Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/8.2.5:8.2.5 Toezicht uit hoofde van de Wet financiering decentrale overheden
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/8.2.5
8.2.5 Toezicht uit hoofde van de Wet financiering decentrale overheden
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Wet fido geldt voor verschillende decentrale overheden. Daarom spreekt deze wet van 'de toezichthouder'. Uit art. 1 sub j Wet fido blijkt dat deze toezichthouder het bestuursorgaan is dat op grond van enige wettelijke bepaling is belast met het toezicht op de begroting van het betreffende openbare lichaam. Bij gemeenten zijn dit — op grond van art. 203 Gemeentewet — gedeputeerde staten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De tweede vorm van fmancieel toezicht die in dit hoofdstuk aan de orde komt, is het toezicht uit hoofde van de Wet fmanciering decentrale overheden (Wet fido). De Wet fido biedt een kader voor het financieringsbeleid van gemeenten. In deze wet worden regels gesteld om de fmanciële risico's die gemeenten bij dit beleid kunnen lopen, zoveel mogelijk te beperken. Hiertoe zijn regels opgenomen met betrekking tot het aangaan van leningen, het uitzetten van middelen en het verlenen van garanties (art. 2 Wet fido). Verder worden minima gesteld aan het in de gemeente voorhanden zijnde kasgeld (art. 3 Wet fido) en maxima aan de gemiddelde netto-vlottende schuld. Tot slot wordt een plafond gesteld aan het renterisico op het begrotingstotaal van de gemeente (de renterisiconorm, art. 5 en 6 Wet fido).
Ten aanzien van de netto-vlottende schuld en de renterisiconorm is een toezichtsarrangement in het leven geroepen om te voorkomen dat de normen worden overtreden die voortvloeien uit de Wet fido en de daarop berustende Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden. Voor gemeenten wordt op de naleving van deze normen toezicht gehouden door gedeputeerde staten.1 Deze toezichtsarrangementen bestaan uit aanwijzingsbevoegdheden en goedkeuringsregimes. Bij een overschrijding van de gemiddelde netto vlottende schuld (die gelijk is aan de kasgeldlimiet) gedurende drie achtereenvolgende kwartalen is het gemeentebestuur verplicht aan de toezichthouder een plan voor te leggen om het overschrijding teniet te doen (art. 4 lid 1 en 2 Wet fido). Dit plan moet door de toezichthouder worden goedgekeurd. Als deze goedkeuring niet wordt verleend of als deze goedkeuring wel wordt verleend, maar het plan door het betreffende gemeentebestuur niet wordt uitgevoerd, kan de toezichthouder aanwijzingen geven om alsnog een plan in te dienen, dan wel om maatregelen te nemen om te voldoen aan de kasgeldlimiet (art. 4 lid 3 Wet fido). Bij overschrijding van de renterisiconorm geldt het regime andersom. In dat geval kan de toezichthouder meteen een aanwijzing geven (art. 6 lid 2 Wet fido). Als deze aanwijzing niet wordt opgevolgd, legt het gemeentebestuur een plan ter voldoening aan de renterisiconorm voor aan de toezichthouder.
Het doel van de Wet fido is gelegen in de bescherming van de fmanciële gezondheid van gemeenten. In die zin zou het toezicht kunnen worden aangemerkt als behartiging van het algemeen belang. Omdat de normen uit de Wet fido moeten worden aangemerkt als rechtsnormen, is het niettemin zuiverder de toetsing — door gedeputeerde staten — in het kader van het toezicht in de zin van de Wet fido aan te merken als rechtmatigheidstoetsing.