Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.5.2.1
3.5.2.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483382:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie lid 1: ‘(…) Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion, of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.’
Vgl. EHRM 8 juli 2008 (Kart t. Turkije), § 73-74.
Vgl. EHRM 28 mei 1985 (Ashingdane t. Verenigd Koninkrijk), § 59 en EHRM 21 september 1994 (Fayed t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1995, 463. In EHRM7 oktober 1988 (Salabiaku t. Frankrijk), NJ 1991, 351 (m.nt. Alkema), § 28; FED 1990/420 (m.nt. Feteris), hanteert het Hof schijnbaar eenzelfde toets.
EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267, § 274.
De tekst van art. 6 EVRM kent enkel een uitzondering op c.q. beperking van de openbare zitting.1 De andere deelrechten worden niet beperkt. Ook art. 15 EVRM (betreffende afwijkingen in geval van noodtoestand) doet vermoeden dat een beperking van verdragsrechten niet aan de orde is. De rechtspraak van het EHRM geeft een ander beeld. Het Hof staat beperkingen van de in art. 6 EVRM gewaarborgde verdedigingsrechten toe vanwege maatregelen die verdragsstaten in het algemeen belang treffen. Vaste rechtspraak is dat die beperkingen niet zo ver mogen gaan, dat daardoor de essentie van het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6, lid 1 EVRM wordt aangetast.2 Wat die essentie behelst, is niet duidelijk. De uitwerking van art. 6 varieert naar gelang de omstandigheden die aan een klacht over schending ervan ten grondslag liggen.3 Ik wijs in dit verband op het arrest in de zaak Ibrahim. Daarin geeft het Hof een niet-limitatieve opsomming van (uit zijn rechtspraak over art. 6 EVRM voortvloeiende) relevante factoren voor de vaststelling van de ‘fairness’ van de strafprocedure als geheel.4