Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.3.1:3.3.1 Gevolgen van de samenvoeging van de weken- en jareneis in 1995 voor bepaalde groepen WW’ers
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.3.1
3.3.1 Gevolgen van de samenvoeging van de weken- en jareneis in 1995 voor bepaalde groepen WW’ers
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258964:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.7 voor meer informatie over de kortdurende uitkering.
Kamerstukken II 1994/95, 23985, nr. 3, p. 17. In de MvT wordt verwezen naar een in januari 1994 uitgebracht onderzoeksrapport van de SVr (Effect van de nieuwe toelatingsvoorwaarden in de WW, R94/1).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het aanscherpen en combineren van de referte-eisen had met name voor de groep met een relatief kort arbeidsverleden, zoals jongeren en herintreders, grote gevolgen. Voor deze zwaar getroffen groep was de kortdurende uitkering van een half jaar tegen 70 procent van het wettelijk minimumloon, of 70 procent van het dagloon indien dit lager is, in het leven geroepen. Voor deze uitkering kwam men al in aanmerking als alleen aan de wekeneis was voldaan.1
Voor de werklozen die in vaste dienstbetrekking werkten, was de duur van de referteperiode niet van belang. Die werklozen zouden namelijk door hun vast werk hoe dan ook aan de verscherpte wekeneis van 26 gewerkte weken uit 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid voldoen. De verscherpte wekeneis had dus vooral negatieve gevolgen voor de werknemer met een onregelmatig recent arbeidspatroon. Hierbij kan gedacht worden aan oproepkrachten, personen die tijdelijk of projectmatig werk verrichten of voor een uitzendbureau werken. Uit een SVr-rapport2 van 1991 is nagegaan welk percentage van de mannen en vrouwen die wel aan de oude wekeneis van ’26-uit-52’ voldeden, niet aan de nieuwe wekeneis van ’26-uit-39’ zouden voldoen. Het verschil in de mate waarin mannen en vrouwen werden getroffen betrof 0,2 procentpunt ten nadele van de vrouwen. Het kabinet meende dat dit verschil marginaal was.3 De verscherpte jareneis had ook negatieve gevolgen voor de groep die wel in drie jaar ten minste 52 loondagen had, maar niet in vier of meer jaren. De jareneis was sinds deze wetswijzing een toegangseis om voor de loongerelateerde uitkering in aanmerking te komen. De gevolgen voor deze groep werklozen traden daardoor al in het eerste half jaar van de uitkering op: zij hadden alleen recht op een kortdurende uitkering van zes maanden op minimumniveau. Tot slot is bij deze wetswijziging geregeld dat het recht op de loongerelateerde uitkering en vervolguitkering herleeft bij werkloosheid na het aanvaarden van werk vanuit de WW. Anders zou dit ertoe leiden dat bij het aanvaarden van werk vanuit een de positie van een loongerelateerde uitkeringsgerechtigde, bij opvolgende werkloosheid, de werkloze de kortdurende basisuitkering op het minimumloon zou ontvangen. Indien deze herlevingsregel niet zou zijn ingevoerd, zou het ontmoedigend werken om werk te aanvaarden vanuit de positie van een loongerelateerde WW-uitkering.4