Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.4
18.4 Richtingsbezwaren tegen de leerplicht
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS458850:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide historische beschouwing over de vrijstelling: Sperling 2010.
HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190, 302. Zie ook Rb. Zutphen 19 juni 1988, JO 1990, 1.
HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190, 302. Zie ook Aanhangsel Handelingen II 1996/97, nr. 702.
HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, JOL 2000, 473.
HR 11 februari 2003, JOL 2003, 90.
Rb. Utrecht 17 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5140. Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1284.
HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1491; HR 26 mei 2015, NJ 2015/278; HR 15 februari 2011, NJ 2015/276. Anders: zie Rb. Breda 12 maart 2010, ROT 2010/33.
Zie HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1338.
In een uitspraak van de Hoge Raad uit 1992 speelt de kwestie dat een vader op grond van zijn islamitische levensovertuiging zijn dochter verbiedt deel te nemen aan de verplichte zwemlessen van de openbare basisschool. De vader betoogt op grond van art. 9 EVRM en art. 6 Gw dat de leerplichtwet 1969 een inbreuk vormde op het recht op vrijheid van godsdienst. De Hoge Raad verwerpt het verweer van de vader omdat de vader niet had geprobeerd bij het bevoegd gezag van de school vrijstelling te krijgen voor de gemengde zwemlessen of dat hij had geprobeerd een andere school te vinden. Het ging hier niet zozeer om een richtingsbezwaar maar meer in zijn algemeenheid, om een bezwaar op grond van godsdienstige opvattingen tegen een onderdeel van het verplichte lesprogramma. Wat deze zaak de moeite van het vermelden waard maakt is de wijze waarop de rechtbank in eerste aanleg aan de hand van de Koran probeerde na te gaan of gemengd zwemmen inderdaad in strijd was met de islam. Zo oordeelde de rechtbank dat uit Sura 24 niet voortvloeit dat gemengd zwemmen niet is toegestaan volgens de islam aangezien het in casu niet gaat om zwemmen met een ontblote boezem of een andere in Sura 24 vermelde omstandigheid. Zoals ook Advocaat-Generaal Fokkens in zijn conclusie stelt dient de rechter niet de Koran uit te leggen. Dit is in strijd met het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid en, zoals annotator ‘t Hart terecht opmerkt, een discussie tussen de rechter en de verdachte over een tekst uit een Koranvertaling kan de verdachte tevens het gevoel geven dat zijn geloof en hijzelf niet serieus worden genomen. We kunnen deze wijze van kwalificeren duiden als een autonoom omdat de rechter hier naar eigen inzicht een religieuze bron uitlegt. Zie HR 26 mei 1992, NJ 1992, 568, m.nt. A.C. ‘t Hart.
Rb. Breda 12 maart 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7280, ROT 2010/33.
HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, r.o. 5.2. Zie ook HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6898.
HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, r.o. 4.2.
HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, r.o. 5.2.
Gerechtshof Amsterdam 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4626.
Gerechtshof Amsterdam 23 oktober 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4626.
Interessant in dit verband is een uitspraak uit 2012 waar de ABRvS oordeelde dat de particuliere basisschool De Koers uit Beverwijk geen school was in de zin van de Leerplichtwet 1969. De Koers ging uit van een concept afkomstig uit de Verenigde Staten dat was gebaseerd op vrijheid, verantwoordelijkheid en democratie. Binnen dit concept stellen leerlingen van 4 tot 18 jaar hun eigen lesprogramma samen en evalueren daarvan zelf de voortgang. Op grond van de uitspraak van de ABRvS kon het openbaar ministerie de ouders vervolgen van de 7! kinderen die les kregen op deze school wegens schending van de Leerplichtwet 1969. Zie ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694. De ABRvS deed dezelfde dag ook uitspraak gedaan over De Kampanje uit Amersfoort, die op hetzelfde concept is gebaseerd als De Koers uit Beverwijk. Zie ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4695.
Vgl. Huisman & Mevis, DD 2015/63, p. 666.
Lautenbach, NJB 2011, 1702. Zie ook Aanhangsel Handelingen II 2010/11, nr. 1912.
Zie Kamerstukken I 2013/14, 32 040, H. Zie voor het standpunt van de minister over thuisonderwijs ook Kamerstukken II 2012/13, 33400 VIII, nr. 164, p. 9 (brief minister naar aanleiding van rapport Onderwijsraad, Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief, 2012).
Op grond van artikel 5 sub b van de Leerplichtwet 1969 kan een kind vrijstelling krijgen van de leerplicht indien de ouders of verzorgers richtingsbezwaren tegen de beschikbare scholen hebben. Als ouders een beroep doen op de vrijstellingsgrond dienen zij dit te doen door middel van een kennisgeving bij de burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind in de basisregistratie persoonsgegevens staat ingeschreven (artikel 6 Leerplichtwet 1969 1969). Deze kennisgeving moet een verklaring bevatten waaruit de overwegende bedenkingen blijken tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen (artikel 8 lid 1 Leerplichtwet 1969). De strafrechter kan genoopt worden tot de kwalificatie van de overtuigingen van ouders indien de leerplichtambtenaar vindt dat de ouders de leerplichtwet 1969 overtreden omdat er in zijn visie geen sprake is van richtingsbezwaren. De leerplichtambtenaar kan dan een proces-verbaal opmaken op grond waarvan het openbaar ministerie tot vervolging kan overgaan (artikel 22 lid 2 Leerplichtwet 1969). De rechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of de bedenkingen van de ouders gekwalificeerd kunnen worden als een ‘richtingsbezwaar’.1
De Hoge Raad oordeelde in 1980 naar aanleiding van een vader die zijn 6-jarige zoon van school weghield, dat de kritiek dat scholen zich teveel richten op het verwerven van intellectuele kennis en te weinig aandacht hebben voor het emotionele leven van kinderen, niet kon worden gekwalificeerd als richtingsbezwaar maar als een bezwaar tegen het onderwijs zelf, oftewel als een pedagogisch bezwaar. Volgens de Hoge Raad moet onder richting alleen worden verstaan ‘de godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen’.2 Daarbij stelde de Hoge Raad op grond van de wetsgeschiedenis3 dat het niet aan de overheid is, en dus ook niet aan de rechter, om een oordeel te geven over het gewicht van de richtingsbezwaren. Alleen mag worden nagegaan of het bezwaar valt te kwalificeren als een richtingsbezwaar, anders gezegd, of het bezwaar zich richt tegen de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag van het onderwijs.4 Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad het richtingsbezwaar beperkt tot ‘godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen’. Wat onder godsdienst of levensbeschouwing valt, licht de Hoge Raad niet toe.
In latere arresten scherpt de Hoge Raad zijn definitie van richtingsbezwaar verder aan. Opvallend is dat deze aanscherping niet zozeer ziet op de betekenis van godsdienst of levensbeschouwing, maar meer op de vraag onder welke omstandigheden een richtingsbezwaar mag worden ingediend. We zouden deze aanscherping kunnen zien als de totstandkoming van nadere procedurele voorwaarden. De Hoge Raad oordeelde in dit kader allereerst (in navolging van het oogmerk van de wetgever) dat bezwaren tegen de ‘soort van het onderwijs’ (d.w.z. onderwijsmethoden) niet kunnen worden gekwalificeerd als richtingsbezwaren. Dit geldt ook voor bezwaren tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs.5 Ook oordeelde hij dat een richtingsbezwaar gericht moet zijn tegen de richting van concrete scholen.6 In navolging van de Hoge Raad stelde de Rechtbank Utrecht (kantonrechter):
‘Volgens de kantonrechter kan van verdachte in redelijkheid worden gevraagd om haar bezwaren tegen de scholen in de woonomgeving concreet te omschrijven en is het onvoldoende om in algemene termen te stellen dat er bezwaren bestaan tegen alle scholen zonder dat duidelijk wordt om welke scholen het gaat.’7
Ten slotte hanteert de rechter de voorwaarde genoemd in artikel 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 dat er geen beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaren meer mogelijk is als een kind eenmaal op een school is ingeschreven.8 Daarbij stelde de Hoge Raad bovendien dat het hierbij geen verschil maakt of er binnen het gezin andere kinderen wel zijn vrijgesteld van de inschrijfplicht.9 Voor dit onderzoek zijn bovengenoemde ‘procedurele’ voorwaarden verder niet interessant, omdat ze geen betrekking hebben op de kwalificatie van uitingen en gedragingen als godsdienstig. In het onderstaande bespreek ik een aantal zaken waarin de kwalificatie van het bezwaar als richting, dus als godsdienstig of levensbeschouwelijk aan de orde werd gesteld.10
De Kantonrechter te Breda (sector strafrecht) oordeelde in 2010 over een bezwaar op grond van de levensovertuiging van het ‘Mystiek Christendom’. Die levensovertuiging houdt volgens de ouders het volgende in:
‘We moeten leren door geloof, Gods woord rationeel toe te passen in ons dagelijks leven om op die manier Gods aanwezigheid te ervaren. En deze Godservaring ook te gebruiken als leidraad in het leven. Dit proces herhaalt en verfijnt zich steeds waardoor wij meer en meer met God kunnen leven.’
De rechter is opmerkelijk kort in zijn besluitvorming. Hij stelt:
‘(…) bedenkingen betreffen, zo is de kantonrechter duidelijk geworden, niet de soort van het onderwijs, de leerplicht als zodanig of de wettelijke inrichting van het onderwijs, maar zijn gericht tegen de grondslag waarop het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van hun woning gelegen scholen is gestoeld, in die zin dat de levensovertuiging van het Mystiek Christendom, die [verdachte 1] en [verdachte 2] aanhangen, daarin niet of onvoldoende tot uitdrukking komt. Het is de rechter niet toegestaan het gewicht van dat bezwaar te beoordelen. Daarom hoeft niet te worden ingegaan op twijfels van de leerplichtambtenaar en de officier van justitie over het richtingbezwaar van [verdachte 1] en [verdachte 2] (…).’11
Vervolgens sprak de rechter de ouders vrij. We kunnen stellen dat de rechter hier een subjectiverende kwalificatiewijze hanteert doordat hij uitgaat van de verklaringen van de justitiabele.
Aan de in 2003 door de Hoge Raad geformuleerde eis dat een justitiabele dient aan te geven wat de concrete bezwaren zijn tegen de richting van de binnen redelijke afstand van hun woning gelegen scholen, voegt hij in 2010 toe dat van degene die zich beroept op een richtingsbezwaar gevergd mag worden dat hij duidelijk aangeeft welke zijn bedenkingen zijn tegen de richting van de betreffende school. Volgens de Hoge Raad moeten de bedenkingen betrekking hebben op een ‘fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’.12 We kunnen deze eis niet als louter procedureel afdoen. Deze eis impliceert immers dat godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen welbepaald kunnen zijn. De Hoge Raad formuleerde bovenstaande eis in een zaak die ging om een bezwaar van een orthodox-gereformeerde tegen de in zijn buurt gelegen gereformeerde scholen omdat in zijn visie op deze scholen ‘Gods Woord en de Drie formulieren van Enigheid met voeten worden getreden’. De verdachte geeft vervolgens voor de betreffende orthodoxe gereformeerde school aan bezwaar te hebben tegen de godsdienstige en levensbeschouwelijke opvattingen van het schoolbestuur en tegen de uitwerking van deze opvattingen in de praktijk, zoals die terugkomen in het toelatingsbeleid en de besluitvorming van de school. De verdachte onderbouwt zijn argument dat hij het niet eens is met de godsdienstige opvattingen van het schoolbestuur met verwijzingen naar geloofsdocumenten waaronder een eigen geloofsbelijdenis. Het oordeel van het hof is vervolgens dat uit het relaas van verdachte onvoldoende duidelijk wordt wat nu precies zijn bezwaren zijn tegen de betreffende orthodox-gereformeerde richting. Het overweegt:
‘Het hof begrijpt verdachtes opstelling aldus, dat naar zijn oordeel weliswaar genoemde vereniging genoemde beginselen in haar vaandel schrijft, maar dat men in de onderwijspraktijk daarnaar niet geheel of niet voldoende handelt. Het hof is van oordeel, dat die vaststelling, wat daarvan feitelijk ook zij, geen bedenking inzake de richting van het onderwijs oplevert. Deze bedenking betreft de wijze waarop de richting in de praktijk tot uiting komt.’13
De Hoge Raad sluit zich in deze zaak aan bij het oordeel van het hof dat het bezwaar van de justitiabele onvoldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen inzake de richting van het onderwijs bevat om te kunnen worden aangemerkt als richtingsbezwaar. Hij stelt:
‘In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor onder 4.2 sub (iii) is weergegeven, van degene die zich op de vrijstellingsgrond van artikel 5, aanhef en onder b, Lpw beroept, gevergd mag worden dat hij duidelijk aangeeft welke zijn bedenkingen zijn, getuigt ‘s Hofs oordeel dat de verdachte niet geacht kan worden te zijn vrijgesteld van de verplichtingen uit hoofde van de Leerplichtwet 1969 wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs, niet van een onjuiste rechtsopvatting.’14
De uitspraken van het hof en de Hoge Raad zijn opmerkelijk. De justitiabele geeft immers uitgebreid aan dat zijn bezwaren zijn ingegeven door zijn godsdienst. Voor wat betreft het punt van het hof dat de bedenking is gericht tegen de wijze waarop de richting in de praktijk tot uiting komt kan men zich afvragen of de term richting zich wel leent voor een onderscheid tussen de theorie en de praktijk. Met andere woorden, veronderstelt richting niet tevens de uitwerking van bepaalde godsdienstige opvattingen in de praktijk? Tegen het punt van het hof dat de bedenkingen van justitiabele onvoldoende concreet en herkenbaar zijn kan men inbrengen dat de justitiabele onmiskenbaar een beroep heeft gedaan op godsdienstige gronden en daarbij tot in detail heeft beschreven op welke geloofsdocumenten hij zich baseert. Bovendien zijn deze geloofsdocumenten herkenbaar in de zin dat ze toebehoren aan de algemeen erkende reformatorische traditie. Ten slotte kan men stellen dat de eis die de Hoge Raad hier accepteert, namelijk dat een richtingsbezwaar betrekking moet hebben op een ‘fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’ erop wijst dat de Hoge Raad de reikwijdte van het begrip van de richtingsbezwaren ten opzichte van 1980 enigszins heeft beperkt. In 1980 werd er nog in zijn algemeenheid gesteld dat het bij een bezwaar moet gaan om godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen, terwijl deze opvattingen in 2010 volgens de Hoge Raad ‘welbepaald’ dienen te zijn. Daarnaast kan men hierbij nog aantekenen dat de term ‘welbepaald’ een vage term is die de rechter speelruimte geeft om richtingsbezwaren weg te wuiven. We kunnen bovengenoemde eis zien als een autonome definitie van de term richting door de rechter (Hoge Raad). De Hoge Raad verwijst immers voor zijn uitleg van de term niet naar derden of de wetsgeschiedenis.
In 2012 deed het Gerechtshof Amsterdam een uitspraak in een zaak met betrekking tot ouders die orthodox-salafistische (islamitische) bezwaren hadden tegen de richting van de binnen redelijk afstand liggende bestaande scholen. In de zienswijze van de ouders is er binnen een redelijke afstand van hun woning geen school die lesgeeft volgens de grondslagen van de islam. Verdere bezwaren zijn het ontbreken van een gebedsruimte op de school, het verbod op het dragen van islamitische kleding, het niet gescheiden gymmen van de leerlingen en het verplicht stellen van deelname aan een buitenlandse schoolreis. Volgens het hof kan het gegeven dat
‘(…) die scholen de kinderen niet onderwijzen “op de grondslag van de Islam” en vanuit Islamitisch perspectief, echter niet zonder meer het oordeel dragen dat daarmee de richting van het onderwijs in alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen indruist tegen de Islamitische levensbeschouwing zoals door de verdachte wordt aangehangen.’15
Het hof stelt verder:
‘Voor zover de jongere op school volgens de verdachte onvoldoende in de Islam wordt onderwezen, valt niet in te zien waarom dat onderwijs niet buiten schooltijd onder verantwoordelijkheid van de ouders kan worden aangevuld.’
Ten aanzien van de bedenkingen van de verdachte omtrent gebedsruimte, gymmen, kleding en schoolreis stelt het hof dat deze zijn gestoeld op tekortkomingen in de praktische organisatie van de school, waarvoor in overleg met de school een oplossing moet zijn te vinden. Volgens het hof hebben deze bezwaren geen betrekking op de richting van het onderwijs en zijn ze niet aan te merken als overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs.16
Men kan zich afvragen in hoeverre deze uitspraak indruist tegen het beginsel dat de rechter niet de bedenkingen van ouders tegen het onderwijs weegt. Het hof lijkt hier de islamitische overtuiging van de justitiabele te toetsen aan de grondslag van de nabij liggende islamitische scholen. Bovendien stelt het hof dat de ouders best buiten schooltijd kunnen voorzien in het door hun gewenste salafistische onderwijs. Impliceert een dergelijke benadering niet dat de bezwaren van de ouders volgens het hof niet ernstig genoeg zijn om thuisonderwijs te rechtvaardigen? Het hof suggereert dat het slechts zou gaan om een lacune in het bestaande islamitisch onderwijs die weggewerkt zou kunnen worden door aanvullend thuisonderwijs, maar mag het dit wel bepalen? Deze benadering van het hof is moeilijk te rijmen met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Het hof kwalificeert de bedenkingen van de ouders naar eigen inzicht en stelt dan dat ze niet vallen onder de wettelijke term ‘richtingsbezwaar’.
In de hierboven besproken jurisprudentie over de leerplicht is bepaald dat het begrip richting uitsluitend ziet op godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen. Op grond van deze zaken kunnen we constateren dat de rechter de vraag of het bezwaar betrekking heeft op godsdienst of levensbeschouwing meestal niet expliciet aan de orde stelt omdat er in veel gevallen sprake is van een tekortkoming in de procedurele voorwaarden.17 Ze wekken de indruk dat het gebruik van de procedurele voorwaarden wordt ingegeven door de wens om de reikwijdte van de vrijstelling zo beperkt mogelijk te houden.18 Slechts in één door mij gevonden uitspraak, namelijk die van de Rechtbank Breda over het ‘mystieke christendom’, ging de rechter wel in op de vraag of het bezwaar betrekking heeft op godsdienst of levensbeschouwing. Hier ging de rechter uit van een subjectiverende kwalificatie.
Naast de vele procedurele voorwaarden die rechter voor het thuisonderwijs in het leven heeft geroepen, heeft hij de betekenis van de term richting enigszins aangescherpt doordat hij gesteld heeft dat de term richting niet alleen de godsdienstige of levensbeschouwelijke identiteit omvat, maar ook dat deze identiteit moet zijn uit te leggen als ‘fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’. Hierdoor heeft de term richting een wat engere strekking gekregen. Deze definitie van de term richting lijkt te zijn ingegeven door de eigen inzichten van de rechter. Hij verwijst hiervoor niet naar opvattingen van derden. We kunnen deze nadere afbakening dan ook zien als een autonome uitleg van de term richting door de rechter. Deze aanscherping maakt het voor de rechter mogelijk om onduidelijke geloofs- en levensbeschouwelijke opvattingen niet te erkennen als richting in de zin van richtingsbezwaar. Een dergelijke benadering (objectivering) past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme waarin men alleen de erkende, gevestigde godsdiensten in de rechtsorde accommodeert. Overigens valt aan te tekenen dat de term ‘welbepaald’ een vage term is die de rechter de ruimte geeft om richtingsbezwaren niet als zodanig te erkennen. Opvallend is ten slotte dat in de laatst besproken zaak het hof het uitgangspunt dat de rechter niet de zwaarte weegt van de richtingsbezwaren lijkt te hebben losgelaten en op grond van een autonome kwalificatie van de godsdienstige bedenkingen van de verdachte tot het oordeel komt dat zijn bedenkingen geen beletsel vormen voor het volgen van islamitisch onderwijs aan de nabij gelegen scholen.
In het kader van het thuisonderwijs is de rechter dus steeds minder geneigd om bezwaren als richtingsbezwaren te kwalificeren. Mogelijk dat de angst bestaat dat er in de toekomst meer op de vrijstellingsregeling een beroep wordt gedaan en dat bij een al te soepele regeling steeds meer kinderen onttrokken worden aan het zicht van de overheid. Dat deze angst niet denkbeeldig is bewijzen de Kamervragen in 2011 van parlementsleden naar aanleiding van de sluiting van het Islamitisch College Amsterdam (ICA). Een grote groep ouders had vanwege deze sluiting de intentie bekendgemaakt hun kinderen thuisonderwijs te gaan geven. Kamerleden uitten hun zorgen en stelden vragen aan de minister. Men was bang dat ouders hun kinderen de hele dag naar Koranles zouden sturen.19 In een brief van de staatssecretaris aan de Eerste Kamer van 18 september 2013 spreekt de staatssecretaris van een zorgelijke ontwikkeling. Hij geeft aan dat tussen de schooljaren 2000/ 2001 en 2011/2012 het aantal vrijstellingen toegenomen is van 94 naar 429. Om die reden laat de staatssecretaris weten een voorstel voor te bereiden om de vrijstelling van de leerplicht vanwege godsdienstige opvattingen te laten vervallen.20