De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/7.4:4 De Europese ondernemingsraad
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/7.4
4 De Europese ondernemingsraad
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS386462:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 stelde ik de vraag of de beperkingen die de ondernemingsraad van een Nederlandse of buitenlandse internationale groep ondervindt in zijn mogelijkheden tot beïnvloeding van de strategie worden ondervangen door het functioneren van de Europese ondernemingsraad. Ik heb die vraag ontkennend beantwoord. De belangrijkste reden hiervoor is dat de wet niet voorziet in effectieve sancties wanneer het advies van de raad niet wordt gevolgd, althans wanneer de procedure leidend tot dat advies niet naar behoren is doorlopen. De mogelijkheid om rechterlijke toetsing van het besluit van het hoofdbestuur af te dwingen – zoals het Nederlandse recht kent in artikel 26 WOR – ontbreekt. Dat betekent dat de raad zich heeft te richten op het optimaliseren van de rechten die hij heeft: de rechten op informatie en consultatie.
Op dat laatste vlak heeft zich in de afgelopen periode een ontwikkeling voorgedaan waaruit blijkt dat de (buitenlandse) Europese ondernemingsraad een sterkere speler in het internationale krachtenveld is geworden. Uit de door mij besproken jurisprudentie van buitenlandse rechters blijkt dat hij middelen heeft om een deugdelijk informatie- en raadplegingstraject af te dwingen. Die mogelijkheden zijn vooral zichtbaar in gevallen waarin het hoofdbestuur consultatie van een Europese ondernemingsraad in het geheel achterwege heeft gelaten, de informatievoorziening onvoldoende is of een besluit op nationaal niveau in wezen deel uitmaakt van een strategisch plan met Europese dimensie, terwijl de Europese ondernemingsraad daarin niet (tijdig) is gekend. Uit de buitenlandse jurisprudentie blijkt voorts dat de rechter de Europese medezeggenschapsrechten kan laten prevaleren als er grote commerciële belangen op het spel staan, zoals een fusie waarbij beursgenoteerde vennootschappen betrokken zijn.
In de Nederlandse jurisprudentie is die ontwikkeling nog niet zichtbaar geworden. Ik verwacht dat de verdere ontwikkeling van de Europese medezeggenschap in Nederland zal leiden tot een groter aantal geschillen, zowel waar het gaat om de oprichting van een Europese ondernemingsraad bij de Nederlandse moederonderneming van een communautaire groep of vertegenwoordiger van een buitencommunautaire groep, als op het terrein van informatie en raadpleging van de Europese ondernemingsraad in Nederland. Bij dat laatste zal niet alleen de Europese, maar ook de Nederlandse ondernemingsraad zijn rechten krachtiger kunnen doen gelden dan nu het geval is.
Ook hier sta ik een coalitiemodel voor. Binnen het internationale concern zie ik de waarde van de Europese medezeggenschap vooral als opinieleider. Die functie kan positieve effecten hebben bij het creëren van draagvlak voor een strategisch beleid van de groep en bij belangrijke strategische besluiten, zoals een fusie of overname. Daarnaast dient de Nederlandse Europese ondernemingsraad zich te bezinnen op de vraag of niet vaker de confrontatie moet worden gezocht om zo zijn invloed op de strategie te doen gelden. Een dergelijke confrontatie dient in mijn ogen niet structureel te zijn, omdat dat de coalitievorming belemmert, maar kan wel dienstig zijn in het opbouwen van een onderhandelingspositie en het vergroten van het respect van het hoofdbestuur en de werknemers van de groep.
Een toename van het aantal door Nederlandse ondernemingsraden gevoerde juridische procedures kan zo een toetsingspunt vormen voor de werking van het coalitiemodel. Dit geldt eveneens voor een verdieping van de samenwerking tussen de Nederlandse Europese ondernemingsraad en de lokale ondernemingsraad, al dan niet in rechte. Ik realiseer mij dat dit standpunt op het eerste gezicht een paradox inhoudt: het voeren van een juridische procedure lijkt primair te passen in een conflictmodel. Een juridische procedure om tot oprichting van de Europese ondernemingsraad te komen, of om de rechten tot informatie en raadpleging kracht bij te zetten, verzet zich bij nadere beschouwing niet tegen het vormen van coalities en kan dit juist ondersteunen. De reden hiervoor is mede dat de Nederlandse Europese ondernemingsraad in zijn ontwikkeling ver is achtergebleven bij de buitenlandse Europese ondernemingsraad en de Nederlandse ondernemingsraad, die inmiddels voor rijke jurisprudentie hebben gezorgd. Deze jurisprudentie heeft in mijn ogen bijgedragen tot grotere duidelijkheid over hun positie, hetgeen ook de Nederlandse Europese ondernemingsraad kan baten. Een juridische procedure kan mijns inziens passen in een zakelijke samenwerking, zonder deze direct als conflictueus te betitelen.