Op twee punten heeft het hof beslissingen genomen over voorvragen van art. 348 Sv. In de eerste plaats heeft het hof de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde partieel nietig verklaard voor zover daarin de woorden “onder meer” en “zoals onder andere” zijn opgenomen en in de tweede plaats heeft het hof het Openbaar Ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor het onder 2 cumulatief en tevens alternatief ten laste gelegde schuldwitwassen en tevens ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
HR, 16-12-2025, nr. 23/00518
ECLI:NL:HR:2025:1924
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-12-2025
- Zaaknummer
23/00518
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1924, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:283
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1119
ECLI:NL:PHR:2025:1119, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑10‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1924
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑08‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0406
Uitspraak 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Internationale dating- en investeringsfraude. Medeplegen oplichting (art. 326.1 Sr) en medeplegen gewoontewitwassen (art. 420ter jo. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. medeplegen oplichting na bewijsuitsluiting vanwege onrechtmatige inbeslagneming. 1. Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting wegens heimelijke inbeslagneming van computer, art. 359a Sv. Kon hof volstaan met strafvermindering? 2. Post-Keskin. Afwijzing van bij appelschriftuur gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van 2 aangeefsters, op de grond dat verdediging door niet horen van getuigen niet in haar belangen is geschaad. 3. Volgens cassatieakte is beroep niet gericht tegen nietigverklaring van dagvaarding t.a.v. tlgd. gewoontewitwassen v.zv. het de zinsnede “onder meer” betreft en evenmin gericht tegen onderdelen van tlgd. gewoontewitwassen waarvan verdachte is vrijgesproken. Toelaatbare beperkingen cassatieberoep? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Oordeel van hof dat (onherstelbaar) vormverzuim, gelet op aard en ernst daarvan, niet zodanig ernstig is dat bewijsuitsluiting is gerechtvaardigd en dat kan worden volstaan met strafvermindering, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. Afwijzing door hof van verzoek tot horen van A en B als getuige, waaraan door verdediging o.m. ten grondslag is gelegd dat eerder afgelegde verklaringen van die getuigen belastende strekking hebben, is niet z.m. begrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat hof bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. die door verdachte betwiste verklaringen van A en B zonder dat verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces (vgl. HR:2021:576). In situatie dat verzoek tot horen van getuige niet op latere tz. is herhaald, is van belang dat verzoek tot horen van getuigen, dat is gedaan ttz. in h.b. van 27-6-2018, verzoek a.b.i. art. 287.3.a jo. 415.1 Sv betreft. Onderzoek ttz. in h.b. is daarna kennelijk opnieuw aangevangen i.v.m. gewijzigde samenstelling van hof. Dat neemt niet weg dat gelet op art. 322.4 Sv in cassatie kan worden geklaagd over beslissing van hof die ttz. in h.b. van 27-6-2018 is genomen waarbij verzoek is afgewezen. In zo’n situatie brengt enkele omstandigheid dat verdediging, na ttz. gegeven beslissing, dat verzoek niet heeft herhaald op volgende tz., niet met zich dat belang bij klacht over die afwijzing ontbreekt. Onder omstandigheden kan belang bij klacht in cassatie wel ontbreken. Dat is bijvoorbeeld geval als rechter in motivering van beslissing waarbij verzoek wordt afgewezen, tot uitdrukking brengt dat hij zich o.b.v. wat bij gelegenheid van pro forma-zitting of regiezitting aan orde is gekomen (waaronder begrepen wat verdediging ter onderbouwing van verzoek heeft aangevoerd) onvoldoende ingelicht acht om verzoek te kunnen toewijzen omdat pas bij latere behandeling van zaak voor beoordeling van verzoek relevante belangen in hun volle omvang gewogen kunnen worden (vgl. HR:2014:1496 en HR:2016:2022). In zo’n geval mag van verdediging worden verwacht dat, als wens tot horen dan nog bestaat, zij verzoek op latere tz. herhaalt. Deze situatie doet zich echter in deze zaak niet voor (vgl. HR:2024:1739). Ad 3. Aan deze beperkingen moet worden voorbijgegaan om reden zoals uiteengezet in HR:2013:CA1610. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 23/00517 P en 23/00595.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00518
Datum 16 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 februari 2023, nummer 23-002605-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep – voor zover van belang – niet gericht tegen de nietigverklaring van de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde voor zover het de zinsnede “onder meer” betreft en evenmin gericht tegen onderdelen van het onder 2 tenlastegelegde waarvan de verdachte is vrijgesproken. Aan deze beperkingen moet echter worden voorbijgegaan. De reden daarvoor is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610.
Namens de verdachte hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat, kort gezegd, de heimelijke inbeslagneming van een computer tot bewijsuitsluiting moet leiden.
2.2
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen zijn weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHAMS:2023:283. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest van het hof.
2.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuige, althans het gebruik van de eerder door deze getuigen afgelegde verklaringen voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
3.2
De procesgang in deze zaak, de stukken, de bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 tot en met 3.12. De procesgang houdt – kort samengevat – in dat de verdediging bij schriftuur het verzoek heeft gedaan om [getuige 1] en [getuige 2] als getuige te horen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018 houdt daarover onder meer in:
“De voorzitter vraagt de raadsman of hij de verzoeken gestand wenst te doen en nader wenst toe te lichten. In aanvulling op de appelschriftuur, de toelichting op de appelschriftuur, en in reactie op de schrifturen van de advocaat-generaal, voert de raadsman het woord als volgt.
(...)
Ten aanzien van feit 2, een feit waar mijn cliënt deels voor is vrijgesproken, is door de verdediging een voorwaardelijk verzoek ingediend, voor het geval het openbaar ministerie onbeperkt appel in zou stellen. De verdediging wenst de vermeende slachtoffers van de 419fraude te horen. Het betreft aangevers, wier aangiften/verklaringen worden gebezigd tot het bewijs in de strafzaak tegen mijn cliënt. Het is een recht van de verdediging deze personen te horen, een recht dat niet ontnomen mag worden.”
3.3
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuige afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Ten aanzien van feit 2 deelt de voorzitter als beslissingen van het volgende mede:
(...)
- het hof wijst af het horen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Deze personen hebben een soortgelijke aangifte gedaan en/of verklaring afgelegd als de toegewezen getuigen [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] . Gesteld noch gebleken is dat deze personen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] zodat het hof een getuigenverhoor van [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] voldoende representatief acht en daarmee volstaat. Daarmee is op dit moment in voldoende mate tegemoet gekomen aan de onderzoekwensen, zodat de verdediging met deze gedeeltelijke afwijzing thans niet in zijn belangen is geschaad.”
3.4
De afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] als getuige, waaraan door de verdediging onder meer ten grondslag is gelegd dat de eerder afgelegde verklaringen van die getuigen een belastende strekking hebben, is niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede op grond van die door de verdachte betwiste verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zonder dat de verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen, terwijl het hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).
3.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3.6.1
In de situatie dat een verzoek tot het horen van een getuige niet op een latere terechtzitting is herhaald, is nog het volgende van belang.
3.6.2
In deze zaak betreft het verzoek tot het horen van getuigen, dat is gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018, een verzoek als bedoeld in artikel 287 lid 3, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 415 lid 1 Sv. Het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is daarna – op 20 april 2022 – kennelijk opnieuw aangevangen in verband met een gewijzigde samenstelling van het hof. Dat neemt niet weg dat gelet op artikel 322 lid 4 Sv in cassatie kan worden geklaagd over de beslissing van het hof die op de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018 is genomen waarbij het verzoek is afgewezen.
3.6.3
In zo’n situatie brengt de enkele omstandigheid dat de verdediging, na de op de terechtzitting gegeven beslissing, dat verzoek niet heeft herhaald op een volgende terechtzitting, niet met zich dat het belang bij een klacht over die afwijzing ontbreekt. Onder omstandigheden kan het belang bij een klacht in cassatie wel ontbreken. Dat is bijvoorbeeld het geval als de rechter in de motivering van de beslissing waarbij het verzoek wordt afgewezen, tot uitdrukking brengt dat hij zich op basis van wat bij gelegenheid van de pro forma-zitting of de regiezitting aan de orde is gekomen – waaronder begrepen wat de verdediging ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd – onvoldoende ingelicht acht om het verzoek te kunnen toewijzen omdat pas bij de latere behandeling van de zaak de voor de beoordeling van het verzoek relevante belangen in hun volle omvang gewogen kunnen worden (vgl. HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, rechtsoverweging 2.34, en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022). In zo’n geval mag van de verdediging worden verwacht dat, als de wens tot het horen dan nog bestaat, zij het verzoek op een latere terechtzitting herhaalt. Deze situatie doet zich echter in deze zaak niet voor. (Vgl. HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1739.)
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde, met uitzondering van de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde schuldwitwassen, en wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.
Conclusie 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling voor medeplegen van oplichting en medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen. Klachten over (i) de verwerping door het hof van het gevoerde art. 359a Sv-verweer, (ii) de afwijzing van een getuigenverzoek, (iii) de bewezenverklaring van het medeplegen van het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen, (iv) de straftoemetingsbeslissing en (v) de maximale duur van de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis. Ambtshalve opmerking over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing, maar uitsluitend i.v.m. het slagen van de middelen 2 en 4 wat betreft de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging. Samenhang met 23/00517P en 23/00595.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00518
Zitting 14 oktober 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 februari 2023 (parketnummer 23-002605-15) de verdachte voor het medeplegen van oplichting (feit 1) en het medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 150.000,00, subsidiair 365 dagen hechtenis.1.Verder heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven computer verbeurd verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/00517 en 23/00595. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 9 februari 2023 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam , hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de verwerping door het hof van het gevoerde 359a Sv-verweer. In het tweede middel wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de getuigen [slachtoffer 1] en [getuige ] . In het derde middel wordt geklaagd over het bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In het vierde middel wordt geklaagd over de motivering van de strafoplegging. In het vijfde middel wordt geklaagd over de vervangende hechtenis bij de opgelegde geldboete.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Het eerste middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het oordeel van het gerechtshof met betrekking tot het door de verdediging gevoerde 359a Sv-verweer aangaande de onrechtmatige opsporingshandelingen in het pand aan de [h-straat 1] te [plaats] , te weten het heimelijk binnentreden, de inbeslagneming van de computer en onderzoek aan deze computer zonder een kennisgeving van inbeslagneming achter te laten, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.”
2.2
Op de terechtzitting van het hof van 29 november 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities. De raadsman heeft daarop vervolgens nog mondeling een toelichting/aanvulling gegeven. Het hof heeft het in die pleitnotities opgenomen vormverzuimverweer waarop het middel betrekking heeft als volgt samengevat en verworpen:2.
“Verweren ten aanzien van vormverzuimen in het opsporingsonderzoek
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er onherstelbare vormverzuimen in het opsporingsonderzoek hebben plaatsgevonden, te weten de navolgende:
1. (…)
2. Bij het heimelijk binnentreden in het bedrijfspand van de verdachte op grond van artikel 126k Sv is eveneens heimelijk de computer van de verdachte in beslag genomen teneinde deze vervolgens te kunnen doorzoeken, zonder dat een bevel tot doorzoeking was verzocht en afgegeven.
Door deze vormverzuimen is de verdachte ongerechtvaardigd onderworpen aan strafvorderlijke dwangmiddelen en is er een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Zij dienen te leiden tot uitsluiting van het op onrechtmatige wijze vergaarde bewijs.
(…)
Inbeslagname van de computer en onderzoek aan de computer
Op 17 maart 2011 is heimelijk binnengetreden op grond van art. 126k Sv in de vestiging van MoneyGram aan [a-straat] , waar het bedrijf van de verdachte gevestigd was. Er was al eerder binnengetreden op 3 maart 2011 en toen was gebleken dat er een computer op het bureau in het kantoor van de verdachte stond. In het proces-verbaal van binnentreden van 24 maart 2011 staat dat in overleg met de officier van justitie is besloten om op 17 maart 2011 binnen te treden in voornoemd perceel en op basis van art. 96 Sv deze computer heimelijk in beslag te nemen. Direct na de inbeslagname dient een image (kopie) van de computer te worden gemaakt, waarna de computer weer wordt teruggegeven, aldus dit proces-verbaal. Het proces-verbaal vermeldt verder dat een bewijs van ontvangst van de inbeslagname op een later tijdstip aan de verdachte zal worden afgegeven.
Op grond van artikel 96 Sv zijn opsporingsambtenaren bij het [betreden] van plaatsen bevoegd daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en mag ten behoeve van de waarheidsvinding onderzoek worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Bij een inbeslagname dient op grond van artikel 94 lid 3 Sv een kennisgeving van inbeslagneming te worden opgemaakt en uitgereikt aan de beslagene.
De opsporingsambtenaren waren bij het binnentreden dus bevoegd de computer van de verdachte in beslag te nemen en deze aan een onderzoek te onderwerpen. Er is echter, in strijd met het bepaalde in artikel 94 lid 3 Sv, geen kennisgeving van inbeslagneming aan de verdachte uitgereikt. In zoverre is sprake van een vormverzuim. Wat dit met name kwalijk maakt is dat, volgens afspraak met de officier van justitie, de computer heimelijk in beslag is genomen en de verdachte doelbewust niet direct van het beslag in kennis is gesteld. Daarmee is doelbewust in strijd met de wettelijke voorschriften gehandeld. Dit is een ernstig vormverzuim, waarvan de verdachte nadeel heeft ondervonden. Bewijsuitsluiting zou op zijn plaats zijn indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt. Dat is evenwel niet het geval. Het hof gaat er dan ook van uit dat dit niet meer zal voorkomen. Een passende sanctie is om in deze zaak strafvermindering toe te passen.”
Het juridisch kader
2.3
Als is vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en het rechtsgevolg daarvan niet al uit de wet blijkt, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg daarvoor in aanmerking komt. Art. 359a Sv biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld de mogelijkheid af te zien van het toepassen van één van de in dit artikel genoemde rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Een beslissing tot toepassing van één van de rechtsgevolgen als bedoeld in art. 359a lid 1 Sv moet worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in art. 359a lid 2 Sv zijn genoemd, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Bij de beoordeling van “de ernst van het verzuim” zijn de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan van belang. Hierbij kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt” is onder meer van belang of en, zo ja, in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Hierbij verdient opmerking dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a lid 2 Sv.3.Waar mogelijk wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.4.Met het oog op het vorengaande mag van de verdediging die een beroep doet op een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de bovengenoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.5.
2.4
De Hoge Raad heeft in zijn laatste overzichtsarrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg over vormverzuimen en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering
2.3.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.3 met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:
“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.”
2.3.2
Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Dat volgt ook uit de onder 2.1.3 weergegeven uitgangspunten dat de rechter niet de taak en verantwoordelijkheid heeft de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken en dat hij de bevoegdheid, maar niet de plicht heeft om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek.
2.3.3
Door het verbinden van strafvermindering als rechtsgevolg aan een vormverzuim, brengt de rechter tot uitdrukking dat het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. In de toepassing van strafvermindering ligt dan ook een krachtiger, in de mate van strafvermindering tot uitdrukking te brengen afkeuring van het vormverzuim besloten dan in die enkele constatering.
2.3.4
Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Dat kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als door de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen bewijs is vergaard. Verder is toepassing van strafvermindering niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
2.3.5
Gelet op het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit is het aangewezen dat indien grond bestaat voor het verbinden van een rechtsgevolg aan het vormverzuim en het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel zich laat compenseren door strafvermindering, daarmee wordt volstaan. De toepassing van strafvermindering heeft immers in het licht van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen aanmerkelijk minder verstrekkende of willekeurige consequenties dan niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging of – onder omstandigheden, afhankelijk van het resterende bewijsmateriaal en de redengevendheid daarvan voor een eventuele bewezenverklaring – de toepassing van bewijsuitsluiting.
Bewijsuitsluiting
2.4.1
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Allereerst gaat het om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Deze categorie blijft onverkort bestaan.
2.4.2
De Hoge Raad komt wel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321. Daarin gaat het om de volgende gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn:
- “gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden” en “toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm”, alsmede
- “de – zeer uitzonderlijke – situatie (waarin het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM de rechter niet noopt tot toepassing van bewijsuitsluiting en evenmin sprake is van een op zichzelf reeds zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, maar) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen”.
2.4.3
In het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 kent elk van die twee categorieën een afzonderlijk beoordelingskader, met ook specifiek daaraan verbonden eisen met betrekking tot het stellen en onderbouwen van de voor de beoordeling relevante omstandigheden. De Hoge Raad is nu van oordeel dat kan worden volstaan met het navolgende gemeenschappelijke, meer globale beoordelingskader, omdat deze twee categorieën in de praktijk niet steeds goed te scheiden zijn en toepassing daarvan als te complex wordt ervaren.
2.4.4
Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
2.4.5
Los van de hiervoor genoemde gevallen waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er grond voor bewijsuitsluiting indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.”
De bespreking van het eerste middel
2.5
In de toelichting op het middel wordt – met verwijzing naar HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.4 – ten eerste geklaagd dat het oordeel van het hof dat bewijsuitsluiting pas op zijn plaats zou zijn “indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een vormverzuim zich structureel voordoet is – anders dan het hof lijkt te stellen – immers geen noodzakelijke voorwaarde voor bewijsuitsluiting. Ten tweede wordt geklaagd dat bovengenoemd oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Het hof legt namelijk niet uit waarom bewijsuitsluiting “dan pas” op zijn plaats zou zijn, aldus de stellers van het middel. Voorts valt niet in te zien hoe het hof ervan op de hoogte zou kunnen zijn dat het vormverzuim een structureel karakter draagt. Het hof heeft er geen blijk van gegeven dit te hebben onderzocht en heeft ook geen inzicht gegeven in de wijze waarop het tot dit oordeel is gekomen. Ten slotte heeft het hof niet uitgelegd waarin het door het hof vastgestelde nadeel voor de verdachte is gelegen.
2.6
Het hof heeft met betrekking tot het vormverzuimverweer eerst de vraag beantwoord of sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte als bedoeld in art. 359a Sv. In het licht hiervan heeft het hof geoordeeld dat art. 96 Sv een toereikende wettelijke grondslag vormt voor de inbeslagneming en het onderzoek aan de computer van de verdachte, maar dat in strijd met art. 94 lid 3 Sv is nagelaten een kennisgeving van inbeslagneming uit te reiken aan de verdachte. Dat levert volgens het hof een vormverzuim op.
2.7
Vervolgens heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het vormverzuim en, zo ja, welk rechtsgevolg de aard en de ernst van het vormverzuim betrokken. In dat verband heeft het hof overwogen dat het een ernstig vormverzuim betreft aangezien in overleg met de officier van justitie de computer van de verdachte heimelijk in beslag is genomen en de verdachte doelbewust niet direct van het beslag in kennis is gesteld. Daarmee is doelbewust in strijd met de wettelijke voorschriften is gehandeld. Verder heeft het hof overwogen dat bewijsuitsluiting op zijn plaats zou zijn indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt. Nu dat niet het geval is, gaat het hof ervan uit dat dit niet meer zal voorkomen.
2.8
Het hof heeft met deze overwegingen bij het bepalen van de ernst van het vormverzuim (mede) betekenis toegekend aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat het vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen en het dus lijkt te gaan om een incident. Anders dan de stellers van het middel menen, heeft het hof daarmee niet geoordeeld dat voor toepassing van bewijsuitsluiting slechts dan ruimte is wanneer het structurele karakter van het vormverzuim vaststaat.
2.9
De klacht dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of het vormverzuim een structureel karakter draagt, miskent dat voor zo’n onderzoek pas aanleiding is wanneer de verdediging aan de hand van buiten de voorliggende zaak reeds bekende gegevens heeft onderbouwd dat het vormverzuim een structureel karakter heeft.6.In het onderhavige geval is door de verdediging niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat het vormverzuim een structureel karakter heeft. Gelet daarop was het hof niet gehouden onderzoek te verrichten naar het eventuele structurele karakter van het geconstateerde vormverzuim.
2.10
Het oordeel van het hof dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat het vormverzuim vaker voorkomt, is feitelijk van aard en laat zich in cassatie slechts op begrijpelijkheid toetsen. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Daarbij neem ik in aanmerking dat door de verdediging niet is gesteld en onderbouwd dat het vormverzuim een structureel karakter heeft. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Dat brengt met zich dat de klacht dat, het hof geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop het hof tot het oordeel is gekomen dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat het verzuim vaker voorkomt, faalt.
2.11
Aan de stellers van het middel kan worden toegegeven dat het hof niet heeft geëxpliciteerd waarin het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel voor de verdachte is gelegen. Reden voor cassatie levert dit echter niet op. De overweging van het hof over het veroorzaakte nadeel moet namelijk worden gelezen in het licht van hetgeen door de raadsman van de verdachte omtrent het vormverzuim en het daardoor voor de verdachte veroorzaakte nadeel is aangevoerd. Blijkens de overgelegde pleitnotities heeft de raadsman hierover aangevoerd dat het nadeel is gelegen in een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en op zijn vertrouwen dat opsporingsambtenaren op een juiste en rechtmatige manier handelen. Het moet voor de verdediging dan ook duidelijk zijn geweest waarin volgens het hof het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel voor de verdachte gelegen is.
2.12
Het op het voorgaande gebaseerde (kennelijke) oordeel van het hof dat het (onherstelbare) vormverzuim, gelet op de aard en ernst daarvan, niet zodanig ernstig is dat bewijsuitsluiting is gerechtvaardigd en dat kan worden volstaan met strafvermindering, getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij weeg ik mee dat in het algemeen strafvermindering geschikt kan zijn als compensatie voor een vormverzuim dat een inbreuk heeft betekent op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte7.en dat – gelet op het uitgangspunt van subsidiariteit – daar waar mogelijk wordt volstaan met de enkele vaststelling dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim, dan wel met strafvermindering in plaats van bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.8.
2.13
Het eerste middel faalt.
3. Het tweede middel
3.1
In het middel wordt geklaagd dat “het oordeel van het hof waarbij het de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige ] en [slachtoffer 1] heeft afgewezen onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.”
3.2
Op 12 juni 2015 is de verdachte door de rechtbank Amsterdam voor schuldwitwassen, meermalen gepleegd en medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een in beslag genomen, nog niet teruggegeven computer verbeurd verklaard en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.
3.3
Op 24 juni 2015 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 25 juni 2015 is door de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemd vonnis.
3.4
De raadsman van de verdachte heeft bij tijdig ingediende appelschriftuur van 7 juli 2015 onder meer (voorwaardelijk) verzocht [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen te horen. Dit verzoek is als volgt toegelicht:
“In het kader van het hoger beroep wenst appellant in ieder geval dat de navolgende onderzoekshandelingen zullen worden verricht
Ten aanzien van feit 2 het horen van de volgende getuige(n):
1. [getuige ] , geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [plaats] Groot-Brittannië.
De rechtbank heeft appellant veroordeeld voor het schuldwitwassen van de door [getuige ] , op de rekening van [A] BV, gestorte geldbedragen. Voor het bewijs gebruikt de rechtbank onder andere de verklaring van [getuige ] van 4 maart 2012, zie bijlage II, pagina 29, punt 3.
De verdediging wenst [getuige ] te bevragen over de oplichting en in het bijzonder over hetgeen zij heeft verklaard over de door haar gedane betalingen van 24 juni 2011 en 12 juli 2011 aan [A] BV.
Appellant is ten aanzien van feit 2 vrijgesproken van het (opzet en schuld)witwassen van geldbedragen die afkomstig zouden zijn van de oplichting van de onderstaande personen:
- [slachtoffer 2] , woonachtig te Tsjechië.
- [slachtoffer 1] (of [slachtoffer 1] ), woonachtig te Singapore.
- [slachtoffer 3] , woonachtig te Duitsland.
- [slachtoffer 6] , woonachtig te Duitsland.
- [slachtoffer 4] , woonachtig te Zwitserland.
- [slachtoffer 5] .
Indien het appel van het Openbaar Ministerie zich richt tegen de vrijspraak van het witwassen van de geldbedragen van één van de bovenstaande personen, dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek tot het horen van alle personen waar het appel van het Openbaar Ministerie zich op richt.
De verdediging wil die personen dan onder andere vragen stellen met betrekking tot de vermeende oplichting(en) en of zij ooit contact hebben gehad met appellant, dan wel van appellant vernomen hebben. Het is voor de verdediging met name van belang om die personen te horen nu het dossier informatie bevat dat enkel afkomstig is van rechtshulpverzoeken. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om nader onderzoek te verrichten en de verkregen informatie te verifiëren.
Dit kan leiden tot de situatie, zoals ook door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, dat er informatie verkeerd wordt geïnterpreteerd. Rechtshulpverzoeken zijn vertaalde stukken die veelal onvolledig zijn. Zo is [slachtoffer 4] niet aangemerkt als slachtoffer van 419-fraude, zoals ten laste gelegd, maar geldt hij juist als verdachte in die zaak. Bovendien is dat rechtshulpverzoek volledig geanonimiseerd, waardoor het onduidelijk is of er überhaupt sprake is geweest van een (419-)oplichting en wie de daadwerkelijke slachtoffers zouden zijn.
Om de onduidelijkheid omtrent alle vermeende oplichtingen weg te nemen, doet de verdediging daarom het (voorwaardelijke) verzoek die personen te horen waar het appel van het Openbaar Ministerie zich op richt.”
3.5
Op 7 september 2017 heeft de raadsman van de verdachte zijn appelschriftuur schriftelijk nader toegelicht. Deze schriftelijke toelichting houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Nadere toelichting op onderzoekswensen
(…)
Feit 2
(…)
De verdediging hield in haar appelschriftuur rekening met de mogelijkheid dat het appel van het OM ook zou zien op de partiële vrijspraak inzake het witwassen onder feit 2. Daarom is de officier van justitie in voorwaardelijke zin verzocht om in dat geval een aantal getuigen te horen. Gezien het appel en het standpunt van het OM wenst de verdediging ook alle voorwaardelijk verzochte getuigen thans te horen. Naast de verzochte [getuige ] , zijn dit derhalve [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . De getuigen (onder feit 2) worden hieronder opgesomd met de benodigde gegevens.
1. [getuige ], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende aan [a-straat 1] , [plaats] te Groot-Brittannië.
2. [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1960, wonende aan de [b-straat 1] te Tsjechië.
3. [slachtoffer 1] (of [slachtoffer 1] ) wonende te Singapore, adres vooralsnog onbekend.
4. [slachtoffer 3], wonende aan [c-straat 1] , [plaats] te Duitsland.
5. [slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum] 1944, wonende aan de [d-straat 1] te [plaats] of [e-straat 1] [plaats] te Duitsland.
6. [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1945, wonende aan de [f-straat 1] [plaats] te Zwitserland.
7. [slachtoffer 5] , adres vooralsnog onbekend.
Cliënt heeft tijdens zijn verhoren aangegeven dat hij nooit van bovenstaande personen heeft gehoord. Het OM stelt zich desondanks – ook in het hoger beroep – op het standpunt dat cliënt gelden heeft witgewassen die afkomstig zijn van de oplichting van voornoemde personen. Voor een bewezenverklaring van witwassen dient echter allereerst vast te staan dat de overgemaakte geldbedragen daadwerkelijk middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van enig misdrijf. Anders dan het OM, stelt de verdediging dat niet zomaar kan worden uitgegaan van de oplichting van deze getuigen. Dit is alleen anders in de zaak van de [slachtoffer 7] en daarom is hij niet als getuige verzocht.
Dat niet zomaar kan worden uitgegaan van de oplichtingen van de getuigen (zoals ten laste is gelegd) wordt het meeste duidelijk in de zaak van [slachtoffer 5] , welke is opgenomen onder het zesde gedachtestreepje van de tenlastelegging onder feit 2. In het dossier ontbreekt zowel een aangifte, het onderzoek als enige reactie op het RHV. Er is niets toetsbaar met betrekking tot de ‘oplichting’ van de verzochte getuige. Het OM stelt dus feitelijk dat [slachtoffer 5] zou zijn opgelicht omdat hij op enig moment geldbedragen heeft gestort op een rekening die in verband wordt gebracht met 419-fraude, zonder dat dit op enige wijze is geverifieerd. Het lijkt de verdediging evident dat [slachtoffer 5] als getuige dient te worden gehoord om hem te bevragen over de gestorte bedragen (9.000 euro en 9.375 euro). Voor de overige vragen die de verdediging hem wil stellen wordt verwezen naar de appelschriftuur.
Met betrekking tot alle andere personen geldt hetzelfde als bij [slachtoffer 5] . Er wordt door het OM veel te makkelijk van uitgegaan dat de door de getuigen overgemaakte bedragen afkomstig zijn van oplichting. Ten eerste is er door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [getuige ] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] (en [slachtoffer 5] ) geen aangifte gedaan in Nederland. Ten tweede is door het Openbaar Ministerie zelf geen enkel nader onderzoek verricht naar deze oplichtingen. Ten derde is geen van de getuigen gehoord in de zaak van cliënt. Ten vierde hebben de getuigen in vrijwel iedere zaak meerdere bedragen overgemaakt naar verschillende rekeningnummers en kan niet worden gesteld dat daarmee meteen al deze bedragen zijn overgemaakt ten behoeve van 419-fraude. Het Openbaar Ministerie baseert zich bij de overtuiging dat de door de getuigen gestorte bedragen allen afkomstig zijn van oplichting vrijwel uitsluitend op de rechtshulpverzoeken. Het is derhalve in het belang van de verdachte om die informatie op enigerlei wijze te toetsen. Dit wil de verdediging doen door het horen van de bron, te weten de verzochte getuigen.
Om het standpunt, dat niet zomaar kan worden uitgegaan van de stelling dat alle getuigen zijn opgelicht, kracht bij te zetten noemt de verdediging ook nog de zaak van getuige [slachtoffer 4] . Hij heeft over een periode van meerdere jaren vele bedragen overgemaakt naar verschillende rekeningen, terwijl hij meermaals door de Zwitserse autoriteiten was gewaarschuwd dat hij werd opgelicht. Toch bleef hij doorgaan met het storten van grote bedragen. Later werd ‘slachtoffer’ [slachtoffer 4] in dezelfde zaak daarom aangemerkt als verdachte. Hoe de zaak is afgelopen is voor de verdediging onbekend, maar dat gelden zijn witgewassen uit de oplichting van [slachtoffer 4] lijkt op basis van het rechtshulpverzoek geen stand te houden. De verdediging wil [slachtoffer 4] onder andere vragen stellen omtrent de door hem overgemaakte bedragen die aan cliënt worden gelinkt door het OM.
Als laatste wil de verdediging ook de zaak van getuige [slachtoffer 2] aanhalen. Die zaak lijkt niet veel meer te bevatten dan een aangifte waarmee de lokale autoriteiten niets konden doen. Dit volgt uit het verzoek van het OM te Hradec Kralove d.d. 2 december 2010 waarin zij de Nederlandse autoriteiten vragen om de aangifte van [slachtoffer 2] op te pakken. Of dit ook daadwerkelijk is gebeurd volgt niet uit het dossier. Hieruit kan in ieder geval wel worden opgemaakt dat de Tsjechische autoriteiten de aangifte van [slachtoffer 2] niet hebben kunnen afhandelen. De verdediging wil de getuige graag vragen stellen omtrent de door haar gestorte bedragen die door het OM aan cliënt worden gelinkt en voorts vragen of er ooit iets met de zaak van [slachtoffer 2] is gebeurd.
Met betrekking tot de getuigen [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] geldt hetzelfde als hierboven, omdat ook hun rechtshulpverzoeken nauwelijks informatie bevatten. De conclusie is telkens dat niet zomaar kan worden uitgegaan van de oplichting van de personen die genoemd zijn in de tenlastelegging. Dit staat nog los van de vraag of de gestorte bedragen ook door cliënt zijn witgewassen. De verdediging wil de getuigen in ieder geval over deze twee onderwerpen vragen stellen. Voorts wil de verdediging ook de vragen stellen die in de appelschriftuur zijn genoemd.
De rechtbank heeft cliënt uiteindelijk voor het merendeel van hetgeen onder feit 2 vrijgesproken, maar wel veroordeeld voor het schuldwitwassen van de gelden uit de oplichting van “ [slachtoffer 7] ” en [getuige ] .
Met betrekking tot [getuige ] zal de verdediging daarom nog kort (extra) toelichten waarom het [getuige ] wil horen. Dit geldt naast de motivering die reeds in deze brief staat en hetgeen eerder in de appelschriftuur naar voren is gebracht. Zoals reeds benoemd heeft de rechtbank de ‘getuigenverklaring’ van [getuige ] (uit het RHV) gebruikt voor het bewijs dat er sprake is geweest van oplichting. De (vertaalde) inhoud van die verklaring is te vinden op p. 13.1009 van het dossier. Opmerkelijk is echter dat dit een getuigenverklaring betreft en geen aangifte. Deze ontbreekt in het dossier. Uit het rechtshulpverzoek wordt voorts duidelijk dat [getuige ] niet bij de zitting aanwezig wilde zijn. Het lijkt er dus op dat er in deze zaak mogelijk wel een zitting is geweest. De verdediging wenst de getuige over deze zaken te bevragen. [getuige ] heeft naar vele rekeningnummers geldbedragen overgemaakt. Hiervan zijn o.a. ook (na geruime tijd) twee geldbedragen overgemaakt naar [A] BV ten hoogte van 130.000 euro en 20.000 euro. In tegenstelling tot de overige getuigen is [getuige ] dus de enige die rechtstreeks geld heeft overgemaakt naar een rekening van een aan cliënt gelieerde rechtspersoon. De verdediging wil [getuige ] hierover vragen stellen. Dit zijn in ieder geval vragen die zien op het volgende: of [getuige ] wist dat zij naar [A] BV geld overmaakte? Zo ja, werd hierbij de naam [A] BV genoemd? Zo ja, door wie? Zo ja, of zij ooit eerder van dat bedrijf had gehoord? Waarom zij die specifieke bedragen heeft overgemaakt? Of zij ooit van cliënt heeft gehoord?, etc.”
3.6
Op de regiezitting van 27 juni 2018 zijn de onderzoekswensen van de verdediging behandeld. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de raadsman van de verdachte het verzoek tot het horen van [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen gehandhaafd. Het bovengenoemde proces-verbaal houdt hierover het volgende in:
“De voorzitter vraagt de raadsman of hij de verzoeken gestand wenst te doen en nader wenst toe te lichten. In aanvulling op de appelschriftuur, de toelichting op de appelschriftuur, en in reactie op de schrifturen van de advocaat-generaal, voert de raadsman het woord als volgt.
De verzoeken dienen getoetst te worden aan het criterium van het verdedigingsbelang.
Ten aanzien van feit 2, een feit waar mijn cliënt deels voor is vrijgesproken, is door de verdediging een voorwaardelijk verzoek ingediend, voor het geval het Openbaar Ministerie onbeperkt appel in zou stellen. De verdediging wenst de vermeende slachtoffers van de 419-fraude te horen. Het betreft aangevers, wier aangiften/verklaringen worden gebezigd tot het bewijs in de strafzaak tegen mijn cliënt. Het is een recht van de verdediging deze personen te horen, een recht dat niet ontnomen mag worden.
(…)
De raadsman reageert vervolgens op de advocaat-generaal als volgt.
Ik heb de advocaat-generaal zojuist horen zeggen dat hij tot vrijspraak zal rekwireren ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voor wat betreft [slachtoffer 5] . Voor zover mijn verzoek zag op het horen van de getuige [slachtoffer 5] , kunt u dit verzoek als ingetrokken beschouwen.”
3.7
Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2018 het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen afgewezen. Het proces-verbaal van die zitting houdt hierover het volgende in:
“De voorzitter deelt het volgende mede:
Na het intrekken en/of niet herhalen van een aantal (getuigen)verzoeken zoals opgenomen in de appelschriftuur, dient het hof te beslissen over de volgende verzoeken:
- ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging verzocht de getuigen [getuige ] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , H.R. [slachtoffer 3] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] te horen.
(…)
Ten aanzien van feit 2 deelt de voorzitter als beslissingen van [het hof] het volgende mede:
- voor het verzoek tot het horen van de getuigen geldt het criterium van het verdedigingsbelang.
- het hof wijst toe het horen van de getuigen: [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
- het hof wijst af het horen van de getuigen [getuige ] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6] . Deze personen hebben een soortgelijke aangifte gedaan en/of verklaring afgelegd als de toegewezen getuigen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Gesteld noch gebleken is dat deze personen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zodat het hof een getuigenverhoor van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voldoende representatief acht en daarmee volstaat. Daarmee is op dit moment in voldoende mate tegemoet gekomen aan de onderzoekwensen, zodat de verdediging met deze gedeeltelijke afwijzing thans niet in haar belangen is geschaad.”
3.8
Op de terechtzitting van 20 april 2022 is een aanvang gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Het proces-verbaal van die zitting houdt onder meer het volgende in:
“(…) De voorzitter merkt nog op dat de advocaat-generaal daarnaast heeft laten weten dat het Openbaar Ministerie niet zal vasthouden aan een bewezenverklaring ten aanzien van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] , zoals opgenomen onder feit 2.”
3.9
Op de terechtzitting van 29 november 2022 is de inhoudelijke behandeling van de zaak hervat.9.Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen van 20 april 2022 en 29 november 2022 heeft de verdediging zich niet uitgelaten over de gedeeltelijke afwijzing door het hof van het getuigenverzoek en heeft de verdediging niet (alsnog) verzocht om het (doen) horen [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen.
3.10
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 oktober 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader meerdere voorwerpen, te weten de navolgende geldbedragen, verworven en omgezet en gebruikgemaakt:
- een of meerdere geldbedragen afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 7] , te weten een geldbedrag van 100.000 euro en een geldbedrag van 120.000 euro en een geldbedrag van 240.000 euro en een geldbedrag van 200.000 euro en een geldbedrag van 250.000 euro en een geldbedrag van 225.000 euro en
- een geldbedrag afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 2] , te weten een geldbedrag van ongeveer 35.620 euro en;
- een geldbedrag afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 1] , te weten van 32.660,17 euro;
- geldbedragen afkomstig van de oplichting van [getuige ] , te weten een geldbedrag van 130.000 euro en een geldbedrag van 20.000 euro,
zulks terwijl hij en zijn mededader wisten, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.11
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a Sv opgenomen, bewijsmiddelen:
“Ten aanzien van feit 2 – gewoontewitwassen:
[slachtoffer 2]
8. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] van 21 augustus 2019 bij de raadsheercommissaris.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 augustus 2019 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
“Ik werd benaderd middels een brief waarin mij om hulp werd gevraagd door een stichting. De brief was niet aan mij persoonlijk gericht. De brief was in het Engels en de brief was ondertekend door [betrokkene 1] . In die brief werd haar levensloop uiteengezet en dat zij geld had waarover zij niet kon beschikken. Dat kon zij pas als zij door anderen financieel ondersteund werd. Als wij haar zouden helpen, zouden wij ook iets krijgen. Ze stuurde een certificaat dat betrekking had op een erfenis. Het betrof de nalatenschap van haar ex-echtgenoot. Zij vertelde dat zij getrouwd was geweest met een Moslim die meerdere vrouwen had en dat zij geld geërfd had. Ik zou 90% van dat bedrag krijgen en dat was rond 12,6 miljoen Amerikaanse Dollars. Zij was ernstig ziek en zou het geld niet meer kunnen opmaken. Het ging haar meer om het feit dat zij het geld niet aan alle andere echtgenotes wilde overlaten. Zij had liever dat ik het geld zou krijgen. Ze stuurde mij een foto en wij hebben twee maanden een vriendschappelijke correspondentie met elkaar onderhouden via e-mail. [betrokkene 1] zei dat ik 90% zou krijgen en zij zou nog doorgeven voor wie de rest zou zijn. Ik weet niet of dat restant dan voor een stichting zou zijn.
Ik had op 5 januari 2009 in Nederland een afspraak met [betrokkene 2] . Ik zou daar het geld overnemen. We gingen naar een huis waar 5 mensen aanwezig waren. [betrokkene 2] had een koffer met bankbiljetten bij zich. Dat geld was voor ons bestemd. [betrokkene 2] zei dat het geld moest worden schoongemaakt. Hij liet ons zien dat er geld in de koffer zat. Mijn vriendin mocht een biljet meenemen, dat mochten wij uitgeven om vast te stellen dal het echt was. Twee uur later moesten wij terugkomen. Ze zeiden dat het geld met iets wordt gemerkt waardoor het het land niet mocht verlaten. Ik zag dat er merkjes op de biljetten zaten. Ik heb het geld niet meegekregen.
Ik heb daarna nog een aantal keren geld overgemaakt. Ze zeiden dat op deze manier het geld makkelijker naar mij toe kon komen. Ik moest daarvoor formulieren invullen om een rekening bij de ING op mijn naam te openen.
9. Een geschrift, te weten een bankafschrift van [rekeningnummer 1] op naam van [B] B.V., waaruit blijkt dat op 2 september 2009 € 35.620, -, afkomstig van [slachtoffer 2] , op de rekening is gestort, terwijl het saldo op de rekening op 31 augustus 2009 € 127,93 was, en dat het saldo op de rekening twee weken later, als gevolg van een groot aantal overboekingen, € 836,28 was (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Overboekingen naar:
- 10.000 (3/9/09) naar [betrokkene 3] ovv’Shipping [naam 1] ’
- 10.000 (4/9/09) naar [betrokkene 3] ovv’Balance for [naam 1] '
[slachtoffer 1]
10. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S-062 (…).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op 22 april is een machtiging afgegeven tot het opnemen van de (data)communicatie welke via het IP-adres 195.73.1 22.249, welke op naam staat van [A] BV, verliep. In deze communicatie was te zien dat er op 5 mei 2011 twee Engelstalige e-mailconversaties bekeken werden middels het genoemde IP-adres. Van beide conversaties is niet te zien wanneer deze ontvangen zijn. Er staan alleen de tijdstippen bij van het moment dat de e-mails bekeken zijn middels het genoemde IP-adres. De conversatie was tussen de e-mailadressen [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2] . De gebruikersnaam van het [e-mailadres 1] is [betrokkene 4] en de gebruikersnaam van het e-mail adres [e-mailadres 2] is [slachtoffer 1] .
Uit de e-mailcorrespondentie valt op te maken dat [slachtoffer 1] een liter van een chemische vloeistof wil aanschaffen via de persoon [betrokkene 4] . In een door [slachtoffer 1] verzonden e-mail van 29 april 2011, blijkt dat zij voor één liter chemische vloeistof € 134.500, - zal moeten betalen.
In deze e-mail geeft zij aan dat dit een te hoog bedrag is voor haar om in één keer te betalen en daarom verzoekt zij of het mogelijk is om eerst een mindere hoeveelheid aan te schaffen met de garantie dat zij de hele liter chemische vloeistof zal aanschaffen.
Op 2 mei 2011 stuurt [betrokkene 4] een e-mail terug waarin hij bedrijfsgegevens doorgeeft met een bijbehorend rekeningnummer alwaar [slachtoffer 1] 50% van het te betalen bedrag op moet storten om de chemische vloeistof vrij te kunnen geven.
De gegevens die zij in deze e-mail opgestuurd krijgt zijn:
NAAM BANK: ABN AMRO BANK NV.
ADRES: [g-straat] , [plaats] .
NEDERLAND.
BEGUNSTIGDE: [C]
[rekeningnummer 2]
IBAN: [rekeningnummer 2]
BIC: [code]
Verder wordt er in de e-mail bij vermeld dat deze bankrekening is toegewezen door het Zwitserse agentschap en dat na de betaling van het volledige bedrag, de chemische vloeistof, zoals gepland, geleverd zal worden in [plaats] . Op 3 mei 2011 wordt een identieke mail gestuurd naar [slachtoffer 1] . In de laatst gestuurde e-mail geeft [slachtoffer 1] aan dat zij 60.000,- Sgd (Singapore Dollar) heeft overgemaakt op het rekeningnummer via de United Overseas Bank en daar graag een bevestiging van ontvangt.
De gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres 2] noemt zich in de e-mails [slachtoffer 1] . Op het rekeningafschrift van [e-mailadres 2] is te zien dat het bedrag van € 32.660,17 gestort is door ene " [slachtoffer 1] " uit Singapore. Het vermoeden is dat de vier letters van het e-mail adres staan voor [slachtoffer 1] . Dit wordt versterkt door het feit dat in de e-mailcorrespondentie wordt verteld dat er 60.000,- Singapore dollar is overgemaakt.
Tevens heb ik, verbalisant, de koers bekeken van de Singapore Dollar rond 5 mei 2011. Op 2 mei 2011 stond de koers op 1,8149. Op 6 mei 2011 stond de koers op 1.7797. Gemiddeld komt dit neer op een koers van 1,7973. Met deze gemiddelde koers is de tegenwaarde van . 60.000,- Singapore Dollar in euro's € 33.383,41. Dit bedrag komt redelijk overeen met het gestorte bedrag op de rekening van [C] door [slachtoffer 1] .
11. Een geschrift, te weten een Nederlandse vertaling van een aangifte van [slachtoffer 1] van 8 september 2011 (…).
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer 1] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
“Via ‘okcupid.com’ kwam ik ergens in maart 2011 in contact met [betrokkene 5] . Hij vertelde mij dat hij een erfenis had ontvangen van 3.500.000,00 euro. Hij zei dat, omdat hij bij de United States Marine Reserves zat, het geld niet op zijn rekening kon storten. Hij vroeg mij of ik naar [plaats] kon gaan om daar een bankrekening te openen en het geld zou vervolgens op mijn rekening worden gestort. Hij zei echter dat ik, om deel uit te kunnen maken van de erfenis, een bedrag van € 2.330,60 voor de procedure moest betalen. De procedure zou worden afgehandeld door zijn vriend, [betrokkene 4] . Op 2 april 2011 ben ik naar de Western Union gegaan om het genoemde bedrag over te maken aan ' [betrokkene 6] . Begin april 2011 ben ik naar [plaats] gevlogen waar ik [betrokkene 4] ontmoette, die zei dat hij een vriend van [betrokkene 5] was en een medewerker van de SNS bank die ik alleen als [betrokkene 7] ken. Zij maakten een kopie van mijn paspoort en ik moest mijn handtekening zetten. Daarna vroeg [betrokkene 4] om € 5.000,00 voor het openen van een rekening bij de SNS bank. Ik heb het geld opgenomen en aan [betrokkene 4] overhandigd. Op 10 mei 2011 ontving ik een mail van [betrokkene 4] waarin hij mij vroeg om € 6.000,00 over te maken voor het openen van de bankrekening en wat belastingzaken. Ik heb het geld overgemaakt aan ‘ [betrokkene 8] ’.”
12. Twee geschriften, te weten bankafschriften van [rekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 3] h/o [C] , waaruit blijkt dat op 5 mei 2011 € 32.660,17, afkomstig van [slachtoffer 1] , op de rekening is gestort, terwijl het saldo op de rekening op dat moment € 66,16 debet was, en dat het saldo op de rekening op 12 mei 2011, als gevolg van een groot aantal overboekingen, € 85,04 was (…).
Deze geschriften houden verder in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
Dat op 7 mei 2011 € 2.000,00 is overgemaakt aan hypotheekkosten, € 71,53 voor de verzekering van een auto, merk Saab, alsmede een bedrag van € 600,00 aan de Nuon. Ook wordt geld overgemaakt naar diverse bedrijven, waaronder [D] , [A] BV, [E] BV, [F] .
Slachtoffer [getuige ]
13. Een geschrift, te weten een Nederlandse vertaling van een getuigenverklaring van [getuige ] van 4 maart 2012 (…).
Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [getuige ] , voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
“Via de website www.friendsreuniteddating.co.uk kwam ik in contact met [betrokkene 9] . Hij vertelde mij dat hij als Amerikaanse soldaat diende in Irak, maar dat hij in het Verenigd Koninkrijk een huis en een kind had. Hij vertelde mij dat hij weduwnaar was. Op enig moment vertelde hij me dat hij geld nodig had om me te bellen en dat ik hem 200 pond moest sturen. Daarna vertelde hij dat hij me zijn naaste familie wilde maken. Hij zou ontslag uit dienst aanvragen en gaf aan dat ik mij moest melden bij de Veterans Association om zijn uitkeringen te ontvangen, omdat ik was opgegeven als zijn naaste familielid. Ik moest daarvoor formulieren invullen. Ik stuurde het op en ontving e-mail van een man die beweerde [betrokkene 9] commandant te zijn, ene [betrokkene 10] . Hij raadde aan om Western Union Money Transfers te gebruiken om de verschillende betalingen te doen. Ik vroeg hem waarom het geld naar Nigeria werd gestuurd. [betrokkene 9] 's pensioen, dat zou 2,5 miljoen dollar zijn, moest in [plaats] geïnd worden. Op 9 mei 2011 ben ik naar [plaats] gegaan. Ik moest daar het geld controleren in een koffer. De mannen vertelden mij dat de bankbiljetten waren gemerkt om veiligheidsredenen en dat een speciale procedure moest worden uitgevoerd om deze te verwijderen. Ze zeiden dat ze meer reinigingsmiddel nodig hadden. Ik kreeg een aantal biljetten dat ik mocht omwisselen om het te controleren. Ik kreeg later bericht dat het oplosmiddel uit Singapore moest komen en dat ik 80.000 dollar moest betalen. Daarna moest ik invoerrechten betalen van 9.000 pond. Vervolgens moest ik een rekening bij de ING openen. Ik moest toen 10% belasting betalen voor het geld. Op 24 juni 2011 heb ik een betaling gedaan van € 130.000,00 en daarna nog een betaling van € 20.000,00.”
14. Twee geschriften, te weten bankafschriften van bankrekeningnummer 43.41.56.043 op naam van [A] B.V., waaruit blijkt dat op 24 juni 2011 € 130.000,- en op 12 juli 2011 € 20.000, -, afkomstig van [getuige ] , op de rekening is gestort, terwijl het saldo op de rekening op 31 mei 2011 € 8.389,54 debet was, en dat het saldo op de rekening op 29 juli 2011, als gevolg van een groot aantal overboekingen en pasopnames, nog slechts € 9.128,14 debet was (…).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Na overboeking van € 130.000,- op 24 juni 2011:
28-06-2011 € 23.000,- [G] , omschrijving: order no-165090-2 tractor unit-iveco-440s43 manual
28-06-2011 € 40.000,- [I] EK, omschrijving: aheahy duty and transport equipmentref-amob2011002
30-06-2011 € 7.250,- [J] , omschrijving: Chassis: [nummer] Kenmerk: Renault [kenteken]
01-07-2011 € 35.000,- [K] Itd, omschrijving: paymntdrgerequipmentsandparts
04-07-2011 € 12.000 [K] Itd, omschrijving: gerequipments drg1107001
Totaal € 117.250,-
En na de [getuige ] -overboeking van € 20.000,- op 12 juli 2011:
14-07-2011 € 6.850,- [K] Itd, omschrijving: gerequipments drg1107002
14-07-2011 € 10.000,- [D] , omschrijving: debiteur-no-80001.
Ook blijkt hieruit dat op 22 juli 2011 een bedrag van € 1.635,00 is overgemaakt naar [verdachte] , onder vermelding van ‘salaris juli 2011.’ Op diezelfde datum is ruim € 2.000,00 ten behoeve van ‘huur juli 2011’ overgemaakt.
15. Een proces-verbaal van bevindingen omtrent laptop en veiligstellen data van 29 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisant, S-027 (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover relevant en zakelijk weergegeven:
Inbeslagname laptop
Op dinsdag 22 november 2011 is bij gelegenheid van een doorzoeking in perceel [h-straat 1] te [plaats] , onder leiding van de officier van justitie in een kantoorruimte een laptop, merk Compaq type Presario, nummer 2CE91147PL in beslag genomen onder nummer CE.1.1.1.
Deze laptop werd mij op 22 november 2011 voor onderzoek aangeboden.
Tevens zag ik een Word-bestand op de locatie
/Partition 1/NONAME [NTFS]/[root]/Users/ [verdachte] - [A] /Documents/
GENAAMD 24.docx.
Dit bestand is vermoedelijk gemaakt op 25-6-2011.
Uit de bestandskenmerken blijkt dat de auteur [verdachte] - [A] is.
De inhoud van dit bestand heb ik hieronder weergegeven:
24-06-2011
ONZE REF: [rekeningnummer 3]
OORSPR. EUR 130000,00
ONTV AAB EUR 130000,00
GEDEELDE KOSTEN OPDR./BEGUNST.
KOSTEN AAB EUR 70,00
[getuige ]
[plaats] GLOUCESTERSHIRE
GL526HP UK
REASON TAX PAYMENT REF [getuige ] .
Ten aanzien van feit 1 en feit 2 – overkoepelend:
16. Een proces-verbaal van relaas, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisant, S031 (…).
Gegevens Kamer van Koophandel (KvK)
Conform de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) zijn in het perceel [h-straat 1] te [plaats] Zuidoost, viertal bedrijven ingeschreven/gevestigd te weten:
[A] B.V.
Onderneming werd gedreven door de voornoemde [verdachte] . [verdachte] was tot 21 juli 2011 eigenaar van [A] BV. [A] BV is opgericht op 7 januari 2001 en voert als bedrijfsomschrijving het volgende: “Groothandel en detailhandel, im- en export van foto- en telecomartikelen.”
Rechtspersonen van de verdachte [medeverdachte 3]
Gegevens Kamer van Koophandel (KvK)
Conform de gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) zijn de navolgende bedrijven van [medeverdachte 3] bekend te weten:
[B] BV
Onderneming wordt gedreven door voornoemde verdachte [medeverdachte 3] .
Bedrijfsomschrijving: [B] BV is opgericht in 2007 en voert als bedrijfsomschrijving het volgende: ‘Holdingactiviteiten.’
[M] BV
Onderneming wordt gedreven door voornoemde verdachte [medeverdachte 3] .
Bedrijfsomschrijvinq:
[M] BV is opgericht in 2007 en voert als bedrijfsomschrijving het volgende: ‘Holdingactiviteiten en consulting en projectmanagement.’
Rechtspersonen van [medeverdachte 3]
Bij de volgende rechtspersonen is [medeverdachte 3] betrokken (geweest) in de hoedanigheid van directeur.
Actueel:
• [B] BV (vanaf 2008) en [M] BV (vanaf 2007) staan beiden ingeschreven op het woonadres van [medeverdachte 3] .
Verleden:
• [Q] (gestopt in 1999), [O] VOF (gestopt in 2007), [C] (gestopt in 2007).
17. Een geschrift, te weten een getapt telefoongesprek van 11 februari 2011 om 21:56 uur tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en een NN-man bellend met [telefoonnummer] (het hof begrijpt verder: [medeverdachte 1] ) (…).
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
NN: Ik heb de persoon gevraagd om het bedrag te betalen. Heb je nog een andere bankrekening in plaats van de bankrekening hier? (...)
NN: Die persoon wil 24 betalen. (...)
NN: Die persoon vertelde dat hij/zij twee keer het geld had overgemaakt en als hij/zij deze keer weer geld overmaakt, wordt hij misschien gevraagd waarom hij steeds het geld overmaakte naar die bankrekening. Ik had die verteld dat er geen probleem is als het voor hem is.
[verdachte] : Ik had jou gezegd dat er geen probleem is. Het is nu te laat om bij elkaar te zijn, zodat we samen kunnen zitten en praten. Ik had jou eerder verteld dat we wat sterker/groter (fon) kunnen ophalen.
18. Een geschrift, te weten een getapt telefoongesprek van 24 februari 2011 om 13:23 uur tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) (…).
Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Wat is er aan de hand?
[medeverdachte 1] : De persoon wil nog een bedrag betalen.
[verdachte] : Meen je het?
[medeverdachte 1] :Ja.
[verdachte] : Hahaha.
19. Een geschrift, te weten een getapt telefoongesprek van 24 februari 2011 om 13:27 uur tussen [verdachte] en een NN-man 7420 (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte 3] ) (…).
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[verdachte] verzoekt de NN-man langs te komen voordat NN-man naar het huis van geld terecht zal vertrekken. NN-man vraagt wat de bedoeling is. [verdachte] verwijst naar die ene vent en zegt dat deze vent nog meer zou willen betalen.
20. Een geschrift, te weten een getapt telefoongesprek van 24 februari 2011 om 18:08 uur tussen [verdachte] ( [verdachte] ) en [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) (…).
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 1] : [naam 3] , kan je die bankrekening sturen?
[verdachte] : Welke?
[medeverdachte 1] : Die bankrekening waarmee we hadden over gehad.
[verdachte] : De andere ... de tweede bankrekening toch?
[medeverdachte 1] : Ja. (...)
[medeverdachte 1] : Je moet eerst die bankrekening sturen, zodat ik die kan doorsturen. Als die persoon wil storten, zal hij vanavond regelen.
[verdachte] : Oke, het is geen probleem.
21. Een geschrift, te weten een weergave van een OVC-gesprek van 22 juni 2011 tussen [verdachte] ( [verdachte] ), [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 3] ( [medeverdachte 2] ) (…)
Dit geschrift houdt onder meer in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 1] : De lijn van de man ging eindelijk over.
[verdachte] : Bedoel je die opa?
[medeverdachte 1] : Ja.
[verdachte] : Heb jij met hem gesproken?
[medeverdachte 1] : Ja, net die man. Ik dacht dat zijn lijn afgesloten was.
[medeverdachte 2] : Ik zit aan hem te denken sinds een week geleden, daarom heb ik jou verzocht of je hem wil bellen.
[medeverdachte 1] : Het lijkt of de man eenzaam is.
[verdachte] : Eeeeeh, het heeft te maken met zijn oude leeftijd.
[medeverdachte 1] : De man riep me [betrokkene 13] , [betrokkene 13] , [betrokkene 13] , welke zaak hebben wij samen.
[verdachte] : Eeeh... ook met al dat geld. (…)
[medeverdachte 1] : Ik zeg tegen hem dat ik geen spijt wil hebben dat ik deze kant op moet komen. Hij vroeg waarom? Dat hoeft niet maar vertel mij gewoon wat voor zaak wij samen hadden. Ik zei dat ik [betrokkene 13] was uit Londen. Hij zei, het spijt me ik ben niet in de stemming om nu met jou te praten en ik weet niet weet wie [betrokkene 13] is en vroeg of wij een andere keer kunnen praten. (...)
[medeverdachte 1] : Ik heb die man verteld dat ik nu de gelegenheid heb en dat de persoon die de zaak behandelt in London en toen de tweede persoon die dossier zag, belde hij mij en vroeg wat het probleem was. Daarom ben ik hier vandaag snel naartoe gekomen.
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 1] : En toen schreuuwde de man Oooo ooh, O Mijn God. Mijn vriend, waar ben jij geweest.
(NOOT TOLK: Alle drie lachten)
[medeverdachte 1] : Ik meen het.
[verdachte] : Het heeft te maken met zijn oude leeftijd, dementie, het is dementie, hij kan niet meer normaal denken.
[medeverdachte 1] : Ja, waar ben jij geweest?
[verdachte] : Als hij zulke dingen vergeet, misschien is hij ver van huis.
[medeverdachte 1] : Misschien wordt hij gebracht naar een plaats om te genezen.
[verdachte] : Om te kijken of hij nog in staat is of niet.
[medeverdachte 1] : Hij zei, jij had meer dan één MILJOEN van mij afgenomen en je hebt niets geleverd. Waarom?
(NOOT TOLK: Alle drie lachen heel hard).
[medeverdachte 1] : Ik zei, waar heb jij het over? één miljoen., ik heb jou drie koffers gegeven maar je kon niet ....ntv...
[verdachte] : Jij weet hoe je best kan liegen. Dat was een goed idee .
[medeverdachte 1] : Ik zei tegen die man dat ik het geld had geleend en ik de auto van mijn vrouw had verkocht en dat wij onze bezittingen hadden verkocht en erin gestoken ntv.
[verdachte] : Je had bezittingen moet zeggen, auto is niet veel waard.
[medeverdachte 2] : Het maakt niet uit. Jij had jouw kleine ding verkocht, dat is belangrijk.
[medeverdachte 1] : Ik zei dat we geen vervoer meer hebben en dat we ook negentigduizend hadden geleend.
Mijn vrouw is nu verhuisd naar onze kennis omdat haar vriendin ons lastig valt. Hij zei, luister jij hebt veel geld van mij afgepakt (NOOT TOLK: Ze lachen alle drie) Ik was verbaasd.
[verdachte] : Ik heb jou verteld hoe jij hem kan benaderen, misschien kunnen wij hem van jou overnemen.
[medeverdachte 1] : Nee, nee hij moet mijn stem blijven horen, snap je.
[verdachte] : Oké, ze willen graag je stem horen.
[medeverdachte 2] : Maar nu dat je hem hebt verteld dat je in Londen bent, voordat je uit Londen vertrekt wil ik met hem praten .
[verdachte] : Dus hij weet dat hij bijna één miljoen heeft uitgegeven?
[medeverdachte 1] : Ja, hij zei, mijn vriend waar ben jij geweest. Ik ga bijna dood.
[verdachte] : Misschien wist hij niet hoe hij jou kan bereiken.
[medeverdachte 1] : Misschien is hij mijn nummer kwijtgeraakt.
[verdachte] : Dat is dementie. Dementie (…)
[medeverdachte 1] : Misschien is hij alles vergeten, de dingen dat hij toen moest meenemen en alles opschrijven samen met zijn familie. Dat is niets voor deze man. Het ding dat deze man zoekt is meer dan dit.
[medeverdachte 2] : Wij gaan hem beter pakken dan met/als Zwitserland.
[verdachte] : Schakel de Zwitserland-zaak in.
[medeverdachte 1] : Nee ik heb tegen hem gezegd dat die man druk is en dat ik morgen ga vertrekken. Kunnen wij vandaag praten. Het lijkt of hij met iemand is.
[verdachte] : Misschien is hij naar het bejaardentehuis gebracht.
[medeverdachte 1] : Ja dat is best mogelijk. Hij vraagt of ik hem morgen in de ochtend wil bellen. Ik heb tegen hem gezegd dat ik weg wil gaan en dat wij zullen kijken wat we kunnen doen. Ik heb hem verteld dat als ik wegga, dat ik iemand ga ontmoeten die ons wil/kan helpen. Toen zei hij van oké oké oké... Toen zei hij dat hij nu weet met wie hij praat omdat hij mijn stem heeft gehoord, heeft hij weer leven. Hij zei dat ik hem morgen moet bellen want ik had hem gezegd dat ik morgen een vlucht heb. Hij zei alsjeblieft wacht even, laten wij morgen praten. Ik zei dat ik direct naar zijn kantoor zal gaan en vandaaruit weg zal gaan.
[medeverdachte 2] : Oké dat is goed. (…)
[verdachte] : Dat is dementie. Hij heeft last van dementie.
[medeverdachte 2] : Ja, natuurlijk.
[verdachte] : Hij 84 toch?
[medeverdachte 1] : Ja, hij is 84 jaar.
[medeverdachte 2] : Dementie, ze vergeten dingen (...)
[medeverdachte 1] : Hij zei ook: Maar je hebt heeft veel gepakt en je heeft niets geleverd (NOOT TOLK: [medeverdachte 1] lacht)
[verdachte] : (NOOT TOLK: [verdachte] citeert wat die 84 jarige man tegen [medeverdachte 1] had gezegd) :”Ja, je hebt niet geleverd.” (...)
[medeverdachte 1] : Die man wil niet dat iemand anders weet, alleen zijn zoon is degene dat er... .(NOOT TOLK: maakt zin niet af).
[medeverdachte 2] : ..nee het Zwitserland-ding moet worden toegepast. Wij moet op hem gaan werken/aan de slag gaan.
[medeverdachte 1] : We gaan die man op digi (fonetisch.) zetten.
[verdachte] : Kan hij e-mail ontvangen?
[medeverdachte 2] : Ja hij ontvangt e-mail.
[medeverdachte 1] : Die man?
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 1] : Jazeker, zelfs op zijn Blackberry. Toen hij naar ons kwam, beantwoordde hij ons in zijn auto. De mensen die voor hem werken kunnen soms e-mails voor hem beantwoorden en doorsturen.
[verdachte] : Als hij ons nog één M (fon) kan geven .... (NOOT TOLK: maakt zin niet af)
[medeverdachte 1] : Als die man kan ons garanderen nog vijf M (fon) dan kunnen wij...(NOOT TOLK: maakt zin niet af).
[verdachte] : Ik vind jouw manier leuk.
[medeverdachte 1] : Ja, waarom niet. Het is niet contant dat ding., het geld betreft 25.
[verdachte] : Oké. Hoeveel geld wil je ophalen? 17 miljoen?
[medeverdachte 1] : Volgens mij is het 17 miljoen of 25. Hij gaat ons dat geld niet geven..
[verdachte] : ..als zakelijk onderpand?
[medeverdachte 1] : Ja klopt maar wij hebben het nodig als zakelijk onderpand.
[medeverdachte 1] : Ik heb hem verteld dat ik een klant hebt die de transactie zal doen en dat hij niet hoeft te betalen voor niets. Ik heb gezegd dat wij naar de bank zijn geweest maar de bankofficier vertelde dat hij de bankgarantie nodig heeft en dat wij hebben gegarandeerd dat wij de garantie zullen regelen. De bank gaat dat regelen, de bank zal hem dat geven.
[verdachte] : Laten wij hopen dat die man nog niet is gebracht naar het bejaardenhuis. Daar ben ik bang voor, maar je hebt geen lef om met hem te praten.
[medeverdachte 1] : Als ik besluit om met hem te praten dan vergeet ik het weer. Ik probeer veilig te stellen wat wij in het verleden hebben gegeten. (NOOT TOLK: [medeverdachte 1] lacht) Ik heb medelijden met die man.
[verdachte] : Jij moet de klus nu overdragen.
[medeverdachte 1] .Jaja.
[verdachte] : Jij heb je best gedaan. Op deze manier gaan wij deze man testen of hij in staat is, (NOOT TOLK: [verdachte] roept: [naam 4] !). [naam 4] jij bent niet enige die het gaat lukken.. Wij moeten geld verdienen., als je deze man kan afhandelen.
[medeverdachte 1] : Lacht .... Als het mogelijk is moet je naar London.
[medeverdachte 2] : Ja hoor.
[medeverdachte 1] : Ik zal hem zeggen dat je hierheen komt, ik vertrouw je. Je gaat je netjes aankleden en hem ontmoeten.
[medeverdachte 2] : Waarom niet, dan is het wel overtuigend, binnen twee tellen klaar.
[medeverdachte 1] : Als jij wilt, kan ik die man uitnodigen om hier te komen voor een ontmoeting of hij kan naar Londen komen.
[medeverdachte 2] : Ja, ik zal een goedkope ticket kopen naar Heathrow. Als hij mij belt zal ik hem vragen of hij naar Heathrow wil komen omdat ik een overstap maak met een andere vlucht. Dan kunnen wij ergens gaan zitten op Heathrow en praten.
[medeverdachte 1] : Ja, ja. wij moeten deze man ’programmeren’ (voorbereiden) voor een andere grotere klus.
[medeverdachte 2] : Ja, grotere klus de ZWITSERLAND-klus....ntv....
[medeverdachte 1] : Ja, zo moeten we het afhandelen, hij vroeg mij nog ‘ [betrokkene 13] waar ben jij geweest’(lacht). Elke keer als ik hem wil bellen, weet ik niet waar ik moet beginnen. Ik denk dat er binnenkort iets gaat gebeuren.
Vanaf 20:20:33
[verdachte] : Mijn vriend [betrokkene 13] !!
[medeverdachte 1] : Hij zei, vertel mij over onze zaak!
[verdachte] : Hij is alles vergeten, later wist hij weer wie jij was..
[medeverdachte 1] : Hij zei, vertel mij over onze zaak
[medeverdachte 1] : Toen ik tegen hem zei dat ik geen spijt wil krijgen om naar Londen te komen, zei hij ‘vertel mij onze zaak wat is onze zaak’ hebben wij elkaar ooit ontmoet, [betrokkene 13] , [betrokkene 13] .. en toen zei ik [betrokkene 13] van de [P] en toen schreeuwde hij, ooh [P] , [betrokkene 13] mijn vriend hoe gaat het met jou ... (NOOT TOLK: Iedereen lacht).
[verdachte] : Mijn vriend [betrokkene 13] .. Deze naam heeft ons heel veel geld bezorgd hoor....
[medeverdachte 1] : Die naam is geweldig..
[verdachte] : Wat is de volgende stap nu?
[medeverdachte 2] : Er zijn twee opties ... nvt
Vanaf 21:06 uur:
[medeverdachte 1] : Nadat de code is geïnstalleerd, moet jij met jouw nummer de persoon bellen. Met dit kan jij direct de man bellen. Jij hoeft niet heen en weer gaan bellen.
[medeverdachte 2] : Oké.
[verdachte] : [medeverdachte 2] zal de man lastig gaan vallen. Jij zal de man niet laten slapen.
[medeverdachte 2] : Ik zal de man niet lastigvallen. Nu moet de man rustig slapen (noot tolk: [medeverdachte 1] moet hierom lachen). Met dit nummer moet ik de Amerikaan bellen toch?
[medeverdachte 1] : Ja.”
3.12
Het hof heeft in zijn arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
”Inleiding
Het onderzoek 13Count vangt aan met het vermoeden dat de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zich bezighouden met zogenoemde ‘4l9-fraude’. Voor de overzichtelijkheid zullen zij hierna telkens bij naam worden genoemd.
Deze vorm van fraude kenmerkt zich doordat de fraudeurs personen benaderen via brieven, faxen of e-mail, waarin wordt gevraagd medewerking te verlenen door hun bankrekening ter beschikking te stellen om een groot geldbedrag te ontvangen, waarbij een bepaald percentage als beloning in het vooruitzicht wordt gesteld. Zij dienen dan vooraf een ‘fee’ over te maken, waardoor de bedragen zouden vrijkomen. Voor de herkomst worden verschillende redenen opgegeven, zoals een erfenis of familiekapitaal. Indien mensen erop reageren, ontvangen zij officieel uitziende documenten van banken of overheidsinstellingen.
Ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde personen was sprake van een bepaalde modus operandi. Deze personen zijn allemaal benaderd met het verzoek om geld over te maken, waardoor een groot geldbedrag zou vrijkomen, met de belofte dat deze personen als vergoeding hiervoor een grote som geld zullen ontvangen. Vervolgens vindt er veelal een ontmoeting in [plaats] plaats, waarbij een koffer met geld wordt getoond. Op de biljetten zitten rode merktekens die met een dure chemische vloeistof, waarvoor de benadeelden ook dienen te betalen, gereinigd moeten worden. De benadeelden zijn overgegaan tot betaling van aanzienlijke geldbedragen, waarna de fraudeurs uit beeld zijn verdwenen.
Op het adres aan de [h-straat 1] te [plaats] -Zuidoost was 'MoneyGram' gevestigd. Blijkens de gegevens van de KvK is onder andere het bedrijf van [verdachte] , [A] BV (hierna ook: [A] ), op dat adres ingeschreven. Tijdens een doorzoeking zijn ordners aangetroffen met administratie die ziet op transacties en betalingsverkeer. In het onderzoek zijn ongeveer 30 bankrekeningen naar voren gekomen. In totaal is bijna 2 miljoen overgeboekt naar bedrijven die vrachtwagens en dergelijke verkocht hebben. Deze betalingen zijn gedaan nadat vrachtwagenhandelaars uit Nigeria Naira’s gestort hadden bij [verdachte] / [A] . Het geld dat afkomstig is van de slachtoffers is gebruikt voor de betaling van de vrachtauto’s, auto-onderdelen dan wel het transport daarvan.
(…)
Feit 2: gewoontewitwassen
[slachtoffer 2]
heeft in haar getuigenverklaring bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij een brief ontving waarin om hulp werd gevraagd door ene [betrokkene 1] , namens een stichting. In die brief wordt [betrokkene 1] 's levensloop uiteengezet en wordt geschreven dat zij geld had waarover zij niet kon beschikken. Zij zou pas over dat geld kunnen beschikken als zij door anderen financieel ondersteund werd. Als [slachtoffer 2] haar zou helpen, dan zou zij een bijdrage krijgen, namelijk 90% van het bedrag en dat zou neerkomen op 12,6 miljoen dollar. Zij stuurde een certificaat dat betrekking had op een erfenis van haar ex-echtgenoot. Zij was ernstig ziek en zou het geld niet meer kunnen opmaken, maar zij wilde niet dat het geld terechtkwam bij de andere ex-echtgenotes van haar ex-echtgenoot. In januari 2009 had [slachtoffer 2] een afspraak in Nederland met [betrokkene 2] en nog andere personen. [betrokkene 2] had een koffer met bankbiljetten bij zich en dat geld was voor [slachtoffer 2] . [betrokkene 2] zei dat het geld moest worden schoongemaakt. Zij mocht een biljet meenemen om de echtheid daarvan vast te stellen. Haar werd verteld dat het geld met iets werd gemerkt waardoor het geld het land niet kon verlaten. [slachtoffer 2] zag dat er inderdaad merkjes op de biljetten zaten. [slachtoffer 2] heeft daarna nog een aantal keer geld overmaakt. Haar werd voorgehouden dat daardoor het geld gemakkelijker naar haar toe zou komen.
Uit een bankafschrift op naam van [B] BV blijkt dat op deze rekening € 35.620,00, afkomstig van [slachtoffer 2] , is gestort. Dit bedrag is binnen twee weken nadien nagenoeg volledig uitgegeven. Er zijn onder meer betalingen gedaan ten behoeve van een klant van [verdachte] , genaamd [betrokkene 11] .
[slachtoffer 1]
Op 22 april 2011 is een machtiging afgegeven tot het opnemen van (data)communicatie via het IP-adres van [A] BV. Uit deze communicatie bleek dat er in mei 2011 e-mailcorrespondentie was geweest tussen ene [betrokkene 4] en [slachtoffer 1] . De communicatie gaat over de aanschaf van een liter chemische vloeistof. [slachtoffer 1] zou daarvoor € 134.500 moeten betalen. Op 2 mei 2011 schrijft [betrokkene 4] dat [slachtoffer 1] in ieder geval 50% moet betalen voor de vloeistof op een rekeningnummer op naam van [C] .
[slachtoffer 1] heeft verklaard in haar aangifte dat zij via een datingwebsite in contact kwam met ene [betrokkene 5] en dat hij haar vertelde dat hij een erfenis van 3.5 miljoen euro had ontvangen, maar het geld niet op zijn eigen rekening kon storten omdat hij bij de United States Marine Reserves zat. Hij vroeg of zij naar [plaats] kon gaan om daar een bankrekening te openen en zei dat het geld vervolgens op haar rekening zou worden gestort. Om een deel van de erfenis te ontvangen moest zij een bedrag van € 2.330,60 voor de procedure betalen. De procedure zou worden afgehandeld door een vriend van [betrokkene 5] , [betrokkene 4] . In april 2011 is [slachtoffer 1] naar [plaats] gegaan waar zij [betrokkene 4] en een medewerker van de SNS bank, genaamd [betrokkene 7] , ontmoette. [betrokkene 4] vroeg haar om € 5.000,00 voor het openen van een rekening bij de SNS bank. Zij heeft dit geld vervolgens opgenomen en aan hem overhandigd. Later vroeg [betrokkene 4] aan haar om nogmaals € 6.000,00 over te maken voor het openen van een bankrekening en wat belastingzaken.
Op rekeningafschriften is te zien dat [slachtoffer 1] een bedrag van in totaal € 32.660,17 heeft gestort op de bankrekening van [C] , een vennootschap van [medeverdachte 3] . Binnen twee weken is al het geld uitgegeven, onder meer aan hypotheekkosten van [medeverdachte 3] , kosten voor de verzekering van de auto van [medeverdachte 3] en energiekosten. Ook is geld overgemaakt naar [A] en naar exportbedrijven.
Slachtoffer [getuige ]
heeft verklaard dat zij via een datingwebsite in contact is gekomen met ene [betrokkene 9] . [betrokkene 9] vertelde dat hij Amerikaanse soldaat was, naar Irak uitgezonden was geweest en dat hij in het Verenigd Koninkrijk een huis en een kind had. Hij vertelde dat hij weduwnaar was en dat hij wilde dat zij onderdeel zou uitmaken van zijn familie. Hij zou uit dienst gaan en zij moest zich dan aanmelden bij de Veterans Association om zijn uitkeringen te ontvangen. Zij moest daarvoor formulieren invullen. Daarop ontving zij een e-mail van ene [betrokkene 10] , die beweerde de commandant van [betrokkene 9] te zijn. Hij raadde haar aan om Western Union Money Transfers te gebruiken om de verschillende betalingen te doen. Het pensioen van [betrokkene 9] , dat 2,5 miljoen dollar zou bedragen, moest in [plaats] geïnd worden. Vervolgens is [getuige ] op 9 mei 2011 naar [plaats] gegaan om daar het geld te controleren. Het geld zat in een koffer en de mannen vertelden dat de bankbiljetten waren gemerkt uit veiligheidsoverwegingen en dat een speciale procedure moest worden gevolgd om deze markering te verwijderen. Ze zeiden dat ze meer reinigingsmiddel nodig hadden. [getuige ] kreeg een aantal biljetten die zij mocht omwisselen ter controle. Later ontving zij bericht dat het oplosmiddel uit Singapore moest komen en dat zij daarvoor € 80.000,00 moest betalen, alsmede de invoerrechten van 9.000 pond. Daarna zou zij nog 10% belasting moeten betalen.
Uit bankafschriften op naam van [A] B.V. blijkt dat op 24 juni 2011 een bedrag van € 130.000,00 en op 12 juli 2011 een bedrag van € 20.000,00 door [getuige ] op deze rekening zijn gestort. Op de laptop van [A] is een Word-document aangetroffen waarin deze transactie wordt vermeld. Vervolgens vinden diverse betalingen plaats aan bedrijven ten behoeve van vermoedelijk auto’s, dan wel auto-onderdelen. Ook wordt geld overgemaakt naar [verdachte] zelf onder vermelding van ‘salaris juli 2011’.
Betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [verdachte] bij de oplichting en het gewoontewitwassen
Uit de getapte telefoongesprekken blijkt dat onder andere [verdachte] en [medeverdachte 3] gesprekken hebben gevoerd over de oplichtingspraktijken. In een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt gezegd dat aan een persoon gevraagd is om het bedrag te betalen en dat [verdachte] vervolgens zegt dat zij meer kunnen ophalen. Als [medeverdachte 1] vervolgens zegt dat de persoon nog een bedrag wil betalen, vraagt [verdachte] of hij dat meent en wordt er gelachen. In een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] zegt [verdachte] dat die ene vent nog meer wil betalen. In een ander gesprek tussen hen drieën lachen zij om een man, aan wie zij refereren als ‘die opa’, die meer dan een miljoen aan hen heeft betaald. Ze spreken ook over de leeftijd van de man, namelijk 84 jaar. [verdachte] zegt vervolgens dat [medeverdachte 1] goed kan liegen en dat het een goed idee was. [medeverdachte 3] zegt vervolgens dat zij hem beter gaan pakken dan met Zwitserland, waarop [verdachte] reageert dat de Zwitserland-zaak moet worden ingeschakeld. [medeverdachte 3] zegt dat ‘het Zwitserland ding’ moet worden toegepast en “wij moeten op hem gaan werken/aan de slag gaan.” [verdachte] vraagt daarna hoeveel geld [medeverdachte 1] wil ophalen en vervolgt “laten we hopen dat die man dan nog niet naar het bejaardentehuis is gebracht. Daar ben ik bang voor.” [medeverdachte 3] zegt dat als hij de man in Londen ontmoet, dat overtuigend overkomt en het binnen twee tellen klaar is. Hij zegt vervolgens dat hij een ticket zal kopen en dat als de man hem belt, hij hem zal vragen of hij naar Heathrow wil komen en dat zij dan ergens kunnen praten. [verdachte] heeft het op enig moment over '”mijn vriend [betrokkene 13] . Deze naam heeft ons heel veel geld bezorgd hoor.” [verdachte] vraagt wat de volgende stap is, waarop [medeverdachte 3] twee opties uitlegt.
Gelet op de leeftijd van de man waarover gesproken wordt, het geldbedrag dat hij heeft overgemaakt en op het feit dat zij de naam [betrokkene 13] hebben gebruikt om de man dat geld afhandig te maken, is het aannemelijk dat in voornoemde gesprekken wordt gesproken over de baron, die destijds 82 jaar oud was en een bedrag van meer dan een miljoen aan [betrokkene 13] heeft overgemaakt. Ook blijkt uit de tapgesprekken dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] een actieve bijdrage levert aan de gesprekken waarin over de oplichting wordt gesproken. Dat [verdachte] op enig moment zegt dat de naam [betrokkene 13] hen allen heel veel geld bezorgd heeft, maakt duidelijk dat zij opereerden onder deze naam en allen profiteerden van het geld.
Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 3] en [verdachte] bij hun oplichtingspraktijken nauw en bewust hebben samengewerkt. De verdachten bestierden een succesvolle oplichtingsmethode waaruit zij veel geld ontvingen en waarbij zij de voornoemde handelswijze volgden onder verschillende namen, waaronder de naam [betrokkene 13] . De slachtoffers verklaren gelijkluidend over de manier waarop zij zijn benaderd en de voorwendselen waaronder het geld hen afhandig is gemaakt. Uit het voorgaande blijkt dat in ieder geval [medeverdachte 3] en [verdachte] onder de naam [betrokkene 13] samenwerkten aan de oplichting van [slachtoffer 7] . Ook is gebleken dat [betrokkene 13] gebruikmaakte van een zeer specifieke modus operandi – zoals in de inleiding beschreven – inhoudende dat wordt verzocht om geld over te maken, zodat een geldbedrag vrijkomt en er daarna nog geld nodig is voor de reiniging van de biljetten. Eenzelfde specifieke werkwijze is gehanteerd bij de slachtoffers [slachtoffer 1] , [getuige ] en [slachtoffer 2] . Daarnaast is gebleken dat de bedragen op bankrekeningen zijn gestort die gelieerd zijn aan [verdachte] en [medeverdachte 3] en dat de gelden vrijwel direct daarna zijn overgeboekt naar andere rekeningen. Ook is een deel van de gelden van de slachtoffers aangewend ten behoeve van persoonlijke doeleinden van [verdachte] en [medeverdachte 3] , zoals betalingen van kosten, overboekingen naar een vriendin van [verdachte] , financiering van een project van [medeverdachte 3] en een salarisbetaling aan [verdachte] .
[medeverdachte 3] en [verdachte] hebben onder voornoemde listige voorwendselen de baron ruim een miljoen euro afhandig gemaakt. De onder feit 1 ten laste gelegde oplichting van de baron is daarmee bewezen. Daarnaast zijn de door voornoemde slachtoffers, onder wie de baron, overgemaakte gelden verkregen uit de oplichting door [verdachte] en [medeverdachte 3] . De verdachten hebben deze gelden vervolgens vrijwel direct van de rekeningen afgehaald en gebruikt, zodat de werkelijke (criminele) herkomst van de geldbedragen werd verhuld. De verdachten hebben van deze witwaspraktijk een gewoonte gemaakt, nu zij gedurende langere tijd meerdere slachtoffers hebben opgelicht, waarna de geldbedragen door hen werden omgezet en gebruikt.”
Het juridisch kader
3.13
Een op grond van art. 410 lid 3 Sv door de verdachte bij tijdig ingediende schriftuur gedane opgave van te horen getuigen wordt ingevolge die bepaling aanmerkt als een opgave in de zin van art. 263 lid 2 Sv. Zo’n getuigenverzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van het verdedigingsbelang.10.
3.14
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin11.de eisen voor de onderbouwing van bepaalde getuigenverzoeken in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes bijgesteld (rov. 2.9.2 en 2.9.3). Die bijstelling houdt kort gezegd in dat het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het ten laste gelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. Daarvan is in ieder geval sprake als de rechter in eerste aanleg een verklaring van een getuige voor het bewijs heeft gebruikt, en de verdediging in hoger beroep het verzoek doet deze getuige op te roepen en te (doen) horen. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verwacht.
3.15
Een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die al een belastende verklaring heeft afgelegd, kan door de rechter worden afgewezen op de – in art. 288 lid 1 Sv genoemde, maar ook voor de toepassing van art. 315 Sv van belang zijnde – gronden dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen ondervragen. Verder verzet art. 6 EVRM zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig is (“manifestly irrelevant or redundant”). De rechter kan het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen afwijzen ingeval hij tot het oordeel komt dat het opnieuw horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
3.16
Voor het oordeel dat zich de situatie voordoet dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals de verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.12.
3.17
De rechter moet zowel bij de beoordeling van het getuigenverzoek als bij de eindbeoordeling van de zaak de ‘overall fairness’ van de procedure in het oog houden. De rechter moet daarbij onder ogen zien of, en zo ja welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van haar ondervragingsrecht.13.De Hoge Raad sluit hiermee aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM zijn geformuleerd, namelijk (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat deze drie beoordelingsfactoren in onderling verband staan en als het ware als communicerende vaten functioneren.14.
3.18
Indien de feiten en omstandigheden die in de verklaring van de niet-ondervraagde getuige naar voren komen ook volgen uit andere door het hof gebruikte bewijsmiddelen of een omstandigheid betreffen die geen onderdeel is van de bewezenverklaring en in het geheel van de bewijsmotivering van zeer ondergeschikte betekenis is, dan heeft de verdachte – bij een op zichzelf terecht voorgestelde klacht over de motivering van de afwijzing van een getuigenverzoek te dezen – onvoldoende belang bij cassatie.15.
3.19
In het kader van het belang bij het cassatieberoep geldt verder dat in gevallen waarin de zaak op meerdere terechtzittingen is behandeld van de verdediging mag worden gevergd dat zij toelicht waarom op een later gehouden terechtzitting niet is geklaagd over een op een eerdere zitting begaan verzuim met betrekking tot een verzoek tot oproeping van getuigen.16.
De bespreking van het tweede middel
3.20
In de toelichting op het middel worden drie deelklachten geformuleerd. In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het hof het verzoek tot het horen van [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen heeft afgewezen, terwijl het hof niet heeft aangegeven aan welke maatstaf het hof dit verzoek heeft getoetst.
3.21
Het verzoek van de raadsman van de verdachte betreft een tijdig bij appelschriftuur gedaan verzoek tot het oproepen en horen van getuigen die niet eerder ter terechtzitting in eerste aanleg of bij de rechter-commissaris zijn gehoord. De raadsman heeft het verzoek op 7 september 2017 schriftelijk nader toegelicht en op de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2018 heeft hij dit verzoek gehandhaafd. De maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van het oproepen van de getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad (het verdedigingsbelang)
3.22
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 juli 2018 heeft het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek terecht overwogen dat “voor het verzoek tot het horen van de getuigen (…) het criterium van het verdedigingsbelang [geldt]”. In dat verband heeft het hof bij toepassing van de (juiste) maatstaf overwogen dat “de verdediging met deze gedeeltelijke afwijzing thans niet in haar belangen is geschaad.“De klacht dat het hof niet heeft aangegeven aan welke maatstaf het hof het getuigenverzoek heeft getoetst mist derhalve feitelijke grondslag.
3.23
De eerste deelklacht faalt.
3.24
In de tweede deelklacht wordt – kort gezegd – geklaagd dat het hof zich bij de afwijzing van het getuigenverzoek niet heeft uitgelaten over i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot de getuigen [getuige ] en [slachtoffer 1] , ii) het gewicht van de verklaringen van deze getuigen, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezenverklaring van feit 2 en iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De stellers van het middel voeren in dat verband nog aan dat de overweging van het hof dat gesteld noch gebleken is dat [getuige ] en [slachtoffer 1] wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan de door het hof toegewezen getuigen, zodat een getuigenverhoor van de laatstgenoemde getuigen voldoende representatief wordt geacht ontoereikend is voor het oordeel dat er een goede reden bestond voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid ten aanzien van getuigen [getuige ] en [slachtoffer 1] .
3.25
Op de terechtzitting van 11 juli 2018 heeft het hof het verzoek tot het horen van [getuige ] en [slachtoffer 1] als getuigen afgewezen. De zaak is vervolgens op de zittingen van 20 april 2022 en 29 november 2022 inhoudelijk behandeld. Uit de processen-verbaal van deze drie zittingen blijkt niet dat door of namens de verdachte de (gedeeltelijke) afwijzing van het getuigenverzoek aan de orde is gesteld, en evenmin dat verzocht is [getuige ] en [slachtoffer 1] (alsnog) op te roepen als getuigen. Het moet er dus voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd.
3.26
In aanmerking genomen dat in de cassatieschriftuur een toelichting ontbreekt waarom de verdediging tijdens de nadere terechtzittingen niet is opgekomen tegen de in het middel bestreden afwijzing door het hof van het getuigenverzoek, kan in het licht van hetgeen hiervoor onder randnr. 3.19 is overwogen, niet blijken van enig in rechte te respecteren belang van de verdachte bij cassatie op dit punt.17.
3.27
De tweede deelklacht faalt.
3.28
In de derde deelklacht wordt geklaagd dat het hof in het geheel geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de afwijzing van het getuigenverzoek en/of de procedure in haar geheel voldoen aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
3.29
Hier vinden de stellers van het middel mij aan hun zijde. Het kennelijke oordeel van het hof dat art. 6 EVRM niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de door [getuige ] en [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen is niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft er namelijk geen blijk van gegeven te hebben nagegaan, op de hiervoor onder randnr. 3.17 weergegeven wijze, of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Niet blijkt dat het hof heeft beoordeeld of sprake was van een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid met betrekking tot [getuige ] en [slachtoffer 1] . In dat verband is van belang dat de door het hof bij de afwijzing van het getuigenverzoek in aanmerking genomen gronden ontoereikend zijn voor het oordeel dat er een goede reden bestond voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid. Het hof heeft niet kunnen volstaan met het oproepen van drie van de zes verzochte getuigen. Daarbij neem ik in aanmerking i) dat deze getuigen, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering, over andere onderwerpen/oplichtingen zouden moeten worden bevraagd en ii) dat het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het witwassen van gelden die afkomstig zouden zijn van de oplichting van twee van de drie toegewezen getuigen. Evenmin blijkt dat het hof het gewicht van de verklaringen van [getuige ] en [slachtoffer 1] in de bewijsconstructie heeft beoordeeld en dat het hof heeft onderzocht of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De bewijsvoering van het hof steunt voor wat betreft de vraag of de getuigen [getuige ] en [slachtoffer 1] zijn opgelicht, en daarmee of de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), de van die oplichting afkomstige geldbedragen heeft witgewassen op z’n minst in beslissende mate op de verklaringen van deze getuigen. Een vergelijking met het geval waarin de belastende verklaring van een niet-ondervraagde getuige is gebruikt voor het bewijs doch de bewezenverklaring ook zonder die verklaring zonder meer toereikend is gemotiveerd, zodat onvoldoende belang bij cassatie bestaat, gaat hier (dan ook) niet op.18.
3.30
De derde deelklacht slaagt. Daarmee slaagt per saldo het tweede middel.
4. Het derde middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat “de bewijsvoering onvoldoende redengevend is voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of het gerechtshof die (telkens) onvoldoende met redenen heeft omkleed.”
4.2
De bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en de daarop betrekking hebbende bewijsvoering van het hof heb ik hiervoor weergegeven onder de randnrs. 3.10-3.12.
Het juridisch kader
4.3
In de (overzichts)arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. P.A.M. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, m.nt. N. Rozemond19.heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan en het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.20.Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan.21.Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen.
De bespreking van het derde middel
4.4
Uit de bewijsvoering van het hof zoals hiervoor door mij weergegeven onder de randnrs. 3.11-3.12 kan onder meer het volgende worden afgeleid. De verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hielden zich samen bezig met oplichting. Hun werkwijze bestond eruit dat zij hun slachtoffers benaderden met het verzoek om geld over te maken, zodat een groot geldbedrag zou vrijkomen. Hiervoor werd de slachtoffers als vergoeding een grote som geld in het vooruitzicht gesteld. Vervolgens vond veelal een ontmoeting plaats in [plaats] . Daarbij werd een koffer met geld getoond. Op de getoonde biljetten zaten rode merktekens die volgens de oplichters met een dure chemische vloeistof moesten worden gereinigd. De slachtoffers moesten ook betalen voor die vloeistof/reiniging. Deze werkwijze is gehanteerd bij de slachtoffers [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [getuige ] .
4.5
In de mailgesprekken tussen de oplichter(s) en [slachtoffer 7] worden de bankrekening van het bedrijf [O] , een bedrijf van [medeverdachte 3] , en de bankrekening van het bedrijf [A] BV, een bedrijf van de verdachte, genoemd als bankrekeningen waarnaar [slachtoffer 7] de geldbedragen moet overmaken. [slachtoffer 7] heeft uiteindelijk forse geldbedragen overgemaakt naar beide bankrekeningen (in totaal maar liefst € 1.135.000,00). Een deel van de geldbedragen die door [slachtoffer 7] zijn overgemaakt naar de bankrekening van [O] is vervolgens gegaan naar onder andere een minnares/vriendin en klanten van de verdachte. Een deel van de geldbedragen die door [slachtoffer 7] zijn overgemaakt naar de bankrekening van [A] BV is vervolgens doorgeboekt naar de bankrekening van [B] , een ander bedrijf van [medeverdachte 3] , en daarna doorgeboekt naar Frankrijk. [slachtoffer 7] heeft ook geld overgemaakt naar [R] , een zakelijke relatie van de verdachte. Een deel van dat geld is vervolgens door [R] overgemaakt naar [A] BV. Het door [slachtoffer 7] overgemaakte geld is ook besteed ter aflossing van een hypothecaire lening van de [medeverdachte 3] , aan een ander bedrijf van de [medeverdachte 3] , namelijk [C] , aan een project van de [medeverdachte 3] genaamd [naam 2] , aan huurbetalingen en aan salaris van de verdachte. Daarnaast zijn grote hoeveelheden contant opgenomen.
4.6
[slachtoffer 2] heeft uiteindelijk € 35.620,00 overgemaakt naar de bankrekening van [B] BV, een bedrijf van de [medeverdachte 3] . Daarvan is een deel overgeboekt naar [betrokkene 11] , een klant van de verdachte.
4.7
De (data)communicatie die liep via het IP-adres van [A] B.V. is opgenomen. Daaruit is gebleken dat op 5 mei 2011 via dat IP-adres twee e-mailgesprekken tussen de oplichter(s) en [slachtoffer 1] zijn bekeken. In die gesprekken is [slachtoffer 1] verzocht het geld over te maken naar [C] , een bedrijf van de [medeverdachte 3] . [slachtoffer 1] heeft uiteindelijk € 32.660,17 overgemaakt naar de bankrekening van [C] . Een deel daarvan is vervolgens overgemaakt naar [A] B.V.
4.8
[getuige ] heeft uiteindelijk in totaal € 150.000,- overgemaakt naar de bankrekening van [A] BV.
4.9
Gelet op het voorgaande heeft het hof niet onbegrijpelijk de conclusie getrokken dat ook ten aanzien van de geldbedragen die afkomstig zijn van de oplichting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] sprake is van het door de verdachte medeplegen van gewoontewitwassen. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd.
4.10
Mocht de Hoge Raad hierover anders oordelen, meen ik dat het middel ook om andere redenen tevergeefs is voorgesteld. De verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 7] voor een geldbedrag van in totaal € 1.135.000,00 (feit 1) en voor het medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen afkomstig uit de oplichting van [slachtoffer 7] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [getuige ] (feit 2). Het witgewassen geldbedrag dat afkomstig is van de oplichting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bedraagt in totaal € 68.280,17. Het witgewassen geldbedrag dat afkomstig is van de oplichting van [slachtoffer 7] en [getuige ] bedraagt in totaal € 1.285.000,00. Mijns inziens kunnen de in het middel bestreden onderdelen van de bewezenverklaring van feit 2 worden geschrapt, zonder dat daarmee in enig opzicht afbreuk wordt gedaan aan de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Ik meen – anders dan de stellers van het middel – dat het wegvallen van die onderdelen voor de kwalificatie van feit 2 evenmin consequenties heeft. Kortom, zelfs als het middel terecht zou zijn voorgesteld, wat niet het geval is, dan nog zou het niet tot cassatie kunnen leiden.22.
4.11
Het derde middel faalt.
5. Het vierde middel
5.1
In het middel wordt geklaagd dat “de straftoemetingsbeslissing van het gerechtshof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd en/of onvoldoende met redenen omkleed is.” Het middel bevat twee deelklachten. In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het oordeel van het gerechtshof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt een ‘grootschalige’ oplichting en/of aan de oplichting van meerdere personen/slachtoffers, onbegrijpelijk is. In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het gerechtshof bij zijn beslissing om aan de verdachte een geldboete van € 150.000,- op te leggen – in strijd met art. 24 Sr – geen, althans onvoldoende, rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte, althans dat het oordeel van het hof dat dit wel het geval is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
5.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van meerdere geldbedragen, te weten:
- op of omstreeks 28 januari 2011 een geldbedrag van ongeveer 100.000 euro,
- op of omstreeks 4 februari 2011 een geldbedrag van ongeveer 120.000 euro,
- op of omstreeks 15 februari 2011 een geldbedrag van ongeveer 240.000 euro,
- op of omstreeks 25 februari 2011 een geldbedrag van ongeveer 200.000 euro,
- op of omstreeks 8 maart 2011 een geldbedrag van ongeveer 250.000 euro,
- op of omstreeks 18 maart 2011 een geldbedrag van ongeveer 225.000 euro,
hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid
- die [slachtoffer 7] via e-mail en/of telefonisch benaderd en zich daarbij voorgedaan als [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of een of meerdere andere personen en/of zich voorgedaan als werkzaam bij de SNS Security Company en (in die valse hoedanigheden):
- die [slachtoffer 7] voorgewend dat [betrokkene 12] begunstigde was van een erfenis van 12 miljoen euro en
- die [slachtoffer 7] verzocht om te helpen die erfenis naar Europa te brengen en
- die [slachtoffer 7] voorgewend dat hij voor zijn hulp een provisie van 30 procent zou ontvangen en
- die [slachtoffer 7] uitgenodigd om naar Nederland af te reizen en
- vervolgens aan die [slachtoffer 7] een doos getoond gevuld met Amerikaanse dollarbiljetten, welke biljetten voorzien waren van rode stempels en
- die [slachtoffer 7] voorgewend dat de doos 15 miljoen dollar bevatte en dat dit geld de erfenis van [betrokkene 12] betrof en
- in het bijzijn van [slachtoffer 7] een 100 dollarbiIjet uit de doos gehaald en met een vloeistof de rode stempel op dat 100 dollarbiljet verwijderd om vervolgens het 100 dollarbiIjet bij Western Union om te wisselen voor 70 euro en
- die [slachtoffer 7] voorgewend dat de overige dollarbiljetten moesten worden gereinigd/schoongemaakt met een daarvoor bestemde chemische vloeistof en dat die [slachtoffer 7] 100.000 euro diende te betalen voor de aankoop van de chemische vloeistof en
- (vervolgens) die [slachtoffer 7] meerdere keren voorgewend dat er voor de reiniging van het geld en de verwijdering van de rode stempels nog meer of een andere chemische vloeistof nodig was en/of dat er een 'activating powder' aan de chemische vloeistof toegevoegd moest worden en dat die [slachtoffer 7] – achtereenvolgens – een geldbedrag van ongeveer 120.000 euro en een geldbedrag van ongeveer 240.000 euro en een geldbedrag van ongeveer 200.000 euro en een geldbedrag van ongeveer 250.000 euro en een geldbedrag ongeveer van 225.000 euro, diende te betalen;
waardoor die [slachtoffer 7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 oktober 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader meerdere voorwerpen, te weten de navolgende geldbedragen, verworven en omgezet en gebruik gemaakt:
- een of meerdere geldbedragen afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 7] , te weten een geldbedrag van 100.000 euro en een geldbedrag van 120.000 euro en een geldbedrag van 240.000 euro en een geldbedrag van 200.000 euro en een geldbedrag van 250.000 euro en een geldbedrag van 225.000 euro en
- een geldbedrag afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 2] , te weten een geldbedrag van ongeveer 35.620 euro en;
- een geldbedragen afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 1] , te weten van 32.660,17 euro;
- geldbedragen afkomstig van de oplichting van [getuige ] , te weten een geldbedrag van 130.000 euro en een geldbedrag van 20.000 euro,
zulks terwijl hij en zijn mededader wisten, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
5.3
De processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 20 april 2022 en 29 november 2022 houden onder meer in:
“De voorzitter gaat over tot bespreking van de persoonlijke omstandigheden.
De raadsman deelt met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee:
Ik heb het afgelopen weekend een aantal keer met cliënt gebeld. Hij wordt dit jaar 63 en is niet meer de jongste. Hij is zijn onderneming kwijtgeraakt door deze zaak. (…) Vanwege deze zaak komt hij in de tak waarin hij werkzaam was niet meer aan de bak. (…) In het geval van de verdachte is het niet zo eenvoudig om bij deze terechtzitting aanwezig te kunnen zijn. Er zijn uitreisbeperkingen en financiële componenten.”
en
“De raadsman voert het woord tot verdediging aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities worden aan het hof overgelegd en in het dossier gevoegd. In aanvulling daarop deelt hij mee:
(…) U haalt mijn opmerking aan dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn een andere strafmodaliteit op zijn plaats is en vraagt op welke modaliteit ik doel. Een geldboete is geen optie. Cliënt heeft het niet makkelijk door deze strafzaak. Een taakstraf zou een mogelijkheid kunnen zijn. Hij verblijft in Nigeria. Het lijkt me niet dat daar een taakstraf kan worden uitgevoerd, maar hij heeft hier veel familie wonen en zou in theorie hier kunnen verblijven. Ik denk dat als cliënt niet terug naar de gevangenis hoeft, hij die mogelijkheid met beide handen aangrijpt. Daarnaast heeft hij een tijd in voorarrest gezeten.
(…) De woning van de verdachte is executoriaal verkocht en de overwaarde is op de rekening van het openbaar ministerie gestort.
De advocaat-generaal deelt mee:
Op de woning zou nog conservatoir beslag kunnen liggen, maar dat ben ik niet nagegaan. Het bedrag van de overwaarde was wel aanzienlijk.
(…)
De raadsman wordt in de gelegenheid gesteld het woord in dupliek te voeren. Hij deelt mee:
Het uitgangspunt is dat een strafproces in aanwezigheid van de verdachte plaatsvindt, maar cliënt verkeert in moeilijke financiële omstandigheden door deze zaak en is daardoor niet in staat om naar Nederland te reizen. (…) Ik heb cliënt ook gesproken over het conservatoir beslag. Volgens cliënt is er een overwaarde van € 138.500 uit de verkoop van het pand. Dat is in december 2020 verkocht.
Cliënt heeft iets op papier gezet. Dat komt op hetzelfde neer als wat hij heeft gezegd in de verklaring die aan mijn pleitnota is gevoegd. Het gaat onder andere over zijn financiële situatie en dat hij zich schuldig voelt.”
5.4
De door de raadsman overgelegde schriftelijke verklaring van de verdachte houdt het volgende in:
“I regret to state my inability to come to court due to financial constraints (…).
The case has delved a devastating financial blow on the business that I built from scratch and managed since 1996 as a young man in Holland. The arrest and detention led to the subsequent collapsed of my business and thereby subjecting me to awful debts with that owed to people and my life in danger because I wasn’t able to pay back people I owe. I have been threatened, abused and called all sorts of names because I was unable to pay back my creditors until this day and I have this hanging over my head and living in fear even after ten years.
(…)
Since I was released from the prison, my life has not been the same again. As I write this piece, I am jobless, financially backward and aging at sixty four in abject poverty. I have nothing to call my own and my health is dramatically deteriorating. I am traumatised and full of fear and anxiety.
(…) I am currently saddled with debts here and there.”
5.5
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straf
(…)
De raadsman heeft verzocht naar aanleiding van de vormverzuimen strafvermindering toe te passen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet langer passend.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader(s), schuldig gemaakt aan grootschalige internationale oplichting en het witwassen van de uit de oplichting verkregen gelden. Tevens heeft hij van dat witwassen een gewoonte gemaakt. De verdachte heeft, samen met zijn mededader(s), personen benaderd met het gefingeerde verhaal dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een aanzienlijk bedrag. De verdachte en zijn mededader zijn daarbij uiterst geraffineerd en gewetenloos te werk gegaan door een doordachte werkwijze te bedenken, waarbij de slachtoffers allerhande leugens werden voorgeschoteld. De verdachten gingen zelfs zo ver dat er ontmoetingen met de slachtoffers plaatsvonden, waarbij zij zich onder meer voordeden als medewerkers van een bank en waarbij werd beweerd dat de getoonde bankbiljetten, die voorzien waren van rode merktekens, met een speciale chemische vloeistof gereinigd moesten worden, waarvoor de slachtoffers eveneens dienden te betalen. De verdachten hebben daarmee alles in het werk gesteld om de slachtoffers in de val te laten trappen en hen geld afhandig te maken. Uit de tapgesprekken blijkt de laconieke houding van de verdachte ten aanzien van deze handelswijze. Verdachten lachen onder meer om de oplichting van de baron. Het hof rekent de verdachte deze handelswijze zeer aan. Daar komt nog bij dat door aldus te handelen de slachtoffers ernstig financieel zijn benadeeld en het vertrouwen in het financiële verkeer is geschaad. De verdachte heeft zijn eigen gewin boven deze financiële en maatschappelijke schade gesteld.
De raadsman heeft bepleit de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof begrijpt dat hij bedoelt: geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest. Daarmee zou evenwel onvoldoende recht worden gedaan aan het ernstige strafwaardige karakter van het handelen van de verdachte en de hoogte van het benadelingsbedrag. In soortgelijke zaken wordt gebruikelijk gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. In deze zaak zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend zijn. Het hof zal hierop in mindering brengen een gedeelte van 12 maanden wegens de in het vooronderzoek begane vormfouten als hierboven geconstateerd. Daarnaast is de redelijke termijn waarbinnen berechting behoort plaats te vinden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in ernstige mate overschreden. Om deze reden zal het hof een strafkorting van zes maanden toepassen. Daarmee blijft over een gevangenisstraf van zes maanden, waarop de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht.
In deze zaak kan niet kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf. Waar de buit van de door de verdachte en zijn mededader(s) begane misdrijven is gebleven, is niet bekend. Vaststaat wel dat grote bedragen ten behoeve van de verdachte zijn overgeboekt. Om recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en teneinde te bevorderen dat de verdachte (in elk geval deels) niet profiteert van de opbrengsten uit de bewezen verklaarde strafbare feiten zal het hof hem daarom tevens een geldboete opleggen van € 150.000,00.”
5.6
Het dictum van het arrest houdt onder meer in:
“BESLISSING
Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.”
Het juridisch kader
5.7
De feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat betekent dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daarover behoeft geen motivering. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en ook niet of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.23.Een nadere motivering wordt alleen vereist indien wordt afgeweken van een door de verdediging of het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging (art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv)24., wanneer de strafoplegging verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is25.of wanneer een redelijke termijn-verweer is gevoerd.26.Het verbazingscriterium is bijvoorbeeld aan de orde wanneer een rechter een hoge boete oplegt in verhouding tot de draagkracht van de verdachte.27.Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering voldoet aan de eisen, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen.28.
5.8
Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de rechter naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij de strafoplegging rekening houdt met feiten en omstandigheden die kunnen gelden als omstandigheden waaronder het feit is begaan.29.De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat die gegevens moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat de rechter alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Wat de gedingstukken betreft moet daaraan worden toegevoegd dat dit alleen maar is toegestaan voor zover is voldaan aan het voorschrift van art. 301 lid 4 Sv, dat inhoudt dat ten bezware van de verdachte slechts acht mag worden geslagen op stukken die ter zitting zijn voorgelezen of waarvan aldaar de korte inhoud is medegedeeld. Van die voorlezing of korte mededeling dient te blijken uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Wordt in de strafmotivering rekening gehouden met de inhoud van zo’n niet aan de orde gesteld stuk, dan volgt vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging. Maar behalve met wat rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met andere factoren. De feitenrechter mag bijvoorbeeld letten op gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen zoals diens strafrechtelijk verleden, zijn te verwachten gedrag, diens proceshouding, het morele verwijt, de speciale preventie, evenals met factoren die verband houden met de ernst van het feit zoals het ingetreden gevolg, het gevaar voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld bij drugsmisdrijven), de generale preventie waaronder begrepen rechtshandhaving, normbevestiging, inscherping van gewijzigde maatschappelijke opvattingen en de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht.30.
5.9
Het staat de rechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet ten laste gelegd feit i) wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en – in een geval waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen – op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, ii) wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel iii) wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.31.Het grootschalige karakter van een delict kan een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen, ook al volstaat de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter dient op grond van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk te zijn geworden.32.
De bespreking van het vierde middel
5.10
In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de eerste deelklacht aangevoerd dat uit de motivering van de strafoplegging naar voren komt dat het hof de verdachte meerdere oplichtingen verwijt en dat het hof die omstandigheid in strafverzwarende zin heeft meegewogen in de straftoemeting. Dat oordeel is volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk aangezien de verdachte is veroordeeld voor één oplichting. Daaraan doet niet af dat de verdachte ook is veroordeeld voor het witwassen van geldbedragen die afkomstig zijn uit oplichtingen van andere slachtoffers, omdat niet is bewezenverklaard dat de verdachte die oplichtingen heeft medegepleegd en/of dat hij daarop opzet heeft gehad. Met betrekking tot de tweede deelklacht wordt – kort gezegd – aangevoerd dat het (kennelijke) oordeel van het hof dat de verdachte over voldoende financiële middelen beschikt om de opgelegde geldboete te betalen in het licht van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman over de financiële situatie van de verdachte naar voren is gebracht, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
De tweede deelklacht
5.11
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een geldboete geen optie is. In het licht daarvan heeft de verdediging over de financiële positie van de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte zijn onderneming is kwijtgeraakt, dat zijn woning executoriaal is verkocht en dat de overwaarde – vanwege het conservatoir beslag dat daarop rust – is overgemaakt naar de bankrekening van het Openbaar Ministerie, dat de verdachte werkloos is, dat hij leeft in armoede, dat hij schulden heeft die hij tot op de dag van vandaag niet kan aflossen en dat hij vanwege zijn financiële situatie ook niet kan reizen naar Nederland om bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep aanwezig te zijn.
5.12
Het hof heeft uitgelegd waarom het gezien de ernst van de feiten en de rol die de verdachte daarbij vervulde een geldboete van € 150.000,- gepast acht. Het hof heeft zich echter niet uitgelaten over (de aannemelijkheid van) hetgeen door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd over de financiële positie van de verdachte en heeft evenmin (nader) gemotiveerd waarom hij kennelijk toch van oordeel is dat de verdachte in staat is om die geldboete te betalen. Gelet op hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd over de financiële positie van de verdachte is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte in staat moet worden geacht om de opgelegde geldboete van € 150.000,- te voldoen zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.33.Wat betreft de opgelegde geldboete is de strafoplegging dus niet naar de eis van de wet met redenen omkleed.
5.13
De tweede deelklacht, en daarmee het vierde middel, slaagt. Gelet daarop behoeft de eerste deelklacht geen bespreking.
6. Het vijfde middel
6.1
In het middel wordt geklaagd dat “het gerechtshof bij de beslissing tot oplegging van de vervangende hechtenis bij de aan [de verdachte] opgelegde geldboete de bij wet bepaalde maximale duur daarvan heeft overschreden, en/of in strijd met art. 1 lid 2 Sr niet bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is de voor [de verdachte] gunstigste bepalingen heeft toegepast.”
6.2
Het hof heeft aan de verdachte onder meer een geldboete van € 150.000,00 opgelegd en daarbij bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen kan worden toegepast.
Het juridisch kader
6.3
In art. 24c lid 3 Sr is bepaald dat de duur van de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis ten hoogste één jaar beloopt. Bij de (partiële) inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB)34.op 1 januari 202035.is (ook) art. 88 Sr gewijzigd. In dat artikel wordt een omschrijving gegeven van enkele in het wetboek voorkomende tijdseenheden die onder meer van belang is voor het berekenen van de duur van een sanctie.
6.4
Tot 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr als volgt:36.
“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
6.5
Vanaf 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr als volgt:
“Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
6.6
Door deze wijziging van art. 88 Sr duurt één jaar in het materiële strafrecht 12 maanden van elk 30 dagen (in totaal 360 dagen).
6.7
Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen37.in werking.38.Op grond van art. II, onderdeel G, van deze wet is art. 88 Sr komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde. Daarmee is de definitie van ‘jaar’ in die bepaling komen te vervallen.
6.8
De wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 is in het onderhavige geval mede bepalend voor de toepasselijke maximale duur van de vervangende hechtenis die aan de geldboete is verbonden. Deze wijziging betreft dus een verandering van regels van sanctierecht. Daarover heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 4.3 het volgende overwogen:
“Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang – en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten – moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en – voor zover van toepassing – artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878).”
De bespreking van het vijfde middel
6.9
In het onderhavige geval doet zich de situatie voor dat een regel van sanctierecht na het begaan van de feiten ten gunste van de verdachte is gewijzigd, maar die wijziging in de loop van de procedure weer is teruggedraaid. In HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 en HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743 was sprake van een vergelijkbare situatie. Uit die arresten kan worden afgeleid dat in zo’n geval art. 88 Sr zoals dat artikel luidde van 1 januari 2020 tot 25 juli 2020 van toepassing is, omdat die bepaling voor de verdachte “of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment” de meest gunstige is.39.In HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, rov. 3.3 overwoog de Hoge Raad “als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband (…) onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan” en in HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743, rov. 2.3 overwoog de Hoge Raad met verwijzing naar HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 “dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan”.
6.10
Het voorgaande brengt mee dat in het onderhavige geval de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis maximaal 360 dagen beloopt. Daaraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de vervangende hechtenis weer 365 dagen is. Indien de Hoge Raad mij met betrekking tot het tweede en/of het vierde middel niet volgt, kan de Hoge Raad bepalen dat de aan de geldboete verbonden vervangende hechtenis voor de duur van ten hoogste één jaar kan worden toegepast, waarbij onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan.
6.11
Het vijfde middel slaagt.
7. Slotsom
7.1
Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde overweging. De tweede, vierde en vijfde middelen slagen (deels).
7.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 9 februari 2023. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Indien de Hoge Raad mij met betrekking tot het tweede en/of het vierde middel niet volgt, zal deze overschrijding van de redelijke termijn moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.40.
7.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het de beslissingen over feit 2 en de strafoplegging betreft en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑10‑2025
Het vormverzuimverweer dat in de pleitnotities van de raadsman van de verdachte is opgenomen, beslaat ruim 15 pagina’s. Naar mijn mening is de samenvatting van het hof daarvan een goede weergave en bevat deze alle essentiële onderdelen van het verweer. Ook omdat in de cassatieschriftuur niet wordt geklaagd dat deze samenvatting geen recht doet aan het verweer, meen ik dat het onnodig is het verweer in deze conclusie integraal weer te geven.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen. Zie ook HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145, m.nt. M.J. Borgers, rov. 3.2.2.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov 2.1.3.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.
HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.4.6.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov. 2.3.4.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, rov. 2.1.3.
Hoewel het hof op 20 april 2022 en 29 november 2022 anders is samengesteld dan op de zittingen van 11 juli 2018 en 28 april 2022 is het onderzoek ter terechtzitting – zonder instemming van de partijen – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsingen. Nu hierover in cassatie niet wordt geklaagd, laat ik dit punt verder rusten.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.42-2.48.
EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16, NJ 2021/93, m.nt. W.H. Vellinga (Keskin tegen Nederland).
Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22, rov. 2.4.2.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.12.1.
HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 2.12.2. Zie ook HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368, m.nt. N. Jörg, rov. 2.4.2, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de omstandigheid dat het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor is bij de beoordeling van de vraag of voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces niet eraan afdoet dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.
HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.5.
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, m.nt. M.J. Borgers, rov. 2.75.
Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2855, NJ 2014/450, m.nt. M.J. Borgers en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2022. Zie ook de conclusie van Bleichrodt, randnrs. 22-27, vóór HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:807. De Hoge Raad deed de zaak af met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
Vgl. HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.4-3.5 en HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199, NJ 2022/385, m.nt. N. Jörg, rov. 3.3.2-3.3.4.
Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond.
HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, NJ 1997/584, rov. 6.2 en HR 16 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1700, rov. 3.2.2.
HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387, NJ 1983/84, m.nt. Th.W. van Veen.
Vgl. bijv. HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806,NJ2012/661, rov. 2.4.3; HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:793, rov. 2.4; HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691, NJ 2022/54, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.4.3; HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:756, rov. 2.5.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360. Zie ook HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 3.4 en HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 971.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 972-973.
HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2430, NJ 2006/330, rov. 3.3.
Zie G.K. Schoep in T&C Strafvordering, art. 359, aant. 8b en 8c (online, actueel tot en met 1 maart 2025).
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 362. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.
HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286, rov. 3.3.
A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360-361.
HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, rov. 2.4; HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400, m.nt. A.H. Klip, rov. 2.3.1; HR 20 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:779, rov. 2.3.
HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400, m.nt. A.H. Klip, rov. 2.3.2.
Vgl. HR 8 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6248; HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY0190, NJ 2006/578; HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8652 en HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684.
Stb. 2017, 82.
Stb. 2019, 507.
Stb. 1984, 92.
Stb. 2020, 225.
Stb. 2020, 286.
Zie de conclusie van Bleichrodt, randnrs. 24-26, onder verwijzing naar EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola tegen Italië), par. 119, vóór HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812.
Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.
Beroepschrift 25‑08‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 23/00518
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1958, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 3 februari 2023 met parketnummer 23-002605-15 (strafzaak), en van de onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
Verzoeker van cassatie dient hierbij de navolgende middelen in.
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 94, 96, 126k, 350, 358, 359, 359a en 415 Sv doordat het oordeel van het gerechtshof met betrekking tot het door de verdediging gevoerde 359a Sv-verweer aangaande de onrechtmatige opsporingshandelingen in het pand aan de [h-straat 1] te [a-plaats], te weten het heimelijk binnentreden, de inbeslagneming van de computer en onderzoek aan deze computer zonder een kennisgeving van inbeslagneming achter te laten, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Het arrest lijdt als gevolg hiervan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Namens verzoeker is ter terechtzitting in hoger beroep — langs de lijn van de eisen die aan het voeren van een dergelijk verweer in de rechtspraak van uw Raad zijn gesteld — betoogd dat sprake is van twee onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Eén daarvan betreft een onrechtmatige heimelijke observatie, het andere ziet op het vormverzuim waar het in deze klacht om gaat: het binnentreden in het pand aan de [h-straat 1], (tijdelijk) in beslag nemen van de daar aanwezige computer en het maken van een kopie van de daarop vastgelegde gegevens betreft (pleitnota onder 21 e.v., in het bijzonder onder 25 e.v.). Betoogd is in hoger beroep dat het hier onrechtmatig heimelijk binnentreden op de voet van art. 126k Sv betreft, nu verzoeker van de tijdelijke inbeslagname van de computer (bewust) niet in kennis is gesteld en hem niet is medegedeeld dat het pand is binnengetreden:
‘Onrechtmatige opsporingshandelingen in het pand aan de [h-straat 1] te [a-plaats]
- 21.
Tijdens de (onrechtmatige) observaties op 11, 17, 18 en 20 januari 2011 wordt gezien dat client zich regelmatig in het bedrijfspand aan de [h-straat 1] te [a-plaats] bevindt.
In dit pand was de winkel en het kantoor van client gevestigd. Ook werd gezien dat er in de ruimte aan de achterzijde van het pand op verschillende avonden ligt brandde en dat er verschillende personen het bedrijfspand na sluitingstijd binnengingen.
- 22.
Vanwege deze observaties is bij de officier van justitie de aanvraag ingediend tot het afgeven van een machtiging tot heimelijk binnentreden van het pand aan de [h-straat 1], teneinde deze plaats op te nemen en daar sporen veilig te stellen.7. Deze machtiging is op 26 januari 2011 door de officier van justitie verleend voor de periode 27 januari 2011 tot en met 6 april 2011. Het bedrijfspand werd vervolgens op 27 januari, 3 maart en 17 maart 2011 in de nacht heimelijk betreden.
- 23.
Op 17 maart 2011 is bij het heimelijk binnentreden van het pand aan de [h-straat 1] een video-opstelling geplaatst.8. Ook wordt deze nacht door verbalisant T259 een kopie gemaakt van de harde schijf uit de computer die zich in het pand bevond. Voordat dit gebeurde, is de computer in beslaggenomen en is de harde schijf uit de computer verwijderd. Na het maken van de kopie is dit beslag opgeheven en is de computer teruggeplaatst op de plek waar deze zich bevond. Vervolgens is de van de computer gemaakte kopie onderzocht.
Onrechtmatigheid 1
- 24.
De plaatsing van de video-opstelling is gebaseerd op het bevel tot stelselmatige observatie ex artikel 126g Sv. In het voorgaande is reeds betoogd dat dit bevel onrechtmatig is, waardoor dit dus ook geen grondslag mag vormen voor het plaatsen van de video-opstelling.
Onrechtmatigheid 2
- 25.
Het zwaartepunt ligt echter in het onderzoek aan de inhoud van de computer die zich in het pand bevond.
- 26.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het onderzoeksteam een kopie van de betreffende computer heeft gemaakt, omdat het van belang was om de data op de computer van cliënt veilig te stellen en te onderzoeken. Het in beslagnemen van de computer en het kopiëren van de harde schijf is derhalve gedaan met het doel inzicht te krijgen in de op de harde schrijf van de computer aanwezige data. Volgens de rechtbank moeten deze handelingen worden aangemerkt als een doorzoeking. Weliswaar is de computer eerst in beslag genomen alvorens de kopie is gemaakt, maar deze inbeslagname was alleen gericht op het krijgen van inzicht in de data van de harde schijf, zodat er volgens de rechtbank feitelijk geen verschil bestaat tussen deze situatie en een situatie waarin de computer direct was doorzocht. Artikel 96 Sv geeft geen bevoegdheid tot het doorzoeken van goederen, waardoor er volgens de rechtbank met het kopiëren van de harde schrijf en het onderzoeken van de data op deze harde schijf sprake is geweest van een doorzoeking.9.
- 27.
De verdediging volgt de rechtbank in de overweging dat er feitelijk geen verschil bestaat tussen inbeslagneming van de computer en daaropvolgend onderzoek aan de inhoud daarvan, tegenover een directe doorzoeking van deze computer. De verdediging zou zich echter kunnen voorstellen dat uw hof het oordeel van de rechtbank passeert waar het gaat om de overweging dat artikel 96 Sv geen bevoegdheid geeft tot het doorzoeken van goederen. De verdediging is op de hoogte van de huidige stand van de jurisprudentie, waaruit voortvloeit dat aan inbeslaggenomen goederen onderzoek mag worden verricht teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen en dat in computers opgeslagen gegevens daarvan niet zijn uitgezonderd. In dit verband is ook door de officier van justitie bij appelschriftuur gewezen op een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:3228). Gelet op voornoemde jurisprudentie omtrent het onderzoek aan gegevensdragers kan derhalve worden betoogd dat er bij onderzoek aan de inhoud van een computer geen sprake is van een doorzoeking indien deze computer in beslag is genomen, maar er in dat geval slechts kan worden gesproken van een onderzoek van/aan een inbeslaggenomen goed. Het Openbaar Ministerie stelt zich in onderhavige zaak dan ook op het standpunt dat de inhoud van de computer mocht worden bekeken omdat deze in beslag was genomen, en verwijst daarbij naar de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering die de grondslag vormen voor alledaagse inbeslagname in strafzaken.
- 28.
In onderhavige zaak gaat het echter allesbehalve om een alledaagse inbeslagname. Het gaat hier niet om een telefoon die bij een aanhouding van een verdachte in beslag is genomen, of om een gegevensdrager die tijdens een doorzoeking van een woning door het betreffende onderzoeksteam is meegenomen voor nader onderzoek. In onderhavige zaak gaat het om het heimelijk binnentreden van een pand op grond van artikel 126k Sv waarbij het onderzoeksteam de inhoud van een aldaar aanwezige computer heeft willen bekijken, in dat kader de betreffende computer voor korte tijd in beslag heeft genomen en de inhoud daarvan gekopieerd. Client is over deze inbeslagname bewust niet in kennis gesteld, zodat niet aan het licht zou komen dat het pand aan de [h-straat 1] in het kader van onderhavig onderzoek heimelijk werd betreden.
- 29.
Het onderzoeksteam heeft met deze werkwijze de beperking die gepaard gaat met de bevoegdheid in artikel 126k Sv — het heimelijk betreden van een besloten plaats, waarbij in deze plaats alleen zoekend mag worden rondgekeken en dus geen doorzoeking mag plaatsvinden — willen ontzeilen. Het Openbaar Ministerie verwijst zoals gezegd naar het feit dat de betreffende computer (voor korte tijd) in beslag is genomen en dat inbeslaggenomen goederen mogen worden onderzocht, ook als dat computers en de inhoud daarvan betreft. Het kopiëren van de inhoud van de computer tijdens het binnentreden van het pand (op grond van artikel 126k Sv) wordt dus door het Openbaar Ministerie gerechtvaardigd door het feit dat de betreffende computer op grond van artikel 96 Sv in beslag is genomen en op basis daarvan onderzoek aan de computer is verricht. Ook zou volgens het OM de bevoegdheid tot het onderzoeken van de computer kunnen worden gebaseerd op een andere bepaling omtrent beslag: artikel 96c in combinatie met artikel 125i Sv.10.
- 30.
Deze onderzoeksbevoegdheden bestaat echter alleen ten aanzien van goederen die in overeenstemming de bepalingen in Titel IV, Afdeling 3 van het Wetboek van Strafvordering in beslag zijn genomen. Daaronder is begrepen artikel 94 lid 3 Sv, waaruit volgt dat degene bij wie een voorwerp in beslag is genomen, daarvan in kennis wordt gesteld. Hiervan is geen sprake geweest. Over het beslag van de computer is de beslagene (cliënt) immers niet geïnformeerd, zodat het onderzoeksteam hun heimelijke operatie kon voortzetten.
- 31.
Wat het onderzoekteam onder leiding van de officier van justitie hier in wezen heeft gedaan is het combineren van twee verschillende strafvorderlijke bevoegdheden — de bevoegdheid van heimelijk betreden van een besloten plaats op grond van artikel 126k Sv en de beslagbevoegdheid als grond voor onderzoek aan een inbeslaggenomen voorwerp — en ‘creëert’ daarmee bewust een niet bestaande bevoegdheid op basis waarvan in onderhavig onderzoek is gehandeld. Door deze handelswijze is sprake geweest van heimelijke inbeslagname, een opsporingshandeling waarvoor in het Nederlandse Strafprocesrecht geen plaats is.
- 32.
Dat voor dergelijk optreden een specifieke wettelijke grondslag vereist is en deze momenteel niet bestaat, blijkt allereerst uit de jurisprudentie. Zo volgt uit een uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch dat het hof in de artikelen 94 en 96 Sv geen grondslag ziet voor de inbeslagname van voorwerpen en het achter wege laten van een kennisgeving aan de verdachte. Ook het bestanddeel ‘zoveel mogelijk’ zoals bedoeld in artikel 94 lid 3 Sv geeft deze mogelijkheid niet:11.
‘Met betrekking tot het achterwege laten van deze kennisgeving overweegt het hof dat weliswaar in artikel 94, derde lid, Sv staat aangegeven bij wie een voorwerp in beslag is genomen ‘zoveel mogelijk’ een bewijs van ontvangst wordt afgegeven, maar aan een uitzondering op die regel heeft de wetgever kennelijk niet gedacht (Kamerstukken II 1993–1994, 23692, 3). Dat had wel in de rede gelegen, indien de wetgever het Openbaar Ministerie met deze bepaling de vergaande bevoegdheid had willen geven om heimelijk voorwerpen in beslag te nemen. De omschrijving moet veeleer, zo leidt het hof uit de memorie van toelichting af, worden bezien tegen de achtergrond van de destijds bestaande capaciteitsproblemen.’
- 33.
Ook uit het feit dat de wetgever voornemens is om de bevoegdheid van heimelijke inbeslagname — welke door het Hof Den Bosch in voornoemde uitspraak reeds als vergaande bevoegdheid werd gekwalificeerd — als specifieke bevoegdheid op te nemen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, blijkt dat ten tijde van het heimelijk in beslag nemen van de computer in onderhavige zaak géén grondslag bestond.
- 34.
Uit het artikel ‘Heimelijke toepassing van openlijke bevoegdheden’ van Prof. mr. T. Blom (2020) blijkt dat de wetgever het voornemen heeft om de specifieke bevoegdheid van heimelijke inbeslagname op te nemen onder artikel 2.7.2.1.3 van het nieuwe Wetboek.12. Hieruit volgt dat een bewijs van inbeslagname wordt afgegeven aan de beslagene of wordt achtergelaten op de plaats van inbeslagneming, tenzij het onderzoek dringend vereist dat dit moet worden uitgesteld. In dat geval moet een rechter-commissaris voor het achterwege laten van het in kennis stellen van de beslagene toestemming verlenen en moet het in kennis stellen alsnog plaatsvinden als het belang van het onderzoek dat toelaat.
- 35.
Voor de nieuwe bevoegdheid tot heimelijke inbeslagname gaat derhalve een streng criterium gelden en mag alleen geschieden met toestemming van een (onderzoeks)rechter. In de memorie van toelichting bij het nieuwe wetboek wordt als voorbeeld een dringend onderzoeksbelang de situatie geschetst dat bij de inbeslagneming van gevaarlijke en/of schadelijke voorwerpen (en de vervanging daarvan door daarop lijkende ongevaarlijke of onschadelijke voorwerpen) het dringende onderzoeksbelang uitstel van afgifte rechtvaardigt zodat het opsporingsonderzoek kan worden voortgezet. Daarbij kan bijvoorbeeld (zo volgt uit de Memorie van Toelichting) worden gedacht aan een onderzoek naar een gewapende overval waarbij tien bolletjes drugs in beslag worden genomen en worden vervangen door op verdovende middelen gelijkend poeder, waarvan de beslagenen niet direct op de hoogte worden gesteld zodat het opsporingsonderzoek met betrekking tot de verdachten kan worden voortgezet. Ook kan blijkens de Memorie van Toelichting worden gedacht aan liquidatiezaken.13. (Het is gelet op deze voorbeelden maar zeer de vraag of de heimelijke inbeslagname in onderhavige zaak deze toets überhaupt zou hebben doorstaan).
- 36.
Uit het voorgaande blijkt dat de nieuwe thans nog niet bestaande bevoegdheid tot heimelijke inbeslagname — na inwerkingtreding — niet lichtvaardig mag worden ingezet. Dat is ook niet vreemd, nu met de hoofdregel dat een beslagene van inbeslagneming van zijn of haar goederen in kennis wordt gesteld, belangrijke rechten worden beschermd. Het doel van het in kennis stellen van een beslagene is immers het informeren van deze beslagene, zodat hij of zij op de hoogte kan worden gesteld op de inbreuk op zijn beschikkingsmacht en eigendomsrecht en hij of zij daartegen in rechte kan opkomen.14.
- 37.
Al het voorgaande in aanmerking genomen dient tot de conclusie te worden gekomen dat het onderzoeksteam in de uitvoering van de bevoegdheid tot het heimelijk betreden (126k Sv) van het pand aan de [h-straat 1] te [a-plaats] onbevoegd is overgegaan tot heimelijke inbeslagname van de computer die zich in het pand bevond (om vervolgens de inhoud daarvan te kopiëren), terwijl client daar doelbewust niet over is geïnformeerd. Deze handelswijze had als enige doel om de heimelijkheid van het binnentreden van het pand te laten voortbestaan. Dit blijkt onder meer uit het dossier (rubriek 5, map 1, p. 0232):
‘Op donderdag 3 maart 2011 is gebruik gemaakt van het bevel 126k Wetboek van Strafvordering om een besloten plaats het bedrijfspand aan de [h-straat 1] te [a-plaats], te betreden en de plaats op te nemen. Uit het opnemen van deze plaats is gebleken dat op het bureau van de verdachte een laptop stond.
In overleg met de officier van justitie voornoemd is besloten om op donderdag 17 maart 2011 binnen te treden in perceel [h-straat 1] te [a-plaats] en op basis van artikel 96 Wetboek van Strafvordering de in het kantoor van de verdachte [verdachte] aanwezige computer heimelijk in beslag te nemen. Direct na de inbeslagname dient een zogenaamde image van de computer te worden gemaakt, waarna de computer weer wordt teruggegeven. Een bewijs van ontvangst van de inbeslagname zal op een later tijdstip aan de verdachte [verdachte] worden afgegeven.’
Dit doel is nog eens herhaald bij het requisitoir van de advocaat-generaal op de zitting van 20 april jl.:15.
‘Voorkomen diende immers te worden dat hij op de hoogte zou raken van het lopende opsporingsonderzoek.’
- 38.
Reeds is uitgebreid naar voren gebracht dat voor het achterwege laten van het in kennis stellen van de beslagene met als doel het beschermen van de heimelijkheid van het verrichte en te verrichten onderzoek — hetgeen feitelijk het oprekken van de bevoegdheid van artikel 126k Sv inhoudt — geen bevoegdheid bestaat en dus in strijd is met de wet. Dat maakt de heimelijke inbeslagname van de computer en het daaropvolgende onderzoek aan de (inhoud van de) computer onrechtmatig.
- 39.
Daarmee is evident sprake geweest van een vormverzuim dat onherstelbaar is en dient te worden aangemerkt als een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv.
Ernst vormverzuimen en belangen geschonden voorschrift
- 40.
Voor de vraag welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden is ten eerste van belang de ernst van het vormverzuim en in dat kader de belangen die met het geschonden voorschrift worden gediend.
- 41.
De ernst van het vormverzuim schuilt voornamelijk in het feit dat door het opsporingsteam in onderhavige zaak een bevoegdheid in het leven is geroepen die helemaal niet bestaat en waardoor is opgespoord op een wijze die niet bij wet is voorzien. Het gaat hier niet om het per abuis niet verstrekken dan wel verlengen van een machtiging door een officier of een rechter-commissaris. Het gaat ook niet om een vergeten handtekening of om een situatie waarin door drukte dan wel capaciteitsgebrek een kennisgeving van inbeslagname niet aan een beslagene is overhandigd. De ernst van het verzuim schuilt in het doelbewuste karakter dat kleeft aan het niet voldoen aan de regels die de wet voorschrijft en het uitvoeren van de een opsporingsmethode zonder wettelijke grondslag, met als enige reden het voortzetten van de door het opsporingsteam ingezette heimelijke operatie. De ernst volgt uit de omstandigheid dat feitelijk een nieuwe bevoegdheid is gecreëerd door de bevoegdheid van 126k Sv te combineren met de algemene bevoegdheid tot onderzoek aan inbeslaggenomen goederen, waarmee (achteraf) door het Openbaar Ministerie wordt gepoogd te rechtvaardigen dat het onderzoeksteam de bevoegdheid van 126k Sv zonder bevoegdheid heeft opgerekt.
- 42.
Uit de overwegingen van de rechtbank volgt tevens dat met de heimelijke inbeslagname van de computer, waarvan cliënt doelbewust niet op de hoogte is gesteld, terwijl daar in geval van een rechtmatige inbeslagname wel een verplichting toe bestond, sprake is van een ernstig verzuim. Het verrichten van een dergelijke opsporingshandeling zonder wettelijke basis puur en alleen om het onderzoeksbelang te dienen, levert volgens de rechtbank dan ook een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde op.16.
- 43.
De belangen van de geschonden voorschriften, waaronder het belang dat wordt beschermd door het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel waaruit volgt dat geen bevoegdheden mogen worden ingezet zonder dat daar voor een wettelijke legitimatie bestaat, is hier evident in het geding. Dit beginsel beschermt de rechten en vrijheden van burgers en gaat de willekeurige toepassing van strafvorderlijk overheidsoptreden tegen.
Nadeel
- 44.
Ook het nadeel dat met het vormverzuim is veroorzaakt is evident. Allereerst heeft de politie — zo wordt ook door de rechtbank vastgesteld — min of meer een volledig beeld hebben gekregen van de werkzaamheden van cliënt en is het daarnaast waarschijnlijk dat de politie ook inzicht heeft gekregen in de privé-informatie die zich in de computer bevond. Hiermee is een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van client. Daarnaast heeft client moeten dulden dat opsporingsambtenaren onbevoegd een vergaande, niet bij wet voorziene opsporingsmethode hebben ingezet. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat opsporingsambtenaren op een juiste en rechtmatige manier handelen. Politieoptreden als het onderhavige maakt een aanzienlijke inbreuk op dat vertrouwen. In dit verband wordt opnieuw verwezen naar de reeds aangehaalde jurisprudentie (ECLI:NL:GHAMS:2021:1553 en ECLI:NL:GHARLE:2022:2010).
Rechtsgevolg
- 45.
In de visie van de verdediging dient aan de in het voorgaande genoemde onherstelbare vormverzuimen op zijn minst bewijsuitsluiting als consequentie te worden verbonden. Voor een minder vergaande consequentie is wat de verdediging betreft geen plaats.
- 46.
In het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) wordt een uiteenzetting gegeven van de rechtsgevolgen zoals bedoeld in artikel 359a Sv en de toepassing daarvan. De Hoge Raad schetst daarbij drie gevallen waarbij bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn, waaronder het geval ‘waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar er sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden en toepassing van bewijsuitsluiting in dat geval noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.’
Uit het in voornoemd arrest geschetste beoordelingskader volgt dat wanneer sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.
- 47.
De verdediging is van oordeel dat vanwege de ernst van de reeds besproken vormverzuimen in deze zaak, en daarmee met name doelende op het onrechtmatige onderzoek aan de computer die zich het pand van client bevond, bewijsuitsluiting noodzakelijk is zodat tegemoet wordt gekomen aan het doel zoals de Hoge Raad dat in voornoemd arrest heeft omschreven. Strafvorderlijke dwangmiddelen mogen alleen worden ingezet op een wijze zoals bij de wet voorzien, welk voorschrift in ernstige mate is geschonden. Nogmaals: de opsporingsambtenaren en de officier van justitie hebben doelbewust onrechtmatig gehandeld en daarbij de rechten van client doelbewust geschonden. Er is daarbij gebruik gemaakt van een opsporingsmethode waar geen wettelijke basis voor bestaat en dat is bijzonder kwalijk. Bij vormverzuimen van dergelijke aard is een krachtig signaal nodig, opdat dergelijke opsporingspraktijken in de toekomst worden voorkomen. In dit verband wijst de verdediging op een reeds eerder aangehaald arrest van uw eigen Hof (ECLI:NL:GHAMS:2021:1553) waarin toepassing wordt gegeven aan het kader dat door de Hoge Raad is geschetst en waarin tot de uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs wordt gekomen, waarbij in het oog springt de daarvoor gegeven onderbouwing, inhoudende het belang dat strafvorderlijke voorschriften niet tot een dode letter in de wet verworden en een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek wordt bevorderd:
‘Het hof acht bewijsuitsluiting echter voorts noodzakelijk in het licht van de rechtstatelijke waarborgen die fundamentele strafvorderlijke beginselen bieden, als middel om opsporingsambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee een middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsvergaring tot gevolg hebben te voorkomen en op deze wijze een signaal af te geven, opdat strafvorderlijke voorschriften niet tot een dode letter in de wet verworden. (…) Het hof is van oordeel dat in dit geval de belangen die met de vervolging en berechting van de tenlastegelegde feiten zijn gemoeid, niet opwegen tegen de belangen die verband houden met de handhaving van het recht op een eerlijk proces en de bevordering van een normconform verloop van het voorbereidend onderzoek.’
- 48.
Gelet op al het voorgaande komt de verdediging tot de conclusie dat alleen kan worden volstaan met de uitsluiting van het op onrechtmatige wijze vergaarde bewijs. Daarbij geldt dat de omstandigheid dat door bewijsuitsluiting mogelijk niet alle aan client ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, niet tot gevolg heeft op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en (eventuele) bestraffing van client van een strafbaar feit, nu die belangen in deze zaak in de visie van de verdediging minder zwaar dienen te wegen tegenover het belang van de geschonden voorschriften en de ernst van het verzuim. In dit verband wijst de verdediging ook op de overwegingen die de rechtbank daaraan heeft gewijd.17.
Gevolgen bewijsuitsluiting
- 49.
Indien uw hof de visie van de verdediging volgt en de vormverzuimen die gepaard gaan met de stelstelmatige observatie, de plaatsing van de video-opstelling en het onderzoek aan de computer in het pand aan de [h-straat 1] in [a-plaats] beantwoordt met bewijsuitsluiting, dienen een aantal onderzoeksresultaten van het bewijs te worden uitgesloten. Bij het bepalen daarvan verzoekt de verdediging uw hof om aansluiting te zoeken bij het oordeel van de rechtbank en over te gaan tot uitsluiting van alle onderzoeksresultaten die middellijk of onmiddellijk zijn verkregen door de onrechtmatige inbeslagname.18.
- 50.
Dit betreft in ieder geval het IP-adres dat is verkregen door het onderzoek aan de computer en de volledige image (kopie) die van de betreffende computer is gemaakt. Daarnaast dienen ook de daaropvolgende onderzoeksresultaten die in doorslaggevende mate zijn verkregen als gevolg van het onderzoek aan (de kopie van) de computer te worden uitgesloten van het bewijs. Daaronder begrepen zijn de aangifte en overige verklaringen van de [slachtoffer 7] en zijn zoon, omdat deze zijn verkregen als gevolg van de rechtshulpverzoeken aan Denemarken en Duitsland, welke volledig zijn gebaseerd op de inhoud van de gemaakte image/kopie.
- 51.
Door de advocaat-generaal wordt in het requisitoir nog gewezen op een tweede kopie van de computer die op een later moment (november 2011) gemaakt is, hetgeen reden zou geven om de onderzoeksresultaten die zijn verkregen naar aanleiding van het onderzoek aan de op 17 maart 2011 (onrechtmatig) verkregen kopie van de computer alsnog voor het bewijs te bezigen. Feit blijft echter dat dit onderzoek is verricht op basis van gegevens die op 17 maart 2011 op onrechtmatige wijze zijn verkregen en daarmee een gevolgresultaat zijn van onrechtmatig verkregen bewijs naar aanleiding van onrechtmatig onderzoek. Dat geldt vervolgens ook voor de informatie die uit verschillende rechtshulpverzoeken gevolgd is, nu deze rechtshulpverzoeken gedaan zijn naar aanleiding van het onderzoek aan de d.d. 17 maart 2011 onrechtmatig verkregen kopie van de computer. De verdediging verzoekt uw hof dan ook om de rechtbank op dit punt te volgen.
- 52.
De door de advocaat-generaal aangewezen ‘mogelijkheid’ dat de verkregen informatie vroeg of laat aan het licht zou zijn gekomen omdat het gaat om overboekingen uit vermogen met culturele betekenis en de Deense overheid op een gegeven moment mogelijk aan de bel zou hebben getrokken, of dat nader onderzoek aan de bankrekeningen van de onderneming van cliënt de aanleiding zouden hebben gegeven tot nader onderzoek met mogelijk dezelfde resultaten als gevolg, doet daar niet aan af. Het gaat er in de visie van de verdediging niet om of linksom dan wel rechtsom een mogelijkheid had bestaan om tot het betreffende bewijs te komen en dat dus — aldus het standpunt van de advocaat-generaal — een reden zou zijn om niet tot bewijsuitsluiting over te gaan. Het gaat erom dat door het onderzoeksteam de strafvorderlijke regels niet in acht zijn genomen, er methoden zijn ingezet zonder een wettelijke basis en dat een sterk en duidelijk signaal moet worden afgegeven dat dergelijke opsporingspraktijken niet worden geaccepteerd. Bewijsuitsluiting is derhalve wel degelijk een passend antwoord.
- 53.
Naast voornoemde bewijsmiddelen verzoekt de verdediging uw hof om de beelden die zijn gemaakt middels de geplaatste video-opstelling van het bewijs uit te sluiten, gelet op het daaraan ten grondslag liggende onrechtmatige bevel tot stelselmatige observatie ex artikel 126g Sv.
- 54.
Concreet verzoekt de verdediging uw hof derhalve dat het verkregen IP-adres, de kopie die van de computer is gemaakt, alsmede alle bevindingen die naar aanleiding van het onderzoek aan deze kopie zijn verkregen, en tot slot de beelden die middels de video-opstelling zijn gemaakt, van het bewijs worden uitgesloten.’
2.
Het gerechtshof heeft hieromtrent het volgende overwogen en beslist (arrest p. 7):
‘Inbeslagname van de computer en onderzoek aan de computer
Op 17 maart 2011 is heimelijk binnengetreden op grond van art. 126k Sv in de vestiging van MoneyGram aan de [a-straat], waar het bedrijf van de verdachte gevestigd was. Er was al eerder binnengetreden op 3 maart 2011 en toen was gebleken dat er een computer op het bureau in het kantoor van de verdachte stond. In het proces-verbaal van binnentreden van 24 maart 2011 staat dat in overleg met de officier van justitie is besloten om op 17 maart 2011 binnen te treden in voornoemd perceel en op basis van art. 96 Sv deze computer heimelijk in beslag te nemen. Direct na de inbeslagname dient een image (kopie) van de computer te worden gemaakt, waarna de computer weer wordt teruggeven, aldus dit proces-verbaal. Het proces-verbaal vermeldt verder dat een bewijs van ontvangst van de inbeslagname op een later tijdstip aan de verdachte zal worden afgegeven.
Op grond van artikel 96 Sv zijn opsporingsambtenaren bij het opnemen van plaatsen bevoegd daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen en mag ten behoeve van de waarheidsvinding onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Bij een inbeslagname dient op grond van artikel 94 lid 3 Sv een kennisgeving van inbeslagneming te worden opgemaakt en uitgereikt aan de beslagene.
De opsporingsambtenaren waren bij het binnentreden dus bevoegd de computer van de verdachte in beslag te nemen en deze aan een onderzoek te onderwerpen. Er is echter, in strijd met het bepaalde in artikel 94 lid 3 Sv, geen kennisgeving van inbeslagneming aan de verdachte uitgereikt. In zoverre is sprake van een vormverzuim. Wat dit met name kwalijk maakt is dat, volgens afspraak met de officier van justitie, de computer heimelijk in beslag is genomen en de verdachte doelbewust niet direct van het beslag in kennis is gesteld. Daarmee is doelbewust in strijd met de wettelijke voorschriften gehandeld. Dit is een ernstig vormverzuim, waarvan de verdachte nadeel heeft ondervonden. Bewijsuitsluiting zou op zijn plaats zijn indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt. Dat is evenwel niet het geval. Het hof gaat er dan ook van uit dat dit niet meer zal voorkomen. Een passende sanctie is om in deze zaak strafvermindering toe te passen.’
Onjuiste rechtsopvatting
3.
Het oordeel van het hof dat inhoudt:
‘Bewijsuitsluiting zou op zijn plaats zijn indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt. Dat is evenwel niet het geval. Het hof gaat er dan ook van uit dat dit niet meer zal voorkomen. Een passende sanctie is om in deze zaak strafvermindering toe te passen.’
(onderstreping JK en DS)
- —
en in het bijzonder de onderstreepte zin — geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
4.
Uit rechtspraak van uw Raad volgt dat wanneer sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.4).
5.
Hiermee heeft uw Raad afstand genomen van — althans een nieuw criterium geformuleerd voor — de in 2013 bepaalde twee categorieën van gevallen (ECLI:NL:HR:2013:BY5321) waarin bewijsuitsluiting op zijn plaats kan zijn buiten een schending van art. 6 EVRM om, waaronder de categorie gevallen waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Daarmee wordt niet gezegd dat het gegeven dat een vormverzuim zich structureel voordoet geen belangrijk element is of kan zijn; een voorwaarde is het — anders dan het hof lijkt te stellen — in ieder geval niet.
6.
De door het hof gehuldigde opvatting dat in geval van een ‘kwalijk’ vormverzuim waarbij ‘doelbewust’ — onder leiding van de officier van justitie — verzoeker niet van het beslag in kennis is gesteld, zodat sprake is van een ernstig vormverzuim waarvan verzoeker nadeel heeft ondervonden, bewijsuitsluiting pas op zijn plaats zou zijn ‘indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt’, vindt derhalve geen steun in het huidige recht.
7.
Het miskennen hiervan door het gerechtshof klemt te meer nu de verdediging in haar pleidooi het gerechtshof op het juiste criterium heeft gewezen; zie de pleitnota onder 46, waarin het thans geldende criterium van uw Raad wordt genoemd, en hierna onder 47:
- ‘47.
De verdediging is van oordeel dat vanwege de ernst van de reeds besproken vormverzuimen in deze zaak, en daarmee met name doelende op het onrechtmatige onderzoek aan de computer die zich het pand van cliënt bevond, bewijsuitsluiting noodzakelijk is zodat tegemoet wordt gekomen aan het doel zoals de Hoge Raad dat in voornoemd arrest heeft omschreven. Strafvorderlijke dwangmiddelen mogen alleen worden ingezet op een wijze zoals bij de wet voorzien, welk voorschrift in ernstige mate is geschonden. Nogmaals: de opsporingsambtenaren en de officier van justitie hebben doelbewust onrechtmatig gehandeld en daarbij de rechten van cliënt doelbewust geschonden. Er is daarbij gebruik gemaakt van een opsporingsmethode waar geen wettelijke basis voor bestaat en dat is bijzonder kwalijk. Bij vormverzuimen van dergelijke aard is een krachtig signaal nodig, opdat dergelijke opsporingspraktijken in de toekomst worden voorkomen. (…)’
8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
9.
Het belang van verzoeker ex art. 80a RO bij deze klacht is dat wanneer na vernietiging en terug- of verwijzing het juiste criterium wordt gehanteerd, alsnog tot bewijsuitsluiting kan worden gekomen (zie over die bewijsuitsluiting pleitnota onder 49–54). Zie verder de pleitnota onder 56, waarin wordt uiteengezet dat wanneer (onder meer) het mailverkeer tussen de baron en ‘[betrokkene 13]’ en de overige bevindingen die zijn voortgekomen uit het onderzoek aan de computer van het bewijs worden uitgesloten, tot een vrijspraak van de onder feit 1 tenlastegelegde oplichting moet worden gekomen.
10.
Illustratief in dat verband — overigens ook als het gaat om het hanteren van het juiste criterium — is het oordeel van de rechtbank. Zij kwam tot bewijsuitsluiting (vonnis p. (9-)12):
‘Zoals eerder is overwogen, is geen sprake van rechtstreekse schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, zoals daaraan mede door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitleg is gegeven. In deze zaak is echter wel sprake van belangrijke strafvorderlijke voorschriften, onder andere dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien, die in ernstige mate zijn geschonden. De rechtbank acht toepassing van bewijsuitsluiting dan ook noodzakelijk als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen, die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben, te voorkomen en om een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Uit het dossier blijkt immers dat de opsporingsambtenaren en de officier van justitie doelbewust onrechtmatig hebben gehandeld met het oog op hun onderzoeksbelang en daarbij het recht op privacy van verdachte doelbewust hebben geschonden. Naar het oordeel van de rechtbank is een krachtig signaal nodig om een dergelijke ontoelaatbare afweging in de toekomst te voorkomen. De omstandigheid dat door bewijsuitsluiting mogelijk niet alle aan verdachte ten laste gelegde feiten meer bewezen kunnen worden verklaard, betekent niet dat op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een strafbaar feit, nu die belangen in deze zaak minder zwaar dienen te wegen dan het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alle onderzoeksresultaten die middellijk of onmiddellijk zijn verkregen door de onrechtmatige inbeslagname en doorzoeking van het bewijs moeten worden uitgesloten. Allereerst moet dus het IP-adres dat door het aansluiten van de netwerkkabel op de politiecomputer en de volledige image van de computer van verdachte van het bewijs worden uitgesloten. Verder dienen ook alle daarop volgende onderzoeksresultaten die in doorslaggevende mate zijn verkregen als gevolg van deze onderzoeksresultaten van het bewijs te worden uitgesloten. In het bijzonder betekent dit dat de aangifte en overige verklaringen van [slachtoffer 7] (hierna: de baron) en zijn zoon, én door hen verstrekte gegevens van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu die verklaringen zijn verkregen als gevolg van rechtshulpverzoeken aan Denemarken en Duitsland, die volledig zijn gebaseerd op de inhoud van de gemaakte image. Welke gevolgen dit heeft voor de waardering van het bewijs, zal in rubriek 4 worden besproken.’
(onderstrepingen JK en DS)
11.
De rechtbank kwam vervolgens tot een vrijspraak van feit 1.
Oordeel hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd
12.
Naast de hiervoor weergegeven klacht dat het oordeel van het hof dat ‘bewijsuitsluiting op zijn plaats zou zijn indien aanleiding bestond te veronderstellen dat deze handelswijze vaker voorkomt’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, is dit oordeel tevens ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
13.
Het hof legt immers niet uit waarom bewijsuitsluiting ‘dan pas’ op zijn plaats zou zijn. En dit oordeel van het hof is des te onbegrijpelijker gelet op zijn eigen vaststellingen over de ernst van het vormverzuim, te weten het volgens afspraak met de officier van justitie heimelijk in beslag nemen van de computer en het doelbewust niet direct in kennis stellen van verzoeker (en mitsdien doelbewust handelen in strijd met de wettelijke voorschriften). Gewezen wordt ook op de pleitnota van de verdediging onder 40 t/m 43, waarin de ernst van het verzuim uit de verf komt. Illustratief is de verwijzing naar het vonnis van de rechtbank (onder 42):
- ‘42.
Uit de overwegingen van de rechtbank volgt tevens dat met de heimelijke inbeslagname van de computer, waarvan cliënt doelbewust niet op de hoogte is gesteld, terwijl daar in geval van een rechtmatige inbeslagname wel een verplichting toe bestond, sprake is van een ernstig verzuim. Het verrichten van een dergelijke opsporingshandeling zonder wettelijke basis puur en alleen om het onderzoeksbelang te dienen, levert volgens de rechtbank dan ook een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde op.’
14.
Niet valt voorts in te zien hoe (een bepaalde combinatie van) het gerechtshof ervan op de hoogte zou kunnen zijn of de specifieke handelswijze uit de onderhavige zaak — het opzettelijk niet achterlaten van een kennisgeving van inbeslagneming en (dus) heimelijk onderzoeken van een privacygevoelig goed — vaker voorkomt en/of een structureel karakter draagt. Het hof heeft er geen blijk van gegeven dit te hebben onderzocht en heeft ook overigens geen inzicht gegeven in de wijze waarop het tot dit oordeel is gekomen. De juistheid van die vaststelling waarvan het gerechtshof in zijn motivering uitgaat wordt betwist.
15.
Een en ander klemt temeer nu de aard van het vormverzuim — doelbewust handelen/misleiden — duidelijk maakt dat het hier geen vergissing/ongeluk betreft, maar een beslissing en een bewuste keuze, niet alleen de wet links te laten liggen en maar ook om de belangen van verzoeker te schaden.
16.
Doordat het gerechtshof niet heeft gemotiveerd op welke gronden het tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake zou zijn van repeterend voorkomen en/of structureel karakter van het vormverzuim en/of die conclusie door het gebrek aan inzicht in de wijze waarop het tot die conclusie is gekomen onbegrijpelijk is, lijdt het arrest aan nietigheid.
17.
Voor het belang bij deze deelklacht wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder de ‘onjuiste rechtsopvatting’ is aangevoerd.
18.
Een andere reden waarom het oordeel van het gerechtshof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd is dat het hof wel vaststelt dat sprake is van een ernstig vormverzuim en van nadeel voor verzoeker, maar (in het bijzonder met betrekking tot dit nadeel) niet uitlegt waarin dit is gelegen. Art. 359a lid 2 Sv schrijft voor dat het hof hiermee rekening dient te houden bij de beoordeling van (het verbinden van rechtsgevolgen aan) vormverzuimen.
19.
Nu uit het oordeel van het hof niet ondubbelzinnig naar voren komt waarin het nadeel van verzoeker zou zijn gelegen — terwijl dit door de verdediging wel is uitgelegd (pleitnota onder 44), en terwijl het hof ondanks dit nadeel niet tot bewijsuitsluiting over is gegaan — waarin ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO is gelegen — is het oordeel van het hof ook in zoverre ontoereikend gemotiveerd en/of onbegrijpelijk.
20.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR en 288, 322, 358, 350, 358, 359, 410 en 415 Sv, doordat het oordeel van het hof waarbij het de verzoeken tot het horen van getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 1] heeft afgewezen onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Namens verzoeker is bij (tijdig ingediende) appelmemorie van 7 juli 2015 onder meer verzocht om de navolgende getuigen:
‘Ten aanzien van feit 2 het horen van de volgende getuige(n):
- 1.
Mevrouw [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [b-plaats] [land].
De rechtbank heeft appellant veroordeeld voor het schuldwitwassen van de door [getuige 1], op de rekening van [A] B.V., gestorte geldbedragen. Voor het bewijs gebruikt de rechtbank onder andere de verklaring van [getuige 1] van 4 maart 2012, zie bijlage II, pagina 29, punt 3.
De verdediging wenst [getuige 1] te bevragen over de oplichting en in het bijzonder over hetgeen zij heeft verklaard over de door haar gedane betalingen van 24 juni 2011 en 12 juli 2011 aan [A] B.V.’
Appellant is ten aanzien van feit 2 vrijgesproken van het (opzet en schuld)witwassen van geldbedragen die afkomstig zouden zijn van de oplichting van de onderstaande personen:
(…)
- —
[slachtoffer 1] (of [slachtoffer 1]), woonachtig te [c-plaats].
(…)
Indien het appel van het Openbaar Ministerie zich richt tegen de vrijspraak van het witwassen van de geldbedragen van één van de bovenstaande personen, dan doet de verdediging het voorwaardelijke verzoek tot het horen van alle personen waar het appel Van het Openbaar Ministerie zich op richt.
De verdediging wil die personen dan onder andere vragen stellen met betrekking tot de vermeende oplichting(en) en of zij ooit contact hebben gehad met appellant, dan wel van appellant vernomen hebben. Het is voor de verdediging met name van belang om die personen te horen nu het dossier informatie bevat dat enkel afkomstig is van rechtshulpverzoeken. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten om nader onderzoek te verrichten en de verkregen informatie te Verifiëren.
Dit kan leiden tot de situatie, zoals ook door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, dat er informatie verkeerd wordt geïnterpreteerd. Rechtshulpverzoeken zijn vertaalde stukken die veelal onvolledig zijn. Zo is de heer [slachtoffer 4] niet aangemerkt als slachtoffer van 419 fraude, zoals tenlastegelegd, maar geldt hij juist als verdachte in die zaak. Bovendien is dat rechtshulpverzoek volledig geanonimiseerd, waardoor het onduidelijk is of er überhaupt sprake is geweest van een (419) oplichting en wie de daadwerkelijke slachtoffers zouden zijn.
Om de onduidelijkheid omtrent alle vermeende oplichtingen weg te nemen, doet de verdediging daarom het (voorwaardelijke) verzoek die personen te horen waar het appel van het Openbaar Ministerie zich op richt.’
2.
Deze verzoeken heeft de verdediging op zitting gestand gedaan, zo volgt uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 27 juni 2018, p. 2.
3.
Bij tussenarrest van 11 juli 2018 heeft het gerechtshof de verzoeken afgewezen. Het overweegt daartoe:
- ‘—
het hof wijst af het horen van de getuigen [getuige 1], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6]. Deze personen hebben een soortgelijke aangifte gedaan en/of verklaring afgelegd als de toegewezen getuigen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Gesteld noch gebleken is dat deze personen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zodat het hof een getuigenverhoor van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voldoende representatief acht en daarmee volstaat. Daarmee is op dit moment in voldoende mate tegemoet gekomen aan de onderzoekwensen, zodat de verdediging met deze gedeeltelijke afwijzing thans niet in zijn belangen is geschaad.’
4.
Voormelde getuigen zijn aan te merken als zogenaamde ‘Keskin’-getuigen: hun verklaringen zijn tot bewijs van het onder 2. tenlastegelegde feit van gewoontewitwassen gebezigd. Voor wat betreft getuige [getuige 1] gaat het om de bewijsmiddel 13, voor getuige [slachtoffer 1] om bewijsmiddel 11.
5.
Met betrekking tot getuige [getuige 1] bevat de bewijsvoering van het gerechtshof voorts de navolgende overwegingen:
‘Slachtoffer [getuige 1]
[getuige 1] heeft verklaard dat zij via een datingwebsite in contact is gekomen met ene [betrokkene 9]. [betrokkene 9] vertelde dat hij Amerikaanse soldaat was, naar Irak uitgezonden was geweest en dat hij in het Verenigd Koninkrijk een huis en een kind had. Hij vertelde dat hij weduwnaar was en dat hij wilde dat zij onderdeel zou uitmaken van zijn familie. Hij zou uit dienst gaan en zij moest zich dan aanmelden bij de Veterans Association om zijn uitkeringen te ontvangen. Zij moest daarvoor formulieren invullen. Daarop ontving zij een e-mail van ene [betrokkene 10], die beweerde de commandant van [betrokkene 9] te zijn. Hij raadde haar aan om Western Union Money Transfers te gebruiken om de verschillende betalingen te doen. Het pensioen van [betrokkene 9], dat 2,5 miljoen dollar zou bedragen, moest in [a-plaats] geïnd worden. Vervolgens is [getuige 1] op 9 mei 2011 naar [a-plaats] gegaan om daar het geld te controleren. Het geld zat in een koffer en de mannen vertelden dat de bankbiljetten waren gemerkt uit veiligheidsoverwegingen en dat een speciale procedure moest worden gevolgd om deze markering te verwijderen. Ze zeiden dat ze meer reinigingsmiddel nodig hadden. [getuige 1] kreeg een aantal biljetten die zij mocht omwisselen ter controle. Later ontving zij bericht dat het oplosmiddel uit Singapore moest komen en dat zij daarvoor € 80.000,00 moest betalen, alsmede de invoerrechten van 9.000 pond. Daarna zou zij nog 10% belasting moeten betalen.
Uit bankafschriften op naam van [A] B.V. blijkt dat op 24 juni 2011 een bedrag van € 130.000,00 en op 12 juli 2011 een bedrag van € 20.000,00 door F.E. [getuige 1] op deze rekening zijn gestort. Op de laptop van [A] is een Word-document aangetroffen waarin deze transactie wordt vermeld. Vervolgens vinden diverse betalingen plaats aan bedrijven ten behoeve van vermoedelijk auto's, dan wel auto- onderdelen. Ook wordt geld overgemaakt naar [verdachte] zelf onder vermelding van ‘salaris juli 2011’.’
6.
Ten aanzien van getuige [slachtoffer 1] luiden de overwegingen in de bewijsvoering:
‘Slachtoffer [slachtoffer 1]
Op 22 april 2011 is een machtiging afgegeven tot het opnemen van (data)communicatie via het IP-adres van [A] BV. Uit deze communicatie bleek dat er in mei 2011 e-mailcorrespondentie was geweest tussen ene [betrokkene 4] en [slachtoffer 1]. De communicatie gaat over de aanschaf van een liter chemische vloeistof. [slachtoffer 1] zou daarvoor € 134.500 moeten betalen. Op 2 mei 2011 schrijft [betrokkene 4] dat [slachtoffer 1] in ieder geval 50 % moet betalen voor de vloeistof op een rekeningnummer op naam van [C].
[slachtoffer 1] heeft verklaard in haar aangifte dat zij via een datingwebsite in contact kwam met ene [betrokkene 5] en dat hij haar vertelde dat hij een erfenis van 3.5 miljoen euro had ontvangen, maar het geld niet op zijn eigen rekening kon storten omdat hij bij de United States Marine Reserves zat. Hij vroeg of zij naar [a-plaats] kon gaan om daar een bankrekening te openen en zei dat het geld vervolgens op haar rekening zou worden gestort. Om een deel van de erfenis te ontvangen moest zij een bedrag van € 2.330,60 voor de procedure betalen. De procedure zou worden afgehandeld door een vriend van [betrokkene 5], [betrokkene 4]. In april 2011 is [slachtoffer 1] naar [a-plaats] gegaan waar zij [betrokkene 4] en een medewerker van de SNS bank, genaamd [betrokkene 7], ontmoette. [betrokkene 4] vroeg haar om € 5.000,00 voor het openen van een rekening bij de SNS bank.. Zij heeft dit geld vervolgens opgenomen en aan hem overhandigd. Later vroeg [betrokkene 4] aan haar om nogmaals € 6.000,00 over te maken voor het openen van een bankrekening en wat belastingzaken.
Op rekeningafschriften is te zien dat [slachtoffer 1] een bedrag van in totaal € 32.660,17 heeft gestort op de bankrekening van [C], een vennootschap van [medeverdachte 3]. Binnen twee weken is al het geld uitgegeven, onder meer aan hypotheekkosten van [medeverdachte 3], kosten voor de verzekering van de auto van [medeverdachte 3] en energiekosten. Ook is geld overgemaakt naar [A] en naar exportbedrijven.’
7.
Vastgesteld kan worden dat de aanklachten van het Openbaar Ministerie op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 1] is gebaseerd (hun namen worden ook genoemd in de onder 2. tenlastegelegde beschuldiging van (gewoonte)witwassen) en dat het gerechtshof de bewezenverklaring daar ook op heeft doen berusten. Deze getuigen zijn aan te merken als zogenoemde prosecution witnesses.
8.
Het verzoek van de verdediging tot het oproepen van voornoemde getuigen is afgewezen. Het gerechtshof overweegt in dat verband dat ‘gesteld noch gebleken’ is dat deze personen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan de getuigen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], zodat het hof een getuigenverhoor van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voldoende representatief acht en daarmee kan worden volstaan. Het acht dat daarmee in voldoende mate wordt tegemoet gekomen aan de onderzoekwensen, zodat de verdediging ‘met deze gedeeltelijke afwijzing thans niet in zijn belangen is geschaad.’
9.
Uit de jurisprudentie van het EHRM (EHRM 19 januari 2021, Keskin v. The Netherlands, appl. no 2205/16, § 56) en de jurisprudentie van uw Raad van daarna, komt naar voren dat art. 6 lid 3 (d) van het EVRM vereist dat een verdachte een effectieve mogelijkheid moet hebben om het tegen hem ingebrachte bewijs te betwisten.
10.
Dit brengt met zich mee dat de verdachte in staat moet worden gesteld het waarheidsgehalte en de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige die is aan te merken als prosecution witness, dat wil zeggen een getuige die (al in vooronderzoek of anderszins) een belastende verklaring heeft afgelegd en die door het Openbaar Ministerie wordt gebruikt ter onderbouwing van de aanklacht en waarop de bewezenverklaring door de rechter (mede) kan steunen, zij het ten tijde van het afleggen van die verklaring of in een later stadium van de procedure, te testen door de getuige in zijn of haar aanwezigheid te horen. Het belang bij het oproepen en horen van een dergelijke getuige moet worden voorondersteld zodat van de verdediging een nadere onderbouwing van dit belang niet verlangd mag worden (HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).
11.
In het geval van afwijzing van een dergelijk verzoek zal, in het licht van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces, moeten worden nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan de in verband daarmee te stellen eisen. Daarbij dient een drietal elementen in ogenschouw te worden genomen, te weten (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid het belang van de verklaring voor het bewijs (HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:993, r.o. 2.12.2)
12.
Niet kan blijken dat de getuigen eerder in aanwezigheid van de verdediging (al dan niet door een rechter) zijn ondervraagd.
13.
Daarmee heeft het verzoek betrekking op getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuigen — al in het vooronderzoek — een verklaring hebben afgelegd met een belastende strekking. Het gaat bovendien ten aanzien van de getuige [getuige 1] om een verklaring die door de rechter in eerste aanleg voor het bewijs van het tenlastegelegde feit is gebruikt1. en waarvan de verdediging in hoger beroep de oproeping heeft verzocht.
14.
Vastgesteld kan verder worden dat het gerechtshof het verzoek heeft afgewezen terwijl het niet heeft aangegeven aan welke maatstaf het dit verzoek heeft getoetst en dat het evenmin (i) het geen goede reden heeft gegeven waarom het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend met betrekking tot getuigen van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuigen, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, significant is voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het geen compenserende factoren heeft genoemd, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid (zie de hiervoor reeds genoemde overwegingen van uw Raad in HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:993, r.o. 2.12.2).
15.
Uit de overwegingen van het gerechtshof blijkt verder in het geheel niet dat het aandacht heeft besteed aan deze voor de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek en/of de procedure in haar geheel voldoen aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces van belang zijnde omstandigheden.
16.
Daarbij wordt, in het licht van de bewijsoverwegingen van het gerechtshof waarin het onder meer heeft overwogen dat het feit dat niet is gebleken dat de getuigen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zodat het hof een getuigenverhoor van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voldoende representatief acht en daarmee volstaat, opgemerkt dat het feit dat een verklaring van een andere getuige ‘voldoende representatief’ wordt geacht (representatief waarvoor? opmerking JK en DS) niet een reden kan zijn voor afwijzing van het verzoek om een getuige die belastend heeft verklaard op te roepen.
17.
Het oordeel van het gerechtshof tot afwijzing van het verzoek tot oproeping van de getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 1] is op grond van het vorenstaande dan ook onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR en 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat de bewijsvoering onvoldoende redengevend is voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en/of die bewezenverklaring (telkens) onbegrijpelijk is en/of het gerechtshof die (telkens) onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Ten laste van verzoeker is onder meer bewezenverklaard dat hij:
- ‘2.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 oktober 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader meerdere voorwerpen, te weten de navolgende geldbedragen, verworven en omgezet en gebruik gemaakt:
- —
een of meerdere geldbedragen afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 7], te weten een geldbedrag van 100.000 euro en een geldbedrag van 120.000 euro en een geldbedrag van 240.000 euro en een geldbedrag van 200.000 euro en een geldbedrag van 250.000 euro en een geldbedrag van 225.000 euro en
- —
een geldbedrag afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 2], te weten een geldbedrag van ongeveer 35.620 euro en;
- —
een geldbedragen afkomstig van de oplichting van [slachtoffer 1], te weten van 32.660,17 euro;
- —
geldbedragen afkomstig van de oplichting van [getuige 1], te weten een geldbedrag van 130.000 euro en een geldbedrag van 20.000 euro.
zulks terwijl hij en zijn mededader wisten, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.’
2.
Het gerechtshof heeft met betrekking tot deze bewezenverklaring in het arrest het volgende overwogen met betrekking tot de betrokkenheid van verzoeker bij deze feiten:
‘Betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [verdachte] bij de oplichting en het gewoontewitwassen
Uit de getapte telefoongesprekken blijkt dat onder andere [verdachte] en [medeverdachte 3] gesprekken hebben gevoerd over de oplichtingspraktijken. In een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] wordt gezegd dat aan een persoon gevraagd is om het bedrag te betalen en dat [verdachte] vervolgens zegt dat zij meer kunnen ophalen. Als [medeverdachte 1] vervolgens zegt dat de persoon nog een bedrag wil betalen, vraagt [verdachte] of hij dat meent en wordt er gelachen. In een gesprek tussen [medeverdachte 3] en [verdachte] zegt [verdachte] dat die ene vent nog meer wil betalen. In een ander gesprek tussen hen drieën lachen zij om een man, aan wie zij refereren als ‘die opa’, die meer dan een miljoen aan hen heeft betaald. Ze spreken ook over de leeftijd van de man, namelijk 84 jaar. [verdachte] zegt vervolgens dat [medeverdachte 1] goed kan liegen en dat het een goed idee was. [medeverdachte 3] zegt vervolgens dat zij hem beter gaan pakken dan met Zwitserland, waarop [verdachte] reageert dat de Zwitserland zaak moet worden ingeschakeld. [medeverdachte 3] zegt dat ‘het Zwitserland ding’ moet worden toegepast en ‘wij moeten op hem gaan werken/aan de slag gaan.’ [verdachte] vraagt daarna hoeveel geld [medeverdachte 1] wil ophalen en vervolgt ‘laten we hopen dat die man dan nog niet naar het bejaardentehuis is gebracht. Daar ben ik bang voor.’ [medeverdachte 3] zegt dat als hij de man in Londen ontmoet, dat overtuigend overkomt en het binnen twee tellen klaar is. Hij zegt vervolgens dat hij een ticket zal kopen en dat als de man hem belt, hij hem zal vragen of hij naar Heathrow wil komen en dat zij dan ergens kunnen praten. [verdachte] heeft het op enig moment over ‘mijn vriend [betrokkene 13]. Deze naam heeft ons heel veel geld bezorgd hoor.’ [verdachte] vraagt wat de volgende stap is, waarop [medeverdachte 3] twee opties uitlegt.
Gelet op de leeftijd van de man waarover gesproken wordt, het geldbedrag dat hij heeft overgemaakt en op het feit dat zij de naam [betrokkene 13] hebben gebruikt om de man dat geld afhandig te maken, is het aannemelijk dat in voornoemde gesprekken wordt gesproken over de baron, die destijds 82 jaar oud was en een bedrag van meer dan een miljoen aan [betrokkene 13] heeft overgemaakt. Ook blijkt uit de tapgesprekken dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] een actieve bijdrage levert aan de gesprekken waarin over de oplichting wordt gesproken. Dat [verdachte] op enig moment zegt dat de naam [betrokkene 13] hen allen heel veel geld bezorgd heeft, maakt duidelijk dat zij opereerden onder deze naam en allen profiteerden van het geld.
Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 3] en [verdachte] bij hun oplichtingspraktijken nauw en bewust hebben samengewerkt. De verdachten bestierden een succesvolle oplichtingsmethode waaruit zij veel geld ontvingen en waarbij zij de voornoemde handelswijze volgden onder verschillende namen, waaronder de naam [betrokkene 13]. De slachtoffers verklaren gelijkluidend over de manier waarop zij zijn benaderd en de voorwendselen waaronder het geld hen afhandig is gemaakt. Uit het voorgaande blijkt dat in ieder geval [medeverdachte 3] en [verdachte] onder de naam [betrokkene 13] samenwerkten aan de oplichting van de baron. Ook is gebleken dat [betrokkene 13] gebruik maakte van een zeer specifieke modus operandi — zoals in de inleiding beschreven — inhoudende dat wordt verzocht om geld over te maken, zodat een geldbedrag vrijkomt en er daarna nog geld nodig is voor de reiniging van de biljetten. Eenzelfde specifieke werkwijze is gehanteerd bij de slachtoffers [slachtoffer 1], [getuige 1] en [slachtoffer 2]. Daarnaast is gebleken dat de bedragen op bankrekeningen zijn gestort die gelieerd zijn aan [verdachte] en [medeverdachte 3] en dat de gelden vrijwel direct daarna zijn overgeboekt naar andere rekeningen. Ook is een deel van de gelden van de slachtoffers aangewend ten behoeve van persoonlijke doeleinden van [verdachte] en [medeverdachte 3], zoals betalingen van kosten, overboekingen naar een vriendin van [verdachte], financiering van een project van [medeverdachte 3] en een salarisbetaling aan [verdachte].
[medeverdachte 3] en [verdachte] hebben onder voornoemde listige voorwendselen de baron ruim een miljoen euro afhandig gemaakt. De onder feit 1 ten laste gelegde oplichting van de baron is daarmee bewezen. Daarnaast zijn de door voornoemde slachtoffers, onder wie de baron, overgemaakte gelden verkregen uit de oplichting door [verdachte] en [medeverdachte 3]. De verdachten hebben deze gelden vervolgens vrijwel direct van de rekeningen afgehaald en gebruikt, zodat de werkelijke (criminele) herkomst van de geldbedragen werd verhuld. De verdachten hebben van deze witwaspraktijk een gewoonte gemaakt, nu zij gedurende langere tijd meerdere slachtoffers hebben opgelicht, waarna de geldbedragen door hen werden omgezet en gebruikt.’
3.
De betrokkenheid van verzoeker bij het medeplegen van gewoontewitwassen ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is aldus uiterst summier gemotiveerd. Daaruit kan niet meer blijken dan dat ‘eenzelfde specifieke werkwijze (als bij de baron, opm. JK) is gehanteerd bij de slachtoffers [slachtoffer 1], [getuige 1] en [slachtoffer 2] en dat gelden uit de oplichting van deze personen ‘zijn gestort op bankrekeningen die gelieerd zijn aan [verdachte] en [medeverdachte 3].’
4.
Opmerking verdient echter dat verzoeker niet voor oplichting van deze personen is veroordeeld, enige betrokkenheid van hem daarbij ook niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en dat het zelfs niet aan hem is tenlastegelegd. Voorts kan niet blijken wat verzoeker met gelden die uit oplichting afkomstig zouden zijn en gestort zijn op de bankrekening van [medeverdachte 3] te maken heeft, meer in het bijzonder kan niet blijken dat hij daarover op enig moment de beschikking heeft gehad en/of wist welke gelden daarop en door wie werden gestort, laat staan dat hij, zoals is bewezenverklaard, wist dat die gelden van misdrijf afkomstig waren.
5.
De bewijsvoering voor wat betreft het medeplegen van gewoontewitwassen houdt ten aanzien van de respectieve verwijten voor het overige in:
- a)
ten aan zien van [slachtoffer 2]:
- —
bewijsoverwegingen van het gerechtshof:
‘Slachtoffer [slachtoffer 2]
[slachtoffer 2] heeft in haar getuigenverklaring bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij een brief ontving waarin om hulp werd gevraagd door ene [betrokkene 1], namens een stichting. In die brief wordt [betrokkene 1]'s levensloop uiteengezet en wordt geschreven dat zij geld had waarover zij niet kon beschikken. Zij zou pas over dat geld kunnen beschikken als zij door anderen financieel ondersteund werd. Als [slachtoffer 2] haar zou helpen, dan zou zij een bijdrage krijgen, namelijk 90 % van het bedrag en dat zou neerkomen op 12,6 miljoen dollar. Zij stuurde een certificaat dat betrekking had op een erfenis van haar ex-echtgenoot. Zij was ernstig ziek en zou het geld niet meer kunnen opmaken, maar zij wilde niet dat het geld terecht kwam bij de andere ex-echtgenotes van haar ex-echtgenoot. In januari 2009 had [slachtoffer 2] een afspraak in Nederland met [betrokkene 2] en nog andere personen. [betrokkene 2] had een koffer met bankbiljetten bij zich en dat geld was voor [slachtoffer 2]. [betrokkene 2] zei dat het geld moest worden schoongemaakt. Zij mocht een biljet meenemen om de echtheid daarvan vast te stellen. Haar werd verteld dat het geld met iets werd gemerkt waardoor het geld het land niet kon verlaten. [slachtoffer 2] zag dat er inderdaad merkjes op de biljetten zaten. [slachtoffer 2] heeft daarna nog een aantal keer geld overmaakt. Haar werd voorgehouden dat daardoor het geld gemakkelijker naar haar toe zou komen.
Uit een bankafschrift op naam van [B] BV blijkt dat op deze rekening € 35.620,00, afkomstig van [slachtoffer 2], is gestort. Dit bedrag is binnen twee weken nadien nagenoeg volledig uitgegeven. Er zijn onder meer betalingen gedaan ten behoeve van een klant van [verdachte], genaamd [betrokkene 11].’
- —
bewijsmiddelen:
- •
bewijsmiddel 8 waarin zij toelicht hoe zij is benaderd en dat zij geld heeft overgemaakt;
- •
bewijsmiddel 9 dat is omschreven als een bankafschrift van bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [B] B.V. waarop op 2 september 2009 € 35.620, —, afkomstig van [slachtoffer 2], op de rekening is gestort en de volgende overboekingen hebben plaatsgevonden:
Overboekingen naar: .
- —
10.000 (3/9/09) naar [betrokkene 3] ovv'[naam 1]’
- —
10.000 (4/9/09) naar [betrokkene 3] ovv'Balance for [betrokkene 11]' 1
Uit bewijsmiddel 1 volgt voorts nog dat [B] BV een onderneming is die wordt gedreven door voornoemde verdachte [medeverdachte 3].
- b)
ten aan zien van [slachtoffer 1]:
- —
bewijsoverwegingen van het hof:
‘Slachtoffer [slachtoffer 1]
Op 22 april 2011 is een machtiging afgegeven tot het opnemen van (data)communicatie via het IP-adres van [A] BV. Uit deze communicatie bleek dat er in mei 2011 e-mailcorrespondentie was geweest tussen ene [betrokkene 4] en [slachtoffer 1]. De communicatie gaat over de aanschaf van een liter chemische vloeistof. [slachtoffer 1] zou daarvoor € 134.500 moeten betalen. Op 2 mei 2011 schrijft [betrokkene 4] dat [slachtoffer 1] in ieder geval 50 % moet betalen voor de vloeistof op een rekeningnummer op naam van [C].
[slachtoffer 1] heeft verklaard in haar aangifte dat zij via een datingwebsite in contact kwam met ene [betrokkene 5] en dat hij haar vertelde dat hij een erfenis van 3.5 miljoen euro had ontvangen, maar het geld niet op zijn eigen rekening kon storten omdat hij bij de United States Marine Reserves zat. Hij vroeg of zij naar [a-plaats] kon gaan om daar een bankrekening te openen en zei dat het geld vervolgens op haar rekening zou worden gestort. Om een deel van de erfenis te ontvangen moest zij een bedrag van € 2.330,60 voor de procedure betalen. De procedure zou worden afgehandeld door een vriend van [betrokkene 5], [betrokkene 4]. In april 2011 is [slachtoffer 1] naar [a-plaats] gegaan waar zij [betrokkene 4] en een medewerker van de SNS bank, genaamd [betrokkene 7], ontmoette. [betrokkene 4] vroeg haar om € 5.000,00 voor het openen van een rekening bij de SNS bank.. Zij heeft dit geld vervolgens opgenomen en aan hem overhandigd. Later vroeg [betrokkene 4] aan haar om nogmaals € 6.000,00 over te maken voor het openen van een bankrekening en wat belastingzaken.
Op rekeningafschriften is te zien dat [slachtoffer 1] een bedrag van in totaal € 32.660,17 heeft gestort op de . bankrekening van [C], een vennootschap van [medeverdachte 3]. Binnen twee weken is al het geld uitgegeven, onder meer aan hypotheekkosten van [medeverdachte 3], kosten voor de verzekering van de auto van [medeverdachte 3] en energiekosten. Ook is geld overgemaakt naar [A] en naar exportbedrijven.’
- —
bewijsmiddelen:
- •
bewijsmiddel 10 waarin een proces-verbaal van bevindingen is opgenomen waaruit volgt dat uit opgenomen data-communicatie die via het IP-adres van [A] BV verliep e-mailcorrespondentie is gezien tussen [betrokkene 4] en [slachtoffer 1] onder meer valt op te maken dat [slachtoffer 1] een liter van een chemische vloeistof wil aanschaffen via de persoon [betrokkene 4] en de instructie dat zij het bedrag daarvoor kan overmaken op het bankrekeningnummer van [C]. In een door [slachtoffer 1] verzonden e-mail van 29 april 2011, blijkt dat zij voor één liter chemische vloeistof € 134.500, — zal moeten betalen.
- •
bewijsmiddel 11 bevat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bedragen heeft betaald en overgemaakt aan [betrokkene 4].
- •
bewijsmiddel 12 bevat twee geschriften waaruit volgt dat van bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] op naam van [medeverdachte 3] h/o [C] waarop geld van [slachtoffer 1] is gestort op 7 mei 2011 € 2.000,00 is overgemaakt aan hypotheekkosten, € 71,53 voor de verzekering van een auto, merk Saab, alsmede een bedrag van € 600,00 aan de Nuon. Ook wordt geld overgemaakt naar diverse bedrijven, waaronder [D], [A] BV, [E] BV, [F]’
6.
Uit de bewijsvoering van het gerechtshof voor de bewezenverklaring van het (gewoonte)witwassen ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] kan mitsdien niet blijken dat van medeplegen door verzoeker daarbij sprake was. Zie in dit verband ook hetgeen de raadsman in zijn ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnota onder de nummers 63 t/m 66 heeft aangevoerd. Het gerechtshof heeft op het daar gevoerde verweer niet gerespondeerd en kennelijk geen aanleiding gezien zijn oordeel in dit verband nader te motiveren. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is de bewezenverklaring gelet op het vorenstaande echter onvoldoende met redenen omkleed.
7.
Het voorgaande brengt mee dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het bewezenverklaarde gewoontewitwassen ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en/of de bewezenverklaring ten aanzien daarvan onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
8.
Verzoeker heeft belang ex art. 80a RO bij deze klacht: mocht die aanleiding zijn tot vernietiging dan kan van (medeplegen van) gewoontewitwassen niet meer worden gesproken. Overtreding van opzet — dan wel schuldwitwassen wordt met een lagere straf bedreigd. Na terugwijzing en vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bestaat derhalve de kans dat verzoeker voor dit feit een lagere straf krijgt opgelegd.
Middel IV:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 23 en 24 Sr en 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat de straftoemetingsbeslissing van het gerechtshof onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd en/of onvoldoende met redenen omkleed is. Immers:
- 1)
is het oordeel van het gerechtshof dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt een ‘grootschalige’ oplichting, en/of aan de oplichting van meerdere personen/slachtoffers, onbegrijpelijk, en/of;
- 2)
heeft het gerechtshof bij zijn beslissing om aan verzoeker een geldboete van € 150.000,- op te leggen — in strijd met art. 24 Sr — geen althans onvoldoende rekening gehouden met de draagkracht van verzoeker, en/of is zijn oordeel dat dit wel het geval is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Het hof heeft aan verzoeker een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 6 (zes) maanden en een geldboete van € 150.000,-. Hiertoe heeft het overwogen:
‘Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 maanden, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de onder 1 tenlastegelegde oplichting en het onder 2 tenlastegelegde gewoontewitwassen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft verzocht naar aanleiding van de vormverzuimen strafvermindering toe te passen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet langer passend.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten én de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader(s), schuldig gemaakt aan grootschalige internationale oplichting en het witwassen van de uit de oplichting verkregen gelden. Tevens heeft hij van dat witwassen een gewoonte gemaakt. De verdachte heeft, samen met zijn mededader(s), personen benaderd met het gefingeerde verhaal dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een aanzienlijk bedrag. De verdachte en zijn mededader zijn daarbij uiterst geraffineerd en gewetenloos te werk gegaan door een doordachte werkwijze te bedenken, waarbij de slachtoffers allerhande leugens werden voorgeschoteld. De verdachten gingen zelfs zo ver dat er ontmoetingen met de slachtoffers plaatsvonden, waarbij zij zich onder meer voordeden als medewerkers van een bank en waarbij werd beweerd dat de getoonde bankbiljetten, die voorzien waren van rode merktekens, met een speciale chemische vloeistof gereinigd moesten worden, waarvoor de slachtoffers eveneens dienden te betalen. De verdachten hebben daarmee alles in het werk gesteld om de slachtoffers in de val te laten trappen en hen geld afhandig te maken. Uit de tapgesprekken blijkt de laconieke houding van de verdachte ten aanzien van deze handelswijze. Verdachten lachen onder meer om de oplichting van de baron. Het hof rekent de verdachte deze handelswijze zeer aan. Daar komt nog bij dat door aldus te handelen de slachtoffers ernstig financieel zijn benadeeld en het vertrouwen in het financiële verkeer is geschaad. De verdachte heeft zijn eigen gewin boven deze financiële en maatschappelijke schade gesteld.
De raadsman heeft bepleit de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof begrijpt dat hij bedoelt: geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest. Daarmee zou evenwel onvoldoende recht worden gedaan aan het ernstige strafwaardige karakter van het handelen van de verdachte en de hoogte van het benadelingsbedrag. In soortgelijke zaken wordt gebruikelijk gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. In deze zaak zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend zijn. Het hof zal hierop in mindering brengen een gedeelte van 12 maanden wegens de in het vooronderzoek begane vormfouten als hierboven geconstateerd. Daarnaast is de redelijke termijn waarbinnen berechting behoort plaats te vinden, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, in ernstige mate overschreden. Om deze reden zal het hof een strafkorting van zes maanden toepassen. Daarmee blijft over een gevangenisstraf van zes maanden, waarop de duur van het voorarrest in mindering moet worden gebracht.
In deze zaak kan niet kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf. Waar de buit van de door de verdachte en zijn mededader(s) begane misdrijven is gebleven, is niet bekend. Vast staat wel dat grote bedragen ten behoeve van de verdachte zijn overgeboekt. Om recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en teneinde te bevorderen dat de verdachte (in elk geval deels) niet profiteert van de opbrengsten uit de bewezenverklaarde strafbare feiten zal het hof hem daarom tevens een geldboete opleggen van € 150.000‘00.’
Deelklacht 1
2.
Uit de motivering van de strafoplegging door het hof komt naar voren dat het verzoeker meerdere oplichtingen verwijt. Dat oordeel is onbegrijpelijk, nu verzoeker is veroordeeld voor één oplichting (zie ook arrest p. 13, ‘medeplegen van oplichting’ (niet: meermalen gepleegd).
3.
Zo overweegt het hof dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan ‘grootschalige internationale oplichting’, en spreekt het daarna meerdere malen over het benaderen van ‘personen’ en over ‘slachtoffers’. Daarin ligt besloten dat het hof verzoeker — ten onrechte — meerdere oplichtingen aanrekent.
4.
Het oordeel van het hof kan niet anders worden begrepen dan dat het hieraan zwaar heeft getild. Zie de strafmaatoverwegingen op p. 14 / 15:
‘(…) De verdachte heeft, samen met zijn mededader(s), personen benaderd met het gefingeerde verhaal dat zij aanspraak zouden kunnen maken op een aanzienlijk bedrag. De verdachte en zijn mededader zijn daarbij uiterst geraffineerd en gewetenloos te werk gegaan door een doordachte werkwijze te bedenken, waarbij de slachtoffers allerhande leugens werden voorgeschoteld. De verdachten gingen zelfs zo ver dat er ontmoetingen met de slachtoffers plaatsvonden, waarbij zij zich onder meer voordeden als medewerkers van een bank en waarbij werd beweerd dat de getoonde bankbiljetten, die voorzien waren van rode merktekens, met een speciale chemische vloeistof gereinigd moesten worden, waarvoor de slachtoffers eveneens dienden te betalen. De verdachten hebben daarmee alles in het werk gesteld om de slachtoffers in de val te laten trappen en hen geld afhandig te maken.’
(cursiveringen JK en DS)
5.
Dat ten laste van verzoeker bewezenverklaard is dat hij bepaalde geldbedragen afkomstig uit oplichting zou hebben witgewassen — bijvoorbeeld de oplichting van [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [getuige 1] — doet aan het voorgaande niet af, reeds nu niet bewezenverklaard is dat verzoeker die oplichtingen heeft medegepleegd en/of hij daar opzet op had.
6.
De straftoemetingbeslissing van het hof is derhalve onbegrijpelijk.
7.
Verzoeker heeft voldoende belang ex art. 80a RO bij deze klacht, gelet op het feit dat de verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen (het hof begrijpt: geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest). Het hof gaat hieraan evenwel voorbij vanwege ‘het ernstige strafwaardige karakter van het handelen van de verdachte’ (en de hoogte van het benadelingsbedrag). Aannemelijk is dat voor het hof dit ‘ernstige strafwaardige karakter’ mede gelegen is in de (vermeende) grootschaligheid. Na vernietiging en terug- of verwijzing op grond van hetgeen in deze klacht is aangevoerd, kan allerminst worden uitgesloten dat aan verzoeker geen, althans een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Deelklacht 2
8.
Het hof heeft aan verzoeker naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook een geldboete opgelegd van €150.000,-.
9.
Art. 24 Sr schrijft voor dat bij de vaststelling van de geldboete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.
10.
De advocaat-generaal in hoger beroep had geen oplegging van een geldboete gevorderd.
11.
Het gerechtshof stelt (zie citaat onder 1 van de toelichting op dit middel) te hebben gelet op de draagkracht van verzoeker. Het heeft over deze draagkracht echter niets vastgesteld.
12.
Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 29 november 2022 volgt dat hierover door het hof ook geen vragen aan de advocaat van verzoeker zijn gesteld. Wél volgt hieruit dat de advocaat van verzoeker (in dupliek) in het kader van de aanwezigheid van verzoeker heeft gesteld:
‘Het uitgangspunt is dat een strafproces in aanwezigheid van de verdachte plaatsvindt, maar cliënt verkeert in moeilijke financiële omstandigheden door deze zaak en is daardoor niet in staat om naar Nederland te reizen.’
(onderstreping JK en DS)
13.
Bovendien volgt uit dit proces-verbaal (p. 2) dat de raadsman van verzoeker heeft gesteld dat een geldboete geen optie is:
‘U haalt mijn opmerking aan dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn een andere strafmodaliteit op zijn plaats is en vraagt op welke modaliteit ik doel. Een geldboete is geen optie. Cliënt heeft het niet makkelijk door deze strafzaak. Een taakstraf zou een mogelijkheid kunnen zijn.’
14.
Daarnaast refereert de advocaat op de zitting aan een verklaring van verzoeker die wordt overgelegd (proces-verbaal p. 4, deze verklaring bevindt zich onder de in het digitaal portaal geplaatste stukken):
‘Cliënt heeft iets op papier gezet. Dat komt op hetzelfde neer als wat hij heeft gezegd in de verklaring die aan mijn pleitnota is gevoegd. Het gaat onder andere over zijn financiële situatie en dat hij zich schuldig voelt. Uit deze verklaring en de andere verklaring van cliënt maak ik op dat hij het ontzettend jammer vindt dat hij Nederland heeft moeten verlaten. U kunt deze verklaring als zijn laatste woord beschouwen.’
15.
Uit deze verklaring volgt:
‘I regret to state my inability to come to court due to financial constraints which subsequently throws my life into jeopardy.’
En:
‘The case has delved a devastating financial blow on my business which led to the subsequent collapsed of my business and thereby subjecting me to a dehumanising situation, unspeakable and intense psychological trauma. Right now, I had to practically struggle to reinvent myself and build a new business of selling and supplying led lights to customers that show interest in lighting and energy efficiency to survive and be able to feed, take care of myself at 63 years.’
En:
‘Since I was released from the prison, my life has not been the same again. As I write this piece, I am jobless, financially backward and aging at sixty four in abject poverty.’
16.
Voor zover in het oordeel van het hof dat inhoudt (arrest p. 15):
‘In deze zaak kan niet kan worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf. Waar de buit van de door de verdachte en zijn mededader(s) begane misdrijven is gebleven, is niet bekend. Vast staat wel dat grote bedragen ten behoeve van de verdachte zijn overgeboekt. Om recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en teneinde te bevorderen dat de verdachte (in elk geval deels) niet profiteert van de opbrengsten uit de bewezenverklaarde strafbare feiten zal het hof hem daarom tevens een geldboete opleggen van € 150.000‘00.’
besloten moet worden geacht te liggen dat verzoeker over voldoende financiële middelen c.q. opbrengsten uit de strafbare feiten beschikt, is dit — gelet op hetgeen door verzoeker en zijn advocaat (meermalen) naar voren is gebracht, en zonder nadere motivering van het gerechtshof — onbegrijpelijk.
17.
Daar komt nog bij dat het gerechtshof ook bekend moet worden geacht te zijn met de door hemzelf opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van €207.864,92 aan wederrechtelijk verkregen vermogen (arrest van het gerechtshof in de ontnemingszaak van 3 februari 2023) en het feit dat uit de mededeling van de raadsman in hoger beroep blijkt dat hij verzoeker heeft gesproken over het conservatoir beslag op de overwaarde van € 138.500 uit de verkoop van het pand dat in 2020 verkocht is (zie de dupliek van de raadsman volgens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 29 november 2022, p. 4).
18.
De rechtspraak van uw Raad dat de enkele overweging van het hof dat bij de vaststelling van de geldboete rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte, zoals voorgeschreven in art. 24 Sr, reeds meebrengt dat is voldaan aan de in die bepaling gestelde eis (vgl. HR 2 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7663, r.o. 3.3), laat onverlet dat de straftoemetingsbeslissing van het hof (ook in zoverre) begrijpelijk moet zijn. Bovendien is van belang wat in dit verband door de verdediging naar voren is gebracht (dezelfde rechtsoverweging van dit arrest uit 2007). Zie verder bijvoorbeeld HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3684:
‘2.6.
Zoals hiervoor in 2.4. is weergegeven, heeft het Hof geoordeeld dat het opleggen van onder meer een geldboete van € 200.000,- een passende bestraffing vormt en heeft het daarbij mede gelet op het grote bedrag (enkele tonnen) dat de verdachte ten onrechte van de fiscus heeft ontvangen. Gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de financiële positie van de verdachte, waaronder in het bijzonder het executoriale beslag dat de fiscus in verband met de naheffingsaanslagen met betrekking tot de ten onrechte aan de verdachte betaalde bedragen heeft gelegd op het enige vermogensbestanddeel van de verdachte, op grond waarvan de verdachte niet in staat zou zijn een opgelegde geldboete te betalen, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het middel klaagt dat het Hof de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, is het dan ook terecht voorgesteld.’
19.
In het licht van hetgeen door verzoeker en zijn advocaat over de financiële situatie van verzoeker naar voren is gebracht, en gelet op de omstandigheid dat het hof verzuimd heeft nadere vragen te stellen aan de raadsman van verzoeker over deze financiële situatie, bijvoorbeeld over het huidige inkomen van verzoeker (zie art. 24 Sr), is de strafoplegging van het hof in zoverre onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
20.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel V:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 7 EVRM en 15, eerste lid, IVBPR, de artikelen 1, 24c en 88 (oud) Sr en de artikelen 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat het gerechtshof bij de beslissing tot oplegging van de vervangende hechtenis bij de aan verzoeker opgelegde geldboete de bij wet bepaalde maximale duur daarvan heeft overschreden, en/of in strijd met art. 1 lid 2 Sr niet bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is de voor verzoeker gunstigste bepalingen heeft toegepast. Het arrest lijdt als gevolg daarvan aan nietigheid.
Toelichting
1.
Het hof heeft aan verzoeker een geldboete opgelegd van € 150.000,- en hiertoe onder ‘beslissing’ het volgende overwogen (arrest p. 16):
‘Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150.000,00 (honderdvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.’
2.
Aldus oordelend heeft het gerechtshof de duur van de vervangende hechtenis bepaald op 365 dagen. Dat is in verband met het navolgende meer dan was toegestaan.
3.
Uw Raad heeft in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 — onder verwijzing naar HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878 welk arrest op zijn beurt gewezen was naar aanleiding van EHRM (GK) 17 september 2009, Scoppola tegen Italië2. — met betrekking tot wijzigingen in sanctierechtelijke bepalingen het volgende overwogen:
‘4.3
Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang — en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten — moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en — voor zover van toepassing — artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (vgl. HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878).’
4.
- ‘1.
Bij de uitspraak waarbij geldboete wordt opgelegd, beveelt de rechter voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Indien de veroordeelde een rechtspersoon is, blijft dit bevel achterwege. Artikel 51, laatste lid, is van overeenkomstige toepassing
- 2.
De duur van de vervangende hechtenis wordt in gehele dagen, weken of maanden vastgesteld.
- 3.
De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd.’
5.
Bij invoering van de Wet USB op 1 januari 2020 is art. 88 Sr gewijzigd. Dat artikel bepaalde per die datum mede de toepasselijke maximale duur van de hiervoor bedoelde vervangende hechtenis, doordat daarin de duur van ‘een jaar’ aldus nader was omschreven:
‘Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.’
6.
Door dit samenstel van bepalingen kon de vervangende hechtenis niet langer dan 360 dagen duren. Bij invoering van deze bepaling werd niet voorzien in overgangsrechtelijke bepalingen waardoor voormeld artikel op 1 januari 2020 in werking trad.
7.
Deze toen geldende bepaling werkt voor verzoeker gunstiger uit dan de regelgeving die gold ten tijde van de pleegdata van de bewezenverklaarde feiten. Ten tijde van de ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feiten (1 mei 2009 – 31 oktober 2011) bedroeg de maximale duur van de vervangende hechtenis immers 365 dagen, doordat gelet op het toen geldende art. 88 Sr — waarin de duur van een jaar niet nader werd bepaald — onder een jaar één kalenderjaar, dat wil zeggen 365 dagen, moest worden begrepen.
8.
Dit betekent dat het gerechtshof die voor verzoeker gunstiger regeling per 1 januari 2020 in de onderhavige zaak had moeten toepassen. Zie ook HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714.
9.
Daaraan doet niet af dat deze bepaling een half jaar later weer is gewijzigd (gerepareerd) en de maximale duur van de vervangende hechtenis weer op 365 dagen is komen te liggen. Zie in dat verband HR 1 juni 2021, ECL:NL:HR:2021:812 en de verwijzing daarin naar de conclusie van de PG (ECLI:NL:PHR:2021:113, randnummers 16 t/m 27), meer in het bijzonder randnummer 27 waarin de PG § 119 uit het hiervoor onder 3 genoemde arrest Scoppola tegen Italië citeert:
- ‘27.
Het voorafgaande brengt mee dat de gijzeling die aan de schadevergoedingsmaatregel is verbonden maximaal 360 dagen beloopt. Hieraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden gijzeling thans weer 365 dagen is. In de onderhavige zaak blijft art. 88 Sr, zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest, van toepassing, omdat deze bepaling voor de verdachte ‘of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige is.’
(onderstreping JK en DS)
10.
Aldus had het gerechtshof het per 1 januari 2020 ingevoerde, tijdelijk geldende art. 88 Sr in de onderhavige zaak moeten toepassen. Dit is ook in overeenstemming met de hier eerder genoemde jurisprudentie van uw Raad, inhoudende dat een ‘sinds het plegen van het delict opgetreden verandering in het sanctierecht’ wordt toegepast indien deze ten gunste komt van de verdachte. Het gerechtshof had daarom het aantal dagen vervangende hechtenis op niet meer dan (in totaal) 360 dagen mogen bepalen.
11.
Het oordeel van het gerechtshof, waarbij het totaal aantal dagen vervangende hechtenis is bepaald op 365, is daarmee in strijd. Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid. Mocht uw Raad op grond van de overige voorgestelde middelen van cassatie niet tot vernietiging van het bestreden arrest en terug- of verwijzing overgaan, wordt uw Raad gelet op het voorgaande verzocht om de duur van de vervangende hechtenis op 360 dagen te bepalen.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door Mr. J. Kuijper en Mr. D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 25 augustus 2023
J. Kuijper
D.W.E. Sternfeld
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑08‑2023
Rubriek 6D, p. 0001–0003
Rubriek 6D, p. 0002
Vonnis d.d. 12 juni 2015, p. 10
Requisitoir advocaat-generaal d.d. 20 april 2022, p. 9
Zie bijv. ECLI:NL:GHSHE:2014:956, overweging E4.
Prof. mr. T. Blom, ‘Heimelijke toepassing van openlijke bevoegdheden’, Platform Modernisering Strafvordering februari 2020, DOI:10.5553/PMSV/258950952020003004001
Conceptwetsvoorstel en MvT boek 2, onderdeel ‘Inbeslagnerning van voorwerpen met uitstel van verstrekking van het bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming’, p. 4
Prof. mr. T. Blom, ‘Heimelijke toepassing van openlijke bevoegdheden’, Platform Modernisering Strafvordering februari 2020, DOI:10.5553/PMSV/258950952020003004001
Requisitoir advocaat-generaal d.d. 20 april 2022, p. 6
Vonnis d.d. 12 juni 2015, p. 11
Vonnis d.d. 12 juni 2015, p. 12
Vonnis d.d. 12 juni 2015, p. 12
zie het vonnis van de rechtbank ten aanzien van [getuige 1] pp. 14 en 29 (bewijsmiddel 3).