Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/12.5.5
12.5.5 Ten nutte van de erven?
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489684:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Boek 5, p. 225.
Davids 1994, p. 5.
Wibbens-de Jong 2006, p. 6.
Berger 2001, p. 115.
Ktr. Lelystad 27 september 2000, Prg. 2001, 5774.
Anders Wibbens-de Jong 2006, p. 6; Berger 2005, p. 588. Laatstgenoemde fronst zijn wenkbrauwen bij dit voorstel en meent dat de beer dan los is. Bullshit, zo zou ik kunnen antwoorden – Berger legt mijdit woord, dat ik zelf overigens nimmer zou gebruiken, in de mond – want uiteindelijk zal een regeling ex art. 3:168 bepalen op welke wijze gebruik en genot en beheer geregeld zullen worden. En: zoals hiervoor geschreven aan een dergelijke regeling gaat ook een bestemming vooraf.
Komen wij aan de in par. 12.5.1 als tweede gestelde vraag.
Wij zagen dat het nutsvereiste bij erfdienstbaarheden helemaal is uitgehold. Een subjectief voordeel, een redelijk belang, is voldoende. De terminologie is dan ook terecht gewijzigd. Is het dan nog wel gewenst of nodig om het nutsvereiste bij mandeligheid te handhaven?
Is het voor het ontstaan en bestaan van mandeligheid voldoende dat de eigenaren van de erven dan wel één of meer hunner de mandelige zaak en de mogelijkheden tot gebruik en genot als een voordeel beschouwen, bijvoorbeeld omdat zijn/haar/hun persoonlijk genot erdoor verhoogd wordt? Of is het nodig dat de mandelige zaak voor een ieder die het erf overeenkomstig zijn aard en inrichting gebruikt van waarde is?
Over dit element is tijdens de parlementaire geschiedenis niet expliciet gediscussieerd. In het Regeringsontwerp is het tekstdeel
‘hetwelk bestemd is die erven tot gemeenschappelijk nut te zijn,’
komen te vervallen. In de plaats daarvan dient te worden gelezen:
‘hetwelk door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven is bestemd.’
Aldus wordt beter tot uitdrukking gebracht dat de gemeenschappelijke eigendom niet eindigt indien het gemeenschappelijk nut vervalt. Voorts wordt beter aangesloten bij lid 1 van het desbetreffende artikel.1 Objectief of subjectief nut? Het wordt niet duidelijk. Wellicht mag met Davids worden aangenomen dat is gekozen voor een subjectief nutsvereiste.2 Opgemerkt zou kunnen worden dat het nutsvereiste zoals hiervoor onder 12.5.3 besproken van invloed is. In de literatuur wordt uitgegaan van subjectief nut.3 Berger stelt:
‘Mij dunkt het doelmatig de bepaling van het nut over te laten aan partijen die de mandeligheid in het leven hebben geroepen, zodat gemeenschappelijk nut gelijk is aan gemeenschappelijk gebruik.’
Het gebruik dat de diverse deelgenoten van de mandelige zaak kunnen maken, kan evenwel ook nog verschillend zijn.4 Een exclusief gebruiksrecht van één van de eigenaars is evenwel in strijd met de aard van mandeligheid, aldus de Kantonrechter te Lelystad.5
Het vorenstaande moet welhaast tot de conclusie leiden dat het nutsvereiste beter geheel komen te vervallen. De zinsnede in art. 5:60 lid 1:
‘door hen tot gemeenschappelijk nut van die erven worden bestemd.’
kan vervallen.
Overigens lijkt in de visie van Berger een zinsnede als
‘ten behoeve van die erven’
ook niet juist, nu persoonlijk gebruik voldoende is. De relatie tussen erf en mandelige zaak wordt zo wel erg mager.
Aldus wordt het nutsvereiste tamelijk inhoudsloos. Dit ligt naar mijn oordeel in het verlengde van hetgeen hiervoor is besproken bij erfdienstbaarheden.
Ik zou er daarom voor willen pleiten het nutsvereiste te laten vervallen.6 De wet zou een formele koppeling tussen erven en onroerende zaak mogelijk moeten maken, los van inhoud (vgl. Van Oven voor erfdienstbaarheden). Dit zou moeten betekenen dat de deelgenoten een overeenkomst zouden moeten sluiten inhoudende dat het recht op de mandelige zaak niet van de erven kan worden gescheiden en dat een vordering tot verdeling is uitgesloten. Voor zover de overeenkomst zou moeten gaan over genot, gebruik en beheer zijn partijen geheel vrij. Voor het ontstaan van mandeligheid zou dat niet van belang moeten zijn.