Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/8.2.0
8.2.0 Introductie
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het lijkt erop dat, ondanks het uitgangspunt van de gedecentraliseerde eenheidsstaat, er in 'Haagse' kringen weinig animo bestaat de verhouding tussen de centrale overheid en de decentrale overheden te beschouwen als een hiërarchische. Zie bijvoorbeeld TK 32389 nr. 3, p. 2. Zijlstra spreekt wel van een hiërarchische relatie, zie Zijlstra (2009), p. 64.
Dölle/Elzinga (2004), p. 688.
Voor uitgebreidere beschrijvingen van het toezicht dat op gemeenten wordt uitgeoefend zie 1/511e/Elzinga (2004), p. 687-736 en Zijlstra (2009), p. 277-289.
Gemeenten functioneren binnen de context van een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Deze context houdt in dat gemeentelijke organen niet in alle gevallen volledig vrij zijn in hun handelen.1 Een belangrijk middel voor hogere overheden om gemeentelijke gehoorzaamheid te bewerkstelligen, is gelegen in het toezicht. Hoewel de dualisering geen betrekking heeft op het toezicht en dit dus eigenlijk buiten het bestek van dit onderzoek valt, kan toezicht in het kader van de comptabele en de politieke verantwoording een belangrijke rol spelen. Op sommige terreinen geldt zelfs dat de in dit hoofdstuk te beschrijven toezichtsmechanismen duidelijk in verband staan met de in dit onderzoek besproken middelen van financiële controle.
Voor de afbakening van de in dit hoofdstuk te behandelen toezichtsmechanismen wordt aangehaakt bij het Handboek van het Nederlandse gemeenterecht. Dit handboek geeft de volgende defmitie van toezicht:
"Toezicht is de wettelijke bevoegdheid van bestuursorganen en ambten die deel uitmaken van zelfstandige publiekrechtelijke lichamen om het handelen en nalaten van andere bestuursorganen of ambten van zelfstandige publiekrechtelijke lichamen te onderzoeken, te toetsen en daaraan desgewenst de wettelijk mogelijk gemaakte rechtsgevolgen te verbinden die het onder toezicht staande orgaan — behoudens het inzetten van rechtsmiddelen — moet dulden of waaraan het gevolg moet geven".2
Dit hoofdstuk beoogt geenszins een volledige beschrijving te geven van het geheel aan toezichtsregimes dat op gemeenten van toepassing is.3 Aan de orde komen de hoofdvormen van generiek toezicht die van toepassing kunnen zijn op de gemeentelijke financiën en een aantal vormen van specifiek fmancieel toezicht. Achtereenvolgens zullen het recht van schorsing en vernietiging, goedkeuringsregimes, taakverwaarlozingsregelingen, het toezicht uit hoofde van de Financiële verhoudingswet en het toezicht uit hoofde van de Wet financiering decentrale overheden worden behandeld. Het gaat hierbij zowel om toezicht op individuele inkomsten, uitgaven en beheershandelingen als om het toezicht dat op de jaarrekening (en in mindere mate op de begroting) als zodanig kan worden toegepast. Omdat het toezicht op accountants(organisaties) door de AFM zodanig vervlochten is met hun onafhankelijke positionering, is dit toezicht reeds behandeld in hoofdstuk 4.
- Wetsvoorstel revitalisering generiek toezicht
Naar aanleiding van het rapport 'Van specifiek naar generiek' van de commissie-Oosting heeft de regering een aanzienlijke stroomlijning van het toezicht geïnitieerd. Middels het wetsvoorstel revitalisering generiek toezicht is het vooral de bedoeling het wettelijke kader rondom taakverwaarlozingsregelingen en de instrumenten schorsing en vernietiging aan te passen. Deze operatie gaat gepaard met het opschonen van een groot aantal specifieke toezichtsvormen, die met name in medebewindsvorderende wetten kunnen worden aangetroffen. De commissie-Oosting adviseerde de regels rondom het financiële toezicht buiten deze operatie te houden. Hoewel de regering de commissie hierin volgde in haar wetsvoorstel, kunnen schorsing, vernietiging en taakverwaarlozingsregelingen eveneens worden ingezet ten aanzien van financiële besluitvorming. De voorgestelde wijzigingen op dat vlak zouden dus eveneens van toepassing kunnen worden op deze besluitvorming. Op het moment van afsluiten van dit onderzoek was het wetgevingstraject nog niet zodanig gevorderd, dat een goed beeld kan worden gegeven van het toekomstige recht op dit vlak. Gekozen is voor een behandeling van het geldende recht ten tijde van het afsluiten van het onderzoek. In voetnoten zal worden verwezen naar de inhoud van het wetsvoorstel. Volledigheid is daarbij niet betracht.