HR 2 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1121, BNB 2023/2 m.nt. Smit, NLF 2022/1748 m.nt. Van Strien, NTFR 2022/3221 m.nt. Groenland, V-N 2022/38.8 m.nt. redactie.
HR, 28-03-2025, nr. 20/03948
ECLI:NL:PHR:2025:386
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2025
- Zaaknummer
20/03948
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2025:386, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 28‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:60
ECLI:NL:HR:2022:1121, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑09‑2022; (Cassatie)
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2024:238
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:666
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:8628
Prejudiciële vraag aan: ECLI:EU:C:2024:822
ECLI:NL:PHR:2021:666, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 29‑06‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1121
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑01‑2021
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/655
Viditax (FutD) 2025041104
FutD 2025-0768
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/440
NLF 2025/0940 met annotatie van Jeroen van Strien
NTFR 2025/825 met annotatie van mr. N.I. Groenland
V-N 2025/20.7 met annotatie van Redactie
V-N 2022/38.8 met annotatie van Redactie
NTFR 2022/3221 met annotatie van mr. N.I. Groenland
NLF 2022/1748 met annotatie van Jeroen van Strien
SEW 2022, afl. 11, p. 538
BNB 2023/2 met annotatie van D.S. Smit
Viditax (FutD) 2022090202
FutD 2022-2400
V-N 2021/36.6 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1581 met annotatie van Fred van Horzen
NTFR 2021/2554 met annotatie van mr. N.I. Groenland
Viditax (FutD) 2021072308
FutD 2021-2331
Conclusie 28‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; art. 10a Wet Vpb; art. 49 VWEU. Vervolg op HR BNB 2023/2 na HvJ X BV. Kan belanghebbende met vrucht beroep doen op HR BNB 2023/61 (Spilfunctie-arrest)? Maatstaf voor uitzondering van doorgeefluik bij verstrekking lening door financiële spil? Is sprake van volstrekt kunstmatige constructie in de zin van HvJ. X BV? Geen volstrekt kunstmatige constructie in de zin van HvJ X BV in het geval de lening onder dezelfde voorwaarden ook zou zijn verstrekt door een derde?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03948
Datum 28 maart 2025
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2007
Nr. Gerechtshof 18/01049
Nrs. Rechtbank AWB 16/2827 en AWB 16/2828
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] B.V. (belanghebbende)
tegen
staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)
1. Inleiding en overzicht
1.1
In deze zaak heeft de Hoge Raad in HR BNB 2023/2 vragen aan het HvJ gesteld over – kort gezegd – de verenigbaarheid met art. 49 VWEU van de rente-aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb (jaar 2007). Aanleiding voor twijfel daarover is het arrest Lexel van het HvJ. De Hoge Raad heeft in essentie bevestiging gevraagd voor zijn uitleg van dat arrest, die in de literatuur niet unaniem werd gedeeld. Die bevestiging heeft het HvJ in de kern gegeven in zijn antwoord in zijn arrest, dat ik in deze conclusie aanhaal als X BV.
1.2
De reden om (toch) een conclusie te nemen in deze zaak na de beantwoording van de prejudiciële vragen door het HvJ, is gelegen in de reactie van belanghebbende en in reacties in de literatuur op X BV. Volgens belanghebbende heeft het HvJ in rov. 88 van X BV zijn rechtspraak verfijnd, waarbij het een maatstaf heeft geformuleerd voor het kunnen oordelen dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. In dit geval is niet aan die maatstaf voldaan, aldus belanghebbende. Verder doet belanghebbende een beroep op het Spilfunctie-arrest van de Hoge Raad, dat ná HR BNB 2023/2 is gewezen. Volgens belanghebbende heeft haar leningverstrekker ( [C] ) een financiële spilfunctie als bedoeld in dat arrest.
Deel 1: de betekenis van het Spilfunctie-arrest voor het vervolg van deze zaak
1.3
Ik start in deze conclusie met het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest, omdat een geslaagd beroep daarop zou betekenen dat reeds op grond van nationaal recht geen plaats is voor uitsluiting van aftrek van rente. In onderdeel 5 ga ik in op het Spilfunctie-arrest. Eerst komt dat arrest als zodanig aan bod (5.2-5.6). In dat arrest aanvaardt de Hoge Raad de opvatting dat indien een belastingplichtige een schuld heeft aan een met hem verbonden lichaam dat een financiële spilfunctie vervult (een spil), in beginsel wordt aangenomen dat aan zo’n schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Een uitzondering geldt voor het geval dat lichaam louter fungeert als een doorgeefluik voor de desbetreffende middelen (doorgeefluik-uitzondering). De literatuur is verdeeld over de kwestie onder welke omstandigheden sprake is van een dergelijke ‘doorgeefluik’ (5.9-5.15). Omdat in een deel van de literatuur ervan wordt uitgegaan dat het moet gaan om gevallen van parallellie, behandel ik eerst kort ter introductie het fenomeen ‘parallellie’ (5.7-5.8). Vervolgens komt in onderdeel 6 parlementaire geschiedenis aan de orde over een spilfunctie (6.2-6.7) en over een doorgeefluik (6.8-6.16). In onderdeel 7 komt rechtspraak van de Hoge Raad aan bod waaruit volgt dat als norm voor de uitleg van art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb geldt een beperkte uitleg, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden.
1.4
In onderdeel 8 volgt mijn beschouwing. Ik start daarbij met de voorvraag óf het beroep op het Spilfunctie-arrest nog wel aan de orde kan komen in deze stand van de procedure (8.1-8.8). Omdat dit ervan afhangt wat verscholen ligt achter de verwerping in HR BNB 2023/2 met toepassing van art. 81 Wet RO van de middelen die betrekking hebben op de toepassing van art. 10a Wet Vpb als zodanig, ga ik toch op dat beroep in. Ik zet eerst uiteen dat de feiten geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat [C] een spil is (8.9-8.11). Daarna ga ik in op de doorgeefluik-uitzondering, eerst in algemene zin (8.12-8.18). Ik betoog dat – anders dan belanghebbende tot uitgangspunt neemt – de uitzondering niet is beperkt tot gevallen van parallellie, maar dat zij zich uitstrekt tot gevallen waarin een actieve functie van de spil ontbreekt ter zake van de lening aan de belastingplichtige. Ik betoog bovendien dat de doorgeefluik-uitzondering niet is beperkt tot doorleensituaties maar ook aan de orde kan zijn in het geval de spil de middelen voor de lening via een kapitaalstorting heeft verkregen. Vervolgens ga ik in op het concrete geval van belanghebbende (8.19-8.22). Opmerkelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern. Gegeven (i) dat dit op gespannen voet staat met zijn diverse feitelijke vaststellingen over [C] en (ii) wat de Rechtbank heeft overwogen, namelijk dat belanghebbende weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat [C] een wezenlijke functie vervulde binnen het concern, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze functie van belang is geweest voor – kort gezegd – de onderhavige aantrekking en verstrekking van middelen, moet het oordeel van het Hof mijns inziens aldus worden opgevat dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie heeft vervuld binnen het concern bij de wijze waarop de middelen zijn verstrekt aan belanghebbende. Zo opgevat geeft het oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de spilfunctie-leer, omdat daarvan de doorgeefluik-uitzondering onderdeel is. Een oneffenheid in het licht van het Spilfunctie-arrest is wel de bewijslastverdeling, maar daarover klaagt belanghebbende niet.
1.5
Kortom, zelfs als het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest aan de orde kan komen in deze stand van de procedure, treffen haar argumenten geen doel.
Deel 2: volstrekt kunstmatige constructie in de zin van X BV?
1.6
Ik start dit onderwerp met de behandeling in onderdeel 9 van drie voorafgaande vragen, namelijk (i) of de rente-aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb een beperking van de vrijheid van vestiging inhoudt (9.2-9.14), zo ja (ii) of objectief vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld (9.15), en zo ja (iii) of de maatregel gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang en daarvoor geschikt is (9.16). Weliswaar is de vraagstelling door de Hoge Raad in HR BNB 2023/2 niet op deze vragen gericht, en volgt uit X BV niet dat de Hoge Raad die vragen verkeerd heeft beantwoord, maar ik ga met name op de eerste vraag wat uitgebreider in. De reden daarvoor is enerzijds dat het HvJ in X BV uiteenzet wat aan de Hoge Raad is om vast te stellen inzake de beperkingsvraag en anderzijds dat de maatstaf die het HvJ in dat kader aanreikt, op het eerste gezicht niet dezelfde is als die welke de Hoge Raad heeft gebruikt (9.2). Ik kom overigens tot de conclusie dat de maatstaf van de Hoge Raad in overeenstemming is met (andere) jurisprudentie van het HvJ. De lezer die het wel gelooft dat de drie voorafgaande vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, kan dit onderdeel overslaan.
1.7
Het zwaartepunt betreft de evenredigheidstoets. Daartoe analyseer ik eerst in onderdeel 10 de verschillende stappen in de beoordeling door het HvJ. De eerste stap is of het onevenredig is dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb het vermoeden vestigt dat een schuld die is verschuldigd aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam en verband houdt met een externe acquisitie, deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie (10.2-10.10). De tweede stap is het onderzoek of het onevenredig is dat het artikellid aftrek van rente weigert, ook als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (10.11-10.25). Bij de derde stap gaat het HvJ na of het onevenredig is dat het artikellid aftrek van rente geheel weigert (10.26-10.35).
1.8
Hoewel belanghebbende zich vooral richt op punt 88 van X BV en dit punt onderdeel is van de derde stap, heb ik (dus) aanleiding gezien om ook de twee voorafgaande stappen te analyseren. Dat doe ik omdat dit mijns inziens de benodigde context biedt voor het begrip van dat punt 88. Ik noem daarbij in het bijzonder ook de frase “deze lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden” in punt 88. Die frase lijkt erop te duiden dat van een volstrekt kunstmatige constructie geen sprake kan zijn, indien de lening ook zou zijn aangegaan onder dezelfde voorwaarden tussen onafhankelijke lichamen. Uit de stapsgewijze analyse volgt echter dat het HvJ doelt op een lening die niet zou zijn aangegaan zonder fiscale motieven c.q. die is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen (zie 10.5-10.9 voor stap 1, 10.21-10.24 voor stap 2 en uiteindelijk 10.27 voor stap 3).
1.9
In onderdeel 11 bespreek ik de argumentatie van belanghebbende aan de hand van de uitkomsten van mijn analyse in onderdeel 10. Belanghebbendes argumentatie is gebaseerd op de eerste zin van punt 88 van X BV. Ik citeer de gehele overweging:
“88 Wanneer daarentegen de betrokken lening zelf elke economische rechtvaardiging ontbeert, en deze lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd, is het verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente in zijn geheel te weigeren, aangezien de belastingdienst een dergelijke volstrekt kunstmatige constructie bij het vaststellen van de verschuldigde vennootschapsbelasting moet negeren. Als alleen de aftrek van een gedeelte van de over die lening betaalde rente zou worden geweigerd, zou dat de belastingplichtige in staat stellen het door middel van misbruik nagestreefde belastingvoordeel deels of zelfs in zijn geheel te verkrijgen, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de samenhang van de betrokken regeling.”
1.10
Ik begrijp belanghebbende aldus dat zij van opvatting is dat: (a) punt 88 van X BV een maatstaf geeft ter beoordeling of een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, (b) deze maatstaf uiteenvalt in drie cumulatieve voorwaarden, en (c) de leningen van [C] aan belanghebbende niet voldoen aan de voorwaarde dat zij niet zouden zijn aangegaan zonder bijzondere betrekking tussen de betroken lichamen en zonder streven naar belastingvoordeel (11.1). Ik deel deze opvatting niet om de volgende redenen:
- punt 88 geeft de bedoelde maatstaf niet, omdat dit punt niet behoort tot de tweede stap van het HvJ, maar tot de daaropvolgende derde stap van het HvJ, die gaat over de vraag welk gevolg rechtens is, gegeven dat een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie (11.2).
- punt 88 valt niet uiteen in drie cumulatieve voorwaarden maar stelt slechts één voorwaarde waaronder gehele aftrekweigering evenredig is, namelijk dat de schuld elke economische realiteit mist. Het HvJ omschrijft in het punt slechts nader het geval waarin de schuld elke economische realiteit mist (11.3).
- de opvatting van belanghebbende impliceert dat het HvJ ervan is uitgegaan dat een schuld niet deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie als de schuld ook zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen in de gebruikelijke zin dat de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, maar het HvJ is daarvan niet uitgegaan (11.4-11.5).
1.11
Voor zover belanghebbende heeft willen klagen dat het Hof bij de beoordeling of in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de leningen van [C] , is uitgegaan van een maatstaf die lichter is dan het criterium van een volstrekt kunstmatige constructie, faalt de klacht. Het oordeel van het Hof dat de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het aangaan van de leningen via [C] is gelegen in de belastingbesparing, geeft niet blijk van een te lichte maatstaf (11.6)
1.12
Ook het beroep van belanghebbende op X BV strandt dus.
Slotsom
1.13
Er is geen aanleiding om terug te komen op de beoordeling van de middelen voor zover die in HR BNB 2023/2 zijn beoordeeld. De middelen voor het overige kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het cassatieberoep is mijns inziens ongegrond.
2. Feiten
2.1
De enig aandeelhouder van belanghebbende is een in België gevestigde vennootschap (de tussenhoudster). Een andere in België gevestigde vennootschap (de houdster) hield 39% van de aandelen in de tussenhoudster tot 22 december 2002. Sindsdien houdt de houdster 44,47% daarvan en houdt het publiek de overige aandelen in de tussenhoudster.
2.2
Zowel de tussenhoudster als de houdster houdt aandelen in nog een in België gevestigde vennootschap, die in de jaren 1999 tot en met 2010 aldaar voor fiscale doeleinden de status van ‘coördinatiecentrum’ had ( [C] ). Voor zover thans van belang, werd de belastbare winst van een coördinatiecentrum bepaald aan de hand van de ‘cost plus’-methode en hoefde een coördinatiecentrum geen roerende voorheffing in te houden op rente die het betaalde, terwijl de vennootschap die de rente ontving wel recht had op verrekening dan wel teruggaaf van een fictieve roerende voorheffing.
2.3
In het jaar 2000 was een gemiddeld aantal van 36 personen werkzaam bij [C] , dat een eigen vermogen van meer dan € 3,5 miljard had. In het jaar 2008 is een gemiddeld aantal van 375 personen werkzaam bij [C] , heeft [C] een eigen vermogen van € 20,1 miljard en heeft het leningen verstrekt tot een bedrag van ruim € 19,3 miljard.
2.4
De tussenhoudster hield 53,05% en de houdster 46,95% van de aandelen in [C] tot 22 december 2002. Sindsdien houdt de tussenhoudster 64,3%, de houdster 27,8% en het publiek de overige aandelen in [C] .
2.5
Op 14 maart 2000 leverden derden 72% van de aandelen in een naamloze vennootschap (de NV) aan belanghebbende en de overige 28% van deze aandelen aan de tussenhoudster. Nadat de definitieve aankoopprijs van die aandelen was vastgesteld, deed belanghebbende nog een extra betaling aan diezelfde derden.
2.6
Belanghebbende heeft beide transacties gefinancierd met leningen die zij heeft opgenomen bij [C] . [C] heeft deze leningen verstrekt uit eigen vermogen dat het telkens kort voordien verkreeg via een kapitaalstorting door de tussenhoudster.
2.7
Belanghebbende heeft de rente op die leningen in aftrek gebracht op de winst bij het doen van aangifte in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2007. De Inspecteur heeft de aftrek geweigerd bij het vaststellen van de aanslag. Daartegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar en (hoger) beroep ingesteld.
3. Prejudiciële vragen en antwoord
3.1
In het arrest van 2 september 20221.(HR BNB 2023/2) heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dit arrest voorgelegde vragen. De Hoge Raad heeft verzocht om een beslissing over deze vragen bij de beoordeling van de middelen III en V, voor zover beide middelen zich richten tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden2.(Hof) dat art. 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2007; Wet Vpb) niet in strijd is met (onder meer) art. 49 VWEU. Ik kom terug op die vragen in 3.7-3.10. Eerst expliciteer ik een additioneel uitgangspunt in cassatie, dat mijns inziens ligt besloten in HR BNB 2023/2.
Additioneel uitgangspunt in cassatie
3.2
Het is een open deur, maar het kan niet anders dan dat de Hoge Raad in HR BNB 2023/2 ervan is uitgegaan dat de rente is uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a(1)(c) Wet Vpb en ook dat toepassing van deze bepaling niet achterwege blijft op grond van art. 10a(3) Wet Vpb. Immers, als de rente niet zou zijn uitgesloten van aftrek, dan zou hij niet hebben kunnen toekomen aan de prejudiciële vraag of – kort gezegd – beide bepalingen verenigbaar zijn met het Unierecht. Dit blijkt evenwel niet expliciet uit het arrest.
3.3
Daaruit volgt wel impliciet dat de Hoge Raad ervan is uitgegaan dat de rente is uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a(1)(c) Wet Vpb. Middel II herhaalt de grief, die het Hof heeft verworpen,3.dat de rente niet is uitgesloten van aftrek op grond daarvan. Het middel betoogt daartoe dat – kort en goed – de leningen niet verband houden met de verwerving van het belang in de NV maar met haar bezittingen vanaf het moment dat zij deel uitmaakt van een fiscale eenheid met belanghebbende als moedermaatschappij.4.HR BNB 2023/2 heeft dit middel verworpen met toepassing van art. 81(1) RO.5.Daaruit volgt – impliciet – dat de Hoge Raad ervan is uitgegaan dat de rente is uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a(1)(c) Wet Vpb. In wettelijke termen, de leningen van [C] aan belanghebbende zijn schulden die zij is verschuldigd aan een met haar verbonden lichaam in verband met de verwerving van haar belang in de NV die nadien met haar is verbonden.
3.4
Evenzo is de Hoge Raad ervan uitgegaan dat de rente niet alsnog in aftrek komt op grond van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan het verstrekken van de leningen via [C] .6.Middel IV keert zich daartegen met het betoog dat – kort gezegd – dit oordeel van het Hof voorbijgaat aan een essentiële stelling dat de leningen wel in overwegende mate berusten op zakelijke overwegingen.7.HR BNB 2023/2 heeft ook dat middel verworpen met toepassing van art. 81(1) RO.8.Hetzelfde geldt voor middel III voor het overige: het keert zich tegen datzelfde oordeel van het Hof, althans voor zover het zich niet richt tegen het oordeel van het Hof dat art. 10a Wet Vpb niet in strijd is met art. 49 VWEU. In zoverre herhaalt middel III de grief, die het Hof heeft verworpen, dat [C] een financiële functie vervult binnen het concern en dat daarom de leningen in overwegende mate berusten op zakelijke overwegingen.9.Daaruit volgt – wederom impliciet – dat de Hoge Raad ervan is uitgegaan dat de rente niet alsnog in aftrek komt op grond van art. 10a(3)(a) Wet Vpb.
3.5
Terzijde merk ik op dat de rente evenmin alsnog in aftrek komt op grond van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. De rechtbank Gelderland10.heeft namelijk al vastgesteld dat niet in geschil is dat de rente niet is onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen bij [C] die voldoet aan deze bepaling.11.
3.6
Dit een en ander laat nog in het midden of art. 49 VWEU zich ertegen verzet dat de rente is uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a(1)(a) Wet Vpb, zoals belanghebbende betoogt en de Staatssecretaris betwist in reactie op het prejudiciële antwoord. Het laat tevens in het midden of terecht ervan is uitgegaan dat de rente niet alsnog in aftrek komt op grond van art. 10a(3)(a) Wet Vpb, zoals belanghebbende betwist in reactie daarop. In onderdeel 4 geef ik hun reacties weer. Thans wend ik mij tot de prejudiciële vragen van HR BNB 2023/2.
Prejudiciële vragen
3.7
In gevallen waarin art. 10a(1)(c) Wet Vpb toepassing vindt, heeft deze bepaling tot gevolg dat de rente is uitgesloten van aftrek bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige. Dit gevolg geldt ongeacht of de rente gelijk is aan het bedrag waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden te verstrekken aan de belastingplichtige. Het geldt ook voor zover die rente gelijk is aan dat bedrag. HR BNB 2023/2 heeft beide punten niet (langer) buiten redelijke twijfel geacht, gelet op Lexel12..
3.8
De eerste prejudiciële vraag ziet op het eerste punt. Deze vraag komt erop neer of de rente mag worden uitgesloten van aftrek in het geval dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb van toepassing is op een schuld, ongeacht of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden.13.In dat geval wordt de schuld aangemerkt als een (onderdeel van een) volstrekt kunstmatige constructie. De vraag is of daaraan in de weg staat dat de rente gelijk is aan het bedrag dat een onafhankelijke derde zou hebben bedongen voor eenzelfde schuld onder overigens dezelfde omstandigheden. Ik citeer:
“1. Moeten de artikelen 49, 56 en/of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de rente ter zake van een leenschuld aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam, welke schuld verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is, bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige niet in aftrek komt omdat de desbetreffende schuld moet worden aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie, ongeacht of de desbetreffende schuld op zichzelf beschouwd tegen marktconforme voorwaarden is aangegaan?”
3.9
De tweede prejudiciële vraag ziet op het tweede punt. Die vraag is of de rente mag worden uitgesloten van aftrek in het geval dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb van toepassing is op een schuld, ook voor zover de rente niet uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.14.In dat geval wordt de rente geheel uitgesloten van aftrek. De vraag is of de rente alsnog in aftrek behoort te komen voor het gedeelte dat gelijk is aan het bedrag dat een onafhankelijke derde zou hebben bedongen voor eenzelfde schuld onder overigens dezelfde omstandigheden. Ik citeer wederom:
“2. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moeten de artikelen 49, 56 en/of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de rente ter zake van een als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie aangemerkte leenschuld aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam, welke schuld verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is, bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige volledig in aftrek wordt geweigerd, ook voor zover die rente op zichzelf beschouwd niet uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen?”
3.10
De gevallen waarin art. 10a(1)(c) Wet Vpb toepassing vindt, plegen te worden onderscheiden in zogeheten interne verhangingen en externe acquisities. Een interne verhanging is een verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat al voordien is verbonden met de belastingplichtige. Een externe acquisitie is een verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat eerst nadien is verbonden met haar.15.De derde prejudiciële vraag ziet op dit onderscheid. De vraag is of dat onderscheid ertoe doet bij de beoordeling of de rente mag worden uitgesloten van aftrek, ongeacht of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden en/of ongeacht of de rente gelijk is aan het marktconforme bedrag:16.
“3. Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1 en/of 2 verschil of de desbetreffende verwerving of uitbreiding van het belang betrekking heeft (a) op een lichaam dat al voorafgaand aan deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam was, dan wel (b) op een lichaam dat pas na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt?”
Prejudiciële antwoord
3.11
Het HvJ heeft de prejudiciële vragen behandeld ter terechtzitting van 15 november 2023. Vervolgens heeft A-G Emiliou een conclusie genomen ter terechtzitting van 14 maart 2024.17.In het daaropvolgende arrest van 4 oktober 202418.heeft het HvJ de prejudiciële vragen samen onderzocht uit het oogpunt van art. 49 VWEU en geherformuleerd.19.Het HvJ verwijst naar dit arrest als Staatssecretaris van Financiën (Intérêts relatifs à un emprunt intragroupe). Gemakshalve verwijs ik in deze conclusie naar dat arrest als X BV.20.
3.12
In X BV verklaart het HvJ voor recht dat art. 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling op grond waarvan bij het bepalen van de winst van een belastingplichtige de aftrek van rente op een leenschuld die is aangegaan met een verbonden lichaam en verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een ander lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam is, volledig wordt geweigerd wanneer deze schuld wordt aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie, zelfs indien die schuld tegen marktconforme voorwaarden is aangegaan en indien die rente niet uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.
4. Reacties van partijen
4.1
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris is in de gelegenheid gesteld te reageren op X BV. Beiden hebben tijdig gereageerd.
4.2
De Staatssecretaris merkt op dat naar het oordeel van het Hof zich een volstrekt kunstmatige constructie voordoet in deze zaak en dat belanghebbende dit oordeel vergeefs heeft bestreden in cassatie. Daarvan uitgaande, meent hij dat X BV voldoende duidelijk maakt dat de rente geheel kan worden uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a Wet Vpb.
4.3
Belanghebbende leidt daarentegen uit X BV af dat de rente alleen kan worden uitgesloten van aftrek op grond daarvan als de leningen moeten worden aangemerkt als onderdeel van een volstrekt kunstmatige constructie en ook dat de Hoge Raad (of het verwijzingshof) moet beoordelen of dit geval zich voordoet. Dat geval doet zich volgens belanghebbende niet voor. Zij meent dat punt 88 van X BV een maatstaf geeft ter beoordeling of een lening moeten worden aangemerkt als onderdeel van zo’n constructie. Deze maatstaf is of de lening elke economische rechtvaardiging ontbeert, en nooit zou zijn aangegaan als tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden en geen belastingvoordeel zou zijn nagestreefd. De leningen voldoen niet aan die maatstaf want een bank heeft aanvankelijk de acquisitie van de NV gefinancierd. Daarmee staat vast dat de leningen ook zouden zijn aangegaan tussen onafhankelijke ondernemingen onder dezelfde voorwaarden en zonder nastreven van enig belastingvoordeel, aldus belanghebbende.
4.4
Diezelfde maatstaf is strenger dan de toets of de middelen die zijn gebruikt ter financiering van een externe acquisitie zijn ‘omgeleid’. Voor zover HR BNB 2023/2 uitgaat van deze toets, meent belanghebbende dat de Hoge Raad niet is gebonden aan dit arrest. In zoverre berust dat arrest namelijk op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De eisen van een goede procesorde brengen met zich dat de rechter bevoegd is een eindbeslissing te heroverwegen als de eindbeslissing blijkt te berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, mits de eindbeslissing niet is vervat in een einduitspraak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. Dit voorkomt dat de rechter een einduitspraak zou doen op een ondeugdelijke grondslag,21.aldus ook belanghebbende.
4.5
Daarnaast doet belanghebbende een beroep op HR BNB 2023/6122.. In dit arrest is beslist dat – kort en goed – in beginsel in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan een schuld die een verbonden lichaam heeft verstrekt aan de belastingplichtige (ook) in het geval dat dit lichaam zodanige financieringsactiviteiten uitvoert dat het daarmee een financiële spilfunctie vervult. Belanghebbende meent dat de feiten van deze zaak geen andere slotsom toelaten dan dat [C] zo’n financiële spilfunctie vervult. Althans, hoe dan ook fungeert [C] niet louter als doorgeefluik. Dit vereist namelijk parallelliteit tussen de leningen aan belanghebbende en enige lening aan [C] , terwijl de leningen zijn verstrekt uit eigen vermogen dat [C] telkens heeft verkregen via een kapitaalstorting door de tussenhoudster, aldus nog steeds belanghebbende.
5. Spilfunctie-arrest23.
5.1
Ik begin met het beroep van belanghebbende op HR BNB 2023/61, dat beter bekend staat als het Spilfunctie-arrest24.. Dit beroep gaat namelijk, inhoudelijk gezien, vooraf aan de vraag of het verenigbaar is met art. 49 VWEU dat de rente geheel wordt uitgesloten van aftrek in gevallen waarin art. 10a(1)(c) Wet Vpb toepassing vindt. Immers, als dat beroep slaagt (of kan slagen), liggen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag aan de leningen van [C] aan belanghebbende. Dan komt de rente daarop alsnog in aftrek op grond van art. 10a(3)(a) Wet Vpb, zodat die vraag niet meer aan bod komt. Ik plaats hierbij wel direct de kanttekening dat de vraag rijst of, procedureel gezien, nog wel toegekomen kan worden aan het beroep op het Spilfunctie-arrest. Ik kom daarop terug in de beschouwing (8.1 e.v.).
Het Spilfunctie-arrest
5.2
Een Zweeds concern wenst een Italiaanse dochter van de beurs te halen. Daartoe ontvangt een in Nederland gevestigde tussenhoudster twee leningen van (inmiddels) de tophoudster, die is gevestigd in Zweden en onder meer de treasury-activiteiten van het concern uitvoert. De tussenhoudster verwerft met de ene lening een deel van de ter beurze verhandelde aandelen, die zij vervolgens inbrengt in een andere Italiaanse dochter. De tussenhoudster gebruikt de andere lening voor een kapitaalstorting in dezelfde Italiaanse dochter, die daarop het andere deel van diezelfde aandelen verwerft. In het Spilfunctie-arrest aanvaardt de Hoge Raad een beginsel en een uitzondering voor het geval dat de belastingplichtige een schuld heeft aan een met hem verbonden lichaam dat een financiële spilfunctie vervult. Het beginsel is dat wordt aangenomen dat aan zo’n schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De uitzondering doet zich voor als dat lichaam louter fungeert als25.een doorgeefluik voor de desbetreffende verschuldigde gelden. Dan geldt niet de aanname dat zo’n schuld – kort gezegd – overwegend zakelijk is:
“3.3.8 Indien het lichaam of het zelfstandige bedrijfsonderdeel daarvan een financiële spilfunctie vervult, moet het in beginsel ervoor worden gehouden dat aan de door hem verstrekte lening en dus aan de daaruit voor de belastingplichtige voortvloeiende schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Dat is anders voor zover het lichaam bij het verstrekken van de lening louter als doorgeefluik van die gelden fungeert. De inspecteur heeft de stelplicht en bewijslast ter zake van deze uitzondering.”
5.3
De Hoge Raad acht redengevend voor dit beginsel dat de wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb voorbeelden van een spilfunctie biedt. In 6.2-6.7 kom ik terug op deze voorbeelden, die ervan uitgaan dat een schuld van de belastingplichtige aan een met hem verbonden lichaam overwegend zakelijk is, als dit lichaam zodanige financieringsactiviteiten uitvoert dat het daarmee een financiële spilfunctie vervult in de groep van met hem verbonden lichamen. Dan past het namelijk bij zo’n spilfunctie dat dit lichaam middelen aantrekt (al dan niet van derden) en leningen verstrekt aan (onder anderen) de belastingplichtige. Daarmee zijn de middelen nog niet omgeleid, ook niet alleen al doordat zij zijn verkregen van een ander met de belastingplichtige verbonden lichaam. Integendeel, zij zullen veelal juist afkomstig zijn van zo’n ander lichaam:
“3.3.5 In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 10a, lid 1, van de Wet zijn voorbeelden gegeven van gevallen waarin de belastingplichtige een schuld als bedoeld in die bepaling is aangegaan bij een met hem verbonden lichaam dat reële financieringsactiviteiten uitvoert en daarbij dus niet louter als doorgeefluik van gelden fungeert. Deze voorbeelden komen erop neer dat aan zo’n schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag kunnen liggen indien de met hem verbonden geldgever over voldoende substance beschikt en met zijn financieringsactiviteiten een actieve financieringsfunctie vervult binnen de groep van met hem in de zin van artikel 10a, lid 4, van de Wet verbonden lichamen (hierna: financiële spilfunctie).8 Het is dan in overeenstemming met het vervullen van zo’n financiële spilfunctie, en daarmee een zakelijke, niet-fiscale overweging, dat dit lichaam middelen van dergelijke groepslichamen en van derden aantrekt en vervolgens uit deze middelen leningen aan andere groepslichamen (zoals de belastingplichtige) verstrekt. Dat geldt ook indien de lening voor de belastingplichtige een schuld vormt als bedoeld in artikel 10a, lid 1, van de Wet.
3.3.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 en 3.3.5 is overwogen, liggen in beginsel aan een schuld in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag als het verbonden lichaam bij wie de belastingplichtige de schuld is aangegaan, zodanige financieringsactiviteiten uitvoert dat het daarmee een financiële spilfunctie vervult. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat gelden zijn omgeleid. Uit hetgeen hiervoor in 3.3.5 is overwogen, volgt dat dit een en ander niet anders wordt door het enkele feit dat het verbonden lichaam de voor die schuld aangewende middelen heeft verkregen van een ander lichaam uit dezelfde groep. Het vervullen van een financiële spilfunctie binnen de groep zal daartoe juist veelal aanleiding geven. Indien het verbonden lichaam een financiële spilfunctie vervult, is het voor een succesvol beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet dan ook niet vereist, en doorgaans ook niet mogelijk, om een verband te leggen tussen de – van tijd tot tijd – uitstaande gelden in de vorm van verstrekte leningen (de actiefzijde van zijn balans) en de – van tijd tot tijd – aangetrokken gelden in de vorm van opgenomen leningen en verkregen deposito’s (de passiefzijde van zijn balans).
8 Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, blz. 7-8 en blz. 17-18, Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b, blz. 4-5, en Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52d, blz. 2-3.”
5.4
In het Spilfunctie-arrest formuleert de Hoge Raad een catalogus aan (cumulatieve) omstandigheden om te bepalen of een lichaam al dan niet een financiële spilfunctie vervult.
“3.3.7 Bij de beoordeling van de vraag of een verbonden lichaam met zijn financieringsactiviteiten een financiële spilfunctie vervult, moeten de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden beschouwd. Centraal daarbij staat dat het lichaam of zelfstandige bedrijfsonderdeel een actieve financieringsfunctie vervult binnen de groep van met hem verbonden lichamen. Voorts geldt dat het desbetreffende lichaam of zelfstandige bedrijfsonderdeel zich in hoofdzaak bezighoudt met het uitvoeren van financiële transacties ten behoeve van tot de groep behorende lichamen, zoals het in- en uitlenen van gelden en het beheren van overtollige groepsmiddelen. Verder zal dat (bedrijfsonderdeel van het) lichaam zelfstandig moeten zijn in de dagelijkse bedrijfsvoering, waaronder het beheer van de uitstaande gelden, en daartoe moeten beschikken over voldoende en deskundig personeel en, als het gaat om een zelfstandig bedrijfsonderdeel, een eigen administratie. Indien dat (bedrijfsonderdeel van het) lichaam gebonden is aan een centraal voor het concern vastgestelde strategie, staat die enkele omstandigheid niet in de weg aan zijn zelfstandigheid.”
5.5
Het Spilfunctie-arrest geeft niet prijs onder welke omstandigheden er sprake is van een lichaam dat een spilfunctie heeft maar louter fungeert als doorgeefluik voor bepaalde gelden. Ook in het latere HR BNB 2024/5226.blijft in het midden welke omstandigheden dat bepalen. Wel bevestigt dit arrest dat de uitzondering niet zozeer ziet op de functie die het lichaam in het algemeen heeft, maar veeleer in het bijzonder ziet op de desbetreffende gelden. Het gaat namelijk blijkens dat arrest erom of het lichaam louter fungeert als doorgeefluik van gelden “met betrekking tot die lening”:
“4.6.5 Opmerking verdient dat het hiervoor in 4.4.6 omschreven geval [waarin doel en strekking van art. 10a(1)(c) Wet Vpb niet worden doorkruist indien aftrek van rente niet wordt geweigerd op grond van deze bepaling, MP] zich onderscheidt van het in (…) [het Spilfunctie-arrest, MP] aan de orde zijnde geval, omdat het (…) niet gaat om een situatie
(i) die onder het bereik van artikel 10a, lid 1, van de Wet valt, en waarin
(ii) de met de belastingplichtige verbonden verstrekker van de lening (in rechtsoverweging 3.3.8 van het hiervoor vermelde arrest: veronderstellenderwijs) een financiële spilfunctie vervult, en
(iii) die leningverstrekker met betrekking tot die lening niet louter als doorgeefluik van gelden fungeert. (…).”
5.6
Het begrip ‘doorgeefluik’ komt nog voor in andere voorbeelden uit de wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb. In 6.8-6.16 bespreek ik deze voorbeelden. Die voorbeelden gaan over de vraag of parallellie bestaat tussen een schuld van de belastingplichtige aan een met hem verbonden lichaam en een schuld van dit lichaam aan een ander lichaam, dat al dan niet met de belastingplichtige is verbonden. Voordat ik opvattingen in de literatuur behandel over het begrip ‘doorgeefluik’ in het Spilfunctie-arrest, ga ik kort in op parallellie, mede omdat een deel van de literatuur betoogt dat een doorgeefluik als bedoeld in het Spilfunctie-arrest ziet op gevallen van parallellie.
Intermezzo: parallellie
5.7
Parallellie betreft de verhouding tussen twee schulden. Parallellie is in twee opzichten van belang voor de toepassing van art. 10a Wet Vpb. Het eerste is dat van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Dit is de vraag of een schuld weliswaar rechtens is verschuldigd aan een verbonden lichaam maar in feite is verschuldigd aan een derde. Zo ja, dan is – althans, naar de opvatting van de Hoge Raad27.– zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling overwegend zakelijk.28.Het tweede opzicht is dat van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. Dat is de vraag of een eventueel compenserende heffing plaatsvindt bij degene aan wie de rente rechtens is verschuldigd, dan wel bij een ander, zoals degene aan wie de rente in feite direct of zelfs indirect is verschuldigd.29.
5.8
Voor het antwoord op beide vragen is van belang of parallellie bestaat tussen de schuld van de belastingplichtige aan een met hem verbonden lichaam en een schuld van dit lichaam aan nog een ander lichaam. Dat vereist een beoordeling van omstandigheden in onderlinge samenhang. De looptijd, het aflossingsschema, de rentevergoeding, de omvang en het tijdstip van aangaan van beide schulden behoren in elk geval tot de in aanmerking te nemen omstandigheden.30.Daartoe behoort niet of zekerheid is gesteld voor voldoening van de schuld van de belastingplichtige.31.
Verschil in opvatting over het begrip ‘doorgeefluik’
5.9
Een aantal annotaties bij het Spilfunctie-arrest acht de voor parallellie geldende omstandighedencatalogus eveneens – of zelfs evenzeer – van belang voor het antwoord op de vraag of een lichaam louter fungeert als doorgeefluik, zodat het beginsel van een financiële spilfunctie niet geldt.32.Anders gezegd, deze annotaties gaan ervan uit dat de uitzondering is beperkt tot gevallen van parallellie tussen een schuld van de belastingplichtige aan een met hem verbonden lichaam en een schuld van dit lichaam. Dat lichaam fungeert louter als doorgeefluik van de verschuldigde gelden (alleen) in zulke gevallen en niet in andere gevallen. Die annotaties trekken dit gevolg uit de voorbeelden in de wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb, waarin het begrip ‘doorgeefluik’ voorkomt. Ik wijs op de annotatie van Ruijschop33., Reijnen34., en De Vries35.. In haar reactie op X BV verwijst belanghebbende naar de annotatie van De Vries,36.die ik daarom citeer:
“(…) [Het beginsel van een financiële spilfunctie, MP] geldt blijkens r.o. 3.3.8, tweede volzin, niet “voor zover het lichaam bij het verstrekken van de lening louter als doorgeefluik van die gelden fungeert.” (…) De uitdrukking ‘voor zover’ impliceert echter, althans in theorie, het volgende: de omstandigheid dat een lichaam (of een zelfstandig bedrijfsonderdeel daarvan) een financiële spilfunctie binnen het concern vervult, staat er niet aan in de weg dat de fiscus stelt en aannemelijk maakt dat dit lichaam (of een zelfstandig bedrijfsonderdeel daarvan) gedeeltelijk geldmiddelen als doorgeefluik ter beschikking heeft gesteld. De fiscus zal dan – gelet op de parlementaire ontstaansgeschiedenis van art. 10a Wet VPB 1969 (vergelijk met name Kamerstukken I 2006/07, 30 572, p. 23) en de bewijslastverdeling die de Hoge Raad volgens het onderhavige arrest voorstaat – moeten bewijzen dat parallelliteit bestaat tussen een bepaalde art. 10a-schuld en enige door de verbonden crediteur opgenomen geldlening. Daarbij zijn de volgende criteria relevant: de looptijd, aflossing, rentevergoeding, omvang en het tijdstip van aangaan van de geldleningen. (…)”
5.10
Terzijde merk ik op dat HR BNB 2024/52 mijns inziens De Vries in zoverre gelijk geeft dat de uitzondering geldt voor het geval dat het lichaam weliswaar een financiële spilfunctie vervult maar niet voor de schuld van de belastingplichtige die valt onder art. 10a(1) Wet Vpb. Het lichaam fungeert – in de woorden van De Vries – gedeeltelijk als doorgeefluik doordat het louter fungeert als zodanig voor die schuld (zie ook 5.5).37.Gemakshalve verwijs ik dan ook in het vervolg van deze conclusie naar: (a) het lichaam dat een financiële spilfunctie vervult als de ‘spil’, en (b) naar de spil die louter fungeert als doorgeefluik voor de schuld die valt onder art. 10a(1) Wet Vpb als het ‘doorgeefluik’.
5.11
Het hoeft geen uitgebreid betoog dat als de doorgeefluik-uitzondering zou zijn beperkt tot gevallen van parallellie, de bewijslast voor de inspecteur zwaar is. Ik memoreer in dit kader dat het Spilfunctie-arrest met zoveel woorden erkent dat het doorgaans niet mogelijk is een verband te leggen tussen de van tijd tot tijd uitstaande en aangetrokken gelden van de spil (zie ook 5.3). Mede daarom vergt de Hoge Raad niet van de belastingplichtige zo’n verband te leggen, indien de belastingplichtige een spil is. Het vergt evenwel van de inspecteur, die de stelplicht heeft en de bewijslast draagt voor de uitzondering van een doorgeefluik (zie 5.2), dat hij wél zo’n verband zou leggen als de uitzondering wordt beperkt tot gevallen van parallellie. Sterker nog, hij zou zelfs moeten stellen en desnoods bewijzen dat een parallel verband bestaat daartussen. Ook volgens De Vries zal de bewijslast voor de inspecteur niet een sinecure blijken als de uitzondering wordt beperkt tot gevallen van parallellie. Wel acht hij het denkbaar dat de inspecteur zou slagen in deze bewijslast (onder meer) als de rente en aflossing op de schuld van de spil contractueel is gekoppeld aan die op de schuld van de belastingplichtige:38.
“(…) Het komt mij voor dat deze bewijslast voor de fiscus bepaald geen sinecure zal blijken te zijn bij lichamen (of zelfstandig bedrijfsonderdelen daarvan) die overigens (nagenoeg) geheel of grotendeels een financiële spilfunctie binnen een concern vervullen. Maar succesvol tegenbewijs door de Belastingdienst acht ik bijvoorbeeld wel denkbaar in de volgende situatie: de rente en aflossing op een door het (actieve) concernfinancieringslichaam opgenomen ‘back-to-back’ lening is contractueel gekoppeld aan het ontvangen van rente en aflossing op de middelen die zijn doorgeleend aan een in Nederland gevestigde groepsmaatschappij ter financiering van een art. 10a-rechtshandeling. Alsdan ‘matchen’ de posities niet alleen financieel maar ook contractueel zodanig dat het concernfinancieringslichaam in zoverre feitelijk niet als de economische eigenaar van die schuldvordering op de Nederlandse groepsmaatschappij kan worden beschouwd. Met dit voorbeeld wil ik overigens niet gezegd hebben dat zich geen andere situaties laten denken waarin een (actieve) concernfinancieringsmaatschappij gedeeltelijk (en louter) als doorgeefluik fungeert.”
5.12
Tegenover de auteurs die ervan uitgaan dat de doorgeefluik-uitzondering betrekking heeft op gevallen van parallellie, staat de annotatie van Boulogne bij het Spilfunctie-arrest. Hij acht om twee redenen een parallellie-invulling van de uitzondering niet logisch:39.
“(…) Wat er ook zij van de exacte invulling van de invulling van ‘parallelliteit’ – diverse arresten gaan hierover – ik acht dat in casu geen logische benadering. In de eerste plaats, omdat indien de verbonden crediteur inleent van een niet met de belastingplichtige verbonden lichaam en sprake is van paralliteit, de spilfunctiebenadering überhaupt niet relevant is: renteaftrek kan in dat geval onmiddellijk met een beroep op parallelliteit worden veiliggesteld. Een presentatie als uitzondering op een toets die niet eens aangelegd hoeft te worden, past daar niet bij. In de tweede plaats verduidelijkt de Hoge Raad dat zowel de herkomst van de uitgeleende gelden als het verband met de ingeleende gelden niet relevant is: bij een spilfunctie gaat het om de rol van de spilfunctie, die maakt dat de verbonden schuld zakelijk is. Dat er een verband zou zijn tussen de door de spil aangetrokken en verstrekte lening, lijkt geen enkele reden om daarop uitzondering te maken, zolang voldaan wordt aan de [vereisten voor een financiële spilfunctie; MP].”
5.13
Als ik het goed begrijp, ziet de eerste reden op het geval dat de spil een parallelle schuld heeft aan een derde, terwijl de tweede reden ziet op het geval dat de spil zo’n schuld heeft aan een lichaam dat evenals de spil is verbonden met de belastingplichtige. Voor het eerste geval meent Boulogne dat de uitzondering zinledig zou worden in het geval van een parallellie-invulling. Immers, in dit geval is de schuld van de belastingplichtige wel rechtens verschuldigd aan de spil maar is zij in feite verschuldigd aan de derde, zodat alsnog zakelijke overwegingen overwegen voor de schuld (en de rechtshandeling; vgl. 5.7). Dan doet het er niet toe of de spil al dan niet een doorgeefluik is. Voor het tweede geval meent Boulogne dat de uitzondering zich niet goed verhoudt tot het Spilfunctie-arrest in het geval van een parallellie-invulling. De Hoge Raad overweegt dat indien sprake is van een financiële spilfunctie, het voor een succesvol beroep op de tegenbewijsregeling niet is vereist een verband te leggen tussen de van tijd tot tijd uitstaande en aangetrokken gelden van de spil (zie 5.3). Ik begrijp de tweede reden van Boulogne aldus dat het daarmee niet strookt een uitzondering te maken voor het geval dat wél een parallel verband daartussen bestaat. Waarom dat daarmee niet zou stroken, is mij overigens niet direct duidelijk. Dat voor de toepassing van de hoofdregel het bedoelde verband niet vereist is, staat niet eraan in de weg dat het voor de uitzondering wel relevant kan zijn of een verband kan worden gelegd tussen de door de spil verstrekte lening en een door de spil opgenomen lening.40.
5.14
Het ligt volgens Boulogne meer voor de hand de doorgeefluik-uitzondering te betrekken op gevallen waarin de spil slechts inleent en doorleent zonder daarbij zelf een actieve functie te vervullen of reëel risico te lopen. Daartoe wijst hij op een voorbeeld uit de wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb, zij het een ander voorbeeld dan De Vries aanhaalde (zie 5.9). Ik citeer:41.
“(…) Meer voor de hand ligt het, wat mij betreft, om onder doorgeefluik te verstaan gevallen waarin het lichaam slechts gelden inleent of doorleent zonder daarbij zelf een actieve functie te vervullen of reëel risico te lopen.5 Zie ook O.C.R. Marres, ‘Het doorgeefluik’, WFR 2007/896.
5 Zie bijvoorbeeld Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52d, p. 3.”
5.15
De bijdrage van Marres waarnaar Boulogne verwijst, is eveneens gebruikt in de monografie van Marres over art. 10a Wet Vpb. Ik citeer uit de monografie, die van recenter datum is:42.
“(…) In fiscalibus wordt de term ‘doorgeefluik’ wel gebruikt voor gevallen waarin een persoon slechts geld of goederen ontvangt en doorbetaalt c.q. levert zonder zelf een actieve functie te vervullen of reëel risico te lopen.167 (…)
167 Zie bijvoorbeeld Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52d, p. 3.”
6. Spilfunctie en doorgeefluik in wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb
6.1
Voor het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest is niet alleen van belang wanneer [C] kan gelden als de spil in de groep van met belanghebbende verbonden lichamen. Daarvoor is tevens van belang onder welke omstandigheden [C] zou (kunnen) gelden als een doorgeefluik voor de leningen aan belanghebbende. Aangezien dat arrest die omstandigheden niet prijsgeeft, ga ik te rade bij de parlementaire voorbeelden over een spilfunctie (zie 6.2-6.7) en die over een doorgeefluik (zie 6.8-6.16).
Parlementaire voorbeelden over een financiële spilfunctie
6.2
In het Spilfunctie-arrest verwijst de Hoge Raad naar vier voorbeelden over een financiële spilfunctie uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot art. 10a Wet Vpb (zie 5.3). De eerste twee voorbeelden gaan over art. 10a(1) Wet Vpb zoals het gold tot 1 januari 2007. Tot deze datum weigerde de eerste volzin van die bepaling aftrek van rente op – kort gezegd – een schuldig gebleven winstuitdeling, kapitaalteruggaaf of -storting door de belastingplichtige aan de rechthebbende, terwijl de tweede volzin rente daarop in aftrek toeliet als in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag lagen aan de schuldigerkenning.43.Ik acht deze voorbeelden thans minder van belang want zij drukken slechts uit dat zakelijke overwegingen (kunnen) overwegen voor de schuldigerkenning als de belastingplichtige zodanige reële financieringsactiviteiten uitvoert,44.althans een zodanig actieve financieringsfunctie heeft,45.dat zij daarmee een spilfunctie vervult. Die voorbeelden drukken dus niet uit hoe het geval dat de belastingplichtige zo’n functie vervult, zich verhoudt tot het geval dat zij met betrekking tot een bepaalde lening louter fungeert als doorgeefluik.
6.3
De andere twee voorbeelden gaan over art. 10a(2)(c) Wet Vpb zoals het gold tot 1 januari 2007. Destijds weigerde deze bepaling aftrek van rente op – kort gezegd – een geldlening in verband met een kapitaalstorting of een andere aanwending van vermogen door de belastingplichtige of door een met hem verbonden lichaam ten behoeve van degene die de geldlening verstrekte. Een voorbeeld van zo’n aanwending van vermogen is een uitdeling van dividend door de belastingplichtige.46.Zo viel onder die bepaling onder meer het geval waarin een Nederlandse tussenhoudster een dividend ontvangt van een dochter en (door)uitdeelt aan een moeder, terwijl de tussenhoudster een lening ontvangt van de moeder en een lening (door)verstrekt aan de dochter.
6.4
Dit geval brengt mij bij art. 10a(3)(a) Wet Vpb zoals het gold tot 1 januari 2007. Volgens deze bepaling kwam rente alsnog in aftrek als in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de geldlening en de daarmee verband houdende rechtshandeling. In dat geval kunnen zakelijke overwegingen overwegen voor de geldlening en de uitdeling als de tussenhoudster een zodanig actieve financieringsfunctie heeft dat zij aldus een spilfunctie vervult. Dit volgt uit de memorie van antwoord bij de behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel in de Eerste Kamer (waarbij ik opmerk dat, naar ik begrijp gelet op de context, met “in een dergelijke situatie” wordt bedoeld het geval waarin de tussenhoudster een dividend ontvangt en (door)uitdeelt aan de moeder voordat zij dezelfde gelden leent van de moeder):47.
“Overigens wijs ik erop dat de tegenbewijsregeling van toepassing is wanneer aan het complex van de rechtshandelingen in overwegende mate zakelijke motieven ten grondslag liggen. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het nader verslag heb aangegeven kunnen in een dergelijke situatie zich zakelijke motieven voordoen wanneer deze Nederlandse tussenhoudster een actieve financieringsfunctie vervult ten behoeve van de in het buitenland gevestigde dochtermaatschappijen.”
6.5
In de daaropvolgende nota naar aanleiding van het verslag gaat de regering andermaal in op hetzelfde geval. Ditmaal merkt de regering op dat zakelijke overwegingen missen in dat geval omdat de belastingplichtige slechts fungeert als een doorgeefluik en niet een actieve financieringsfunctie vervult. Vervolgens plaatst de regering dat geval tegenover het geval dat de belastingplichtige een (financiële) spilfunctie vervult:48.
“De genoemde leden zijn met betrekking tot het voorgestelde artikel 10a, tweede lid, onderdeel c, nog steeds van mening dat er geen sprake is van een uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag in de situatie dat een Nederlandse tussenhoudster van haar buitenlandse moeder geleende gelden aan haar buitenlandse dochter uitleent, ook niet indien deze gelden eerst als dividend van de buitenlandse deelneming zijn ontvangen en vervolgens aan de moeder zijn uitgekeerd. (…) Door onverkorte toepassing van artikel 10a zou een belangrijke functie van de Nederlandse tussenhoudster onmogelijk worden gemaakt. Deze leden vragen of dit niet een verslechtering van het Nederlandse vestigingsklimaat zal betekenen.
In de door deze leden beschreven situatie waarin de Nederlandse «tussenhoudster» slechts als doorgeefluik fungeert en geen actieve financieringsfunctie vervult, zie ik op de voorhand geen zakelijke motieven. Gezien de aard van de activiteiten, het louter fungeren als doorgeefluik van papieren, zal artikel 10a geen negatieve invloed hebben op het Nederlands vestigingsklimaat. Zoals ik in de memorie van antwoord heb aangegeven zal in de situatie dat de Nederlandse tussenhoudster een spilfunctie vervult binnen het concern, en ook over voldoende «substance» beschikt, en daardoor de Nederlandse tussenhoudster een actieve functie vervult het aannemelijk maken van de zakelijke motieven niet tot problemen leiden.”
6.6
Voor één en hetzelfde geval, waarin de belastingplichtige gelden in- en doorleent uit een dividend, is de regering dus van opvatting dat zakelijke overwegingen kunnen overwegen –in geval van een financiële spilfunctie – en ook dat zulke overwegingen toch niet overwegen – in geval van een doorgeefluik. Deze schijnbare tegenstelling bevestigt mijns inziens dat de regel ziet op de functie die het lichaam in het algemeen vervult doordat het gelden aantrekt en wegzet binnen de groep (vgl. 5.5). Als het lichaam een financiële spilfunctie vervult, heeft het zo’n functie niet alleen voor de schuld die valt onder art. 10a Wet Vpb maar ook voor andere schulden. En als zo’n functie mist, mist zij voor welke schuld dan ook, ongeacht of die valt onder art. 10a Wet Vpb of niet. Die schijnbare tegenstelling bevestigt mijns inziens eveneens dat de uitzondering in het bijzonder ziet op de schuld die wél daaronder valt (vgl. 5.10). Ter zake daarvan fungeert het lichaam al dan niet louter als doorgeefluik. Zo ja, dan overwegen zakelijke overwegingen níet, ook al vervult het een financiële spilfunctie voor andere schulden. Zo niet, dan overwegen zij wél doordat het lichaam zo’n functie vervult, ook voor de schuld die valt onder art. 10a Wet Vpb.
6.7
Ook die parlementaire voorbeelden leren mij nog niet welke omstandigheden bepalen of de spil met betrekking tot een bepaalde lening louter fungeert als een doorgeefluik (of niet). Ik ga dan ook te rade bij voorbeelden over een doorgeefluik uit de parlementaire behandeling van het ontwerp van de Wet werken aan winst, waarbij art. 10a Wet Vpb is gewijzigd.
Parlementaire voorbeelden over een doorgeefluik
6.8
De Wet werken aan winst heeft geleid tot een aantal wijzigingen van art. 10a Wet Vpb met ingang van 1 januari 2007. Zo is art. 10a(1) Wet Vpb onder meer gewijzigd in die zin dat de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam daaronder valt als het lichaam is verbonden met de belastingplichtige na deze verwerving of uitbreiding.49.Daaronder valt de interne verhanging, waarbij het lichaam al met haar is verbonden vóór de verwerving of uitbreiding. Evenzo valt daaronder de externe acquisitie, waarbij het lichaam pas met haar is verbonden ná (en door) de verwerving of uitbreiding. Tot 1 januari 2007 zag art. 10a Wet Vpb wél op interne verhangingen, maar níet op externe acquisities.50.
6.9
Zo ook is het oude art. 10a(2)(c) Wet Vpb in gewijzigde vorm overgebracht naar het huidige art. 10a(1)(a) Wet Vpb.51.Die laatste bepaling ziet op een winstuitdeling of kapitaalteruggaaf door de belastingplichtige of door een met hem verbonden vennootschapsbelastingplichtig lichaam, telkens aan een met hem verbonden lichaam. Het oude art. 10a(2)(c) Wet Vpb was enerzijds ruimer doordat het niet alleen zag op een winstuitdeling of kapitaalteruggaaf, maar ook op elke andere vorm van aanwending van vermogen (zie 6.3). Het was anderzijds beperkter. Het zag namelijk op een aanwending van vermogen ten behoeve van het lichaam dat de geldlening verstrekte aan de belastingplichtige. Het huidige art. 10a(1)(a) Wet Vpb ziet evenwel op een winstuitdeling of kapitaalteruggaaf aan enig met de belastingplichtige verbonden lichaam. Dit kan het lichaam zijn dat de schuld verstrekt aan de belastingplichtige. Het kan ook een ander lichaam zijn.52.
6.10
Aangezien art. 10a(1)(a) Wet Vpb is verruimd tot een winstuitdeling of kapitaalteruggaaf door een verbonden lichaam aan een ander verbonden lichaam, kan de bepaling van toepassing zijn als de belastingplichtige ‘slechts’ een lening ontvangt van nog een ander verbonden lichaam en een lening (door)verstrekt voor zo’n uitdeling of teruggaaf. Ook dan lijkt deze bepaling aftrek van rente bij de belastingplichtige uit te sluiten, mits haar schuld aan het ene verbonden lichaam (in feite indirect) verband houdt met de uitdeling of teruggaaf door het andere verbonden lichaam aan nog een derde verbonden lichaam.53.Dit is van belang voor het eerste parlementaire voorbeeld over een doorgeefluik.
6.11
In dit voorbeeld ontvangt de belastingplichtige een lening van een verbonden lichaam, dat is gevestigd op (één van) de Antillen, en verstrekt zij een lening aan een ander verbonden lichaam, dat is gevestigd in Nederland en met de geleende gelden een dividend uitdeelt aan nog een ander groepslichaam. De vraag is of art. 10a Wet Vpb toepassing vindt op de rente die de belastingplichtige betaalt aan het Antilliaanse lichaam. Dat is niet het geval, aldus de regering, omdat de belastingplichtige fungeert als doorgeefluik:54.
“De leden van de fractie van het CDA vragen of het aangepaste artikel 10a ook van toepassing kan zijn op de rente die belastingplichtige betaalt aan een verbonden Antilliaanse vennootschap C NV voor een opgenomen lening ter financiering van een lening aan een verbonden Nederlands lichaam A BV, dat met die lening een dividend aan een andere groepsmaatschappij financiert.
Het door A BV uitgekeerde dividend is indirect gefinancierd met een schuld aan C NV. Ervan uitgaande dat A BV ook met C NV is verbonden, is behoudens het tegenbewijs van het derde lid artikel 10a van toepassing op de rente die A BV aan belastingplichtige betaalt. Belastingplichtige fungeert ten aanzien van de financiering als doorgeefluik. De rente die hij betaalt, valt niet onder de reikwijdte van 10a.”
6.12
Dat voorbeeld is mijns inziens niet van belang voor een beroep op het Spilfunctie-arrest. Het gaat niet over art. 10a(3)(a) Wet Vpb want het gaat niet over de vraag of zakelijke overwegingen overwegen voor de schuld en/of de daarmee verband houdende rechtshandeling. Dat voorbeeld gaat over de reikwijdte van art. 10a(1)(a) Wet Vpb. Immers, de regering is van opvatting dat dit artikellid in aanmerking komt voor toepassing, zij het niet op de rente die de belastingplichtige betaalt maar op de rente die het Nederlandse lichaam betaalt dat het dividend uitdeelt – telkens omdat de belastingplichtige een doorgeefluik is. In dezelfde nota naar aanleiding van het verslag verwijst de regering trouwens andermaal naar een doorgeefluik.55.Ditmaal gaat de regering in op de compenserende heffing, die is geregeld in art. 10a(3)(b) Wet Vpb. Ook dat voorbeeld is mijns inziens niet van belang voor een beroep op het Spilfunctie-arrest want het gaat over die bepaling en niet over art. 10a(3)(a) Wet Vpb.
6.13
Het in 6.11 vermelde voorbeeld komt nogmaals ter sprake in de memorie van antwoord tijdens de behandeling in de Eerste Kamer. Dit is naar aanleiding van de vraag wanneer de belastingplichtige fungeert als een doorgeefluik. Dat doet zij, aldus de regering, als de lening aan het Nederlands lichaam parallel is aan die van het Antilliaanse lichaam. Het komt dan aan op de looptijd, aflossing, rente, omvang en het tijdstip van aangaan van beide leningen:56.
“De leden van de CDA-fractie merken op dat in de nota naar aanleiding van het verslag op pagina 80 een voorbeeld wordt gegeven inzake een schuldig gebleven dividend waarbij rente wordt betaald aan een verbonden Antilliaanse vennootschap C NV. Artikel 10a is in dit voorbeeld niet van toepassing op de belastingplichtige omdat deze fungeert als «doorgeefluik». Kan worden aangegeven wanneer sprake is van een vennootschap die fungeert als «doorgeefluik»?
Een vennootschap fungeert als doorgeefluik wanneer sprake is van parallelliteit van een opgenomen respectievelijk een verstrekte lening. Of daarvan sprake is wordt voornamelijk beoordeeld aan de hand van de looptijd, aflossing, rentevergoeding, omvang en het tijdstip van aangaan van de leningen.”
6.14
Aangezien deze vraag verwijst naar het in 6.11 aangehaalde voorbeeld, bouwt de vraag voort op dat voorbeeld en gaat zij dus niet over art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Het betekent ook dat het antwoord op diezelfde vraag net zo min daarover gaat.
6.15
Dit wordt mijns inziens niet anders doordat de regering in algemene bewoordingen antwoordt wanneer een vennootschap fungeert als een doorgeefluik. Haar algemene bewoordingen nemen namelijk niet weg dat: (a) het parlement heeft gevraagd of art. 10a Wet Vpb van toepassing kan zijn jegens de belastingplichtige die in- en uitleent voor de uitdeling van een dividend door een ander verbonden lichaam, en (b) de regering daarop heeft geantwoord dat de rente die de belastingplichtige betaalt, niet valt onder de reikwijdte van deze bepaling (zie 6.11). Zij nemen evenmin weg dat het parlement niet afstand neemt van de opvatting van de regering dat de rente niet daaronder valt. Integendeel, het parlement verenigt zich daarmee, doordat het expliciet verwijst naar deze opvatting bij de vervolgvraag wanneer de belastingplichtige fungeert als een doorgeefluik (zie 6.13). Het zou voorbijgaan aan deze context om het daaropvolgende antwoord van de regering ruimer te verstaan, slechts omdat dit antwoord is vervat in algemene bewoordingen. Het is een open deur, maar de rechter die op zoek is naar de bedoeling waarmee de wetgever een wettelijke bepaling heeft ingevoerd of gewijzigd, kan niet de context veronachtzamen waarin het parlement een vraag stelt en de regering daarop antwoordt tijdens de behandeling van het desbetreffende wetsontwerp.
6.16
Overigens verwijst het Spilfunctie-arrest niet naar enig voorbeeld uit de wetsgeschiedenis van de wijziging van art. 10a Wet Vpb bij de Wet werken aan winst. Het verwijst slechts naar voorbeelden uit die van de invoering van art. 10a Wet Vpb (zie 5.3).
7. De rechtspraak van de Hoge Raad over art. 10a Wet Vpb wat betreft de norm voor uitlegging daarvan
7.1
De vraag welke omstandigheden bepalen of de spil louter fungeert als doorgeefluik voor de schuld die valt onder art. 10a(1) Wet Vpb, is een vraag naar de uitleg van die bepaling. Voor de uitleg daarvan heeft HR BNB 2015/16557.– ook wel: het Mauritius-arrest58.– een algemene norm geformuleerd. Ten behoeve van het onderzoek naar de overwegingen voor een schuld en een daarmee verband houdende externe acquisitie memoreert de Hoge Raad dat in het systeem van de Wet Vpb ligt besloten dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de vorm van financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt. Voorts preciseert hij dat art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb een inbreuk vormen op dat systeem doordat deze bepalingen aftrek van rente uitsluiten. Dit brengt de Hoge Raad tot een algemene norm voor de uitleg van die bepalingen: een beperkte uitleg daarvan, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden. Ik citeer:
“3.1.3. Bij het onderzoek naar de beweegredenen [voor de concrete aan de orde zijnde verwerving en het daartoe aangaan van een schuld, MP] is van belang dat in het systeem van de Wet besloten ligt dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de vorm van financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt (…). Voor zover artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, in samenhang gelezen met artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente een inbreuk vormt op deze systematiek moeten deze bepalingen, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden, beperkt worden uitgelegd. (…)”
7.2
In het Mauritius-arrest past de Hoge Raad de algemene norm toe op een voorbeeld uit de memorie van antwoord bij de wet Werken aan winst. Het voorbeeld ziet op het geval dat een Nederlandse vennootschap een externe acquisitie verricht nadat zij een geldlening heeft ontvangen van een buitenlandse groepsvennootschap waarvoor geen eigen vermogen is onttrokken aan het Nederlandse deel van de groep. De vraag aan de regering is of in dat geval zakelijke overwegingen overwegen voor de geldlening. Zij antwoordt – ik parafraseer – van wel, mits de buitenlandse groepsvennootschap het eigen vermogen dat is aangewend voor de geldlening, niet heeft verkregen met het oog op de externe acquisitie.59.Gelet op dat voorbeeld, legt de Hoge Raad art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb uit in die zin dat in beginsel zakelijke overwegingen overwegen voor de schuld als de voor de acquisitie aangewende middelen niet zijn omgeleid. Het ligt dan in de keuzevrijheid van de belastingplichtige besloten dat de wetgever mogelijk fiscale overwegingen voor de schuld heeft aanvaard.60.
7.3
In latere arresten heeft de Hoge Raad herhaald dat bepalingen van art. 10a Wet Vpb beperkt moeten worden uitgelegd, mede gelet op de wetsgeschiedenis en op de daarin gebruikte voorbeelden. Zo heeft hij in HR BNB 2017/15661.beslist dat de wetgever niet heeft beoogd aftrek van rente te weigeren als de schuld feitelijk is verschuldigd aan een derde. Dan overwegen zakelijke overwegingen voor de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling.62.Dit berust op een beperkte uitleg van art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb en op enkele voorbeelden uit de wetsgeschiedenis ervan (zie 5.7).63.
7.4
Zo ook heeft hij in HR BNB 2022/11364.beslist dat middelen die zijn aangewend voor een externe acquisitie, niet zijn omgeleid als de belastingplichtige de schuld is aangegaan bij een met hem verbonden lichaam dat de middelen heeft verkregen van een lichaam dat weliswaar niet is verbonden met de belastingplichtige maar wel een belang heeft in hem of anderszins is gelieerd aan hem.65.Deze beslissing berust op twee redenen. De eerste is dat parlementaire voorbeelden over zo’n omleiding zien op gevallen waarin middelen zijn verkregen van een lichaam uit hetzelfde concern of dezelfde groep als de belastingplichtige, terwijl niet blijkt wanneer een lichaam behoort tot datzelfde concern of diezelfde groep (of niet).66.De tweede reden is dat een wetssystematische uitleg met zich brengt dat een omleiding wordt beperkt tot gevallen waarin middelen zijn verkregen van een met de belastingplichtige verbonden lichaam. Een andere uitleg acht de Hoge Raad onverenigbaar met een beperkte uitleg van art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb.67.
7.5
Voor deze zaak is ook relevant dat die beperkte uitleg niet onverkort geldt. Dit is mijns inziens relevant voor de vraag welke omstandigheden bepalen of de spil louter fungeert als doorgeefluik voor de schuld (of niet). De Hoge Raad heeft niet willen aanvaarden dat bepalingen van art. 10a Wet Vpb zó beperkt worden uitgelegd dat hun toepassing zeer eenvoudig zou zijn te ontgaan. Wederom wijs ik op het Mauritius-arrest, waarin de Hoge Raad nagaat wiens overwegingen van belang zijn voor de toepassing van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Het kan naar zijn oordeel niet de bedoeling van deze tegenbewijsregeling zijn dat uitsluitend de overwegingen van de belastingplichtige ertoe doen want dan zou de aftrekuitsluiting zeer eenvoudig zijn te ontgaan:68.
“3.1.2. In artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet wordt niet omschreven wiens overwegingen in de beschouwing moeten worden betrokken. Indien het uitsluitend zou gaan om de beweegredenen van de belastingplichtige die de lening is aangegaan, zou toepassing van de regel van artikel 10a, lid 1, van de Wet zeer eenvoudig te ontgaan zijn. Als op concernniveau besloten zou worden dat aan de belastingplichtige de benodigde middelen alleen verstrekt zullen worden door middel van een lening verstrekt door een bepaalde andere concernmaatschappij, zou de belastingplichtige eenvoudig kunnen volhouden dat haar geen andere weg openstond dan in te gaan op het aanbod van die andere concernmaatschappij. Andere financieringsvormen zouden dan op concernniveau geblokkeerd zijn. Dit kan niet de bedoeling van de wettelijke regeling zijn. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat in het kader van toepassing van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet de beweegredenen van alle betrokkenen bij de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in aanmerking worden genomen.”
8. Beschouwing in verband met het beroep op het Spilfunctie-arrest
Voorvraag: kan het beroep op het Spilfunctie-arrest nog wel aan de orde komen?
8.1
Deze voorvraag rijst omdat in HR BNB 2023/2 (hierna ook: het tussenarrest) alle middelen zijn verworpen, met uitzondering van middel V en middel III voor zover zij inhouden dat het Unierecht zich in een geval als dit verzet tegen beperking van de renteaftrek op grond van art. 10a Wet Vpb. Met andere woorden: na dat arrest is verder uitgangspunt in cassatie dat de onderhavige rente is uitgesloten van aftrek op grond van art. 10a Wet Vpb en staat alleen nog open of art. 49 VWEU zich daartegen verzet (zie 3.2-3.6). Vanuit deze optiek is de vraag of belanghebbende met succes een beroep op het Spilfunctie-arrest kan doen, een gepasseerd station.
8.2
Het is dan ook niet vreemd dat de Staatssecretaris in zijn reactie zich ertoe beperkt wat het prejudiciële antwoord van het Hof van Justitie betekent voor het openstaande geschilpunt of art. 49 VWEU zich in dit geval tegen beperking van de renteaftrek verzet (zie 4.2).
8.3
Tegelijkertijd is het begrijpelijk dat belanghebbende in haar reactie de Hoge Raad tracht ertoe te verleiden om in het kader van de beoordeling van de zaak na het prejudiciële antwoord opnieuw te bezien of renteaftrek wel naar nationaal recht geweigerd kan worden gelet op het Spilfunctie-arrest. Dat is begrijpelijk omdat het Spilfunctie-arrest is gewezen ná het tussenarrest en – ik kom daarop nog terug (8.9-8.10) – [C] ogenschijnlijk een financiële spilfunctie vervult als bedoeld in het Spilfunctie-arrest.69.
8.4
Gelet op de toepassing van art. 81 Wet RO, geeft het tussenarrest niet prijs (i) óf de Hoge Raad de middelen van belanghebbende mede heeft beoordeeld in het licht van de spilfunctie-leer, en, zo dat wel het geval is, (ii) wat de reden is dat het middel op dat punt niet tot cassatie heeft kunnen leiden. In theorie lijken er vier mogelijkheden te zijn. De eerste twee impliceren dat de Hoge Raad de middelen van belanghebbende niet heeft beoordeeld in het licht van de spilfunctie-leer. De laatste twee impliceren dat de Hoge Raad dat wel heeft gedaan:
1) Het recht had zich, wat betreft de uitleg van art. 10a Wet Vpb, ten tijde van het tussenarrest nog niet zover ontwikkeld dat de spilfunctie-leer reeds gold;70.
2) De spilfunctie-leer gold wel reeds maar belanghebbende heeft eerder in cassatie niet een klacht naar voren gebracht die de Hoge Raad heeft opgevat als een beroep op de spilfunctie-hoofdregel;
3) Belanghebbende heeft in cassatie wel zo’n klacht naar voren gebracht, maar de Hoge Raad heeft de spilfunctie-hoofdregel niet van toepassing geacht, omdat [C] geen spil is;
4) De Hoge Raad is – al dan niet veronderstellenderwijs – wel ervan uitgegaan dat [C] een spil is, maar heeft de doorgeefluik-uitzondering van toepassing geacht.
8.5
Als de verwerping van de middelen te maken heeft met mogelijkheid 3) of met mogelijkheid 4), dan is er voor de Hoge Raad strikt genomen geen aanleiding om na het prejudiciële antwoord in te gaan op het beroep op het Spilfunctie-arrest. Wel kan dan worden afgevraagd of dan niet in het tussenarrest op oneigenlijke wijze toepassing is gegeven aan art. 81 RO.
8.6
Als daarentegen het in stand blijven van het oordeel van het Hof over het van toepassing zijn van art. 10a Wet Vpb te maken heeft met mogelijkheid 1) of mogelijkheid 2), dan lijkt mij het prejudiciële antwoord voldoende aanknopingspunten te bieden om te onderzoeken of belanghebbende met vrucht een beroep kan doen op het Spilfunctie-arrest. Immers, als dat het geval is, dan lijkt me dat de leningen van [C] aan belanghebbende niet kunnen worden aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie als bedoeld in de verklaring voor recht van het HvJ.
8.7
Gelet op dit laatste en omdat ik niet weet wat verscholen ligt achter de toepassing van art. 81 Wet RO, ga ik in op het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest.71.Ik plaats daarbij direct de kanttekening dat er een niet onaanzienlijke kans is dat dit overbodig is uit oogpunt van voorlichting aan de Hoge Raad. Mogelijkheid 1) en mogelijkheid 2) lijken namelijk weinig plausibel. Mogelijkheid 2) is weinig plausibel omdat middel III naar mij voorkomt wel een klacht bevat die zou moeten worden begrepen als een beroep op de spilfunctie-hoofdregel (vgl. 3.4). Mogelijkheid 1) is weinig plausibel, ten eerste in theoretisch opzicht, omdat de spilfunctie-leer is gebaseerd op de totstandkomingsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb en dus in wezen altijd al heeft gegolden, dus ook reeds ten tijde van het tussenarrest, zij het dat de leer toen nog niet was geopenbaard door de Hoge Raad. Daarbij komt – ten tweede – nog de korte tijdspanne tussen het tussenarrest en het Spilfunctie-arrest.
8.8
Twee vragen zijn van belang voor het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest. De eerste is of [C] zodanige financieringsactiviteiten uitvoert in de groep van lichamen die zijn verbonden met belanghebbende, dat het daarmee een financiële spilfunctie vervult. Ik start met die vraag.
Financiële spilfunctie?
8.9
Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat: (a) [C] een gemiddeld aantal van 36 personen in dienst had en een eigen vermogen van meer dan € 3,5 miljard had in 2000, (b) zowel dit aantal als dat bedrag is toegenomen vanaf 2000 tot en met 2007, (c) [C] een gemiddeld aantal van 375 personen in dienst had en een eigen vermogen van circa € 20 miljard had in 2008, en (d) [C] leningen verstrekte tot een bedrag van meer dan € 19 miljard in 2008 (zie rov. 2.6 Hof; zie ook 2.3). Daarbij komt dat [C] een ‘coördinatiecentrum’ was tot en met 2010 (zie rov. 2.3 Hof; zie ook 2.2). Tot en met 2010 is dus een gunstige regeling toegepast op [C] voor de heffing van Belgische belasting over winsten die het behaalt met activiteiten die het uitsluitend mag uitoefenen voor leden van dezelfde groep, zoals het in- en uitlenen van gelden.72.
8.10
Die feiten laten mijns inziens geen andere gevolgtrekking toe dan dat [C] zodanige financieringsactiviteiten uitvoert dat het daarmee een financiële spilfunctie vervult. Het aantal werkzame personen, de omvang van het eigen vermogen en het nominale bedrag aan uitstaande leningen impliceren dat [C] een actieve financieringsfunctie vervult. Ze impliceren eveneens dat [C] zich in hoofdzaak bezighoudt met het in- en uitlenen van gelden, het beheren van overtollige groepsmiddelen en het uitvoeren van andere financiële transacties.73.Ze impliceren evengoed dat [C] beschikt over voldoende en deskundig personeel, een eigen administratie voert en daarmee zelfstandig is in het beheer van de uitstaande gelden en andere aspecten van de dagelijkse bedrijfsvoering (zie 5.4).74.Dit een en ander geldt denkelijk niet alleen voor de groep van lichamen die zijn verbonden met belanghebbende, maar ook voor andere lichamen die worden gerekend tot hetzelfde concern als de tussenhoudster en/of de houdster. Het kan in het midden blijven of [C] is gebonden aan een strategie die de tussenhoudster en/of de houdster vaststelt voor het concern. Zo’n strategie neemt namelijk niet zonder meer weg dat [C] zelfstandig is in de dagelijkse bedrijfsvoering (zie 5.4).
8.11
De oplettende lezer met kennis van de uitspraak van het Hof, zal zich op dit punt afvragen hoe dit een en ander zich verhoudt tot het ogenschijnlijk andersluidende oordeel van het Hof, namelijk dat “[b]elanghebbende (…) niet aannemelijk [heeft] gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern” (rov. 4.9). Ik kom daarop terug in 8.19, maar ik merk nu reeds op dat ik meen dat het oordeel net wat anders moet worden opgevat dan de geciteerde passage op zichzelf bezien lijkt mee te brengen.
Doorgeefluik?
8.12
Dit brengt mij bij de tweede vraag. Deze vraag is of [C] louter fungeert als doorgeefluik – in de woorden van het Spilfunctie-arrest (zie 5.2) – bij het verstrekken van de leningen aan belanghebbende dan wel – in die van HR BNB 2024/52 (zie 5.5) – met betrekking tot die leningen. Zo ja, dan wordt niet aangenomen dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen daaraan.
8.13
Belanghebbende is van opvatting dat parallellie tussen de schuld van de belastingplichtige aan de spil en enige schuld van de spil is vereist voor de uitzondering van een doorgeefluik.75.Daarmee bevindt zij zich in het gezelschap van Reijnen, Ruijschop en De Vries (zie 5.9).
8.14
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat uitgangspunt voor de uitleg van art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb is dat deze bepalingen beperkt worden uitgelegd (zie 7.1-7.4). Dit pleit voor een enge invulling van de doorgeefluik-uitzondering. De opvatting dat parallellie is vereist, zou daarmee in overeenstemming zijn. Toch meen ik dat die opvatting niet moet worden aanvaard. Ik licht dat toe als volgt.
8.15
Ten eerste, belanghebbende doet haar opvatting steunen op de memorie van antwoord bij de wet Werken aan winst. Althans, zij verwijst naar De Vries, die weer verwijst daarnaar (zie 5.9). Het gaat om het voorbeeld dat de belastingplichtige in- en doorleent ter financiering van een winstuitdeling door een met hem verbonden lichaam. Dit voorbeeld is weliswaar gebruikt in de wetsgeschiedenis van art. 10a Wet Vpb (zie 6.11 en 6.13), maar ik meen dat het niet van belang is voor het antwoord op de vraag of de spil louter fungeert als doorgeefluik. Dat voorbeeld gaat namelijk niet over die vraag maar over het bereik van art. 10a(1)(a) Wet Vpb, dat volgens de regering toepassing mist op een doorgeefluik. Dat voorbeeld maakt dus niet deel uit van de wetsgeschiedenis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb (zie 6.12). Het is niet anders voor het daaropvolgende antwoord van de regering dat zo’n doorgeefluik zich voordoet in gevallen van parallellie (zie 6.14). Het wordt evenmin anders doordat dit antwoord is vervat in algemene termen (zie 6.15). Overigens verwijst het Spilfunctie-arrest naar noch de nota naar aanleiding van het verslag noch de memorie van antwoord bij de wet Werken aan winst, waarin datzelfde voorbeeld is gebruikt (zie 6.16). Dit is denkelijk om dezelfde reden.
8.16
Ten tweede, hoewel het samenstel van art. 10a(1)(c) en art. 10a(3)(a) Wet Vpb beperkt moet worden uitgelegd, kan dit samenstel niet zodanig beperkt worden uitgelegd dat toepassing van de uitzondering van een doorgeefluik zeer eenvoudig zou zijn te ontgaan (vgl. 7.5). Ik meen dat de opvatting van belanghebbende zou leiden tot een zodanig (te) beperkte uitleg. Haar opvatting betekent dat de uitzondering zinledig zou zijn in het geval dat de schuld van de belastingplichtige aan de spil parallel is aan een schuld van de spil aan een derde, die niet is verbonden met de belastingplichtige, zoals Boulogne opmerkt (zie 5.12-5.13). Haar opvatting betekent ook dat de uitzondering (zeer) eenvoudig zou zijn te ontgaan als de schuld van de belastingplichtige aan de spil parallel is aan een schuld van de spil aan een met hem verbonden lichaam. Het voorbeeld van De Vries is mijns inziens illustratief (zie 5.11). Als ik met De Vries aanneem dat de uitzondering zich dan (in elk geval) zou voordoen als rente en aflossing op beide schulden contractueel zijn gekoppeld, zou men eenvoudig kunnen besluiten rente en aflossing op de schuld van de belastingplichtige aan het ene met hem verbonden lichaam (de spil) niet te koppelen aan die op de schuld van de spil aan het andere met hem verbonden lichaam. Dit kan doordat de spil weliswaar een schuld aangaat bij dit andere lichaam maar zonder contractuele koppeling. Het kan ook doordat het andere lichaam niet een schuld verstrekt aan de spil maar bijvoorbeeld een kapitaalstorting of een winstuitdeling verricht, al naargelang van het geval. Het kan mijns inziens niet de bedoeling van de wettelijke regeling zijn dat zij zó eenvoudig zou zijn te ontgaan (vgl. 7.5).
8.17
Om deze redenen meen ik dat de uitzondering niet is beperkt tot gevallen waarin de schuld van de belastingplichtige aan de spil parallel is aan een schuld van de spil. Daarentegen meen ik dat deze uitzondering zich uitstrekt tot gevallen waarin een actieve functie van de spil ontbreekt ter zake van de schuld van de belastingplichtige. Daarmee bevind ik mij in het gezelschap van Boulogne en Marres (zie 5.14 en 5.15). Beiden verwijzen naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot art. 10a Wet Vpb (zie 6.5). Dit voorbeeld maakt mijns inziens wél deel uit van de wetsgeschiedenis van art. 10a(3)(a) Wet Vpb want het gaat juist over de vraag of (destijds) de belastingplichtige al dan niet een financiële spilfunctie vervult (zie 6.4-6.5). Het is denkelijk wederom om dezelfde reden dat het Spilfunctie-arrest wél verwijst naar dat voorbeeld (zie 5.3).
8.18
Een vervolgvraag is of de doorgeefluik-uitzondering alleen aan de orde kan zijn bij een verstrekte lening waarvoor de spil de middelen heeft ingeleend, dus korter gezegd bij doorleensituaties. Het is mij niet geheel duidelijk of Boulogne en Marres (5.14 en 5.15) daarvan uitgaan. Hoe dan ook, ik meen dat de doorgeefluik-uitzondering niet zou moeten worden beperkt tot doorleensituaties (waarbij een actieve functie van de spil ontbreekt). Ik ben van opvatting dat de doorgeefluik-uitzondering ook aan de orde kan zijn in het geval de spil de middelen voor de verstrekte lening via een kapitaalstorting heeft verkregen. Ik hintte daar al op in 8.16, slot. Anders zou de regeling van art. 10a Wet Vpb te eenvoudig te zijn ontgaan, namelijk door een onzakelijke omleiding via een spil te laten plaatsvinden. Deze opvatting is naar mijn mening ook in overeenstemming met de ratio van de hoofdregel en de uitzondering daarop in de spilfunctie-leer. De rechtvaardiging voor de aanname dat aan een door een spil verstrekte lening in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, is gelegen in de actieve financieringsfunctie die zo’n spil heeft. De doorgeefluik-uitzondering is de logische pendant daarvan: de bedoelde rechtvaardiging valt immers weg indien de spil voor de desbetreffende lening louter als doorgeefluik van die gelden fungeert, want dan vindt de verstrekking van de lening juist niet plaats in het kader van de actieve financieringsfunctie. Bezien vanuit deze ratio van de doorgeefluik-uitzondering is er geen aanleiding om die uitzondering te beperken tot doorleensituaties. Ook via een kapitaalstorting kan een spil worden gebruikt als louter doorgeefluik van gelden. Ik merk daarbij nog op dat te minder aanleiding is om zo’n geval bij voorbaat uit te sluiten van de doorgeefluik-uitzondering, als men bedenkt dat art. 10a Wet Vpb juist ook gericht is tegen onzakelijke omleidingen die erin bestaan dat verstrekking van eigen vermogen door de eigenlijke geldverstrekker via een schakel wordt omgekat tot verstrekking van vreemd vermogen aan de uiteindelijke geldontvanger.
Het geval van belanghebbende
8.19
Maar hoe zit het nu in het geval van belanghebbende? Het Hof heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern (zie rov. 4.9 Hof). Dit oordeel is in cassatie vergeefs bestreden want de Hoge Raad heeft middel III verworpen met toepassing van art. 81(1) RO, voor zover het zich keert tegen dat oordeel (zie ook 3.4). Anders dan A-G Wattel,76.heeft de Hoge Raad dat oordeel dus niet onvoldoende gemotiveerd geacht. Ik heb mij afgevraagd waarom niet. Op zichzelf beschouwd staat het oordeel van het Hof op gespannen voet – om niet te zeggen: op voet van oorlog – met de vaststellingen van het Hof over het aantal werkzame personen bij [C] , de omvang van het eigen vermogen van [C] en het bedrag aan uitstaande gelden, die (ook) mijns inziens dwingen tot de gevolgtrekking dat [C] een financiële spilfunctie vervult (zie 8.9-8.10).
8.20
Dit brengt mij bij de Rechtbank, die heeft overwogen dat belanghebbende weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat [C] een wezenlijke functie vervulde binnen het concern en ook al in 2000 substance had, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze functie van belang is geweest voor de beslissing om de middelen die zijn aangewend voor de acquisitie van de NV te verstrekken aan [C] als eigen vermogen en vervolgens te verstrekken aan belanghebbende als vreemd vermogen. Aangezien deze middelen één-op-één zijn omgezet en verstrekt aan belanghebbende en zij geen inzicht heeft gegeven in de beweegredenen daarvoor, is de Rechtbank van oordeel dat geen andere rol toekomt aan [C] dan die van doorgeefluik.77.
8.21
Gegeven het oordeel van de Rechtbank en de overwegingen die zij daartoe heeft gebezigd, moet het oordeel van het Hof mijns inziens aldus worden opgevat dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie heeft vervuld binnen het concern bij de wijze waarop de middelen zijn verstrekt die zijn aangewend voor de acquisitie van de NV.78.Aldus opgevat meen ik dat dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van de spilfunctie-leer. Die leer kent immers een doorgeefluik-uitzondering, die van toepassing is indien de spil louter als doorgeefluik van de desbetreffende gelden fungeert en dus ter zake van die gelden niet daadwerkelijk een financiële functie vervult. Zoals hiervoor uiteengezet meen ik dat de doorgeefluik-uitzondering niet is beperkt tot gevallen van parallellie en evenmin tot doorleensituaties (8.14-8.18). Het oordeel getuigt daarom ook niet van een onjuiste rechtsopvatting om de reden dat de middelen waaruit de lening is verstrekt zijn verkregen via een kapitaalstorting. Uit het oogpunt van het Spilfunctie-arrest is wel een oneffenheid gelegen in de bewijslastverdeling. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een spil rust weliswaar op de belastingplichtige, maar ter zake van de doorgeefluik-uitzondering rust de stelplicht en bewijslast op de inspecteur (zie 5.3). Daarop richt belanghebbende haar pijlen echter niet in haar reactie.
8.22
Uit het voorgaande volgt dat zelfs als het beroep van belanghebbende op het Spilfunctie-arrest aan de orde kan komen in deze stand van de procedure, haar argumenten daarvoor in haar reactie geen doel treffen. Ik ga met belanghebbende mee dat [C] een spil is, maar belanghebbende gaat ten onrechte ervan uit dat voor de doorgeefluik-uitzondering parallellie vereist is.
8.23
Wellicht is deze hele exercitie voor niets geweest uit oogpunt van voorlichting aan de Hoge Raad, namelijk in het geval de Hoge Raad al in zijn tussenarrest tot deze beoordeling was gekomen (mogelijkheid 4 in 8.4). Maar in dat geval levert de exercitie nog wel een verklaring voor belanghebbende op waarom de rente-aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb toch van toepassing is, hoewel [C] een spil is.
9. Voorvragen na X BV: beperking, objectief vergelijkbare situaties, en prima facie rechtvaardiging?
Inleiding
9.1
Aangezien belanghebbende mijns inziens zich vergeefs beroept op het Spilfunctie-arrest, ga ik in het vervolg van deze conclusie ervan uit dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb tot gevolg heeft dat de rente op de leningen van [C] aan haar geheel is uitgesloten van aftrek. Dit brengt mij bij de vraag of dat gevolg verenigbaar is met art. 49 VWEU. Het brengt mij dus bij X BV.79.Het zwaartepunt ligt daarbij op de vraag of de rente-aftrekbeperking niet verder gaat dan noodzakelijk is. Daarop ga ik in onderdelen 10 en 11 in. In dit onderdeel komen daaraan voorafgaande vragen aan bod, namelijk (i) of de rente-aftrekbeperking een beperking van de vrijheid van vestiging inhoudt (9.2-9.14), zo ja (ii) of objectief vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld (9.15), en zo ja (iii) of de maatregel gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang en daarvoor geschikt is (9.16). Weliswaar is de vraagstelling door de Hoge Raad in HR BNB 2023/2 niet op deze vragen gericht, én volgt uit X BV niet dat de Hoge Raad die vragen verkeerd heeft beantwoord, maar ik ga met name op de eerste vraag wat uitgebreider in. De redenen daarvoor zet ik uiteen in 9.2. De lezer die het wel gelooft dat de drie voorafgaande vragen bevestigend kunnen worden beantwoord, kan ervoor kiezen om dit onderdeel 9 over te slaan.
Beperking van vrijheid van vestiging?
Waarom behandelen?
9.2
Ik heb erover getwijfeld of het nodig is om in te gaan op de vraag óf sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging. In het tussenarrest heeft de Hoge Raad immers in rov. 3.6.1 uiteengezet waarom sprake is van een beperking hoewel de rente-aftrekbeperking een maatregel is die zonder onderscheid voor ingezetenen en niet-ingezetenen markdeelnemers geldt, en uit X BV is niet direct (met zoveel woorden) af te leiden dat dit onjuist is. Sterker nog, het HvJ heeft in rov. 46 vastgesteld dat art. 10a Wet Vpb weliswaar zonder onderscheid geldt, maar een verschil in behandeling inhoudt dat de uitoefening van de vrijheid kan aantasten. Daar staat tegenover dat het HvJ in rov. 42 heeft uiteengezet wat aan de Hoge Raad is om vast te stellen in dit kader (zie ook 9.5 hierna). Bovendien lijkt de maatstaf die het HvJ in dat kader aanreikt (zie ook 9.5 hierna), op het eerste gezicht niet één op één hetzelfde als die welke de Hoge Raad heeft gebruikt. Hoewel de Staatssecretaris in zijn reactie niet begint over de kwestie óf sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging, ga ik er daarom toch op in. Ik kom overigens tot de conclusie dat de maatstaf van de Hoge Raad in overeenstemming is met (andere) jurisprudentie van het HvJ, en dat er daarom geen aanleiding is om af te wijken van het uitgangspunt dat sprake is van een beperking van de vrijheid van vestiging.
Inleiding
9.3
Evenals de Hoge Raad,80.is het HvJ van oordeel dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb een maatregel zonder onderscheid is.81.Deze bepaling maakt niet onderscheid naargelang de schuld is verschuldigd aan een ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam dan wel aan een niet-ingezeten, met hem verbonden lichaam. Die bepaling maakt evenmin onderscheid naargelang de verwerving of uitbreiding van een belang plaatsvindt door en/of in het ene dan wel het andere lichaam. Het HvJ voegt daaraan toe dat zowel onderdeel a als onderdeel b van art. 10a(3) Wet Vpb een maatregel zonder onderscheid is.82.Vervolgens overweegt het HvJ over dit onderdeel b als volgt:
“41 Zoals in punt 8 van het onderhavige arrest is vermeld, meent de verwijzende rechter evenwel ten aanzien van artikel 10a, lid 3, onder b), van de Wet op de vennootschapsbelasting – waarin is bepaald dat er ten eerste per saldo een belasting over de betrokken rente wordt geheven en ten tweede deze belasting redelijk moet zijn volgens de criteria van het Nederlandse recht, hetgeen wil zeggen dat zij resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10 % over de volgens die criteria bepaalde belastbare winst – dat deze bepaling niettemin tot gevolg heeft dat grensoverschrijdende situaties worden benadeeld.”
9.4
Dat is niet helemaal wat is vermeld in punt 8 van X BV of wat is beslist in HR BNB 2023/2. Zoals in punt 8 van X BV is vermeld, heeft HR BNB 2023/2 slechts beslist dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb een beperking kan inhouden van (onder meer) de vrijheid van vestiging doordat – kort gezegd – een ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam in het algemeen zal voldoen aan het vereiste dat een toereikende heffing plaatsvindt over de rente, terwijl een niet-ingezeten, met hem verbonden lichaam feitelijk minder vaak dan een ingezeten, met hem verbonden lichaam zal voldoen daaraan. Bij een niet-ingezeten, verbonden lichaam dat niet voldoet aan dit vereiste, wordt de rente alleen dan niet uitgesloten van aftrek als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zakelijke overwegingen overwegen voor zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling.83.Anders dan het HvJ overweegt in punt 41 van X BV, heeft HR BNB 2023/2 dus níet beslist dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb steeds grensoverschrijdende gevallen benadeelt, waarin – zo voeg ik daaraan toe – de schuld is verschuldigd aan een niet-ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam.
Ontoereikende heffing in interne gevallen?
9.5
Toch verschaft het HvJ een maatstaf aan de Hoge Raad ter beoordeling of deze bepaling uitsluitend grensoverschrijdende gevallen benadeelt. Dat is het geval als een ontoereikende heffing niet kan plaatsvinden in interne gevallen, waarin – zo voeg ik opnieuw toe – de schuld is verschuldigd aan een ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam. Het is ook het geval als een ontoereikende heffing weliswaar theoretisch mogelijk is maar in de praktijk niet plaatsvindt in interne gevallen:
“42 Het is aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om de feiten van het hoofdgeding te beoordelen en de betrokken nationale wettelijke regeling uit te leggen, om vast te stellen of een belasting tegen een tarief van minder dan 10 % over de volgens die criteria bepaalde belastbare winst, kan worden toegepast op in Nederland gevestigde verbonden lichamen die rente ontvangen.
43 Indien dit niet het geval is of indien een dergelijke belasting – hoewel theoretisch mogelijk – in de praktijk niet wordt toegepast, moet worden geoordeeld dat artikel 10a, lid 3, onder b), van de Wet op de vennootschapsbelasting een voorwaarde stelt die weliswaar objectief lijkt, maar waaraan de facto wordt voldaan wanneer een in Nederland gevestigde vennootschap rente betaalt aan een in die lidstaat gevestigd verbonden lichaam. Hieruit volgt tevens dat alleen in Nederland gevestigde vennootschappen die rente betalen aan een verbonden lichaam dat in een andere lidstaat is gevestigd, zich in een situatie kunnen bevinden waarin niet aan die voorwaarde is voldaan, wanneer laatstgenoemde lidstaat, net als het Koninkrijk België in dit geval, dat lichaam aan een lagere belasting onderwerpt.
44 Indien dus in het kader van het Nederlandse belastingstelsel geen belasting tegen een tarief van minder dan 10 % wordt geheven, is het onvermijdelijke en zekere gevolg (zie a contrario arrest van 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C‑323/18, EU:C:2020:140, punt 72) van een voorwaarde als die van artikel 10a, lid 3, onder b), van de Wet op de vennootschapsbelasting dat zij uitsluitend grensoverschrijdende situaties betreft.”
9.6
Uitgaande van deze maatstaf, benadeelt art. 10a(3)(b) Wet Vpb mijns inziens niet uitsluitend grensoverschrijdende gevallen. Het is evident dat dit artikellid niet alleen gevallen treft waarin de schuld is verschuldigd aan een niet-ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam, maar ook gevallen waarin de schuld is verschuldigd aan een ingezeten, met hem verbonden lichaam, reeds omdat het artikellid niet enig onderscheid maakt tussen beide gevallen, zoals ook het HvJ zelf overweegt (zie 9.3). Als de rente bijvoorbeeld is verschuldigd aan een verbonden lichaam dat niet is onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen, mist een toereikende heffing over de rente ongeacht of het lichaam ingezeten is of niet.
9.7
Wel kan worden betwijfeld of het slechts theoretisch mogelijk is maar in de praktijk niet voorkomt dat een toereikende heffing mist bij een verbonden lichaam dat niet is onderworpen aan een belasting naar de winst of het inkomen, zoals een niet-nijvere stichting of vereniging. Althans, het kan worden betwijfeld of het HvJ ervan is uitgegaan dat dit slechts theoretisch mogelijk is maar in de praktijk niet voorkomt. In de conclusie van A-G Emiliou lees ik namelijk dat de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft erkend dat in interne gevallen een toereikende heffing alleen dan ontbreekt als de rente is verschuldigd aan zo’n stichting of vereniging:84.
“52. Om te beginnen heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting erkend dat de voorwaarde van artikel 10a, lid 3, onder b, van de Wet op de vennootschapsbelasting nagenoeg altijd wordt vervuld wanneer de interne bank haar zetel heeft in Nederland. Rentelasten met betrekking tot een lening worden in Nederland namelijk alleen tegen een lager tarief dan 10 % belast in de sporadische gevallen waarin de lening wordt verstrekt door stichtingen of verenigingen, die geen commerciële activiteiten ontplooien. Ter terechtzitting heeft X aangevoerd – en heeft de Nederlandse regering bevestigd – dat die uitzondering nooit wordt toegepast ten aanzien van commerciële interne banken als C [ [C] , MP], en dat het Nederlandse recht geen andere uitzondering bevat. Het aandeel van de groepen van ondernemingen met een in Nederland gevestigde interne bank die niet zouden kunnen voldoen aan die voorwaarde, is te verwaarlozen.”
Ik zou het willen laten aan de regering hoe zij haar uitlatingen ter terechtzitting rijmt met het wettelijke gegeven dat een toereikende heffing ook dan mist als de rente is verschuldigd aan een verbonden lichaam dat in aanmerking komt voor een subjectieve vrijstelling, objectieve vrijstelling of lager tarief dan 10% voor de rente (ongeacht of het lichaam ingezeten is of niet).85.Wel merk ik op dat het mij bevreemdt dat de regering een goedgunstige regeling voor coördinatiecentra blijkbaar minder vergelijkbaar acht met andere goedgunstige regelingen als een objectieve vrijstelling of lager tarief, en blijkbaar zelfs meer vergelijkbaar acht met een regeling die een lichaam überhaupt niet onderwerpt aan een belasting naar de winst of het inkomen indien en voor zover het lichaam geen onderneming drijft.
9.8
Wat daarvan ook zij, het is anders als de rente is verschuldigd aan een verbonden lichaam dat verliezen of andersoortige aanspraken uit eerdere jaren kan verrekenen. Ook dan mist een toereikende heffing ongeacht of het lichaam ingezeten is of niet.86.Maar aangenomen mag worden dat dit in de praktijk voorkomt en niet slechts theoretisch mogelijk is wanneer in art. 10a(3)(b) Wet Vpb met zoveel woorden is bepaald dat een toereikende heffing mist bij verrekening van verliezen of andersoortige aanspraken uit eerdere jaren. Het kan overigens het HvJ niet zijn ontgaan dat dit met zoveel woorden is bepaald in dat artikellid want het is met evenzoveel woorden weergegeven in X BV.87.
Vaker ontoereikende heffing in grensoverschrijdende gevallen dan in interne gevallen?
9.9
Niettemin meen ik dat het slechts beperkt dienstig is om te beoordelen of art. 10a(3)(b) Wet Vpb uitsluitend grensoverschrijdende gevallen benadeelt. De rechtspraak van het HvJ leert dat voor het antwoord op de vraag of een maatregel zonder onderscheid kan leiden tot een beperking van de vrijheid van vestiging (of enige andere verkeersvrijheid), niet zozeer van belang is of zo’n maatregel uitsluitend grensoverschrijdende gevallen treft. Zelfs indien een maatregel zowel interne gevallen als grensoverschrijdende gevallen treft, is daarmee immers nog niet gezegd dat de maatregel beide gevallen treft op dezelfde wijze of in dezelfde mate. Anders gezegd, een maatregel kan leiden tot een beperking van de vrijheid van vestiging doordat de maatregel weliswaar beide gevallen treft maar grensoverschrijdende gevallen treft op een wijze of in een mate die wezenlijk verschilt van de wijze waarop of de mate waarin dezelfde maatregel interne gevallen treft. Nog anders gezegd, een maatregel zonder onderscheid kan leiden tot zo’n beperking, zelfs als de maatregel niet een vereiste stelt waaraan alleen interne gevallen kunnen voldoen. De rechtspraak van het HvJ leert dat het veeleer van belang is of een maatregel zonder onderscheid grensoverschrijdende gevallen treft op een wezenlijk andere wijze of in een wezenlijk andere mate dan interne gevallen.
9.10
Zo wijs ik op Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö88., dat gaat over een Finse regeling die instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) vrijstelt van inkomstenbelasting, mits de icbe is opgericht rechtens bij overeenkomst. Het HvJ is van oordeel dat deze regeling niet onderscheid maakt naar de vestigingsplaats van de icbe,89.of een vereiste stelt waaraan alleen ingezeten icbe’s kunnen voldoen. Niettemin is het HvJ van oordeel dat die regeling kan leiden tot een beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer. Als ik het goed zie, acht het HvJ redengevend daarvoor dat niet-ingezeten icbe’s zijn onderworpen aan de wetgeving van hun vestigingsstaat en dus niet in dezelfde mate als ingezeten icbe’s de rechtsvorm kunnen aannemen die vereist is voor de vrijstelling:
“63 De in Finland gevestigde instellingen voor collectieve belegging kunnen namelijk de rechtsvorm aannemen waarmee zij in aanmerking komen voor de vrijstelling, terwijl niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging onderworpen zijn aan de voorwaarden van de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
64 De voorwaarde inzake de oprichting bij overeenkomst is dus weliswaar niet een voorwaarde waaraan alleen ingezeten instellingen voor collectieve belegging kunnen voldoen, maar dat neemt niet weg dat die voorwaarde deze laatste instellingen kan bevoordelen ten nadele van instellingen voor collectieve belegging die bij statuten zijn opgericht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.
65 Hieruit volgt dat een dergelijke regeling niet-ingezeten instellingen voor collectieve belegging ervan kan doen afzien om vastgoedinvesteringen in Finland te doen en derhalve een beperking van het vrije verkeer van kapitaal vormt die in beginsel verboden is bij artikel 63 VWEU.”
9.11
Zo ook wijs ik op Real Vida Seguros90.. Dit arrest betreft een Portugese regeling die dividend slechts voor 50% van het bedrag in aanmerking neemt bij de heffing van inkomsten- en vennootschapsbelasting, mits het dividend is betaald op aandelen die zijn genoteerd aan de Portugese beurs. Het HvJ is van oordeel dat het vereiste van een Portugese beursnotering zonder onderscheid geldt,91.maar naar zijn aard beleggingen in ingezeten vennootschappen bevoordeelt en beleggingen in niet-ingezeten vennootschappen benadeelt. Daaraan doet niet af dat ook niet-ingezeten vennootschappen kunnen voldoen aan dit vereiste, omdat hun aantal in het algemeen aanzienlijk lager is dan dat van ingezeten vennootschappen:
“22 Een praktijk waarbij aan de gunstige fiscale behandeling van dividenden de voorwaarde wordt verbonden dat de aandelen die deze dividenden genereren, op de nationale beurs zijn genoteerd, leidt er door de aard van deze voorwaarde al toe dat investeringen in ingezeten vennootschappen worden bevoordeeld en dat investeringen in niet-ingezeten vennootschappen derhalve worden benadeeld.
23 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat vennootschappen die naar de beurs gaan en waarvan de aandelen dus worden toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, in de regel aan hun nationale beurs worden genoteerd. Ten tweede kunnen vennootschappen hun aandelen weliswaar gelijktijdig op een buitenlandse beurs en op hun nationale beurs laten noteren door gebruik te maken van cross-listing, maar is het aantal niet-ingezeten vennootschappen dat op een bepaalde beurs is genoteerd, over het algemeen aanzienlijk lager dan dat van ingezeten vennootschappen.
24 Deze vaststelling geldt overigens onverkort voor de Portugese beurs, aangezien het aantal niet-ingezeten vennootschappen waarvan de aandelen op die beurs zijn genoteerd, blijkens de schriftelijke opmerkingen van de Commissie marginaal is ten opzichte van het aantal ingezeten vennootschappen, en niets erop wijst dat deze situatie anders zou zijn geweest tijdens de periode waarin het belastingvoordeel waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling voorzag van toepassing was.”
9.12
Tevens wijs ik nog op Tesco-Global Áruházak92., dat het HvJ aanhaalt in punt 44 van X BV (zie 9.5). In dit arrest beoordeelt de Grote Kamer of een Hongaarse regeling die voorziet in de heffing van een progressieve belasting voor (onder meer) de detailhandel de vrijheid van vestiging beperkt. Deze beoordeling spitst zich toe op twee omstandigheden. De eerste is dat belastingplichtigen die vallen in de laagste belastingschijf, uitsluitend in handen zijn van ingezeten personen, terwijl belastingplichtigen die vallen in de hogere schijven, merendeels in handen zijn van niet-ingezeten personen.93.De tweede omstandigheid is dat het grootste gedeelte van de belastingopbrengst afkomstig is van niet-ingezeten personen.94.Naar het oordeel van de Grote Kamer volgt uit geen van beide omstandigheden dat die regeling leidt tot een beperking van de vrijheid van vestiging. Dit volgt niet uit de eerste, omdat elke belastingplichtige profiteert van de laagste belastingschijf (voor het in deze schijf vallende gedeelte van de grondslag) ongeacht of hij ingezeten is of niet. Het volgt ook niet uit de tweede, omdat de Hongaarse groot- en detailhandel markt grotendeels is handen is van niet-ingezeten personen. Daarom treft elke heffing van belasting méér niet-ingezeten personen dan ingezeten personen, aldus de Grote Kamer:
“72 De omstandigheid dat het grootste gedeelte van die bijzondere belasting wordt gedragen door belastingplichtigen die in handen zijn van natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten, kan op zichzelf beschouwd geen discriminatie vormen. (…) [Deze omstandigheid wordt, MP] namelijk verklaard door het feit dat de Hongaarse markt van de detailhandel in winkels wordt gedomineerd door dergelijke belastingplichtigen, die op deze markt de grootste omzetten behalen. Die omstandigheid vormt dan ook een contingente, zelfs aleatoire indicator die mogelijkerwijs – overigens ook in een evenredig belastingstelsel – aanwezig is telkens wanneer de markt in kwestie wordt gedomineerd door ondernemingen uit andere lidstaten of uit derde landen, dan wel door nationale ondernemingen die in handen zijn van natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten of uit derde landen.
73 Voorts zij opgemerkt dat de tegen het tarief van 0 % belaste basisschijf niet uitsluitend betrekking heeft op belastingplichtigen die in handen zijn van Hongaarse natuurlijke of rechtspersonen, aangezien elke onderneming die op de markt in kwestie actief is – zoals in elk progressief belastingstelsel het geval is – profiteert van de belastingvermindering voor het gedeelte van haar omzet dat de bovengrens van deze schijf niet overschrijdt.
74 Uit het voorgaande volgt dat de sterk progressieve tarieven van de bijzondere belasting naar hun aard zelf niet leiden tot discriminatie op grond van de plaats van de zetel van vennootschappen, dat wil zeggen tot discriminatie tussen belastingplichtigen die in handen zijn van Hongaarse natuurlijke of rechtspersonen en belastingplichtigen die in handen zijn van natuurlijke of rechtspersonen uit andere lidstaten.”
9.13
Het is niet alleen in overeenstemming met bestendige rechtspraak van het HvJ dat een maatregel zonder onderscheid kan leiden tot een beperking van de vrijheid van vestiging, zelfs al stelt de maatregel niet een vereiste waaraan alleen interne gevallen kunnen voldoen. Dit is ook in overeenstemming met de conclusie van A-G Emiliou in X BV. Hij gaat ervan uit dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb kan leiden tot zo’n beperking als het vereiste van een toereikende heffing méér gevolgen kan hebben voor grensoverschrijdende gevallen dan voor interne gevallen:
“50. Niettemin hoeven in nationale wetten mijns inziens geen criteria te worden gebruikt die specifiek zijn voor een nationale markt of die alleen binnenlandse ondernemingen ten goede komen, opdat zij feitelijk nadelig zijn voor grensoverschrijdende situaties. De cruciale vraag is in dit verband of de daarin gehanteerde criteria meer gevolgen kunnen hebben voor grensoverschrijdende situaties dan voor zuiver interne situaties. (…)”
Het lijkt bovendien in overeenstemming te zijn met punt 38 van X BV zelf, waarin het HvJ als uitgangspunt formuleert dat een belastingstelsel leidt tot een beperking van de vrijheid van vestiging als het stelsel voorziet in een ogenschijnlijk objectief criterium dat, gelet op de kenmerken ervan, “in de meeste gevallen” grensoverschrijdende gevallen benadeelt. Dit uitgangspunt is bestendige rechtspraak van het HvJ.95.
Slotsom: wel beperking van vrijheid van vestiging
9.14
Zoals gezegd (zie 9.4), de Hoge Raad heeft eenzelfde uitgangspunt gehanteerd. Immers, in HR BNB 2023/2 heeft hij niet beoordeeld of alleen interne gevallen, waarin de schuld is verschuldigd aan een ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam, kunnen voldoen aan het vereiste van een toereikende heffing dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb stelt. In dit arrest is beoordeeld of grensoverschrijdende gevallen, waarin de schuld is verschuldigd aan een niet-ingezeten, met hem verbonden lichaam, evenzeer kunnen voldoen aan dat vereiste als interne gevallen. Dat is niet zo, aldus de Hoge Raad, omdat een niet-ingezeten, verbonden lichaam “feitelijk minder vaak” dan een ingezeten, verbonden lichaam zal voldoen daaraan. Deze ongunstige behandeling van een niet-ingezeten, verbonden lichaam kan mijns inziens de houdster van het lichaam ervan weerhouden haar vrijheid van vestiging uit te oefenen door een dochter op te richten in Nederland, niet alleen wanneer de houdster is gevestigd in Nederland maar ook wanneer zij is gevestigd in een andere lidstaat.96.Daarom ga ik in het vervolg van deze conclusie ervan uit dat art. 10a(3)(b) Wet Vpb kan leiden tot een beperking van de vrijheid van vestiging.
Objectief vergelijkbare gevallen?
9.15
In X BV vervolgt het HvJ dat grensoverschrijdende gevallen objectief vergelijkbaar zijn met interne gevallen omdat in beide gevallen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag kunnen liggen aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling. Daaraan doet niet af dat in grensoverschrijdende gevallen de rente is verschuldigd aan een niet-ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam, en ook niet dat bij dit lichaam een toereikende heffing over de rente kan ontbreken.97.Deze oordelen van het HvJ zijn mijns inziens in overeenstemming met HR BNB 2023/2, al volgt uit het arrest van de Hoge Raad slechts impliciet dat beide gevallen objectief vergelijkbaar zijn.
Prima facie rechtvaardiging?
9.16
Vervolgens is het HvJ van oordeel dat art. 10a(1)(c) in verbinding met art. 10a(3)(a) Wet Vpb zich richt op de bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies die zijn bedoeld om de belastingwetgeving van een lidstaat te ontwijken doordat deze bepalingen ertoe strekken te voorkomen dat eigen vermogen van een groep van lichamen op kunstmatige wijze wordt omgezet in vreemd vermogen van een ingezeten lichaam van de groep om de rente daarop in mindering te (kunnen) brengen op de in Nederland belastbare winst. Dit was al het oordeel van het HvJ toen art. 10a Wet Vpb was beperkt tot (onder meer) interne verhangingen.98.Het blijft het oordeel van het HvJ nu art. 10a Wet Vpb is uitgebreid tot externe acquisities. Zoals het HvJ overweegt – opnieuw in navolging van de Hoge Raad99.– beoogt het samenstel van art. 10a(1)(c) en art. 10a(3)(a) Wet Vpb (aftrek van rente ingeval van) een kunstmatige omleiding van eigen vermogen en omzetting in vreemd vermogen te voorkomen, zowel bij interne verhangingen als bij externe acquisities.100.Ook is dit samenstel daartoe geschikt.101.
10. Na X BV: evenredige beperking van vrijheid van vestiging?
10.1
Dat brengt het HvJ bij de vraag of het samenstel van art. 10a(1)(c) en art. 10a(3)(a) Wet Vpb niet verder gaat dan nodig is ter bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies. In X BV volgt het HvJ drie stappen ter beantwoording van deze vraag. Ten eerste, het HvJ beoordeelt of het onevenredig is dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb het vermoeden vestigt dat een schuld die is verschuldigd aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam en verband houdt met een externe acquisitie, deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie (punten 66-72 van X BV). Ten tweede, het HvJ onderzoekt of het onevenredig is dat het artikellid aftrek van rente weigert, ook als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (punten 73-85 van X BV). Ten derde, het HvJ gaat na of het onevenredig is dat het artikellid aftrek van rente geheel weigert (punten 86-88 van X BV). Thans ga ik op elk van de drie stappen nader in.
Eerste stap: onevenredig vermoeden van volstrekt kunstmatige constructie?
10.2
Art. 10a(1)(c) Wet Vpb vestigt een vermoeden dat een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie als de schuld is verschuldigd aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam en verband houdt met een externe acquisitie. Het HvJ plaatst deze bepaling in de context van de grenzen die zijn rechtspraak stelt aan zo’n vermoeden. Naar ik het HvJ begrijp – gegeven dat het HvJ zijn rechtspraak daarvóór in rov. 68 heeft uiteengezet –, blijft het vermoeden dat die bepaling vestigt binnen de daartoe gestelde grenzen:
“69 In casu voert de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling een vermoeden in dat de rente op leenschulden die zijn aangegaan volgens de criteria van artikel 10a, lid 1, onder c), van de Wet op de vennootschapsbelasting, volstrekt kunstmatige constructies vormen of daar deel van uitmaken.
70 Deze criteria, met name het feit dat deze leenschulden zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en verband houden met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na die verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is, vormen aanwijzingen in de zin van de in punt 68 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak dat er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie.
71 De mogelijkheid voor de belastingplichtige om dit vermoeden te weerleggen door aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 10a, lid 3, onder a) of b), van de Wet op de vennootschapsbelasting, betekent dat de weigering van de renteaftrek beperkt kan worden tot gevallen waarin de lening binnen een groep van verbonden vennootschappen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan.
72 Dienaangaande volgt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat de voorwaarde van artikel 10a, lid 3, onder a), van de Wet op de vennootschapsbelasting betrekking heeft op zowel de reden voor de lening en de daarmee samenhangende rechtshandeling als de objectieve elementen die kenmerkend zijn voor deze lening en rechtshandeling, waarbij de belastingplichtige moet aantonen dat zij gerechtvaardigd zijn door zakelijke overwegingen en dat zij zonder deze bijzondere betrekkingen tussen lichamen hadden kunnen worden overeengekomen. Hieruit volgt volgens deze rechter en zoals vermeld in punt 10 van het onderhavige arrest, dat volgens zijn rechtspraak leenschulden die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen zijn aangegaan, volstrekt kunstmatige constructies vormen, zelfs indien op zichzelf beschouwd de rentelasten op die schulden corresponderen met de rentelasten die zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.”
10.3
Deze overwegingen vestigen de aandacht op twee aspecten van de regeling van art. 10a Wet Vpb. Het gaat mij thans niet om het eerste aspect dat is vermeld in punt 70. Het gaat mij om het tweede aspect. Dit aspect is dat – ik parafraseer – de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb de gevallen waarin art. 10a(1)(c) Wet Vpb aftrek van rente weigert, beperkt tot die gevallen waarin de schuld niet noodzakelijk is ter verwezenlijking van een (zakelijke) interne verhanging of externe acquisitie en niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen (punt 71). Zoals het HvJ overweegt (punt 72), komt deze opvatting over de tegenbewijsregeling overeen met wat is vermeld in punt 10 van X BV.
10.4
Het HvJ overweegt ook dat die opvatting overeenkomt met wat is beslist in HR BNB 2023/2 (punt 72). De vraag rijst of dat zo is. Zoals de Hoge Raad overweegt in rov. 3.5 van dit arrest, is doel en strekking van art. 10a(1)(c) Wet Vpb gelegen in het tegengaan van grondslaguitholling door gekunsteld opgeroepen rentelasten. Zulke rentelasten zijn rentelasten op een schuld die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan. Zo’n schuld doet zich voor als – kort en goed – de schuld in zodanige mate is ingegeven door fiscale motieven dat de schuld niet noodzakelijk is ter verwezenlijking van een zakelijk gefundeerde transactie en niet zou zijn aangegaan zonder de fiscale motieven:
“3.5. Met artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet wordt beoogd tegen te gaan dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door middel van rente die is verschuldigd op een schuld die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan. Dat is het geval indien binnen een groep van verbonden lichamen de wijze van financiering van een zakelijk gefundeerde transactie in zodanige mate door fiscale motieven – uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag – is ingegeven dat daarvan rechtshandelingen deel uitmaken die niet noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van die zakelijk gefundeerde doeleinden en die niet zouden zijn verricht zonder die fiscale motieven.”
10.5
Het gaat in rov. 3.5 van HR BNB 2023/2 dus om een schuld die – voor zover thans van belang – niet zou zijn aangegaan zonder fiscale motieven. Het gaat evenwel in punten 10, 71 en 72 van X BV telkens om een schuld die – ook voor zover thans van belang – niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen. Dit zou de indruk kunnen wekken dat het HvJ ervan is uitgegaan dat de aftrekuitsluiting van art. 10a(1)(c) Wet Vpb – door de beperkende werking van de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb – ziet op gevallen waarin de schuld niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen.102.
10.6
Dat zou ongerijmd zijn. Stel dat het HvJ is uitgegaan daarvan. Dit impliceert dat het HvJ ervan moet zijn uitgegaan dat de aftrekuitsluiting van art. 10a(1)(c) Wet Vpb níet ziet op gevallen waarin de schuld zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen, dus gevallen waarin de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Het impliceert ook dat de tweede stap van het HvJ in X BV zonder voorwerp is. Immers, als dit artikellid niet eens aftrek van rente weigert op een schuld die zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen – want: tegen marktconforme voorwaarden – dan heeft het HvJ niet kunnen toekomen aan de vraag of hetzelfde artikellid onevenredig is juist doordat het aftrek van rente wel weigert op zo’n schuld. Dan heeft het HvJ net zo min kunnen toekomen aan de daaropvolgende vraag of ditzelfde artikellid onevenredig is doordat het aftrek van rente zelfs geheel weigert op zo’n schuld. Het impliceert dus ook nog eens dat de derde stap van het HvJ in X BV zonder voorwerp is. Ik merk op dat het HvJ ontegenzeggelijk niet ervan is uitgegaan dat zijn tweede en derde stap in X BV zonder voorwerp zouden zijn. Integendeel, het HvJ heeft beide vragen beoordeeld en beantwoord. Het is daarmee niet te verenigen dat het HvJ ervan zou zijn uitgegaan dat het gaat om gevallen waarin de schuld niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen.
10.7
Anders gezegd, als het HvJ wél ervan zou zijn uitgegaan dat het gaat om gevallen waarin de schuld niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen, behoeven de prejudiciële vragen überhaupt geen beantwoording. Immers, dan moet het HvJ ervan zijn uitgegaan dat al de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, buiten schot van de aftrekuitsluiting van art. 10a(1)(c) Wet Vpb plaatst. Dan mist dus belang of art. 10a(1)(c) Wet Vpb onevenredig is doordat het aftrek van rente weigert op zo’n schuld, en/of doordat het artikellid aftrek van een marktconforme rente weigert op eenzelfde schuld. Dan doet het antwoord op (één van) beide vragen niet ertoe, hoe het ook moge luiden.103.Blijkens X BV is het HvJ even ontegenzeggelijk ervan uitgegaan dat de prejudiciële vragen beantwoording behoeven.
10.8
Sterker nog, niemand is uitgegaan van het tegendeel: noch de Nederlandse regering noch belanghebbende, want zij verschillen juist van opvatting of art. 10a(1)(c) Wet Vpb verder gaat dan nodig is; ook de Commissie, de Belgische regering of de Spaanse regering niet; A-G Emiliou evenmin, want hij heeft – nota bene: met klem104.– het HvJ verzocht terug te komen van Lexel.
10.9
Daarmee kom ik tot de slotsom dat het HvJ doelt op een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder fiscale motieven, al spreekt het over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen. Ik kom daartoe, omdat: (i) het HvJ in punten 66-72 van X BV nagaat of art. 10a(1)(c) Wet Vpb – kort gezegd – een onevenredig vermoeden behelst dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie; (ii) het HvJ in punten 69-72 van X BV deze vraag niet in bevestigende zin beantwoordt; (iii) het HvJ mede redengevend acht daarvoor op welke wijze het vermoeden, dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb vestigt, wordt gemitigeerd door de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb (zie opnieuw punt 71); (iv) het HvJ acht slaat op de toelichting in HR BNB 2023/2 over de wijze waarop deze regeling dit vermoeden mitigeert (zie opnieuw punt 72); en (v) HR BNB 2023/2 die wijze aldus toelicht dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb is beperkt tot een schuld die – voor zover thans van belang – niet zou zijn aangegaan zonder fiscale motieven (zie 10.4). Deze uitleg strookt mijns inziens niet alleen met de analyse van het HvJ in punten 69-72 van X BV, maar ook – en minstens even belangrijk – met het vervolg van dit arrest. Die uitleg leidt namelijk juist tot de tweede en derde stap van het HvJ in X BV: is art. 10a(1)(c) Wet Vpb onevenredig doordat het aftrek van rente weigert op een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, en doordat het aftrek van rente geheel weigert op zo’n schuld? Hierbij neem ik nog in aanmerking dat het alternatief, dat het HvJ inderdaad doelt op een schuld die niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen, eenvoudigweg niet is te verenigen met X BV zelf (zie 10.6-10.8). Tot slot vind ik nog steun voor mijn uitleg in punt 82 van X BV; zie hierna in 10.22.
10.10
Ik sta hier zo uitgebreid stil bij waarop het HvJ doelt, waar het spreekt het over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen, omdat een vergelijkbare frase ook nog verderop in het arrest terugkomt, waaronder in rov. 75 en rov. 88. Daarop kom ik hierna in 10.20-10.24 respectievelijk 10.25-10.27 nog terug. Overigens laten punten 69-72 van X BV zich aldus lezen dat het HvJ als oordeel te kennen geeft dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb niet een onevenredig vermoeden behelst dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, en ook dat het HvJ slechts aspecten van de regeling van art. 10a Wet Vpb duidt in de context van de grenzen die zijn rechtspraak stelt aan het vermoeden van zo’n constructie (zonder zelf een oordeel te vellen daarover). Voor de goede orde merk ik op dat mijn uitleg van punten 69-72 van X BV op het hier relevante punt (waarop doelt het HvJ waar het spreekt het over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen?) niet steunt op een keuze tussen beide lezingen.
Tweede stap: onevenredige aftrekweigering ondanks marktconforme voorwaarden?
10.11
De tweede stap is dat het HvJ beoordeelt of art. 10a(1)(c) Wet Vpb onevenredig is doordat het artikellid aftrek van rente weigert, ook als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Een beroep op de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb slaagt als in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan zowel de schuld als de daarmee verband houdende rechtshandeling. Dit gaat verder dan de toets of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Het gaat naar het oordeel van het HvJ daarentegen niet verder dan nodig is ter bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies (op één punt na, waarop ik terugkom in 10.35):
“85 Derhalve moet worden geoordeeld dat de noodzaak om vast te stellen dat aan een lening en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, niet verder blijkt te gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.”
10.12
Zoals bekend, heeft het HvJ in punt 56 van Lexel105.overwogen dat – voor zover thans van belang – “(…) transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan (…) dus geen volkomen kunstmatige (…) constructies vormen (…)”. In verband daarmee heeft de Hoge Raad in HR BNB 2023/2 niet (meer) buiten redelijke twijfel geacht dat schulden die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen zijn aangegaan, volstrekt kunstmatige constructies vormen, ook als zij zijn aangegaan tegen marktconforme voorwaarden.106.In X BV geeft het HvJ blijk ervan deze twijfel te hebben verstaan. Immers, het HvJ beoordeelt afzonderlijk of het onevenredig is dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb aftrek van rente weigert, ook als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (punten 73-85). Bovendien spitst het HvJ deze beoordeling nadrukkelijk toe op de vraag, zoals het HvJ de Hoge Raad in niet mis te verstane bewoordingen begrijpt, of uit punt 56 van Lexel kan worden afgeleid dat schulden die zijn aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, per definitie niet volstrekt kunstmatige constructies vormen:
“73 Zoals blijkt uit punt 12 van het onderhavige arrest, vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of uit het arrest van 20 januari 2021, Lexel (C‑484/19, EU:C:2021:34), en met name uit punt 56 ervan, kan worden afgeleid dat transacties waarbij schulden worden aangegaan bij een met de belastingplichtige verbonden lichaam per definitie geen volstrekt kunstmatige constructies vormen wanneer zij tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan.”
10.13
Dit kan naar het oordeel van het HvJ niet worden afgeleid uit punt 56 van Lexel. Althans, niet voor zover het gaat om een schuld (en een daarmee verband houdende rechtshandeling) die niet wordt gerechtvaardigd door zakelijke overwegingen. Een volstrekt kunstmatige constructie ontbreekt niet reeds doordat zo’n schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden:
“84 Bijgevolg kan uit punt 56 van het arrest van 20 januari 2021, Lexel (C‑484/19, EU:C:2021:34), niet worden afgeleid dat, wanneer een lening en de daarmee verband houdende transacties niet door zakelijke overwegingen worden gerechtvaardigd, het enkele feit dat de voorwaarden van die lening corresponderen met die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden zijn overeengekomen, impliceert dat die lening en die transacties per definitie geen volstrekt kunstmatige constructies vormen.”
10.14
De slotsom van het HvJ in punt 85 van X BV berust op drie redenen. Ten eerste, het volgt uit Thin Cap Group Litigation107.dat voor het antwoord op de vraag of een lening een volstrekt kunstmatige constructie vormt, niet alleen moet worden onderzocht of de lening is verstrekt tegen marktconforme voorwaarden maar ook of zij niet zou zijn verstrekt zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken vennootschappen. Dit laatste onderzoek strekt zich uit tot de economische realiteit van de lening. Het ontbreken van deze realiteit is in de rechtspraak van het HvJ één van de doorslaggevende elementen om een transactie aan te (kunnen) merken als een volstrekt kunstmatige constructie (punten 74-76). Ten tweede, het volgt uit BMW Bank108., dat dateert na Lexel, dat een lidstaat een voordeel dat het Unierecht toekent aan een persoon, moet weigeren als de persoon weliswaar formeel voldoet aan de daarvoor gestelde voorwaarden maar in strijd met de doelstelling van de desbetreffende bepalingen zich beroept op hun toepassing uitsluitend om dit voordeel te verkrijgen (punt 77). Beide redenen brengen het HvJ tot het oordeel dat het niet volstaat voor een onderzoek naar de economische realiteit van een transactie, zoals een lening, alleen de formele voorwaarden daarvan te beoordelen (punt 78). Ten derde, Lexel doet niet af aan dat oordeel want het gaat niet over het geval waarvoor art. 10a(1)(c) Wet Vpb is bestemd (punten 79-81 en 83). Dit is het geval dat een schuld wel is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden maar zonder bedrijfseconomische redenen (punt 82).
10.15
Elk van de drie redenen heeft geleid tot kritiek in de literatuur. Kortheidshalve verwijs ik naar deze literatuur.109.Het gaat mij namelijk niet zozeer om de merites van één of meer redenen. Het gaat mij thans veeleer om hun implicaties.
10.16
De eerste reden impliceert dat de beoordeling of een persoon met een beroep op de vrijheid van vestiging aanspraak kan maken op een voordeel dat het interne recht hem weigert, zoals aftrek van rente op een schuld, niet ertoe is beperkt of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Deze opvatting is te vinden in de rechtspraak van het HvJ in elk geval totdat Thin Cap Group Litigation is gewezen, gelet op de verwijzing naar dit arrest.
10.17
De tweede reden impliceert dat de rechtspraak van het HvJ over misbruik van Unierecht berust op een vergelijkbare opvatting. Die opvatting is dat de beoordeling of een persoon terecht aanspraak maakt op een voordeel dat het Unierecht hem toekent, evenmin is beperkt tot de vraag of de persoon voldoet aan de voorwaarden die dit recht stelt aan dat voordeel. Die opvatting is in elk geval herhaald nadat Lexel is gewezen, gelet op de verwijzing naar het latere BMW Bank.
10.18
De derde reden impliceert dat Lexel geen steun biedt aan een tegengestelde opvatting. De tegengestelde opvatting is dat de beoordeling of een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, zich wel zou beperken tot de vraag of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Lexel biedt geen steun daaraan, althans niet als de schuld (en de daarmee verband houdende rechtshandeling) niet wordt gerechtvaardigd door zakelijke overwegingen (zie 10.13).
10.19
Daarmee wijzen de drie redenen mijns inziens in één en dezelfde richting.110.Die richting is als volgt. Zelfs indien in Lexel de opvatting zou zijn aanvaard dat een schuld alleen dan deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie als de schuld niet is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (quod non blijkens de derde reden), is deze opvatting inmiddels verlaten (blijkens de tweede reden). In plaats van de verlaten opvatting geldt – nog steeds? – de reeds voorheen aanvaarde opvatting dat een schuld ook dan deel uitmaakt van zo’n constructie als de schuld economische realiteit mist (blijkens de eerste reden).
10.20
Dit brengt mij bij de vraag wanneer een schuld economische realiteit mist. De maatstaf die het HvJ in X BV daartoe geeft, komt erop neer of de schuld zou zijn overeengekomen zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen. Ik citeer (en cursiveer):
“75 Uit deze rechtspraak [Thin Cap Group Litigation, MP] volgt dat het onderzoek naar de naleving van marktconforme voorwaarden niet alleen betrekking heeft op de bedingen van de leningsovereenkomst die met name betrekking hebben op het bedrag of de rentevoet, maar ook op de economische logica van de betrokken lening en van de daarmee verband houdende rechtshandelingen. Dit laatste onderzoek houdt immers een toetsing in van de economische geldigheid van deze lening en van de daarmee verband houdende rechtshandelingen, waarbij moet worden nagegaan of deze transacties tussen de betrokken ondernemingen hadden kunnen worden overeengekomen zonder dat er sprake was van bijzondere betrekkingen.
76 Een onderzoek waarbij wordt nagegaan of niet alleen de voorwaarden van de betrokken lening, maar ook het feit zelf van het aangaan ervan en de daarmee verband houdende rechtshandelingen corresponderen met hetgeen de vennootschappen onder normale marktomstandigheden zouden zijn overeengekomen, komt neer op de vaststelling van de economische realiteit van de transacties. (…) [H]et ontbreken van die economische realiteit [vormt, MP] een van de doorslaggevende elementen voor de kwalificatie van een transactie als volstrekt kunstmatige constructie.”
10.21
Ogenschijnlijk doelt punt 75 van X BV op een onderzoek naar de vraag of de schuld zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen, dat wil zeggen of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Ik meen evenwel dat – ook hier (vgl. 10.5-10.9) – schijn bedriegt.
10.22
Stel dat wordt uitgegaan van de opvatting dat een schuld niet deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Dan is het HvJ alsnog uitgegaan van dezelfde opvatting die het nota bene in punt 84 van hetzelfde arrest verwerpt: dat een schuld is aangegaan tegen zulke voorwaarden, sluit nog niet uit dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie (zie 10.13). En dan heeft X BV logischerwijs het gevolg moeten trekken dat art. 10a(3)(a) Wet Vpb onevenredig is want het artikellid gaat verder dan de vraag of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. X BV trekt dit gevolg evenwel niet. Integendeel, het arrest trekt juist het gevolg dat het evenredig is te beoordelen of in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de schuld (zie 10.11). Verder memoreer ik dat het HvJ de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb niet aldus opvat dat zij de aftrekuitsluiting van art. 10a(1)(c) Wet Vpb bestemt voor gevallen waarin de schuld niet is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (zie 10.9). Dit vindt bevestiging in punt 82 van X BV, waarin het HvJ dezelfde aftrekuitsluiting onderscheidt van de Zweedse regeling die heeft geleid tot Lexel:
“82 Hieruit volgt dat het Hof in dat arrest geen standpunt heeft ingenomen over het geval waarvoor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling bestemd is, waarmee het specifieke doel wordt nagestreefd om volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden, zoals blijkt uit de punten 60 en 61 van het onderhavige arrest, namelijk het geval waarin de schulden zonder bedrijfseconomische redenen zijn aangegaan, ook al corresponderen de voorwaarden van de lening met die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.”
In navolging van de Hoge Raad (zie 10.4), verstaat het HvJ de tegenbewijsregeling dus in die zin dat zij de aftrekuitsluiting bestemt voor gevallen waarin de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen.
10.23
Het gaat in punt 75 van X BV dus niet om een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, maar om een schuld die is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen. Dit kan mijns inziens niet anders. Het strookt namelijk met zowel de ‘input’ als de ‘output’ van het HvJ. De ‘input’ is de wijze waarop het HvJ de tegenbewijsregeling van art. 10a(3)(a) Wet Vpb verstaat in (onder meer) punt 82 van X BV: zij richt de aftrekuitsluiting tot gevallen waarin de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen (zie 10.9 en 10.22). De ‘output’ is de slotsom die het HvJ bereikt over dezelfde tegenbewijsregeling in punt 85 van X BV: zij is niet onevenredig in haar toets of in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de schuld (zie 10.11). De enige onbekende grootheid in deze vergelijking is de maatstaf die bepaalt of een schuld economische realiteit mist. Gegeven de input en output van die vergelijking, kan het niet anders dan dat deze maatstaf is of de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen. Immers, het alternatief is onverenigbaar met X BV zelf. Dit alternatief is dat een schuld economische realiteit mist als de schuld niet is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (zie 10.22).
10.24
In de gedachtegang van het HvJ is een schuld die is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen, een schuld die niet zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen. Ik begrijp deze gedachtegang als volgt. Afhankelijke lichamen kunnen een schuld aangaan zonder bedrijfseconomische redenen, opdat bij hen grondslaguitholling door een gekunstelde rentelast plaatsvindt. Het is anders voor onafhankelijke lichamen, die denkelijk steeds een schuld aangaan uit één of meer bedrijfseconomische redenen. Althans, zij zullen niet een schuld aangaan opdat grondslaguitholling plaatsvindt. Immers, onafhankelijke lichamen hebben anders dan afhankelijke lichamen niet per saldo beiden baat erbij dat het ene lichaam een gedeelte van de eigen grondslag afstaat aan het andere lichaam ter grootte van de rentelast. In die gedachtegang zou een schuld niet zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen als de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen.
10.25
Daarom mist een schuld mijns inziens economische realiteit als de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen want dan zou – in de gedachtegang van het HvJ – de schuld niet zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen.
Derde stap: onevenredige aftrekweigering van marktconforme rente?
10.26
De laatste stap is dat het HvJ beoordeelt of het onevenredig is dat art. 10a(1)(c) Wet Vpb aftrek van rente geheel weigert. Voor het antwoord daarop onderscheidt het HvJ tussen – kort gezegd – een ‘economisch reële’ schuld en een ‘economisch irreële’ schuld. Gehele aftrekweigering zou onevenredig zijn bij een economisch reële schuld; bij zo’n schuld mag aftrek slechts worden geweigerd voor zover de rente méér bedraagt dan het marktconforme bedrag. Maar gehele aftrekweigering is wél evenredig bij een economisch irreële schuld:
“86 De verwijzende rechter wenst voorts te vernemen of een volledige weigering van het recht op aftrek niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken, aangezien het Hof in punt 51 van het arrest van 20 januari 2021, Lexel (C‑484/19, EU:C:2021:34), heeft herinnerd aan zijn rechtspraak waarin werd geoordeeld dat wanneer de belastingdienst, na het onderzoek met betrekking tot de eventuele commerciële redenen waarom een transactie heeft plaatsgevonden, van mening is dat een door een belastingplichtige bij een verbonden lichaam aangegane lening een volstrekt kunstmatige constructie vormt waaraan geen echte commerciële redenen ten grondslag liggen, het evenredigheidsbeginsel vereist dat de weigering van het recht op aftrek wordt beperkt tot het gedeelte van de ter zake van deze lening betaalde rente dat uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen indien er tussen de partijen geen bijzondere betrekkingen bestonden.
87 Zoals de advocaat-generaal in de punten 103 tot en met 105 van zijn conclusie evenwel heeft opgemerkt, vereist het evenredigheidsbeginsel in gevallen waarin de kunstmatigheid van een bepaalde transactie is gelegen in een ongebruikelijk hoge rentevoet op een groepsinterne lening die voor het overige de economische realiteit weerspiegelt, dat er een correctie moet plaatsvinden voor het gedeelte van de over die lening betaalde rente dat het gebruikelijke markttarief te boven gaat. De weigering van elke renteaftrek zou verder gaan dan noodzakelijk is voor het doel om volstrekt kunstmatige constructies te voorkomen.
88 Wanneer daarentegen de betrokken lening zelf elke economische rechtvaardiging ontbeert, en deze lening nooit zou zijn aangegaan indien er tussen de betrokken ondernemingen geen bijzondere betrekkingen bestonden en er geen belastingvoordeel werd nagestreefd, is het verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel om de aftrek van rente in zijn geheel te weigeren, aangezien de belastingdienst een dergelijke volstrekt kunstmatige constructie bij het vaststellen van de verschuldigde vennootschapsbelasting moet negeren. Als alleen de aftrek van een gedeelte van de over die lening betaalde rente zou worden geweigerd, zou dat de belastingplichtige in staat stellen het door middel van misbruik nagestreefde belastingvoordeel deels of zelfs in zijn geheel te verkrijgen, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan de samenhang van de betrokken regeling.”
10.27
Dit brengt mij dan bij punt 88 van X BV. Sommige auteurs lezen dit punt aldus dat het HvJ drie cumulatieve voorwaarden stelt waaronder gehele aftrekweigering niet onevenredig is: (a) de schuld mist elke economische rechtvaardiging, (b) de schuld zou nooit zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen, en (c) de schuld zou nooit zijn aangegaan zonder streven naar belastingvoordeel. Ik wijs bijvoorbeeld op Boei111.en de redactie van Vakstudie Nieuws112..113.Andere auteurs gaan weliswaar niet zó ver in hun lezing van dat punt en vragen zich af of het HvJ zulke cumulatieve voorwaarden heeft gesteld. Ik noem bijvoorbeeld Adriaans114.en Wisman115..
10.28
Zoals gezegd (zie 10.24-10.25), in X BV ligt mijns inziens als gedachtegang van het HvJ besloten dat een schuld niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen wanneer de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen en daarom economische realiteit mist. Voor zover punt 88 van X BV spreekt over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder zulke bijzondere betrekkingen, meen ik dan ook dat het HvJ niet een (additionele) voorwaarde stelt maar slechts nader het geval omschrijft waarin gehele aftrekweigering niet onevenredig is. In zoverre herhaalt dit punt de voorwaarde dat een schuld zelf economische rechtvaardiging – ook wel: economische realiteit – mist, zij het in andere bewoordingen; in zoverre stelt dat punt dus niet een (additionele) voorwaarde. Het is mijns inziens niet anders voor zover punt 88 van X BV spreekt over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder streven naar belastingvoordeel. Ook in zoverre herhaalt dit punt diezelfde voorwaarde.
10.29
Daarom versta ik punt 88 van X BV aldus dat het HvJ één voorwaarde stelt waaronder gehele aftrekweigering evenredig is. Deze voorwaarde is dat de schuld elke economische realiteit mist. Als de schuld daaraan voldoet, is evident dat het niet ver genoeg gaat ter bestrijding van een volstrekt kunstmatige constructie om aftrek slechts gedeeltelijk te weigeren, zoals het HvJ overweegt in de slotzin van dit punt. Immers, dan maakt de schuld zelf deel uit van een volstrekt kunstmatige constructie, zodat ter bestrijding daarvan aftrek geheel moet worden geweigerd. Dit stemt overigens overeen met de opvatting van de Hoge Raad in HR BNB 2023/2.116.
10.30
Het vindt voorts steun in punten 103 tot en met 105 van de conclusie van A-G Emiliou117., die het HvJ aanhaalt in punt 87 van X BV (zie 10.26). Evenals het HvJ, onderscheidt de A-G tussen – kort en goed – het geval dat gedeeltelijke aftrekweigering evenredig is, en het geval dat gehele aftrekweigering evenredig is. Het eerste geval doet zich voor als de rente méér bedraagt dan het marktconforme bedrag (punt 103 van de conclusie). Dan mist niet de schuld zelf economische realiteit, maar de bedingen waaronder de schuld is aangegaan: zij corresponderen niet met wat onafhankelijke lichamen zouden hebben bedongen. Dit volgt uit punt 78 van de conclusie, waarnaar de A-G in punt 103 verwijst (en (dus) indirect ook het HvJ):
“78. Ten eerste kan een groepsinterne lening die wordt aangegaan voor deugdelijke economische en/of commerciële redenen specifieke bedingen bevatten die niet „de economische realiteit weerspiegelen”. Er kan in een voor het overige legitieme transactie een buitensporig hoge rentevoet zijn overeengekomen – die kunstmatig is aangezien de groep die rente uiteindelijk aan zichzelf betaalt – om een overeenkomstig hoge belastingaftrek te kunnen toepassen in de lidstaat waar de kredietnemende onderneming gevestigd is. Het zakelijkheidsbeginsel (of „arm’s length principle”), dat inhoudt dat niet-verbonden ondernemingen in vergelijkbare omstandigheden dezelfde voorwaarden zouden hebben bedongen, dient als objectieve maatstaf om uit te maken of dat inderdaad het geval is.”
10.31
Daarentegen doet het tweede geval, waarin gehele aftrekweigering evenredig is, zich voor als de schuld zelf economische realiteit mist. Dan zijn afhankelijke lichamen de schuld aangegaan uitsluitend of voornamelijk met het oog op (aftrek van) de rentelast. Eenzelfde schuld zou niet zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen en zonder streven naar het belastingvoordeel dat is gelegen in (aftrek van) de rentelast (punt 104 van de conclusie). Daarom moet zo’n schuld worden aangemerkt als een volstrekt kunstmatige constructie, ongeacht of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Dit volgt uit punt 79 van de conclusie, waarnaar de A-G in punt 104 verwijst (en (wederom) indirect het HvJ):
“79. Ten tweede kunnen verbonden ondernemingen ook een lening aangaan waarvoor over het geheel genomen geen economische en/of commerciële rechtvaardiging bestaat, uitsluitend (of voornamelijk) om rentebetalingen te genereren in het land waar de kredietnemende onderneming haar zetel heeft. Anders dan het Hof in punt 54 van het arrest Lexel heeft geoordeeld, is die beweegreden, die blijkt uit het ontbreken van een rechtvaardiging, een beslissende overweging, zoals in punt 76 hierboven is opgemerkt. Precies om die reden moet een dergelijke lening worden geacht „volstrekt kunstmatig” te zijn. Daarentegen is het niet relevant of de voorwaarden van die lening overeenkomen met die welke niet-verbonden lichamen in vergelijkbare omstandigheden zouden hebben bedongen. Zoals de Nederlandse regering betoogt, is het feit dat de toepasselijke rentevoet marktconform is, op zichzelf beschouwd geen reden om aan te nemen dat de lening in kwestie „de economische realiteit weerspiegelt”. Die lening weerspiegelt namelijk niet de economische realiteit, omdat zij nooit zou zijn aangegaan indien er geen verband tussen de ondernemingen bestond en er geen belastingvoordeel kon worden verkregen. Dit soort kunstmatig gecreëerde schulden is precies het doelwit van artikel 10a, lid 1, onder c, van de Wet op de vennootschapsbelasting.”
10.32
Wel merk ik op dat het HvJ gehele aftrekweigering pas evenredig acht bij een schuld die elke economische realiteit mist (punt 88 van X BV), terwijl de A-G gehele aftrekweigering evenredig acht reeds bij een schuld die – ik parafraseer – voornamelijk economische realiteit mist (doordat de schuld is aangegaan voornamelijk met het oog op aftrek van rente; punt 79 van de conclusie). Anders dan de A-G, lijkt het HvJ daarmee ervan uit te gaan dat gehele aftrekweigering alsnog onevenredig zou zijn bij een schuld die níet elke economische realiteit mist.
10.33
In dit verband betoogt Marres dat de maatstaf van het HvJ – of een schuld elke economische realiteit mist – strenger is dan die van de Hoge Raad. Die maatstaf is welke overwegingen voor een schuld in belang overwegen. Als zakelijke overwegingen weliswaar ten grondslag liggen aan een schuld maar niet in belang overwegen ten opzichte van fiscale overwegingen, liggen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag aan de schuld. Dat is zo, ook al liggen dan daadwerkelijk zakelijke overwegingen ten grondslag aan de schuld. Het is zelfs zo, al liggen dan in betekenende mate – zij het niet in overwegende mate – zakelijke overwegingen ten grondslag daaraan. Ik citeer (met behoud van voetnoten):118.
“(…) [Er, MP] wordt ten onrechte gesuggereerd [in rov. 3.5 van HR BNB 2023/2, MP] dat de belastingplichtige aan de tegenbewijsmogelijkheid voldoet als de zakelijke overwegingen een voldoende voorwaarde vormen (in de zin dat die zakelijke overwegingen reeds de betreffende rechtshandelingen rechtvaardigen). Ik ben het daarmee eens in de zin dat dit de toets zou moeten zijn, maar de Hoge Raad lijkt de toets aan te leggen of de zakelijke overwegingen de belangrijkste overwegingen zijn, en dat renteaftrek al wordt geweigerd als de schuld voor ten minste 50% uit fiscale overwegingen wordt aangegaan.16 In dit licht is punt 54 van Lexel interessant: het Hof van Justitie overweegt daar dat het fictieve aspect van de betreffende transactie geen beslissende voorwaarde om renteaftrek te weigeren vormde, omdat het voornemen van de betrokken vennootschap om voornamelijk (dat was: voor meer dan 75%) uit fiscale overwegingen een schuld aan te gaan al voldoende was om die aftrek te weigeren. De toets die de Hoge Raad aanlegt is dus nog veel beperkender voor de belastingplichtige dan de 75%-toets van de Zweedse wetgeving in Lexel).
(…)
Kortom, er is een verschil tussen het criterium van ‘in overwegende mate zakelijke overwegingen’, en dat van de ‘volstrekt kunstmatige constructie’ van het Hof van Justitie.18 Dat de zakelijke overwegingen niet ‘overwegen’ is een strengere toets voor de belastingplichtige dan dat de lening ‘elke economische rechtvaardiging ontbeert’ (vgl. punt 88).
16 Zie HR 5 juni 2015, BNB 2015/165, (…) r.o. 3.4, met verwijzing naar onderdelen 6.10-6.13 (zie met name onderdeel 6.10 van de conclusie, waaruit het criterium volgt dat de zakelijke overwegingen in belang overwegen). Vgl. mijn Winstdrainage door renteaftrek, (…) p. 175.
(…)
18 Vgl. in dit verband Błażej Kuźniacki, ‘Why must the Dutch Supreme Court resist the temptation of “fraus legis” to follow the CJEU’s interpretative guidance in X BV?’, (…) par. 4.3: ‘…Art. 10 CITA … is by no means a perfect match with the principle of prohibition of abuse of rights to prevent abuse of Art. 49 TFEU.’”
10.34
Evenals Marres, leid ik uit het Mauritius-arrest af dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat zakelijke overwegingen niet overwegen reeds indien zij minder gewicht in de schaal hebben gelegd dan de fiscale overwegingen, ongeacht welk gewicht dan toekomt aan de zakelijke overwegingen. Dit volgt (ook) mijns inziens uit de verwijzing in rov. 3.4 van dat arrest naar punt 6.10 van de conclusie van A-G Wattel, waarin hij weer verwijst naar punt 5.6 daarvan. Voor zover thans van belang, schrijft de A-G in dat punt 5.6:119.
“5.6 Dan de vraag welke de maatstaf is voor het te leveren tegenbewijs van zakelijkheid van de schuld. (…) Het wettelijke criterium is dat de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat aan de schuld ‘in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen’ (…). De belastingplichtige moet bij betwisting dus twee dingen aannemelijk maken: (i) er zijn niet-fiscale (‘bedrijfseconomische’, aldus de wetgever) overwegingen voor de schuld en (ii) die overwegingen overwegen bovendien boven andere (i.e. fiscale) overwegingen. Ik meen dat dit betekent (…) dat de belastingplichtige aannemelijk moet maken dat niet-fiscale overwegingen de belangrijkste zijn geweest voor de schuld; dat niet-fiscale beweegredenen daarvoor méér gewicht in de schaal hebben gelegd dan beweegredenen die verband houden met belastingvermindering. (…)”
10.35
En evenals Marres, meen ik dat de maatstaf van het HvJ strenger is dan die van de Hoge Raad. Ik herhaal dat in de gedachtegang van het HvJ een schuld elke economische realiteit mist als de schuld is aangegaan zonder bedrijfseconomische redenen. Deze maatstaf omvat mijns inziens uitsluitend gevallen waarin fiscale overwegingen de doorslag hebben gegeven voor het aangaan van de schuld want alleen dan zou de schuld geheel niet zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen en ook zonder streven naar belastingvoordeel, zoals het HvJ overweegt in punt 88 van X BV. Die maatstaf omvat mijns inziens dus niet alle gevallen waarin zowel zakelijke als fiscale overwegingen ten grondslag liggen aan de schuld, maar de zakelijke overwegingen (nét) niet overwegen ten opzichte van de fiscale. In die gevallen kan de fiscale overweging – in de woorden van het HvJ: het streven naar belastingvoordeel – de doorslag hebben gegeven. Maar dat hoeft niet. In plaats van de fiscale overweging, kan de zakelijke overweging de doorslag hebben gegeven, óók als de zakelijke overweging niet in belang overweegt ten opzichte van de fiscale. Ook dan zou de schuld wél zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen en zonder streven naar belastingvoordeel. Ook dan mist de schuld niet elke economische realiteit. Integendeel. De schuld zou juist geheel níet zijn aangegaan zonder de zakelijke overweging, dus zonder bedrijfseconomische redenen.120.
11. Beschouwing over volstrekt kunstmatige constructie
11.1
Hoe zit het nu in het geval van belanghebbende? Zij is van opvatting dat: (a) punt 88 van X BV een maatstaf geeft ter beoordeling of een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, (b) deze maatstaf uiteenvalt in drie cumulatieve voorwaarden, en (c) de leningen van [C] aan belanghebbende niet voldoen aan de voorwaarde dat zij niet zouden zijn aangegaan zonder bijzondere betrekking tussen de betroken lichamen en zonder streven naar belastingvoordeel.121.Deze opvatting is mijns inziens onjuist.
11.2
Ten eerste, punt 88 van X BV geeft hoe dan ook niet enige maatstaf ter beoordeling of een schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie. Dit punt behoort niet tot de tweede stap van het HvJ, waarin het HvJ beoordeelt of aftrekweigering onevenredig is voor een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (zie 10.1 en 10.11-10.25). Het gaat dus niet over de vraag wanneer een schuld deel uitmaakt van zo’n constructie. Dat punt behoort tot de derde stap van het HvJ, waarin het beoordeelt of gehele aftrekweigering onevenredig is (zie 10.1 en 10.26-10.35). Het gaat dus juist over de vraag welk gevolg rechtens is, gegeven dat een schuld deel uitmaakt van zo’n constructie.122.Korter gezegd, punt 88 van X BV veronderstelt dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie.
11.3
Ten tweede, punt 88 van X BV valt niet uiteen in drie cumulatieve voorwaarden. Dit punt stelt slechts één voorwaarde waaronder gehele aftrekweigering evenredig is. Deze voorwaarde is dat de schuld elke economische realiteit mist. Voor zover dit punt spreekt over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen, omschrijft het HvJ slechts nader het geval waarin de schuld elke economische realiteit mist. Hetzelfde geldt voor zover dat punt spreekt over een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder streven naar belastingvoordeel (zie 10.29). In zoverre stelt punt 88 van X BV niet een (additionele) voorwaarde waaronder gehele aftrekweigering evenredig is. Dit vindt niet alleen steun in de gedachtegang van het HvJ dat een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder beide, elke economische realiteit mist (zie 10.28). Het vindt ook steun in de overeenkomstige conclusie van A-G Emiliou, waarnaar het HvJ verwijst op dit punt (zie 10.30-10.31).
11.4
Ten derde, de opvatting van belanghebbende impliceert dat het HvJ ervan is uitgegaan dat een schuld niet deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie als de schuld ook zou zijn aangegaan tussen onafhankelijke lichamen in de gebruikelijke zin dat de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (at arm’s length). Noch in punt 88 noch elders is het HvJ uitgegaan daarvan. Integendeel, ik herhaal dat het HvJ zelf in punt 84 van X BV die opvatting nadrukkelijk en in ondubbelzinnige bewoordingen verwerpt (zie 10.13 en 10.22). De opvatting van belanghebbende heeft tot gevolg dat het HvJ in de tweede stap niet de slotsom heeft kunnen bereiken die het heeft bereikt. In deze stap beoordeelt het HvJ of het evenredig is dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag moeten liggen aan een schuld. Dit gaat verder dan de toets of de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden, maar is evenredig (zie 10.11). Sterker nog, haar opvatting heeft tot gevolg dat het HvJ niet voor recht heeft kunnen verklaren wat het voor recht heeft verklaard. Dit is – voor zover van belang – dat de vrijheid van vestiging zich niet verzet tegen weigering van aftrek van rente op een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (zie 3.12).
11.5
Ten vierde, de opvatting van belanghebbende impliceert zelfs dat het HvJ niet eens de derde stap heeft hoeven nemen. Immers, als een schuld die is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden alleen al daarom niet deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie, heeft het HvJ niet kunnen toekomen aan de vraag of gehele aftrekweigering evenredig is. Dan zou de derde stap van het HvJ zonder voorwerp zijn (zie 10.6). Dan zou het HvJ zich de redengeving hebben kunnen besparen waarom uit Lexel juist niet volgt dat een schuld niet deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie alleen al omdat de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden (zie 10.16-10.19). En dan zou X BV niet eens een punt 88 tellen waarin het HvJ motiveert waarom gehele aftrekweigering evenredig is bij een schuld die elke economische realiteit mist, dus zelfs als de schuld is aangegaan tegen marktconforme voorwaarden. Korter gezegd, punt 88 van X BV is zinledig in de opvatting van belanghebbende, die juist haar opvatting uitsluitend ontleent aan ditzelfde punt.
11.6
In haar reactie op X BV merkt belanghebbende nog op dat de maatstaf die blijkt uit punt 88 van X BV strenger is dan de maatstaf van een zogeheten onzakelijke omleiding die het Hof in navolging van de Hoge Raad heeft toegepast. Voor zover zij daarmee heeft willen klagen dat het Hof bij de beoordeling of in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de leningen van [C] , is uitgegaan van een maatstaf die lichter is dan het criterium van een volstrekt kunstmatige constructie, meen ik dat de klacht faalt. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het aangaan van de leningen via [C] is gelegen in de belastingbesparing (rov. 4.9). Dit oordeel geeft mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het geeft weliswaar blijk van een strengere maatstaf dan die van het Mauritius-arrest, dus of fiscale overwegingen in belang overwegen ten opzichte van zakelijke (zie 10.34). Maar de maatstaf van het Hof is niet onjuist. Integendeel, het Hof heeft – mijns inziens terecht (zie 10.35) – beoordeeld of fiscale overwegingen doorslaggevend zijn geweest voor het aangaan van de leningen van [C] aan belanghebbende. Dit ligt in lijn met het Unierechtelijke criterium van een volstrekt kunstmatige constructie.
11.7
Kortom, ook het beroep van belanghebbende op X BV strandt.
12. Conclusie
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 28‑03‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2020, nr. 18/01049, ECLI:NL:GHARL:2020:8628, NLF 2020/2657 m.nt. Van Strien, NTFR 2020/3423 m.nt. Brouwer.
Zie de bestreden uitspraak, rov. 4.3-4.4.
Zie het beroepschrift in cassatie, p. 4-7.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.1. Vgl. ook HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1085, BNB 2022/113, rov. 4.3.3.
Zie de bestreden uitspraak, rov. 4.9.
Zie het beroepschrift in cassatie, p. 16-17.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.1.
Zie het beroepschrift in cassatie, p. 7-10.
Rechtbank Gelderland 4 oktober 2018, nrs. AWB 16/2827 en AWB 16/2828, ECLI:NL:RBGEL:2018:4220, NLF 2018/2220 m.nt. Van Lindonk en Korving.
Zie de uitspraak van de Rechtbank, rov. 26.
HvJ 20 januari 2021, Lexel AB, C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34.
Zie ook HR BNB 2023/2, rov. 3.7.4-3.7.5.
Idem, rov. 3.7.6-3.7.8.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.6.4 respectievelijk 3.4.1.Vgl. ook HR BNB 2022/113, rov. 4.3.1 respectievelijk 4.3.2.
Zie ook HR BNB 2023/2, rov. 3.7.9.
A-G Emiliou 14 maart 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:238, NLF 2024/0791 m.nt. Bobeldijk, NTFR 2024/754 m.nt. Albert, V-N 2024/18.9 m.nt. redactie.
HvJ 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822, BNB 2025/6 m.nt. Wattel, FED 2024/125 m.nt. Marres, NLF 2024/2342 m.nt. Boei, NTFR 2024/1662 m.nt. Korving, V-N 2024/47.10 m.nt. redactie.
Zie X BV, punt 21 in samenhang met punt 31.
Zie in gelijke zin bijvoorbeeld Smit in punt 5 van BNB 2023/2, Wisman in V-N 2024/46.0, en Boei in NLF 2024/2342.
Belanghebbende verwijst naar HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, NJ 2008/553, en HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, NJ 2010/634.
HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330, BNB 2023/61.
HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330, BNB 2023/61.
Zie voor deze benaming bijvoorbeeld A-G Wattel in zijn conclusies van 26 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:85, en van 16 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:182. Overigens blijkt die benaming inmiddels zelfs gemeengoed in de literatuur. Zie onder anderen Hafkenscheid in punt 9 van FED 2024/14, Bresser in NTFR 2024/355, de redactie in V-N 2024/16.8, V-N 2024/16.9 en V-N 2024/16.10, Van Lindonk in NLF 2024/0439, Lohuis in NTFR 2024/734, Bobeldijk in NLF 2024/0682 en De Vries in punt 12 van BNB 2024/52.
Het arrest spreekt overigens over ‘voor zover’. Boulogne heeft in FED 2023/71, punt 14 hierover opgemerkt: “Opmerkelijk is de keuze voor “voor zover”: de doorgeefluik-formulering lijkt zowel tekstueel als conceptueel weinig ruimte te bieden voor slechts gedeeltelijke renteaftrekbeperking.”
HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:469, BNB 2024/52.
Zie HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, BNB 2021/136, rov. 3.6.4. Een schuld valt onder art. 10a(1) Wet Vpb reeds wanneer zij rechtens is verschuldigd aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam. Dat is zo, ook als zij in feite is verschuldigd aan een derde. Wel moet worden aangenomen dat de wetgever niet heeft beoogd dat die bepaling dan toepassing vindt. Zie HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, BNB 2017/156, rov. 2.4.3 en 2.4.5.3.
Het is niet de opvatting van de wetgever gebleken. Sinds 1 januari 2018 is art. 10a(3)(a) Wet Vpb gewijzigd in die zin dat zakelijke overwegingen niet worden geacht te overwegen voor de rechtshandeling, alleen al omdat de schuld in feite is verschuldigd aan een derde. Sindsdien moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de rechtshandeling, ongeacht of de schuld in feite is verschuldigd aan een derde of niet. Dit is gewijzigd bij het Belastingplan 2018, Stb. 2017, 517, art. IV(A); zie art. XV(1) voor de inwerkingtreding.
Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, rov. 2.7.3.
Zie HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, BNB 2021/136, rov. 3.6.4, en HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, BNB 2017/156, rov. 2.4.5.3. Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, rov. 2.7.3.
Zie HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:394, BNB 2019/98, rov. 4.2.1.
Zie daarnaast ook Brandsma, ‘De essentiële rol van de financiële spilfunctie bij winstdrainage: is de financiering (of de fiscus) om (de tuin) geleid?’, WFR 2023/131, p. 6 rk, al neemt hij aan dat niet alleen de voorwaarden van beide schulden maar alle omstandigheden van belang zijn voor het antwoord daarop.
NLF 2023/0547, onder het kopje ‘doorgeefluik-uitzondering’.
NTFR 2023/514.
BNB 2023/61, punt 14.
Zie de reactie van belanghebbende, punt 11.
Vgl. Brandsma, ‘De essentiële rol van de financiële spilfunctie bij winstdrainage: is de financiering (of de fiscus) om (de tuin) geleid?’, WFR 2023/131, p. 6 lk, die opmerkt dat de doorgeef(luik)transactie niet de enige is bij dat lichaam. Vgl. ook Van Strien, ‘De spilfunctie en artikel 10a Wet VpB 1969’, NLF-W 2024/2, paragraaf 4.4, die opmerkt dat de uitzondering van een doorgeefluik voorkomt dat een reële concernfinancieringsmaatschappij kan worden misbruikt voor onzakelijke omleidingen.
BNB 2023/61, punt 14.
FED 2023/71, punt 14.
Vgl. ook Brandsma, ‘De essentiële rol van de financiële spilfunctie bij winstdrainage: is de financiering (of de fiscus) om (de tuin) geleid?’, WFR 2023/131, p. 6 rk, die ervan uitgaat dat de uitzondering is beperkt tot gevallen van parallellie en daarom niet uitsluit dat de herkomst van gelden – in weerwil van wat is beslist in het Spilfunctie-arrest – van belang is voor de uitzondering.
FED 2023/71, punt 14.
Marres, Winstdrainage door renteaftrek: artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Fiscale Monografieën nr. 113), Deventer: Wolters Kluwer 2020 (derde druk), p. 147-148. Zie ook Marres, ‘Het doorgeefluik’, WFR 2007/896, paragraaf 2.2.
Aanvankelijk voorzag het voorgestelde art. 10a(1) Wet Vpb niet in een tegenbewijsregeling voor overwegend zakelijke overwegingen. Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 2, p. 2. Voor de volledigheid merk ik op dat het artikellid aftrek van rente niet weigerde in het geval dat de schuldigerkenning van een kapitaalstorting plaatsvond als onderdeel van een solvabiliteitsgarantie ter bescherming van polishouders van verzekeringsovereenkomsten of inleggers van spaargelden. Bij nota van wijziging is alsnog voorzien in een tegenbewijsregeling daarvoor. Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 6, p. 1. Zie ook Zie Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 5, p. 11-12.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, p. 7-8.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, p. 17-18.
Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 5, p. 34.
Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b, p. 4-5. De nota naar aanleiding van het nader verslag waarnaar wordt verwezen, betreft Kamerstukken II 1996/97, 24 696, nr. 8, p. 7-8.
Wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631, art. II(H); de inwerkingtreding is geregeld in art. XIII.
Weliswaar viel een verwerving van aandelen in een verbonden lichaam onder art. 10a(2)(b) Wet Vpb zoals het gold tot die datum, maar zo’n verwerving viel weer niet daaronder voor zover een wijziging werd aangebracht in het uiteindelijke belang of de uiteindelijke zeggenschap van dat verbonden lichaam. Hetzelfde gold voor een verwerving van winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid, lidmaatschapsrechten in of – kort gezegd – hybride geldleningen aan een verbonden lichaam. Dit gold ook voor een storting op zulke winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten.
Daarnaast zag het oude art. 10a(2)(c) Wet Vpb op een aanwending van vermogen door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam dat in Nederland is gevestigd. Het huidige art. 10a(1)(a) Wet Vpb ziet op een winstuitdeling of kapitaalteruggaaf door zo’n lichaam, ongeacht of het lichaam is gevestigd in Nederland of niet (zolang het is onderworpen aan de vennootschapsbelasting). Zie ook Marres, Winstdrainage door renteaftrek: artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Fiscale Monografieën nr. 113), Deventer: Wolters Kluwer 2020 (derde druk), p. 145-147, over de verschillen tussen beide bepalingen.
Vgl. ook Marres, Winstdrainage door renteaftrek: artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Fiscale Monografieën nr. 113), Deventer: Wolters Kluwer 2020 (derde druk), p. 146-147.
Kamerstukken I 2005/06, 30 572, nr. C, p. 22-23.
HR 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1460, BNB 2015/165.
Deze benaming is gemeengoed want zelfs de Hoge Raad gebruikt haar. Zie bijvoorbeeld het Spilfunctie-arrest, rov. 3.3.3, voetnoot 5, en HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:469, BNB 2024/52, rov. 4.2.
Zie Kamerstukken I 2006/07, 30 572, nr. C, p. 23.
Zie het Mauritius-arrest, rov. 3.1.3.
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:640, BNB 2017/156.
Idem, rov. 2.4.5.3. Zie ook HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1102, BNB 2021/136, rov. 3.6.4. Terzijde merk ik op dat art. 10a(3)(a) Wet Vpb is gewijzigd sinds 1 januari 2018 in die zin dat zakelijke overwegingen niet worden geacht te overwegen voor de rechtshandeling, alleen al omdat de schuld feitelijk is verschuldigd aan een derde. Sindsdien moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de rechtshandeling, ongeacht of de schuld feitelijk is verschuldigd aan een derde of niet. Dit is gewijzigd bij het Belastingplan 2018, Stb. 2017, 517. Zie art. IV(A) voor de wijziging van art. 10a Wet Vpb. Zie art. XV(1) voor de inwerkingtreding daarvan.
Zie ook HR BNB 2021/136, rov. 3.6.3 in samenhang gelezen met rov. 3.6.4.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1085, BNB 2022/113.
Idem, rov. 4.5.6.
Idem, rov. 4.5.3 in samenhang gelezen met rov. 4.5.4.
Idem, rov. 4.5.5.
Vgl. HR BNB 2015/165, rov. 3.1.3, slot, waarin de Hoge Raad opmerkt dat art. 10a Wet Vpb niet zo beperkt kan worden uitgelegd dat een schuld slechts dan niet in overwegende mate berust op zakelijke overwegingen indien de daarvoor aangewende middelen eerst zijn onttrokken aan het eigen vermogen van een Nederlandse concernvennootschap. Zo’n beperkte uitleg vindt namelijk geen steun in de wetsgeschiedenis. Vgl. ook HR BNB 2017/156, rov. 2.4.3, waarin de Hoge Raad oordeelt dat een schuld die rechtens is verschuldigd aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam en feitelijk is verschuldigd aan een derde, niet alleen al daarom buiten het bereik van art. 10a(1) Wet Vpb valt. Een andere uitleg vindt wederom geen steun in de wetsgeschiedenis en is – zo voeg ik daaraan toe – (dus) te beperkt.
Ook in de literatuur is de vraag opgeworpen hoe het tussenarrest zich verhoudt tot het Spilfunctie-arrest gelet op de functie van belanghebbende; zie naast de door belanghebbende genoemde auteurs (Boulogne in FED 2023/71, punt 15, Brandsma in WFR 2023/131, voetnoot 11, redactie Vakstudienieuws in V-N 2024/47.10, onder ‘Vervolg’, Boei in NLF 2024/2342, onder ‘Afsluitend’) ook Wattel in BNB 2025/6, punt 21.
Dat is de veronderstelling van belanghebbende; zie reactie belanghebbende, punt 12.
Diverse auteurs gaan er kennelijk van uit dat het beroep op het Spilfunctie-arrest nog aan de orde kan komen in deze stand van de procedure (zie bijv. Wattel in BNB 2025/6, punt 21 en Boei in NLF 2024/2342, onder ‘Afsluitend’).
Zie daartoe punten 13-14 van beschikking 2005/378/EG van de Commissie van 8 september 2004, Pb 2005, L. 125, p. 10.
Vgl. punt 2.3 van de pleitnotities van belanghebbende, waarin zij herhaalt dat [C] diverse diensten aanbiedt ten behoeve van de groep, bijvoorbeeld op het gebied van financiële structurering, kasstroombeheer, fusies en overnames, en juridische advisering.
Vgl. punt 2.5 van de pleitnotities van belanghebbende, waarin zij herhaalt dat [C] beschikte over eigen kantoorruimte met een oppervlakte van 1.120 m2 in 2000, garanties verstrekte aan banken voor leden van de groep in 2008 en een eigen officiële credit rating verwierf na 2008.
Zie de reactie van belanghebbende op X BV, punt 11.
Zie de conclusie van A-G Wattel van 29 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:666, punt 6.11.
Rechtbank Gelderland 4 oktober 2018, nrs. AWB 16/2827 en AWB 16/2828, ECLI:NL:RBGEL:2018:4420, rov. 33.
Hoewel de kernoverweging met het oordeel van het Hof in rov. 4.9 dit laatste (“bij de wijze waarop (…) de NV”) niet met zoveel woorden vermeld, is voor deze wijze van lezing van het oordeel van het Hof bovendien steun te vinden in de bredere context van die overweging, waaronder rov. 4.6 en 4.7 met de weergave van het standpunt van de Inspecteur. Uit die weergave volgt dat de Inspecteur zich niet zozeer richt op de algemene functie van [C] binnen het concern, maar vooral op de onderhavige lening en de rol van [C] daarbij. Tegen die achtergrond past bij de door mij voorgestane lezing ook dat het Hof zich in de rest van rov. 4.9 vooral richt op de omleiding van de geldstromen via [C] en niet zozeer op [C] in het algemeen.
HvJ 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822, BNB 2025/6 m.nt. Wattel, FED 2024/125 m.nt. Marres, NLF 2024/2342 m.nt. Boei, NTFR 2024/1662 m.nt. Korving, V-N 2024/47.10 m.nt. redactie.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.6.1.
Zie X BV, punt 39.
Idem, punt 40.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.6.1.
Conclusie van A-G Emiliou 14 maart 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:238, NLF 2024/0791 m.nt. Bobeldijk, NJB 2024/621, NTFR 2024/754 m.nt. Albert, V-N 2024/18.9 m.nt. redactie.
In de conclusie van A-G Emiliou lees ik nog dat de Nederlandse regering heeft toegegeven ter terechtzitting dat wél in grensoverschrijdende gevallen – maar blijkbaar níet in interne gevallen – een toereikende heffing mist als het niet-ingezeten lichaam in aanmerking komt voor een fiscale voorkeursregeling, zoals in dit geval [C] . Zie de conclusie van A-G Emiliou, punt 53.
Vgl. Marres in FED 2024/125, punt 4.
Zie X BV, punt 3.
HvJ 7 april 2022, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö, C-342/20, ECLI:EU:C:2022:276, na conclusie A-G Saugmandsgaard Øe.
Zie Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö, punten 52-54. Vgl. ook HvJ 16 december 2021, UBS Real Estate, gevoegde zaken C-478/19 en C-479/19, ECLI:EU:C:2021:1015, punten 38 en 41-42.
HvJ 9 september 2021, Real Vida Seguros, C-449/20, ECLI:EU:C:2021:721.
Zie Real Vida Seguros, punt 19.
HvJ 3 maart 2020, Tesco-Global Áruházak, C-323/18, ECLI:EU:C:2020:140, na conclusie A-G Kokott.
Zie Tesco-Global Áruházak, punt 67.
Zie Tesco-Global Áruházak, punt 68.
Zie HvJ 5 februari 2014, Hervis Sport-és Divatkereskedelmi, C-385/12, ECLI:EU:C:2014:47, na conclusie A-G Kokott, punt 39; HvJ 26 april 2018, ANGED, gevoegde zaken C-236/16 en C-237/16, ECLI:EU:C:2018:291, na conclusie A-G Kokott, punt 18; HvJ 3 maart 2020, Vodafone Magyarország, C-75/18, ECLI:EU:C:2020:139, na conclusie A-G Kokott, punt 43; Tesco-Global Áruházak, punt 63; HvJ 21 december 2023, Cofidis, C-340/22, ECLI:EU:C:2023:1019, na conclusie A-G Pikamäe, punt 42.
Vgl. X BV, punt 45. Vgl. ook de conclusie van A-G Emiliou, punt 44.
Zie X BV, punten 50-52.
Zie HvJ 22 februari 2018, X BV en X NV, gevoegde zaken C-398/16 en C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, na conclusie A-G Campos Sánchez-Bordona, punten 46 en 48.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.6.3-3.6.4.
Zie X BV, punten 60-61. Zie ook de conclusie van A-G Emiliou, punten 57-58.
Zie X BV, punt 64. Zie ook de conclusie van A-G Emiliou, punten 60 en 62.
Vgl. Marres in FED 2024/125, punt 8, die opmerkt dat de tegenbewijsregeling, zoals het Hof van Justitie haar begrijpt, inhoudt dat de belastingplichtige moet aantonen dat de lening en rechtshandeling gerechtvaardigd zijn door zakelijke overwegingen en zonder de bijzondere betrekkingen hadden kunnen worden overeengekomen. Ook hij werpt de vraag op wat wordt bedoeld met een schuld die niet zou zijn aangegaan zonder bijzondere betrekkingen tussen de betrokken lichamen, al lijkt hij deze vraag meer te betrekken op HR BNB 2023/2 dan op X BV zelf. Zie FED 2024/125, punt 11.
Vgl. HvJ 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799, na conclusie A-G Bobek, punt 34 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie de conclusie van A-G Emiliou, punt 71.
HvJ 20 januari 2021, Lexel AB, C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.7.5 in samenhang gelezen met rov. 3.7.2.
HvJ 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, ECLI:EU:C:2007:161, na conclusie A-G Geelhoed.
HvJ 21 december 2023, BMW Bank, C-38/21, gevoegde zaken C-38/21, C-47/21 en C-232/21, ECLI:EU:C:2023:1014, na conclusie A-G Collins.
Zie onder meer Wattel in BNB 2025/6, punten 13-18; Marres in FED 2024/125, punt 9; Boei in NLF 2024/2342, onder ‘Bestrijding van misbruik’; Korving in NTFR 2024/1662, onder ‘Fiscale eenheid?’ en ‘Zakelijke rente of zakelijke constructie?’; en de redactie in V-N 2024/47.10, onder ‘Relatie met het Lexel-arrest’. Zie ook Wisman in V-N 2024/46.0. Zie uitgebreid S.H.P.J. Adriaans, ‘Art. 10a Wet Vpb 1969 en Unierecht: wat weten we (niet)?’, MBB 2025/5, paragraaf 3.2.
Vgl. Wattel in BNB 2025/6, punt 9, die afleidt uit X BV dat de vrijheid van vestiging zich niet verzet tegen volledige weigering van aftrek van rente op een schuld die zelf (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie is, ongeacht of de voorwaarden marktconform zijn en ongeacht of het gaat om een externe acquisitie of interne verhanging. Hij merkt op dat het HvJ daarmee zijn A-G volgt in uitkomst maar niet in motivering. Vgl. ook Adriaans, ‘Art. 10a Wet Vpb 1969 en Unierecht: wat weten we (niet)?’, MBB 2025/5, paragraaf 3.2. Ook zij leidt uit X BV af dat marktconforme voorwaarden niet per definitie uitsluiten dat een schuld wordt aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie. Zij merkt op dat het HvJ weliswaar een eigen weg bewandelt (in de motivering) maar de slotsom overeenkomt met die van A-G Emiliou.
NLF 2024/2342, onder ‘Uitstraling naar artikel 10a Wet VpB 1969’.
V-N 2024/47.10, onder ‘Relatie met het Lexel-arrest’.
Anders vermoedelijk: Korving in NTFR 2024/1662, onder ‘Zakelijke rente of zakelijke constructie?’.
MBB 2025/5, paragraaf 4.2.
Zie HR BNB 2023/2, rov. 3.7.8 in samenhang gelezen met 3.7.6.
Conclusie van A-G Emiliou 14 maart 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:238, NLF 2024/0791 m.nt. Bobeldijk, NJB 2024/621, NTFR 2024/754 m.nt. Albert, V-N 2024/18.9 m.nt. redactie
FED 2024/125, punt 11.
Zie de conclusie van A-G Wattel van 22 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1846.
Vgl. Marres, Winstdrainage door renteaftrek: artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Fiscale Monografieën nr. 113), Deventer: Wolters Kluwer 2020 (derde druk), p. 173-175.
Zie de reactie van belanghebbende op X BV, punten 3-7.
Uitspraak 02‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; art. 10a, lid 1, aanhef en letter c, Wet Vpb 1969; recht op aftrek van rente die voldoet aan het at arm’s length beginsel; uitleg arrest HvJ 20 januari 2021, Lexel AB, ECLI:EU:C:2021:34; prejudiciële vragen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/03948
Datum 2 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2020, nr. 18/010491., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 16/2827 en AWB 16/2828), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 21a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. van Scharrenburg, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.Namens partijen is de zaak mondeling toegelicht, voor belanghebbende door G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 juni 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.2.De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.De Hoge Raad heeft partijen in kennis gesteld van zijn voornemen het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een prejudiciële beslissing te geven. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.1 De enig aandeelhouder van belanghebbende is de in België gevestigde [A] N.V. (hierna: [A] ). De eveneens in België gevestigde [B] N.V. (hierna: [B] ) hield in het jaar 2000 39 procent van de aandelen in [A] en vanaf 22 december 2002 44,47 procent van die aandelen. De overige aandelen in [A] waren in handen van het publiek (beursgenoteerd in Brussel).
2.1.2 Tot de [B] / [A] -groep behoort een in België gevestigde vennootschap die in de jaren 1999 tot en met 2010 aldaar voor fiscale doeleinden de status van ‘coördinatiecentrum’ had (hierna: [C] . Coördinatiecentra genoten in België een bijzonder fiscaal regime. Onder meer werd de belastbare winst van een coördinatiecentrum forfaitair bepaald aan de hand van de ‘cost plus’-methode en behoefde een coördinatiecentrum geen roerende voorheffing op rentebetalingen in te houden, terwijl de ontvangende vennootschap wel recht had op verrekening dan wel teruggaaf van een fictieve roerende voorheffing.In het jaar 2000 hield [A] 53,05 procent van de aandelen in [C] en [B] de resterende 46,95 procent van die aandelen. Vanaf 22 december 2002 beliepen deze belangen 64,3 procent onderscheidenlijk 27,8 procent. Vanaf die datum was de resterende 7,9 procent van de aandelen in [C] in handen van diverse derden-aandeelhouders.
2.1.3 Op 14 maart 2000 verkreeg belanghebbende van derden 72 procent van de aandelen in N.V. [F] (hierna: [F] ) en verkreeg [A] van deze derden de resterende 28 procent van die aandelen. Op 13 juli 2000, na vaststelling van de definitieve aankoopprijs van de aandelen in [F] , deed belanghebbende aan diezelfde derden nog een extra betaling.
2.1.4 Belanghebbende heeft de hiervoor in 2.1.3 bedoelde transacties gefinancierd met leningen die zij heeft opgenomen bij [C] . Deze leningen heeft [C] verstrekt uit eigen vermogen dat het telkens kort daarvoor verkreeg via een kapitaalstorting door [A] .
2.2.1 Voor het Hof was onder meer in geschil of de renteaftrekbeperking van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor het jaar 2007; hierna: de Wet) in strijd is met (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden.
2.2.2 Het Hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Hiertoe is het Hof veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a van de Wet een belemmering van die vrijheden inhoudt en heeft het, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, geoordeeld dat voor die belemmering een rechtvaardiging bestaat. De regeling van artikel 10a van de Wet heeft naar het oordeel van het Hof als doel te voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag als gevolg van misbruik wordt uitgehold door op de winst rentelasten in mindering te brengen, terwijl tegenover die rentelasten niet op enig moment een reële belastingheffing plaatsvindt. Naar zijn oordeel gaat die regeling niet verder dan noodzakelijk is, omdat artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet aan de belastingplichtige de mogelijkheid biedt om aannemelijk te maken dat de keuze voor financiering door middel van een lening van een verbonden lichaam zakelijk is.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
De middelen I, II, IV en VI en middel III voor zover hierna niet behandeld, kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen I, II, IV en VI en middel III in zoverre is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.2
Voor zover de middelen III en V zich richten tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof, lenen zij zich voor gezamenlijke behandeling.
a) De regeling van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet
3.3
De tekst van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, in de versie die van toepassing is op het geval van belanghebbende, is in de bijlage bij dit arrest weergegeven.
3.3.1
Volgens artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet komen bij het bepalen van de winst onder meer niet in aftrek renten ter zake van schulden aangegaan bij een verbonden lichaam, voor zover die schulden verband houden met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam is. Aftrek van rentelasten is echter wel mogelijk indien de belastingplichtige bewijst (aannemelijk maakt) dat zich een van de in artikel 10a, lid 3, van de Wet bedoelde situaties voordoet.
3.3.2
Artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet bepaalt dat het eerste lid geen toepassing vindt indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling (de verwerving of uitbreiding van het belang) in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. In dat geval is aftrek van rentelasten ter zake van de desbetreffende schuld wel mogelijk.Volgens artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet vindt dat eerste lid evenmin toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat bij degene aan wie de rente is verschuldigd, over die rente per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is. Volgens de slotzin van die bepaling is een naar de winst geheven belasting naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10 procent over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst. Ook in dat geval is aftrek van rentelasten mogelijk.
3.3.3
In artikel 10a, lid 4, van de Wet is – voor zover hier relevant – bepaald dat voor de toepassing van artikel 10a van de Wet als een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt aangemerkt (a) een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, (b) een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang in de belastingplichtige heeft, en (c) een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige.
3.4.1
Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat pas na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt (hierna: externe acquisitie), in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen als bedoeld in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet. Hetzelfde heeft te gelden voor de in artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet omschreven schulden die verband houden met een externe acquisitie en die zijn aangegaan bij een verbonden lichaam.
3.4.2
Voor de financiering van een externe acquisitie geldt een uitzondering op het hiervoor in 3.4.1 bedoelde uitgangspunt indien de voor die acquisitie aangewende middelen zijn ‘omgeleid’, dat wil zeggen dat die middelen door het verbonden lichaam waarbij de belastingplichtige de desbetreffende schulden is aangegaan, niet rechtstreeks aan de belastingplichtige zijn verstrekt maar afkomstig zijn uit middelen die eerder waren verkregen van de belastingplichtige zelf of van een ander met de belastingplichtige verbonden lichaam.In zo’n geval is aftrek van rentelasten op die schulden op grond van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet alleen mogelijk indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan die omleiding van de voor de externe acquisitie aangewende middelen (een zogenoemde zakelijke omleiding). Daarmee heeft de belastingplichtige het in die bepaling bedoelde bewijs, zoals hiervoor in 3.3.2, eerste alinea, omschreven, geleverd.Maakt de belastingplichtige daarentegen zodanige zakelijke overwegingen niet aannemelijk en heeft hij dus niet het hiervoor bedoelde bewijs geleverd, dan moet worden aangenomen dat de omleiding kunstmatig en dus onzakelijk is (een zogenoemde onzakelijke omleiding).3.Dan is aftrek van rentelasten niet mogelijk, behoudens de eventuele toepassing van het hiervoor in 3.3.2, tweede alinea, weergegeven artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet.
b) Doel en strekking van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet
3.5
Met artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet wordt beoogd tegen te gaan dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door middel van rente die is verschuldigd op een schuld die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan.4.Dat is het geval indien binnen een groep van verbonden lichamen de wijze van financiering van een zakelijk gefundeerde transactie in zodanige mate door fiscale motieven – uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag – is ingegeven dat daarvan rechtshandelingen deel uitmaken die niet noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van die zakelijk gefundeerde doeleinden en die niet zouden zijn verricht zonder die fiscale motieven.5.Het gaat bij de regeling van artikel 10, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet dus niet om grondslaguitholling door excessieve rentelasten, maar om uitholling door gekunsteld opgeroepen rentelasten. De hiervoor in 3.3.2 weergegeven bewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet ziet om die reden niet op de marktconformiteit van de overeengekomen voorwaarden van de aangegane schuld, maar op de reële financieringsfunctie zonder kunstmatige (onzakelijke) omleiding van de schuld. Daarom is in de gevallen waarin de hiervoor in 3.4.2 bedoelde omleiding zich voordoet, aftrek van rentelasten wel mogelijk indien aannemelijk is dat in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de wijze van financiering (zakelijke omleiding).
c) Betekenis van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet in grensoverschrijdende situaties
3.6.1
De in artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet voorziene uitsluiting van de aftrek van rentelasten is een maatregel die van toepassing is ongeacht of de desbetreffende schulden zijn aangegaan bij een met de belastingplichtige verbonden lichaam dat ingezetene van Nederland is, dan wel bij een met hem verbonden lichaam dat niet ingezeten is. Een maatregel die zonder onderscheid voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers geldt, kan toch een beperking van (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden inhouden wanneer die maatregel grensoverschrijdende situaties in feite kan benadelen.6.De uitsluiting van de aftrek van rentelasten op grond van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet is zo’n maatregel. Indien de desbetreffende schulden zijn aangegaan bij een ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam, zal dit lichaam in het algemeen voldoen aan het in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet neergelegde vereiste dat bij dit lichaam over de rente per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven die naar Nederlandse maatstaven redelijk is. In dat geval is dus in het algemeen alleen al daarom aftrek van rentelasten mogelijk. Aan dat vereiste zal een niet-ingezeten, met de belastingplichtige verbonden lichaam feitelijk minder vaak voldoen dan een ingezeten, met hem verbonden lichaam. Indien het niet-ingezeten, met hem verbonden lichaam niet aan deze eis voldoet, is aftrek van rentelasten slechts mogelijk indien wordt voldaan aan het in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet neergelegde vereiste dat aan de desbetreffende schulden en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Hieruit volgt dat artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet een beperking kan inhouden van (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden.
3.6.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, is de Hoge Raad van oordeel dat artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet specifiek ertoe strekt gedragingen van twee of meer met elkaar verbonden lichamen te verhinderen, die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (hierna: volstrekt kunstmatige constructies). De voorwaarden om het bewijs als bedoeld in artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a of b, van de Wet te leveren, en aldus aftrek van rentelasten te effectueren, zijn naar het oordeel van de Hoge Raad niet zodanig bezwarend, dat deze mogelijkheid geen daadwerkelijke betekenis heeft.7.
3.6.3
Op grond van hetgeen hiervoor in 3.6.2 is overwogen, is de Hoge Raad van oordeel dat artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet blijft binnen de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn rechtspraak gestelde grenzen voor een wettelijke bepaling die (een van) de in artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden beperkt.8.Naar het oordeel van de Hoge Raad wordt die beperking namelijk gerechtvaardigd door haar specifieke doelstelling, te weten bestrijding van belastingfraude en -ontwijking, en is deze beperking daartoe proportioneel.
3.6.4
Hetgeen hiervoor in 3.6.3 is overwogen, vindt bevestiging in het arrest van het Hof van Justitie van 22 februari 2018, X BV en X NV, gevoegde zaken C-398/16 en C-399/169.(hierna: het arrest X BV en X NV). In dat arrest heeft het Hof van Justitie aangenomen dat met de regeling van artikel 10a, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet (tekst 2004) onmiskenbaar het doel wordt nagestreefd om te verhinderen dat volstrekt kunstmatige constructies worden opgezet.10.Voorts heeft het Hof van Justitie in datzelfde arrest aangenomen dat dit doel uitdrukkelijk wordt bevestigd door de bepaling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet die inhoudt dat renten ter zake van een geldlening alleen in aftrek mogen worden gebracht wanneer aan de groepsinterne transactie zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.11.De – tot het onderhavige jaar geldende – regeling van artikel 10a, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet correspondeert met de in het onderhavige jaar geldende regeling van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet. Een verschil is wel dat de eerstgenoemde regeling alleen betrekking had op, kort gezegd, de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat daaraan voorafgaand al een met de belastingplichtige verbonden lichaam was (hierna: een interne verhanging) en de laatstgenoemde regeling betrekking heeft op zowel een interne verhanging als een externe acquisitie. Dit verschil is naar het oordeel van de Hoge Raad in het licht van de doelstelling van de regeling niet wezenlijk met het oog op de beoordeling van de verenigbaarheid van de regeling met (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden.De in het onderhavige jaar geldende regeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet is nagenoeg gelijkluidend aan die welke aan de orde was in het arrest X BV en X NV.
d) Betekenis van het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2021, Lexel AB, C-484/19
3.7.1
In gevallen waarin artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet toepassing vindt, wordt de aftrek van rentelasten ter zake van de in deze bepaling omschreven schulden volledig geweigerd, ook indien die rentelasten gelijk zijn aan de rentelasten die zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen. De middelen III en V stellen in dit verband de vraag aan de orde of uit het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2021, Lexel AB, C-484/1912.(hierna: het arrest Lexel), moet worden afgeleid dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan, geen volstrekt kunstmatige constructies vormen.
3.7.2
De Hoge Raad is in zijn rechtspraak over artikel 10a van de Wet ervan uitgegaan dat schulden die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen zijn aangegaan, volstrekt kunstmatige constructies vormen, ook als op zichzelf beschouwd de rentelasten op die schulden gelijk zijn aan de rentelasten die zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen. Het risico dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door middel van rentelasten die zijn verschuldigd op zulke schulden, is namelijk hetzelfde, ongeacht of de rentelasten op deze schulden overeenkomen met de rentelasten die zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.
3.7.3
In het arrest Lexel gaat het om een Zweedse wettelijke regeling, die inhoudt dat rente-uitgaven niet mogen worden afgetrokken indien de belangrijkste reden voor het ontstaan van de schuld erin bestaat een groep verbonden ondernemingen een aanzienlijk belastingvoordeel te verschaffen. Naar het oordeel van het Hof van Justitie kan de rechtvaardigingsgrond die verband houdt met de bestrijding van belastingfraude en ontwijking niet worden aanvaard voor die Zweedse wettelijke regeling. In punt 56 van het arrest Lexel heeft het Hof van Justitie hiertoe redengevend geacht dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan en dus geen volstrekt kunstmatige constructies vormen, binnen de werkingssfeer van de Zweedse wettelijke regeling kunnen vallen.
1) Volstrekt kunstmatige constructies
3.7.4
De Hoge Raad legt het arrest Lexel aldus uit dat het Hof van Justitie niet heeft beslist dat transacties, zoals het aangaan van schulden bij een met de belastingplichtige verbonden lichaam, per definitie geen volstrekt kunstmatige constructies vormen indien zij tegen marktconforme voorwaarden tot stand zijn gekomen.
3.7.5
De hiervoor in 3.7.4 omschreven uitleg van het arrest Lexel wordt in de fiscale vakliteratuur13.niet unaniem gedeeld. Er wordt in die literatuur ook wel de mening verdedigd dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan, alleen al om die reden geen volstrekt kunstmatige constructies vormen. Steun voor die mening wordt onder meer ontleend aan de hiervoor in 3.7.3 genoemde redengeving in punt 56 van het arrest Lexel dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan, “dus geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies vormen”, in het bijzonder aan het daarin voorkomende woord dus. Verdedigd wordt dat als de voorwaarden van een groepsinterne lening ‘at arm’s length’ zijn, in geen geval van misbruik kan worden gesproken.Raadpleging van punt 56 in andere taalversies dan de Nederlandse geeft geen aanwijzingen die deze mening evident weerleggen.Dit een en ander doet bij de Hoge Raad de twijfel rijzen of zijn hiervoor in 3.7.2 weergegeven opvatting juist is. Die opvatting komt erop neer dat schulden die geen verband houden met de economische realiteit en slechts zijn bedoeld om een aftrekbare last te creëren, een volstrekt kunstmatig karakter hebben, ook als zulke schulden tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan.
2) Volledige uitsluiting van renteaftrek
3.7.6
Volgens de hiervoor in 3.7.2 weergegeven opvatting van de Hoge Raad is de in artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet voorziene uitsluiting van renteaftrek, in het licht van de bewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letters a en b, van de Wet, beperkt tot gevallen waarin schulden moeten worden aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie. Het strookt met het kunstmatige karakter van zulke schulden dat de aftrek van rente ter zake van die schulden geheel wordt geweigerd. Aldus richt de bestrijding van ontwijking van Nederlandse belasting zich op het wegnemen van het volledige effect van de belastingontwijking voor de heffing van die belasting, dus op het wegnemen van het belastingvoordeel dat er zonder die kunstmatig in het leven geroepen schuld in het geheel niet zou zijn geweest. Daarom is de Hoge Raad in eerdere rechtspraak ervan uitgegaan dat in die weigering van de aftrek van rente geen onevenredigheid schuilt die maakt dat de regeling in zoverre in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.14.
3.7.7
Zoals hiervoor in 3.7.3 is overwogen, heeft het Hof van Justitie in het arrest Lexel beoordeeld of de rechtvaardigingsgrond die verband houdt met de bestrijding van belastingfraude en ontwijking kan worden aanvaard voor de Zweedse wettelijke regeling. Bij deze beoordeling heeft het Hof van Justitie in punt 51 van het arrest Lexel de regel herhaald dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel vereist dat de weigering van het recht op aftrek wordt beperkt tot het deel van de rente dat uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen.15.
3.7.8
De Hoge Raad is van oordeel dat het hiervoor in 3.7.7 bedoelde Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel zich niet ertegen verzet dat de aftrek van rente geheel wordt geweigerd in gevallen waarin de lening binnen een groep van verbonden lichamen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor het verwezenlijken van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan.16.Gezien hetgeen hiervoor in 3.5 en 3.7.6 is overwogen, is de Hoge Raad van oordeel dat de in artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet voorziene uitsluiting van de aftrek van rente is beperkt tot zulke gevallen.Gelet op punt 51 van het arrest Lexel, alsmede in aanmerking genomen het – op een herfinanciering betrekking hebbende – arrest van het Hof van Justitie van de Europese Vrijhandelsassociatie van 1 juni 2022, PRA Group Europe AS,17.is het evenwel niet zonder twijfel dat die opvatting van de Hoge Raad juist is.
3.7.9
Zoals hiervoor in 3.6.3 is overwogen, heeft artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet betrekking op zowel een interne verhanging als een externe acquisitie. Volgens het arrest Lexel is de Zweedse wettelijke regeling van toepassing op de financiering van een interne verhanging.18.Uit het arrest Lexel kan niet worden opgemaakt of het Hof van Justitie bij de beoordeling of de Zweedse wettelijke regeling is gerechtvaardigd, van belang heeft geacht dat deze regeling zich niet uitstrekt tot een externe acquisitie. Dit doet bij de Hoge Raad twijfel rijzen of die omstandigheid van belang is voor het antwoord op de vraag of een door artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet optredende beperking van (een van) de in de artikelen 49, 56 en 63 VWEU neergelegde vrijheden wordt gerechtvaardigd door haar specifieke doelstelling, te weten bestrijding van belastingfraude en -ontwijking.
e) Prejudiciële vraagstelling
3.8
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.7.5, 3.7.8 en 3.7.9 is overwogen, zal de Hoge Raad op de voet van artikel 267 VWEU de hierna vermelde vragen voorleggen aan het Hof van Justitie.
4. Beslissing
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak te doen over de volgende vragen:
1. Moeten de artikelen 49, 56 en/of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de rente ter zake van een leenschuld aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam, welke schuld verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is, bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige niet in aftrek komt omdat de desbetreffende schuld moet worden aangemerkt als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie, ongeacht of de desbetreffende schuld op zichzelf beschouwd tegen marktconforme voorwaarden is aangegaan?
2. Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt, moeten de artikelen 49, 56 en/of 63 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op grond waarvan de rente ter zake van een als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie aangemerkte leenschuld aan een met de belastingplichtige verbonden lichaam, welke schuld verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een verbonden lichaam is, bij het bepalen van de winst van de belastingplichtige volledig in aftrek wordt geweigerd, ook voor zover die rente op zichzelf beschouwd niet uitgaat boven het bedrag dat zou zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen?
3. Maakt het voor de beantwoording van de vragen 1 en/of 2 verschil of de desbetreffende verwerving of uitbreiding van het belang betrekking heeft (a) op een lichaam dat al voorafgaand aan deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam was, dan wel (b) op een lichaam dat pas na deze verwerving of uitbreiding een met de belastingplichtige verbonden lichaam wordt?
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
Bijlage
Artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst geldend in 2007)
1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon, voor zover die schulden rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met een van de volgende rechtshandelingen:
a. een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal door de belastingplichtige of door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen, aan een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon;
b. een kapitaalstorting door de belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een met hem verbonden lichaam;
c. de verwerving of uitbreiding van een belang door de belastingplichtige, door een met hem verbonden lichaam dat aan deze belasting is onderworpen of door een met hem verbonden natuurlijk persoon die in Nederland woont, in een lichaam dat na deze verwerving of uitbreiding een met hem verbonden lichaam is.
2. Van een verband als bedoeld in het eerste lid tussen een schuld en een rechtshandeling kan ook sprake zijn indien de schuld is aangegaan na het verrichten van de rechtshandeling.
3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat:
a. aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; of
b. over de rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het jaar waarin de schuld is aangegaan waardoor over de rente per saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is verschuldigd, behoudens ingeval aannemelijk is dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan. Een naar de winst geheven belasting is naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.
4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 10, 10d, 13, 13a, 13b, 13ba, 13c, 13d, 13e, 13j, 13k, 14, 14a, 17a, 20, 28 en 33 wordt als een met de belastingplichtige verbonden lichaam aangemerkt:
a. een lichaam waarin de belastingplichtige voor ten minste een derde gedeelte belang heeft;
b. een lichaam dat voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige;
c. een lichaam waarin een derde voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, terwijl deze derde tevens voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in de belastingplichtige. Daarbij wordt een belang dat wordt gehouden door de echtgenoot of een minderjarig kind van een natuurlijk persoon aan die persoon toegerekend. Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld de ongehuwde meerderjarige die ingevolge artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan kwalificeren als partner. Onder een kind wordt mede verstaan een kind van een echtgenoot alsmede een pleegkind.;
d. een lichaam dat met de belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15a, tenzij het de toepassing betreft van artikel 10d.
Onze Minister kan op verzoek van een samenwerkende groep van niet-verbonden lichamen de inspecteur machtigen, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, deze groep aan te merken als verbonden lichamen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
5. Als een met de belastingplichtige verbonden natuurlijk persoon wordt aangemerkt:
a. voor de toepassing van dit artikel: een natuurlijk persoon die voor tenminste een derde gedeelte een belang heeft in de belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam;
b. voor de toepassing van de artikelen 13b en 13ba: een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, voor tenminste een derde gedeelte een belang heeft in de belastingplichtige of in een met hem verbonden lichaam, alsmede de echtgenoot van deze persoon en een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van deze persoon. Een pleegkind, een echtgenoot van een pleegkind en een pleegouder worden daarbij gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten. Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld de ongehuwd meerderjarige die ingevolge artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan kwalificeren als partner.
6. Een met de belastingplichtige verbonden lichaam als bedoeld in het vierde lid wordt, indien die belastingplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, tevens aangemerkt als een met de andere van die fiscale eenheid deel uitmakende belastingplichtigen verbonden lichaam.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑09‑2022
Zie HR 5 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1460, rechtsoverweging 3.1.3.
Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.8.2.2.
Vgl. Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 8, p. 46.
Vgl. HvJ 30 januari 2020, Köln-Aktienfonds Deka, C-156/17, ECLI:EU:C:2020:51, punt 55 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.8.2.2.
Vgl. HvJ 21 januari 2010, Société de Gestion Industrielle SA (SGI), C-311/08, ECLI:EU:C:2010:26, punt 71.
Zie het arrest X BV en X NV, punten 46 en 48.
Zie het arrest X BV en X NV, punt 48.
Zie bijvoorbeeld de onderdelen 7.7, noot 66, en 7.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Vgl. HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0739, rechtsoverweging 3.4, en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1350, rechtsoverweging 2.8.2.2.
Zie het arrest Lexel, punt 51.
Vgl. HvJ 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, ECLI:EU:C:2007:161, punt 81, en HvJ 21 januari 2010, SGI, C-311/08, ECLI:EU:C:2010:26, punt 72.
HvJ EVA 1 juni 2022, PRA Group Europe AS, E-3/21, in het bijzonder punt 52.
Zie het arrest Lexel, punt 9.
Conclusie 29‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Intern gefinancierde externe acquisitie; eigen vermogen gestort in Belgisch coördinatiecentrum dat dooruitleent aan de Nederlandse overnameholding; renteaftrekweigering (art. 10a Wet Vpb); overgangsrecht bij integratie van art. 15ad in art. 10a Wet Vpb; ontsmetting door voeging van target en overnemer? Volstrekt kunstmatige constructie? Aftrekweigering in strijd met EU-recht? Schending rechtszekerheidsbeginsel? Feiten: De belanghebbende is een 100%-dochter van de in België gevestigde [A] NV, die voor 44,47% wordt gehouden door de eveneens Belgische [B] NV. De overige aandelen [A] zijn publiek. Onderdeel van het concern is een Belgisch coördinatiecentrum ([C]). In 1999 hebben de belanghebbende en [A] 72% resp. 28% van de aandelen in een Nederlandse target gekocht. Later heeft de belanghebbende ook de 28% door [A] gekochte aandelen in target overgenomen. De acquisitie is gefinancierd met drie leningen verstrekt uit eigen vermogen van [C] verkregen door kapitaalstortingen door [A] met het oog op deze acquisitie. De belanghebbende heeft de rente op lening III in 2002 t/m 2006 niet afgetrokken op grond van haar standpunt dat die onder art. 15(4) (2002) resp. art. 15ad (2003 t/m 2006) Wet Vpb viel. In 2007 heeft zij die rente alsnog afgetrokken, evenals de in 2007 op de leningen I en II betaalde rente. In geschil is de renteaftrek op alle drie de leningen. De Rechtbank Gelderland en het Hof Arnhem-Leeuwarden achtten de rente 2002-2006 op lening III niet in aftrek getemporiseerd ex art. 15ad, maar überhaupt niet-aftrekbaar op grond van art. 10a Wet Vpb omdat lening III een interne verhanging financierde die ook vóór 2007 al als besmet werd aangemerkt. Voeging van de target met de belanghebbende veranderde huns inziens het karakter van de leningen niet, zodat de leningen niet daardoor ontsmet zijn. Gegeven de vastgestelde feiten en omstandigheden achtten zij belastingbesparing aannemelijk als doorslaggevende reden voor de omleiding en omzetting van [A]’s eigen vermogen in vreemd vermogen via [C]. De belanghebbende is niet geslaagd in het bewijs van zakelijkheid van de financieringsomweg. Zo aftrekweigering de vrijheid van vestiging zou belemmeren, achtten zij dat gerechtvaardigd op grond van de noodzaak van misbruikbestrijding. Ook het beroep op het EU-rechtelijke rechtszekerheidsbeginsel is verworpen omdat het de wetgever vrijstaat om met onmiddellijke werking wetgeving te introduceren die misbruik tegengaat. In cassatie stelt de belanghebbende zes middelen voor: (i) de rente op lening III viel in 2002-2006 wel degelijk onder art. 15ad Wet Vpb en komt daarom volgens het overgangsrecht in 2007 alsnog in aftrek; (ii) na voeging van target met de belanghebbende geldt art. 10a Wet Vpb niet meer omdat de leningen fiscaal onzichtbaar zijn geworden; (iii) en (iv): onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat het door art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste bewijs van zakelijkheid niet is geleverd. De tegenbewijsregeling moet worden toegepast conform het misbruikconcept van het HvJ opdat alleen volstrekt kunstmatige constructies worden getroffen. Het Hof heeft de bewijslast verkeerd verdeeld (de fiscus hoefde geen begin van bewijs van misbruik te leveren), een onjuiste maatstaf aangelegd (te ruime opvatting van ‘volstrekt kunstmatig’) en zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd; (v) de compenserende-heffingtoets schendt de EU-vrijheden van vestiging, dienstverlening en kapitaal door onderscheid op basis van effectief belastingtarief; (iv) het EU-rechtelijke rechtszekerheids-beginsel is geschonden door de onmiddellijke werking van de overheveling in 2007 van art. 15ad (oud) naar art. 10a Wet Vpb. A-G Wattel meent dat middel (i) strandt omdat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever vanaf 2007 externe acquisities van lichamen die na aankoop worden gevoegd met hun overnemer onder de rente-aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb wilde brengen en de feitenrechters hebben vastgesteld dat lening III een interne overname financierde, die ook vóór 2007 al onder art. 10a Wet Vpb viel. Ook middel (ii) strandt omdat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de overheveling van art. 15ad (oud) naar art. 10a Wet Vpb diende ter vereenvoudiging door uniformering en inhoudelijk slechts inhield (i) opening van de tegenbewijsmogelijkheid van art. 10a(3) Wet Vpb en (ii) vervanging van aftrektemporisering door aftrekweigering. Het civielrechtelijke verband tussen lening en verwerving blijft bestaan, ook na voeging. Middel (iii) acht A-G Wattel grotendeels beside the point omdat de realiteit van de vestiging en de activiteiten van [C] niet ter zake doen. Het gaat alleen om de redenen voor [A]’s storting van eigen vermogen in [C], gevolgd door uitlening van dat bedrag aan de belanghebbende om daarmee target te kopen. Er is geen overwegend commerciële verklaring gegeven voor de financieringsomweg langs [C] en de omzetting in vreemd vermogen. De A-G acht ‘s Hofs rechtskundige maatstaf en bewijslastverdeling correct en diens bewijsoordeel niet onbegrijpelijk, gegeven de vastgestelde feiten, de overgenomen delen van de Rechtbankuitspraak, en het ontbreken van bewijs waaruit overwegend niet-fiscale redenen kunnen volgen voor de omleiding en omzetting. Ook middel (v) is volgens de A-G grotendeels niet ter zake, nu art. 10a Wet Vpb geen onderscheid maakt naar vestigingsplaats, lidstaat of functie, maar op basis van besmettingscriteria bij specifieke, gelieerd gefinancierde transacties. Hij acht de compenserende-heffingtoets niet discriminatoir omdat (i) art. 10a(3)(b) geen onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende gevallen; (ii) geen EU-lidstaat een Vpb-tarief lager dan 10% heeft, (iii) de rente niet betaald werd aan een gelieerde vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting van een andere EU-lidstaat, maar aan een tax haven en (iv) art. 7(1)(b) ATAD (CFC-regel) een vergelijkbaar minimumtarief inhoudt. Ook het beroep op HvJ Lexel faalt zijns inziens omdat de Zweedse regeling, anders dan art. 10a Wet Vpb, onderscheid maakte en niet specifiek ten doel had volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden. Lexel ging bovendien (ten onrechte) enkel over de leningsvoorwaarden, terwijl in casu de zakelijkheid van de lening zelf in geschil is. Ook middel (vi) acht hij ongegrond omdat het de wetgever vrijstaat om anders over misbruik te gaan denken en voor de toekomst renteaftrek te weigeren óók ter zake van interne leningen die al liepen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde wet. Niets belette de belanghebbende om de financieringsstructuur vóór 2007 aan te passen. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/03948
Datum 29 juni 2021
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 1 januari 2007-31 december 2007
Nr. Gerechtshof 18/01049
Nr. Rechtbank AWB 16/2827
CONCLUSIE
P.J. Wattel
in de zaak van
[X] B.V.
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
1. Overzicht
1.1
De belanghebbende is een 100%-dochter van de in België gevestigde [A] NV, die voor 44,47% wordt gehouden door de eveneens Belgische [B] NV. De overige aandelen [A] zijn in het bezit van het publiek. Onderdeel van het concern is het Belgische coördinatiecentrum [C] NV ( [C] ).
1.2
In 1999 heeft [A] de aandelen in NV [F] ( [F] ) gekocht. De aandelen zijn op 14 maart 2000 juridisch geleverd, waarbij de belanghebbende 72% en [A] 28% van de aandelen [F] verkregen.
1.3
De belanghebbende heeft haar 72%-belang in [F] gefinancierd met een lening bij [C] (lening I). Op 22 mei 2000 heeft zij ook het 28%-belang van [A] in [F] overgenomen, 10%-punt tegen uitreiking van eigen aandelen aan [A] , de overige 18%-punt tegen betaling, geleend van ING (de ING-lening).
1.4
Na de vaststelling van de definitieve aankoopprijs heeft de belanghebbende nog een extra bedrag betaald, gefinancierd met een lening van [C] (lening II). Op 24 december 2002 is de ING-lening vervangen door een bij [C] opgenomen lening (lening III). Vanaf 1 januari 2001 is [F] gevoegd in een fiscale eenheid met de belanghebbende.
1.5
De leningen I, II en III zijn verstrekt uit eigen vermogen van [C] verkregen door met name twee kapitaalstortingen door [A] : in 1999 verkreeg [A] door storting een belang van 20,63% in [C] ; op 14 maart 2000 heeft zij dat belang vergroot naar 53,05% door een tweede kapitaalstorting ad ruim € 1,5 miljard met het oog op de verwerving van [F] .
1.6
Op grond van art. 15(4) (2002) resp. art. 15ad (2003 t/m 2006) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) heeft de belanghebbende de rente op lening III in de jaren 2002 t/m 2006 niet ten laste van haar belastbare winst gebracht. De rente op de andere leningen is in 2002 t/m 2006 bijgeschreven en, naar ik aanneem, in mindering gebracht op de winst (want tot 2007 was een externe overname geen besmette handeling).
1.7
In haar aangifte 2007 heeft de belanghebbende de rente op de leningen I, II en III in mindering gebracht op haar belastbare winst. De Inspecteur heeft die aftrek geweigerd. De belanghebbende heeft daartegen bezwaar en beroep ingesteld.
1.8
De feitenrechters achtten de rente op lening III in 2002 t/m 2006 niet aftrekbaar op grond van art. 10a Wet Vpb omdat die lening een interne verhanging (van [A] naar de belanghebbende) financierde, die ook vóór 2007 al besmet was, zodat die rente niet onder art. 15ad Wet Vpb viel, dus niet getemporiseerd werd en daarmee evenmin onder het overgangsrecht bij de afschaffing van art. 15ad Wet Vpb viel, zodat zij niet alsnog aftrekbaar werd in 2007. Zij meenden verder dat het karakter van de leningen niet is veranderd door [F] ’s voeging met de belanghebbende, zodat zij niet daardoor ontsmet werden. Gegeven de vastgestelde feiten en omstandigheden, achtten zij belastingbesparing aannemelijk als doorslaggevende reden voor de omleiding en omzetting van [A] ’s eigen vermogen in vreemd vermogen via [C] . Zij achtten de belanghebbende niet geslaagd in het bewijs van de zakelijkheid van die financieringwijze.
1.9
Zou de aftrekweigering de EU-vrijheid van vestiging belemmeren, dan achtten zij dat gerechtvaardigd op grond van de noodzaak van misbruikbestrijding. Ook een beroep op het EU-rechtelijke rechtszekerheidsbeginsel hebben zij verworpen omdat het de wetgever huns inziens vrijstaat om met onmiddellijke werking (zonder terugwerkende kracht) wetgeving te introduceren die misbruik tegengaat zonder bestaande rechtsverhoudingen te ontzien.
1.10
De belanghebbende stelt zes cassatiemiddelen voor. Middel (i) stelt dat de rente op lening III in 2002 t/m 2006 wel degelijk onder art. 15ad Wet Vpb viel en daarom op basis van het overgangsrecht in art. VIIIc Wet Werken aan winst alsnog in 2007 in aftrek komt. Aftrek kan haars inziens niet geweigerd worden door achteraf in 2007 in afwijking van belanghebbendes aangiften 2002 t/m 2006 beroep te doen op een bepaling (art. 10a(2)(b) (oud)) die in 2007 al niet meer bestond. De Inspecteur heeft geen beschikkingen genomen die de rente 2002 t/m 2006 anders kwalificeerde dan als art. 15ad-rente, zodat op grond van de rechtszekerheid de aangiften 2002 t/m 2006 gevolgd moeten worden.
1.11
Ik meen dat dit middel strandt. Uit de parlementaire geschiedenis van het vervallen van art. 15ad Wet Vpb blijkt dat de wetgever vanaf 2007 externe acquisities van lichamen die na aankoop worden gevoegd in een fiscale eenheid met hun overnemer/rentebetaler onder de rente-aftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb wilde brengen in plaats van zulke overnamerente nog langer te temporiseren. Daaruit volgt dat alleen externe overnamerente onder het overgangsrecht bij die wijziging viel. De feitenrechters hebben vastgesteld dat lening III is gebruikt voor een interne verhanging en hebben de rente daarom terecht ook vóór 2007 al niet-aftrekbaar geacht op grond van art. 10a Wet Vpb en dus niet getemporiseerd ex art. 15ad (oud). Zij hebben daarom terecht het overgangsrecht in art. VIIIc Wet Werken aan winst niet relevant geacht. Ook het beroep op de vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen is mijns inziens terecht afgewezen; de belanghebbende kan zich niet beroepen op haar eigen - volgens de feitenrechters inaccurate - aangiften 2002-2006. Dat de fiscus over die jaren niets heeft beschikt ter zake van de niet-afgetrokken rente, zegt rechtens slechts dat hij over die jaren te dier zake niets heeft beschikt. Van een (toerekenbare schijn van) bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur is niet gebleken. Dat de wetgever bij andere regelingen wél vaststellingsbeschikkingen wenste, zegt slechts dat de wetgever bij die andere regelingen wel vaststellingsbeschikkingen wenste; het zegt niet dat de belanghebbende er rechtens op kon vertrouwen dat als de wetgever wél ook ter zake van ex art. 15ad (oud) getemporiseerde rente beschikkingen zou hebben gewenst, zij dergelijke beschikkingen ook zou hebben ontvangen in plaats van aftrekweigeringen ex art. 10a(2)(b) (oud). Dat art. 10a(2)(b) (oud) in 2007 niet meer bestond, betekent uiteraard niet dat het in 2002-2006 niet gold, toen het nog wél bestond.
1.12
Middel (ii) betoogt dat door de voeging van [F] in de fiscale eenheid de leenschulden niet meer tegenover de vrijgestelde deelneming [F] staan, maar tegenover dier bezittingen, die belastbare winst genereren, zodat art. 10a Wet Vpb na de voeging niet meer geldt voor de na voeging immers fiscaal onzichtbaar geworden leningen. Uit de parlementaire geschiedenis van de overheveling van art. 15ad Wet Vpb (oud) naar art. 10a Wet Vpb blijkt echter dat die overheveling diende tot vereenvoudiging door uniformering en inhoudelijk slechts inhield (i) opening van dezelfde tegenbewijsmogelijkheid bij gelieerd gefinancierde acquisities als bij de andere in art. 10a besmet verklaarde gelieerd gefinancierde rechtshandelingen en (ii) vervanging, voor de toekomst, van de aftrektemporisering van art. 15ad (oud) door dezelfde aftrekweigering als bij de andere gelieerd gefinancierde rechtshandelingen in art. 10a als zakelijkheid niet aannemelijk wordt gemaakt. De wetgever wenste geenszins ontsmetting van besmette leningen bij voeging van de target met de overnemer. Dat zou zijn wet zinloos, want moeiteloos omzeilbaar maken en haaks staan op de strekking van art. 15ad (oud). Ook de literatuur en de feitenrechtspraak gaan daar van uit. Het civielrechtelijke verband tussen de lening en de verwerving van de aandelen blijft bestaan, ook na voeging in een fiscale eenheid. Ook middel (ii) strandt daarom mijns inziens.
1.13
De middelen (iii) en (iv) achten onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat het door art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs van zakelijkheid niet is geleverd, met name zijn oordeel over de financieringsfunctie van [C] . Die tegenbewijsregeling moet volgens haar worden toegepast conform het misbruikconcept van het HvJ opdat alleen volstrekt kunstmatige constructies worden getroffen. Zij acht evident dat [C] voldoende substance en duurzaamheid heeft om als reële vestiging beschouwd te worden en dat [C] een reële financieringsfunctie in het concern vervult. Het Hof heeft dan ook de bewijslast verkeerd verdeeld (de Inspecteur heeft geen begin van bewijs van misbruik geleverd), een onjuiste maatstaf aangelegd (veel te ruime invulling van ‘volstrekt kunstmatig’) en zijn oordeel niet of onvoldoende gemotiveerd met slechts twee zeer algemene overwegingen (4.8 en 4.9) zonder onderbouwing.
1.14
Middel (iii) lijkt mij grotendeels beside the point omdat de realiteit van de vestiging en de activiteiten van [C] niet ter zake doen. Het gaat niet om de substance of de algemene concernfunctie van [C] - in dat opzicht is HvJ Cadbury Schweppes ook irrelevant - maar om de vraag naar de redenen voor het omleiden van het eigen vermogen van [A] langs een tax haven en het aldaar omzetten in vreemd vermogen dat vervolgens verstrekt werd aan een met de target te voegen 100%-dochter van [A] , een en ander in plaats van rechtstreekse koop van de target door [A] . Het gaat om de zakelijkheid van de combinatie twee transacties: [A] ’s stortingen van eigen vermogen van in totaal bijna € 2 miljard in [C] , gevolgd door uitlening van in totaal eenzelfde bedrag door [C] aan de belanghebbende om daarmee [F] over te nemen. Belanghebbendes opsomming van [C] ’s concerndeugden waarop het Hof niet is ingegaan, geeft geen enkele commerciële verklaring voor die specifieke transacties, zodat het Hof daaraan voorbij kon gaan.
1.15
De bewijslast lijkt mij evenmin onjuist verdeeld. Sinds het geschiljaar 2007 noopt de wet de fiscus om minstens te bewijzen dat intern is geleend voor een interne of externe overname die tot gelieerdheid van de target leidt en de belanghebbende om te bewijzen dat die interne financiering zakelijk is. Dat de overname van [F] zakelijk was, is niet in geschil, zodat het gaat om de redenen voor het heen-en-weer van de binnengroepse financiering langs [C] . De belanghebbende gaat in op de reële financieringsbehoefte, maar het bestaan daarvan wordt niet bestreden en is geen commerciële verklaring van de financieringsomweg langs [C] , noch voor de omzetting in vreemd vermogen. Onverklaard is gebleven welke commerciële redenen er zouden zijn om aan die reële financieringsbehoefte te voldoen op zo’n - volgens de feitenrechters - omweggelijke wijze. De Inspecteur heeft volgens de feitenrechters voldoende laten zien dat de omleiding commercieel onverklaarbaar lijkt, zodat de gang van zaken smeekt om een niet-fiscale verklaring door de belanghebbende.
1.16
Zakelijkheid kan worden bewezen door (i) bewijs van parallellie met externe financiering of (ii) bewijs van zakelijke motieven voor de geleiding van eigen vermogen langs een feitelijke of synthetische tax haven. Schuldparallellie is niet aan de orde, zodat op de belanghebbende de last van bewijs van overwegend zakelijke motieven rustte. Het enige licht dat daarop is geworpen, is dat van notulen van een vergadering van de Raad van bestuur van [A] die vermelden dat rekening is gehouden met “de verschillende financiële, fiscale en juridische elementen van het dossier.” Dit zo zijnde, kon het Hof zonder schending van het recht of zijn motiveringsplicht onvoldoende aannemelijk achten de omleiding en omzetting in vreemd vermogen van [A] ’s eigen vermogen zakelijk was. Ik acht ’s Hofs rechtskundige maatstaf en zijn bewijslastverdeling correct en (de beknoptheid van) zijn bewijsoordeel niet onbegrijpelijk, gegeven (i) de vastgestelde feiten, (ii) de door het Hof overgenomen delen van de uitspraak van de Rechtbank, en (iii) dat de belanghebbende geen bewijs heeft geproduceerd waaruit overwegend niet-fiscale redenen kunnen volgen voor de omweg.
1.17
Dat het Hof in het algemeen een financiële functie van [C] binnen het concern onaannemelijk achtte, lijkt inderdaad onvoldoende gemotiveerd, maar dat doet niet ter zake omdat, zoals bleek, [C] ’s algemene concerndeugden geen licht werpen op de hier als enige relevante motieven voor de specifieke litigieuze transacties (de omleiding en omzetting van [A] ’s eigen vermogen). Het Hof kon mijns inziens als niet ter zake voorbijgaan aan het betoog over een hypothetische situatie (“stel dat …”) waarin beursbeleggers in [A] meer risico zouden hebben gelopen bij een eveneens hypothetisch verlies, nu de belanghebbende slechts gesteld heeft dat voor beursbeleggers reële economische gevolgen hadden kunnen optreden bij een andere financieringsstructuur, maar niet dat risicoreductie voor die beleggers de belangrijkste reden was voor de (wel) gekozen financieringsstructuur.
1.18
Middel (v) stelt dat een multinationale groep fundamenteel de vrijheid heeft haar interne bank te vestigen in de lidstaat van haar keuze, ook als die keuze mede fiscaal is ingegeven. [C] ’s activiteiten (verstrekken van leningen) hangen volgens de belanghebbende onlosmakelijk samen met diens bestaan. Onderscheid op basis van het effectieve belastingtarief (de compenserende heffingtoets) beperkt [C] in diens EU-rechten van vrije vestiging en dienstverlening en ook grensoverschrijdende kapitaalbewegingen worden nadeliger behandeld dan interne kapitaalbewegingen. Zulke beperkingen zijn alleen toelaatbaar als zij een legitiem doel nastreven en gerechtvaardigd worden door dwingende redenen van algemeen belang. Nu de eis van een compenserende heffing volgens de belanghebbende niets te maken heeft met misbruikbestrijding, is zij niet proportioneel. Niet in geschil is dat de rente at arm’s length is, zodat de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België niet in gevaar. De belanghebbende beroept zich ook op het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel zoals toegepast in het HvJ-arrest SIAT.
1.19
Ook middel (v) lijkt mij grotendeels niet ter zake. De fiscus bestrijdt immers niet dat een concern zijn coördinatiecentrum in de EU mag vestigen waar het wil en dat het op zichzelf geen misbruik is om met een reële vestiging een lager belastingtarief op te zoeken. Zoals ook bij de middelen (iii) en (iv) bleek: het gaat niet om de (plaats van) vestiging, substance of algemene concernfunctie van [C] , maar om de beweegredenen voor specifieke transacties, nl. de omleiding en omzetting van [A] ’s eigen vermogen via/door een feitelijke tax haven. Art. 10a Wet Vpb maakt geen onderscheid naar vestigingsplaats, lidstaat, of functie, maar op basis van besmettingscriteria ter zake van specifieke en gelieerd gefinancierde transacties, en qua bewijslast op basis van (i) zakelijkheid en (ii) effectieve belastingdruk bij de gelieerde crediteur. Uit HR BNB 2013/137 volgt dat art. 10a Wet Vpb niet in strijd is met de EU-verkeersvrijheden omdat het, zo het al een belemmering zou inhouden, de rechter binnen de werkingssfeer van het EU-recht conform de misbruikdoctrine van het HvJ wordt toegepast. Dat hebben de feitenrechters in casu ook gedaan. Zij konden op basis van het dossier oordelen dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die een vermoeden van antifiscale omweg van het eigen vermogen van de groep rechtvaardigen. De belanghebbende kon vervolgens volgens de vrije bewijsleer, dus met alle middelen en zonder enige administratieve of andere beperking, het tegendeel aannemelijk maken, maar heeft dat volgens de feitenrechters niet gedaan. Ook hier geldt dat het Hof kon voorbijgaan aan hypothetische counterfactual scenario’s. [A] heeft met het oog op de overname van [F] immers feitelijk niets uitgeleend, maar heeft met het oog op die overname eigen vermogen in [C] gestort om het daar om te laten zetten in vreemd vermogen voor de belanghebbende om [F] over te nemen.
1.20
Voor zover de belanghebbende stelt dat de compenserende-heffingtoets (art. 10a(3)(b) Wet Vpb) discriminatoir zou zijn omdat het Nederlandse belastingtarief hoger is dan 10%, volstaat het op te merken dat (i) art. 10a(3)(b) geen onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende gevallen; (ii) geen EU-lidstaat een Vpb-tarief lager dan 10% heeft, (iii) de belanghebbende dan ook niet betaalde aan een gelieerde vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting van een andere EU-lidstaat, maar aan een feitelijke tax haven en (iv) niet aannemelijk lijkt dat het vergelijkbare minimumtarief in de EU-CFC-bepaling (art.7(1)(b) ATAD) onverbindend zou zijn wegens strijd met de vestigingsvrijheid.
1.21
De belanghebbende beroept zich ook op HvJ Lexel, dat een Zweedse rente-aftrekbeperking veroordeelt. Dat beroep strandt mijns inziens al op het gegeven dat art. 10a Wet Vpb noch materieel, noch qua bewijslast onderscheid maakt tussen grensoverschrijdende en interne gevallen en de belanghebbende niet stelt dat in een vergelijkbaar binnenlands geval de werking van art. 10a ongedaan kon worden gemaakt met behulp van een fiscale eenheid (in het Zweedse geval een group contribution regime). Anders dan ter zake van de Zweedse anti-BEPS maatregel in Lexel, die het HvJ (veel) te ruim achtte omdat die niet specifiek misbruik belastingderving tegen ging, heeft het HvJ bovendien in de Nederlandse zaak X BV en X NV overwogen dat art. 10a Wet Vpb wél ‘onmiskenbaar’ bestrijding van belastingontwijking dient. De Zweedse regel in Lexel had niet specifiek ten doel volstrekt kunstmatige constructies te bestrijden, noch was de toepassing ervan beperkt tot dergelijke constructies. Dat is anders bij art. 10a, dat bovendien geen onderscheid maakt, anders dan de combinatie van regels in geschil in de zaak Lexel. Wel wekt het HvJ in Lexel de indruk dat als een intraconcern-lening op armslengte-voorwaarden wordt aangegaan, nooit sprake zou zijn van misbruik, maar (i) dat zou evident onjuist zijn, nu het creëren van interne schuld zelf een antifiscale kunstgreep kan zijn, en (ii) die overweging wordt verklaard doordat het in Lexel alleen nog over de leningvoorwaarden ging omdat kennelijk niet in geschil was dat zowel de interne verhanging in die zaak als het aangaan van de interne schuld overwegend zakelijk waren. In belanghebbendes geval daarentegen is de zakelijkheid van de financieringsstructuur zelf in geschil en niet de voorwaarden van de lening. Lexel helpt de belanghebbende mijns inziens dus niet verder.
1.22
De HvJ-zaak SIAT lijkt mij evenmin relevant omdat (i) ook in die zaak de zakelijkheid van het aangaan van de rechtshandeling niet in geschil was, maar alleen (het bewijs van) de zakelijkheid van grensoverschrijdende commissiebetalingen en (ii) die zaak een bijzondere Belgische aftrek(bewijs)regel betrof die (alleen) in grensoverschrijdende gevallen werkte op basis van een niet-objectief criterium en discretie of zelfs willekeur leek toe te staan. Het was voor belastingplichtigen die grensoverschrijdend commissies betaalden niet mogelijk om vooraf en met enige zekerheid de werkingssfeer van de aftrek(bewijs)regel vast te stellen, terwijl binnenslands verwervingskosten eenvoudig aftrekbaar waren. De criteria voor aftrekbeperking en die voor tegenbewijs ex art. 10a Wet Vpb daarentegen zijn wel duidelijk en voldoende nauwkeurig en maken geen onderscheid. Dat er – zoals altijd – een grijs bewijsgebied bestaat, impliceert niet dat art. 10a Wet Vpb discretionaire en daarmee willekeurige toepassing toelaat.
1.23
Middel (vi) doet (opnieuw) beroep op het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel, nu ter zake van de wetswijziging in 2007 die art. 15ad Wet Vpb (oud) overhevelde naar art. 10a Wet Vpb. De belanghebbende kan volgens haar geen misbruikbedoeling toegedicht worden die zij niet kón hebben ter zake van externe acquisities, die ingevolge HR BNB 2005/169 immers altijd zakelijk waren totdat zij pas in 2007 in art. 10a Wet Vpb werden opgenomen. Het staat de wetgever echter vrij om anders over misbruik te gaan denken en voor de toekomst renteaftrek te weigeren óók ter zake van interne leningen die al liepen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde wet. Van temporeel terugwerkende kracht is immers geen sprake en het stond de belanghebbende vrij om de financieringsstructuur in 2006 te wijzigen tijdig vóór inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 januari 2007. Ook middel (vi) strandt mijns inziens.
1.24
Ik geef u in overweging het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond te verklaren.
2. De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
2.1
De belanghebbende is een 100% dochtervennootschap van de in België gevestigde [A] NV, waarvan de aandelen in 2000 voor 39% in handen waren van [B] NV ( [B] ), die haar belang in [A] op 22 december 2002 uitbreidde tot 44,47% van de aandelen. De overige aandelen [A] waren floating (in handen van het publiek).
2.2
[C] NV ( [C] : Belgisch coördinatiecentrum) was een concernfinancieringslichaam van de [B] / [A] -groep. Vanaf zijn oprichting in 1990 tot 2010 had [C] in België de status van ‘coördinatiecentrum’, i.e. onderdeel van een multinationale groep, met als enig doel intragroepsdienstverlening op het gebied van financiering, kasbeheer, boekhouding, advisering, etc. De belastbare winst van een coördinatiecentrum werd forfaitair cost plus bepaald, i.e. op een percentage van de uitgaven en de bedrijfskosten exclusief personeelskosten, financiële lasten en vennootschapsbelasting. Coördinatiecentra waren vrijgesteld van onroerende voorheffing en kapitaalsbelasting. Evenmin hoefden zij roerende voorheffing in te houden op rentebetalingen, hoewel de rente-ontvangende vennootschap wel recht had op verrekening of teruggaaf van de (fictief geheven) roerende voorheffing.
2.3
In 1999 heeft [A] een Share Purchase Agreement (SPA) gesloten tot aankoop van de aandelen in N.V. [F] ( [F] ). De aandelen [F] zijn op 14 maart 2000 juridisch geleverd, 72% aan de belanghebbende en 28% aan [A] .
2.4
In 1991 had [A] door kapitaalinbreng een 20,63%-belang verworven in [C] . Met het oog op de verwerving van [F] heeft zij op 14 maart 2000 haar belang in [C] uitgebreid door een kapitaalstorting ad ruim € 1,5 miljard egen uitreiking van aandelen [C] . [A] hield aldus in 2000 53,05% van de aandelen [C] . De overige 46,95% was in handen van [B] . Per 22 december 2002 was de bezitsverhouding: [A] 64,3%, [B] 27,8%, en 7,9% bij diverse andere aandeelhouders. In 2002 zijn de aandelen [C] verletterd om de (letter)aandelen rechtstreeks te koppelen aan de intraconcernlening die met het op die aandelen gestorte kapitaal was verstrekt.
2.5
In 2000 had [C] een eigen vermogen van meer dan € 3,5 miljard waarvan ruim € 1,5 miljard door de genoemde kapitaalstorting van 14 maart 2000 door [A] . [C] had in 2000 36 werknemers in dienst. In 2008 was het personeelsbestand uitgegroeid naar ruim 375 personen en was het eigen vermogen gestegen tot € 20,1 miljard. De door [C] verstrekte leningen beliepen in 2008 in totaal ruim € 19,3 miljard.
2.6
De belanghebbende heeft haar verwerving van het 72%-belang in [F] gefinancierd met een lening opgenomen bij [C] (lening I).
2.7
Op 22 mei 2000 heeft de belanghebbende het 28%-belang in [F] in bezit van [A] overgenomen, waarvan 10%-punt tegen uitreiking van eigen aandelen aan [A] en 18%-punt tegen betaling, gefinancierd met een lening van de ING bank.
2.8
Na vaststelling van de definitieve aankoopprijs van de aandelen [F] , heeft de belanghebbende nog een extra bedrag betaald, gefinancierd met een lening opgenomen bij [C] (lening II).
2.9
Vanaf 1 januari 2001 is [F] gevoegd in een fiscale eenheid met de belanghebbende als moedermaatschappij.
2.10
Op 24 december 2002 is de ING-lening vervangen door een bij [C] opgenomen lening (lening III). Deze lening is in gedeelten (vervroegd) afgelost in 2004, 2005 en 2006. Over 2002 t/m 2006 was de belanghebbende rente verschuldigd, die zij op grond van art. 15(4) (voor 2002) resp. art. 15ad (voor 2003 tot en met 2006) Wet Vpb niet ten laste van haar belastbare winst heeft gebracht.
2.11
De leningen I, II en III zijn verstrekt uit eigen vermogen dat [C] had verkregen door kapitaalstortingen door [A] , met name de storting ad ruim 1,5 miljard op 14 maart 2020. Ten tijde van het verstrekken van de leningen is door de groep extern geen eigen vermogen aangetrokken. Er is geen eigen vermogen aan Nederlandse groepsmaatschappijen onttrokken om de leningen te verstrekken.
2.12
Het proces-verbaal van de vergadering van de Raad van bestuur van [A] van 3 maart 2000 vermeldt onder meer:
“ [G] herinnert aan de vergadering van de Raad van bestuur van 17 november 1999. Tijdens deze vergadering werd door de Raad van bestuur goedkeuring gehecht aan de overname door [A] NV van de Nederlandse elektriciteitsproducent [F] . (...) [G] geeft vervolgens nadere toelichting bij de wijze waarop de overname van [F] door [A] NV zal worden gestructureerd, rekening houdende met de verschillende financiële, fiscale en juridische elementen van het dossier. In een eerste fase worden de aandelen van [F] overgenomen door [H] BV (72%) en [A] NV (28%). [H] BV zal hiervoor een lening aangaan bij [C] . Het kapitaal van [C] zal hiertoe worden verhoogd. [A] NV zal zijn deel van de overname gedeeltelijk financieren met een overbruggingslening afgesloten met ING-bank, en gedeeltelijk uit eigen middelen. In de eindstructuur zullen alle aandelen van [F] bij [H] BV worden ondergebracht. [A] NV (80%) en ING (20%) zullen de twee aandeelhouders van [H] BV zijn. De Raad van bestuur stemt in met de wijze waarop de overname van [F] binnen [A] wordt gestructureerd.”
2.13
De belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting 2007 de in dat jaar op de leningen I en II verschuldigd geworden rente en de volgens haar ex art. 15ad (oud) Wet Vpb naar 2007 doorgeschoven rente 2002-2006 op lening III in mindering gebracht op haar belastbare winst. De Inspecteur heeft die aftrek geweigerd en belanghebbendes bezwaar daartegen afgewezen. De belanghebbende heeft beroep ingesteld.
De Rechtbank Gelderland1.
2.14
Voor de Rechtbank was in geschil is of de rente op de leningen I, II en III terecht in 2007 niet in aftrek is toegelaten, meer specifiek of:
(i) de rente 2002-2006 op lening III getemporiseerd was ex art. 15ad (oud) Wet Vpb en (dus) op grond van het overgangsrecht bij de afschaffing van art. 15ad (art. VIIIc van de Wet werken aan winst) in 2007 alsnog in aftrek komt;
(ii) art. 10a(1)(c) Wet Vpb na de voeging van de belanghebbende in de fiscale eenheid buiten toepassing blijft omdat de leningen dan tegenover gewone bezittingen staan;
(iii) Zo neen, of voldaan is aan de dubbele zakelijkheidstoets van art. 10a(3)(a) Wet Vpb;
(iv) Zo neen, of de dan resulterende aftrekweigering in strijd is met een of meer van de in het VwEU opgenomen verkeersvrijheden;
(v) of de onmiddellijke werking per 1 januari 2007 van art. V Wet werken aan de winst ter zake van externe acquisities het Europese rechtszekerheidsbeginsel schendt.
2.15
Ad (i) oordeelde de Rechtbank dat lening III een interne verhanging van 28% [F] financierde en dier rente dus ex art. 10a(2)(b) Wet Vpb (tekst 2002 t/m 2006) van aanvang af niet aftrekbaar was. De art. 15d en 15ad Wet Vpb waren dus niet van toepassing en van doorschuiving naar 2007 kan dan geen sprake zijn. Evenmin achtte zij het vertrouwensbeginsel geschonden:
“17. […] De rechtbank neemt (..) in aanmerking dat uit de stukken valt af te leiden dat de verwerving van het 28%-pakket door [A] N.V. mede is ingegeven door de betrokkenheid van ING Bank bij de overname en de rol die die bank daarna zou vervullen. Dat nadere ontwikkelingen ertoe hebben geleid dat de betrokkenheid van ING Bank een andere invulling heeft gekregen en het daardoor mogelijk werd de aandelen over te dragen aan eiseres, is geen reden om deze verkrijging gelijk te stellen met een externe acquisitie. Dat eiseres met de door haar gekozen opstelling in de aangiften (door te schuiven 15d c.q. 15ad rente) niet meer in staat is aannemelijk te maken dat voldaan is aan de dubbele zakelijkheidstoets doet hieraan - wat daar van zij - niet af.
18. […] De vraag in het aangiftebiljet met betrekking tot artikel 10a is met “nee” beantwoord. Onder deze omstandigheden betekent het enkel volgen van de aangifte niet dat de inspecteur bewust een standpunt heeft ingenomen waaraan de belastingplichtige het in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen. De omstandigheid dat eiseres in de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2006 de vraag of sprake is van rente als bedoeld in artikel 15ad van de Wet VPB bevestigend heeft beantwoord is onvoldoende om dat vertrouwen aan te ontlenen.”
2.16
Ad (ii) zag de Rechtbank geen steun voor het standpunt dat de voeging van [F] in de fiscale eenheid met de belanghebbende het in art. 10a Wet Vpb geëiste verband tussen de leningen en de verwerving van [F] zou hebben verbroken. Art. 10a Wet Vpb codificeerde de winstdrainagejurisprudentie en HR BNB 2011/1852.houdt in dat voeging in een fiscale eenheid het verband tussen de lening en de verwerving van aandelen niet verbreekt. De rechtbank wijst onder meer op de parlementaire geschiedenis van de Wet werken aan winst:
“22. […] De maatregel van artikel 15d van de Wet VPB is nadien gewijzigd in artikel 15ad van de Wet VPB en met ingang van 2007 geïntegreerd in artikel 10a van de Wet VPB. Omtrent het doel en strekking van de integratie is in de parlementaire behandeling het volgende te lezen:
“De leden van de fractie van de VVD willen toegelicht zien waarom bij ovemameholding-constructies de rente geheel van aftrek wordt uitgesloten, terwijl tot nu toe sprake was van uitstel van aftrek. Zij zien dit als een lastenverzwaring. Volgens de leden van de fractie van het CDA heeft het schrappen van de renteaftrek in combinatie met de eis van dubbele zakelijkheid in de tegenbewijsregeling van artikel 10a als ongewenst gevolg dat de renteaftrekbeperking van artikel 10a prohibitief kan werken voor zakelijk geïndiceerde overnames. De temporiseringsregelingen in de fiscale eenheid, splitsing en juridische fusie worden afgeschaft, wat de eenvoud van de wetgeving ten goede komt, zoals ook de Orde in zijn commentaar constateert. Constructies die onder deze regelingen vielen, gaan voortaan ook voor een klein gedeelte onder het nieuwe artikel 10a vallen. Dat geldt echter alleen voor onzakelijke constructies waarbij belastingdruk wordt verschoven naar een laagbelastend land”3.”
2.17
Ad (iii): ter zake van de dubbele zakelijkheidstoets (art. 10a(3)(a) was niet in geschil dat de aandelenverwerving zakelijk was, maar alleen of het aangaan van de interne leningen zakelijk was. De Rechtbank achtte de belanghebbende niet geslaagd in het bewijs daarvan:
“33. […] Eiseres heeft wel aannemelijk gemaakt dat het [C] een wezenlijke ondersteunende functie vervulde binnen het [B] / [A] -concern met betrekking tot onder meer de financiering van de activiteiten van het concern. Ook is aannemelijk gemaakt dat het [C] ook al in 2000 substance had. Het bewijsaanbod dat betrekking heeft op de functie van het [C] wordt daarom gepasseerd. Uit de stukken blijkt evenwel niet dat deze functie van het [C] een rol van betekenis heeft gespeeld bij de beslissing om de voor de overname van [F] beschikbare eigen middelen te leiden via het [C] en deze middelen ten titel van vreemd vermogen aan eiseres beschikbaar te stellen. Dat het [C] hierin geen andere rol toekomt dan als doorgeefluik leidt de rechtbank af uit het feit dat de eigen middelen die [A] N.V. heeft gestort op de daartoe uitgereikte aandelen in [C] één op één ten titel van geldlening zijn verstrekt aan eiseres, hetgeen nog eens versterkt is met de verlettering van de aandelen in 2002. De verlettering van de aandelen staat overigens ook haaks op het door eiseres gestelde belang van [A] N.V. om het [C] in te schakelen (hoger rendement op de aandelen) gelet op de directe koppeling die door de verlettering wordt gelegd met de onderliggende “eigen” leningen.”
2.18
Ad (iv) meende de Rechtbank dat de EU-vrijheden van financiële dienstverlening en kapitaal in casu ondergeschikt zijn aan de vrijheid van vestiging en dat, voor zover die laatste vrijheid belemmerd zou worden, daarvoor een rechtvaardiging bestaat, zoals volgt uit HR BNB 2016/1974.:
“De regeling van artikel 10a van de Wet VPB heeft als doel te voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag - in dit geval de in Nederland door [F] behaalde winst - wordt uitgehold door daarop rentelasten in mindering te brengen, terwijl tegenover die rentelasten niet op enig moment een reële belastingheffing plaatsheeft. Hierdoor is sprake van misbruik.”
2.19
Ad (v) oordeelde de Rechtbank dat het de wetgever in beginsel vrij staat wetgeving te introduceren die misbruik tegengaat zonder rechtsverhoudingen te respecteren die al voor de inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde wet bestonden. De Rechtbank verwees daarbij naar EHRM Huitson v. UK.5.
2.20
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden6.
2.21
Ad (i) overwoog het Hof dat vaststaat dat de rente in 2002 t/m 2006 niet aftrekbaar was op grond van art. 10a(1)(b) Wet Vpb en dus niet onder art. 15ad Wet Vpb viel. Art. VIIIc van de Wet werken aan winst kan dan niet van toepassing zijn:
“4.2. De bedoelde rente was - naar de Inspecteur onbetwist heeft gesteld - in de jaren 2002 tot en met 2006 niet aftrekbaar op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Vpb (tekst tot en met 2006). Dat brengt naar het oordeel van het Hof mee dat geen sprake is van rente als bedoeld in vorenvermeld artikel VIIIc. De omstandigheid dat de rente waarvan de aftrek is getemporiseerd, niet bij beschikking wordt vastgesteld brengt mee dat de vraag of sprake is van zodanige rente pas aan de orde komt bij de vaststelling van de aanslag over het jaar waarin aftrek zou kunnen plaatsvinden, in casu 2007. Dat artikel 10a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Vpb in 2007 niet meer bestaat laat onverlet dat deze bepaling haar werking behoudt voor de jaren 2002 tot en met 2006, zodat de bedoelde rente in deze jaren niet aftrekbaar was.”
2.22
Ad (ii) heeft het Hof geoordeeld dat het karakter van de lening niet verandert doordat de vennootschap wier aankoop ermee is gefinancierd, wordt opgenomen in een fiscale eenheid. Ook het Hof verwijst daartoe naar HR BNB 2011/185.7.
2.23
Ad (iii) meent het Hof dat aannemelijk is dat belastingbesparing de volstrekt overwegende reden was voor de omleiding van de gelden via [C] en dat de zakelijkheid van de leningen daartegenover niet is aannemelijk gemaakt.
“4.8. Het Hof acht niet van belang de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat, indien niet belanghebbende maar [B] [F] zou hebben overgenomen, de financiering ook via het [C] zou zijn gelopen en dat dan - in verband met de fiscale positie van [B] - geen fiscaal voordeel zou zijn genoten. Deze situatie heeft zich immers niet voorgedaan, zodat, voor zover een en ander al van belang zou zijn, niet kan worden nagegaan hoe dan zou zijn gehandeld en wat in dat geval de fiscale gevolgen zouden zijn geweest.
4.9.
Voorts acht het Hof aannemelijk dat de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via het [C] is geweest de belastingbesparing. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern. Het ligt veel meer voor de hand dat in verband met de fiscale positie van het [C] de financiering van de overname via het [C] is geleid in plaats van dat de overname rechtstreeks met eigen middelen is betaald. Dat brengt mee dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de routing via het [C] in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De inspecteur heeft dan ook terecht op grond van artikel 10a van de Wet Vpb de aftrek geweigerd.”
2.24
Ad (iv) heeft het Hof het oordeel van de Rechtbank onderschreven en heeft hij de daarvoor gegeven gronden overgenomen.
2.25
Ad (v) heeft het Hof geoordeeld dat het niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel om in een situatie als die van de belanghebbende ter voorkoming van toekomstig misbruik de wet te wijzigen ook voor al bestaande rechtsverhoudingen.
2.26
Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom ongegrond verklaard.
3. Het geding in cassatie
3.1
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Op uw zitting van 2 juni 2021 hebben de partijen hun standpunten mondeling doen toelichten door hun advocaten, aan beide kanten bijgestaan door een Poolse landdag.
Het cassatieberoep
3.2
De belanghebbende stelt zes middelen voor:
(i) de Inspecteur heeft niet onbetwist gesteld dat (a) de rente op lening III ex art. 10a(2)(b) Wet Vpb (tekst tot 2006) in 2002 t/m 2006 niet aftrekbaar was en (b) er geen rente onder art. VIIIc Wet werken aan de winst viel. Lening III houdt wel degelijk verband met de externe verwerving van [F] .
(ii) [F] ’s voeging in belanghebbendes fiscale eenheid heeft wel degelijk tot gevolg dat het verband van de leningen met de verwerving als bedoeld in art. 10a Wet Vpb wordt verbroken.
(iii) Nu geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie, heeft het Hof ten onrechte de zakelijkheid van de leningen niet aannemelijk geacht, althans heeft hij zijn desbetreffende oordeel onvoldoende gemotiveerd.
(iv) Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan de cijfermatige uitwerking van de stelling dat de gekozen financieringsstructuur een reële en significante wijziging van risico’s van derden meebracht.
(v) Toepassing van art. 10a Wet Vpb schendt in casu de artt. 49, 56 en 63 VwEU door de vestiging van en dienstverlening door [C] in België ongerechtvaardigd te belemmeren.
(vi) De wijziging in 2007 van art. 10a Wet Vpb zonder overgangsrecht schendt het EU-rechtelijke rechtszekerheidsbeginsel doordat de belanghebbende alsnog in 2007 wordt geconfronteerd met een voor haar nadelige fiscale maatregel die zij niet kon voorzien.
3.3
Ad (i) licht de belanghebbende toe dat [F] na haar verwerving in een fiscale eenheid met de belanghebbende is opgenomen en dat daarom in de aangiften Vpb 2002 t/m 2006 de rente op basis van art. 15ad Wet Vpb als vooralsnog niet aftrekbaar is aangemerkt. Volgens het overgangsrecht van art. VIIIc Wet werken aan winst mocht de rente die tot 2007 op grond van art. 15ad Wet Vpb nog niet kon worden afgetrokken, alsnog worden afgetrokken in 2007 en dat heeft de belanghebbende wel degelijk gesteld in haar hoger-beroepschrift. Zij acht onaanvaardbaar dat de door art. 15ad Wet Vpb in aftrek getemporiseerde rente niet bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel is de rente op lening III slechts dan niet aftrekbaar onder art. VIIIc Wet werken aan winst als aan de navorderingsvereisten is voldaan, quod non. Art. 10a(2)(b) Wet Vpb (tekst t/m 2006) bestond niet meer in 2007 en kan dus ook niet worden toegepast in dat jaar.8.
3.4
Ad (ii): door de voeging van [F] in belanghebbendes fiscale eenheid staat haar overnameschuld niet meer tegenover haar deelneming in [F] , die vrijgestelde voordelen genereert, maar tegenover ‘normale’ bezittingen die belastbare winst genereren. Voor de toepassing van art. 10a Wet Vpb houdt de overnameschuld dus na voeging verband met die bezittingen en niet met de verwerving van [F] . Uit HR BNB 2016/1979.volgt dat een kapitaalstorting binnen de fiscale eenheid fiscaalrechtelijk niet zichtbaar is. Voeging leidt ertoe dat de werkzaamheden en het vermogen van [F] deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de belanghebbende.
3.5
Ad (iii): de tegenbewijsregeling van art. 10a(3) Wet Vpb moet worden toegepast conform het misbruikconcept van het HvJ, zoals uiteengezet in HR BNB 2020/80.10.Op die basis heeft het Hof de bewijslast verkeerd verdeeld. Het Hof heeft verder ten onrechte feitelijke en rechtskundige stellingen onbehandeld gelaten. Rechtskundig heeft hij het begrip ‘volstrekt kunstmatige constructie’ te ruim uitgelegd en dus een onjuiste maatstaf aangelegd. Nu feitelijk vaststaat dat de rentevergoeding op de leningen at arm’s length was, had het Hof moeten oordelen dat zich geen volstrekt kunstmatige constructie voordoet en dat de belanghebbende het vereiste tegenbewijs heeft geleverd.
3.6
Ad (iv): het Hof is ten onrechte niet ingegaan op belanghebbendes stelling dat de gekozen financieringsstructuur reële economische gevolgen had, waardoor zijn oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Mocht het Hof wél op die stelling zijn ingegaan, dan berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.
3.7
Ad (v): een multinationale groep heeft principieel de vrijheid haar interne bank te vestigen in een lidstaat naar keuze, óók als die mede is ingegeven door het aldaar toepasselijke belastingrecht. [C] ’s activiteiten (verstrekken van leningen) hangen onlosmakelijk samen met diens bestaan. Onderscheid op basis van effectief belastingtarief beperkt [C] ’s rechten op vrije vestiging en vrije dienstverlening en behandelt grensoverschrijdende kapitaalbeweging nadeliger dan interne kapitaalbeweging. Zulke beperkingen zijn alleen toelaatbaar bij dwingende redenen van algemeen belang en als de beperkingen evenredig zijn aan die redenen. Het vereiste van compenserende heffing heeft niets te maken met misbruikbestrijding, zodat niet wordt voldaan aan de proportionaliteitseis. Nu niet in geschil is dat de rente op de leningen at arm’s length is, is de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen Nederland en België niet in gevaar.
3.8
Ad (vi): toen de belanghebbende [F] verwierf, gold art. 10a Wet Vpb niet voor externe overnames zoals de litigieuze. Door art. 10a Wet Vpb met ingang van 2007 zonder overgangsrecht ook toepasselijk te verklaren op externe overnames, werd de belanghebbende rauwelijks geconfronteerd met een voor haar nadelige fiscale maatregel die zij niet kon voorzien, en heeft de Nederlandse wetgever het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel geschonden.
Het verweer
3.9
De Staatssecretaris van Financiën acht het cassatieberoep ongegrond. Ad (i) betoogt hij dat, nu de 2002-2006-rente op lening III niet bij beschikking is gekwalificeerd, de vraag of het gaat om getemporiseerde of niet-aftrekbare rente pas rijst bij de aanslagvaststelling voor het jaar waarin aftrek volgens art. 15ad Wet Vpb zou plaatsvinden (2007). Dat art. 10a(2)(b) Wet Vpb in 2007 niet meer gold, neemt niet weg dat het in 2002 t/m 2006 wél gold. De volgorde van de bepalingen in de wet leidt er toe dat voor 2002 niet word toegekomen aan art. 15(4) en voor 2003 t/m 2006 niet aan art. 15ad(2) Wet Vpb. De doorschuifregeling in die bepalingen geldt alleen voor renten “welke ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen” en daaronder valt niet de rente op lening III.
3.10
Ad (ii): de voeging van [F] in belanghebbendes fiscale eenheid heeft niet tot gevolg dat de besmette rechtshandeling (de aankoop van [F] met intern geleend geld) wordt genegeerd. Ook ná verbreking van een fiscale eenheid blijft de historische besmette rechtshandeling en de daarmee causaal verband houdende schuld volledig “intact” en ook na voeging is er nog steeds een verband tussen de bij [C] opgenomen leningen en de verwerving van [F] . Een beroep op het Italiaanse Telecom-arrest11.gaat niet op, omdat - anders dan bij een kapitaalstorting binnen een fiscale eenheid - de verwerving van een lichaam noodzakelijkerwijs voorafgaat aan de voeging van dat lichaam als dochter in een fiscale eenheid.
3.11
Ad de feitelijke stellingen in middel (iii) meent de Staatssecretaris dat het Hof rechtskundig de juiste maatstaf heeft aangelegd en dat hij feitelijk heeft vastgesteld dat de financiering is omgeleid. 's Hof oordeel over de onzakelijkheid van die omleiding strookt geheel met uw recente jurisprudentie daarover.12.De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat [C] bij de overname van [F] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern. Ook als [C] wordt geacht daadwerkelijk een financiële functie binnen het concern te vervullen, heeft de belanghebbende niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast ex art. 10a(3)(a) Wet Vpb. Voor de beoordeling daarvan zijn alleen relevant de motieven van de [A] -groep om zijn beschikbare eigen middelen langs [C] te leiden en daar als vreemd vermogen aan de belanghebbende beschikbaar te stellen.
3.12
Ad (iv) stelt de Staatssecretaris dat de Inspecteur de blote feitelijke stelling van de belanghebbende over wijziging van de risico’s van derden wel degelijk heeft weersproken en dat daarmee ook de cijfermatige gevolgen van die stelling zijn betwist. Dat niet elk argument expliciet wordt besproken, betekent niet dat relevante stellingen onbesproken zijn gelaten.
3.13
Ad middel (v) en de rechtskundige onderdelen van middel (iii) wijst de Staatssecretaris er op dat art. 10a Wet Vpb geen onderscheid maakt tussen grensoverschrijdende en interne gevallen en dat u al meermalen heeft beslist dat art. 10a Wet Vpb op zichzelf strookt met het Unierecht.13.Zijns inziens behoeft daarom alleen bespreking het beroep op het recente HvJ-arrest Lexel AB14.over de gecombineerde toepassing van een Zweedse rente-aftrekbeperking en groepsbijdrageregeling. Nu de belanghebbende niet stelt, anders dan in de zaak Lexel AB, dat discriminatie ontstaat door de fiscale-eenheidsregeling, zodat de per-elementbenadering van de fiscale eenheid in de Nederlandse zaak X BV en X NV15.niet aan de orde is, heeft Lexel AB volgens de Staatssecretaris in beginsel geen betekenis voor belanghebbendes zaak. Uit vergelijking met X BV en X NV volgt overigens dat het HvJ wezenlijk anders denkt over de Nederlandse 10a-regeling dan over de Zweedse renteaftrekbeperking: art. 10a Wet Vpb is (wel) ‘onmiskenbaar’ gericht tegen volstrekt kunstmatige constructies, terwijl de Zweedse regeling is gericht tegen belastingderving. De Staatssecretaris acht het misbruikbegrip in art.10a Wet Vpb niet ruimer dan het EU-rechtelijke misbruikbegrip, zodat misbruik in de zin van art. 10a ook misbruik in EU-rechtelijke zin is. De compenserende heffingstoets houdt zijns inziens geen verkapt onderscheid tussen interne en vergelijkbare grensoverschrijdende situaties in.16.Die toets discrimineert evenmin tussen andere lidstaten, nu art. 10a Wet Vpb niet anders zou hebben uitgepakt als de groepscrediteur in enige andere lidstaat dan België aan een [C] -achtig regime zou zijn onderworpen. Dat [C] substance heeft, acht hij niet relevant, nu dat niets zegt over de motieven voor de financieringswijze. Dat de rente niet is afgezet tegen gekochte winsten, acht hij evenmin van belang, nu de rechtspraak over noch de wetsgeschiedenis van art. 10a belang hechten aan de aard van de gedraineerde winst. Dat de leningsvoorwaarden at arm’s length zijn, is tenslotte evenmin doorslaggevend, nu onderscheid moet worden gemaakt tussen intra-groepsleningen die zelf kunstmatig zijn en intra-groepsleningen waarvan alleen de voorwaarden onzakelijk zijn. De verzakelijkings-rechtspraak van het HvJ, met name Thin Cap GLO,17.ziet alleen op de laatste categorie, terwijl art. 10a Wet Vpb op de eerste categorie ziet. Voor wat betreft de bewijslastverdeling volgt uit Cadbury Schweppes18.en Thin Cap GLO19.dat van de belanghebbende het tegenbewijs mag worden verlangd dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. De tegenbewijsmogelijkheid ex art. 10a(3) Wet Vpb is reëel zonder de belanghebbende administratief buitensporig te belasten; de bewijslast ligt initieel bij de inspecteur, die eerst aannemelijk moet maken dat tot financiering van een besmette rechtshandeling een schuld is aangegaan bij een verbonden lichaam. Uit Lexel AB kan worden afgeleid dat de Nederlandse bewijslastregels stroken met het Unierecht.
3.14
Ad (vi) meent de Staatssecretaris met het Hof dat - gelet op het EHRM-arrest Huitson20.en het HvJ-arrest Berlington21.- het niet in strijd is met het (EU-rechtelijke) rechtszekerheidsbeginsel om ter voorkoming van misbruik een wetswijziging in te voeren die ook ziet op bestaande rechtsverhoudingen. Het staat de wetgever vrij om de wet aan te passen. De belanghebbende kon al in een vroeg stadium op de hoogte zijn van het feit dat art. 10a Wet Vpb zou worden aangepast. Er was voorzien in een passende termijn tussen de bekendmaking van de maatregel en de ingangsdatum ervan.
De zitting
3.15
De partijen hebben hun zaak op uw zitting van 2 juni 2021 mondeling doen bepleiten.
3.16
De belanghebbende is vooral ingegaan op ’s Hofs toepassing van de zakelijkheidstoets van 10a(3) Wet Vpb. De door het Hof gestelde eis dat de belanghebbende feiten aannemelijk moet maken die de conclusie kunnen dragen dat de beweegredenen voor een schuld zakelijk waren, veronachtzaamt dat het binnen groepen en binnen families weinig uitmaakt of eigen of vreemd vermogen wordt verstrekt. De belanghebbende citeert de bijdrage van Van Kalmthout in de Van Amersfoort-bundel:22.
“in gelieerde verhoudingen – vennootschappelijk of familiaal – is vaak niet van groot belang of een geldverstrekking van de ene partij aan de andere civielrechtelijk het karakter heeft van eigenvermogensverschaffing of van geldlening. De fiscale gevolgen worden dan al gauw bepalend voor de keuze.”
Daarvan uitgaande heeft de Inspecteur in gelieerde verhoudingen makkelijk stellen dat de belanghebbende niet geslaagd is in het leveren van tegenbewijs en dat het daarom om een volstrekt kunstmatige constructie zou gaan.
3.17
De belanghebbende betoogde verder dat de door het HvJ in de zaak Lexel AB23.veroordeelde renteaftrekweigering wezenlijk gelijk is aan de renteaftrekbeperking in art. 10a Wet Vpb. Voor de invulling van de ‘volstrekt kunstmatige constructie’ waarmee belasting wordt ontweken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied heeft het Hof in dat arrest een objectieve maatstaf gegeven, nl. de vraag of de transactie at arm’s length is aangegaan: transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan, zijn volgens het HvJ geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies. De aftrekbeperking kan dus niet gelden voor een zakelijke rente op een zakelijke lening tot financiering van een zakelijk beprijsde acquisitie. In belanghebbendes zaak staat haars inziens vast dat aan die criteria is voldaan.
3.18
De gekozen financieringsstructuur heeft dan ook reële economische gevolgen. Ten tijde van de verwerving van [F] werden de aandelen [C] gehouden door [B] en [A] . 59,82% van de aandelen [A] was beursgenoteerd, de overige aandelen werden gehouden door [B] (39%) en enkele kleinere aandeelhouders. Zou [A] niet [C] maar de belanghebbende hebben gekapitaliseerd, dan zou 59,82% van een eventueel verlies ten laste van de beursaandeelhouders [A] zijn gekomen. In de gekozen structuur zou een eventueel verlies maar voor 32% ten laste van de beurs zijn gekomen. Een direct gevolg van de kapitalisatie van [C] is dus een aanzienlijke en reële wijziging van risico’s van derden.
3.19
Volgens de Staatssecretaris fungeerde [C] enkel als omvormer van groepseigen vermogen in groepsvreemd met het oog op de fiscale gevolgen daarvan. De financieringsstructuur was van aanvang af gericht op uitholling van de Nederlandse grondslag. De stortingen van [A] in [C] zijn één op één als geldlening verstrekt aan de belanghebbende om [F] verwerven. Aldus werd eigen vermogen van de [A] -groep in Nederland als vreemd vermogen gepresenteerd en een rentelast opgevoerd om ondanks de winstgevende activiteiten in Nederland nauwelijks belasting te betalen, terwijl de corresponderende rentebate in België niet werd belast.
3.20
De algemene stellingen van de belanghebbende over de functie van [C] gaan niet over de concrete rechtshandelingen of op de daarmee verband houdende schulden. Het enige bewijsstuk waarin concrete beweegredenen voor de financieringsstructuur worden genoemd, het proces-verbaal van de vergadering van [A] ’s Raad van Bestuur (zie 2.12 hierboven) is door de Belastingdienst zelf in het geding gebracht. Het enkele feit dat de rente op de leningen marktconform is, is onvoldoende bewijs van zakelijkheid zoals bedoeld in art. 10a(3) Wet Vpb, nu ook marktconforme lenigen kunstmatig om fiscale redenen aangegaan kunnen zijn.
3.21
Art. 10a Wet Vpb is volgens de Staatssecretaris hoe dan ook geen belemmering van de vestigingsvrijheid omdat het geen onderscheid maakt tussen grensoverschrijdende en binnenlandse situaties. U heeft geoordeeld24.dat alsart. 10a Wet Vpb al een belemmering oproept, die wordt gerechtvaardigd doordat de regeling volstrekt kunstmatige constructies beoogt te bestrijden en EU-rechtconform wordt toegepast. De compenserende heffingstoets houdt geen verkapt onderscheid. Dat volgt ook uit Köln-Aktienfonds Deka,25.waarin het HvJ oordeelde dat een voorwaarde zonder onderscheid slechts een verkapt onderscheid inhoudt als die voorwaarde zo eigen is aan de nationale markt dat er in grensoverschrijdende gevallen niet aan kan worden voldaan. Aan de compenserende heffingstoets kan geenszins slechts worden voldaan door ingezeten vennootschappen.
3.22
De Zweedse renteaftrekbeperking in de zaak Lexel AB acht de Staatssecretaris onvoldoende vergelijkbaar met art. 10a Wet Vpb. De Zweedse regeling maakt onderscheid en treft elke grensoverschrijdende groepslening waarvan de debiteur niet aantoont dat zij niet voornamelijk is aangegaan om de groep een aanzienlijk belastingvoordeel te verschaffen. De Zweedse regeling legt hierdoor op regelniveau te veel nadruk op alleen de subjectieve voorwaarde van het Unierechtelijke misbruikbegrip. Het streven naar een aanzienlijk fiscaal voordeel sluit immers niet uit dat de financieringstransactie objectief bezien voldoende economische realiteit heeft. Uit de zaak Thin Cap GLO26.volgt volgens de Staatssecretaris dat lidstaten de renteaftrek volledig mogen weigeren indien en voor zover het bedrag van de schuld zelf hoger is dan het bedrag dat zou zijn geleend als de vennootschappelijke betrekkingen worden weggedacht, ongeacht het overeengekomen rentepercentage.
4. Middel (i): de rente 2002-2006 op lening III en de integratie van art. 15ad (oud) in art. 10a Wet Vpb
4.1
De eerste drie leden van art. 10a Wet Vpb luidden in 2006 als volgt:
1. Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van een aan de rechthebbende rechtens dan wel in feite direct of indirect schuldig gebleven winstuitdeling, teruggaaf van gestort kapitaal of kapitaalstorting, aflossing of verstrekking van een geldlening die bij de schuldenaar feitelijk functioneert als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d. De vorige volzin vindt geen toepassing ingeval van een schuldig gebleven kapitaalstorting of verstrekking van een geldlening als bedoeld in de eerste volzin, indien die storting of verstrekking een onderdeel vormt van een solvabiliteitsgarantie ter bescherming van inleggers van spaargelden of polishouders van verzekeringsovereenkomsten.
2. Bij het bepalen van de winst komen voorts niet in aftrek renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, voor zover de geldlening verband houdt met één van de volgende rechtshandelingen:
a. een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal of een aflossing van een geldlening die bij de schuldenaar feitelijk functioneert als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon;
b. een verwerving van – daaronder begrepen storting op – aandelen, winstbewijzen, bewijzen van deelgerechtigdheid of lidmaatschapsrechten in of schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, in een in Nederland gevestigd, verbonden lichaam, behoudens voor zover een wijziging wordt aangebracht in het uiteindelijke belang dan wel de uiteindelijke zeggenschap in dat lichaam; of
c. een kapitaalstorting of een andere vorm van aanwending van vermogen door de belastingplichtige, dan wel door een met hem verbonden, in Nederland gevestigd lichaam of in Nederland wonend natuurlijk persoon, direct of indirect in het lichaam, onderscheidenlijk ten behoeve van het lichaam of de natuurlijk persoon aan wie de geldlening verschuldigd is.
4.2
Art. 15ad(1) Wet Vpb luidde in 2006 als volgt:
1. Renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van geldleningen die verband houden met de verwerving door een maatschappij van aandelen – daaronder begrepen een kapitaalstorting – in een andere maatschappij en die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een lichaam of een natuurlijk persoon die met de eerstbedoelde maatschappij is verbonden, komen in het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van deze maatschappijen tot stand komt en de daarop volgende zeven jaren slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van de fiscale eenheid zou belopen zonder rekening te houden met het aan die andere maatschappij en de maatschappijen waarin die maatschappij ten tijde van de verwerving een belang had als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, toe te rekenen deel daarvan en voorts zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde renten alsmede winst waarop een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is.
4.3
Bij de Wet werken aan winst27.is art. 15ad Wet Vpb geïntegreerd in art. 10a Wet Vpb. De MvT zegt daarover onder meer het volgende:28.
“Artikel 15ad is gericht tegen zogenoemde overnameholdingconstructies. Dat is bijvoorbeeld een constructie waarbij een buitenlands concern een Nederlandse BV overneemt en die BV vervolgens overdraagt aan een door het concern opgerichte Nederlandse overnameholding. De overnameholding blijft de koopsom schuldig. Daarna wordt een fiscale eenheid gevormd tussen de overnameholding en de BV. De rentelasten van de overnameholding voor de schuldig gebleven koopsom kunnen dan binnen die fiscale eenheid worden verrekend met de winst van de BV. Daarmee verdwijnt (een deel van) de winst van de BV uit de heffingsgrondslag.
(…)
Teneinde een vereenvoudiging en systematisering van de rente-aftrekbeperkingen te bereiken worden tevens de bepalingen inzake overnameholdingconstructies van artikel 15ad geïntegreerd in artikel 10a. Dit kan door de bepalingen die betrekking hebben op de overnameholding te laten vervallen en artikel 10a uit te breiden met externe acquisities die als groepsmaatschappij gaan functioneren. Daardoor ontstaat één uniforme tegenbewijsregeling voor rentelasten in verband met interne en externe acquisities. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de kritiek op bepalingen inzake de overnameholding, meer specifiek op het feit dat deze geen tegenbewijs voor compenserende heffing kennen. Aan de andere kant leidt het ertoe dat voor overnameholdings de temporisering van de renteaftrek wordt vervangen door het schrappen van de renteaftrek”
4.4
Het overgangsrecht bij het vervallen van art. 15ad is geregeld in art. VIIIc Wet Werken aan winst: rente waarvan de aftrek door art. 15ad Wet Vpb is doorgeschoven, kon in 2007 alsnog in aftrek worden gebracht.
“Artikel VIIIc
De rente, bedoeld in de artikelen 14a, achtste lid, 14b, zesde lid, en 15ad, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zoals die leden luidden op 31 december 2006, welke bij het begin van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2007 nog niet op de winst in aftrek is gekomen, wordt verrekend met het belastbare bedrag van dat jaar en, voor zover nog niet verrekend, met het belastbare bedrag van een volgend jaar.”29.
Ingevolge het per 1 januari 2007 af te schaffen artikel 15ad kan door een overnameholding betaalde rente niet worden afgezet tegen het combinatieresultaat van een fiscale eenheid van de overnameholding en de overgenomen werkmaatschappij, maar alleen tegen de eigen winst van die overnameholding. In de nota naar aanleiding van het verslag is in paragraaf 7 een overgangsmaatregel aangekondigd voor het bedrag aan rente dat bij de inwerkingtreding van deze wet nog niet in aftrek is gekomen. Deze overgangsmaatregel is opgenomen in het nieuwe artikel VIIIc. De nog niet in aftrek gekomen rente kan in de volgende jaren – nadat de aftrekbare giften in aftrek zijn gekomen en de voorwaartse verliesverrekening heeft plaatsgevonden – in aftrek worden gebracht op het combinatieresultaat, voor zover dat resultaat daardoor niet negatief wordt. De rente die op deze wijze alsnog in aftrek wordt gebracht, kan derhalve niet leiden tot een verlies bij de fiscale eenheid. Met andere woorden: carry-back van deze rente is niet mogelijk. De overgangsregeling geldt tevens voor de juridische splitsing (het af te schaffen artikel 14a, achtste lid) en de juridische fusie (het af te schaffen artikel 14b, zesde lid).30.
4.5
In 2002-2006 was de rente op een geldlening van een verbonden lichaam voor een interne verhanging niet aftrekbaar op grond van art. 10a Wet Vpb en rente op een lening voor een externe overname niet aftrekbaar op grond van art. 15ad Wet Vpb. Het gaat er dus om of belanghebbendes overname, op 22 mei 2000, van [A] ’s 28% van de aandelen [F] een interne verhanging was of nog een (vertraagd) onderdeel van de externe acquisitie van [F] . Naar de vastgestelde feiten en de tekst van de wet beoordeeld kan daar weinig twijfel over bestaan: het gaat om een interne verhanging. De vraag of daar in het licht van de bijzondere feitelijke omstandigheden van belanghebbendes geval anders over gedacht moet worden, is een feitelijke vraag die in cassatie slechts beperkt onderzocht kan worden. De feitenrechters hebben in de vastgestelde feiten, met name die ter zake van de aanvankelijke medefinanciering door ING en de latere heroverweging daarvan, in geen van beide instanties aanleiding gezien om de drie maanden bezit bij [A] te zien als onderdeel van een vertraagde externe verwerving van [F] door (uitsluitend) de belanghebbende. Dat lijkt mij geen onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd oordeel.
4.6
De belanghebbende stelt dat zij in haar beroepschrift bij het Hof wel degelijk, anders dan het Hof stelt, bestreden heeft dat de rente 2002-2006 op lening III niet-aftrekbaar was op grond van art. 10a Wet Vpb. In dat stuk stelt zij dat aan zowel de verwerving van het resterende belang in [F] als aan de lening [C] III in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen.
4.7
Ook als men toepasselijkheid van art. 10a in plaats van art. 15ad Wet Vpb weersproken acht, neemt dat niet weg dat de partijen het over de daarvoor relevante feiten kennelijk eens zijn en dat de rechter geroepen is om het recht van ambtswege toe te passen. Dat het Hof art. 10a en niet art. 15ad (oud) van toepassing achtte op de interne verhanging van de het 28%-belang in [F] van [A] naar de belanghebbende, is vooral een rechtskundige kwalificatie en getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting.
4.8
Dan de vraag of de belanghebbende zich kan beroepen op vertrouwen gewekt door het niet reageren van de Inspecteur op haar niet-aftrekken van de rente 2002-2006 op lening III onder het aankruisen van ‘nee’ bij de vraag in de aangiften naar art. 10a Wet Vpb. Dat aangiften enige jaren zijn gevolgd, is op zichzelf onvoldoende voor rechtens relevant vertrouwen contra legem in casu mede gegeven dat er voor de fiscus in 2002-2006 geen belang bestond bij de ene of de andere niet-aftrekbaarheidsgrond.31.De door de belanghebbende gewenste aftrektemporisering in plaats van -weigering had uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde gesteld moeten zijn om aan het ontbreken van een reactie vertrouwen te kunnen ontlenen.32.Uit niets blijkt van een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur of van aan hem toerekenbare schijn van bewuste standpuntbepaling. De belanghebbende kan zich dan niet beroepen op haar - volgens de feitenrechters kennelijk inaccurate - aangiften 2002-2006. Dat de fiscus over die jaren niets heeft beschikt ter zake van de niet afgetrokken rente, zegt rechtens niet meer dan dat hij over die jaren te dier zake niets heeft beschikt. Dat de wetgever bij sommige andere regelingen wél vaststellingsbeschikkingen wenste, zegt niet meer dan dat de wetgever bij die andere regelingen wel vaststellingsbeschikkingen wenste; het zegt geenszins dat als de wetgever wél ook ter zake van temporisering ex art. 15ad (oud) beschikkingen zou hebben gewenst, zij dergelijke beschikkingen ook zou hebben ontvangen in plaats van aftrekweigeringen ex art. 10a(2)(b) (oud).
4.9
Daarmee strandt mijns inziens ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Dat art. 10a(2)(b) (oud) in 2007 niet meer bestond, betekent uiteraard niet dat het in 2002-2006 niet gold, toen het nog wél bestond. Van oneigenlijke navordering lijkt mij dan ook geen sprake; er is, zoals de belanghebbende zelf betoogt, juist géén eerdere aanslag of beschikking geweest ten opzichte waarvan een nieuw feit zou moeten bestaan. In 2007 had zij – zoals uit deze procedure blijkt – volledig toegang tot de rechter ter zake van alle relevante jaren.
4.10
Ik meen daarom dat middel (i) vergeefs wordt voorgesteld.
5. Middel (ii): ontsmetting door voeging van de targetmet de overnameholding?
Parlementaire geschiedenis
5.1
Uit het in onderdeel 4.3 hierboven geciteerde deel van de parlementaire geschiedenis van de integratie van art. 15ad (oud) Wet Vpb in art. 10a Wet Vpb bij de Wet Werken aan winst blijkt mijns inziens al dat een besmette (financiering van een) rechtshandeling niet wordt ontsmet door een fiscale eenheid tussen target en overnameholding. De MvT bij de invoering van art. 10a en 15(4) Wet Vpb zegt het volgende over de strekking van art. 15(4) (oud) en eventuele samenloop met art. 10a:33.
“Het voorgestelde vierde lid ziet in de eerste plaats op de situatie waarin een tussenhoudster een lening opneemt bij een verbonden lichaam en het bedrag van de lening aanwendt voor de verwerving van de aandelen in een ander, niet verbonden lichaam, waarmee de tussenhoudster vervolgens een fiscale eenheid aangaat. Voor zover voor de verwerving van de aandelen door het concern waartoe de tussenhoudster behoort als geheel gezien geen vreemd vermogen is aangetrokken, voorkomt het vierde lid dat de ter zake van de geldlening betaalde rente wordt afgezet tegen de winsten van het overgenomen lichaam. Hiertoe dient de winst van het overgenomen lichaam te worden geëlimineerd uit de winst van de combinatie.
Hoewel de regeling zoals gezegd in eerste instantie ziet op renten van geldleningen die verband houden met de verwerving van aandelen in niet verbonden lichamen – dergelijke renten vallen in beginsel niet onder het bereik van het voorgestelde artikel 10a – is de regeling mede van toepassing op rente die verband houdt met de verwerving van aandelen in een verbonden lichamen. Toepassing van de regeling in artikel 15 blijft met betrekking tot die situaties uiteraard beperkt tot het gedeelte van dergelijke renten waarvan de aftrek onder het voorgestelde artikel 10a mogelijk blijft.”
Literatuur
5.2
Volgens Strik34.is het niet de bedoeling van de wetgever dat geen verband meer wordt aangenomen tussen de besmette rechtshandeling en de interne lening na voeging van de overgenomen vennootschap in een eenheid met de overnemer. Hij verwijst daarbij naar de in 4.3 hierboven geciteerde parlementaire geschiedenis van de Wet Werken aan winst:
“Een andere kwestie is of het verband tussen een schuld en de verwerving van alle aandelen in een verbonden vennootschap wordt verbroken als de belastingplichtige en de dochtervennootschap een fiscale eenheid aangaan. Er ontstaat dan immers een nieuw verband tussen de schuld en de onderneming van de dochtervennootschap. Men zou kunnen betogen dat de rente dan niet langer in aftrek wordt beperkt omdat art. 10a geen betrekking heeft op de verwerving van een onderneming van een verbonden vennootschap maar alleen op de verwerving van een belang in een verbonden vennootschap. Dat is echter niet de bedoeling van de wetgever.35.”
5.3
Van Strien betoogt als volgt ter zake van voeging en ontvoeging van een overgenomen vennootschap in/uit een fiscale eenheid met de overnemer:36.
“Indien na een interne verhanging de overnemende partij en overgenomen partij gaan behoren tot dezelfde fiscale eenheid terwijl de lening is verschuldigd aan een verbonden maar niet gevoegde partij, dan rijst de vraag of art. 10a, lid 2, onderdeel b toepassing kan vinden. Deze vraag beantwoord ik bevestigend. De besmetting wordt niet afgeschud, ook al bestaat er vanuit de debiteur geen formeel verband meer tussen de lening en de aandelen, maar tussen de lening en de activa en passiva van de vennootschap waarin hij een belang houdt.”
5.4
Marres trekt een parallel met activa/passiva-transacties, die door de wetgever buiten art. 10a Wet Vpb zijn gehouden. Anders dan bij een aandelenverkoop, die onder de deelnemingsvrijstelling veelal belastingvrij kan geschieden, moet bij activa/passiva-transacties in beginsel fiscaal worden afgerekend bij de verkoper en leiden de inkomsten uit de activa/passiva tot belaste winst bij de koper. Dat onderscheid tussen aandelen- en activa/passiva-transacties gaat niet op als de vermogensbestanddelen van de verhangen dochter zonder afrekening tot het vermogen van de belastingplichtige gaan behoren. Ook hij meent, mede gegeven de wetsgeschiedenis en de achtergrond van (codificatie van) uw winstdrainagerechtspraak dat voeging niet ontsmet:
“Omdat toepassing van art. 10a niet afhankelijk is van het verband tussen de lening en bepaalde activa, maar van het verband tussen de lening en een rechtshandeling, zou men kunnen menen dat een eenmaal ontstaan verband blijft bestaan: de wijze waarop een lening is ontstaan kan immers niet ongedaan worden gemaakt. Die opvatting zou ertoe leiden dat een lening nimmer ontsmet zou kunnen raken. Die uitleg – waartoe de bewoordingen van de bepalingen overigens
geenszins dwingen (immers, het verband wordt minder evident wanneer een schuld gaat dienen ter financiering van iets anders: er ontstaat dan een nieuw verband) – is echter onwenselijk. Indien bijvoorbeeld een verhangen werkmaatschappij wordt vervreemd, en de opbrengst wordt gebruikt voor de verwerving van andere activa, is er in beginsel geen reden om de renteaftrek nog langer te weigeren. Dat de wetgever er evenmin vanuit is gegaan dat ontsmetting nimmer plaatsvindt, blijkt onder meer uit de invoering van art. 13i, eerste lid, onderdeel b, art. 13j, derde lid en art. 13k, derde lid: indien ontsmetting van een schuld in de zin van art. 10a uitgesloten zou zijn, dan zouden die bepalingen immers in zoverre zinledig zijn. Mijns inziens moet de beoordeling of art. 10a van toepassing is dan ook niet eenmalig, maar doorlopend geschieden.”37.
“De vergelijking met activa-en-passiva-transacties gaat mank indien dezelfde situatie (de vermogensbestanddelen van de verhangen dochter gaat tot het vermogen van de belastingplichtige behoren) zonder afrekening wordt gecreëerd. Een voorbeeld is het geval waarin de dochtermaatschappij waarvan de aandelen zijn verworven met de belastingplichtige binnen
een fiscale eenheid wordt gevoegd.38.Op grond van art. 15 wordt na voeging de belasting geheven ‘alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij’. Dat houdt mede in dat na voeging de moeder van de fiscale eenheid niet de aandelen van de gevoegde dochters doch dier vermogensbestanddelen in haar balans opneemt,
zodat het verband tussen een lening en de verwerving van de aandelen in de gevoegde dochter verdwijnt. Op dat moment strekt de lening vanuit een fiscaal oogpunt niet langer ter financiering van aandelen. Een argument voor ontsmetting zou voorts kunnen zijn dat na het aangaan van een fiscale eenheid de opgeroepen rentelast niet langer tegenover op de voet van de deelnemingsvrijstelling vrijgestelde baten staat. Toch leidt de voeging binnen fiscale eenheid mijns inziens niet tot ontsmetting. Het belangrijkste argument daartegen is dat art. 10a de codificatie van winstdrainagejurisprudentie vormt: een behoorlijk deel van die jurisprudentie betrof nu juist de situatie waarin na verhanging de voeging binnen fiscale eenheid volgde. Ook in de wetsgeschiedenis is verdedigd dat na voeging van de verworven dochtermaatschappij binnen een fiscale eenheid met de belastingplichtige art. 10a van toepassing blijft.39.Voorts pleit een uniforme uitlegging van art. 10a en de overige bij dezelfde wet ingevoerde (maar inmiddels al weer afgeschafte) winstdrainagebepalingen tegen de opvatting dat het verband met de verwerving van aandelen is verdwenen. De strekking van art. 15ad (oud) was bijvoorbeeld dat tegen de winsten van de dochter niet de rente op de lening waarmee de aandelen in die dochter zijn gefinancierd, kan worden afgezet. Hetzelfde geldt voor de situatie waarin de dochter in het kader van een juridische fusie of zuivere juridische splitsing verdwijnt en het vermogen daarvan door de belastingplichtige wordt verkregen; zie art. 14a, achtste lid (oud) en art. 14b, zesde lid (oud). In dat geval is er zelfs civieljuridisch geen aandelenbezit meer. Toch blijft in al die gevallen na voeging,
fusie en splitsing sprake van ‘geldleningen (…) die verband houden met de verwerving van de aandelen (…)’. Nu art. 10a, eerste lid, onderdelen b en c eveneens van toepassing is op schulden in verband met een verworven kapitaalbelang, is dit een argument te meer om na een voeging, fusie of splitsing het verband met de verwerving aandelen in de zin van die bepaling niet verbroken te achten. Ten slotte heeft de Hoge Raad in HR 29 april 2011, BNB 2011/185, r.o. 3.3, overwogen dat aankoopkosten van een deelneming ook dan niet aftrekbaar zijn op grond van art. 13, eerste lid, indien de dochtermaatschappij vervolgens onmiddellijk na de verwerving wordt opgenomen in een fiscale eenheid met de belastingplichtige. Het ligt dan voor de hand dat het verband met de verwerving ook voor de toepassing van art. 10a behouden blijft.40.”41.
5.5
Albert acht onder omstandigheden ontsmetting mogelijk, maar niet door voeging.42.
“Wanneer de debiteur van de art. 10a-lening een te voegen maatschappij is en de crediteur niet, zal art. 10a na de vorming van een fiscale eenheid van toepassing blijven. Toch kan de voeging tot onverwachtse effecten leiden, namelijk in het geval de debiteur een te voegen dochtermaatschappij is. De fictie ‘alsof er één belastingplichtige is’ (de oude ‘opgaan in’-fictie43.) brengt namelijk met zich mee dat art. 10a na voeging moet worden toegepast vanuit het gezichtspunt van de moedermaatschappij (de fiscaalrechtelijke debiteur) en niet langer vanuit het gezichtspunt van de dochtermaatschappij (de civielrechtelijke debiteur).”
Hij acht denkbaar dat een art. 10a-lening door voeging haar smet verliest. Als voorbeeld geeft hij een dividenduitkering door dochter (D) aan tussenhoudster (TH) gefinancierd met een lening van moedermaatschappij (M), gevolgd door voeging van D en TH:
“In de oorspronkelijke situatie (zonder fiscale eenheid) valt de lening voor D naar mijn mening onder art. 10a-2a. D heeft namelijk een geldlening opgenomen bij een verbonden lichaam (M), die verband houdt met een winstuitdeling. Na vorming van de fiscale eenheid TH-D wordt art. 10a toegepast vanuit het gezichtspunt van TH. Dat betekent volgens mij dat de geldlening niet langer besmet is. Bezien vanuit TH houdt de geldlening geen verband met een winstuitdeling. Er is vanuit het gezichtspunt van TH geen eigen vermogen omgezet in vreemd vermogen.”
Rechtspraak
5.6
HR BNB 1998/193 (Trawler-arrest)44.ging over de gevolgen voor een vervangingsreserve van voeging in een fiscale eenheid. De belanghebbende was een rederij. Zij verkocht twee trawlers om in het volgende boekjaar een nieuwe trawler te huren en enige maanden later de aandelen in de verhurende BV te kopen en daarmee een fiscale eenheid te vormen. Die aandelenverwerving plus voeging was volgens u een relevante herinvestering voor de vervangingsreserve.
“3.3. (…). Het huren van het schip en de daarop volgende verwerving van de aandelen in de vennootschap, waartoe het schip behoorde, (…), alsmede het vormen van een fiscale eenheid, zodra dit mogelijk was, laten (…) geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbendes voornemen erop was gericht over te gaan tot de verwerving van dit schip als bedrijfsmiddel dat de afgestoten trawlers zou vervangen, terwijl eerst met de totstandkoming van de fiscale eenheid deze vervanging is gerealiseerd, aangezien alsdan geacht moet worden dat het schip tot het vermogen van belanghebbende is gaan behoren.”
5.7
Het Hof baseert zich onder meer op HR BNB 2011/18545.. In die zaak was in geschil de aftrekbaarheid van de aankoopkosten van een deelneming die meteen na aankoop opgenomen werd in een fiscale eenheid. Uit uw arrest volgt dat de verwerving voorafgaat aan de voeging, zodat op enig moment een deelneming heeft bestaan:
“3.3. Met het opnemen (…) van de bepaling dat de kosten ter zake van de verwerving van een deelneming niet aftrekbaar zijn, heeft de wetgever beoogd de aankoopkosten van een belang dat voldoet aan de in artikel 13, lid 2, van (… de Wet) [Vpb] gestelde vereisten van aftrek uit te sluiten. Niet in geschil is dat het belang dat belanghebbende in de dochtervennootschap heeft verworven, voldeed aan de omschrijving van artikel 13, lid 2, aanhef en letter a, van de Wet. Het oordeel van de Rechtbank dat de onderhavige aankoopkosten niet voor aftrek in aanmerking komen, is derhalve juist. Daaraan doet niet af dat de dochtermaatschappij vervolgens onmiddellijk na de verwerving werd opgenomen in een fiscale eenheid met belanghebbende.”
5.8
De belanghebbende beroept zich op HR BNB 2016/19746.(Italiaanse Telecom), dat haars inziens haar standpunt steunt dat de overnameschuld na de voeging van [F] verband houdt met [F] ’s bezittingen en niet meer met het aandelenbelang in [F] , omdat uit dat arrest blijkt dat een kapitaalstorting binnen een fiscale eenheid onzichtbaar is en de voor die storting aangetrokken lening daarom geen verband hield met die storting maar met hetgeen de gevoegde dochter uit die storting had gefinancierd. U overwoog:
“2.8.2.6. […] Daarnaast heeft de consolidatie bij een fiscale eenheid ook andere gevolgen. Zo worden leningen van de moedervennootschap – en daardoor debiteurenrisico, renten en valutaresultaten op zodanige leningen – aan de dochtervennootschap en kapitaalstortingen in de dochtervennootschap en resultaten op interne transacties geëlimineerd, waardoor intragroeptransacties fiscaal neutraal zijn. Indien een dochtervennootschap aandelen verwerft in een ander lichaam, gefinancierd uit een kapitaalstorting door de moedervennootschap, worden als gevolg van de consolidatie deze twee transacties gezamenlijk, binnen de fiscale eenheid, aangemerkt als een verwerving door de moedervennootschap van die aandelen in dat andere lichaam. […] Een verder strekkende uitleg zou haaks staan op het uitgangspunt dat tijdens het bestaan van de fiscale eenheid de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Tijdens het bestaan van de fiscale eenheid maken derhalve de door de dochtermaatschappij verworven aandelen deel uit van het vermogen van de moedermaatschappij.
2.8.3.
Indien [G] in Nederland zou zijn gevestigd, had deze vennootschap vanaf 3 mei 2004 – de dag waarop belanghebbende € 237.302.000 in [G] heeft gestort –, na een daartoe strekkend verzoek, in een fiscale eenheid met belanghebbende kunnen worden opgenomen. Dan zou artikel 10a van de Wet – de beperking van de renteaftrek – niet van toepassing zijn. In dat geval zouden de aandelen [C] immers geacht moeten worden te zijn verworven door (belanghebbende als moedervennootschap van) de fiscale eenheid en zou door de consolidatie binnen de fiscale eenheid geen sprake zijn geweest van een met een kapitaalstorting in [G] verband houdende geldlening, welke kapitaalstorting onder het bereik valt van artikel 10a van de Wet (zie hiervoor in 2.8.2.6).”
Dit arrest betrof dus niet een besmette aandelenkoop gevolgd door voeging, maar een besmette storting binnen een al bestaande fiscale eenheid. Het arrest lijkt mij daarom niet relevant, mede gegeven het in 5.8 hierboven geciteerde arrest HR BNB 2011/185.
5.9
De belanghebbende wijst ook op HR BNB 2019/130,47.over een belanghebbende die aardgas zocht en won op het continentale plat. Op 30 september 2009 kocht zij alle aandelen in een houdster die onder meer een werkmaatschappij hield die eveneens aardgas opspoorde en won. Beide vennootschappen hielden een winningsvergunning ex de Mijnbouwwet. De belanghebbende had het geld voor de aankoop bij haar moeder geleend. Na het regelen van direct houderschap van de belanghebbende in de werkmaatschappij en gedeeltelijke aflossing van de lening door overdracht van de houdsteraandelen aan de moedervennootschap, stonden tegenover belanghebbendes leenschuld alleen nog de aandelen in de werkmaatschappij. Vervolgens werd de werkmaatschappij met terugwerkende kracht naar 1 oktober 2009 juridisch in de belanghebbende weggefuseerd. In geschil was of de rente op de lening toerekenbaar was aan belanghebbendes winningsvergunning en daarom in aftrek kwam als kosten van het winningsbedrijf van de belanghebbende. U overwoog:
“2.3.2. Uit een geldlening voortvloeiende rentelasten kunnen in beginsel alleen als kosten aan een winningsvergunning worden toegerekend indien die geldlening is aangegaan ter financiering van bezittingen die worden gebruikt in het winningsbedrijf. Er zijn echter omstandigheden denkbaar die maken dat een geldlening die op het moment van het aangaan ervan (nog) niet diende ter financiering van in het winningsbedrijf gebruikte bezittingen, die functie op een later moment gaat vervullen. Zulke omstandigheden doen zich voor in een geval als dit, waarin de geldlening enkel diende ter financiering van de verwerving van een deelneming waarin uitsluitend een winningsbedrijf wordt gedreven, en dit winningsbedrijf vervolgens – door een fusie – een winningsbedrijf van de verkrijgende winstaandeelplichtige is geworden. Dan gaat ook de geldlening behoren tot het vermogen van dat winningsbedrijf. (…).”
Dit arrest ging dus over de toerekening van de schuld en daarmee van de rente aan bepaalde activiteiten. Aangesloten werd bij de etikettering van schulden op basis van het totaalwinstbeginsel van art. 3.8 Wet IB, dus niet bij de schuldentoerekening op basis van art. 10a Wet Vpb, dat niet aan de orde was gesteld door de fiscus, zodat u niet inging op die bepaling. De conclusie ging er wel op in:
“7.6 De Staatssecretaris wil even onveranderlijk en onverbrekelijk historisch toerekenen als door hem voorgestaan bij de toepassing van art. 10a Wet Vpb. Toerekening van (gelieerde) schulden aan een besmette rechtshandeling in het kader van antimisbruikwetgeving zoals art. 10a Wet Vpb is mijns inziens echter iets anders dan neutrale toerekening van rente aan een (winnings)bedrijf. Een rechtshandeling blijft inderdaad onveranderlijk diezelfde rechtshandeling en bij misbruikwetgeving spelen anti-fiscale motieven een belangrijke rol; een onderneming en haar financiering daarentegen veranderen voortdurend en geheel los van anti-fiscale bedoelingen. De parlementaire geschiedenis van de Mijnbouwwet biedt geen aanknopingspunten voor de onveranderlijk historische toerekening van schulden die althans de Staatssecretaris (als uitvoerende macht) onder art. 10a Wet Vpb aangewezen acht..”
5.10
Het Hof Amsterdam heeft op 26 mei 202048.geoordeeld dat voeging van de target in een fiscale eenheid met de overnameholding de gelieerde lening niet ontsmet:
"4.9.1. Naar het oordeel van het Hof staat de vorming van een fiscale eenheid tussen belanghebbende, [X I BV] en [Q BV] niet aan de toepassing van artikel 10a van de Wet in de weg. Voor zover dit al niet uit de tekst van de wet volgt doordat ook na voeging een verband aanwezig is tussen de besmette lening en de besmette rechtshandeling (de verwerving van de [AB] Group), volgt dit uit de wetsgeschiedenis van artikel 10a. Aanvankelijk, bij invoering van artikel 10a van de Wet, voorzag artikel 15d (nadien gewijzigd in artikel 15ad) van de Wet in een beperking van de mogelijkheid tot verrekening van rente over een besmette lening met winst van een geacquireerde en vervolgens gevoegde vennootschap. Deze bepaling is bij de wet Werken aan winst geïntegreerd in artikel 10a van de Wet en komen te vervallen (wet van 12 december 2006, Stb. 2006, 631; Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 21 en 49). Het integreren van het voormalige artikel 15d (15ad) van de Wet in artikel 10a van de Wet houdt naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar in dat de renteaftrekbeperking in een geval als het onderhavige ook heeft te gelden ter zake van winsten van lichamen die tot de fiscale eenheid zijn gaan behoren waarvan belanghebbende de moedervennootschap is. De vorming van de fiscale eenheid van belanghebbende, [X I BV] en [Q BV] staat derhalve niet aan de toepassing van artikel 10a van de Wet in de weg [...]."
Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld, maar tegen dit oordeel zijn geen cassatiemiddelen gericht. Op 17 december 2020 heb ik in die zaak geconcludeerd.49.
5.11
Op 21 oktober 202050.oordeelde ook het Hof Den Haag dat voeging niet ontsmet:
"5.5. De vorming van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en [Y BV] staat niet in de weg aan toepassing van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb, aangezien ook na de voeging van [Y BV] sprake is van een verband tussen de aandeelhoudersleningen en de verwerving van het belang in [Y BV]. Dit is in overeenstemming met de bewoordingen van deze bepaling. Het Hof leidt uit de parlementaire geschiedenis af dat dit ook strookt met de bedoeling van de wetgever. Sinds de inwerkingtreding van de Wet werken aan winst (Stb. 2006, 631) per 1 januari 2007 vallen ook externe acquisities onder het bereik van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb. Deze uitbreiding ging gepaard met de afschaffing van artikel 15ad (oud) Wet Vpb. De afschaffing van laatstgenoemde bepaling, en de integratie van die bepaling in artikel 10a Wet Vpb, is in de memorie van toelichting als volgt gemotiveerd (Kamerstukken II 2005/2006, 30 572, nr. 3, p. 19 en 21):
[zie het citaat in 4.3 hierboven; PJW]
De hiervoor aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis illustreren dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om externe acquisities van lichamen die na verwerving als dochtermaatschappij in de zin van artikel 15, eerste lid, Wet Vpb gaan functioneren, onder het bereik te brengen van artikel 10a Wet Vpb. De verwerving van het belang in [Y BV] vormt dus een besmette rechtshandeling in de zin van artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, Wet Vpb, die niet wordt 'ontsmet' door [Y BV] na de verwerving te voegen in de fiscale eenheid van belanghebbende."
Ook tegen deze uitspraak is cassatieberoep ingesteld. In deze zaak is wel een cassatiemiddel gericht tegen dit onderdeel van de Hofuitspraak. Ook In deze zaak concludeer ik vandaag.
5.12
Uit de geciteerde parlementaire geschiedenis blijkt dat de integratie van art. 15ad Wet Vpb (oud) in art. 10a Wet Vpb met de Wet Werken aan de winst diende tot vereenvoudiging door uniformering, met name door (i) het openen van dezelfde tegenbewijsmogelijkheden bij gelieerd gefinancierde externe overnames als bij de al in art. 10a genoemde gelieerd gefinancierde rechtshandelingen en (ii) vervanging (voor de toekomst) van renteaftrektemporisering door renteaftrekweigering, net als bij de al in art. 10a besmet verklaarde gelieerd gefinancierde rechtshandelingen.
5.13
De geciteerde literatuur ziet weliswaar enige mogelijkheden tot ontsmetting van 10a-leningen, maar (unaniem) niet bij voeging van target en groepsdebiteur in een fiscale eenheid. Ook de feitenrechtspraak is daar eensgezind over: geen ontsmetting.
5.14
Uit HR BNB 2016/19751.volgt wel dat een kapitaalstorting binnen een fiscale eenheid fiscaal onzichtbaar is, maar niet dat de – noodzakelijk buiten de eenheid volvoerde – aankoop van een vennootschap fiscaal onzichtbaar wordt door daaropvolgende voeging van de aangekochte vennootschap met de overnameholding, noch dat die voeging de gelieerde lening zou ontsmetten. HR BNB 1998/193 (Trawler-arrest)52.ging over materiële en teleologische toepassing van de vervangingsreserve, geheel in overeenstemming met doel en strekking van die regeling, een heel andere context dus dan de antimisbruikcontext van art. 15ad (oud) en art. 10a Wet Vpb. Toestaan van renteaftrek na voeging van de target met de debiteur van de gelieerde lening zou juist evident haaks staan op de duidelijke bedoeling van de wetgever om aftrekmisbruik door middel van overnameholdingconstructies tegen te gaan. In HR BNB 2019/130 (Winningsvergunning)53.tenslotte was art. 10a Wet Vpb helemaal niet aan de orde, maar ging het om toerekening van kosten aan activiteiten en bovendien om een juridische fusie; zowel de conclusie als de noot in BNB zetten uiteen dat het bij art. 10a Wet Vpb en slechts fiscale voeging anders werkt. Het historische causale verband tussen de interne lening en de verwerving van de voegeling blijft na fiscale voeging bestaan.
5.15
Ik meen dat ook middel (ii) strandt.
6. Middelen (iii) en (iv): bewijslastverdeling en bewijslevering
6.1
Ik behandel de EU-rechtelijke aspecten van de middelen (iii) en (iv) bij onderdeel (v).
6.2
Lid 3 van art. 10a Wet Vpb (tegenbewijs) luidde in 2007 als volgt:
“3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat:
a.aan de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; of
b.over de rente bij degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd, per saldo een belasting naar de winst of het inkomen wordt geheven welke naar Nederlandse maatstaven redelijk is en dat er geen sprake is van verrekening van verliezen of van andersoortige aanspraken uit jaren voorafgaande aan het jaar waarin de schuld is aangegaan waardoor over de rente per saldo geen heffing naar bedoelde redelijke maatstaven is verschuldigd, behoudens ingeval aannemelijk is dat de schuld is aangegaan met het oog op het verrekenen van verliezen of andersoortige aanspraken welke in het jaar zelf zijn ontstaan dan wel op korte termijn zullen ontstaan. Een naar de winst geheven belasting is naar Nederlandse maatstaven redelijk indien deze resulteert in een heffing naar een tarief van ten minste 10% over een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst, waarbij de artikelen 12b en 12c buiten toepassing blijven.”
6.3
De middelen (iii) en (iv) achten onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat het door art. 10a(3)(a) Wet Vpb vereiste tegenbewijs van zakelijkheid niet is geleverd, met name zijn oordeel over de financieringsfunctie van [C] . Die tegenbewijsregeling moet volgens haar worden uitgelegd in overeenstemming met het misbruikleerstuk van het HvJ opdat alleen volstrekt kunstmatige constructies worden getroffen door aftrekweigering. Zij acht evident dat [C] voldoende substance en duurzaamheid heeft om als reële vestiging beschouwd te worden en dat [C] een reële financieringsfunctie in het concern vervult. Het Hof heeft de bewijslast dan ook verkeerd verdeeld (de Inspecteur heeft volgens haar geen begin van bewijs van misbruik hoeven leveren omdat art. 10a(1) Wet Vpb aftrek uitsluit op grond van door het HvJ verboden vooraf vastgestelde algemene criteria, nl. gelieerde financiering), een onjuiste maatstaf aangelegd (veel te ruime invulling van ‘volstrekt kunstmatig’) en zijn oordeel niet of onvoldoende gemotiveerd met slechts twee zeer algemene overwegingen (4.8 en 4.9) zonder onderbouwing.
6.4
De belanghebbende wijst met name op HR BNB 2020/80,54.over een buitenlands belastingplichtige vennootschap wegens inkomen uit aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap. Dat arrest gaat echter niet over art. 10a Wet Vpb, maar over het toenmalige art. 17(3) Wet Vpb, de inhoud waarvan volgens de belanghebbende echter in de kern niet verschilt van de zakelijkheidstoets in art. 10a Wet Vpb, nu de bedoeling in beide gevallen bestrijding van belastingontwijking is. U overwoog als volgt:
“2.6.5. Bij het onderzoek of met een constructie misbruik wordt nagestreefd, kan namelijk niet ermee worden volstaan vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen. In elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is (vgl. het arrest Eqiom en Enka55., punt 32). Indien de inspecteur kan volstaan met het leveren van een zodanig begin van bewijs of zodanige aanwijzingen, moet de belastingplichtige de mogelijkheid worden geboden om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen voor de constructie blijkt (vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C504/16 en C613/16, ECLI:EU:C:2017:1009, punt 70).
2.6.6.Bij de toepassing van de regeling is het uitgangspunt voor de bewijslastverdeling dat de inspecteur de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de subjectieve voorwaarde is vervuld, en dat hij deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt (vgl. Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 10, blz. 94). Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het Unierecht (vgl. het arrest T Danmark56., punt 117).
2.6.7.
Bij de toepassing van het Unierecht levert de vervulling van de subjectieve voorwaarde slechts een bewijsvermoeden op dat zich misbruik voordoet. Dit wordt bevestigd door het arrest T Danmark, punt 101. Indien een dergelijk bewijsvermoeden van misbruik bestaat, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit.”
6.5
Middel (iii) lijkt mij grotendeels beside the point omdat het vooral gaat over de realiteit van de vestiging, de substance en de activiteiten van [C] , die echter niet betwist worden en die niet relevant zijn voor de vraag waar het wél om gaat, nl. die naar de redenen voor het omleiden van het eigen vermogen van [A] langs [C] en het aldaar omzetten van dat eigen vermogen in vreemd vermogen en dat vervolgens verstrekken aan een met de target te voegen 100%-dochter van [A] met het oog op een overname. Het gaat dus niet om de realiteit van de vestiging of substance van [C] - in dat opzicht is HvJ Cadbury Schweppes ook irrelevant - maar om de zakelijkheid van de combinatie van twee transacties: de storting van ruim € 2 miljard door [A] in [C] , gevolgd door de uitlening van datzelfde bedrag door [C] aan de belanghebbende om daarmee [F] over te nemen en die vervolgens te voegen met de belanghebbende. Belanghebbendes opsommingen van concerndeugden van [C] waarop het Hof niet is ingegaan is, geven geen niet-fiscale verklaring voor die specifieke transacties, zodat het Hof daar aan voorbij kon gegaan.
6.6
De bewijslast lijkt mij evenmin onjuist verdeeld, nu de wettelijke bewijslastverdeling de fiscus noopt om te bewijzen dat intern geleend is voor een interne of externe overname die tot gelieerdheid van de target leidt en de belanghebbende noopt om te bewijzen dat de interne financieringsstructuur daarvoor overwegend niet-fiscale redenen heeft. Dat de externe overname zakelijk was, is niet in geschil, zodat het om de redenen voor de interne financieringsstructuur gaat. De belanghebbende stelt een reële financieringsbehoefte, maar dat lijkt mij evenmin ter zake, want die behoefte impliceert geenszins dat de routing langs [C] en de omzetting in vreemd vermogen overwegend om niet-fiscale redenen is gekozen. De door de belanghebbende te beantwoorden vraag is waarom op de vastgestelde omweggelijke wijze aan de financieringsbehoefte is voldaan. Vastgesteld is dat de financiering volledig afkomstig is uit eigen vermogen van [A] dat omgeleid is langs [C] en aldaar is omgezet in vreemd vermogen. De Inspecteur heeft volgens de feitenrechters voldoende laten zien dat die omleiding commercieel onverklaarbaar lijkt, zodat de gang van zaken smeekt om een niet-fiscale verklaring door de belanghebbende. Als een andere verklaring niet wordt gegeven, zoals in casu, kan de feitenrechter mijns inziens een fiscale verklaring voor die omweg aannemelijker achtten dan een niet-fiscale. Als de fiscus fraus legis zou hebben gesteld, zou het in de vastgestelde omstandigheden ook volgens de gewone redelijke verdeling van de bewijslast op de weg van de belanghebbende hebben gelegen om voldoende gewichtige niet-fiscale redenen aannemelijk te maken voor de gekozen omslachtig en antifiscaal ogende financieringsstructuur.
6.7
De parlementaire geschiedenis geeft het volgende voorbeeld van een onzakelijke financieringsomleiding:57.
“Ter verduidelijking kan worden opgemerkt dat als de crediteur van een geldlening ter financiering van een acquisitie is gevestigd in een «taxhaven» en deze het daarvoor aangewende eigen vermogen met het oog op die financiering heeft verkregen van een (al dan niet buitenlandse) groepsmaatschappij, in principe sprake is van een onzakelijke omleiding van de ter financiering benodigde geldstroom. Daarvan kan ook sprake zijn als het door de maatschappij in de taxhaven verkregen eigen vermogen uiteindelijk door de groep extern is ingeleend.”
6.8
Uit HR BNB 2015/165 (Mauritius)58.volgt (i) dat hoezeer ook de overname zakelijk en de financieringsbehoefte reëel is, desondanks art. 10a Wet Vpb van toepassing kan zijn, nl. als de financiering een onzakelijke antifiscale omweg maakt en (ii) dat art. 10a-rente slechts aftrekbaar is als de belastingplichtige, nadat de Inspecteur heeft bewezen dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 10a Wet Vpb is voldaan, de feiten stelt en bij betwisting aannemelijk maakt waaruit blijkt dat de beweegredenen voor het aangaan van de interne schuld zakelijk zijn:
“3.1.1. (…). De tekst van [art. 10a(3)(a) Wet Vpb; PJW] laat geen andere uitleg toe dan dat de rente slechts aftrekbaar is als de belastingplichtige de feiten stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, die de conclusie kunnen dragen dat de beweegredenen voor de concrete aan de orde zijnde verwerving en voor het daartoe aangaan van een schuld zakelijk waren. Indien in geschil is of dit bewijs is geleverd, kan daarom niet ermee worden volstaan af te gaan op de aard en inhoud van de verrichte (rechts)handelingen als zodanig. In een zodanig geval moet wat de schuld betreft tevens vastgesteld worden welke de beweegredenen waren van de betrokkenen bij het aangaan van de schuld. Uit artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet volgt dat de bewijslast voor deze beweegredenen bij belanghebbende ligt. Daarbij kunnen aan de gekozen structuur en de daaraan verbonden fiscale en niet-fiscale gevolgen vermoedens worden ontleend omtrent die beweegredenen.
3.1.2. (…).
Indien het uitsluitend zou gaan om de beweegredenen van de belastingplichtige die de lening is aangegaan, zou toepassing van de regel van artikel 10a, lid 1, van de Wet zeer eenvoudig te ontgaan zijn. (…). Daarom moet ervan worden uitgegaan dat in het kader van toepassing van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet de beweegredenen van alle betrokkenen bij de schuld en de daarmee verband houdende rechtshandeling in aanmerking worden genomen.
3.1.3.
Bij het onderzoek naar de beweegredenen is van belang dat in het systeem van de Wet besloten ligt dat een belastingplichtige keuzevrijheid heeft bij de vorm van financiering van een vennootschap waarin zij deelneemt (vgl. HR 2 februari 2014, nr. 12/02640*, ECLI:NL:HR:2014:224, BNB 2014/79). Voor zover artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, in samenhang gelezen met artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente een inbreuk vormt op deze systematiek moeten deze bepalingen, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden, beperkt worden uitgelegd. Tegen die achtergrond moet de passage uit de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer van de wet “Werken aan winst” (opgenomen in onderdeel 4.21 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) zo worden begrepen dat in beginsel sprake is van een geldlening waaraan in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen als geen sprake is van een omleiding van de voor de acquisitie aangewende middelen. Bij een rechtstreekse financiering ligt het in de keuzevrijheid van de belastingplichtige besloten dat de wetgever mogelijke fiscale overwegingen die aan de gekozen financiering ten grondslag liggen, als passend binnen die vrijheid, heeft aanvaard. Daarbij verdient opmerking dat van het ontbreken van zakelijke overwegingen niet slechts sprake kan zijn als de desbetreffende middelen binnen het concern eerst zijn onttrokken aan het eigen vermogen van het Nederlandse deel van het concern. Een zo beperkte uitleg van artikel 10a van de Wet vindt geen steun in de totstandkomingsgeschiedenis ervan.
(…).
3.2.2. (…).
De omstandigheid dat een verwerving van de aandelen in een vennootschap en de in verband daarmee aangegane schuld, in samenhang bezien, strekt ter verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden, sluit (…) niet uit dat aan de wijze van financiering overwegingen ten grondslag liggen die niet in overwegende mate zakelijk zijn. Na de invoering van de in artikel 10a, lid 3, aanhef, en letter a, van de Wet, neergelegde dubbele zakelijkheidstoets sluit de omstandigheid dat een binnen een concern opgezette financieringsstructuur uiteindelijk een zakelijk doel dient, derhalve niet uit dat een geldlening van een verbonden lichaam die onderdeel van die financieringsstructuur is onder het bereik valt van de uitsluiting van renteaftrek (vgl. HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137). (…).
(…).”
6.9
HR BNB 2016/197 (Italiaanse telecom)59.voegde toe dat bij het onderzoek naar de beweegredenen voor de desbetreffende rechtshandeling en de interne geldlening slechts de overwegingen die aan de rechtshandeling en die geldlening ten grondslag liggen relevant zijn.
6.10
Art. 10a Wet Vpb biedt de mogelijkheid van bewijs van zakelijkheid door (i) bewijs dat de interne lening uiteindelijk extern is aangegaan (schuldparallellie: HR BNB 2017/15660., r.o. 2.4.5.3) of (ii) bewijs van overwegend andere motieven voor de omleiding en omzetting van eigen vermogen dan gebruik van een feitelijke (zoals een [C] ) of synthetische tax haven: HR BNB 2015/16561.(Mauritius), r.o. 3.1.3). Mogelijkheid (i) is niet aan de orde, zodat op de belanghebbende de last van bewijs van overwegend zakelijke motieven rustte. Het enige licht dat daarop is geworpen, is dat van de in 2.12 geciteerde notulen van een vergadering van de Raad van bestuur van [A] die vermelden dat rekening is gehouden met “de verschillende financiële, fiscale en juridische elementen van het dossier.” Deze neither here nor there leidende vermelding kon het Hof zonder schending van het recht of zijn motiveringsplicht beschouwen als onvoldoende bewijs van zakelijkheid van de omleiding en omzetting in vreemd vermogen van [A] ’s eigen vermogen. Ik acht ’s Hofs rechtskundige maatstaf en zijn bewijslastverdeling correct en (de beknoptheid van) zijn bewijsoordeel niet onbegrijpelijk, gegeven (i) de vastgestelde feiten, (ii) de door het hof overgenomen delen van de uitspraak van de Rechtbank, en (iii) dat de belanghebbende geen bewijsmiddelen heeft geproduceerd waaruit overwegend niet-fiscale redenen kunnen volgen voor die omleiding en omzetting.
6.11
Dat het Hof in het algemeen niet aannemelijk achtte dat [C] een financiële functie vervulde binnen het concern, lijkt inderdaad onvoldoende gemotiveerd (belanghebbende: ‘bizar’), maar dat doet niet ter zake omdat, zoals bleek, [C] ’s algemene concerndeugden geen licht werpen op de motieven voor de specifieke litigieuze transacties: de omleiding en omzetting van [A] ’s eigen vermogen). Het Hof kon mijns inziens als vergezocht voorbijgaan aan het moeilijk te volgen betoog over een hypothetische situatie (“stel dat …”) waarin beursbeleggers in [A] meer risico zouden hebben gelopen in het hypothetische geval van een verlies, nu de belanghebbende slechts gesteld heeft dat de gekozen structuur economische gevolgen had voor bepaalde derden in vergelijking met een hypothetisch scenario, maar niet dat risicoreductie voor die derden de overwegende reden was voor de gekozen financieringsstructuur, daargelaten de beoordeling van de geloofwaardigheid van zo’n stelling door de feitenrechter.
6.12
Ik meen dat de middelen (iii) en (iv) doel missen.
7. EU-recht (middelen (iii) en (iv))
7.1
Art. 10a Wet Vpb maakt geen onderscheid tussen binnenlandse en grensoverschrijdende gevallen, zodat moeilijk valt in te zien dat aan (de proportionaliteit van) een rechtvaardiging voor dat niet-bestaande onderscheid toegekomen kan worden: er is immers geen verschil dat om rechtvaardiging zou vragen. De belanghebbende betoogt niet dat in een vergelijkbaar binnenlands geval door middel van een fiscale eenheid art. 10a uitgeschakeld zou kunnen worden en dat om die reden grensoverschrijdende gevallen verkapt benadeeld zouden worden. De discussie over het EU-recht ontgaat mij daarom enigszins. Als het in casu alleen om de toepassing van art. 10a Wet Vpb op zichzelf gaat, en dat is kennelijk het geval, dan gaat het om een maatregel zonder onderscheid die geen feitelijk markttoegangsobstakel inhoudt en zijn wij mijns inziens EU-rechtelijk al uitgepraat. Ik ga niettemin in op de mogelijk relevante rechtspraak over de verenigbaarheid van renteaftrekbeperkingen met de EU-vestigingsvrijheid.
7.2
In HR BNB 2013/13762.achtte u – slechts veronderstellende dat art. 10a Wet Vpb een belemmering van de vrijheid van vestiging zou kunnen zijn – die bepaling strookt met de EU-verkeersvrijheden omdat de rechter die bepaling binnen de werkingssfeer van het EU-recht uitlegt en toepast conform de misbruikdoctrine van het HvJ:
“4.4.1. Het tweede middel keert zich tegen deze oordelen onder meer met het betoog dat derving van belastingopbrengsten geen dwingende reden van algemeen belang is die een inbreuk op de vrijheid van vestiging kan rechtvaardigen. Voorts voert het middel aan dat volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie de inspecteur moet bewijzen dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. Ten slotte voert het middel aan dat aangenomen moet worden dat 7 percent een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing is en dat het proportionaliteitsbeginsel vereist dat de bestrijding van misbruik niet verder gaat dan dat uiteindelijk een heffing van 7 percent resteert.
4.4.2.1. Bij hetgeen hierna wordt overwogen zal de Hoge Raad uitgaan van de veronderstelling dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een belemmering van de vrijheid van vestiging. In het arrest van 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, BNB 2007/54, punt 55, is door het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat een beperking van de vrijheid van vestiging slechts door de strijd tegen misbruiken kan worden gerechtvaardigd, wanneer zij specifiek tot doel heeft, gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. De binnenlandse vennootschap, die daartoe het best geplaatst is, moet, aldus het Hof van Justitie, in staat worden gesteld om het bewijs aan te dragen dat sprake is van een reële vestiging die daadwerkelijk activiteiten uitoefent. In het arrest van 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, V-N 2007/15.9, punt 82, oordeelde het Hof van Justitie dat in geval van een nationale wettelijke regeling die beoogt volkomen kunstmatige constructies tegen te gaan die alleen voor belastingdoeleinden zijn opgezet, de belastingplichtige in staat moet worden gesteld om zonder buitensporige administratieve moeite bewijs aan te dragen met betrekking tot de eventuele commerciële redenen waarom de transactie heeft plaatsgevonden.
4.4.2.2. Met artikel 10a, lid 2, van de Wet wordt beoogd tegen te gaan dat door middel van rente die is verschuldigd op een geldlening die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan de Nederlandse belastinggrondslag wordt geërodeerd. Als zodanige rente merkt artikel 10a, lid 2, van de Wet – behoudens tegenbewijs – onder meer aan rente ter zake van een geldlening rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd aan een verbonden lichaam, voor zover de geldlening verband houdt met een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam. Bezien vanuit een groep van verbonden lichamen, wordt dan in wezen eigen vermogen van een Nederlands lichaam uit die groep als vreemd vermogen gepresenteerd (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 17). Aldus strekt deze regeling – wanneer het vennootschappen binnen de Europese Unie betreft – ertoe gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.
Voorts biedt artikel 10a, lid 3, van de Wet belastingplichtigen de mogelijkheid het bewijs aan te dragen dat niet sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. De eisen die deze bepaling stelt zijn niet zodanig bezwarend dat deze mogelijkheid geen daadwerkelijke betekenis heeft. Gelet op een en ander blijft artikel 10a, lid 2, van de Wet binnen de door het Hof van Justitie in de hiervoor in 4.4.2.1 aangehaalde arresten aangegeven grenzen voor een wettelijke bepaling die de vrijheid van vestiging beperkt. Voorts volgt niet uit deze arresten dat in een geval als het onderhavige de beperking van de renteaftrek niet verder kan gaan dan dat de door de debiteur verschuldigde belasting wordt verhoogd met het bedrag aan belasting dat de crediteur extra verschuldigd zou zijn wanneer bij haar de rente belast zou zijn naar een tarief dat naar Nederlandse maatstaven als redelijk moet worden aangemerkt. Het evenredigheidsbeginsel verzet zich niet ertegen dat de bestrijding van ontduiking van Nederlandse belasting zich richt op het wegnemen van het volledige effect van de belastingontduiking voor de Nederlandse belastingheffing. Hierin schuilt geen onevenredigheid (vgl. HR 23 januari 2004, nr. 38 258, LJN AI0739, BNB 2004/142).
4.4.2.3. In ’s Hofs uitspraak ligt besloten het oordeel dat belanghebbende het hiervoor in 4.4.2.2 bedoelde bewijs niet heeft geleverd.
4.4.2.4. Het tweede middel stuit in zijn geheel af op het hiervoor in 4.4.2.2 en 4.4.2.3 overwogene.”
7.3
Ook in HR BNB 2016/197 (Italiaanse Telecom)63.achtte u art. 10a Wet Vpb op zichzelf beschouwd (afziende van mogelijke binnenlandse uitschakeling door een fiscale eenheid) in overeenstemming met de door het HvJ erkende antimisbruikrechtvaardiging voor beperking van de EU-verkeersvrijheden:
“2.8.2.2. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest BNB 2013/137 wordt met artikel 10a, lid 2, van de Wet beoogd tegen te gaan dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold door middel van rente die is verschuldigd op een geldlening die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan. Als zodanige rente merkt artikel 10a, lid 2, van de Wet – behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs als voorzien in artikel 10a, lid 3, van de Wet – onder meer aan rente ter zake van een geldlening die rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd aan een verbonden lichaam, voor zover die geldlening verband houdt met een kapitaalstorting in een verbonden lichaam. Bezien vanuit een groep van verbonden lichamen wordt dan in wezen eigen vermogen van de groep bij een Nederlands lichaam uit die groep als vreemd vermogen gepresenteerd (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, blz. 17). Aldus strekt artikel 10a, lid 2, van de Wet ertoe gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.
Voorts biedt artikel 10a, lid 3, van de Wet belastingplichtigen de mogelijkheid te bewijzen dat niet sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit. De eisen die deze bepaling stelt zijn niet zodanig bezwarend dat deze mogelijkheid geen daadwerkelijke betekenis heeft. Gelet op een en ander blijft artikel 10a, lid 2, van de Wet binnen de door het Hof van Justitie in zijn arresten van 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, BNB 2007/54, punt 55, en 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, ECLI:EU:C:2007:161, V-N 2007/15.9, punt 82, gestelde grenzen voor een wettelijke bepaling die de vrijheid van vestiging beperkt. Voorts volgt uit deze arresten niet dat in een geval als het onderhavige de beperking van de renteaftrek slechts ertoe mag leiden dat de door de debiteur verschuldigde belasting wordt verhoogd met het bedrag aan belasting dat de crediteur extra verschuldigd zou zijn wanneer bij hem de rente belast zou zijn naar een tarief dat naar Nederlandse maatstaven als redelijk moet worden aangemerkt. Het Europese evenredigheidsbeginsel verzet zich niet ertegen dat de bestrijding van ontduiking van Nederlandse belasting zich richt op het wegnemen van het volledige effect van de belastingontduiking voor de Nederlandse belastingheffing. Hierin schuilt geen onevenredigheid (vgl. HR 23 januari 2004, nr. 38258, ECLI:NL:HR:2004:AI0739, BNB 2004/142).”
7.4
De belanghebbende beroept zich onder meer op HvJ Deister en Juhler.64.De tegenbewijsregeling van art. 10a Wet Vpb moet volgens haar worden uitgelegd in overeenstemming met het misbruikconcept van het HvJ. Deister en Juhler ging over het misbruikvoorbehoud in de EU-Moeder-dochterrichtlijn. De vraag was of Duitsland niet te ver ging in het tegengaan van outbound profit transfers met ge/misbruikmaking van die Richtlijn, die bronheffingen op intra-EU-deelnemingsdividenden verbiedt, maar de lidstaten toestaat misbruik van de Richtlijn tegen te gaan. De Duitse regeling hield vrij nauwkeurig omschreven omstandigheden in waarin de Richtlijnvoordelen werden geweigerd, maar liet geen tegenbewijs van niet-fiscale motieven toe. Nu art. 10a Wet Vpb wel eenvoudig tegenbewijs toelaat, lijkt het arrest mij daarom niet relevant, maar ik citeer volledigheidshalve r.o. 74.
“74. In tegenstelling tot wat de in de hoofgedingen aan de orde zijnde wettelijke regeling bepaalt, moeten voor de vaststelling van een dergelijke constructie [een volstrekt kunstmatige constructie; PJW] per geval alle aspecten van de betrokken situatie worden onderzocht, zoals de organisatorische, economische en andere relevante kenmerken van het concern waarvan de betrokken moedermaatschappij deel uitmaakt alsmede de structuur en de strategie van dat concern.”
Deze overweging ziet dus op een geval waarin geen tegenbewijs werd toegelaten. Als de nationale wetgever daarvoor kiest, zal hij zijn regeling zeer nauwkeurig moeten afstemmen op het gevreesde misbruik (geen overkill). Dat had de Duitse wetgever onvoldoende gedaan en omdat hij ook geen tegenbewijs toeliet, was zijn regeling disproportioneel. Daarvan is in belanghebbendes geval echter geen sprake. Bij art. 10a gaat het (volgens het HvJ zelfs ‘onmiskenbaar’; zie 7.9 hieronder) om antimisbruikwetgeving. Die wetgeving omschrijft specifieke verdachte transacties en financieringen die de fiscus moet bewijzen. Die omstandigheden zijn weliswaar inderdaad te ruim omschreven om steeds alleen misbruikgevallen te treffen, maar juist daarom worden belanghebbenden zonder enige beperking toegelaten tot bewijs van overwegend commerciële redenen. Wordt voorzien in – makkelijk toegankelijke – tegenbewijsmogelijkheden, dan volgt uit de rechtspraak van het HvJ dat het niet disporportioneel is dat een ruimere, mits misbruikrelevante categorie van gevallen wettelijk wordt aangewezen als verdacht.65.Dat blijkt al uit het seminal arrest Cadbury Schweppes zelf. De Inspecteur heeft in casu aannemelijk gemaakt dat (i) een acquisitie met een gelieerde lening is gefinancierd, (ii) de target door de acquisitie gelieerd is geworden en (iii) de interne eigen-vermogenfinanciering vanuit de uiteindelijke overnemer [A] is omgeleid via [C] en daar is omgezet in vreemd vermogen en dat de winstgevende target gevoegd is met de concerndebiteur, waardoor intraconcern een grondslageroderende rentestroom is gaan lopen van hoogbelast naar nauwelijks of niet belast. De belanghebbende kon vervolgens met alle middelen, zonder enige administratieve of andere beperking zakelijke motieven aannemelijk maken voor deze geldomleiding en -omzetting. Dat heeft zij volgens de feitenrechters echter niet gedaan.
7.5
Mijns inziens schuilt in deze regeling noch in ‘s Hofs oordeel een disproportie.
7.6
Voor zover de belanghebbende stelt dat de compenserende-heffingtoets (art. 10a(3)(b) Wet Vpb) discriminatoir zou zijn omdat het Nederlandse belastingtarief hoger is dan 10%, volstaat het op te merken dat (i) art. 10a(3)(b) geen enkel onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende gevallen; (ii) geen enkele EU-lidstaat een Vpb-tarief lager dan 10% heeft, (iii) de belanghebbende dan ook niet betaalde aan een gelieerde vennootschap onderworpen aan de vennootschapsbelasting van een andere EU-lidstaat, maar aan een feitelijke tax haven en (iv) niet aannemelijk lijkt dat het minimumtarief in de EU-CFC-bepaling (art.7(1)(b) ATAD) onverbindend zou zijn wegens strijd met de vestingingsvrijheid.
7.7
De belanghebbende wijst verder op de recente zaak Lexel AB66.betreffende een in Zweden gevestigde groepsvennootschap die voor een interne verhanging leende bij een Franse groepsvennootschap BF met fiscale verliezen waartegen de door Lexel betaalde en in Zweden afgetrokken rente tegen werd afgezet. De Zweedse fiscus weigerde de renteaftrek op grond van een anti-BEPS-maatregel. De Zweedse rechter stelde het HvJ vragen over de verenigbaarheid daarvan met de vrijheid van vestiging. Het HvJ overwoog onder meer, verwijzende naar Cadbury Schweppes en de Nederlandse zaak X BV en X NV,67.dat een beperking van de vrijheid van vestiging slechts door antimisbruikoverwegingen kan worden gerechtvaardigd als zij er specifiek toe strekt volstrekt kunstmatige constructies te verhinderen die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. Verwijzende naar Thin Cap GLO,68.overwoog hij verder dat (i) bij de vaststelling of een transactie een volkomen kunstmatige constructie voor belastingdoeleinden is, de belastingplichtige in staat moet worden gesteld om zonder buitensporige administratieve lasten bewijs aan te dragen met betrekking tot de eventuele commerciële redenen voor die transactie en (ii) dat, mocht het onderzoek van dat bewijs ertoe leiden dat de transactie een louter kunstmatige constructie is waaraan geen echte commerciële redenen ten grondslag liggen, het evenredigheidsbeginsel eist dat de aftrekweigering wordt beperkt tot de rente boven het bedrag dat in ongelieerde verhoudingen zou zijn overeengekomen. Over de specifieke Zweedse regeling overwoog hij (curs. PJW):
“53. Het specifieke doel van de uitzondering [de aftrekweigering; PJW] bestaat niet in de bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies, noch is de toepassing ervan beperkt tot dergelijke constructies. Zoals de belastingdienst ter terechtzitting in wezen heeft erkend, betreft die uitzondering namelijk schulden die voortvloeien uit civielrechtelijke transacties, zonder dat zij echter uitsluitend betrekking heeft op fictieve constructies. Volgens de beoordeling van de met de betreffende transactie nagestreefde doelstellingen door de belastingdienst kunnen bijgevolg ook transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan – dat wil zeggen tegen voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden gelden – binnen de werkingssfeer van de uitzondering vallen.
(….).
56. Vastgesteld moet worden dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan en dus geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies vormen die alleen zijn opgezet om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied, binnen de werkingssfeer van de uitzondering kunnen vallen.”
7.8
De geciteerde r.o. 56 suggereert inderdaad, zoals de belanghebbende stelt, dat het HvJ in de veronderstelling verkeert dat als de voorwaarden van een interne lening marktconform zijn, van fraus legis geen sprake kan zijn. Die veronderstelling zou echter evident onjuist zijn, nu immers ook de intraconcern creatie van een geheel marktconforme lening volledig antifiscaal gemotiveerd kan zijn. Dat het HvJ zich dat wel degelijk realiseert, volgt uit de zaak Thin Cap GLO69.waarnaar het HvJ in de zaak lexel AB meer malen verwijst:
“81. (…). Hierbij gaat het om de vraag of de lening bij gebreke van een bijzondere relatie tussen de betrokken vennootschappen niet zou zijn verstrekt dan wel of deze zou zijn verstrekt voor een ander bedrag of tegen een andere rentevoet.”
7.9
R.o. 56 van Lexel AB wordt mijns inziens dan ook verklaard doordat het in Lexel alleen nog over de leningvoorwaarden ging omdat kennelijk niet bestreden werd dat zowel de interne verhanging in die zaak als het aangaan van de gelieerde schuld overwegend zakelijk waren. In belanghebbendes geval daarentegen is de zakelijkheid van de financieringsstructuur zelf in geschil; niet de voorwaarden van de lening. De Zweedse fiscus weigerde kennelijk blind – dus onevenredig - aftrek als een niet-onderworpen groepsvennootschap in een verliespositie een lening verstrekt aan een Zweedse winstvennootschap, zulks hoewel in een vergelijkbaar binnenlands geval die aftrek automatisch bereikt werd als de Zweedse regeling van groepsbijdragen (winstoverheveling) tussen groepsvennootschappen gebruikt kon worden. Betaling aan een gelieerde verliesvennootschap was grensoverschrijdend dus steeds misbruik en binnenslands in beginsel nooit. Dat is evident discriminatoir en overkill. Dan blijft inderdaad alleen nog de mogelijkheid over dat de leningvoorwaarden niet deugen, zodat het Hof alleen daarop inging. In belanghebbendes geval daarentegen zijn de leningvoorwaarden irrelevant omdat het om de creatie van de interne lening zelf gaat. Als de omleiding en omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen zelf al kunstmatig en misbruikelijk is, komt men aan beoordeling van de leningvoorwaarden niet toe.
7.10
Veronderstellende dat art. 10a Wet Vpb geacht kan worden op zichzelf (wel) in strijd te zijn met EU-recht, annoteerde Marres in BNB 2021/75 de zaak Lexel onder meer als volgt:
“5. […] Nu is het niet zeker dat het Hof van Justitie hetzelfde zal oordelen over art. 10a Wet Vpb 1969 (ervan uitgaande dat die bepaling geacht wordt de vestigingsvrijheid – of eventueel de vrijheid van kapitaalverkeer – te belemmeren), maar het lijkt er wel op (zie onderdeel 9). Het Hof van Justitie houdt mijns inziens onvoldoende rekening met het voorwerp en het doel van de verschillende aftrekbeperkingen, dus met het type misbruik dat zij trachten te bestrijden. Dat is bij de hier onderzochte Zweedse regeling en bij art. 10a, anders dan bij de regeling in de zaak Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation,70.niet onderkapitalisatie. Hoewel het hier (in casu en bij art. 10a) ook gaat om grondslagverschuiving binnen gelieerde verhoudingen, gaat het niet om het probleem van excessieve rentelasten, maar om het probleem van gekunsteld opgeroepen rentelasten. Daarom zou de tegenbewijsregeling niet moeten gelden voor marktconforme rente, maar voor rente op schulden die een reële financieringsfunctie vervullen zonder kunstmatige omwegen.71.”
7.11
Het NJB-Vooraf ‘Marktconforme profit shifting’ beschouwt de schijnbare algemeenheid van de geciteerde r.o. 56 van het arrest Lexel als evident onjuist, althans misleidend:72.
“Het Hof achtte aftrekweigering onterecht omdat ook transacties getroffen konden worden die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan en dus (par consequent; consequently; folglich; por consiguiente) geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies vormen”. Maar het woord ‘dus’ is hier misplaatst. Ook marktconforme interne leningen kunnen heel wel kunstmatig en antifiscaal zijn: de lening kan commercieel onverklaarbaar zijn (geen reële financieringsbehoefte bij de inlener) of zij kan antifiscaal omgeleid zijn binnen het concern, in dit geval naar Frankrijk, waar geen belasting werd betaald. Gegeven dat Lexel geen niet-fiscale redenen kon aanvoeren om aandelen in de Belgische dochter te kopen en die te financieren met een Franse groepslening, ging zij die transacties kennelijk aan om aftrekbare rentebetalingen naar een onbelaste groepsvennootschap te creëren. Het Hof lijkt niet te zien dat een marktconforme groepslening zelf onzakelijk kan zijn of onzakelijk omgeleid kan zijn.”
7.12
Het beroep op Lexel strandt mijns inziens overigens al op het gegeven dat art. 10a Wet Vpb ook qua bewijslast geen onderscheid maakt tussen grensoverschrijdende en interne gevallen en de belanghebbende geen beroep doet op de per-elementbenadering van de fiscale eenheid. In tegenstelling tot zijn oordeel over de Zweedse regeling aan de orde in Lexel, heeft het HvJ bovendien ter zake van art. 10a Wet Vpb in de Nederlandse zaak X BV en X NV geoordeeld dat die bepaling wél, zelfs ‘onmiskenbaar’ tot doel heeft belastingontwijking tegen te gaan (en niet slechts belastingderving).73.In Lexel overwoog het HvJ (r.o. 53) dat “het specifieke doel van de uitzondering niet bestaat (…) in de bestrijding van volstrekt kunstmatige constructies, noch is de toepassing ervan beperkt tot dergelijke constructies”. Dat is dus anders bij art. 10a, dat bovendien geen onderscheid maakt, anders dan de combinatie van de Zweedse regels in geschil in de zaak Lexel.
7.13
Lexel AB helpt de belanghebbende mijns inziens dus niet verder en is uiteindelijk een onopmerkelijk arrest.74.
7.14
Voor het overige lijkt mij ook de combinatie van middel (v) en het EU-rechtelijke deel van middel (iii) beside the point voor zover die inhoudt dat een concern zijn coördinatiecentrum in de EU mag vestigen waar het wil en dat het op zichzelf geen misbruik is om een lager belastingtarief op te zoeken voor de concernbank. Dat betoog wordt immers niet bestreden. Zoals bij de middelen (iii) en (iv) al bleek: het gaat hier niet om de (plaats van) vestiging of de substance van enige vennootschap, noch om de algemene concernfunctie van [C] , maar uitsluitend om enige specifieke transacties, nl. de omleiding en omzetting van [A] ’s eigen vermogen via/door [C] in vreemd vermogen. Art. 10a Wet Vpb maakt geen onderscheid naar vestigingsplaats, lidstaat, of functie, maar op basis van besmettingscriteria ter zake van specifieke en gelieerd gefinancierde transacties, en qua bewijslast op basis van (i) zakelijkheid en (ii) effectieve belastingdruk bij de gelieerde crediteur. Uit HR BNB 2013/13775.volgt dat art. 10a Wet Vpb niet in strijd is met de EU-verkeersvrijheden omdat de rechter die bepaling binnen de werkingssfeer van het EU-recht uitlegt en toepast conform de misbruikdoctrine van het HvJ. Dat hebben de feitenrechters in casu ook gedaan. Zij konden op basis van het dossier oordelen dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en, voor zover betwist, aannemelijk heeft gemaakt die een vermoeden van antifiscale omweg van de financieringsstructuur rechtvaardigen. De belanghebbende kon vervolgens volgens de vrije bewijsleer, dus met alle middelen en zonder enige administratieve of andere beperking, het tegendeel aannemelijk maken, maar heeft dat volgens de feitenrechters niet gedaan. Ook hier geldt dat het Hof kon voorbijgaan aan hypothetische counterfactual alternatieve scenario’s. [A] heeft met het oog op de overname van [F] immers feitelijk niets uitgeleend, maar heeft feitelijk met het oog op de overname eigen vermogen in [C] gestort om het daar om te laten zetten in vreemd vermogen voor de belanghebbende. Dat kan zakelijk zijn, maar dat zal zij dan aannemelijk moeten maken.
7.15
Ook middel (v) leidt mijns inziens niet tot cassatie.
8. Rechtszekerheidsbeginsel (middelen (v) en (vi))
8.1
Middel (v) doet met verwijzing naar de zaak HvJ SIAT76.een beroep op het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel omdat art. 10a Wet Vpb te vaag en rechtsonzeker zou zijn en middel (vi) doet hetzelfde ter zake van de wetswijziging in 2007 die art. 15ad Wet Vpb (oud) overhevelde naar art. 10a Wet Vpb: de belanghebbende kan volgens haar geen misbruikbedoeling toegedicht worden die zij niet kón hebben ter zake van externe acquisities, die ingevolge HR BNB 2005/16977.immers altijd zakelijk waren totdat zij pas in 2007 in art. 10a Wet Vpb werden opgenomen. Het staat de wetgever echter vrij om anders over misbruik te gaan denken en voor de toekomst renteaftrek te weigeren óók ter zake van interne leningen die al liepen vóór de inwerkingtreding van de nieuwe of gewijzigde wet. Van temporeel terugwerkende kracht is in casu geen sprake en het stond de belanghebbende vrij om de financieringsstructuur in 2006 te wijzigen tijdig vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 januari 2007. Dat art. 10a Wet Vpb niet van toepassing was op externe overnames op het moment waarop de belanghebbende de aandelen in [F] verwierf, zegt noch bewijst dat de door de feitenrechters omweggelijk bevonden financieringsstructuur vanaf 2007 of daarvóór was ingegeven door overwegend andere dan fiscale motieven.
8.2
De HvJ-zaak SIAT78.lijkt mij voor haar evenmin relevant omdat (i) ook in die zaak de zakelijkheid van het aangaan van de rechtshandeling niet in geschil was, maar alleen (het bewijs van) de zakelijkheid van grensoverschrijdende betalingen en (ii) die zaak een bijzondere Belgische aftrek(bewijs)regel betrof die (alleen) in grensoverschrijdende gevallen werkte op basis van een niet objectief en door derden controleerbaar criterium en daarmee discretie of zelfs willekeur leek toe te staan. Het was voor belastingplichtigen die grensoverschrijdend commissies betaalden niet mogelijk om vooraf en met enige zekerheid de werkingssfeer van de aftrek(bewijs)regel vast te stellen, terwijl binnenslands verwervingskosten eenvoudig aftrekbaar waren. De criteria voor aftrekbeperking en die voor tegenbewijs ex art. 10a Wet Vpb daarentegen zijn wel duidelijk en voldoende nauwkeurig en maken geen onderscheid. Dat er – zoals altijd - een grijs bewijsgebied bestaat, impliceert niet dat art. 10a Wet Vpb discretionaire en daarmee willekeurige toepassing toelaat. De Nederlandse maatregel is mijns inziens duidelijker en rechtszekerder dan de rechtspraak van het HvJ over de toelaatbaarheid van fiscale beperkingen op de verkeersvrijheden.
8.3
Ik meen dat ook middel (vi) strandt.
9. Conclusie
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑06‑2021
Rechtbank Gelderland 4 oktober 2018, AWB 16/2827 en AWB 16/2828, ECLI:NL:RBGEL:2018:4220, V-N Vandaag 2018/2157, FutD 2018-2753 met noot Fiscaal up to Date, NLF 2018/2220 met noot Van Lindonk, V-N 2018/66.2.3, NTFR 2018/2798.
HR 29 april 2011, nr. 10/00654, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BP3879, BNB 2011/185, noot De Vries, FED 2011/50 met noot Martens, V-N 2011/23.15 met noot van de redactie, Futd 2011-1019.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
EHRM 13 januari 2015, nr. 50131/12, Huitson v United Kingdom, ECLI:NL:XX:2015:31, BNB 2016/113 met noot Pauwels, FED 2015/63 met noot Poelmann, H&I 2015/140 met noot Thomas.
Gerechtshof Arnhem–Leeuwarden 20 oktober 2020, nr. 18/01049, ECLI:NL:GHARL:2020:8628, Viditax (FutD), 30-10-2020, FutD 2020-3189, V-N Vandaag 2020/2629, NTFR 2020/3423 met noot Brouwer, V-N 2021/4.1.1.
HR 29 april 2011, nr. 10/00654, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BP3879, BNB 2011/185 met noot De Vries, FED 2011/50 met noot Martens, V-N 2011/23.15 met noot van de redactie, Futd 2011-1019.
HR 14 juni 2013, nr. 11/04538, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2013:BY1244, BNB 2013/177, met noot De Vries, V-N Vandaag 2012/2525, V-N 2012/58.12 met noot van de redactie, V-N Vandaag 2013/1341, NJB 2013/1567, V-N 2013/29.19 met noot van de redactie, Belastingadvies 2013/16.6, FED 2013/89 met noot Meussen, FutD 2013-1496 met noot van Fiscaal up to Date.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
HR 10 januari 2020, nr. 18/00219, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80, met noot Egelie, V-N Vandaag 2020/77, FutD 2020-0082 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2020/156 met noot Simonis, V-N 2020/4.8 met noot van de redactie, NLF 2020/0221 met noot Van Lindonk, FED 2020/73 met noot Boulogne.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres. V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
De Staatssecretaris verwijst naar HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137, met noot Marres, HR 5 juni 2015, nr. 14/0033, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2015:1460, BNB 2015/165, met noot De Vries en HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres.
De Staatssecretaris verwijst naar HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137, met noot Marres en HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres.
HvJ EU 20 januari 2021, zaak C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34, (Lexel AB v Skatteverket). BNB 2021/75, met noot Marres, V-N 2021/6.8 met noot van de redactie, NTFR 2021/524 met noot Egelie, FutD 2021/0236.
HvJ EU 22 februari 2018, zaken C-398/16, C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, (X BV en X NV), BNB 2018/92, met noot De Vries, NTFR 2018/563 met noot Van Horzen, NTFRB 2018/19 met noot Korving, FutD 2018/0521.
De Staatssecretaris verwijst naar HvJ EU 22 februari 2018, zaken C-398/16, C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, (X BV en X NV), BNB 2018/92, met noot de Vries, punt. 35 en HvJ EU 30 januari 2020, zaak C-156/17,ECLI:EU:C:2020:51, (Köln-Aktienfonds Deka), p. 55 en 56.
Zie onder andere HvJ EG 13 maart 2007, C-524/04,ECLI:EU:C:2007:161, (Thincap GLO), V-N 2007/15.9 met noot redactie, FED 2007/41 met noot Smit, NJ 2007, 290 met noot Mok, RvdW 2007, 497, SEW 2007/92.
HvJ EG 12 september 2006, zaak C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, (Cadbury Schweppes), BNB 2007/54 met noot Wattel, FED 2006/112 met noot Smit, NJ 2007, 186, RvdW 2006, 1018, V-N 2006/49.15 met noot van de redactie.
HvJ EG 13 maart 2007, zaak C-524/04,ECLI:EU:C:2007:161, (Thincap GLO),, V-N 2007/15.9 met noot redactie, FED 2007/41 met noot Smit, NJ 2007, 290 met noot Mok, RvdW 2007, 497, SEW 2007/92.
EHRM 13 januari 2015, Huitson/UK, ECLI:NL:XX:2015:31, BNB 2016/113, met noot Pauwels, FED 2015/63 met noot Poelmann, H&I 2015/140 met noot Thomas.
HvJ EU 11 juni 2015, zaak C-98/14, ECLI:EU:C:2015:386, (Berlington Hungary), O&A 2015/85, V-N Vandaag 2015/1252, V-N 2015/34.28 met noot van de redactie.
L.F. van Kalmthout, Springende punten, (Van Amersfoort-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 172.
HvJ EU 20 januari 2021, zaak C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34, (Lexel AB v Skatteverket). BNB 2021/75, met noot Marres, V-N 2021/6.8 met noot van de redactie, NTFR 2021/524 met noot Egelie, FutD 2021/0236.
HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137, met noot Marres, FED 2013/63 met noot Meussen, Belastingadvies 2013/9.8, V-N 2012/11.14 met noot van de redactie, V-N 2013/12.19 met noot van de redactie, V-N Vandaag 2012/184, V-N Vandaag 2013/504 en HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
HvJ EU 30 januari 2020, C-156/17, na conclusie A-G Pitruzzella, ECLI:EU:C:2020:51, (Köln-Aktienfonds Deka), BNB 2020/81 met noot Douma, V-N 2020/9.10 met noot Redactie.
HvJ EG 13 maart 2007, C-524/04, EU:C:2007:161, (Thin Cap GLO), punten 82 en 83, V-N 2007/15.9 met noot redactie, FED 2007/41 met noot Smit, NJ 2007, 290 met noot Mok, RvdW 2007, 497, SEW 2007/92.
Wet van 30 november 2006, houdende wijziging van belastingwetten ter realisering van de doelstelling uit de nota «Werken aan winst», Stb. 2006, 631.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3, p. 19 en 21.
Zie onder meer HR 13 december 1989, nr. 25077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119, met noot Scheltens, FED 1990/84, met noot Smit, V-N 1990/902, met noot redactie.
HR 13 december 1989, nr. 25077, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119, met noot Scheltens, FED 1990/84, met noot Smit, V-N 1990/902, met noot redactie
Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3 MvT, p. 27.
S.A.W.J. Strik, Cursus Belastingrecht, Vennootschapsbelasting, Vpb.2.2.3.D.b Het toetsingsmoment met betrekking tot het verband.
Voetnoot in origineel: MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 27 en MvA, Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b, p. 7-8.
J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, (Fiscale monografieën, nr. 119), Deventer: Kluwer 2007.p. 326.
O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na ‘Werken aan winst’), Deventer: Kluwer 2020, p.160-161.
Voetnoot in origineel: Zo ook: J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting (FM nr. 119), Deventer: Kluwer 2007, p. 326-327.
Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 3, p. 27, en Kamerstukken I 1997/98, 24 696, nr. 52b, p. 8-9. Hetzelfde geldt met betrekking tot art. 15ad (oud). Met betrekking tot de voorganger van die bepaling, art. 15, vierde lid (oud), is in de wetsgeschiedenis (Kamerstukken I 1996/97, 24 696, nr. 52b, p. 9-10) overigens betoogd dat die van toepassing blijft na verkoop of liquidatie van de gevoegde dochtermaatschappij voor zover vermogensbestanddelen van die dochtermaatschappij bij de fiscale eenheid achterblijven.
Voetnoot in origineel: Zie ook Rb. Gelderland 4 oktober 2018, AWB 16/2827, ECLI:NL:RBGEL:2018:4220, r.o. 24, en Hof Den Haag 2 oktober 2019, BK-17/00943, BK-17/00944 en BK-17/00945, ECLI:NL:GHDHA:2019:2830, r.o. 14.6; anders Rb. Den Haag 21 november 2017, AWB 16/4632, ECLI:NL:RBDHA:2017:14937, r.o. 66.
O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969 na ‘Werken aan winst’), Deventer: Kluwer 2020, p.164-165.
Albert, P.G.H.; Renteaftrek in de Wet Vpb 1969, Fiscale geschriften, SDU, Amersfoort, 2004, blz. 63-64.
Voetnoot in origineel: Zie de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer bij wetsvoorstel 26 854, V-N 2001/34.3, p. 3575.
HR 25 maart 1998, nr. 32 945, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1998:AA2520, BNB 1998/193, met noot Van der Geld, FED 1998/375 met noot Bavinck, FED 1998/222, WFR 1998/511, V-N 1998/18.17 met noot van de redactie.
HR 29 april 2011, nr. 10/00654, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2011:BP3879, BNB 2011/185, met noot De Vries, FED 2011/50 met noot Martens, V-N 2011/23.15 met noot van de redactie, Futd 2011-1019.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
HR 10 mei 2019, nr. 17/05180, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2019:687, BNB 2019/130, met noot Marres, FED 2019/101 met noot Boulogne, V-N 2019/23.8 met noot van de redactie, NTFR 2019/1272 met noot Groenland, FutD 2019/1279, NLF 2019/1241 met noot Bioch.
Hof Amsterdam 26 mei 2020, nr. 18/00727, ECLI:NL:GHAMS:2020:1407, Futd 2020-1875 met noot Redactie, NLF 2020/1535 met noot Bobeldijk, NTFR 2020/2262 met noot Vis, V-N 2020/39.1.1, bij u aanhangig onder rolnr. 20/02096.
Conclusie van 12 december 2020, nr. 20/02096, ECLI:NL:PHR:2020:1198, V-N Vandaag 2020/3192, FutD 2020-3782, V-N 2021/3.8 met noot van Redactie.
Hof Den Haag 21 oktober 2020, nr. 19/00124, ECLI:NL:GHDHA:2020:2019, NLF 2020/2438, met noot van Lindonk, bij u aanhangig onder rolnr. 20/03946.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
HR 25 maart 1998, nr. 32 945, na conclusie A-G Van Soest, ECLI:NL:HR:1998:AA2520, BNB 1998/193, met noot Van der Geld, FED 1998/375 met noot Bavinck, FED 1998/222, WFR 1998/511, V-N 1998/18.17 met noot van de redactie.
HR 10 mei 2019, nr. 17/05180, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2019:687, BNB 2019/130, met noot Marres, FED 2019/101 met noot Boulogne, V-N 2019/23.8 met noot van de redactie, NTFR 2019/1272 met noot Groenland, FutD 2019/1279, NLF 2019/1241 met noot Bioch.
HR 10 januari 2020, nr. 18/00219, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2020:21, BNB 2020/80, met noot Egelie, V-N Vandaag 2020/77, FutD 2020-0082 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2020/156 met noot Simonis, V-N 2020/4.8 met noot van de redactie, NLF 2020/0221 met noot Van Lindonk, FED 2020/73 met noot Boulogne.
HvJ EU 7 september 2017, C-6/16, ECLI:EU:C:2017:641 (Eqiom SAS en Enka Sa v. Ministre des Finances et des Comptes publics), BNB 2018/55 met noot Egelie, V-N 2017/44.19 met aantekening van de Redactie, NTFR 2017/2415 met commentaar Ravelli..
HvJ EU 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 en C-117/16, BNB 2020/10 (T Danmark en Y Denmark), NTFRB 2019/23 met noot Marres, FutD 2019/0561, NTFR 2019/693 met noot Pancham, V-N 2019/14.11, V-N Vandaag 2019/452.
Hoge Raad 5 juni 2015, nr. 14/00343, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2015:2167, BNB 2015/165 met noot De Vries, V-N 2015/39.13 met noot redactie, FED 2015/76 met noot Maas, FutD 2015-2011, meet noot Fiscaal up to Date, NTFR 2015/2209.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
Hoge Raad 21 april 2017, nr. 16/03669, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2017:640, BNB 2017/156 met noot Marres, FED 2017/123 met noot Smit, V-N Vandaag 2017/900, V-N 2017/22.11 met noot Redactie, FutD 2017-0964 met noot Fiscaal up to Date, NTFR 2017/1033 met noot Van den Bos.
Hoge Raad 5 juni 2015, nr. 14/00343, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2015:2167, BNB 2015/165 met noot De Vries, V-N 2015/39.13 met noot redactie, FED 2015/76 met noot Maas, FutD 2015-2011, meet noot Fiscaal up to Date, NTFR 2015/2209.
HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137, met noot Marres, FED 2013/63 met noot Meussen, Belastingadvies 2013/9.8, V-N 2012/11.14 met noot van de redactie, V-N 2013/12.19 met noot van de redactie, V-N Vandaag 2012/184, V-N Vandaag 2013/504.
HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, na conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:HR:2016:1350, BNB 2016/197, met noot Marres, , V-N Vandaag 2016/1531, V-N 2016/36.9 met noot van de redactie, FED 2016/115 met noot Smit, FutD 2016-1694 met noot van Fiscaal up to Date, NTFR 2016/1857 met noot Van Horzen.
HvJ EU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1009, Deister Holding en Juhler Holding, ECLI:, C-504/16 en C-613/16, V-N 2018/2.18 met noot van de redactie, BNB 2018/56 met noot Egelie, NTFR 2018/47 met noot Ravelli, FutD 2018/0001.
Zie uitgebreider Terra/Wattel, European Tax Law, 2018, section 15.1, p. 651-652.
HvJ EU 20 januari 2021, C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34, (Lexel,), BNB 2021/75, met noot Marres, V-N 2021/6.8 met noot van de redactie, NTFR 2021/524 met noot Egelie, FutD 2021/0236.
HvJ EG 12 september 2006, C-196/04, EU:C:2006:544, (Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas), punt 55, en 22 februari 2018, C-398/16 en C-399/16, EU:C:2018:110, (X en X) punt 46, BNB 2007/54 met noot Wattel, FED 2006/112 met noot Smit, NJ 2007, 186, RvdW 2006, 1018, V-N 2006/49.15 met noot van de redactie
HvJ EG 13 maart 2007, C-524/04, EU:C:2007:161, (Thin Cap GLO), punten 82 en 83, V-N 2007/15.9 met noot redactie, FED 2007/41 met noot Smit, NJ 2007, 290 met noot Mok, RvdW 2007, 497, SEW 2007/92.
HvJ EG 13 maart 2007, C-524/04,ECLI:EU:C:2007:161, (Thincap GLO), V-N 2007/15.9 met noot redactie, FED 2007/41 met noot Smit, NJ 2007, 290 met noot Mok, RvdW 2007, 497, SEW 2007/92.
Voetnoot in origineel: HvJ EG 13 maart 2007, C-524/04, EU:C:2007:161, (Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation), V-N 2007/15.9. Hof van Justitie verwijst naar dit arrest in de punten 46, 50 en 51.
Zie ook de noot van I. de Groot in NLF 2021/0316 en de aantekening van de redactie van V-N in V-N 2021/6.8, onder kopje ‘Misbruiktoets’.
P. Wattel, Marktconforme Profit shifting, NJB 2021/175.
HvJ EU 22 februari 2018, gevoegde zaken C-398/16 en C-399/16, ECLI:EU:C:2018:110, (X BV en X NV), BNB 2018/92c, punt 48.
Zie uitgebreider mijn commentaar op Lexel AB in H&I 2021/342.
HR 1 maart 2013, nr. 11/00675, na conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:HR:2013:BV1426, BNB 2013/137 met noot Marres, Belastingadvies 2013/9.8, V-N 2013/12.19 met noot van Redactie, FED 2013/63 met noot Meussen, FutD 2013/0567 met noot Fiscaal up to Date.
HvJ EU 5 juli 2012, C-318/10, na conclusie Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2012:415, (SIAT).
HR 17 december 2004, nr. 39080, na conclusie A-G Overgaauw, ECLI:NL:HR:2004:AP6652, BNB 2005/169, met noot Van der Geld, FED 2005/9 met noot Martens, V-N 2005/2.16 met noot van Redactie, FutD 2004-2310 met noot van Fiscaal up to Date.
HvJ EU 5 juli 2012, C-318/10, na conclusie Cruz Villalón, ECLI:EU:C:2012:415, (SIAT).
Beroepschrift 25‑01‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
Postbus 20303
2500 EH Den Haag
25 januari 2021
Referentie: […]
Betreft: [X] B.V.; motivering cassatieberoep (zaaknummer 20/03948)
Edelhoogachtbaar college,
Hierbij motiveren wij het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie.
Middel I
Schending van het recht, met name van art. VIIIc van de Wet werken aan winst en/of art. 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), doordat het Hof in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat de Inspecteur onbetwist heeft gesteld dat de rente op lening III in de jaren 2002 tot en met 2006 niet aftrekbaar was op grond van art. 10a, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting (hierna: de Wet) (tekst tot en met 2006) en dat gelet daarop geen sprake is van rente als bedoeld in art. VIIIc van de Wet werken aan winst, zulks ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, gelet op het hiernavolgende.
1.
Onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel in onderdeel 4.2 dat de Inspecteur onbetwist heeft gesteld dat de rente op lening III in de jaren 2002 tot en met 2006 niet aftrekbaar was op grond van art. 10a, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet (tekst tot en met 2006). Belanghebbende heeft dat uitdrukkelijk betwist. Zie de onderdelen 33 en 81 van het hogerberoepschrift.
2.
Voorts berust 's Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. VIIIc van de Wet werken aan winst. Dat artikel bepaalt — voor zover van belang — dat de rente bedoeld in art. 15ad, lid 1, van de Wet (tekst 2006) die bij het begin van het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2007 nog niet op de winst in aftrek is gekomen, wordt verrekend met het belastbare bedrag van 2007. In dit geval is sprake rente als bedoeld in art. 15ad, lid 1, van de Wet (tekst 2006). Lening III houdt namelijk verband met de verwerving door belanghebbende van aandelen in [F] en is verschuldigd aan een met belanghebbende verbonden lichaam (zijnde [C]). Na die verwerving is een fiscale eenheid ten aanzien van belanghebbende en [F] tot stand gekomen.
3.
In de aangiften over de jaren tot en met 2006 heeft belanghebbende de rente op lening III als vallend onder art. 15ad van de Wet aangemerkt1.. Daarom moet — gezien het hiernavolgende — worden aangenomen dat die rente in die jaren niet op grond van art. 10a van de Wet, maar op grond van art. 15ad van die wet niet ten laste van de belastbare winst is gekomen. Het gevolg daarvan is dat die rente ingevolge art. VIIIc van de Wet werken aan winst in het onderhavige jaar alsnog in aftrek komt.
4.
De duiding van de rentekosten in de jaren tot en met 2006 als vallend onder art. 10a of art. 15ad van de Wet, ontbeerde in die jaren een heffingsbelang. Gelet daarop had het voor de hand gelegen dat zou zijn bepaald dat de op grond van art. 15ad van de Wet te temporiseren rente door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. Vgl. art. 20b, lid 1, van de Wet waaruit volgt dat het verlies van een jaar slechts kan worden verrekend met de belastbare winst van een ander jaar als dat verlies bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld en art. 37 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: het BvdB 2001) op grond waarvan de voortwenteling van in enig jaar niet verrekende bronbelasting op dividenden, interest en royalty's slechts kan plaatsvinden indien het desbetreffende bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking is vastgesteld. In de situaties waarop die twee bepalingen zien, ontbreekt in het desbetreffende jaar ook een heffingsbelang. En juist daarom is voorzien in regels op grond waarvan verliezen onderscheidenlijk bronbelasting op dividenden, interest en royalty's slechts kunnen worden ‘gebruikt’ in andere jaren indien en voor zover zij bij voor bezwaar vatbare beschikking zijn vastgesteld.
5.
Te verrekenen verliezen onderscheidenlijk voort te wentelen bedragen aan bronbelasting kunnen slechts worden herzien indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Zie art. 20b, lid 3, van de Wet onderscheidenlijk art. 44, lid 4, aanhef en letter d, van het BvdB 2001. 's Hofs oordeel leidt ertoe dat belanghebbende, die bij het doen van aangifte te goeder trouw rente heeft getemporiseerd, jaren later krijgt tegengeworpen dat dit niet had gemogen omdat die rente op een andere grond al niet aftrekbaar was. Oneigenlijke navordering dus waaraan geen enkele beperking wordt gesteld.
6.
Deze temporiseringsproblematiek speelt gelijkelijk bij de earningsstrippingregeling die vanaf 2019 in art. 15b van de Wet is opgenomen. Op grond van die regeling wordt — kort gezegd — de aftrekbaarheid van rente beperkt tot 30% van de EBITDA van de belastingplichtige. Het niet-aftrekbare bedrag aan rente komt in het volgende jaar in aftrek voor zover dan ruimte voor aftrek bestaat. Die voort te wentelen rente wordt ingevolge art. 15b, lid 5, van de Wet vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Hierover is het volgende opgemerkt:
‘In dit wetsvoorstel wordt, conform de systematiek zoals die al geldt voor het verrekenen van verliezen, geregeld dat een beschikking met betrekking tot het voort te wentelen saldo aan renten kan worden herzien als sprake is van een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. Ook wordt geregeld dat hiervoor eenzelfde termijn geldt als ook voor navordering van te weinig geheven belasting geldt. Verder wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat een beschikking wordt gegeven indien het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een later jaar. Met de voorgestelde maatregelen wordt aan belastingplichtigen rechtszekerheid gegeven over het in een jaar ontstane saldo aan renten dat in aanmerking kan worden genomen bij het bepalen van de winst van een volgend jaar. Daarnaast dragen de voorgestelde maatregelen bij aan het toezicht door de Belastingdienst.’2.
7.
Het is de in deze passage vermelde rechtszekerheid die ook hier moet prevaleren. Het Hof had gelet op het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel — desnoods bij wege van anticiperende interpretatie — moeten oordelen dat de rente op lening III slechts dan niet ingevolge art. VIIIc van de Wet werken aan winst in aftrek komt indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Dat in (overeenkomstige) toepassing van de navorderingsregeling niet uitdrukkelijk is voorzien, vormt geen beletsel. Immers, ook de herziening van een verliesverrekeningsbeschikking als bedoeld in art. 21a van de Wet berust niet op een uitdrukkelijke wettelijke grondslag. Toch is de Hoge Raad voor dat geval de inspecteur met een doel- en strekkingredenering te hulp geschoten en heeft hij een dergelijke herziening mogelijk geoordeeld als aan de vereisten voor navordering is voldaan.3. Het ligt in de rede dat ook aan een belastingplichtige rechtsbescherming wordt geboden.
8.
Met zijn verwijzing naar art. 10a, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet (tekst tot 2007) miskent het Hof dat die bepaling in dit jaar niet meer bestaat en dus niet kan worden toegepast (vgl. HR 14 juni 2013, BNB 2013/177). Zijn kennelijke oordeel dat art. VIIIc van de Wet werken aan winst de grondslag biedt om art. 10a van de Wet in dit jaar toe te passen zoals dat artikel luidde tot en met 31 december 2006, staat op gespannen voet met de wettekst. Art. VIIIc van de Wet werken aan winst gewaagt namelijk niet van art. 10a, maar slechts van art. isad van de Wet. Zoals opgemerkt, valt de rente op lening III binnen het Tatbestand van art. isad (tekst tot en met 31 december 2006).
Middel II
Schending van het recht, met name van art. 10a, lid 1, aanhef en letter c, in verbinding met art. 15 van de Wet, doordat het Hof in onderdeel 4.4 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [F] is opgenomen in de fiscale eenheid waarvan belanghebbende de moedermaatschappij is, niet ertoe leidt dat de leningen niet (langer) verband houden met een verwerving als bedoeld in art. 10a van de Wet, zulks ten onrechte gelet op het hiernavolgende.
1.
In zijn arrest van 1 maart 2013, BNB 2013/137, r.o. 44.2.2, overweegt de Hoge Raad dat art. 10a van de Wet beoogt tegen te gaan dat door middel van rente die is verschuldigd op een geldlening die willekeurig en zonder bedrijfseconomische redenen is aangegaan de Nederlandse belastinggrondslag wordt geërodeerd. Van enige erosie is in dit geval geen sprake. Als gevolg van de voeging van [F] in de fiscale eenheid van belanghebbende staat de overnameschuld niet langer tegenover een deelneming in [F] waaruit vrijgestelde voordelen worden genoten, maar tegenover ‘normale’ bezittingen die belastbare winst genereren. Voor de toepassing van art. 10a van de Wet houdt de overnameschuld dus verband met die bezittingen en niet met de verwerving van [F].
2.
Steun aan dit standpunt biedt HR 8 juli 2016, BNB 2016/197. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
‘2.8.2.3.
Artikel 15, lid 1, van de Wet bepaalt dat ingeval een belastingplichtige (de moedervennootschap) de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 percent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van een andere belastingplichtige (de dochtervennootschap) op verzoek van beide belastingplichtigen de belasting van hen wordt geheven alsof er één belastingplichtige is, in die zin dat de werkzaamheden en het vermogen van de dochtervennootschap deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedervennootschap (hierna: de consolidatie). De belastingplichtigen tezamen worden in dat geval aangemerkt als fiscale eenheid. (…)
2.8.2.6.
(…) Indien een dochtervennootschap aandelen verwerft in een ander lichaam, gefinancierd uit een kapitaalstorting door de moedervennootschap, worden als gevolg van de consolidatie deze twee transacties gezamenlijk, binnen de fiscale eenheid, aangemerkt als een verwerving door de moedervennootschap van die aandelen in dat andere lichaam. Weliswaar bepaalt artikel 10a, lid 4, letter d, van de Wet dat een vennootschap die met een belastingplichtige vennootschap een fiscale eenheid vormt voor de toepassing van artikel 10a van de Wet met die belastingplichtige een verbonden lichaam vormt, maar uit de wetsgeschiedenis van die bepaling volgt dat met de invoering van die bepaling is beoogd dat transacties binnen een fiscale eenheid, na verbreking van die fiscale eenheid worden aangemerkt als transacties tussen verbonden lichamen (Kamerstukken II2000/01, 26 854, nr. 6, blz. 10, en Kamerstukken II 2000/01, 26 854, nr. 7, blz. 12). Een verder strekkende uitleg zou haaks staan op het uitgangspunt dat tijdens het bestaan van de fiscale eenheid de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij. Tijdens het bestaan van de fiscale eenheid maken derhalve de door de dochtermaatschappij verworven aandelen deel uit van het vermogen van de moedermaatschappij.
(…)
2.8.3.
Indien [G] in Nederland zou zijn gevestigd, had deze vennootschap vanaf 3 mei 2004 — de dag waarop belanghebbende € 237.302.000 in [G] heeft gestort na een daartoe strekkend verzoek, in een fiscale eenheid met belanghebbende kunnen worden opgenomen. Dan zou artikel 10a van de Wet — de beperking van de renteaftrek — niet van toepassing zijn. In dat geval zouden de aandelen [C] immers geacht moeten worden te zijn verworven door (belanghebbende als moedervennootschap van) de fiscale eenheid en zou door de consolidatie binnen de fiscale eenheid geen sprake zijn geweest van een met een kapitaalstorting in [G] verband houdende geldlening, welke kapitaalstorting onder het bereik valt van artikel 10a van de Wet (zie hiervoor in 2.8.2.6).’
3.
Uit dit arrest volgt dat een kapitaalstorting binnen fiscale eenheid niet zichtbaar is. De door de belanghebbende aangetrokken lening houdt dus verband met de verwerving van de aandelen in C en niet met de storting in G. De vraag is nu wat rechtens is als de storting in G zou hebben plaatsgevonden vóór de denkbeeldige voeging van G. Die situatie is immers op één lijn te stellen met de onderhavige waarin de gewraakte rechtshandeling (de overname van [F]) ook aan de voeging van de desbetreffende vennootschap voorafgaat. Volgens belanghebbende is niet relevant of de storting vóór of na de denkbeeldige voeging van G zou hebben plaatsgevonden. Zoals de Hoge Raad overweegt, leidt de vorming van een fiscale eenheid ertoe ‘dat tijdens het bestaan van de fiscale eenheid de werkzaamheden en het vermogen van de dochtermaatschappij deel uitmaken van de werkzaamheden en het vermogen van de moedermaatschappij’. Tijdens dat bestaan is de dochtermaatschappij onzichtbaar, zodat een lening die de moedermaatschappij heeft aangewend voor een storting in of een verwerving van die dochtermaatschappij gedurende dat bestaan evenmin zichtbaar is. Die lening kan voor de toepassing van art. 10a van de Wet dus niet met een dergelijke storting of verwerving verband houden.
4.
Steun aan deze opvatting van belanghebbende biedt HR 10 mei 2019, BNB 2019/130. De belanghebbende in die zaak had geld geleend om een deelneming te kopen die, net als zijzelf, een winningsvergunning heeft. Die deelneming werd na de koop gefuseerd in de belanghebbende. In geschil was of de belanghebbende na de fusie de rente kon aftrekken als kosten van haar winningsbedrijf voor de bepaling van het winstaandeel. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
‘2.3.2.
Uit een geldlening voortvloeiende rentelasten kunnen in beginsel alleen als kosten aan een winningsvergunning worden toegerekend indien die geldlening is aangegaan ter financiering van bezittingen die worden gebruikt in het winningsbedrijf. Er zijn echter omstandigheden denkbaar die maken dat een geldlening die op het moment van het aangaan ervan (nog) niet diende ter financiering van in het winningsbedrijf gebruikte bezittingen, die functie op een later moment gaat vervullen. Zulke omstandigheden doen zich voor in een geval als dit, waarin de geldlening enkel diende ter financiering van de verwerving van een deelneming waarin uitsluitend een winningsbedrijf wordt gedreven, en dit winningsbedrijf vervolgens — door een fusie — een winningsbedrijf van de verkrijgende winstaandeelplichtige is geworden. Dan gaat ook de geldlening behoren tot het vermogen van dat winningsbedrijf. Het middel stuit in zijn geheel hierop af.’
5.
Na de fusie houdt de lening dus verband met het winningsbedrijf en niet met de deelneming. De deelneming heeft door de fusie opgehouden te bestaan en daarvoor is het winningsbedrijf in de plaats getreden. En omdat een lening geen verband kan houden met iets dat er niet (meer) is, luidt de conclusie dat na de fusie de lening verband houdt met het winningsbedrijf. Dit zou niet anders moeten zijn als het om art. 10a van de Wet gaat. De door de Hoge Raad gebezigde redengeving kan één-op-één op een dergelijk geval worden toegepast. En als dat inderdaad zo is, is er evenmin grond om te onderscheiden tussen een juridische fusie en het aangaan van een fiscale eenheid.4. De bedoelde verandering van functie van de lening bij de belastingplichtige doet zich fiscaal gezien ook in het laatste geval voor. Weliswaar niet als gevolg van een juridische fusie van de verworven dochtermaatschappij, maar als gevolg van de vorming van een fiscale eenheid met die maatschappij.
6.
Noch de omstandigheid dat bij de verwerving van [F] niet is afgerekend over stille reserves, noch de omstandigheid dat de voeging van [F] in de fiscale eenheid van belanghebbende tot zodanige afrekening leidt, leidt ertoe dat art. 10a van de Wet na die voeging wel van toepassing is. Die omstandigheden laten namelijk onverlet dat geen sprake is van erosie van de Nederlandse grondslag. De stille reserves worden in de toekomst ten tijde van het direct (bijvoorbeeld bij verkoop van een bedrijfsmiddel) of indirect (bijvoorbeeld door lagere afschrijvingen) realiseren daarvan, in de belastingheffing alhier betrokken. Een andersluidende opvatting zou tot overkill leiden.
7.
Maar ook als dit anders zou zijn, valt niet in te zien waarom dat ook het geval is voor zover de overnameschuld staat tegenover de boekwaarde van bezittingen van [F] waarop de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. In zoverre vindt namelijk geen uitstel van heffing plaats, zodat art. 10a in zoverre buiten toepassing dient te blijven. Een andere opvatting zou tot vergaande overkill leiden.
8.
De verwijzing door het Hof naar HR 29 april 2011, BNB 2011/185, overtuigt niet. Dat arrest betrof kosten ter zake van de aankoop van een deelneming. In het onderhavige geval betreft het daarentegen lopende kosten die zien op de periode na de verwerving van [F]. En in die periode is sprake van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en [F], met als gevolg dat voor de fiscale winstbepaling van belanghebbende de bezittingen en schulden van [F] in de plaats zijn gekomen van het belang in [F]. Nu met die bezittingen en schulden alhier belastbare winst wordt behaald, is op de hiervoor vermelde gronden art. 10a van de Wet niet van toepassing op de leningen. Het door het Hof vermelde arrest werpt dus geen licht op het onderhavige geschilpunt.4
9
- Een arrest dat dit wel doet, is HR 25 maart 1998, BNB 1998/193. De belanghebbende in die zaak verkocht twee trawlers en vormde voor de boekwinst een vervangingsreserve. In het volgende jaar kocht zij de aandelen in een vennootschap die een nieuwe trawler bezat. Met die vennootschap ging de belanghebbende een fiscale eenheid aan. De Hoge Raad oordeelde dat met het aangaan van die fiscale eenheid een vervanging heeft plaatsgevonden ‘aangezien alsdan geacht moet worden dat het schip tot het vermogen van belanghebbende is gaan behoren’. De overeenkomst met de onderhavige zaak is dat in beide gevallen de ‘kosten’ tot uitdrukking komen in een periode waarin als gevolg van de gevormde fiscale eenheid geen deelnemingsrelatie bestaat5. In het onderhavige geval gaat het om rentekosten die staan tegenover de ‘normale’ bezittingen van de gevoegde dochtermaatschappij, en in het geval van het zojuist bedoelde arrest om (lagere) afschrijvingskosten ter zake van een ‘normale’ bezitting van de gevoegde dochtermaatschappij. Het door het Hof aangehaalde arrest van 29 april 2011 ziet, zoals gezegd, op een totaal andere situatie. In die situatie gaat het immers om aankoopkosten die worden afgewikkeld voordat de gekochte dochtermaatschappij wordt gevoegd.
Middel III
Schending van het recht, met name van art. 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet en/of art. 8:77 van de Awb, doordat het Hof in onderdeel 4.9 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via [C] is geweest de belastingbesparing, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern, dat het veel meer voor de hand ligt dat in verband met de fiscale positie van [C] de financiering van de overname via [C] is geleid in plaats van dat de overname rechtstreeks met eigen middelen is betaald en dat dit meebrengt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de routing via [C] in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, zulks ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, gelet op het hiernavolgende.
Algemeen
1.
In feitelijke instantie heeft een uitgebreid partijdebat heeft plaatsgevonden over de vraag of aan de zakelijkheidstoets van art. 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet is voldaan. In dat verband heeft belanghebbende stellingen van feitelijke en rechtskundige aard betrokken. In de onderdelen 4.8 en 4.9 wijdt het Hof slechts enkele zinnen aan de zakelijkheidstoets. Dat is op zichzelf al voldoende om zijn uitspraak wegens een motiveringsgebrek te vernietigen. Dat geldt te meer nu die volzinnen in zulke algemene bewoordingen zijn gesteld dat kan worden betwijfeld of en, zo ja, in hoeverre het Hof kennis heeft genomen van de stellingen van belanghebbende. Het sauveren van onderdeel 4.9 zou in de kern betekenen dat de feitenrechter zijn feitelijke oordelen niet hoeft te motiveren, althans dat aan die motivering geen noemenswaardige eisen worden gesteld.
2.
Onderdeel 4.9 is gemengd van aard in dier voege dat het daarin vervatte oordeel over de zakelijkheidstoets zowel feitelijke als rechtskundige componenten in zich bergt. Het is geen sinecure om alle motiveringsgebreken en onjuiste rechtsopvattingen helder voor het voetlicht te brengen. Daarom zal in de verdere toelichting op dit middel onderscheid worden gemaakt tussen de door belanghebbende betrokken en door het Hof onbehandeld gelaten stellingen van feitelijke aard enerzijds, en de door haar betrokken stellingen van rechtskundige aard anderzijds.
Feitelijke stellingen
3.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat aan de leningen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, heeft belanghebbende de volgende stellingen ingenomen:
‘Marktontwikkelingen eind j aren tachtig van de vorige eeuw hebben geleid tot de oprichting van [C]. Andere fiscale overwegingen dan het gebruik maken van de zogenoemde fictieve roerende voorheffing hebben bij die oprichting geen rol gespeeld.6.
De fictieve roerende voorheffing stelde de groep in staat tegen lagere kosten vreemd vermogen aan te trekken van derden, hetgeen vanuit een oogpunt van behoud van de concurrentiepositie van de groep wenselijk was. De afschaffing van die regeling was geen reden om afscheid te nemen van [C]. De aard en omvang van de activiteiten van [C] was ten tijde van die afschaffing zodanig dat dit geen reële optie was.7.
Besloten werd toen dat voortaan belangrijke groepsmaatschappijen konden deelnemen in het kapitaal van [C] door inbreng van hun overtollige middelen tegen uitreiking van aandelen. Op die wijze konden zij met behulp van de kennis en kunde die gecentraliseerd was binnen [C] en die zij zelf niet hadden, een hoger rendement behalen.8.
Uit de door het Hof vastgestelde feiten blijkt dat tussen de oprichting van [C] en de verstrekking van de onderhavige leningen een periode van meer dan tien jaar lag.9. Dat feit laat geen andere conclusie toe dan dat bij die oprichting Nederlandse fiscale overwegingen nimmer een rol kunnen hebben gespeeld.10.
De gewraakte inbreng van kapitaal in [C] door [A] heeft plaatsgevonden om [C] in staat te stellen zich — in lijn met zijn normale bedrijfsuitoefening — bezig te houden met het verstrekken van langlopende financieringen. Andere groepsmaatschappijen hielden zich daarmee slechts incidenteel en op beperkte schaal bezig, met name omdat zij niet over de daarvoor vereiste kennis en kunde beschikten.11.
[C] werd eind jaren negentig van de vorige eeuw steeds meer geconfronteerd met belemmeringen bij de financiering van groepsmaatschappijen (bijvoorbeeld met betrekking tot de repatriëring van winsten en landenrisico's). Daarom werden voortaan groepsmaatschappijen (mede) gefinancierd door lokale banken met een garantie van [C]. De kapitaalinbreng door [A] leidde tot een versterking van het eigen vermogen van [C] dat strekte tot zekerheid voor de desbetreffende schuldeisers. Een andere wijze van financiering van belanghebbende zou niet dat gevolg hebben gehad.12.
Gezien het grote eigen vermogen van en de kennis en kunde die aanwezig was in [C], zijn eind 2008 onderhandelingen gestart met […] (een rating agency). Die onderhandelingen hebben ertoe geleid dat [C] een officiële credit rating heeft gekregen (namelijk A2).13. Tussen partijen is niet in geschil dat de rente op de leningen at arm's length is.14.
4.
Gezien het voorgaande is onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd 's Hofs oordeel in onderdeel 4.9 dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt ‘dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern.’ Zelfs de Inspecteur heeft dat niet durven stellen.15. Het oordeel van het Hof is zelfs ronduit bizar in het licht van het volgende door hem vastgestelde feit:
‘2.6
In 2000 kende [C] een personeelsbestand van gemiddeld 36 personen en een eigen vermogen van meer dan € 3,5 mrd. waarvan ruim € 1,5 mrd. ten gevolge van de kapitaalsvergroting van 14 maart 2000 door [A] N.V. In 2008 is het personeelsbestand uitgegroeid naar ruim 375 personen en is het eigen vermogen uitgegroeid naar € 20,1 mrd. Het bedrag aan verstrekte leningen bedroeg toen ruim € 19,3 mrd.’
5.
Gezien de door belanghebbende gestelde — en door de Inspecteur slechts gedeeltelijk weersproken -feiten is zonder de geringste motivering, die ontbreekt, ook onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat ‘de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via [C] is geweest de belastingbesparing’ en dat het voor de hand ligt ‘dat in verband met de fiscale positie van [C] de financiering van de overname via [C] is geleid in plaats van dat de overname rechtstreeks met eigen middelen is betaald.’
Rechtskundige stellingen
6.
Vooropgesteld wordt dat art. 10a van de Wet ertoe strekt gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied.16. De door de Rechtbank verwoorde doelstelling van art. 10a van de Wet die door het Hof tot de zijne is gemaakt in onderdeel 4.11, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Bij de beantwoording van de vraag of in een voorkomend geval sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie geldt het volgende:
‘Het criterium betreffende kunstmatige constructies dient steeds te worden toegepast wanneer grensoverschrijdende transacties volgens hun uiterlijke schijn normale economische handelingen lijken. In beginsel geldt dan het vermoeden dat de transactie in het kader van de rechtmatige uitoefening van de vrijheid van vestiging heeft plaatsgevonden.17. Enkel wanneer deze schijnconstructie wordt blootgelegd door het bewijs dat er in werkelijkheid geen echte economische bestaansreden voor de transactie in die specifieke vorm bestaat, wordt afbreuk gedaan aan de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.’18.
7.
Zie in dezen tevens het arrest van het HvJ in de zaak Deister en Juhler. Dat hof overwoog dat voor de vaststelling van een volstrekt kunstmatige constructie:
‘per geval alle aspecten van de betrokken situatie worden onderzocht, zoals de organisatorische, economische en andere relevante kenmerken van het concern waarvan de betrokken moedermaatschappij deel uitmaakt alsmede de structuur en de strategie van dat concern.’19.
8.
Recent overwoog het HvJ in de zaak Lexel dat transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan, geen volkomen kunstmatige constructies kunnen vormen.20. Die zaak betrof een Zweedse rentaftrekbeperking die sterke gelijkenissen vertoont met art. 10a van de Wet.21. Aangezien de verschuldigde rente op de in die zaak aan de orde zijnde groepslening, ontstaan door een interne verhanging binnen de groep, voldeed aan het at arm's length beginsel, kon de rente niet in aftrek worden beperkt.22. Hieraan deed niet af dat de rente bij de ontvanger niet leidde tot belastingheffing.
9.
Denkbaar is dat het Hof de hiervoor onder 3 opgesomde feiten in zijn beschouwing heeft betrokken, maar die van onvoldoende gewicht of irrelevant heeft geacht om te komen tot het oordeel dat aan de zakelijkheidstoets is voldaan. In dat geval heeft het Hof aan het begrip volstrekt kunstmatige constructie een te ruime uitleg uitgegeven en dus een onjuiste maatstaf aangelegd. Een andere opvatting in dezen zou stellig ertoe leiden dat de eisen die de tegenbewijsregeling van art. 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet stelt, zodanig bezwarend zijn dat die regeling geen daadwerkelijke betekenis heeft. De tegenbewijsregeling wordt dan een fata morgana nu een beroep op die regeling zonder enige motivering door de inspecteur en de rechter kan worden verworpen.
10.
Nu vaststaat dat de rentevergoeding op de leningen voldoet aan het at arm's length beginsel had het Hof moeten oordelen dat van een volstrekt kunstmatige constructie geen sprake is en dat is voldaan de tegenbewijsregeling. Zijn andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
11.
Daarnaast geldt het volgende. De tegenbewijsregeling moet worden uitgelegd in overeenstemming met het antimisbruikleerstuk zoals door het HvJ is geformuleerd in zijn rechtspraak. In zijn arrest van 10 januari 2020, BNB 2020/80, heeft de Hoge Raad die rechtspraak nader geduid en samengevat. Dat arrest is weliswaar gewezen in het kader van een andere bepaling (namelijk het toenmalige art. 17, lid 3, van de Wet), maar de doelstelling van die bepaling verschilt in de kern niet van de hier aan de orde zijnde zakelijkheidstoets. Die doelstelling is — kort gezegd — de bestrijding van belastingontwijking. De Hoge Raad overwoog dat die doelstelling:
‘2.6.4.
(…) slechts [kan; PvA, SD en RvS] dienen ter rechtvaardiging van een beperking van de vestigingsvrijheid indien die beperking specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (zie HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes plc en Cadbury Schweppes Overseas Ltd, C-196/04, ECLI:EU:C:2006:544, punt 55). (…).
2.6.5.
Hetgeen hiervoor in (…) 2.6.4 is overwogen, is mede van belang voor de verdeling van de bewijslast bij de toepassing van de regeling. Bij het onderzoek of met een constructie misbruik wordt nagestreefd, kan namelijk niet ermee worden volstaan vooraf vastgestelde algemene criteria toe te passen. In elk concreet geval moet de desbetreffende constructie in haar geheel worden onderzocht. Automatische toepassing van een antimisbruikmaatregel van algemene strekking zonder dat de inspecteur gehouden is ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen, gaat verder dan ter voorkoming van misbruik noodzakelijk is (vgl. het arrest Eqiom en Enka, punt 32). Indien de inspecteur kan volstaan met het leveren van een zodanig begin van bewijs of zodanige aanwijzingen, moet de belastingplichtige de mogelijkheid worden geboden om bewijzen aan te dragen waaruit het bestaan van economische redenen voor de constructie blijkt (vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A/S, gevoegde zaken C-504/16 en C-613/16, ECLI:EU:C:20i7:i009, punt 70).
2.6.6.
Bij de toepassing van de regeling is het uitgangspunt voor de bewijslastverdeling dat de inspecteur de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat de subjectieve voorwaarde is vervuld, en dat hij deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk maakt (…). Dit uitgangspunt is in overeenstemming met het Unierecht (vgl. het arrest T Danmark, punt 117).
2.6.7.
Bij de toepassing van het Unierecht levert de vervulling van de subjectieve voorwaarde slechts een bewijsvermoeden op dat zich misbruik voordoet. Dit wordt bevestigd door het arrest T Danmark, punt 101. Indien een dergelijk bewijsvermoeden van misbruik bestaat, moet de belastingplichtige in de gelegenheid worden gesteld om dit vermoeden te ontzenuwen. De belastingplichtige kan dit vermoeden ontzenuwen door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken, die erop wijzen dat het houden van het aanmerkelijk belang niet een volstrekt kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit. Een concern kan worden beschouwd als een volstrekt kunstmatige constructie indien in een concernstructuur met (een) buiten de Unie gevestigde, achterliggende aandeelhouder(s) en een in Nederland gevestigde vennootschap een binnen de Unie gevestigd lichaam is tussengeschoven om de heffing van Nederlandse inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan, zonder dat dit EU-lichaam of de vestiging van het lichaam in de EU-lidstaat reële betekenis heeft (vgl. (…) het arrest T Danmark, punt 100).’
12.
Ook in het licht van dit arrest is 's Hofs uitspraak onjuist. Art. 10a, lid 1, van de Wet sluit de aftrek van rente uit op grond van ‘vooraf vastgestelde algemene criteria’, namelijk het criterium dat een overname is gefinancierd met een lening van een verbonden lichaam. Van de inspecteur wordt op geen enkele wijze verlangd ‘ook maar een begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik over te leggen’. De Inspecteur heeft de bal dan ook steeds volledig bij belanghebbende gelegd om vervolgens alle door haar bijgebrachte argumenten als onaannemelijk dan wel niet ter zake doende terzijde te schuiven. Benadrukt zij dat het Hof al die argumenten zelfs geen woord waardig heeft geacht en zijn oordeel dat niet aan de zakelijkheidstoets is voldaan slechts onderbouwt door te wijzen op de fiscale positie van [C]. Maar daarbij miskent het dat die positie juist geen aanwijzing is dat sprake is van misbruik. Immers, zelfs als een vennootschap is gevestigd in een lidstaat ‘met de openlijke bedoeling te genieten van de gunstiger fiscale regeling die een dergelijke vestiging biedt [levert dit; PvA, SD en RvS], op zich geen misbruik op’.23. Er is dus geen rechtsregel die zich ertegen verzet met het oog op het behalen van een fiscaal voordeel gebruik te maken van de door het VWEU gewaarborgde vrijheden. Wel van belang is of ‘de vestiging van het lichaam [in dit geval [C]; PvA, SD en RvS] in de EU-lidstaat reële betekenis heeft’. Gezien hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, kan niet worden gezegd dat de vestiging van [C] in België geen reële betekenis had. Enig vermoeden van misbruik is in ieder geval ontzenuwd.
13.
Zoals gezegd, is het Hof van een onjuiste bewijslastverdeling uitgegaan nu volgens hem de Inspecteur kon volstaan met het wijzen op de belastingheffing waaraan [C] in België is onderworpen. Zie nochtans HvJ 5 juli 2012, SIAT, C-318/10, waarin werd overwogen dat:
- ‘50.
(…) uit de rechtspraak van het Hof [volgt; PvA en RvS] dat ervan kan worden uitgegaan dat een wettelijke regeling niet verder gaat dan hetgeen nodig is om misbruik te voorkomen, wanneer zij zich voor de vraag of een transactie een uitsluitend voor belastingdoeleinden opgezette volkomen kunstmatige constructie is, baseert op een onderzoek van objectieve en verifieerbare elementen en zij de belastingplichtige in elk geval waarin het bestaan van een dergelijke constructie niet kan worden uitgesloten, in staat stelt om zonder buitensporige administratieve moeite bewijs aan te dragen met betrekking tot de eventuele commerciële redenen waarom deze transactie heeft plaatsgevonden (zie in die zin reeds aangehaald arrest Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, punt 82).
- 51.
Voorts wettigen noch de fiscale motieven noch de omstandigheid dat dezelfde verrichtingen hadden kunnen worden uitgevoerd door dienstverrichters die zijn gevestigd op het grondgebied van de lidstaat waar de belastingplichtige is gevestigd, als zodanig de conclusie dat de betrokken verrichtingen niet werkelijk en oprecht zijn (zie in die zin reeds aangehaald arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, punt 69).’
14.
De onjuistheid van het oordeel van het Hof springt ook in het oog als zijn redenering wordt omgedraaid. Zijn redenering houdt in wezen in dat géén sprake zou zijn geweest van een volstrekt kunstmatige constructie indien [C] in België aan het reguliere belastingregime onderworpen zou zijn geweest. Dat is duidelijk in strijd met de hierboven aangehaalde rechtspraak en belemmert [C] zich in België te vestigen teneinde daar daadwerkelijke economische activiteiten te verrichten en diensten te verlenen. Verwezen zij wederom naar het arrest in de zaak SIAT:
- ‘55.
Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verplicht de bijzondere regel de Belgische belastingplichtige in deze omstandigheden om systematisch de echtheid en oprechtheid van alle prestaties en het normale karakter van alle daarop betrekking hebbende bezoldigingen aan te tonen, zonder dat de administratie zelfs maar een begin van bewijs van belastingfraude of -ontwijking moet verschaffen.
- 56.
Deze bijzondere regel kan immers worden toegepast zonder enig objectief en door derden controleerbaar criterium dat als aanwijzing kan dienen voor het bestaan van een volstrekt kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit, die bedoeld is om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied, aangezien enkel rekening wordt gehouden met de hoogte van de belasting waaraan de dienstverrichter is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd.
- 57-
Vastgesteld moet echter worden dat, zoals in punt 27 van het onderhavige arrest is opgemerkt, een dergelijke regel het niet mogelijk maakt om vooraf en met voldoende nauwkeurigheid de werkingssfeer ervan vast te stellen en onzekerheid laat bestaan omtrent de toepasbaarheid ervan.
- 58.
Een dergelijke regel voldoet bijgevolg niet aan de vereisten van de rechtszekerheid, die verlangt dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en de gevolgen ervan voorzienbaar zijn, met name wanneer zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen (zie in die zin arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a., C-17/03, Jurispr. blz. I-4983, punt 80, en 16 februari 2012, Costa en Cifone, C-72/10 en C-77/10, punt 74).
- 59.
Een regel die niet voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel, kan niet worden geacht evenredig te zijn aan de nagestreefde doelstellingen.’
15.
Wat betreft de aanwezigheid van een volstrekt kunstmatige constructie benadrukt belanghebbende dat de kapitaalinbreng in [C] heeft plaatsgevonden vele jaren voordat externe overnames door art. 10a van de Wet werden bestreken. Destijds kon renteaftrek niet met fraus legis worden bestreden gezien het arrest HR 17 december 2004, BNB 2005/169. Ten tijde van die kapitaalinbreng kon dus niemand het motief van uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag voor ogen hebben gestaan, nog daargelaten dat het voor die grondslag geen enkel verschil zou hebben gemaakt of [A] dan wel [C] de leningen aan belanghebbende zou hebben verstrekt.
16.
Dat een zodanige volstrekt kunstmatige constructie niet snel aanwezig wordt geacht, volgt ook uit het arrest HR 21 april 2017, BNB 2017/162. In dat arrest ging het — kort gezegd — om het volgende:
‘3.2.3.6.
Het onderhavige geval kenmerkt zich daardoor dat er bij [X Ltd], een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, behoefte bestaat aan financiering, voor welke financiering [X Ltd] afhankelijk is van andere vennootschappen van het concern. [X London Branch] heeft bij derden, in de markt, gelden aangetrokken. [X London Branch] heeft de aldus aangetrokken gelden — in tegenstelling tot andere financieringen — niet rechtstreeks aan [X Ltd] verstrekt, maar heeft die gelden in de vorm van geldleningen aan belanghebbenden verstrekt. De geleende gelden zijn door belanghebbenden aangewend voor stortingen in onderscheidenlijk verwervingen van concernvennootschappen, zodanig dat op de voordelen uit hoofde van die vennootschappen de deelnemingsvrijstelling van toepassing was. De aldus aangewende gelden zijn, kort nadat belanghebbenden voornoemde leningen bij [X London Branch] hebben opgenomen, uiteindelijk als vreemd vermogen ter beschikking gekomen van [X Ltd]. Voor de geleiding via belanghebbenden is gekozen vanwege een doorslaggevend fiscaal motief, te weten het door belanghebbenden ten laste van hun winst kunnen brengen van de door hen aan [X London Branch] verschuldigde rente, en wel zodanig dat feitelijk geen vennootschapsbelasting zou kunnen worden geheven over de winsten die door belanghebbenden zijn behaald voordat zij tot het concern gingen behoren. Belanghebbenden zijn met dit doel door het concern aangekocht.’
17.
Men zie dat de ‘kale’ feiten in de zaak Credit Suisse en de onderhavige zaak in zekere zin overeenkomen. In beide gevallen vindt de verstrekking van een lening plaats en daarna de verwerving van (dan wel kapitaalstorting in) een deelneming. Een belangrijk verschil tussen beide gevallen is echter dat in het onderhavige geval de betrokken Nederlandse vennootschap (belanghebbende) een reële financieringsbehoefte heeft (namelijk voor de verwerving van [F]).
In het geval van Credit Suisse was die reële financieringsbehoefte er niet. Via de betrokken Nederlandse vennootschappen vond een volstrekt onzakelijke — want enkel op de opvulling van het Bosal-gat gerichte — omleiding plaats om uiteindelijk X Ltd van middelen te voorzien.
18.
Met betrekking tot dat gat stelt de Hoge Raad in r.o. 3.2.3.5 het volgende voorop:
‘De belastingverlichting die aldus uitgaat van het Bosal-gat is evenwel niet onbegrensd. Zij kan niet worden aanvaard indien en voor zover met het doorslaggevende oogmerk van belastingverijdeling renteaftrek wordt gecreëerd die in strijd is met het stelsel van de Wet Vpb, zoals dat stelsel na het Bosal-arrest moet worden opgevat.’
19.
De vraag is nu waar de door de Hoge Raad bedoelde grens ligt. Op die vraag geeft hij antwoord in r.o. 3.2.3.7. Daarin oordeelt hij dat:
‘het in aftrek toelaten van de rente die belanghebbenden aan [X London Branch] zijn verschuldigd [leidt; PvA, SD en RvS] tot strijd met doel en strekking van de Wet Vpb, voor zover deze rente wordt afgezet tegen de winsten die door belanghebbenden zijn behaald voordat zij tot het concern gingen behoren. De door belanghebbenden opgezette structuur leidt er namelijk telkens toe dat zij door het creëren van rentelasten hun winsten onbeperkt, althans tot aanzienlijke bedragen, en naar willekeur kunnen verminderen met die lasten, terwijl zonder deze structuur vennootschapsbelasting zou zijn geheven over de winsten die belanghebbenden hebben behaald voordat zij tot het concern gingen behoren.’
20.
Kortom, de grens wordt overschreden wanneer sprake is van gekochte winsten. Eerst dan kan de renteaftrek met toepassing van fraus legis worden bestreden. De vraag is nu waarom juist daar de grens ligt. Of anders gezegd: waarom kan het leiden van gelden door Nederland enkel ter opvulling van het Bosal-gat niet met fraus legis worden bestreden voor zover het niet gaat om gekochte winsten? Belanghebbende houdt het ervoor dat het antwoord op die vraag is gelegen in r.o. 3.3.3 van het arrest. In dat onderdeel gaat de Hoge Raad in op de Europeesrechtelijke aspecten van de zaak. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het HvJ oordeelt hij — kort gezegd — dat de toepassing van fraus legis voor zover het gekochte winsten betreft de toets van het communautaire misbruikbegrip kan doorstaan. Ofschoon enigszins a contrario, is belanghebbende sterk geneigd die r.o. aldus te verstaan dat de Hoge Raad van oordeel is dat de toepassing van fraus legis voor zover het niet-gekochte winsten betreft, de zo-even bedoelde toets niet kan doorstaan.
21.
Indien r.o. 3.3.3 inderdaad aldus moet worden verstaan, is geen andere conclusie mogelijk dan dat belanghebbende aan de tegenbewijsregeling van art. 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet voldoet. Die regeling moet immers worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van hetzelfde Europeesrechtelijke misbruikbegrip als aan de orde was in de zaak Credit Suisse.
Middel IV
Schending van het recht, met name van art. 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet en/of art. 8:77 van de Awb, doordat het Hof een essentiële stelling van belanghebbende onbehandeld heeft gelaten en in onderdeel 4.9 van zijn uitspraak heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat de volstrekt doorslaggevende reden voor het omleiden van de geldstromen en het creëren van de leningen via [C] is geweest de belastingbesparing, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [C] daadwerkelijk een financiële functie vervulde binnen het concern, dat het veel meer voor de hand ligt dat in verband met de fiscale positie van [C] de financiering van de overname via [C] is geleid in plaats van dat de overname rechtstreeks met eigen middelen is betaald en dat dit meebrengt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de routing via [C] in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, zulks ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, gelet op het hiernavolgende.
1.
Men zie dat dit middel vrijwel gelijkluidend is aan middel III. De reden dat belanghebbende twee vrijwel gelijkluidende middelen voorstelt, is dat het Hof aan een essentiële (en ter zitting van het Hof uitvoerig besproken) stelling van belanghebbende geen enkel woord wijdt. Om te voorkomen dat ook de Hoge Raad deze stelling ‘over het hoofd ziet’, heeft belanghebbende gemeend goed eraan te doen aan die stelling een apart middel te wijden.
2.
In onderdeel 43 van de conclusie van repliek voor het Hof stelt belanghebbende het volgende:
‘De gekozen financieringsstructuur (kapitalisatie van [C] door [A] en het door eerstgenoemde verstrekken van de [C]-leningen aan belanghebbende) had reële economische gevolgen die verschilden van de gevolgen van een kapitalisatie van belanghebbende door [A]. Die gevolgen kunnen inzichtelijk worden gemaakt met behulp van het structuuroverzicht dat als bijlage 4 bij het beroepschrift voor de Rechtbank is gevoegd (zie ook bijlage 3). Ten tijde van de verwerving van [F] door belanghebbende, zijnde een volledige dochtermaatschappij van [A], was 59,82% van de aandelen in [A] beursgenoteerd. De overige aandelen in [A] werden gehouden door [B] (39%) en enkele minderheidsaandeelhouders binnen de groep. Stel dat de kapitaalinbreng door [A] niet in [C], maar in belanghebbende zou zijn gedaan en dat belanghebbende die inbreng zou hebben aangewend voor de koop van [F]. In dat geval zou 59,82% van een verlies op die inbreng in belanghebbende ten laste van ‘de beurs’ zijn gekomen. Bij de daadwerkelijk gekozen financieringsstructuur is dat aanzienlijk minder. Als gevolg van de inbreng van kapitaal in [C] strekt een verlies op de [C]-leningen voor (59,82% van 53,05%24., derhalve) nog geen 32% ten laste van ‘de beurs’. Een direct gevolg van de kapitaalinbreng in [C] is dus een aanzienlijke en reële wijziging van risico's van derden (de houders van de beursgenoteerde aandelen van [A]) en die van de andere aandeelhouders in [C] dan [A]. Daarmee is de zakelijkheid van de gekozen financieringsstructuur (en dus de kapitalisatie van [C]) gegeven, mede in aanmerking genomen dat aldus niet sprake is van een constructie waartegen de regeling van art. 10a, lid 1, van de Wet zich richt. Zie HR 1 maart 2013, BNB 2013/137, waarin de Hoge Raad overweegt dat die regeling — wanneer het vennootschappen binnen de Europese Unie betreft — ertoe strekt gedragingen te verhinderen die erin bestaan, volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. Vgl. ook de rechtspraak van de Hoge Raad inzake fraus legis waarin van belang wordt geacht of een rechtshandeling een ‘wezenlijke verandering heeft gebracht voor wat betreft vermogenspositie, belang en/of zeggenschap’25. en of een kunstmatige en van elk reëel belang ontblote weg is gekozen die ertoe leidt dat in strijd met doel en strekking van de wet wordt gehandeld.26.’
3.
De cijfermatige gevolgen van de verschillende rechtshandelingen zoals door belanghebbende in deze passage gesteld, zijn door de Inspecteur niet weersproken. Gelet daarop had het Hof op de gronden vermeld in die passage moeten oordelen dat aan de zakelijkheidstoets is voldaan. Nu het Hof dat niet heeft gedaan, is zijn door het middel bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd indien het Hof daarbij geen acht heeft geslagen op de in voormelde passage verwoorde stelling, dan wel — indien het dat wel heeft gedaan — berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.
Middel V
Schending van het recht, met name van art. 10a van de Wet in verbinding met art. 49, 56 en 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en/of art. 8:77 van de Awb, doordat het Hof in de onderdelen 4.11 en 4.12 van zijn uitspraak het oordeel van de Rechtbank tot het zijne heeft gemaakt inhoudende dat art. 10a van de Wet ‘als doel [heeft; PvA, SD en RvS] te voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag (…) wordt uitgehold door daarop rentelasten in mindering te brengen, terwijl tegenover die rentelasten niet op enig moment een reële belastingheffing plaatsheeft’ waardoor ‘sprake [is; PvA, SD en RvS] van misbruik’, dat van misbruik ‘in dit geval sprake is vanwege de fiscale voordelen die [C] geniet en waardoor de moedermaatschappij van eiseres, [A] N.V., niet of nauwelijks belasting betaalt op het rendement van het door haar in een Nederlandse deelneming geïnvesteerde eigen vermogen’, dat art. 10a van de Wet niet verder gaat dan noodzakelijk omdat het ‘aan [belanghebbende; PvA, SD en RvS] de mogelijkheid biedt om aannemelijk te maken dat de keuze voor financiering door middel van een lening van [C] zakelijk is’ en dat ‘in dit geval die keuze niet als zakelijk is aan te merken maar als een louter kunstmatige constructie’, zulks ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen, gelet op het hiernavolgende.
1.
Partijen hebben in feitelijke instanties een uitvoerig debat gevoerd over de vraag of het Unierecht zich verzet tegen de toepassing van art. 10a van de Wet zoals de Inspecteur die voorstaat. Dat debat was zowel feitelijk als rechtskundig van aard. Belanghebbende heeft betoogd dat een multinationale groep fundamenteel de vrijheid heeft haar interne bank te vestigen in de lidstaat van haar keuze, óók als die keuze mede is ingegeven door het aldaar toepasselijke belastingrecht (de meergenoemde fictieve roerende voorheffing). Die keuze mag niet worden afgestraft door een andere lidstaat. De [A]-groep heeft gebruik gemaakt van die keuzevrijheid en in België een interne bank ([C]) opgericht met een zeer grote omvang, zowel wat betreft deskundig personeel, kapitaalstructuur en ontplooide activiteiten.27. Belanghebbende heeft betoogd dat die activiteiten (in dit geval: het verstrekken van leningen) onlosmakelijk samenhangen met het bestaan van [C]. Deze zijn er een noodzakelijk gevolg van. Dat het Hof het zeer uitvoerige partijdebat in hoger beroep heeft gemeend te kunnen afdoen met welgeteld één zin in onderdeel 4.12 is onbegrijpelijk. Met die ene zin heeft het Hof voorts in wezen het bestaan van [C] als zodanig ontkend. Daarmee heeft het Hof het Unierecht geschonden.
2.
In het voetspoor van de Rechtbank heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat art. 10a van de Wet leidt tot een primarfacie beperking van de verkeersvrijheden, omdat belanghebbende niet geconfronteerd zou worden met een beperking van renteaftrek indien [C] hetzij in Nederland, hetzij in een andere lidstaat dan België gevestigd zou zijn geweest.28. Aldus maakt art. 10a van de Wet de aanbieding van diensten op de Nederlandse markt minder aantrekkelijk al naar gelang de lidstaat waar de dienstaanbieder is gevestigd. Laatstgenoemde dient immers aan een belastingheffing te zijn onderworpen die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.29. Is dat het geval, dan is de aan hem betaalde rente in Nederland aftrekbaar. Dit onderscheid, uitsluitend op basis van het toepasselijke effectieve belastingtarief, beperkt [C] zowel in zijn recht op vrije vestiging — primair en secundair — als zijn recht op vrije dienstverlening. Belanghebbende wordt op haar beurt beperkt in haar recht vrijelijk diensten te kunnen ontvangen uit de lidstaat naar haar keuze. Daarnaast worden grensoverschrijdende kapitaalbewegingen nadeliger behandeld dan niet-grensoverschrijdende kapitaalbewegingen, hetgeen een inbreuk is op art. 63 VWEU. Het is bij dit een en ander van belang de vaste rechtspraak voor ogen te houden ‘dat een vennootschap zich voor fiscale doeleinden kan beroepen op een beperking van de vrijheid van vestiging van een andere vennootschap waarmee zij verbonden is, voor zover deze beperking een weerslag heeft op haar eigen belastingen’.30. Belanghebbende kan zich dus erop beroepen dat de Nederlandse regeling de vestiging van [C] in België — in plaats van in een andere lidstaat — belemmert. Dit geldt niet alleen voor art. 49, maar ook voor art. 56 en art. 63 VWEU.
3.
De zojuist beschreven beperking van de art. 49, 56 en 63 VWEU is enkel toelaatbaar indien zij een ‘legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De beperking moet voorts geschikt zijn ter bereiking van het ermee beoogde doel en mag niet verder gaan dan met het oog daarop noodzakelijk is’.31. De desbetreffende beperking is ‘voorts slechts geschikt (…) om de verwezenlijking van het aangevoerde doel te waarborgen, wanneer zij daadwerkelijk ertoe strekt dit op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken’.32.
4.
Art. 10a van de Wet voldoet niet aan die eisen nu de toepasselijkheid van die bepaling in wezen slechts afhangt van wijze waarop de renteontvanger in de andere lidstaat wordt belast. Is die belastingheffing naar Nederlandse maatstaven redelijk, dan wordt renteaftrek verleend en is niet relevant of sprake is van een kunstmatige constructie. Met andere woorden: aan belanghebbende wordt renteaftrek onthouden op de grond dat [C] in België naar Nederlandse begrippen aan onvoldoende belasting is onderworpen. Dat heeft met de bestrijding van misbruik van recht niets te maken.33. Derhalve kan niet worden gezegd dat art. 10a van de Wet ertoe strekt zijn doel op samenhangende en stelselmatige wijze te verwezenlijken. Aldus is aan de proportionaliteitseis niet voldaan en kan art. 10 a van de Wet niet aan belanghebbende worden tegengeworpen.
5.
Dit laatste wordt ook inzichtelijk indien men zich realiseert dat art. 10a van de Wet leidt tot een ongelijke behandeling van twee vergelijkbare grensoverschrijdende situaties: als [C] niet in België gevestigd zou zijn geweest maar in een lidstaat die de ontvangen rente wél had betrokken in een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing, zou belanghebbende de rente in aftrek hebben kunnen brengen.34. Dit verschil in behandeling kan niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak misbruik te bestrijden. Wanneer een vennootschap de verwerving van aandelen in een dochtervennootschap financiert met een lening die bij een verbonden vennootschap wordt aangegaan, is het risico dat die lening geen verband houdt met de economische realiteit en slechts bedoeld is om kunstmatig een aftrekbare last te creëren niet minder groot al naar gelang die verbonden vennootschap is gevestigd in België dan wel een andere lidstaat. 35. Het effectieve belastingtarief in deze lidstaten is hierbij niet relevant.36.
6.
Op grond van het voorgaande wordt niet toegekomen aan het leerstuk ‘misbruik van recht’. Maar zelfs als men daaraan zou toekomen, moet worden vastgesteld dat hier van misbruik geen sprake is. Dat volgt onder meer uit het arrest WebMindLicenses.37.WebMindLicenses (hierna: WML) is een Hongaarse vennootschap waarvan de in Hongarije woonachtige bestuurder 100% van het kapitaal in handen heeft. Bij overeenkomst van i september 2009 heeft WML van de Portugese vennootschap Hypodest Patent Development Company, eveneens voor 100% in handen van de zoeven genoemde inwoner van Hongarije, knowhow voor de exploitatie van een internetsite om niet verkregen. Op dezelfde dag heeft WML die knowhow via een licentieovereenkomst toevertrouwd aan Lalib, een vennootschap gevestigd op Madeira. De Hongaarse autoriteiten meenden dat die overeenkomst een volstrekt kunstmatige constructie was, slechts bedoeld om gebruik te maken van het lagere Portugese BTW-tarief. Het HvJ overwoog als volgt:
- ‘44.
Voor de vaststelling of de betrokken licentieovereenkomst misbruik uitmaakt dat ertoe strekt dat de betrokken diensten op Madeira onder een minder hoog btw-tarief vallen, dient (…) te worden aangetoond dat deze overeenkomst een zuiver kunstmatige constructie vormt die verhult dat de betrokken dienst, te weten de exploitatie van de internetsite met behulp van de knowhow van WML, in feite niet door Lalib vanuit Madeira, doch in werkelijkheid door WML vanuit Hongarije werd verricht. De vaststelling waar de werkelijke plaats van deze dienst is, moet berusten op objectieve en door derden controleerbare elementen, zoals het fysiek bestaan van Lalib in termen van lokalen, en door derden controleerbare elementen, zoals het fysiek bestaan van Lalib in termen van lokalen, personeel en uitrusting (zie naar analogie arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, C-196/04, EU:C:2006:544, punt 67).
- 45.
Voor de vaststelling of deze overeenkomst een dergelijke constructie vormt, dient de verwijzende rechter alle aan hem voorgelegde feitelijke gegevens te analyseren en daarbij met name na te gaan of de zetel van bedrijfsuitoefening of de vaste inrichting van Lalib niet daadwerkelijk op Madeira was gevestigd en of deze vennootschap voor de uitoefening van de betrokken economische activiteit niet over een geschikte structuur in termen van lokalen, menselijke en technische middelen beschikte, of nog of deze vennootschap deze economische activiteit niet in eigen naam en voor eigen rekening, op eigen verantwoordelijkheid en op eigen risico uitoefende.
- 46.
Daarentegen lijken op zich niet van doorslaggevend belang te zijn, het feit dat de bestuurder en enige aandeelhouder van WML de ontwikkelaar van de knowhow van WML was, dat diezelfde persoon invloed of zeggenschap uitoefende op de ontwikkeling en exploitatie van die knowhow en de op deze knowhow gebaseerde dienstverrichtingen, dat onderaannemers waren belast met het beheer van de financiële verrichtingen, van het personeel en van de technische instrumenten die noodzakelijk waren voor deze dienstverrichtingen, alsmede de overwegingen die WML ertoe hebben kunnen brengen om de exploitatie van de betrokken knowhow aan Lalib toe te vertrouwen in plaats van die knowhow zelf te exploiteren. (…)
- 48.
Aangezien de verschillen tussen de door de lidstaten toegepaste normale btw-tarieven het gevolg zijn van het ontbreken van een door de btw-richtlijn doorgevoerde volledige harmonisatie, kan het feit op zich dat een licentieovereenkomst als die in het hoofdgeding werd gesloten met een vennootschap in een andere lidstaat die een minder hoog normaal btw-tarief toepast dan de lidstaat van vestiging van de licentiegever, bij gebreke van andere gegevens bovendien niet worden beschouwd als misbruik (…).’
7.
WML had dus de keuze de knowhow hetzij zelf te exploiteren (met hoge BTW), hetzij die te laten exploiteren door een vennootschap in een andere lidstaat (met lage BTW) mits die vennootschap daartoe geëquipeerd was. Voor de [A]-groep geldt hetzelfde: [A] kon hetzij zelf een lening verstrekken aan belanghebbende, hetzij [C] in staat stellen een lening te verstrekken. De gemaakte keuze dient Unierechtelijk te worden gerespecteerd, in het bijzonder omdat [C] beschikte over de infrastructuur voor het uitoefenen van die economische activiteit en [A] niet.38. Daarvan uitgaande had het Hof moeten oordelen dat de kapitalisatie van [C] zakelijk was en dat de fiscale behandeling van [C] op geen enkele wijze de conclusie kan rechtvaardigen dat die kapitalisatie misbruik van recht behelst (WML, punt 48).
8.
Ook uit het arrest in de zaak SIAT volgt dat noch fiscale motieven, noch de omstandigheid dat dezelfde verrichtingen hadden kunnen worden uitgevoerd door dienstverrichters die zijn gevestigd op het grondgebied van de lidstaat waar de belastingplichtige is gevestigd, als zodanig de conclusie wettigen dat de betrokken verrichtingen niet werkelijk en oprecht zijn (punt 51 van dat arrest). In het geval van belanghebbende is dat ook zo: noch de vestiging van [C] in België, noch het fiscale regime waaraan het is onderworpen kan de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van misbruik van een fundamentele vrijheid. Het is niet aan Nederland om een normatief oordeel te vellen over het fiscale regime waaraan [C] is onderworpen.39. België is daarin soeverein. In het institutionele kader van de Europese Unie is het uitsluitend aan de Commissie om als scheidsrechter op te treden.
9-
Ook is cruciaal dat niet in geschil is dat de rente op de onderwerpelijke leningen at arm's length is. De evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen Nederland en België is dus niet in gevaar. Ook hierom is van misbruik van recht geen sprake. HvJ 13 maart 2007, Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation, C-524/04, overwoog namelijk dat een beperking van de vrijheid van vestiging slechts door de strijd tegen misbruik kan worden gerechtvaardigd als zij specifiek tot doel heeft gedragingen te verhinderen die erin bestaan volstrekt kunstmatige constructies op te zetten die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaliter verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (punt 74 van het arrest). Dit soort gedragingen kan volgens het HvJ ‘een aantasting opleveren van het recht van de lidstaten om hun belastingbevoegdheid uit te oefenen met betrekking tot activiteiten die op hun grondgebied plaatsvinden, en zo de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten in gevaar brengen’ (punt 75 van het arrest). Die verdeling wordt in belastingverdragen belichaamd door het at arm's length beginsel (zie art. 9 van het Belastingverdrag Nederland-België). Het HvJ overwoog met betrekking tot de bestrijding van misbruik het volgende:
- ‘80.
Een wettelijke regeling van een lidstaat kan daarentegen wel worden gerechtvaardigd door redenen verband houdende met de bestrijding van misbruik, wanneer zij bepaalt dat de door een ingezeten dochtermaatschappij aan een niet-ingezeten moedermaatschappij betaalde rente wordt aangemerkt als winstuitkering uitsluitend indien en voor zover die rente meer bedraagt dan die vennootschappen onder normale voorwaarden zouden zijn overeengekomen, dat wil zeggen commerciële voorwaarden waarover die vennootschappen overeenstemming hadden kunnen bereiken indien zij niet tot dezelfde vennootschapsgroep hadden behoord.
- 81.
De omstandigheid dat een ingezeten vennootschap van een niet-ingezeten vennootschap een lening heeft gekregen onder voorwaarden die niet overeenstemmen met hetgeen de betrokken vennootschappen onder normale omstandigheden zouden zijn overeengekomen, vormt voor de lidstaat van vestiging van de kredietnemer immers een objectief en door derden verifieerbaar element om te bepalen of de betrokken transactie geheel of ten dele een louter kunstmatige constructie vormt, die voornamelijk is bedoeld om aan de belastingwetgeving van die lidstaat te ontsnappen. Hierbij gaat het om de vraag of de lening bij gebreke van een bijzondere relatie tussen de betrokken vennootschappen niet zou zijn verstrekt dan wel of deze zou zijn verstrekt voor een ander bedrag of tegen een andere rentevoet.’
10.
Er is dus alléén sprake van een kunstmatige winstverschuiving als de in aftrek gebrachte rente méér bedraagt dan in zakelijke verhoudingen het geval zou zijn geweest, omdat alleen in dat geval belasting wordt ontweken die normaal verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied. Het is duidelijk dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van enige kunstmatige winstverschuiving. De evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid wordt dus niet in gevaar gebracht. De conclusie luidt dan ook dat de uitsluiting van renteaftrek op het niveau van belanghebbende verder gaat dan nodig is om kunstmatige winstverschuivingen te voorkomen. Die uitsluiting is disproportioneel en in strijd met de vrijeverkeersbepalingen.
11.
Recent heeft het HvJ dit een en ander uitdrukkelijk bevestigd in de zaak Lexel, betreffende een Zweedse rentaftrekbeperking die sterke gelijkenissen vertoont met art. 10a van de Wet.40. In die zaak was sprake van een groepslening die was ontstaan door een verhanging binnen de groep. De op die lening verschuldigde rente leidde bij de ontvanger ervan, de interne bank van de groep die was gevestigd in een andere lidstaat dan Zweden, niet tot belastingheffing. Het HvJ oordeelde dat de groepslening niet kan worden aangemerkt als een volstrekt kunstmatige constructie, nu de erop verschuldigde rente at arm's length was en bijgevolg geen sprake is van een kunstmatige overdracht van winst van de ene lidstaat naar de andere lidstaat: ‘transacties die tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan’ vormen ‘dus geen volkomen kunstmatige of fictieve constructies (…) die alleen zijn opgezet om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied’ (punt 56). Voorts overwoog het HvJ:
- ‘67.
(…) dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de [Zweedse tegenbewijsregeling; PvA, SD en RvS] blijkt dat deze uitzondering uitdrukkelijk tot doel heeft te voorkomen dat de Zweedse belastinggrondslag wordt uitgehold, hetgeen zou kunnen voortvloeien uit de fiscale planning die samenhangt met de aftrek van rente-uitgaven in een grensoverschrijdende situatie. Dat doel mag echter niet worden verward met de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen.
- 68.
In herinnering dient namelijk te worden gebracht dat de derving van belastingopbrengsten niet kan worden aangemerkt als een dwingende reden van algemeen belang die kan worden ingeroepen ter rechtvaardiging van een maatregel die in beginsel in strijd is met een fundamentele vrijheid (zie onder meer arrest van 13 december 2005, Marks & Spencer, C-446/03, EU:C:2005:7Ó3, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien het tegendeel werd aanvaard, zouden de lidstaten in feite de vrijheid van vestiging op die grondslag kunnen beperken.
- 69.
Daarbij komt dat de rente waarvoor Lexel om aftrek heeft verzocht — zoals ter terechtzitting is opgemerkt — aftrekbaar zou zijn geweest indien [de interne bank van de groep, PvA, SD en RvS] geen vennootschap was geweest die deel uitmaakte van dezelfde groep verbonden ondernemingen. Wanneer de voorwaarden voor een grensoverschrijdende transactie binnen de groep en de voorwaarden voor een grensoverschrijdende transactie buiten de groep marktconform zijn, bestaat er geen verschil tussen deze transacties vanuit het oogpunt van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.
- 70.
Hieruit volgt dat de rechtvaardigingsgrond die berust op het waarborgen van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten, niet kan worden aanvaard.’
12.
Ook overwoog het HvJ het volgende:
- ‘74.
Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht, vormen het waarborgen van de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten en het voorkomen van belastingontduiking met elkaar samenhangende doelstellingen. Gedragingen waarbij volstrekt kunstmatige constructies worden opgezet die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied, kunnen namelijk inbreuk maken op het recht van de lidstaten om hun belastingbevoegdheid uit te oefenen ten aanzien van die activiteiten en kunnen aldus een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten aantasten (arrest van 18 juli 2007, Oy AA, C-231/05, EU:C:2007:439, punt 62).
- 75.
Op basis daarvan heeft het Hof kunnen vaststellen dat de betreffende maatregelen — met name gelet op de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen — gerechtvaardigd zijn niettegenstaande het feit dat zij niet specifiek betrekking hebben op volstrekt kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en bedoeld zijn om de belasting te ontwijken die normaal gesproken verschuldigd is over winsten uit activiteiten op het nationale grondgebied (arresten van 18 juli 2007, Oy AA, C-231/05, EU:C:2007:439, punt 63, en 21 januari 2010, SGI, C-311/08, EU:C:20io:26, punt 66).
- 76.
Wanneer de betrokken lidstaat zich — zoals in het hoofdgeding het geval is — niet met succes kan beroepen op de rechtvaardiging die verband houdt met de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen, kan een maatregel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, evenwel niet worden gerechtvaardigd doordat de noodzaak om een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen en de noodzaak om belastingontwijking te bestrijden gezamenlijk in aanmerking worden genomen.
- 77.
Derhalve kan de rechtvaardigingsgrond die berust op de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te waarborgen en op de bestrijding van belastingontwijking, gezamenlijk beschouwd, niet worden aanvaard.’
13.
Nu niet in geschil is dat de rente op de leningen at arm's length is41., komt de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen Nederland en België niet in gevaar Van misbruik van recht is dus geen sprake, 's Hofs kennelijk andersluidende opvatting getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
14.
Daarbij komt dat een regel die niet voldoet aan de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel niet kan worden geacht evenredig te zijn aan de nagestreefde doelen (zie arrest SIAT, reeds aangehaald, punten 58 en 59). Met andere woorden, een beperking van een fundamentele vrijheid kan nooit gerechtvaardigd zijn als het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden.42. Welnu, de voorzitter van de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering van de Belastingdienst heeft ten overstaan van een parlementaire enquêtecommissie verklaard dat art. 10a van de Wet welbewust tot rechtsonzekerheid leidt:
‘Van een artikel als 10a gaat een zekere afschrikwekkende werking uit, omdat daar door die open norm van de zakelijkheidstoets een grijs gebied in is gecreëerd. De vraag is dan of het belastingontwijking is die mag of belastingontduiking die niet mag. Die onzekerheid maakt dat je als Belastingdienst kritischer naar die constructies kunt kijken. Daaraan vooraf gaat natuurlijk de politieke afweging of je wilt dat de Belastingdienst kritisch naar die constructies kijkt. Als het antwoord daarop ja is, maak je zo'n instrument effectiever door ervoor te zorgen dat er een grijs gebied is waar die onzekerheid heerst en waar je dus als Belastingdienst die discussie kunt aangaan en kritisch kunt kijken.’43.
15.
Die uitlating is gedaan door degene die binnen de Belastingdienst eindverantwoordelijk is voor het uitvoeringsbeleid betreffende art. 10a van de Wet. Leggen we die uitlating naast het arrest in de zaak SIAT,44. dan is onvoorstelbaar dat het een lidstaat is toegestaan een regeling in het leven te roepen die — ten nadele van buitenlandse ondernemingen — bewust vaag is en zelfs het creëren van rechtsonzekerheid (mede) tot doel heeft. De werkingssfeer van een rechtsregel moet vooraf met voldoende nauwkeurigheid worden vastgesteld.45. Rechtsregels moeten duidelijk en nauwkeurig zijn en de gevolgen ervan moeten voorzienbaar zijn, met name wanneer zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. 46. Belanghebbende constateert dat het Hof in het licht van de van belanghebbende afkomstige stukken met uitgebreide onderbouwingen vrijwel niets heeft gedaan om te verduidelijken waarom belanghebbende door art. 10a van de Wet wordt getroffen. In wezen bevestigt het Hof de aan art. 10a van de Wet inherente vaagheid en bewust nagestreefde rechtsonzekerheid. Dit een en ander klemt temeer nu art. 10a van de Wet ten tijde van de verwerving van [F] geen toepassing kon vinden daar externe overnames eerst met ingang van 2007 binnen het bereik van die bepaling zijn gebracht. De uitspraak van het Hof is hierdoor niet alleen in strijd met het motiveringsbeginsel, maar ook met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. D e prima facie beperking van art. 49, 56 en 63 VWEU kan dan ook niet gerechtvaardigd worden.
16.
Tot slot wenst belanghebbende uitdrukkelijk op te merken dat de Hoge Raad niet ten nadele van belanghebbende mag beslissen zonder prejudiciële vragen te hebben voorgelegd aan het Hof van Justitie, op straffe van schending van art. 267 VWEU. Immers, in dat geval kan niet kan worden gezegd dat — de Grote Kamer van het HvJ wees er in een belastingzaak onlangs nadrukkelijk op — de door belanghebbende opgeworpen vraag ‘niet relevant is of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan’. Dit is met name het geval nu ‘bij beoordeling of een dergelijk geval zich voordoet, rekening moet worden gehouden met de eigen kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie’.47.
Middel VI
Schending van het recht, met name van het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en/of art. 8:77 van de Awb, doordat het Hof in onderdeel 4.15 heeft geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel niet is geschonden, zulks ten onrechte dan wel op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, gelet op het hiernavolgende.
1.
Op het moment dat belanghebbende [F] verwierf, was art. 10a van de Wet niet van toepassing op een externe overname als hier aan de orde. Ook kon de aftrek van rente op de voor een dergelijke overname aangetrokken lening niet met fraus legis worden bestreden.48. Door art. 10a van de Wet met ingang van 2007 zonder overgangsrecht aan te passen en belanghebbende in 2007 rauwelijks te confronteren met een nadelige fiscale maatregel die zij niet kon voorzien, heeft de Nederlandse wetgever het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Het Hof van Justitie overwoog eerder in een fiscale zaak dat de afschaffing van een regeling zonder behoorlijke overgangsperiode in strijd kan komen met het unierechtelijke rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, zelfs als die afschaffing gelijkelijk geldt voor ingezeten en niet-ingezeten marktdeelnemers.49.
2.
Met name kan belanghebbende niet zonder overgangstermijn een subjectief misbruikoogmerk in de schoenen worden geschoven dat zij ten tijde van de relevante feiten niet had en gelet op HR 17 december 2004, BNB 2005/169 niet kón hebben. Het Hof heeft dit miskend.
Gelet op het voorgaande concluderen wij tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en veroordeling van de Staatssecretaris in de proceskosten. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑01‑2021
Zie onderdeel 2.12 van de uitspraak van het Hof.
MvT, Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2020), p. 17.’
HR 20 maart 2020, BNB 2020/76.
Zie J. Verburg, Vennootschapsbelasting, tweede druk, Kluwer, Deventer, 2000, p. 393. Hij karakteriseert het aangaan van een fiscale eenheid als ‘een fictieve fusie, dat wil zeggen een fusie louter in fiscale zin.’
Zie HR 4 juni 1986, BNB 1986/282.
Onderdelen 17 tot en met 24 en 61 van het hogerberoepschrift. In die onderdelen is die heffing beschreven.
Zie onderdeel 62 van het hogerberoepschrift.
Zie onderdeel 21 van het hogerberoepschrift.
Zie de onderdelen 2.2 en 2.3 van 's Hofs uitspraak.
Zie onderdeel 63 van het hogerberoepschrift.
Zie de onderdelen 20 en 75 van het hogerberoepschrift.
Zie de onderdelen 22 en 75 van het hogerberoepschrift.
Zie onderdeel 24 van het hogerberoepschrift.
Zie bijvoorbeeld onderdeel 7.3.3.14 van het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank: ‘het draait in deze zaak niet om de hoogte van de rentevergoeding, die is door de Belastingdienst getoetst en akkoord bevonden’.
Zie de laatste alinea van pagina 9 van het verweerschrift in hoger beroep.
HR 1 maart 2013, BNB 2013/137 en HR 8 juli 2016, BNB 2016/197.
Zie in die zin arresten Test Claimants in the Thin Cap Group Litigation (…) en Lammers & Van Cleeff (…).
Onderdeel 61 van de conclusie van A-G Kokott van 10 september 2009 in de zaak SGI, C-311/08.
HvJ 20 december 2017, DeisterrHoldingrenrJuhlerrHolding, C-504/16 en C-613/16, punt 74.
HvJ 20 januari 2021, Lexel, C-484/19, punt 56.
De gelijkenis bestaat hierin dat de Zweedse maatregel groepsleningen betreft die worden aangewend voor, bijvoorbeeld, interne verhangingen binnen de groep, terwijl de op de lening verschuldigde rente bij ontvanger niet tegen een effectief belastingtarief van 10% in de heffing wordt betrokken. De gelijkenis verwondert niet, aangezien de Zweedse maatregel is gebaseerd op haar Nederlandse voorbeeld.
Zie onderdeel 9 e.v. van de toelichting op middel V voor een nadere duiding.
HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, EU:C:2006:544, punt 38.
Zie bijlage 4 bij het beroepschrift voor de Rechtbank.
Zie HR 6 september 1995, BNB 1996/4.
Zie onder meer HR 10 februari 2012, BNB 2012/127.
Vgl. de onderdelen 2.3 en 2.6 van de uitspraak van het Hof.
Vgl. HvJ 26 oktober 1999, Eurowings Luftverkehr, C-294/97, punt 40, HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, punt 43–46 en HvJ 5 februari 2016, Hervis, C-385/12, punt 39–41. Het arrest HvJ 12 juli 2005, Schempp, C-403/03, brengt hierin geen verandering, aangezien het in die zaak ging om een belastingplichtige die slechts een afgeleid beroep kon doen gelden op de vrijverkeersbepalingen (Schempp maakte geen gebruik van zijn verkeersvrijheden en had geen keuzevrijheid die door een nationale belastingmaatregel werd ingeperkt).
Uit onder meer HvJ 24 februari 2015, Sopora, C-512/13, BNB 2015/133, volgt dat een criterium dat leidt tot verschillende behandeling van grensoverschrijdende activiteiten al naar gelang deze uit de ene dan wel de andere lidstaat afkomstig zijn, leidt tot een primafacie beperking van de verkeersvrijheden.
HvJ 1 april 2014, Felixstowe, C-80/12, punt 23
HvJ 5 juli 2012, SIAT, C-318/10, punt 34.
HvJ 11 juni 2015, Berlington, C-98/14, punt 64.
In de toelichting op middel III is uitgewerkt dat het toepasselijke (effectieve) belastingtarief in een andere lidstaat op zichzelf niet kan bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.
Het is vaste rechtspraak dat de vrijverkeersbepalingen niet alleen in de weg staan aan de ongelijke behandeling van binnenlandse en grensoverschrijdende situaties, maar ook aan ongelijke behandeling van grensoverschrijdende situaties; zie bijv. HvJ 24 februari 2015, Sopora, C-512/13, punt 25, en HvJ 12 september 2006, Cadbury Schweppes, C-196/04, punten 44–45 (zie met name de conclusie van A-G Léger in deze zaak, punten 79–80).
Vgl. HvJ 22 februari 2018, XB.V. enXN.V., C-398/16 en C-399/16, punt 50.
Zie A-G Kokott, Conclusie van 1 maart 2018, X Denmark A/S, C-118/16, punten 71–74.
HvJ 17 december 2015, WebMindLicenses, C-419/14.
Zie de onderdelen 39 en 47 van de conclusie van repliek voor het Hof.
Vgl. HvJ 10 september 1996, Commissie-België, C-11/95, Jur. 1996, blz. I-4115, r.o. 37.
De gelijkenis bestaat hierin dat de Zweedse maatregel groepsleningen betreft die worden aangewend voor, bijvoorbeeld, interne verhangingen binnen de groep, terwijl de op de lening verschuldigde rente bij ontvanger niet tegen een effectief belastingtarief van 10% in de heffing wordt betrokken. De gelijkenis verwondert niet, aangezien de Zweedse maatregel is gebaseerd op haar Nederlandse voorbeeld.
Zie bijvoorbeeld onderdeel 7.3.3.14 van het verweerschrift van de Inspecteur voor de Rechtbank: ‘het draait in deze zaak niet om de hoogte van de rentevergoeding, die is door de Belastingdienst getoetst en akkoord bevonden’.
HvJ 3 oktober 2013, Itelcar, zaak C-282/12, punt 44.
Verklaring van mr. Leenman ten overstaan van de Parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies (Kamerstukken 2016/17, 34 566, nr. 4, blz. 17).
HvJ 5 juli 2012, SIAT, C-318/10.
Arrest SIAT, punt 27.
Arrest SIAT, punt 58.
HvJ 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk, C-416/17, punt 110.
HR 17 december 2004, BNB 2005/169.
HvJ 11 juni 2015, Berlington, C-98/14.