Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/6.5.2
6.5.2 Vuistpand op roerende zaken en openbaar pand op vorderingen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS412256:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2071 Cc.
Art. 711 jo. 1138 en 1583 Cc.
Art. 2076 jo, 2074 Cc.
Zwalve 2006a, p. 500.
Zwalve 2006a, p. 502.
Art. 91 en 109 Code de Commerce.
Thézard, Du nantissement, des privilèges & hypothèques et de l’expropriation forcée, 1880, nr. 12.
Guyot, Répertoire universel et raisonné de jurisprudence civile, criminelle, canonique et bénéficiale, VIII (1784), p. 621.
Vgl. Koops 2010, p. 205.
Art. 2092 jo. 2093 Cc en art. 656 Code de procédure. Zie ook: Brissaud 1972, p. 73.
Art. 2075 Cc. Zie ook: Zwalve 2006a, p. 504 e.v.
De Code civil kende geen stil pandrecht op roerende zaken. Artikel 2119 bepaalde: ‘Les meubles n’ont pas de suite par l’hypothèque.’ Een schuldeiser die een zekerheidsrecht op een roerende zaak wilde hebben, moest een vuistpandrecht (gage) vestigen.1 Net als bij onroerende zaken week de wijze waarop een schuldenaar een zekerheidsrecht op roerende zaken vestigde af van de wijze waarop een vervreemder roerende zaken in eigendom overdroeg. Een vervreemder droeg roerende zaken over ‘par l’effet des obligations’.2
Vestiging van een vuistpandrecht geschiedde door machtsverschaffing van de zaak aan de schuldeiser of een door partijen aangewezen derde (entiercement) en door het opmaken en het registreren van een daartoe bestemde pandakte.3 Machtsverschaffing was niet alleen vereist voor de vestiging van het pandrecht, maar ook voor de totstandkoming van de pandovereenkomst.4 Omdat de vuistpandovereenkomst een reële overeenkomst was, kon een schuldenaar toekomstige zaken niet bij voorbaat verpanden.5 Een notariële akte was niet vereist wanneer de partijen bij de vuistpandovereenkomst kooplieden waren.6 Hoewel de motivering voort het niet aanvaarden van een stil pandrecht achterwege bleef, lijkt uit latere literatuur te volgen dat een vuistpand strekte tot bescherming van latere schuldeisers.7 Zij konden namelijk – indien slechts een vuistpand mogelijk was – kort voor faillissement zien dat bepaalde schuldeisers nog een zekerheidsrecht op de roerende zaken van de schuldenaar kregen. Deze informatie ontbrak indien stille pandrechten zouden voorkomen. Daarnaast wilde men kennelijk geen stil pandrecht ter bescherming van de schuldeiser met het pandrecht. Volgens Guyot was het stille pandrecht in het droit commun français immers niet gerecipieerd, omdat de schuldenaar het stille pandrecht van een schuldeiser illusoir kan maken door de zaken te vervreemden.8 Omdat slechts vuistpand bestond, heeft de wetgever derde-verkrijgers niet het voorrecht van uitwinning toegekend.9
Schuldeisers zonder vuistpandrecht moesten beslag leggen en de zaken in het openbaar laten verkopen. In tegenstelling tot het droit commun français had niet de eerste beslaglegger de hoogste rang, maar werd de opbrengst onder de beslagleggers naar concurrentie verdeeld.10
Vorderingen op naam kon een schuldenaar slechts openbaar verpanden. Vestiging van het pandrecht geschiedde door het opmaken en het inschrijven van een daartoe bestemde pandakte en mededeling aan de schuldenaar van de verpande vordering.11