Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/
V.3.2.2 de leidinggevende als pleger van een milieudelict
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460495:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze conclusie ga ik verder alleen in op de betekenis van bestanddelen voor het plegerschap van de aangesproken leidinggevenden. Zie over het belang van bestanddelen voor het vaststellen van een overtreding par. III.3.
Hiermee sluit ik aan bij de omschrijving die Kristen geeft van objectieve bestanddelen. Kristen 2007, p. 114.
‘Functioneel daderschap’ is echter een meeromvattend begrip: het kan ook betrekking hebben op aansprakelijkheidsvormen waarbij de dader niet zelf alle bestanddelen van het delict vervult, zoals bijvoorbeeld bij functioneel medeplegen het geval is. In par. II.3.4.2 licht ik het verschil tussen functioneel plegen en feitelijk leidinggeven nader toe en leg ik ook mijn terminologische keuzes uit. Zie hierna par. V.3.2.3 onder het kopje ‘Onderscheid tussen feitelijk leidinggeven en functioneel plegen’.
Over de grondslagen voor functioneel plegerschap en hun onderlinge verhouding, zie par. II. 3.4.3.
HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling (IJzerdraad).
Van aanvaarding is al sprake als de functionele pleger niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van hem kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Deze ondergrens van aanvaarding is afkomstig uit het Drijfmest-arrest: HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks; AB 2004/310, m.nt. Jansen (Drijfmest).
Par. II.3.4.
Zie uitvoerig par. II.2.3 en par. II.2.7.
Het kwalitatieve bestanddeel wordt ook wel ‘kwaliteitsbestanddeel’ genoemd. Mijn terminologische keuze licht ik toe in par. II.2.3.
In par. V.2.2.2 licht ik kort toe wat drijverschap inhoudt. Zie uitvoerig par. III.5.4.
Delictsbestanddelen
Om een leidinggevende aan te spreken als pleger van een milieudelict, moet worden aangetoond dat hij zelf alle aansprakelijkheidsvoorwaarden van het betreffende milieuvoorschrift vervult. Deze aansprakelijkheidsvoorwaarden worden ook wel (delicts)bestanddelen genoemd. Er zijn drie soorten delictsbestanddelen: objectieve, subjectieve en kwalitatieve bestanddelen. Ieder type bestanddeel heeft een eigen functie, en kennis van de verschillende functies is behulpzaam bij het beoordelen of er sprake is van een milieuovertreding, en of een leidinggevende kan worden aangemerkt als pleger van een milieudelict.1 Daarom spelen deze bestanddelen een prominente rol in dit proefschrift. Ik bespreek ze hierna kort.
Objectieve bestanddelen
Objectieve bestanddelen van een delict hebben betrekking op de uitwendig kenbare omstandigheden die een bepaalde situatie strafbaar maken.2 Meestal gaat het om een bepaald soort handelen of nalaten (de delictsgedraging), maar in plaats daarvan (of daarnaast) kan het ook gaan om een bepaald soort verboden toestand of gevolg.
Een leidinggevende kan op twee manieren de delictsgedraging verrichten. Dit kan hij allereerst eigenhandig doen. Als een leidinggevende van een agrarisch bedrijf zelf in de tractor stapt en bovenmatig veel mest uitrijdt op de akkers, dan handelt hij eigenhandig in strijd met de verplichting uit artikel 7 e.v. Meststoffenwet. Op grond van deze bepalingen is het verboden om bedrijfsmatig meststoffen op of in de bodem te brengen boven een bepaalde gebruiksnorm.
Ten tweede kan de leidinggevende onder omstandigheden ook door tussenkomst van andere personen de delictsgedraging verrichten. Dit wordt ‘functioneel plegerschap’ of ‘functioneel daderschap’3 genoemd. Wanneer de leidinggevende van het agrarische bedrijf bijvoorbeeld een ondergeschikte opdraagt om de akkers te overbemesten, dan vervult hij als functionele pleger toch zelf het objectieve bestanddeel. Functioneel plegen kan worden gezien als een kwestie van delictsinterpretatie. Onder ‘meststoffen op of in de bodem brengen’ in de zin van art. 7 Msw wordt dan ook begrepen het bewerkstelligen dat dit gebeurt. Dit sluit aan bij normaal taalgebruik, en weinigen zullen de redelijkheid van deze interpretatie betwisten.
Een andere grondslag voor functioneel plegen is de toerekening van de verboden gedraging van de ondergeschikte aan de leidinggevende.4 Voor de toerekening gelden aanvullende, cumulatieve aansprakelijkheidscriteria. Deze criteria zijn ontwikkeld in het befaamde IJzerdraad-arrest.5 Heel kort gezegd is vereist dat de functionele pleger feitelijke beschikkingsmacht heeft over de verboden gedraging van de ander, en het plaatsvinden van die gedraging aanvaardt.6 In het strafrechtelijke hoofdstuk werk ik deze vereisten nader uit, en geef ik handvatten voor de beoordeling of een leidinggevende beschikkingsmacht heeft over een bedrijfsmatig milieudelict en of hij dit ook heeft aanvaard.7 Aan de hand van deze vereisten kan worden vastgesteld of een gedraging in strijd met een milieuvoorschrift van een ondergeschikte kan worden toegerekend aan een leidinggevende.
Een leidinggevende kan (door ‘functionele interpretatie’ van de delictsgedraging, of door toerekening op grond van de IJzerdraad-criteria) weliswaar met tussenkomst van een ander het objectieve bestanddeel vervullen, maar dat is nog niet genoeg voor plegerschap: voor het plegen van een milieudelict moet de leidinggevende álle bestanddelen vervullen. In de delictsomschrijving van milieuvoorschriften worden soms naast objectieve bestanddelen ook andersoortige aansprakelijkheidsvoorwaarden gesteld. Dat brengt ons bij het subjectieve bestanddeel.
Subjectieve bestanddelen
Bij subjectieve bestanddelen gaat het niet om het handelen (of nalaten) van de dader, maar om de persoon van de dader. Meer specifiek stellen ‘subjectieve bestanddelen’ eisen aan de geestesgesteldheid van de dader bij het begaan van het strafbare feit; namelijk of de dader met opzet (‘dolus’; willens en wetens) of schuld (‘culpa’; met verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid) heeft gehandeld.8
De economische delicten die worden genoemd in artikel 1a WED onder 1° en 2° zijn alleen een misdrijf, voor zover zij opzettelijk zijn begaan (art. 2 lid 1 WED). Als het economische delict niet opzettelijk is begaan, is het een overtreding. Je zou dus kunnen zeggen dat de bestuursrechtelijke milieuvoorschriften die worden genoemd in artikel 1a WED onder 1° en 2° tweemaal door het WED-doorgeefluik het strafrecht binnenkomen: eenmaal als milieuovertreding en eenmaal als milieumisdrijf. Bij binnenkomst krijgen de milieumisdrijven een subjectief bestanddeel opgeplakt: een opzetvereiste (dolus). Vanwege deze systematiek is bijna elk strafrechtelijk milieumisdrijf een opzetdelict. Daarom kan een leidinggevende in de regel alleen een milieumisdrijf plegen als hij willens en wetens (dus minimaal met voorwaardelijk opzet) heeft gehandeld.9
Kwalitatieve bestanddelen
Sommige normen bevatten ten slotte een kwalitatief bestanddeel.10 Het kwalitatieve bestanddeel heeft geen betrekking op de geestesgesteldheid of het handelen van de dader, maar stelt eisen aan de hoedanigheid van de dader. Dat betekent dat de verplichting uit de norm niet geldt voor iedereen, maar alleen voor personen die de hoedanigheid uit het kwalitatieve bestanddeel bezitten. Degene tot wie de norm is gericht, wordt de normadressaat genoemd. Voor het plegen van een milieudelict met een kwaliteitsbestanddeel, moet de leidinggevende vanzelfsprekend zelf de benodigde kwaliteit bezitten. Normadressaatschap kan immers niet worden toegerekend aan de leidinggevende; daarmee zou het selectieve effect van kwalitatieve bestanddelen verloren gaan.
Bij de bestudering van de voorschriften die de milieubelastende activiteiten van ondernemingen reguleren, viel op dat veel voorschriften niet slechts zijn geadresseerd aan de exploiterende rechtspersoon, maar (juist) ook aan natuurlijke personen binnen de rechtspersoon. Hierboven noemde ik bijvoorbeeld al dat leidinggevenden onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als ‘drijver van de inrichting’.11 Zij zijn dan als zodanig persoonlijk verplicht de inrichtinggerelateerde voorschriften na te leven die betrekking hebben op de milieubelastende activiteiten waarover zij zeggenschap hebben. Sommige milieunormen zijn zelfs tot een ieder gericht, dus ook tot natuurlijke personen met een leidinggevende functie binnen de rechtspersoon.
Dat leidinggevenden zelf ook normadressaat kunnen zijn van milieunormen is een belangrijke onderzoeksbevinding van dit proefschrift, want dat betekent dat zij persoonlijk drager zijn van milieuverplichtingen. Dit is relevant voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden want daardoor kan een leidinggevende onder omstandigheden ook zelf het kwalitatieve bestanddeel van een milieudelict vervullen. Dat is vervolgens weer belangrijk omdat een leidinggevende hierdoor niet alleen aansprakelijk kan worden gesteld als deelnemer aan een milieudelict, waarover hierna meer, maar mogelijk ook ‘rechtstreeks’ als pleger van het milieudelict.