De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.3:6.3 Overzicht kwantitatieve gegevens
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.3
6.3 Overzicht kwantitatieve gegevens
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583392:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Tot 2002 was in arbeidszaken in eerste aanleg het kantongerecht bevoegd, en in hoger beroep de rechtbank. Per 1 januari 2002 trad de Wet organisatie en bestuur gerechten (Stb. 2001, 582) in werking, zodat sindsdien de rechtbank (sector kanton) in eerste aanleg bevoegd is, en het hof in hoger beroep.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor dit onderzoek zijn in totaal 242 uitspraken van feitenrechters geanalyseerd, waarvan 154 uitspraken zijn gewezen in eerste aanleg, en 88 uitspraken in hoger beroep.1 52 van de 242 uitspraken zijn gewezen in kortgedingprocedures, waarvan 37 in eerste aanleg en 15 in hoger beroep. In 68 van de 242 uitspraken werd geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. In de overige 174 uitspraken werd in 61 gevallen geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. In de resterende gevallen werd de kwalificatie ofwel in het midden gelaten, of volgde een (niet-juridische) kwalificatie als (bijvoorbeeld) stage- of leerwerkovereenkomst (12 uitspraken) of managementovereenkomst (9 uitspraken).
Opvallend is dat in geen van de onderzochte uitspraken werd geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van aanneming van werk. Hieruit zou (voorzichtig) kunnen worden opgemaakt dat het onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en overeenkomst van aanneming van werk, tot minder discussie leidt dan het onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht. Deze (voorzichtige) aanname wordt gesteund door de bevindingen uit het derde en vierde hoofdstuk van dit onderzoek ten aanzien van het diffuse onderscheid tussen de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht. Daar is toegelicht dat het feit dat in de definitiebepaling van de opdrachtovereenkomst niet langer wordt gesproken van ‘enkele diensten’ maar van ‘werkzaamheden’, meebrengt dat ook de opdrachtovereenkomst een duurzaam karakter kan hebben. Bovendien leent de opdrachtovereenkomst zich net als de arbeidsovereenkomst voor het overeenkomen van inspanningsverplichtingen, anders dan de aannemingsovereenkomst die zonder meer een resultaatsverplichting behelst. Of de ondervertegenwoordiging van aannemingsgeschillen daadwerkelijk het gevolg is van de vervaging van het onderscheid tussen de opdracht- en arbeidsovereenkomst, is overigens niet geheel zeker. In theorie is het ook mogelijk dat geschillen inzake aanneming van werk minder snel tot civielrechtelijke procedures leiden, bijvoorbeeld vanwege de beschikbaarheid van arbitragetribunalen, of dat de toepasselijkheid van Uniforme Arbeidsvoorwaarden (UAV) in de bouwsector reeds tot minder (kwalificatie)geschillen leidt. Op basis van de in dit onderzoek verzamelde informatie is het in elk geval niet mogelijk om een sluitende verklaring te geven voor het lage aantal aannemingsgeschillen.