Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.1:6.3.1 Insolventieprocesrecht, burgerlijk procesrecht en de drie procedures: een procedureel kader onder spanning
Voorlopige voorzieningen en dwangregeling in het schuldsaneringsrecht (R&P nr. InsR6) 2015/6.3.1
6.3.1 Insolventieprocesrecht, burgerlijk procesrecht en de drie procedures: een procedureel kader onder spanning
Documentgegevens:
mr. B.J. Engberts, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
mr. B.J. Engberts
- JCDI
JCDI:ADS615492:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In par. 2.6 is een procedureel kader geschetst voor de bestudering en toetsing van de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b. In dat kader komen het beginsel van hoor en wederhoor, het insolventieprocesrecht en titel 3 bij elkaar. Dat levert spanningsvelden op. De belangrijkste zijn dat het beginsel van hoor en wederhoor in het insolventieprocesrecht minder goed is ontwikkeld, onder ander omdat veel procedures niet-contentieus van aard zijn, terwijl dit ‘super’beginsel in de rechtspraak een prominente plaats inneemt. Het andere spanningsveld is erin gelegen dat regels van bewijsrecht in het insolventieprocesrecht niet, maar in procedures op grond van titel 3 (in beginsel) wel van toepassing zijn. In deze paragraaf wordt weergegeven hoe de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b zich verhouden tot het insolventieprocesrecht. Daarbij komen beide genoemde spanningsvelden aan de orde, met dien verstande dat de toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor in de drie onderzochte procedures in par. 6.3.3 nader wordt uitgewerkt.
Het ‘klassieke’ insolventieprocesrecht heeft als centraal uitgangspunt dat insolventieprocedures voortvarend moeten worden afgewikkeld. Het insolventieprocesrecht kenmerkt zich vanuit die centrale doelstelling door korte termijnen en een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De regels van bewijsrecht zijn niet van toepassing en de insolventierechter stelt zich bij het onderzoek naar de feiten actief op. Voorts is typerend dat de procedures niet steeds contentieus van aard zijn. Ten slotte is kenmerkend dat de insolventierechter niet-rechterlijke taken vervult en dat het algemeen of maatschappelijk belang een rol kan spelen bij de te nemen beslissingen; zowel bij de opening van een insolventieprocedure als bij de afwikkeling daarvan. Deze karakteristieken verklaren, zoals reeds vermeld, dat het beginsel van hoor en wederhoor in het insolventieprocesrecht minder goed is ontwikkeld.
Het procesrecht van titel III van de Faillissementswet (het schuldsaneringsprocesrecht) wijkt af van het klassieke insolventieprocesrecht doordat de wetgever een fase, genaamd het minnelijke traject, heeft voorgeschreven die voorafgaat aan de (eventuele) toelating tot de insolventieprocedure (de schuldsaneringsregeling). Voorts is gebleken dat schuldsaneringsrecht kenmerken vertoont van sociaal recht, in de zin van recht dat onze verzorgingsstaat regelt, omdat het bevrijden van de schuldenaar van zijn schuldenlast een centrale doelstelling van het schuldsaneringsrecht is. Deze doelstelling wordt gezien als taak van de overheid in het belang van haar burgers. Dit heeft tot gevolg, dan wel verklaart, dat in schuldsaneringsprocedures de schuldenaar centraal staat en de insolventierechter zich vooral op de persoon van de schuldenaar richt. Dit draagt bij aan de ondermijning van de betekenis die het beginsel van hoor en wederhoor binnen het insolventieprocesrecht toekomt.
Een aantal van de genoemde bijzondere kenmerken van het insolventieprocesrecht zijn toe te passen op, of gelden voor de onderzochte drie procedures. Zo zijn de procedures van art. 287 lid 4 en 287b (en van art 287a in mindere mate) spoedeisend van aard en worden zij gekenmerkt door de korte termijnen die voor oproeping en beslissing worden gehanteerd. De beslissing wordt genomen op basis van hetgeen de rechter aannemelijk acht, zonder dat nadere bewijsvoering plaatsvindt en de rechter stelt zich actief op ten aanzien van de feiten. De verplichte voorfase (het minnelijke traject) speelt een belangrijke rol in de drie procedures.
Ondanks de hiervoor genoemde overeenkomsten zijn er belangrijke verschillen tussen de aard van de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b en de aard en het systeem van het insolventieprocesrecht. Anders dan veel procedures in de Faillissementswet zijn de procedures van art. 287a en 287b contentieus van aard. Zij zien niet op een toelating tot een insolventieprocedure of afwikkeling van een insolventieprocedure als zodanig.
In dit onderzoek heb ik geconcludeerd dat in de procedure van art. 287 lid 4 de betrokken schuldeiser door de rechter moet worden opgeroepen ten einde te worden gehoord op het 287 lid 4-verzoek, ook al is dit niet bepaald. Deze verplichting volgt uit het beginsel van hoor en wederhoor (neergelegd in art. 6 EVRM en art. 19 Rv). Daarmee is tevens geconcludeerd dat ook deze procedure contentieus van aard is. De drie procedures zijn echter niet als zodanig ingericht. Door de hoge snelheid waarmee procedures ingevolge de Faillissementswet worden gevoerd en het ontbreken van regels van bewijsrecht worden beslissingen op ‘de aannemelijkheid’ van feiten gebaseerd, zonder dat de schuldeiser voldoende in de gelegenheid wordt gesteld deze te controleren en eventueel te betwisten, althans te ontzenuwen. Dit knelt het meest in de 287a-procedures omdat daarin een beslissing kan worden genomen waarbij de rechten van schuldeisers definitief worden beperkt.
Voorts komt de (bewijs)positie van de schuldeiser in de procedures van art. 287 lid 4, 287a en 287b in de verdrukking doordat in het schuldsaneringsrecht de belangen van de schuldenaar, zoals diens privacy, centraal staan. Dit werkt door in de wijze waarop (in het bijzonder) de procedure van art. 287a door insolventierechters wordt gevoerd. De insolventierechter verzuimt daarin (veelal) om de schuldeiser volledig te informeren. Hij is het zo gewend in schuldsaneringszaken. De centrale positie van de schuldenaar in het schuldsaneringsecht verklaart dat de wetgever bij de opstelling van art. 287 lid 4 een systeemfout heeft gemaakt door niet te bepalen dat de schuldeiser tot wie zich het verzoek richt, wordt opgeroepen. In de procedure van art. 287, waartoe art. 287 lid 4 behoort, wordt de schuldeiser immers evenmin opgeroepen.
Als kenmerk van het insolventieprocesrecht van titel III is tot slot genoemd dat dit procesrecht raakt aan het terrein van het publiekrecht en dat het algemeen belang een rol speelt in procedures. Het lijkt in het algemeen belang dat met art. 287 lid 4 en 287b sociale noodsituaties worden voorkomen, dat daarmee een wettelijke of minnelijke schuldsanering bereikt kan worden en dat met een gedwongen schuldregeling (art. 287a) een wettelijke schuldsaneringsregeling onnodig wordt. Ik heb in dit onderzoek niet kunnen vaststellen dat het algemeen belang van invloed is op de drie onderzochte procedures. Het maatschappelijk belang lijkt wel een rol te spelen bij de welwillende beoordeling van 287a-verzoeken door rechtbanken.