Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.5.2
4.5.2 Openbare uitspraak, mondelinge uitspraak?
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS300109:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 58. Uit art. 20 lid 3 (oud) Wet RO en art. 59 aanhef (oud) Rv kon men opmaken dat een mondelinge uitspraak vereist is, en wel van de gehele beslissing.
Ten Berg-Koolen (1979), p. 613 e.v.
Zo onder andere H. Drion (1979), p.451 e.v. ('de openbare uitspraak is ongeschikt als waarborg dat partijen en belanghebbenden er kennis van krijgen') en Schokkenbroek (1989), p. 814 e.v. De Boer (1985), p. 838, meende echter dat de openbare uitspraak, als iets wat zo makkelijk te realiseren is (hetgeen door Drion uitdrukkelijk bestreden wordt), gehandhaafd moest worden 'om een, al is dit maar klein, dammetje op te werpen tegen het afglijden van de rechtsstaat' ( ij. Ook Westenberg in zijn noot onder Hof Den Bosch 4 juli 2006, JBPr 2007, 14, meent dat als partijen daadwerkelijk voorlezing van de uitspraak verlangen, daaraan vooralsnog ter openbare zitting zal moeten worden voldaan. Ik vind dat wel wat ver gaan.
Zie De Werd (2001), p. 67.
Zie voor de vindplaatsen van deze arresten noot 10 van dit hoofdstuk.
Deze overwegingen geven volgens De Werd (2001), p. 68-69, een ondergrens voor het openbaarmakingsvereiste aan; het mondelinge aspect van de uitspraak blijkt, in verdragsrechtelijke zin, geen constitutief vereiste te zijn.
HR 1 november 1985, NJ 1985, 277. Inmiddels kunnen daaraan in dezelfde lijn worden toegevoegd HR 6 september 1996, NJ 1996, 699 en HR 22 november 1996, NJ 1997, 205.
Schokkenbroek (1989), p. 818.
De Werd (2001), p. 69, onder verwijzing naar EHRM 24 november 1997, SzBcs, Reports 1997-VI, 15; EHRM 24 november 1997, Werner, Reports 1997-VII, § 60 en EHRM 21 maart 2000, Asan Rashiti, 28 389/95, § 23. Zie ook EHRM 24 april 2001, B. en P. versus Verenigd Koninkrijk, NJ B 2001, p. 1126, betreffende een procedure inzake een gezagsvoorziening voor kinderen; het EHRM overwoog dat het belang van het kind en van een goede rechtsbedeling zouden kunnen worden geschaad door een volledige uitspraak in het openbaar.
HR 11 november 1977, NJ 1978, 503; HR 2 november 1990, NJ 1991, 800 (HJS). In zijn noot onder laatstgenoemd arrest geeft Snijders een opsomming van ficties in de vonnispraktijk. Zie ook HR 17 september 1993, NJ 1993, 739.
HR 19 juni 2001, NJ 2001, 613 (DA).
In gelijke zin Asser/Groen/Vranken (2003), p. 29, onder verwijzing naar zojuist genoemd arrest: 'Openbaarheid van uitspraken is in de huidige tijd beter gewaarborgd door afschriften van uitspraken aan iedereen die er belang in stelt dan door wat van oudsher gold: het voorlezen van een deel van het dictum op een openbare terechtzitting.' In afwijkende zin laat De Werd (2001), p. 70 e.v., zich uit die nog immer een probleem blijft zien in de verderstrekkende betekenis van art. 121 Gw waaruit volgens hem ongeclausuleerd en absoluut de verplichting voor de rechter tot het doen van een mondelinge uitspraak (van het dictum) zou volgen. Als men het anders wil, ligt hier volgens De Werd een taak voor de wetgever die zou kunnen bekijken welke vorm van openbaarmaking in concreto het meest functioneel is.
Een veel bediscussieerde kwestie is of de openbaarheid der uitspraak inhoudt dat de uitspraak mondeling moet plaatsvinden. De verschillende versies van art. 6 EVRM geven aanleiding tot onduidelijkheid: de Franse versie spreekt van 'rendu publiquement', volgens de Engelse tekst wordt de uitspraak 'pronounced publicly'. Volgens de Nederlandse vertaling wordt de uitspraak 'gewezen'.
In art. 28 lid 1 Rv is thans zeer neutraal geformuleerd de bepaling opgenomen: 'De uitspraak geschiedt in het openbaar', hetgeen niet meer inhoudt dan een woordelijke herhaling van art. 121 Gw.1 Ten Berg-Koolen2 heeft voor het oude recht reeds aangetoond dat op grond van de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat de wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad de 'mondelinge' uitspraak van het vonnis tot constitutief element van dat vonnis te maken. Bovendien merkt zij op dat met het openbaar voorlezen van vonnissen de rechtsbescherming niet gediend is. Handhaving van de mondelinge uitspraak betekent slechts 'schijnbescherming'.
Zij vond daarbij meerdere schrijvers aan haar zijde.3 Daar komt bij dat de in de wet gestelde eis niet meer in overstemming is met de dagelijkse praktijk; deze stelt zich tevreden met de mededeling dát een beslissing is uitgesproken, en bij gerechten die geen mondelinge rol meer kennen gebeurt er zelfs helemaal niets meer mondeling. Uitspraken worden doorgaans op de datum van de uitspraak ter beschikking gesteld.4 Bezien wij hoe Europese en Nederlandse rechters tegen dit vraagstuk aankijken.
In de zaken Pretto, Axen en Sutter5 heeft het Europees Hof zich in de volgende bewoordingen uitgelaten:
'The terms used in the second sentence of Article 6 § 1 "judgment shall be pronounced publicly", "le jugement sera rendu publiquement" might suggest that a reading out aloud of the judgment is required. Admittedly the French text employs the participle "rendu" (given), whereas the corresponding word in the English version is "pronounced" (prononcé), but this slight difference is not sufficient to dispel the impression lelt by the language of the provision in question: in French, "rendu publiquement" as opposed to "rendu public" (made public) can very well be regarded as the equivalent of "prononcé publiquement".
At first sight, Article 6 § 1 of the European Convention would thus appear to be stricter in this respect than Article 14 § 1 of the 1966 International Covenant on Civil and Political Rights, which provides that the judgment "shall be made public", "sera public".
However, many member States of the Council of Europe have a long-standing tradition of recourse to other means, besides reading out aloud, for making public the decisions of all or some of their courts, and especially of their courts of cassation, for example deposit in a registry accessible to the public. The Authors of the Convention cannot have overlooked that fact, even if concern to take it into account is not so easily identifiable in their working documents as in the traveaux préparatoires of the 1966 Covenant. The Court therefor does not feel bound to adopt a literal interpretation. It considers that in each case of publicity to be given to the "judgment" under the domestic law of the respondent State must be assessed in the light of the special features of the proceedings in question and by reference to the object and purpose of Article 6 § 1:
Uit deze overwegingen kan men opmaken: dat het Europees Hof het tekstuele verschil tussen art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR ten aanzien van de openbaarmaking van uitspraken rechttrekt door een niet letterlijke interpretatie van art. 6 EVRM, dat het mondeling uitspraak doen slechts één van de wijzen is waarop een beslissing in de openbaarheid kan worden gebracht, en ten slotte dat de wijze van openbaarmaking van de uitspraak in elk geval moet worden beoordeeld in het licht van de specifieke kenmerken van de betreffende procedure.6
Hoewel de overwegingen van het Europees Hof zich over alle soorten procedures uitstrekt, is in genoemde uitspraak telkens slechts de openbaarmakingseis in een procedure in hoogste instantie ten toets gekomen. De wijzen van openbaarmaking van rechterlijke beslissingen anders dan door een mondelinge uitspraak die daarbij volgens het Europees Hof door de beugel kunnen, zijn nederlegging ter griffie van de volledige tekst ten behoeve van iedere belangstellende, toezending van de tekst aan appellant, en beschikbaarstelling van de tekst ter griffie of ter parkette voor ieder die kan aantonen belanghebbende te zijn.
Onder verwijzing naar de drie genoemde uitspraken heeft de Hoge Raad in 1985 overwogen dat niet vereist is dat de uitspraak op een openbare terechtzitting wordt voorgelezen, doch voldoende is dat zij bijvoorbeeld in dier voege openbaar is dat zij vanaf een bepaalde aan de verschenen partijen tevoren bekend gemaakte dag ter griffie in geschreven vorm aanwezig is en dat zowel partijen als elke andere belanghebbende inzage en afschrift van die beschikking kunnen verkrijgen (het ging in casu om een verzoekschriftprocedure).7
Schokkenbroek vroeg zich af of de Hoge Raad de arresten van de Europees Hof wel juist geïnterpreteerde. Hij wees erop dat in de arresten Pretto, Axen en Sutter steeds een cassatie- of cassatie-achtige procedure aan de orde was en dat de vraag welke openbaarheidseis aan uitspraken in lagere (feitelijke) instanties gesteld moeten worden door het Hof uitdrukkelijk in het midden was gelaten. Hij meende dat aan andere dan cassatieprocedures zwaardere eisen moesten worden gesteld dan die welke het Hof in genoemde arresten formuleerde. Volgens hem waren de toezending van de tekst van een uitspraak aan appellant en de beschikbaarstelling daarvan aan belanghebbenden als wijze van openbaarmaking onvoldoende 'in procedures waarin de rechterlijke uitspraak meer substantie heeft dan bij een enkele vernietiging of bekrachtiging het geval is'.8
Terecht merkt De Werd op dat in recente arresten van het Europees Hof op dit punt echter van een zwaardere toetsing niet blijkt, integendeel.9
Hoewel de Hoge Raad, eerder op grond van de communis opinio en de rechtszekerheid dan op grond van tekst en geschiedenis van de wet, er aanvankelijk aan vasthield dat het vonnis tot stand kwam door de mondelinge uitspraak, erkende ook hij dat deze regel verregaand gerelativeerd moest worden. Van een mondelinge uitspraak was namelijk volgens hem ook sprake als het vonnis slechts gedeeltelijk werd voorgelezen dan wel met goedvinden van partijen voorlezing achterwege werd gelaten.10 Inmiddels is de Hoge Raad een stap verdergegaan door te erkennen dat, mede gelet op de huidige maatschappelijke opvattingen omtrent de openbaarheid van rechterlijke uitspraken en de beschikbaarheid daarvan voor het publiek, moet worden aangenomen dat in beginsel geen bezwaar bestaat tegen het op verzoek verstrekken van afschriften van die uitspraken.11 Volstaan kan derhalve worden met de beschikbaarstelling van de uitspraak aan eenieder. Met het mondeling uitspraak doen op een openbare terechtzitting is de openbaarheidseis niet wezenlijk gediend.12