Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.3.g
7.3.g Klaarblijkelijkheidsvereiste
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607111:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Woordenboek Van Dale (online).
Vgl. Schalken in noot onder HR 19 november 2013, NJ 2014/147.
Voor dit laatste standpunt kan steun worden gevonden in een a contrario-lezing van het tweede lid van artikel 80a RO, dat bepaalt dat 80a-afdoening niet plaatsvindt dan nadat van de schriftuur is kennisgenomen, vgl. Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 3, p. 20.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32576, nr. 6, p. 5.
Zie bijv. HR 31 mei 2016, ECLI:1013.
Zie bijv. HR 3 februari 2015, NJ 2015/140, m.nt. Van Kempen (kennisneming conclusie); HR 11 juni 2013, NJ 2013/557, m.nt. Van Kempen (kennisneming uitspraak en bewijsmiddelen).
HR 17 mei 2016, ECLI:875.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.3.2.
Zoals bijv. aangekondigd in HR 2 april 2013, NJ 2013/383, m.nt. Reijntjes.
HR 18 juni 2013, NJ 2013/452, m.nt. Reijntjes; HR 8 juli 2014, ECLI:1693; HR 4 november 2014, NJ 2015/136, m.nt. Van Kempen; HR 10 maart 2015, ECLI:1265; HR 22 december 2015, NJ 2017/136, m.nt. Mevis; HR 7 juni 2016, ECLI:1113; HR 11 juli 2017, ECLI:1299.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.3.1.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.1 en 2.4.3.
HR 11 juni 2013, NJ 2013/557, m.nt. Van Kempen.
Zie bijv. HR 5 maart 2013, ECLI:BZ2963; HR 18 juni 2013, NJ 2013/452, m.nt. Reijntjes; Bij deze bevindingen sluit wellicht aan, dat het parket in conclusies – op enkele vroege uitzonderingen na – nooit uitdrukkelijk 80a-afdoening afraadt omdat het ‘niet tot cassatie kunnen leiden’ of het ‘onvoldoende belang’ niet klaarblijkelijk is, zie bij uitzondering de conclusies van Vellinga voor HR 25 juni 2013, NJ 2013/482, m.nt. Keulen; HR 8 oktober 2013, ECLI:901; HR 15 oktober 2013, ECLI:950 en HR 15 oktober 2013, ECLI:953.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.3; HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.3.1.
HR 6 november 2012, NJ 2013/144, m.nt. Reijntjes; zie daarnaast HR 6 november 2012, NJ 2013/143, m.nt. Reijntjes en HR 2 april 2013, NJ 2013/383, m.nt. Reijntjes. Weliswaar maakt de Hoge Raad in de twee als eerste genoemde arresten het voorbehoud “in voorkomende gevallen”, maar onduidelijk is waarop dat betrekking heeft.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.3.2.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.5.
Vgl. Keulen in zijn noot onder HR 27 mei 2014, NJ 2015/61.
Overigens maakte de staatssecretaris tijdens de mondelinge behandeling wel een opmerking in deze richting, zie Handelingen II 2011/12, nr. 5, p. 4.45.
Voor toepasselijkheid van beide toegangsweigeringsvoorwaarden van artikel 80a RO is ten slotte vereist dat het ‘niet tot cassatie kunnen leiden’ of het ‘onvoldoende belang bij het beroep’ klaarblijkelijk is. Omdat kort gezegd de niet-ontvankelijkheid van het beroep klaarblijkelijk moet zijn, niet de ontvankelijkheid ervan, lijkt het wettelijk vereiste van klaarblijkelijkheid de bevoegdheid tot toegangsweigering te beperken. Of dit vereiste in de praktijk een grote rol speelt, is evenwel de vraag.
In de toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak wordt weinig aandacht besteed aan de eis van klaarblijkelijkheid. De memorie van toelichting zwijgt erover, en in latere stukken wordt slechts onderstreept dat 80a-af-doening alleen is toegelaten in “evidente gevallen”1 of in een “evident kansloze zaak”.2 Dit sluit aan bij normaal spraakgebruik waarin het woord klaarblijkelijk de betekenis heeft van ‘onmiskenbaar’ of ‘evident’.3 Hoewel de toelichting dit niet goed duidelijk maakt, achtte de wetgever het klaarblijkelijkheidsvereiste waarschijnlijk nodig om de ontvankelijkheidsmaatstaven een meer objectieve inhoud te geven.4 Toegepast op de berechting in cassatie, kunnen aan het woord ‘klaarblijkelijk’ evenwel verschillende betekenissen worden toegekend: enkele formele, enkele materiële en een abstracte.
Formeel benaderd, zijn ruwweg twee interpretaties van de klaarblijkelijkheidseis mogelijk. Een eerste mogelijke betekenis van die term zoekt aansluiting bij de intensiteit van het onderzoek dat plaatsvindt voordat wordt besloten tot 80a-afdoening. Het woord klaarblijkelijk heeft hier de betekenis van ‘zonder omvangrijk onderzoek duidelijk’ of ‘onmiddellijk in het oog springend’.5 In een formele benadering kan worden betoogd dat 80a-afdoening niet mogelijk is als het parket (op verzoek van de Hoge Raad) een conclusie in de zaak heeft genomen,6 indien naast de schriftuur ook kennisneming van de bestreden uitspraak en het proces-verbaal van de zitting nodig is,7 of indien ‘veel’ middelen van cassatie zijn ingediend.
Een tweede formele uitwerking van de eis van klaarblijkelijkheid sluit aan bij de mate van zekerheid over afdoening van een beroep met artikel 80a RO. De eis van klaarblijkelijkheid heeft hier de betekenis van ‘zonneklaar’, ‘zonder twijfel’8 of ‘geen redelijke discussie over mogelijk’. Concreet is 80a-afdoening dan ontoelaatbaar in strijd met de conclusie van het parket of als de raadsheren uit de Hoge Raad daarover niet unaniem beslissen. Afdoening van het beroep op grond van artikel 80a RO is in deze benadering gerust mogelijk na uitgebreid onderzoek, als eenieder het maar over niet-ontvankelijkverklaring eens is, parket en meervoudige kamer onderling.
Gelet op de gepubliceerde rechtspraak, lijken deze twee formele interpretaties van het klaarblijkelijkheidsvereiste niet steeds door de Hoge Raad te worden gebruikt. Verschillende gepubliceerde 80a-uitspraken zijn namelijk gegeven na kennisneming van een conclusie, van aanvullende stukken zoals reacties op de conclusie,9 van de bestreden uitspraak en bewijsmiddelen,10 of een kennelijk omvangrijke schriftuur.11 Sommige van de in de overzichtsarresten gegeven voorbeelden van 80a-afdoening veronderstellen bovendien dat kennis wordt genomen van het bestreden arrest of het proces-verbaal. Denk hierbij aan 80a-afdoening omdat de klacht berust op verkeerde lezing van de bestreden uitspraak of betrekking heeft op een onmiskenbare misslag of schrijffout in het proces-verbaal van de terechtzitting.12 Dit geldt in het bijzonder voor 80a-afdoening na relativering van fouten in de bewijsmotivering.13 Over unanieme beslissing kan gelet op het geheim van de raadkamer uiteraard niets worden vastgesteld, maar duidelijk is wel dat verschillende 80a-afdoeningen hebben plaatsgevonden nadat het parket tot (ambtshalve) vernietiging had geadviseerd.14 Volledige eenstemmigheid lijkt dus geen hard vereiste.
De eis van klaarblijkelijkheid kan hiernaast ook op twee manieren materieel worden uitgelegd. In een meer materiële benadering van ‘onmiddellijk in het oog springend/zonder omvangrijk onderzoek duidelijk’ kan het standpunt worden ingenomen dat 80a-afdoening niet mogelijk is als de toepasselijkheid van de 80a-maatstaven niet eenvoudig is, sterk samenhangt met de omstandigheden van het geval, of gewoonweg uitgebreid onderzoek daarnaar plaatsvindt, los van welke documenten kennis wordt genomen. En als ‘geen redelijke discussie mogelijk’ meer materieel wordt benaderd, kan worden betoogd dat klaarblijkelijkheid alleen bestaat indien de klacht in strijd is met duidelijke wetgeving of vaste rechtspraak, maar niet als 80a-afdoening bijvoorbeeld samenhangt met de omstandigheden van het geval, of afhangt van verbeterde lezing van het bestreden arrest of een afweging van belangen, aangezien dergelijke gevallen welhaast per definitie niet zonneklaar zijn.
Gelet op de gepubliceerde rechtspraak, lijken ook deze materiële lezingen van de klaarblijkelijkheidseis niet (altijd) door de Hoge Raad worden toegepast. De overzichtsarresten wijzen namelijk op de mogelijkheid van 80a-afdoening in andere gevallen dan bij duidelijk onjuiste beroepen met bijvoorbeeld zuivere rechtsklachten over strijd met wetgeving of vaste rechtspraak. Of sprake is van een geenszins onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard, of een geenszins onbegrijpelijk motivering betreffende de verwerping van een verweer of de afwijzing van een verzoek, aldus de overzichtsarresten,15 lijkt mij zeker niet altijd eenvoudig en met kort onderzoek te beoordelen. Belangrijk is ook dat 80a-beoordeling niet zelden zal samenhangen met de omstandigheden van het geval, uitdrukkelijk zelfs waar het de maatstaf van ‘onvoldoende belang’ betreft.16 En bijvoorbeeld in gevallen waarin de Hoge Raad let op het verhandelde ter terechtzitting, hangt de 80a-afdoening onmiskenbaar samen met kennisneming van stukken en de omstandigheden van het geval.17 De overzichtsarresten impliceren dus dat niet-ontvankelijkverklaring op grond artikel 80a RO mogelijk is na casuïstische beoordeling van het beroep of inschatting en afweging van belangen, hetgeen situaties zijn waaraan redelijke twijfel haast inherent is.
Met de gepubliceerde rechtspraak als bron lijkt het erop dat het klaarblijkelijkheidsvereiste niet duidelijk de betekenis heeft van ‘zonder omvangrijk onderzoek duidelijk’ of ‘geen redelijke discussie over mogelijk’, in materiële dan wel in formele zin uitgelegd. Wat is dan de betekenis van het vereiste van klaarblijkelijkheid?
Opvallend is dat in enkele tientallen zaken uit 2013 in de motivering van de Hoge Raad van toegangsweigering op grond van artikel 80a RO het woord klaarblijkelijk ontbreekt. Deze motivering luidt namelijk: “De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.”18 Opmerkelijk is voorts dat in de overzichtsarresten een grote hoeveelheid gevalstypen zonder meer als “evident kansloos” is gekenmerkt en dus voor 80a-afdoening in aanmerking komt.19 Opvallend is voorts dat de Hoge Raad in een aantal arresten de toepassing van artikel 80a RO op bepaalde klachten voor de toekomst heeft aangekondigd. Bijvoorbeeld in een arrest uit 2013 verwierp de Hoge Raad een klacht over de strikt genomen ontoelaatbare aanvulling van een terstond uitgewerkt Promis-arrest. Daarbij kondigde hij aan dat in gevallen waarin een beroep uitsluitend klachten hierover bevat artikel 80a RO zal worden toegepast.20
Dit soort passages en aankondigingen getuigen van een – derde – nogal abstracte benadering van het klaarblijkelijkheidsvereiste. In deze benadering wordt de geschiktheid van bepaalde typen klachten of beroepen beoordeeld los van de voorliggende zaak, de klachten of andere omstandigheden van het geval. In plaats daarvan staat in deze abstracte benadering de klaarblijkelijke geschiktheid voor 80a-afdoening vast indien een klacht of beroep behoort tot een bepaalde subcategorie van klachten of beroepen die volgens de standaardarresten ‘niet tot cassatie kunnen leiden’ of waarbij ‘onvoldoende belang bij het beroep’ bestaat. Subcategorieën uit de overzichtsarresten zijn bijvoorbeeld: een tardief verweer; gericht tegen andere handelingen of beslissingen dan de in art. 78 RO genoemde; enkel vertogen van feitelijke aard behelzen, etc. In een abstracte benadering van het klaarblijkelijkheidsvereiste kan een beroep met artikel 80a RO worden afgedaan, als het geheel onder één of meer van deze categorieën is te scharen, zonder dat de mate van onderzoek of de mogelijkheid van redelijke discussie relevant is. Het oordeel dat ‘een klacht eisen stelt die het recht niet kent’, kan in het algemeen zonder veel onderzoek en onbetwistbaar worden gegeven, bijvoorbeeld als de klacht aanvoert dat voor doodslag voorbedachte raad is vereist.21 In een abstracte benadering van de klaarblijkelijkheidseis is artikel 80a RO evenwel ook toepasbaar op situaties waarin na uitgebreide beraadslaging, in afwijking van de conclusie en na grondige kennisneming van de stukken van het geding wordt geoordeeld dat ‘een gebrek in de bewijsmotivering een ondergeschikt of overbodig onderdeel van de bewijsvoering betreft’.22 In het tweede voorbeeld is duidelijk meer onderzoek nodig en meer redelijke twijfel mogelijk, maar ook dit voorbeeld valt onder een abstract uitgelegde klaarblijkelijkheidseis.
Voor klaarblijkelijkheid is in deze benadering dus hoogstens vereist dat de Hoge Raad duidelijk maakt dat een bepaald type klachten of beroepen voortaan onder artikel 80a RO valt.23 Als ‘kansloos’ kunnen de beroepen die aldus met artikel 80a RO worden afgedaan niet zonder meer worden gekarakteriseerd. In een abstracte benadering van klaarblijkelijkheid vallen onder artikel 80a RO immers ook beroepen die na uitgebreid wikken en wegen en omvangrijke kennisneming van stukken worden afgedaan.
Gekeken naar de gepubliceerde rechtspraak, lijkt de Hoge Raad een abstracte uitleg van de eis van klaarblijkelijkheid te hanteren. Deze interpretatie is wellicht minimalistisch, maar niet evident in strijd met de wetsgeschiedenis en ratio van artikel 80a RO. Aangezien de geschiktheid voor weigering klaarblijkelijk moet zijn – niet de geschiktheid voor toelating – zou strikte interpretatie van het klaarblijkelijkheidsvereiste namelijk ertoe leiden dat minder beroepen voor toepassing van artikel 80a RO en daarmee voor versnelde en verkort gemotiveerde afdoening in aanmerking komen. Dit betreft in het bijzonder de beroepen onder de ‘onvoldoende belang’-maatstaf, omdat 80a-af-doening hier sterk samenhangt met de omstandigheden van het geval. Enige concrete uitleg van dat vereiste zou daarmee een (aanzienlijke) rem zetten op de mogelijkheid voor versnelde afdoening, terwijl uit de toelichting niet of nauwelijks blijkt dat zo’n beperking is beoogd. Voor zover de toelichting iets over het klaarblijkelijkheidsvereiste zegt, heeft het gewild daarmee de 80a-beoordeling objectiever te maken. Objectief zijn vooral de formele en abstracte benadering van de klaarblijkelijkheidseis. Daar komt bij dat sommige van de hierboven geopperde formele interpretaties van het klaarblijkelijkheidsvereiste wel een erg significante aanpassing van de normale gang van zaken in cassatie impliceren. Ik denk daarbij aan een unanimiteitsvereiste of de eis dat geen of geen afwijkende conclusie is genomen, waarmee de Hoge Raad in zijn keuze voor afdoening in feite vastzit aan het oordeel van één raadsheer of een advocaat-generaal.24 Het is misschien geen sterk argument, maar vermoedelijk zou de wetgever dergelijke veranderingen uitgebreid of op zijn minst expliciet van toelichting hebben voorzien.