feitelijke instanties
- 1)
Voor zover relevant voor dit middel heeft RFH in feitelijke instanties naar voren gebracht:
- 2)
RFH is crediteur van een boedelschuld ex art. 39 en 182 FW. RFH mag verrekenen en verrekent alsof er geen faillissement is terzake die boedelschuld45.. Het fixatiebeginsel staat dat niet in de weg.
- 3)
Bleiswijk Boeketservice BV is voor wat betreft boedelschulden, de huurovereenkomst46., en het lidmaatschap gebonden aan het Veilingreglement47., dat een verrekenrecht bevat, dat uitgebreider is dan art. 6:127 BW e.v.48.. Die contractuele uitbreiding van het verrekenrecht van RFH tegenover Bleiswijk Boeketservice BV in faillissement is geldig voor wat betreft vorderingen met de status van boedelschuld ex art. 39 en 182 FW49..
- 4)
Bleiswijk Boeketservice BV is partij bij een rekening-courant overeenkomst gebaseerd op het Veilingreglement. Bekend als het klantnummer50.. Derhalve verrekening direct door boeking. RFH administreert. Die verrekening door RFH door boeking in de rekening-courant, het klantnummer, voor wat betreft boedelschulden van Bleiswijk Boeketservice BV ex art. 39 en 182 FW is bevoegd en geldig51.. Juist bij een rekening-courant komen beperkingen in het verrekenrecht nog minder voor, eigenlijk niet behoudens dwingend recht.
- 5)
Hoogstens geen verrekening indien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Slechts met grote terughoudendheid. Kenmerk van onvoorzien, dringend, uniek, uitzonderlijk. De onderhavige situatie is niet zo bijzonder voor deze uitzondering52..
- 6)
RFH heeft het recht van opschorting. En doet beroep op opschorting53.. Een negatieve boedel is niet van belang voor opschorting, de curator mag gelden vrijmaken om RFH's beroep op opschorting te doen eindigen54..
- 7)
Het fixatiebeginsel ziet op goederen, en geldt niet voor schulden, niet zo algemeen als de curator stelt. Het bedrag waarvoor een vordering meedeelt in de opbrengst in het faillissement is beoogd vast te zijn, in het licht van de mogelijkheid om ter verificatie in te dienen en de vordering te laten verifiëren. Het fixatiebeginsel ziet niet zo algemeen als de curator stelt op verweermiddelen als opschorting en verrekening. Of op bankgarantie en borgtocht, of andere zakelijke of persoonlijke zekerheidsrechten55.. Schulden van de failliet kunnen sterk veranderen na aanvang faillissement. Het fixatiebeginsel verzet zich daar niet tegen.
4. Overig
Aangehecht uit feitelijke instanties
- 1)
RFH hecht aan als bijlagen de navolgende (pagina's uit) producties uit de feitelijke instanties om terugbladeren in het procesdossier in de feitelijke instanties te besparen:
- 1)
Bankafschrift Bleiswijk Boeketservice BV met afschrijving € 4.518,09 op 3-10-201256.
- 2)
Bankafschrift Bleiswijk Boeketservice BV met bijschrijving € 5.948,4 op 18-10-201257.
- 3)
Huurovereenkomst Bleiswijk Boeketservice BV; in par. 17 de plicht tot automatische afschrijving, vervallen door het faillissement58.
- 4)
Veilingreglement, art. 27, verrekenrecht RFH59..
Gevolgen van de vernietiging in gevolg van geslaagd beroep cassatie voor de vorderingen
- 2)
Bij gegrond bevinden van een of meer onderdelen van het beroep, treft dit ook r.o. 13 en het dictum.
Terugbetaling van hetgeen gepresteerd is en/of zal zijn op grond van de bestreden uitspraak van het Hof
- 3)
RFH heeft belang bij een veroordeling van de curator tot ongedaanmaking resp. terugbetaling van hetgeen aan de curator gepresteerd resp. betaald is en/of zal zijn op grond van de bestreden uitspraak van het Hof.
Belang bij het cassatieberoep
- 4)
RFH heeft belang bij het cassatieberoep.
5. Conclusie
MITSDIEN:
het de Hoge Raad behage, bij arrest:
- I.
Op de gronden voornoemd de bestreden uitspraak te vernietigen;
- II.
de curator te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen RFH uit hoofde van de bestreden uitspraak aan de curator voldaan heeft en zal hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling en of ten uitvoerlegging door de curator ten laste van RFH tot de dag der algehele voldoening door de curator aan RFH
- III.
Kosten rechtens, te vermeerderen met de nakosten, en de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten vanaf twee weken na de uitspraak.
Den Haag, 23 juni 2020
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑06‑2020
Hof, arrest r.o. 2 t/m 2.6.
Hof, r.o. 2.3
Memorie van antwoord, prod. 2a — Veilingreglement
Memorie van antwoord, par. 7 e.v.
Bijlage 3 bij deze procesinleiding — Memorie van antwoord, prod. 3 — huurovereenkomst RFH-Bleiswijk Boeketservice BV
Art. 3 van de huurovereenkomst
Art. 6 van de huurovereenkomst
Bijlage 1 en 2 bij deze procesinleiding — de curator, dagvaarding, prod. 4 en 5 — dagafschriften rekening-courant Bleiswijk Boeketservice BV bij ABNAMRO, volgnummer 10 en 11
Hof, r.o. 2.6
Conclusie van antwoord, par. 1
R.o. 13 en 8 en 3.
Zie bijv. de bevestiging van de curator van 10-4-18 niet de proceskosten in eerste aanleg te kunnen betalen om die reden. RFH, memorie van antwoord, prod. 1.
Memorie van antwoord, par. 13 e.v., par. 4 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1. Zie verder onder D.
Memorie van antwoord, par. 13 e.v., par. 4 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1. Zie verder onder D.
Memorie van antwoord, par. 13 e.v., par. 4 e.v., par. 29 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1. Zie verder onder D.
Memorie van antwoord, par. 13 e.v., par. 4 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1. Zie verder onder D.
Memorie van antwoord, par. 13 e.v., par. 4 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1. Zie verder onder D.
Hof, r.o. 8 ‘… rekening die een debetsaldo vertoonde …’
HR 20-3-15 NJ 15/264
De Hoge Raad gebruikt ‘terugvorderen’
HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203 inzake Van der Walle
Zie r.o. 3.9, ‘… …dat een onder een bank- of giro-instelling gelegd derdenbeslag uitsluitend het op dat moment aanwezige creditsaldo treft…’.
Bijlage 1 bij deze deze procesinleiding
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz I, 1994, p. 409
Memorie van antwoord, prod. 2a — Veilingreglement
HR 20-03-1981 NJ 1981, 640
Memorie van antwoord, par. 13 e.v.
Conclusie van antwoord, par. 1
Memorie van antwoord, par. 13 e.v.
Memorie van antwoord par. 16 e.v.; conclusie van antwoord, par. 1
Memorie van antwoord, par. 4 e.v.
Memorie van antwoord, par. 4 e.v.
Memorie van antwoord, par. 29 e.v.
Memorie van antwoord, par. 5, par. 28 e.v.
Memorie van antwoord, par. 6 e.v., par. 7 e.v., par. 10 e.v., par. 28; Zie ook aantekeningen comparitie na antwoord, p. 3; Memorie van antwoord, prod. 2a, veilingreglement, p. 18, p. 9, p. 7. Zie verder onder D hierna.
Memorie van antwoord, par. 3 en par. 28. Zie ook aantekeningen comparitie na antwoord, p. 3. Zie verder onder D hierna.
O.a. HR 28-11-1930 NJ 1930/ 253
R.o. 3.2. HR 15-11-2019 ECLI:NL:HR:2019:1789 NJ 2020/166
HR 27-5-1988 NJ 1991/305 ABNAMRO\Den Hollander (NAPM), conclusie AG, par. 5
HR 27-5-1988 NJ 1991/305 ABNAMRO\Den Hollander (NAPM)
HR 28-9-1990 NJ 1991/305
HR 05-02-2016 ECLI:NL:HR:2016:199 NJ 2016/187
HR 27-5-1988 NJ 1991/305
HR 27-5-1988 NJ 1991/305 ABNAMRO\Den Hollander (NAPM)
Memorie van antwoord, par. 6 e.v.
Bijlage 3 bij deze procesinleiding
Bijlage 4 bij deze procesinleiding
Memorie van antwoord, par. 6 e.v… Zie ook aantekeningen comparitie na antwoord, p. 3
Memorie van antwoord, par. 7 e.v.
Memorie van antwoord, prod. 2a, veilingreglement, p. 18, p. 9, p. 7
Memorie van antwoord, par. 7 e.v.
Memorie van antwoord, par. 10 e.v.
Memorie van antwoord, par. 3 en par. 28. Zie ook aantekeningen comparitie na antwoord, p. 3
Conclusie van antwoord, Aantekeningen comparitie na antwoord, p. 3
Memorie van antwoord, par. 28
Overgelegd: de curator, dagvaarding in eerste aanleg, prod. 4
Overgelegd: de curator, dagvaarding in eerste aanleg, prod. 5
Overgelegd: RFH, memorie van antwoord, prod. 3
Overgelegd: RFH, memorie van antwoord, prod. 2a