Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.3
5.3.3 Procesrechtelijke gevolgen voor vrijwaringszaak van schikking in hoofdzaak
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931061:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 5.2.4.
Zie hiervoor, nr. 219.
Zie hiervoor, nr. 235.
De Folter 2009/89; Snijders, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, Boek I, Tweede Titel, Tiende afdeling, Paragraaf 2 Rv, aant. 7 (online, actueel t/m 26 juli 2022).
Rechtbank Den Haag 9 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10621, r.o. 6.11.
Gerechtshof Arnhem 7 september 2004, JBPr 2004/74, m.nt. A. Knigge (Lammertink/Van der Ploeg), r.o. 4.1. Zie instemmend Wieten 2013/2.8.3 (p. 46). Zie voorts Rechtbank Noord-Nederland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:415 (Jevebe/Super de Boer & Jumbo), r.o. 2.22 e.v.
Rechtbank Noord-Nederland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:415(Jevebe/Super de Boer & Jumbo), r.o. 2.22 e.v.
Anders: Rechtbank Noord-Nederland 3 februari 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:415(Jevebe/Super de Boer & Jumbo), r.o. 2.22 e.v.
Civil Liability (Contribution) Act 1978, sectie 1 (4).
Zie par. 5.2.4.
Rechtbank Den Haag 8 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6309(Vestia), r.o. 4.7-4.8.
Voor het in rechte (in vrijwaring) vastgesteld krijgen van de draagplicht van de schikkende schuldenaar is de vrijwaringsprocedure mijns inziens niet bedoeld. Vgl. Rechtbank Gelderland 5 juni 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:2739, JBPr 2019/63, m.nt. S.L. Boersen (Allianz/Liander), r.o. 2.13. Anders dan de rechtbank veronderstelt, heeft een dergelijke vaststelling in de vrijwaringszaak ook geen gezag van gewijsde jegens de eiser in de hoofdzaak, die immers in de vrijwaringszaak geen partij is (zie hiervoor, nr. 235).
Zie hiervoor, nr. 241.
Rechtbank Den Haag 8 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6309(Vestia), r.o. 4.7-4.8.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.4.
Zie hiervoor, nr. 235.
Uiteraard zal in de vrijwaringsprocedure debat plaatsvinden over de vraag of B, C en D wel hoofdelijk verbonden waren jegens A.
Zie hiervoor, nr. 243.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.3.3, nr. 120 en 121.
Zie Hoofdstuk 4, par. 4.4.2.2.5, nr. 169.
De draagplicht na cessie van C en D bedraagt 1/2 van de resterende schuld, hetgeen correspondeert met de draagplichtigheid voor 1/3 van de oorspronkelijke schuld.
241. Procesrechtelijke gevolgen voor vrijwaringszaak van schikking in hoofdzaak; algemeen. Een tussen partijen bereikte schikking in de hoofdzaak kan op verschillende wijzen van invloed zijn op aanhangige vrijwaringszaken. Die invloed is afhankelijk van het type schikking dat wordt getroffen: een collectieve schikking (nr. 242), een individuele schikking voor het aandeel in de schuld van de schikkende schuldenaar (nr. 243), of een individuele schikking ‘voor het geheel’ (nr. 244).1
242. Procesrechtelijke gevolgen voor vrijwaringszaak van collectieve schikking in hoofdzaak. Indien een schikking wordt bereikt tussen de eiser in de hoofdzaak en alle in rechte betrokken hoofdelijk schuldenaren (een collectieve schikking), zal de hoofdzaak worden beëindigd.2 Bij een dergelijke schikking zal er doorgaans geen behoefte meer zijn aan vrijwaringszaken, omdat de schikkende beweerdelijk schuldenaren in het kader van de schikking tot een verdeling zullen zijn gekomen van hun externe schuld, en bovendien doorgaans afstand zullen hebben gedaan van eventuele verhaalsrechten jegens elkaar.
Niet altijd zal in de schikking echter een dergelijke onderlinge regeling zijn opgenomen, bijvoorbeeld omdat de gedaagden in de hoofdzaak het wel eens konden worden over het totale aan de schuldeiser te betalen bedrag, maar niet over de onderlinge verdeling daarvan. De vraag komt dan op of de doorhaling van de hoofdzaak in de weg staat aan voortprocederen in de vrijwaringszaak.
Een in vrijwaring ingestelde vordering tot bijdragen in een schuld die het voorwerp is van de hoofdzaak, kan niet meer worden toegewezen indien de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen.3 Het is de vraag of het eindigen van de hoofdzaak door doorhaling (of afstand van instantie) als gevolg van een schikking daaraan gelijk moet worden gesteld.4 Zou dat het geval zijn, dan brengt een doorhaling van de hoofdzaak jegens een beweerdelijk schuldenaar mee dat de door hem in vrijwaring ingestelde vordering niet meer kan worden toegewezen. De lagere rechtspraak – overigens in zaken waarin het niet ging om hoofdelijke verbondenheid – laat geen eenduidig beeld zien. In een enkel geval werd(en) de vordering(en) in vrijwaring inderdaad om die reden afgewezen.5 In andere zaken werd voortprocederen in de vrijwaringszaak wel toegestaan,6 al dan niet onder de toevoeging dat de eiser in de vrijwaringszaak wel voldoende dient te onderbouwen dat zijn nadeel door de schikking ook zou zijn geleden indien in de hoofdzaak verder was geprocedeerd.7
Naar ik meen, is er geen goede reden om voortprocederen in een vrijwaringszaak principieel ontoelaatbaar te achten indien de hoofdzaak als gevolg van een schikking wordt beëindigd. Het is weinig doelmatig om gedaagden in de hoofdzaak die reeds een vrijwaringszaak hebben geïnitieerd, in die zaken telkens in het ongelijk te stellen. Indien zij de wens hebben om een deel van het schikkingsbedrag op een of meer medeschuldenaren te verhalen, zouden zij dan worden genoodzaakt tot het starten van een nieuwe, zelfstandige procedure. De procesefficiëntie is daarmee niet gediend. Slechts indien de eiser in vrijwaring na beëindiging van de hoofdzaak onvoldoende belang heeft bij de door hem in vrijwaring ingestelde rechtsvorderingen, zou ik menen dat voor voortprocederen in de vrijwaringszaak geen ruimte meer bestaat (art. 3:303 BW). Ik zie bij de te maken afweging geen grond voor de beperking dat voortprocederen in de hoofdzaak tevens tot een nadelige uitkomst zou hebben geleid.8 In de vrijwaringsprocedure tussen beweerdelijk hoofdelijk medeschuldenaren gaat het om verhaalsrechten op grond van art. 6:10 e.v. BW. Het ontstaan daarvan is niet afhankelijk van een veroordeling in de hoofdzaak, maar (slechts) van een betaling die de draagplicht van de desbetreffende schuldenaar overstijgt. Dat kan uiteraard ook het geval zijn indien een schuldenaar op basis van een collectieve schikking meer betaalt dan het gedeelte van de schuld waarvoor hij draagplichtig is. Ook de rechter in de vrijwaringszaak kan mijns inziens een oordeel vellen over het al dan niet (hebben) bestaan van hoofdelijke verbondenheid.
Het Engelse recht voorziet in geval van een ‘bona fide settlement’ uitdrukkijk in een recht op bijdragen in de schuld jegens (beweerdelijk) medeschuldenaren.9
243. Procesrechtelijke gevolgen voor vrijwaringszaak van individuele schikking in hoofdzaak voor eigen aandeel in de schuld. Indien een individuele schikking wordt getroffen in de hoofdzaak, zal de hoofdzaak als gevolg daarvan alleen jegens de schikkende gedaagde worden doorgehaald. Jegens de overige gedaagde(n) in de hoofdzaak zal dan worden doorgeprocedeerd. De kwijting jegens de schikkende schuldenaar heeft in beginsel geen gevolgen voor de resterende, niet-schikkende gedaagde(n), tenzij de eiser zich in de schikking heeft verbonden zijn vordering(en) jegens die gedaagde(n) te verminderen met de draagplicht van de schikkende schuldenaar (art. 6:14 BW). Ter uitvoering van een dergelijke 6:14-clausule wordt de eis in de hoofdzaak dan dus verminderd, zodat niet langer vergoeding wordt gevorderd van het deel van de schuld waarvoor de schikkende schuldenaar draagplichtig is.10
Wat zijn de gevolgen van een dergelijke eisvermindering in de hoofdzaak indien de schikkende schuldenaar beweerdelijk medeschuldenaren in vrijwaring heeft opgeroepen? De beëindiging van de hoofdzaak tegen de schikkende schuldenaar brengt mee dat hij daarin niet wordt veroordeeld tot het verrichten van de gevorderde prestatie, en het doel van de eisvermindering jegens de overige gedaagde(n) is te voorkomen dat na betaling op grond van een veroordeling in de hoofdzaak verhaalsvorderingen jegens hem zullen ontstaan.11 Voor zover zijn vordering in vrijwaring strekt tot het verkrijgen van een bijdrage in een uit een dergelijke veroordeling voortvloeiende schuld, valt dus niet in te zien waarom daarover in de vrijwaring zou moeten worden doorgeprocedeerd.12
Wel is denkbaar dat de schikkende schuldenaar nog een bijdrage wenst in de door hem gemaakte kosten (6:10 lid 3 BW). Mijns inziens kan daarin een voldoende belang zijn gelegen om voort te procederen in de vrijwaringszaak. Indien in vrijwaring mede wordt geprocedeerd tegen andere gedaagden in de hoofdzaak, zal daarbij wel gelden dat ook die gedaagden mogelijk kosten van verweer hebben gemaakt. Ook dan kan niettemin een recht op bijdragen in de kosten bestaan, namelijk indien de door de schikkende schuldenaar gemaakte kosten afwijken van zijn draagplicht, zij het dat de prikkel om daarover voort te procederen dan wel kleiner zal zijn. In ieder geval meen ik dat er voor een schikkende schuldenaar dus goede redenen kunnen bestaan om in de vrijwaringszaak voort te procederen. Hier geldt net als hiervoor opgemerkt dat het doorgaans efficiënter zal zijn om de schikkende schuldenaar toe te staan voort te procederen in de vrijwaringszaak, dan hem te nopen een nieuwe, zelfstandige procedure te initiëren.13 De voldoende belang-toets (art. 3:303 BW) vormt hierbij een natuurlijke – en mijns inziens voldoende – begrenzing.
A stelt een vordering te hebben op onder meer B, C en D, die hij in dezelfde (hoofd)procedure hoofdelijk aansprakelijk houdt tot betaling van € 250.000. B heeft C en D in vrijwaring opgeroepen; C heeft B en D in vrijwaring opgeroepen; en D heeft B en C in vrijwaring opgeroepen. Tussen A en B wordt een schikking bereikt op grond waarvan B € 50.000 betaalt aan A. Daarbij wordt afgesproken dat A zijn eis jegens C en D zal verminderen met het deel van de schuld waarvoor B draagplichtig is. De hoofdzaak tegen B wordt daags na de schikking beëindigd.
Het belang van B bij zijn vrijwaringzaken tegen C en D valt daarmee weg voor zover het de veroordeling van de in de hoofdzaak gevorderde hoofdsom betreft. Wél bestaat mogelijk recht op (en belang bij) een bijdrage in de gemaakte kosten. Daartoe zal tussen B enerzijds en de tevens in de hoofdzaak betrokken schuldenaren C en D anderzijds mogelijk geen aanleiding bestaan, omdat zij allen kosten hebben gemaakt, al is denkbaar dat de kosten niet in verhouding staan tot hun respectieve draagplichten (art. 6:10 lid 3 BW). Voor zover de vordering in vrijwaring is ingesteld tegen partijen ten aanzien van wie wél een verdeling van de kosten dient plaats te vinden (bijv. niet in de hoofdzaak betrokken (beweerdelijk) medeschuldenaren), dan ontneemt het wegvallen van de hoofdzaak tegen de schikkende schuldenaar niet het belang bij een door hem van hen gevorderde bijdrage in de kosten.
Een aldus in de hoofdzaak bereikte ‘individuele schikking’ waarin een 6:14-clausule is opgenomen, zal na uitvoering van de verplichtingen onder die clausule mogelijk óók gevolgen hebben voor de vrijwaringsprocedures tegen de schikkende schuldenaar. Het doel van een dergelijke clausule (en een daarop gebaseerde eisvermindering) is immers te voorkomen dat hij jegens zijn medeschuldenaren verplicht is om bij te dragen in de schuld; door de eisvermindering wordt niet langer vergoeding gevorderd voor dat deel van de schuld waarvoor hij draagplichtig is.14 Het ligt dan voor de hand dat daarmee een einde komt aan de vrijwaringsprocedure(s) tegen hem, wellicht behoudens een eventuele vordering tot bijdragen in door de niet-schikkende schuldenaren gemaakte kosten (art. 6:10 lid 3 BW).
Door een schikking tussen A en B in de hoofdzaak, op grond waarvan de hoofdzaak jegens hem niet wordt voortgezet en de zaak na eisvermindering wordt voortgezet tegen C en D, heeft ook gevolgen voor de vrijwaringsprocedure van C en D jegens B. Een daarin gevorderde veroordeling tot bijdragen conform zijn draagplicht in de schuld die in de hoofdzaak voorligt, zal niet kunnen worden toegewezen omdat in de hoofdzaak niet langer vergoeding wordt gevorderd van het deel van de schuld waarvoor hij draagplichtig is.
Wél bestaat mogelijk recht op een bijdrage in de gemaakte kosten. Daartoe zal tussen B enerzijds en de tevens in de hoofdzaak betrokken schuldenaren C en D anderzijds mogelijk geen aanleiding bestaan, omdat zij allen kosten hebben gemaakt, al is denkbaar dat de kosten niet in verhouding staan tot hun respectieve draagplichten (art. 6:10 lid 3 BW). Is tevens een vordering in vrijwaring ingesteld tegen niet in de hoofdzaak betrokken (beweerdelijk) medeschuldenaren, dan ontneemt het wegvallen van de hoofdzaak tegen de schikkende schuldenaar niet het belang bij een door hem van hen gevorderde bijdrage in de kosten.
244. Procesrechtelijke gevolgen voor vrijwaringszaak van schikking met één hoofdelijk schuldenaar voor de gehele schuld. Zoals hiervoor uiteengezet, kan een individuele schikking ‘voor het geheel’ op verschillende wijzen zijn vormgegeven, namelijk (i) als een pactum de non petendo, (ii) een afstand om niet gecombineerd met een betaling van de (na afstand resterende) hoofdelijke schuld, of (iii) als cessie door de (beweerdelijk) schuldeiser aan de schikkende schuldenaar van zijn pretense vorderingen op de (beweerdelijk) schuldenaren.15 In al deze gevallen zal de schikking voorzien in het beëindigen van de hoofdzaak, maar het type schikking kan verschil maken voor eventuele aanhangige vrijwaringsprocedures.
Gaat het om een schikking op grond waarvan de eiser in de hoofdzaak zich verbindt tot het niet langer nastreven van vorderingen jegens welke (beweerdelijk) schuldenaar dan ook, dan zal na het beëindigen van de hoofdzaak doorgaans niet worden verder geprocedeerd in de door de gedaagde(n) in de hoofdzaak geëntameerde vrijwaringsprocedure(s), omdat de daarin ingestelde vorderingen niet meer kunnen worden toegewezen.16 Een uitzondering bestaat – net als hiervoor toegelicht – voor de vordering ter verkrijging van ene bijdrage in redelijkerwijs gemaakte kosten die niet slechts de desbetreffende partij betreffen (art. 6:10 lid 3 BW).
Wordt de schikking gekwalificeerd als een afstand om niet voor zover de schuld het schikkingsbedrag (mogelijk) te boven ging, en een betaling van de resterende hoofdelijke schuld voor het overige, dan zijn de overige schuldenaren door de schikking bevrijd (art. 6:9 lid 1 resp. 6:7 lid 2 BW). Slechts voor zover de schuld op grond van art. 6:7 lid 2 BW wordt gedelgd, geeft de schikking dan echter aanleiding tot verhaalsvorderingen, namelijk voor zover het schikkingsbedrag de draagplicht van de schikkende schuldenaar overschreed, en telkens tot maximaal de draagplicht van de vervolgens aangesproken medeschuldenaar (art. 6:10 e.v. BW). Omdat als gevolg van de afstand (om niet) de hoofdelijke schuld is gedelgd zonder dat de schikkende schuldenaar presteerde, bestaat in zoverre geen verhaalsrecht. Het verhaalsrecht wordt dan ook berekend over de na de afstand resterende schuld, die door de schikkende schuldenaar is nagekomen. Dit betekent dat de schikkende schuldenaar een verhaalsrecht verkrijgt indien hij meer betaalt dan zijn draagplicht ten aanzien van de schuld die ná afstand resteert; omgekeerd geldt dat ook zijn medeschuldenaren slechts een draagplicht hebben ten aanzien van die resterende schuld. Voor het overige is de schuld immers tenietgegaan door afstand om niet en is geen van de schuldenaren draagplichtig.
Stel dat A voor dezelfde schade een schadevergoedingsvordering van € 1 miljoen stelt te hebben jegens B, C en D, die hoofdelijk verbonden zijn. Als A met B een schikking treft op grond waarvan B een bedrag van € 600.000 betaalt aan A in ruil voor bevrijding van alle schuldenaren jegens A, zijn B, C en D daardoor bevrijd (art. 6:9 lid 1 en art. 6:7 lid 2 BW). Ziet men deze schikking als een afstand van de schuld voor zover zij meer dan € 600.000 betrof, dan kan de schikking voor het overige worden gezien als een betaling van de (na die afstand resterende) schuld van € 600.000.
Indien B, C en D in gelijke mate draagplichtig zijn, dient ieder van hen voor 1/3 in de schuld bij te dragen. Aangezien de schuld na de afstand nog slechts € 600.000 bedroeg, heeft B dan na betaling aan A recht op verhaal jegens zijn medeschuldenaren voor zover hij meer heeft betaald dan € 200.000 (1/3 van€ 600.000). Hij kan C en D allebei – cumulatief – aanspreken tot betaling van€ 200.000. B verkrijgt dus niet pas een verhaalsrecht indien en voor zover hij meer betaalde dan 1/3 van de oorspronkelijke schuld (€ 333.333).
Procesrechtelijk betekent het voorgaande dat de aldus schikkende schuldenaar nog belang heeft bij het voortzetten van door hem geëntameerde vrijwaringsprocedures. Ik zou dan ook menen dat er goede redenen zijn om in een dergelijk geval door te procederen in de vrijwaringsprocedure(s), ook al is de hoofdzaak tot een einde gekomen. Uiteraard geldt als eis dat de eiser in de vrijwaringsprocedure(s) na het eindigen van de hoofdzaak nog wel voldoende belang moet hebben bij het voortprocederen in vrijwaring (art. 3:303 BW), waarbij het effectueren van zijn (beweerde) verhaalsrechten mijns inziens voldoende belang oplevert. Overigens zal het petitum in de vrijwaringszaak wel voldoende ruim moeten zijn geformuleerd, omdat indien het afhankelijk zou zijn gemaakt van een veroordeling in de hoofdzaak, van toewijzing geen sprake meer kan zijn (behoudens eiswijziging uiteraard, indien toegestaan). Daarnaast kan ook bij dit type schikking aanleiding bestaan een bijdrage te vorderen in de door hem gemaakte kosten (art. 6:10 lid 3 BW).
A vordert in rechte veroordeling van B tot betaling van € 250.000. B meent dat C en D met hem hoofdelijk verbonden zijn jegens A. B roept vervolgens C en D in vrijwaring op. In de procedure A-B wordt een schikking bereikt op grond waarvan B € 100.000 betaalt aan A. A verleent finale kwijting aan B en – al dan met een derdenbeding – aan ‘alle overige mogelijk voor dezelfde schuld aansprakelijke partijen’. Ook verbindt B zich om niet langer te procederen over de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de eis tegen B.
B houdt ook na beëindiging van de hoofdzaak belang bij de door hem geïnitieerde vrijwaringszaken tegen C en D, waarin hij bijdrage vordert in de schuld die het voorwerp vormt van de hoofdzaak.17 Daarnaast heeft hij mogelijk belang bij voortprocederen ter verkrijging van een bijdrage in de door hem gemaakte niet-persoonlijke kosten (art. 6:10 lid 3 BW).
Tot slot de derde variant van de ‘individuele schikking’ voor het geheel, waarbij de pretense vorderingen door de eiser in de hoofdzaak aan de schikkende schuldenaar worden gecedeerd. In dit geval ligt het voor de hand dat de schikkende schuldenaar— nadat de hoofdzaak is geschorst (art. 225 Rv) – de positie van de eiser in de hoofdzaak overneemt, en jegens zijn voormalig medegedaagden voortprocedeert onder aftrek van het deel van de schuld waarvoor hij zelf draagplichtig is. Een dergelijke gewijzigde eis lijkt dus sterk op een gewijzigde eis na een individuele schikking voor enkel de draagplicht van de schikkende schuldenaar.18 Na een dergelijke eiswijziging heeft de schikkende schuldenaar geen belang meer bij eventuele door hem geëntameerde vrijwaringsprocedures, omdat na de eisvermindering niet langer sprake is van vorderingen jegens hem, waarvoor hij zich mogelijk kan verhalen. Hetzelfde geldt voor vrijwaringsprocedures jegens de desbetreffende schuldenaar.
Stel dat A voor dezelfde schade een schadevergoedingsvordering van € 1 miljoen stelt te hebben jegens B, C en D, die hoofdelijk verbonden zijn. Als A met B een schikking treft op grond waarvan A zijn vorderingen op B, C en D aan B cedeert, met als koopprijs € 600.000, dan gaat de schuld van B door vermenging teniet (art. 6:161 lid 1 BW), terwijl de overige schuldenaren door die vermenging worden bevrijd voor zover B draagplichtig is.19
Indien B, C en D in gelijke mate draagplichtig zijn, dient ieder van hen 1/3 te dragen. Dat betekent dat de cessie van de vorderingen van A aan B tot gevolg heeft dat B van C en D (€ 1 miljoen - € 333.333) = € 666.667 kan vorderen, en wel hoofdelijk.20
Slaagt de schikkende schuldenaar erin betaling af te dwingen van zijn voormalige beweerdelijk medeschuldenaren, dan geeft dit mogelijk aanleiding tot verhaalsvorderingen tussen hen. Die kunnen het voorwerp zijn van vrijwaringsprocedures.
Als B met succes betaling afdwingt van C voor dit bedrag (€ 666.667), verkrijgt C verhaalsrechten jegens D voor € 333.333 (en vice versa), omdat ten aanzien van de € 666.667 die C en D na cessie schuldig zijn aan B, C en D in gelijke mate draagplichtig zijn.21