Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/13.1:13.1 Inleiding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/13.1
13.1 Inleiding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583956:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
519. In de vorige twee delen behandelde ik een tweetal ingangsvoorwaarden om de pleger van een toerekenbare onrechtmatige daad, een kwalitatief aansprakelijke en degene die een wanprestatie levert, voor schade aansprakelijk te kunnen houden. Verder besprak ik welk normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade vereist is om een verplichting tot vergoeding van die schade aan te kunnen nemen. Wanneer en voor zover aan deze twee ingangsvoorwaarden is voldaan en dit normatieve verband aanwezig is, dient in beginsel de schade te worden vergoed. Bijzondere omstandigheden kunnen echter in het kader van het relativiteitsvereiste en het toerekeningsvereiste nog tot een nadere begrenzing van aansprakelijkheid leiden. In dit deel behandel ik die omstandigheden. In dit hoofdstuk bespreek ik de situaties waarin een aanspraak op schadevergoeding een andere (verhaals)regeling onaanvaardbaar zou doorkruisen en om die reden de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis niet tot een verplichting tot vergoeding van bepaalde schade leidt. In hoofdstuk 14 bespreek ik de situaties van de in pari delicto verkerende gelaedeerde en van schade in een niet-rechtmatig belang.
520. Soms zou een bijzondere (verhaals)regeling op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien vanwege een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis aan de gelaedeerde een aanspraak op vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade zou toekomen. Daarin kan een bijzondere reden liggen om aansprakelijkheid te begrenzen. In dit hoofdstuk bespreek ik achtereenvolgens de mogelijke doorkruising van het publiekrecht wanneer de overheid op grond van het privaatrecht aanspraak zou hebben op schadevergoeding (§ 13.2), de doorkruising van de vennootschapsrechtelijke rechtsorde indien een aandeelhouder aanspraak zou hebben op vergoeding van afgeleide schade aan aandelen (§ 13.3) en de doorkruising van de verzekeringsrechtelijke subrogatieregeling wanneer een verzekeraar aanspraak zou hebben op vergoeding van afgeleide schade ontstaan door het doen van een uitkering aan de verzekerde (§ 13.4).
Dit zijn niet de enige situaties waarin een aanspraak op schadevergoeding een andere (verhaals)regeling zou doorkruisen. De doorkruising van de regelingen van art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW en de doorkruising van de regelingen van 7:419 en 7:420 BW bespreek ik bij de behandeling van de problematiek van de verplaatste schade in § 15.8.6. De doorkruising van de regeling betreffende proceskosten van art. 237 e.v. Rv wordt voorkomen door de begrenzing van het schadebegrip in art. 6:96 lid 3 BW; ik laat deze potentiële doorkruising goeddeels buiten beschouwing, maar bespreek wel de situatie waarin vanwege een opzettelijke normschending proceskosten worden gemaakt, zie hierover nr. 715.
Naar ik meen ligt het voor de hand dat wanneer, zoals onze wet doet, in algemene bepalingen de vestiging van aansprakelijkheid wordt geregeld en een verplichting tot schadevergoeding wordt opgelegd, daarmee in uiteenlopende gevallen een andere regeling kan worden doorkruist. In onze doctrine zijn de diverse erkende begrenzingen van aansprakelijkheid die nodig zijn ter voorkoming van een dergelijke doorkruising, tot op heden nog niet tezamen onder deze noemer gebracht. In dit hoofdstuk zal ik dat wel doen en bespreken wanneer aansprakelijkheid om deze reden dient te worden begrensd. Deze begrenzing kan naar gelang dat uitkomt in het relativiteitsvereiste of in het toerekeningsvereiste tot uitdrukking worden gebracht.
Deze grens aan de reikwijdte van aansprakelijkheid heeft een ander karakter dan de in de hoofdstuk 8 t/m 11 besproken vier grenzen aan aansprakelijkheid. Bij elk van deze vier grenzen liet zich niet vaststellen dat met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd was te beschermen tegen de schade zoals geleden, terwijl bovendien het aansprakelijkheidsrecht in vergelijkbare situaties de schade voor rekening van de gelaedeerde liet. De combinatie van deze beide gegevens voerde tot de conclusie dat onvoldoende verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade bestond om de laedens voor die schade aansprakelijk te maken. De in dit hoofdstuk behandelde grens ligt eenvoudiger en is in zekere zin harder: een aanspraak op schadevergoeding zou in strijd zijn met een andere, speciale regeling. Op die grond wordt de aanspraak op schadevergoeding afgesneden, ook al bestaat er voldoende verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade.