Einde inhoudsopgave
Toetsing van besluiten in het rechtspersonenrecht (IVOR nr. 89) 2012/5.6.2.1
5.6.2.1 Bekrachtiging van een besluit op grond van art. 2:14 lid 2 BW
A.J.M. Klein Wassink, datum 14-05-2012
- Datum
14-05-2012
- Auteur
A.J.M. Klein Wassink
- JCDI
JCDI:ADS596164:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6) p. 167-168.
Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6) p. 168. Over de vraag of art. 158 lid 4, 2
HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 1 m.nt. Blanco Femández (Utrechts Monumentenfonds), Rb. Arnhem 14 juli 2004, JOR 2004, 293.
Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3,5 en 6) p. 168. Bij ontbrekende achteraf te verlenen goedkeuring is een besluit krachteloos. Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 91 en 94.
Part. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), p. 169.
Dit correspondeert met art. 3: 55, 57 en 69 BW. De onmiddellijk belanghebbende die in deze artikelen wordt genoemd, is in art. 2:14 lid 3 BW verbijzonderd tot het orgaan dat het nietige besluit heeft genomen en de wederpartij tot wie het besluit was gericht. Bij dat laatste moet gedacht worden aan een benoemings- en ontslagbesluit waarbij een aanbod is gedaan of aanvaard. Part. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), p. 168.
Huizink 2003, p. 201; Timmerman 1992, p. 155.
HR 19 oktober 2001, JOR 2002, 1 m.nt. Blanco Femández (Utrechts Monumentenfonds). Zie hierover ook een bijdrage van mijn hand in O&F 2004, p. 48-50.
In art. 2:14 lid 2 BW is bepaald dat het ontbreken van een voorafgaande handeling of mededeling hersteld kan worden door bekrachtiging. In zulke gevallen was naar het oordeel van de wetgever nietigheid geen passende sanctie. Dat een orgaan niet in de besluitvorming wordt betrokken terwijl dat volgens de wettelijke of statutaire regels wel vereist is, is niet correct maar in veel gevallen niet onoverkomelijk. De reden voor het opnemen van een herstelmogelijkheid in art. 2:14 lid 2 BW wordt in de memorie van toelichting uiteengezet:
dat lid 1 in beginsel betrekking heeft, niet alleen op besluiten waarvan de inhoud of strekking met de wet in strijd is, of die onbevoegdelijk zijn genomen, doch ook indien aan andere geldigheidsvereisten niet is voldaan, zoals een voorafgaande aanbeveling of voordracht.
Deze laatste categorie leent zich overigens voor bekrachtiging, die een gemaakt verzuim kan herstellen. Dit is thans in lid 2 bepaald: weliswaar moet degene aan wie een recht tot beïnvloeding van de besluitvorming is toegekend, evenals ieder ander, het besluit naast zich neer kunnen leggen als hij tot die beïnvloeding niet de gelegenheid heeft gekregen, maar anderzijds zijn er geen belangen met nietigheid gemoeid indien hij zich achteraf met het genomen besluit kan verenigen.'1
Het ontbreken van een voorafgaande handeling of mededeling ziet volgens de memorie van toelichting:
in de eerste plaats op handelingen van anderen. Daarbij zal men vooral moeten denken aan vereiste goedkeuringen, ontheffingen, voordrachten en dgl vooraf. De tweede soort handelingen zijn die welke van de rechtspersoon zelf uitgaan, waarbij moet worden gedacht aan mededelingen omtrent vacatures en dergelijke, en aan verzoeken om voordrachten en adviezen. Men zie bijv. art 158 lid 4 tweede zin en lid 5.'2
Tot de voorafgaande handelingen worden gerekend de wettelijke of statutair vereiste voordracht voor een benoeming van een bestuurder of commissaris, het wettelijke of statutaire voorschrift dat een besluit slechts genomen kan worden op voorstel van een ander orgaan en het wettelijke of statutaire voorschrift dat voorafgaande machtiging of goedkeuring door een ander orgaan vereist is.3 Met 'een mededeling aan een ander orgaan' wordt bedoeld een mededeling of kennisgeving aan een ander orgaan. Dat het alleen gaat om voorafgaande goedkeuringen of machtigingen volgt uit de memorie van toelichting:
`Het lid heeft geen betrekking op het ontbreken van handelingen die niet de geldigheid, doch slechts de uitvoering van besluiten in de weg staan, zoals goedkeuring en ontheffmg achteraf: zulke handelingen kunnen nog te allen tijde - of althans binnen een gestelde termijn - worden verricht, en van bekrachtiging van een nietig besluit is daarbij geen sprake.'4
Pas als de goedkeuring of machtiging verleend is, is het besluit volkomen en kan het worden uitgevoerd. Het orgaan dat de voorafgaande handeling had moeten verrichten of waaraan de mededeling had moeten worden gedaan, kan het besluit bekrachtigen door een daartoe strekkend besluit of door alsnog machtiging te verlenen aan het andere orgaan. Door de bekrachtiging wordt de nietigheid geheeld. Gelden voor het verrichten van een voorgeschreven handeling of mededeling vereisten, bijvoorbeeld een vormvereiste, dan gelden die voorschriften ook voor de bekrachtiging. Dit voorschrift is ontleend aan art. 3:69 lid 2 BW.
Voorafgaande handelingen of mededelingen die aan een ander orgaan gedaan moeten worden, kunnen gemakkelijk verward worden met voorschriften die zien op de totstandkoming van besluiten, art. 2:15 lid 1 sub a BW. Daarom is in lid 2 van art 2:15 BW uitdrukkelijk vastgelegd dat de voorafgaande goedkeuring of mededelingen als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW geen procedurevoorschriften in de zin van art. 2:15 lid 1 sub a BW zijn. In de memorie van toelichting wordt dit uiteengezet en wordt benadrukt dat het niet de bedoeling is dat degenen die goedkeuring of machtiging moeten verlenen gedwongen moeten worden tot procederen als het orgaan dat die goedkeuring of machtiging nodig heeft voor een besluit, verzuimt die verplichting na te leven:
`Betwijfeld kan worden of wettelijke of statutaire bepalingen die voorschrijven dat aan een ander orgaan of een derde voorafgaande aan het besluit advies of toestemming moet worden gevraagd, enz., behoren tot bepalingen die de totstandkoming van het besluit regelen. Hoe dit ook moge zijn, lid 2 beoogt hier rechtszekerheid te scheppen, en wel in die zin dat bepalingen van deze aard niet onder lid 1 sub a vallen, zodat overtreding daarvan niet tot vernietigbaarheid leidt, doch, ingevolge artikel 14, tot nietigheid.
Tot deze keus leidt de overweging dat deze bepalingen wettelijke of statutaire bevoegdheden van andere organen of derden inhouden, en dat dezen niet tot procederen behoren te worden genoopt, indien het besluitende orgaan verzuimt zijn verplichtingen na te komen. Voor de redactie is verwezen naar artikel 14 lid 2 waar wordt bepaald dat juist deze besluiten, indien op deze grond nietig, kunnen worden bekrachtigd.'5
Het orgaan dat de voorafgaande handeling of mededeling had moeten verrichten, moet voldoende tijd gegund worden om alsnog aan de voorwaarden te voldoen en op die manier het besluit te bekrachtigen. Bekrachtiging dient binnen een redelijke termijn te geschieden, zie art. 2:14 lid 3 BW.6 Of deze bekrachtiging terugwerkende kracht heeft is niet in wet vastgelegd. Bekrachtiging van rechtshandelingen op grond van art. 3:58 BW heeft wel terugwerkende kracht.7 In het verlengde daarvan wordt aangenomen dat ook de bekrachtiging van een besluit op grond van art. 2:14 lid 2 BW terugwerkende kracht heeft als aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldaan is. Het zou ook wel vreemd zijn als bekrachtiging op grond van art. 2:14 lid 2 BW geen terugwerkende kracht zou hebben. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt ook niet dat de wetgever hier iets anders bedoeld heeft. Door bekrachtiging wordt het besluit derhalve alsnog, met terugwerkende kracht (ex tune) geldig.
Een illustratie van het onderscheid tussen nietige besluiten die op grond van art. 14 lid 2 te bekrachtigen zijn en krachteloze besluiten geeft de uitspraak van de Hoge Raad over het Utrechts Monumentenfonds.8 Het in de statuten van de stichting opgenomen goedkeuringsvereiste was zo geformuleerd dat onduidelijk was of de goedkeuring door de gemeente Utrecht vooraf gevraagd en verleend diende te verlenen of dat die goedkeuring ook achteraf gevraagd en verleend mocht worden. Als de machtiging vooraf gevraagd moet worden leidt het niet vragen van goedkeuring tot een nietig, maar op grond van art. 2:14 lid 2 BW te bekrachtigen besluit. Als de goedkeuring achteraf gevraagd mag worden, leidt een verzuim tot een krachteloos besluit. Voor een derde maakt dat overigens niet uit. Als bijvoorbeeld door het bestuur van een vereniging of stichting gehandeld is in strijd met art. 2:44 lid 2 BW of 2:291 lid 2 BW is het besluit nietig. Zijn de omstandigheden van het geval zodanig dat de derde mocht aannemen dat er een geldig besluit genomen is, dan wordt hij beschermd door art. 2:16 lid 2 BW.