Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/X.8.2
X.8.2 Is de schuldeisersbegunstiging een nevenrecht?
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS357629:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Clausing & Wansink 5-VI 2007, nr. 505 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nrs. 565 en 569.
De schuldeisersbegunstiging kan echter niet als een borgstelling of hoofdelijk aansprakelijkstelling worden aangemerkt. De verzekeraar neemt geen aansprakelijkheid op zich voor de verplichtingen van de leningnemer uit de lening.
Indien het hypotheekrecht is gevestigd tot zekerheid voor al hetgeen de leninggever “uit welken hoofde ook” van de leningnemer te vorderen heeft, zal meestal ook de begunstiging gelden voor al hetgeen uit welken hoofde ook verschuldigd is. In navolging van het begrip ‘bankhypotheek’, spreekt men dan van een ‘bankbegunstiging’. Zie over de cessie van door een bankhypotheek gesecureerde vordering en de vragen die daarbij rijzen: hoofdstuk XI.
Zie ook: nr. 1019.
Met wat goede wil kan men bovendien betogen dat met de term “leninggever” is bedoeld degene die schuldeiser is van de uit de lening voortvloeiende vordering (en). Na cessie is dat de cessionaris. Naar mijn mening is er ook geen reden om een (bank)begunstiging wat haar reikwijdte betreft anders uit te leggen dan het aan de leninggever verleende (bank)hypotheekrecht. Blijkens de bewoordingen van de hypotheekakte wordt ook de hypotheek vaak verleend tot zekerheid van hetgeen de bank van de schuldenaar te vorderen heeft. Uit deze omschrijving mag niet op voorhand worden afgeleid dat het hypotheekrecht een persoonlijk recht is dat in geval van cessie de hypothecaire vordering niet kan volgen. Zie hierna: nr. 1047.
Afgezien van het geval dat de schuldenaar/verzekeringnemer de verzekering met instemming van de schuldeiser afkoopt.
Een gemengde verzekering is een verzekering die niet alleen dient om het overlijdensrisico af te dekken, maar ook om een kapitaal op te bouwen.
Zie art. 3.116 Wet inkomstenbelasting 2001.
In de verzekeringspolis kan met zoveel woorden zijn bepaald dat de verzekeringsovereenkomst “onverbrekelijk is verbonden” met de schuld(en) die met de verzekeringsuitkering dienen te worden afgelost.
Het bedrag dat onder de hypothecaire lening verschuldigd is, kan op het moment van opeisbaar worden van de verzekeringsuitkering als gevolg van aflossingen immers lager zijn dan ten tijde van de aanwijzing van de leninggever als begunstigde.
In geval van een begunstiging voor al hetgeen uit welken hoofde ook verschuldigd is (bankbegunstiging) is het mogelijk dat de leninggever nog aanspraak kan maken op de verzekeringsuitkering voor andere schulden dan de schuld uit de hypothecaire lening.
Vaak is dit echter de schuldenaar/verzekeringnemer of diens partner.
Ik merk op deze plaats reeds op, dat ook het feit dat de begunstiging strekt ten gunste van al hetgeen de leninggever “uit welken hoofde ook” te vorderen heeft, een (gedeeltelijke) overgang van de rechten uit de begunstiging niet belet. Op de problematiek van de overgang van zogeheten bank- en kredietzekerheden wordt in hoofdstuk XI uitvoerig ingegaan.
Voor een goed begrip van de vraag ga ik er daarbij van uit dat de begunstiging slechts geldt voor het bedrag dat verschuldigd is ter zake van de hypothecaire lening en niet, zoals gebruikelijk is, voor al hetgeen uit welken hoofde ook verschuldigd is. Tevens ga ik ervan uit dat de rechten uit de begunstiging niet samen met de hypotheekvordering aan de cessionaris worden overgedragen (waarover hierna: § X.8.3).
Er is geen sprake van een afhankelijk recht. De schuldeisersbegunstiging is in dit opzicht vergelijkbaar met een bankgarantie. Ook ten aanzien daarvan wordt algemeen aangenomen dat een scheiding van hoedanigheden mogelijk is doordat de begunstigde zijn rechten uit de garantie los van de hoofdvordering overdraagt aan een ander. Zie o.a.: Mijnssen 1984, p. 66 e.v.
Ook in dit opzicht kan een vergelijking worden gemaakt met de bankgarantie. Betaling onder de bankgarantie doet de vordering van de schuldeiser op de schuldenaar vervallen, ook indien de schuldeiser zijn rechten uit de bankgarantie heeft overgedragen aan een ander en hij de uitkering derhalve niet ontvangt.
Dit geldt mijns inziens ook in het geval de leningvoorwaarden bepalen dat de leninggever de ontvangen verzekeringsuitkering “in mindering zal brengen” op hetgeen de leningnemer nog aan hem verschuldigd is. Indien de leninggever evenwel begunstigde is voor al hetgeen de leningnemer aan hem uit welken hoofde ook verschuldigd is, dient de leninggever, indien de schulden een groter bedrag betreffen dan de ontvangen verzekeringsuitkering, aan te geven op welke schulden de verzekeringsuitkering wordt toegerekend. Zolang de leninggever dat nalaat, kan de leningnemer naar mijn mening betaling van zijn schulden opschorten. Ook indien zou moeten worden aangenomen dat de betaling door de verzekeraar van het verzekerde bedrag aan de leninggever/begunstigde niet automatisch leidt tot een vermindering van de hypotheekschuld, kan de schuldenaar een vordering tot nakoming afweren, hetzij met een beroep op opschorting, hetzij met een beroep op verrekening (art. 6:127 jo 130 BW). In de interne verhouding tussen de leninggever en de leningnemer behoort de verzekeringsuitkering immers ten goede te komen aan de leningnemer. Het is namelijk de bedoeling dat de uitkering zal worden aangewend voor de aflossing van de hypotheekschuld. Indien de (curator van de) leninggever weigert om de verzekeringsuitkering toe te rekenen op (een van) de schulden van de leningnemer, heeft de leningnemer mijns inziens een vordering tot afdracht van de verzekeringsuitkering of in ieder geval een schadevergoedingsvordering, die hij in beginsel kan verrekenen met zijn hypothecaire schuld. Deze vordering op de leninggever en de hypothecaire schuld vloeien mijns inziens voort uit “dezelfde rechtsverhouding” als bedoeld in art. 6:130 lid 1 BW, zodat ook na overdracht van de hypotheekvordering de schuldenaar bevoegd is om te verrekenen.
997. Is de schuldeisersbegunstiging een nevenrecht? De vraag rijst of de rechten uit de schuldeisersbegunstiging als nevenrechten van de hypothecaire vordering kunnen worden aangemerkt, zodat deze rechten van rechtswege in de cessie of de verpanding van de hypothecaire vordering zijn betrokken. In de praktijk wordt er veelal van uitgegaan dat de vordering uit de begunstiging geen nevenrecht is. Betoogd wordt dat de begunstiging geen nevenrecht kan zijn, aangezien de begunstigde een eigen, zelfstandige vordering op de verzekeraar heeft. De begunstiging bij een levensverzekering dient immers te worden beschouwd als een derdenbeding en een kenmerk daarvan is dat de derde een eigen recht toekomt dat niet wordt verkregen uit het vermogen van de stipulator.1
Het enkele feit dat de leninggever/begunstigde een zelfstandige vordering op de verzekeraar toekomt, staat er echter niet aan in de weg de schuldeisersbegunstiging als een nevenrecht te beschouwen. Het begrip ‘zelfstandigheid’ betekent in dit verband slechts dat de begunstigde de verzekeringsuitkering bij haar opeisbaar worden krachtens een eigen vordering van de verzekeraar kan opvorderen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de verzekeringnemer. In deze zin zijn ook andere nevenrechten, zoals de vordering op de borg en het recht op rente, boete en dwangsom, ‘zelfstandige’ rechten.
De vraag of de schuldeisersbegunstiging een nevenrecht is, kan naar mijn mening in beginsel bevestigend worden beantwoord. De schuldeisersbegunstiging vertoont een grote functionele gelijkenis met een garantie of borgtocht.2 Er bestaat een nauwe band tussen de begunstiging van de leninggever en de vordering op de leningnemer. Deze nauwe band blijkt onder meer uit het feit dat:
in de aanwijzing als begunstigde over het algemeen wordt bepaald, dat de leninggever als eerste begunstigde is aangewezen tot het bedrag dat hij van de leningnemer(s) te vorderen heeft;3
in de leningvoorwaarden veelal is bepaald dat de leninggever in geval van overlijden van een van de leningnemers en ook in geval de verzekeringsovereenkomst eindigt, bijvoorbeeld doordat deze op haar einddatum tot uitkering komt, de hypothecaire lening onmiddellijk kan opeisen en dat
meestal wordt overeengekomen dat de uitkering die de leninggever op grond van zijn begunstiging van de verzekeraar ontvangt, in mindering zal komen op hetgeen de leninggever van de leningnemer(s) te vorderen heeft.
Uit de betalings- en zekerheidsfunctie van de schuldeisersbegunstiging volgt dat de leninggever daarbij uitsluitend een belang heeft zolang hij schuldeiser van de leningnemer is (vgl. art. 6:251 BW). In de verzekeringspolis kan bovendien met zoveel woorden zijn bepaald dat de verzekeringsovereenkomst “onverbrekelijk is verbonden” met de schuld (en) die met de verzekeringsuitkering dienen te worden afgelost. Op deze gronden kan de begunstiging naar mijn mening als een nevenrecht worden aangemerkt dat in geval van cessie van de hypothecaire vordering van rechtswege overgaat op de cessionaris en in geval van verpanding van rechtswege met pandrecht wordt bezwaard. Het feit dat de verzekeringsuitkering de tegenprestatie betreft voor de periodieke betaling van premie doet daaraan niet af.
Overigens zij opgemerkt dat de vraag of de begunstiging een nevenrecht is zijn praktisch belang grotendeels verliest, indien niet alleen de oorspronkelijke leninggever als begunstigde is aangewezen, maar ook diens rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel, waaronder beperkt gerechtigden. Is dat het geval dan verkrijgt de rechtsopvolger, zoals een cessionaris of een pandhouder, na aanvaarding van de begunstiging een rechtstreekse aanspraak op de verzekeringsuitkering.4
998. Is de schuldeisersbegunstiging een persoonlijk recht? Een andere vraag is of de begunstiging van de leninggever mogelijk naar haar aard niet voor overgang vatbaar is. De aanwijzing van de leninggever als begunstigde heeft naar mijn mening niet naar haar aard een persoonlijk karakter. Hoewel de aanwijzing van een derde-begunstigde door de verzekeringnemer in het algemeen geschiedt met het oog op de persoon of de persoonlijke kwaliteit van de begunstigde, geldt dit niet voor de begunstiging van de leninggever. De schuldeisersbegunstiging heeft geen verzorgingskarakter, maar een zuiver zakelijk doel: de aflossing van de lening en de verschaffing van zekerheid daarvoor. Gelet op dit doel zal de persoon van de leninggever normaliter voor diens aanwijzing als begunstigde van geen betekenis zijn.
999. Reikwijdte van de schuldeisersbegunstiging. Een volgende vraag is of wellicht uit de bewoordingen van de begunstiging moet worden afgeleid, dat de begunstiging slechts in stand blijft zolang de oorspronkelijke leninggever schuldeiser van de schuldenaar (verzekeringnemer) is, zodat de begunstiging op die grond de facto een persoonlijk karakter heeft. Vaak wordt namelijk in de begunstiging bepaald dat de leninggever begunstigde is tot het bedrag dat de schuldenaar uit hoofde van de lening of uit welken hoofde ook “aan de leninggever (bank)” verschuldigd is, waaraan mogelijk nog is toegevoegd: “op het moment van opeisbaar worden van het verzekerde bedrag”. Men zou kunnen betogen dat uit deze bewoordingen blijkt dat naar de bedoeling van partijen de begunstiging komt te vervallen, indien de leninggever na de cessie van de hypotheekvordering niets meer van de schuldenaar te vorderen heeft of mocht krijgen en dat de begunstiging in ieder geval niet meer geldt voor de gecedeerde vordering.
Hoewel het uiteindelijk een kwestie is van uitleg van de begunstiging, meen ik dat de genoemde bewoordingen meestal niet op deze wijze behoeven te worden uitgelegd. Mijns inziens wordt er in deze uitleg van de begunstiging te veel betekenis gehecht aan het feit dat in de begunstiging wordt gesproken van schulden “aan de leninggever”. Deze woorden hebben mijns inziens in de meeste gevallen nauwelijks enige betekenis. In geval van een begunstiging ter zake van al hetgeen “uit welken hoofde ook” verschuldigd is, brengen de woorden “aan de leninggever” hoogstens tot uitdrukking dat de begunstiging is verbonden aan schulden die voortvloeien uit rechtsverhoudingen met de leninggever en, hetgeen mij vanzelfsprekend lijkt, niet aan schulden uit rechtsverhoudingen met derden. In het geval de begunstiging beperkt is tot hetgeen ter zake van de lening aan de leninggever verschuldigd is, betreft het een enigszins ongelukkige formulering. Met de formulering zal in de regel niet zijn bedoeld dat de rechten uit de begunstiging slechts kunnen toebehoren aan de leninggever en niet ook aan diens rechtsopvolgers in de uit de lening voortvloeiende vordering(en).5 Dit spoort ook niet met de betalings- en zekerheidsfunctie van de begunstiging. Aangenomen mag worden dat partijen hebben beoogd dat de schuldeisersbegunstiging deze functie, evenals bij een traditioneel zekerheidsrecht, in beginsel gedurende de gehele looptijd van de hypotheeklening behoudt, ongeacht wie rechthebbende is van de uit de lening voortvloeiende vordering.6 In geval van een gemengde verzekering geldt dit temeer,7 omdat het in de meeste gevallen vanwege fiscale redenen de bedoeling zal zijn dat de verzekering kan worden aangemerkt als een ‘kapitaalverzekering eigen woning’ als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001.8 Daarvoor is vereist dat de verzekeringsuitkering wordt aangewend voor de aflossing van de hypotheekschuld.9 Men dient voorts niet uit het oog te verliezen dat bij de redactie van de begunstiging over het algemeen niet zal zijn gedacht aan de situatie dat de leninggever zijn vordering(en) op de schuldenaar overdraagt.
Voor wat betreft de beperking van de begunstiging tot het bedrag dat de schuldenaar verschuldigd is “ten tijde van het opeisbaar worden van de verzekeringsuitkering”, is het, gelet op de betalings- en zekerheidsfunctie van de begunstiging, een redelijke uitleg dat met deze woorden slechts wordt beoogd duidelijk te maken, dat voor de vraag welk bedrag de verzekeraar onder de begunstiging dient te betalen niet beslissend is welk bedrag de leninggever op het moment van diens aanwijzing als begunstigde van de schuldenaar kan vorderen, maar wat hij kan vorderen op het moment van het tot uitkering komen van de verzekering.10 Uit de woorden mag in het bijzonder niet worden afgeleid dat de begunstiging slechts zou zijn verbonden aan de vordering(en) die de leninggever ten tijde van deuitkering nog op de schuldenaar heeft.
Mijns inziens ligt het, juist gezien de betalings- en zekerheidsfunctie die de begunstiging vervult, en in geval van een ‘kapitaalverzekering eigen woning’ mede vanwege de gewenste fiscale behandeling daarvan, in de rede om aan te nemen dat de begunstiging ook na de overdracht van de hypotheekvordering (mede) ten gunste van deze vordering in stand blijft. Het gevolg van het verval van de rechten uit de begunstiging zou immers zijn dat de verzekeraar de verzekerde som geheel of gedeeltelijk11 moet uitkeren aan de onmiddellijk na de leninggever komende begunstigde die zijn begunstiging heeft aanvaard. Het is op voorhand niet zeker of deze begunstigde de verzekeringsuitkering zal aanwenden voor de aflossing van de hypothecaire lening,12 zodat evenmin zeker is of het doel dat de verzekeringnemer met de begunstiging wenste te bereiken – aflossing van de lening door een rechtstreekse betaling van de verzekeringsuitkering door de verzekeraar aan de schuldeiser – ook werkelijk wordt bereikt.
De conclusie is dat in beginsel noch de aard noch de inhoud van de begunstiging in de weg behoeft te staan aan een overgang van de daaruit voortvloeiende rechten op een cessionaris van de hypothecaire vordering.13
Indien in afwijking van wat ik hiervoor heb verdedigd, zou moeten worden aangenomen dat de begunstiging geen nevenrecht is, rijst de vraag wat er na de overdracht van de hypotheekvordering met de begunstiging van de leninggever (cedent) gebeurt. Blijft de begunstiging in stand of vervalt zij?14 Zoals hiervoor vermeld, dient de begunstiging van de leninggever in de regel niet te worden opgevat als een persoonlijk recht dat slechts aan de oorspronkelijke leninggever kan toekomen voor hetgeen hij van de leningnemer te vorderen heeft. Vanuit dit oogpunt behoeft de overdracht van de hypothecaire vordering dus niet het verval van de begunstiging tot gevolg te hebben. Naar mijn mening geldt evenmin dat de rechten uit de begunstiging enkel zouden kunnen toekomen aan degene die tevens schuldeiser is van de hypothecaire vordering. De hoedanigheden van schuldeiser en rechthebbende van de rechten uit de begunstiging kunnen van elkaar gescheiden zijn.15 Aangezien de begunstiging tot doel heeft om met de verzekeringsuitkering de hypothecaire lening te voldoen, meen ik dat een redelijke uitleg van de begunstiging en de hypothecaire lening met zich brengt dat de begunstiging, ook na de overdracht van de hypothecaire vordering, in stand blijft, met dien verstande dat de schuldenaar mag verwachten dat de betaling van de verzekeringsuitkering onder de begunstiging automatisch tot een vermindering leidt van de hypothecaire schuld.16 , 17 De cessionaris zal dan verhaal moeten zoeken bij de cedent.