Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2.6:6.3.2.6 De straftoemetingsschuld van Kelk en De Jong; ‘verminderde verwijtbaarheid’ bij verzuimboeten
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2.6
6.3.2.6 De straftoemetingsschuld van Kelk en De Jong; ‘verminderde verwijtbaarheid’ bij verzuimboeten
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466905:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kelk/De Jong, p. 237.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Schuld heeft binnen het strafrecht verschillende betekenissen. Deze betekenissen krijgen voor een deel gestalte binnen het beslissingsmodel van artikel 350 Sv. Zo zijn er de wettelijke schuldvormen opzet en culpa (in het fiscale boeterecht: grove schuld) die van belang zijn bij het bewijs van het begaan van het strafbare feit. Daarnaast speelt schuld een sleutelrol bij de vraag of sprake is van een schulduitsluitingsgrond. En volgens Kelk en De Jong is er ook een bijzonder schuldbegrip van toepassing bij de laatste vraag van het beslissingsmodel, de vraag naar de strafmaat. Deze betekenis van schuld wordt door Kelk en De Jong straftoemetingsschuld genoemd.
Volgens Kelk en De Jong dient de straftoemetingsschuld “scherp te worden onderscheiden van de andere schuldbegrippen, omdat in het perspectief van de straf toemeting de schuld zijn omvang mede ontleent aan de ernst van het feit”, oftewel de wederrechtelijkheid.1 De straftoemetingsschuld wordt dus niet alleen afgeleid van de verwijtbaarheid van de dader in persoon, maar ook van het onrecht (impact en gevolg, zie hiervoor) dat het feit heeft veroorzaakt.
Zoals gezegd wordt in de fiscale rechtspraak soms een verzuimboete gematigd vanwege ‘verminderde schuld’. Op zich doet een dergelijke motivering vreemd aan, omdat bij het opleggen van verzuimboeten de (mate van) verwijtbaarheid in beginsel niet van belang is; de enige schuld die vereist is, is ‘het gedaan hebben’, de meest geringe mate van schuld. En als enkel deze meest geringe vorm van schuld aanwezig is, dan valt er vrijwel geen schuld te verminderen.
De visie van Kelk en De Jong zou mijns inziens echter een verklaring kunnen zijn voor de vermindering van verzuimboeten op grond van ‘verminderde schuld’. De straftoemetingsschuld heeft immers een grotere reikwijdte dan het wettelijke schuldbegrip, zodat in een specifieke verzuimsituatie de schuld vanwege de ernst van het feit kan uitstijgen boven het niveau van ‘het gedaan hebben’. Vervolgens kunnen bepaalde strafbeïnvloedende factoren dan weer aanleiding zijn om deze verhoogde straftoemetingsschuld te verminderen (en in een voorkomend geval wellicht ook te verhogen).