Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/6.3.3
6.3.3 De voor- en nadelen van een deskundigenregister
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702119:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld, maar niet uitputtend: Middelbos & Smithuis, EeR 2008/3; Slijk & Husson, EeR 2008/6; Van Dijk, EeR 2009/5/6; Keijser & Mulder, Lessen uit het Register van Gerechtelijk Deskundigen; Van Ettekoven, O&A 2016/53.
Aanleiding tot de kritische kanttekeningen was het in opdracht van het WODC uitgevoerde onderzoek naar de beoogde werking en mogelijke neveneffecten van het NRGD. Zie: Keulen e.a. 2010. Zie voor de kritiek: Derksen, Strafblad 2010/6; Zevenbergen, Advocatenblad 2017/9; Beaujean, Trema 2010/5.
Kwakman, NJB 2011/1626; Kwakman, Ars Aequi 2011, p. 310-311.
Aben, EeR 2011/6, p. 216.
Kwakman, EeR 2012/3; J.A. Coster van Voorhout, EeR 2012/3.
Nauta, Abraham & Piepers 2020.
Net als een disclosure statement tracht een op de rechtspraktijk gericht deskundigenregister de transparantie en kwaliteit rondom de inzet van deskundigen te borgen. Vanuit dat perspectief lijken er moeilijk zwaarwegende argumenten tegen deskundigenregisters aan te voeren. De rechtspraktijk is gebaat bij kwalitatief goede deskundigen die enerzijds hun vak beheersen en anderzijds voldoende zijn toegerust om op te treden in rechte. Alle mechanismen die aan dat doel bij kunnen dragen zijn aan te moedigen. Over het algemeen is de doctrine dan ook positief over de mogelijkheden die deskundigenregisters bieden.1
In eerste instantie werd de registeropbouw in de literatuur echter kritisch ontvangen.2 Een van deze critici is Kwakman die in twee publicaties de vrees uitspreekt dat de registers leiden tot wat hij noemt ‘gestolde deskundigheid’. Zijn vrees is dat zodra een deskundige is ingeschreven, het ook gedaan is met de verdere wetenschappelijke ontwikkeling van die deskundige. Échte ‘topdeskundigen’ laten zich dan ook niet in het register registreren, omdat zij hun kennis en kunde niet – bij wijze van momentopname – laten vastleggen in een register.3 Ook spreekt Kwakman de vrees uit dat de rechter te veel op het register gaat varen in plaats van zelf kritisch te toetsen of een beoogde deskundige aan de juiste kwalificaties voldoet. De standpunten van Kwakman werden van opvallend harde repliek voorzien door de toenmalig voorzitter van het NRGD Coster van Voorhout. Coster wees erop dat de term ‘gestolde deskundigheid’ een misvatting behelsde, omdat ook geregistreerde deskundigen de (wetenschappelijke) ontwikkelingen op het betreffende vakgebied nauwlettend volgen en op de top van hun kunnen presteren. Ook doet de beschikbaarheid van een deskundigenregister niets af aan de eindverantwoordelijkheid die de rechter draagt in de benoeming van een deskundige.4 De discussie tussen Kwakman en Coster van Voorhout kende nadien nog een vervolg,5 maar de kritiek op de vorming van deskundigenregisters is over de jaren wel afgenomen.
Recent onderzoek ten aanzien van het NRGD heeft nogmaals aangetoond dat een deskundigenregister kan bijdragen aan het realiseren van kwaliteitswaarborgen en zelfs kwaliteitsverbeteringen in de advisering door deskundigen.6 Een deskundigenregister kan de normen voor (blijvende) inschrijving construeren en aanvragers aan deze normen toetsen. De benoeming van een deskundige uit een register leidt tot een transparant en objectief debat rondom de persoon van de deskundige, diens achtergrond en wetenschappelijke opvattingen. Dat komt de acceptatie van het besluit of rechterlijk oordeel ten goede, hetgeen weer positief is voor het rechtsbestel in het algemeen want een grotere acceptatie leidt tot minder (vervolg)procedures. Deze kenbare voordelen van een deskundigenregister nemen de grond van de aanvankelijke kritiek echter niet zonder meer weg. Niet ieder deskundigenregister is immers een goed register waarop zonder meer mag worden vertrouwd. De vraag is aan welke eisen een goed deskundigenregister moet voldoen. Welke op- en inrichtingseisen moeten er met andere woorden aan het deskundigenregister worden gesteld (en moet het register aan inschrijvers stellen) om het register als een adequaat controlemechanisme te beschouwen?