Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.1:2.1 Inleiding
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180224:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1838, 12.
De Eerste Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel kende vijf artikelen. Uit de bekendmaking in het Staatsblad van 1826 (Stb. 1826, 19) volgt dat de wetgever bij de Tweede Titel van het Eerste Boek opnieuw begon met de nummering van de artikelen. Artikel 1 van de Tweede Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel is daarom artikel 6 WvK.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in artikel 3:15i lid 1 BW opgenomen algemene civielrechtelijke administratieplicht voor een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent en de in artikel 2:10 lid 1 BW opgenomen algemene civielrechtelijke administratieplicht voor rechtspersonen hebben als Nederlandse oorsprong artikel 6 WvK, dat per 1 oktober 1838 in werking is getreden.1 De Tweede Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel luidde “Van Koopmansboeken” en kende negen artikelen. Artikel 1 van de Tweede Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Koophandel is artikel 6 WvK.2 Artikel 6 WvK is gebaseerd op artikel 6 van de Tweede Titel van de Code de Commerce.3 Hoewel de basis voor de civielrechtelijke administratieplicht in Nederland reeds lang geleden is gelegd, zal uit de hierna volgende historische analyse van de totstandkoming van de artikelen 3:15i BW en 2:10 BW blijken, dat deze artikelen inhoudelijk nog goed vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke artikelen die in 1838 in werking zijn getreden. Met name is dit het geval met artikel 6 WvK, zoals dit na de wetswijziging in 1922 is gaan luiden. De Nederlandse wetgeving heeft op het gebied van de administratieplicht – in tegenstelling tot de economische en juridische omgeving waarin zij bestaat – niet buitengewoon veel ontwikkeling doorgemaakt. Dat maakt dat deze wetshistorie nog steeds relevant is voor de uitleg van de thans geldende civielrechtelijke administratieplicht.
Mijn onderzoek start met de historie van artikel 6 WvK en de ontstaansgeschiedenis van de artikelen 3:15i lid 1 BW en 2:10 lid 1 BW om te beoordelen in hoeverre hieraan argumenten kunnen worden ontleend voor de omvang en inhoud van de huidige civielrechtelijke administratieplicht. Omdat ook bepaalde fiscale wetgeving, in het bijzonder de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van belang is, besteed ik daar eveneens aandacht aan, doch uitsluitend voor zover dit dienstig is aan de betekenis van de civielrechtelijke administratieplicht. De ook tot de administratieplicht behorende verplichtingen die vastliggen in artikel 2:10 leden 2 tot en met 4 BW en artikel 3:15i lid 2 BW komen afzonderlijk aan de orde in hoofdstuk 3.