Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.4.1
2.5.4.1 Het profijtbeginsel
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS589728:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. De Kok 1965, p. 133.
Pothier 1760, nr. 264; Meiers 2010, p. 289.
Erster Theil, Fünfter Titel, § 444 ALR.
Meier 2010, p. 290.
HR 21 november 1946, NJ 1947, cassatiemiddel II, r.o. 4; Meijers, NJ 1947, 24. Overeenkomstig in het Duitse recht: OLG Frankfurt 4 augustus 2004, NJW-RR 2004, 1586.
HR 21 november 1946, NJ 1947, cassatiemiddel II, r.o. 1; zie ook de conclusie van A-G Timmerman bij het Janssen q.q./JVS Beheer-arrest, PHR 13 juli 2012, ECLI:NL:PHR:2012: BW4206.
De vraag is hoe deze opmerking zich verhoudt tot de toepassing van indirect profijt bij draagplichtbepaling in concernverband. Zie hiervoor § 4.7.
HR 21 november 1946, NJ 1947, cassatiemiddel II, r.o. 3.
Uit het citaat van Von Savigny aan het begin van dit hoofdstuk bleek dat regres tot doel heeft ongerechtvaardigde verrijking of verarming tussen hoofdelijk verbonden schuldenaren te voorkomen. Het profijt dat een schuldenaar heeft van de tegenwaarde van de lening kan daarom een rol spelen bij de vaststelling van de verdeling. Dit zogenaamde profijtbeginsel is in het bijzonder van toepassing bij contractueel verbonden hoofdelijke schuldenaren.1 Hierbij vertoont de omvang van het interne aandeel samenhang met de mate waarin de tegenwaarde van de schuld profijtelijk is voor de betreffende schuldenaar. Met name in de Franse literatuur speelt het profijtbeginsel als maatstaf voor regres een rol van betekenis.2 Ook het Pruisische ALR stelt uitdrukkelijk dat profijt als maatstaf gebruikt kan worden.3 Het profijtbeginsel komt in de rangorde bij draagplicht van deze codificatie na hetgeen volgt uit overeenkomst en interpretatie van de wil van partijen.4
Onder vigeur van het oude recht is het profijtbeginsel door de Hoge Raad gebruikt in HR 21 november 1946, NJ 1947/24 (Verduin/Beck) voor in gemeenschap van winst en verlies gehuwde echtgenoten. De casus is als volgt. De man en de vrouw sluiten gezamenlijk een geldlening waarvoor beiden zich hoofdelijk aansprakelijk verklaren. De vrouw heeft de lening afgelost en vordert van de man de helft van het geleende en terugbetaalde bedrag. De man beroept zich erop dat met het geleende geld een woning is gekocht voor en ten dienste van de vrouw en dat de schuld hem derhalve niet aangaat. De Hoge Raad oordeelt dat of de tussen schuldenaren onderlinge verhouding zodanig is dat de zaak één van hen aangaat, afhangt van hun onderlinge afspraken en bij gebrek daaraan, van de omstandigheid dat slechts één van de schuldenaren een belang had om zich te verbinden. Een dergelijk belang wordt aangenomen wanneer de tegenwaarde van hun hoofdelijke schuld slechts één van de schuldenaren ten goede is gekomen.5
De Hoge Raad verwoordt in dit arrest nog drie andere gezichtspunten waar in latere discussies over de draagplicht aan wordt gerefereerd. Ten eerste de omstandigheid dat partijen verklaren hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de aangegane schuld.
Deze verklaring betreft de relatie tussen de schuldenaren en de schuldeiser en beheerst niet de relatie van de schuldenaren onderling.6 Ten tweede oordeelt de Hoge Raad over de betekenis van het door de eiser genoten voordeel doordat hij met verweerster getrouwd was in gemeenschap van vruchten en inkomsten. Eiser hoeft namelijk geen huur te betalen over zijn woongenot van de echtelijke woning. Ook krijgt eiser bij verhuur van de woning de helft van de inkomsten van het pand. De Hoge Raad oordeelt dat dit voordeel niet leidt tot de aanvaarding van het punt dat op grond daarvan de schuld niet slechts verweerster aanging in de zin van art. 1331 BW oud. Anders gesteld: het enkele gegeven dat de man voordeel genoot van het met de lening gekochte woning is in beginsel onvoldoende om te rechtvaardigen dat hem de zaak aanging.7 Ten derde moet het moment waarop de geldlening is gesloten als ijkpunt dienen om te bepalen wie van de schuldenaren de zaak aangaat, aldus de Hoge Raad. Eventueel na dit ogenblik genoten voordeel is verder niet meer van invloed.8