Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063).
HR, 20-12-2024, nr. 23/04469
23/04469
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2024
- Zaaknummer
23/04469
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1882, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024; (Cassatie)
Herziening: ECLI:NL:HR:2026:631
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:2026
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑12‑2024
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2024122008
NDFR Nieuws 2024/2122
FutD 2024-2653
NTFR 2025/18 met annotatie van drs. R.P. Bitter
V-N 2025/2.6 met annotatie van Redactie
NLF 2025/0001 met annotatie van Theo Hoogwout
BNB 2025/39 met annotatie van J.P. BOER
Beroepschrift 20‑12‑2024
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 23/04469) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023, nrs. 23/00091 t/m 23/00093, inzake [X] te [Z] betreffende de aanslagen in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 1 december 2023 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht dan wel van verzuim van vormen, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet rechtsherstel box 3 en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat — in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 — belanghebbende voor de jaren 2017, 2018 en 2019 recht heeft op een op rechtsherstel gerichte compensatie die aansluit bij het werkelijk behaalde rendement op de bank- en spaartegoeden en de overige bezittingen en dat niet meer hoort te worden belast dan de feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en mogelijk andere vormen van directe gerealiseerde vermogensopbrengst, zulks in verband met het hiernavolgende ten onrechte dan wel op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting op het middel
Feiten en oordeel Hof
- •
In de jaren van geschil (2017, 2018 en 2019) behoren tot belanghebbendes rendementsgrondslag van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bank- en spaartegoeden, aandelen en obligaties en een tweede woning.
- •
In de onderhavige jaren heeft belanghebbende rente- en dividendinkomsten genoten van respectievelijk € 2.855 (2017), € 2.049 (2018) en € 3.338 (2019).
- •
De tweede woning wordt niet verhuurd en is niet vervreemd.
- •
Het voordeel uit sparen en beleggen is in de onderhavige aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen als volgt vastgesteld:
2017 € 29.015
2018 € 15.738
2019 € 11.570
- •
Op basis van het Besluit rechtsherstel box 31. (hierna: het Besluit) heeft de Inspecteur het voordeel uit sparen en beleggen als volgt berekend:2.
2017 € 15.398
2018 € 14.909
2019 € 15.347
- •
Voor de overige feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof.
In afwijking van de Wet Rechtsherstel box 3 biedt het Hof belanghebbende een compensatie door het voordeel uit sparen en beleggen vast te stellen op het behaalde werkelijke rendement, waarbij het Hof de niet gerealiseerde waardemutaties van de aandelen en obligaties en van de tweede woning buiten beschouwing laat. Aangezien de tweede woning niet wordt verhuurd en niet is vervreemd, wordt hiervoor geen inkomen (voordeel uit sparen en beleggen) in aanmerking genomen.
Beschouwing
De Hoge Raad (hierna: HR) heeft in het Kerstarrest3. geoordeeld dat het box 3-stelsel dat geldt vanaf 1 januari 2017 in bepaalde gevallen in strijd is met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten dient de rechter in het algemeen aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende aanknopingspunten zijn af te leiden voor de beantwoording van de vraag hoe dit dient te geschieden, aldus de HR. Zulke aanknopingspunten aan de hand waarvan de rechter binnen het bestaande wettelijk stelsel zou kunnen vaststellen hoe de geconstateerde schending valt op te heffen, zijn in dit geval niet voorhanden. Dan is het naar het oordeel van de HR aan de wetgever om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met de geconstateerde schending. De HR is van oordeel dat het formuleren van een daartoe geschikte rechtsregel en de in dat verband te maken keuzes aan de wetgever dienen te worden overgelaten.4.
Het Kerstarrest heeft geleid tot een (politieke) discussie over de consequenties van het arrest en het te bieden rechtsherstel in box 3. In mijn brief van 15 april 20225. en tijdens het commissiedebat van 20 april 2022 zijn verschillende mogelijkheden voor het rechtsherstel in box 3 aan bod gekomen. Ik heb in de brief aangegeven dat de enige uitvoerbare en acceptabele wijze van rechtsherstel een geautomatiseerd rechtsherstel op basis van een nieuwe forfaitaire berekening is. Hierbij wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het box 3-vermogen (werkelijke vermogensmix), maar niet van het werkelijk behaalde rendement. De Belastingdienst beschikt namelijk niet over informatie van voldoende kwaliteit over het werkelijke rendement. Daarnaast zullen niet alle belastingplichtigen beschikken over informatie over in het verleden door hen behaalde werkelijke rendementen. Bovendien is ook na het Kerstarrest het gebruik van forfaits toegestaan, mits bij het vaststellen van de forfaitaire grenzen wordt getracht de werkelijkheid te benaderen; zie onderdeel 3.2.3 van het Kerstarrest en onderdeel 2.4.1.2 van het arrest HR 10 juni 2016, ECLI: NL: HR: 2016:1129.
Door voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen de werkelijke vermogensmix te gebruiken en af te stappen van de forfaitaire vermogensmix wordt een belangrijk bezwaar tegen de box 3-heffing weggenomen;6. zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal (hierna: A-G) Niessen bij het Kerstarrest.7. De A-G is in onderdeel 7.7 van de conclusie van mening dat het rechtstekort in box 3 wordt opgeheven wanneer wordt uitgegaan van de daadwerkelijk aangehouden spaargelden en overige bezittingen. In mijn brief van 28 april 20228. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten het rechtsherstel9. in gang te zetten volgens de forfaitaire spaarvariant. Er wordt gewerkt met drie forfaits, te weten voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. De forfaits worden toegepast op de werkelijke vermogensmix, dat wil zeggen op de werkelijke spaartegoeden, schulden en overige bezittingen. In de brief van 28 april 2022 is verder vermeld dat via een beleidsbesluit regels worden vastgelegd om de precieze vormgeving van het rechtsherstel te verankeren en dat dit besluit daarna in wetgeving wordt omgezet. Met de forfaitaire spaarvariant kan geautomatiseerd rechtsherstel geboden worden, indien de nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het oorspronkelijk berekende voordeel uit sparen en beleggen. Met de forfaitaire spaarvariant wordt het rechtsherstel toegespitst op spaarders, die meer spaargeld hebben dan volgens de forfaitaire vermogensmix. De forfaitaire spaarvariant voorkomt dat beleggers in slechte jaren geld terugkrijgen, ook als ze bezien over meerdere jaren wel een goed rendement hadden. Verder is een voordeel van de forfaitaire spaarvariant dat de budgettaire derving fors wordt beperkt.
Via een brief met dagtekening 30 juni 202210. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat de precieze vormgeving van het rechtsherstel volgens de zogenoemde forfaitaire spaarvariant, vooruitlopend op wetgeving, is verankerd in het Besluit. Het Kerstarrest heeft geleid tot een majeure hersteloperatie. Het arrest heeft directe werking en moest daarom direct uitgevoerd worden. De Belastingdienst heeft hiervoor in korte tijd grote inspanningen geleverd om de benodigde aanpassingen aan de systemen te kunnen bewerkstelligen. Het rechtsherstel is zodanig vormgegeven dat het grotendeels geautomatiseerd kan worden uitgevoerd op basis van reeds beschikbare gegevens. Burgers hoeven in beginsel zelf geen actie te ondernemen. Uit de bij het Besluit behorende uitvoeringstoets blijkt dat het geautomatiseerde rechtsherstel voor de Belastingdienst uitvoerbaar is.11. Uit de uitvoeringstoets blijkt evenwel dat de impact van het rechtsherstel voor de uitvoering groot is.
Het bieden van rechtsherstel over de kalenderjaren 2017 t/m 2020 is per 1 juli 2022 op grond van het Besluit in gang gezet. Het Besluit bevat voor de toepassing van hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een nieuwe forfaitaire berekening van het voordeel uit sparen en beleggen. De totstandkoming van het nieuwe voordeel uit sparen en beleggen is in punt 1.2 van het Besluit als volgt onderbouwd:
‘Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement, geldt voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Bij de vormgeving van dit rechtsherstel zijn diverse aspecten betrokken, waaronder budgettaire, uitvoeringstechnische en maatschappelijke aspecten. Het is erop gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het bovengenoemde arrest. Met de in dit besluit beschreven nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt naar de mening van het kabinet naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden.’
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 201712. is de berekening van het box 3- inkomen neergelegd in de Wet rechtsherstel box 3.13. en 14. De wetgever heeft de keuze om de box 3-heffing niet te baseren op het werkelijk behaalde rendement als volgt toegelicht:
'Na de voorgestelde aanpassingen zal het voordeel uit sparen en beleggen beter aansluiten bij het werkelijk behaalde rendement. Dit geldt in het bijzonder voor belastingplichtigen met een groter aandeel banktegoeden dan forfaitair werd verondersteld. Ook na de voorgestelde aanpassingen is geen sprake van een heffing op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het werkelijke rendement van een individuele belastingplichtige kan in een belastingjaar hoger of lager zijn dan het forfaitair bepaalde rendement. De regering werkt aan de invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement. Het is uitvoeringstechnisch nog niet mogelijk om op dit moment al het werkelijke rendement te belasten. Voor het rechtsherstel is gekozen voor een methode die in grote mate geautomatiseerd is uit te voeren door de Belastingdienst, waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren. Door het loslaten van een forfaitaire samenstelling van het vermogen en het hanteren van rendementspercentages, voor de hierboven beschreven vermogenscategorieën, wordt het werkelijk behaalde rendement beter benaderd. Hoewel het voorgestelde forfaitaire stelsel in een zeker opzicht ruw is, is de regering van oordeel dat het voorstel de proportionaliteitstoets van het EVRM kan doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing. Hierbij heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Deze redelijke verhouding is aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen van overwogen alternatieven — zoals in paragraaf 5 nader beschreven — en het feit dat de regering werkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement. Bij de keuze voor een forfaitair stelsel is verder van belang dat bij het vaststellen van de forfaits getracht wordt de werkelijkheid te benaderen, zoals met het voorstel wordt beoogd.' Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 7.
'Een uitvraag bij alle belastingplichtigen of tegenbewijsregeling zou het nadeel kunnen wegnemen dat de belastingheffing over een hoger inkomen plaatsvindt dan over het werkelijke rendement. Hier is echter bij het rechtsherstel niet voor gekozen. Het belangrijkste argument is dat het met terugwerkende kracht aansluiten bij en uitvragen van het daadwerkelijke rendement te veel zou vergen van de uitvoering bij de Belastingdienst en van het doenvermogen van burgers. Bovendien kan de Belastingdienst door de beperkt beschikbare contra-informatie niet met zekerheid vaststellen of het werkelijke rendement op de juistfe] manier is berekend. Dat zou onder meer leiden tot niet-gebruik en oneigenlijk gebruik. Een tegenbewijsregeling betekent de facto de introductie van een stelsel op basis van werkelijk rendement vanaf 2017. Wel werkt de regering aan een zo spoedig mogelijke invoering van een stelsel op basis van het werkelijk behaalde rendement.' Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 8.
Het Hof is van oordeel dat in afwijking van de Wet rechtsherstel box 3 compensatie moet worden geboden waarbij de op rechtsherstel gerichte compensatie in beginsel dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement en dat niet meer hoort te worden belast dan feitelijk genoten rente, dividend, huur, royalty's en mogelijk andere vormen van directe, gerealiseerde vermogensopbrengst. De wetgever heeft er echter bewust niet voor gekozen om de compensatie te laten aansluiten bij de directe, gerealiseerde vermogensopbrengst. Voor het vaststellen van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever in de Wet rechtsherstel box 3 het werkelijke vermogen onderverdeeld in drie categorieën met voor iedere vermogenscategorie een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage, dat zoveel mogelijk aansluit bij het werkelijk behaalde rendement over de betreffende vermogenscategorie. De keuze voor forfaitaire rendementspercentages is door de wetgever als volgt toegelicht:
'Bij de bepaling van de forfaitaire rendementspercentages is net als in het huidige box 3-stelsel uitgegaan van een breed rendementsbegrip. Het rendementsbegrip omvat zowel het directe rendement (zoals rente en dividend) als gerealiseerde en niet-gerealiseerde waardemutaties. (…) Uitgaan van het brede rendementsbegrip is in lijn met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Dit rendementsbegrip ligt ook ten grondslag aan het huidige box 3-stelsel.15.
(…)
Overwogen is om in de nieuwe berekening voor meer vermogenscategorieën (dan de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen drie vermogenscategorieën) een afzonderlijk rendementspercentage op te nemen.16. In die variant worden voor alle rubrieken uit de belastingaangifte: spaargeld, onroerende zaken, effecten (aandelen en obligaties), contant geld, vorderingen et cetera, de forfaitaire rendementspercentages gebaseerd op de gemiddelde rendementen voor deze vermogenscategorieën in het betreffende belastingjaar. Het nadeel van deze variant is dat belastingplichtigen met beleggingen in gemiddeld genomen slechte beleggingsjaren geld terugkrijgen, ook als zij over de gehele periode 2017–2022 een hoog rendement hebben behaald. Voorjaren waarin het voordeel uit sparen en beleggen volgens de regels van rechtsherstel hoger is kan echter niet worden bijgeheven. Bovendien blijft het ook in deze variant niet mogelijk om geautomatiseerd onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld aandelen en obligaties, omdat deze posten niet worden onderscheiden in de systemen van de Belastingdienst. Gelet op het bovenstaande heeft de regering gekozen voor de voorgestelde variant, waarbij voor overige bezittingen wordt uitgegaan van het huidige meerjarige gemiddelde rendement uit rendementsklasse II.' Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 3, blz. 7 en 8.
De aandelen en obligaties en de tweede woning behoren tot de vermogenscategorie overige bezittingen. Deze categorie kent veel verschillende typen vermogensbestanddelen die op basis van de gegevens in de aangifte niet altijd te onderscheiden zijn. Bovendien kan het rendement van de verschillende vermogensbestanddelen binnen de categorie overige bezittingen per jaar sterk fluctueren, terwijl met de investering vaak op de lange termijn een rendement nagestreefd en behaald wordt. Bij het bepalen van de forfaitaire rendementspercentages is, net als in het box 3-stelsel dat gold tot 2017, uitgegaan van een breed rendementsbegrip dat niet enkel directe, gerealiseerde rendementen bevat.17. In de Wet rechtsherstel box 3 wordt uitgegaan van een breed rendementsbegrip, hetgeen in lijn is met het eerder met de Tweede Kamer gedeelde advies van drie externe deskundigen. Gelet op de moeilijkheden bij het nader uitsplitsen van deze vermogensbestanddelen en het uitgangspunt van een geautomatiseerd rechtsherstel, wordt met het gehanteerde forfait voor overige bezittingen op de meest rechtvaardig mogelijke manier aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Daarbij speelt ook een rol dat alle overwogen alternatieven, zoals het uitvragen van het werkelijke rendement bij belastingplichtigen of het invoeren van een tegenbewijsregeling, belangrijke nadelen kennen.18. Ten slotte is in dit kader van belang dat de Belastingdienst niet beschikt over informatie over aan- en verkopen van overige bezittingen binnen eenzelfde belastingjaar en over eventuele met die verkoop in de loop van het jaar behaalde resultaten.
Door bij het bieden van het rechtsherstel uit te gaan van een nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft de wetgever een balans gevonden tussen enerzijds de noodzaak om recht te doen aan het Kerstarrest en anderzijds de praktische mogelijkheden gelet op het doenvermogen van belastingplichtigen en de uitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst.19. De keuze voor een geautomatiseerde regeling waarbij belastingplichtigen zo min mogelijk aanvullende gegevens hoeven aan te leveren, is gemaakt om op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel te bieden. Hoewel de beschreven methodiek in een zeker opzicht ruw is, kan deze naar mijn mening de proportionaliteitstoets van het EVRM doorstaan. Voor de proportionaliteitstoets is van belang dat een redelijke verhouding bestaat tussen de gehanteerde middelen en het beoogde doel van de heffing, waarbij de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De redelijke verhouding is mijns inziens aanwezig gelet op het maatschappelijke en budgettaire belang van een heffing op vermogensinkomsten, de nadelen en onmogelijkheden van overwogen alternatieven en het feit dat wordt gewerkt aan een zo spoedig mogelijke invoering van een heffing op basis van het werkelijke rendement.20. Ook de Afdeling advisering van advies van de Raad van State benadrukt het belang van een werkbare en evenwichtige afwikkeling. Een regeling die optimaal tegemoetkomt aan het Kerstarrest maar niet uitvoerbaar is, draagt uiteindelijk niet bij aan rechtsherstel voor betrokkenen. Door de omvang van de hersteloperatie kan deze naar de mening van de Afdeling alleen op uniforme, geautomatiseerde — in een wet neergelegde — wijze worden uitgevoerd.
Het Hof gaat voor de jaren 2017 en 2018 ten onrechte niet uit van het ingevolge de Wet rechtsherstel box 3 berekende voordeel uit sparen en beleggen en voor het jaar 2019 ten onrechte niet uit van het oorspronkelijke voordeel uit sparen en beleggen.21. Het Hof stelt het voordeel uit sparen en beleggen voor alle jaren vast op het werkelijk behaalde rendement, in die zin dat het Hof van oordeel is dat het voordeel uit sparen en beleggen bepaald moet worden op (enkel) het daadwerkelijk genoten inkomen. De kennelijke opvatting dat nu het forfaitair berekende voordeel uit sparen en beleggen niet tot dat bedrag door belanghebbende is ontvangen en dus niet mag worden belast, is niet juist. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in zijn uitspraak van 9 november 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4633, terecht overwogen dat uit de wetsgeschiedenis22. blijkt dat met het begrip genoten inkomen wordt bedoeld dat het bij de belastingplichtige moet zijn opgekomen of op grond van specifieke bepalingen geacht moet worden bij de belastingplichtige te zijn opgekomen. De HR heeft in het arrest van 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1108, onder verwijzing naar zijn arresten van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en ECL:NL:HR:2019:817, het cassatieberoep van de belanghebbende in die procedure verworpen met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Doordat het Hof enkel uitgaat van het daadwerkelijk genoten inkomen en de tweede woning niet wordt verhuurd en niet is vervreemd, wordt ter zake van dit vermogensbestanddeel ten onrechte geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.
In de memorie van toelichting op het Belastingplan 2016 is in het kader van de herziening van het box 3-stelsel met ingang van 2017 al toegelicht dat het totale rendement op vermogen bestaat uit enerzijds de inkomsten uit het vermogen, zoals rente, dividend, royalty's en huur, en anderzijds de waardestijging of-daling van het vermogen.23. Ook voor het rechtsherstel (en de Overbruggingswet box 324.) wordt het voordeel uit sparen en beleggen niet vastgesteld op de feitelijk genoten directe vermogensopbrengst. De HR heeft geoordeeld dat de wetgever bij het hanteren van een forfaitair stelsel de werkelijkheid moet trachten te benaderen. Voor zover het Hof van oordeel is dat het Kerstarrest dwingt tot een box 3-heffing over het werkelijk behaalde directe rendement, vindt dat oordeel geen steun in het recht. De Wet rechtsherstel box 3 biedt niet de mogelijkheid om het voordeel uit sparen en beleggen vast te stellen op de feitelijke opbrengst.
Mocht in het kader van het te bieden rechtsherstel moeten worden uitgegaan van het werkelijke rendement, dan dient mijns daartoe mede te worden gerekend de in de jaren 2017, 2018 en 2019 voorgedane waardemutatie van de overige bezittingen en de opbrengst uit de verkoop van overige bezittingen binnen het jaar. Het Hof heeft een het begrip werkelijke rendement een te beperkte uitleg gegeven, zodat ten onrechte niet is onderzocht of sprake is geweest van waardemutaties en verkoopopbrengsten van overige bezittingen.
Conclusie
Het Hof miskent dat het aan de wetgever is om invulling te geven aan het rechtsherstel. Het Hof heeft bij zijn oordeelsvorming dan ook ten onrechte de Wet rechtsherstel box 3 buiten toepassing gelaten. Het Hof is kennelijk van oordeel dat met de Wet rechtsherstel box 3 geen rechtsherstel wordt geboden dat verenigbaar is met het EVRM. Die opvatting is niet juist, 's Hofs oordeel gaat eraan voorbij dat de vormgeving van het rechtsherstel gepaard is gegaan met een door de wetgever gemaakte afweging van uitvoeringstechnische, maatschappelijke, politieke en budgettaire aspecten. De rechter dient de ruime beoordelingsmarge van de wetgever bij zijn afweging te respecteren, tenzij de afweging van de wetgever evident van elke redelijke grond ontbloot is.25. Van dit laatste is naar mijn mening geen sprake. Met de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de berekening van het box 3-inkomen volgens de Wet rechtsherstel box 3 wordt in zijn algemeenheid naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden. Daaraan doet niet af dat in een individueel geval, zoals in de voorliggende situatie, het forfaitair vastgestelde rendement niet één op één aansluit bij het werkelijk behaalde directe rendement.
Op grond van het vorenstaande ben ik van mening dat de uitspraak van het Hof voor zover die ziet op het door het Hof geboden rechtsherstel box 3, niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑12‑2024
Zie de aanvulling op het verweerschrift van de Inspecteur in eerste aanleg van 1 juli 2022.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Om de redenen die de HR noemt in onderdeel 3.6.2 van het Kerstarrest ziet hij zich genoodzaakt de belanghebbende adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde verdragsschending. Ervan uitgaande dat de rechtsbescherming een op rechtsherstel gerichte compensatie vergt waarvan de rechter de omvang in het algemeen slechts naar redelijkheid zal kunnen vaststellen, biedt de HR rechtsherstel door het werkelijke rendement in de box 3-heffing te betrekken (onderdeel 3.6.3).
Conclusie van de Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen van 1 november 2021, ECLI: NL: PHR: 2021:1019.
Dit betreft het rechtsherstel voor de massaal bezwaarmakers over de jaren 2017–2020 en voor alle belastingplichtigen wiens'aanslag nog niet onherroepelijk vaststond (dat zijn onder meer alle belastingplichtigen over de jaren 2021–2022). Het was nodig om voor het einde van de maand april 2022 een besluit te nemen over de variant van rechtsherstel voor de groep van circa 60.000 bezwaarmakers per jaar, zodat de Belastingdienst aan de slag kon om hen vóór 4 augustus 2022 rechtsherstel te bieden.
Brief van 30 juni 2022, met kenmerk 2022-0000180461 en Kamerstukken II 2021/22, 36 203, nr. 131.
Kamerstukken II 2022/23, 36 203, nr. 7. Vergelijk HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1892.
Wetsvoorstel 36 203, Wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de HR van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3).
Ingevolge het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 2022, nr. 286774, (Stcrt. 2022, 31676) zijn de besluiten van 28 juni 2022, nr. 2022-176296 (Stcrt. 2022, 17063) en van 29 juli 2022, nr. 2022-199150 (Stcrt. 2022, 20318) komen te vervallen. De beleidsbesluiten hebben hun belang verloren door de inwerkingtreding van de Wet rechtsherstel box 3.
Zie in gelijke zin de uitspraak van Rechtbank Den Haag van 5 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13420, waarin is geoordeeld dat, gezien de hogere (ongerealiseerde) waardestijging van de tweede woning, niet kan worden gezegd dat het behaalde werkelijke rendement lager is dan het in de box 3-heffing betrokken rendement. Dat wordt uitgegaan van de voor de bewuste onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarden, is naar het oordeel van de Rechtbank in lijn met de uitgangspunten van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Kamerstukken II 2022/23, 36203, nr. 6, blz. 2 en 3.
Kamerstukken II 2022/23, 36203, nr. 3, blz. 2 en 4.
Kamerstukken II 1998/99, 26727, nr. 3, blz. 37, 78–79.
Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 3, bijlage A.
Kamerstukken I 2022/23, 36 204, C, blz. 6 en 7.
O.a. HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:1.
Beroepschrift 20‑12‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Dossier zaak: 23/04469
Verweerschrift in cassatie en incidenteel cassatieberoep inzake Hoger beroep BK-23 00091 tot en met BK-23 00093
Inzake
[X]
Verweerder in cassatie
Tegen
Ministerie van financiën
Eiser in cassatie
[…]
Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken
[…] 15 februari 2024
Edelgrootachtbaar college,
Ondergetekende [X], komt in verweer tegen het: cassatieberoep d.d. 20 december 2023 namens de Staatssecretaris van het Ministerie van Financiën, (hierna: Staatssecretaris). Tevens in incidenteel cassatieberoep tegen het ministerie van financiën, over de reikwijdte van het box 3-stelsel versus de criteria bij overlijdensschade rechtspraak.
Aangezien in de door het Ministerie bestreden arrest: (ECLI:NL:GHDHA:2023:2026). d.d. 4 oktober 2023 op stelsel niveau niet is geschonden en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet zijn veronachtzaamd, zo wordt door [X] in verweer in cassatie geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep van het ministerie, kosten rechtens.
[X] gaat achtereenvolgens in op:
- 1.
Toelichting incidenteel cassatieberoep
- 2.
Waar gaat het over?
- 3.
Incidenteel cassatieberoep
- 4.
Rechts- en feitelijke vragen/omstandigheden in incidenteel cassatieberoep
- 5.
Derven dekkingsgraad overlijdenschadevergoeding
- 6.
Verweer in cassatie (op individueel niveau)
- 7.
Criteria overlijdenschade rechtspraak versus box 3-stelsel
- 8.
Uitzonderlijke, onbillijke en onredelijke gevolgen
- 9.
Tweede niet verhuurde woning in Nederland
- 10.
Bewijs en bewijsaanbod (van belang bij verwijzing)
- 11.
Samenvattend
- 12.
Conclusie
1. Toelichting incidenteel cassatieberoep
[X] heeft in de tekst hyperlinks opgenomen ter bevordering voor een snelle vindplaats naar de verwijzing. Voor de volledigheid verwijst [X] naar het arrest van het GRDHA d.d. 4 oktober 2023 (Productie A). proces-verbaal d.d. 29 augustus 2023: (Productie B). Verder is [X] in afwachting van de uitkomst van de gelopen en nog te lopen procedures t.g.v. de massaalbezwaarprocedure op stelsel niveau bij de Hoge Raad inzake de vermogenstaks box 3 en de Wet rechtsherstel box 3. Naar verwachting zal de Hoge Raad in maart 2024 een uitspraak doen inzake de box 3-heffing.
1.1.1.
Buiten door het ministerie bestreden arrest op stelsel niveau is de het door [X] bestreden arrest op individueel niveau de: ‘Akte beroep systeemfout box 3 overlijdenschade’, (hierna: ‘Akte’) strijdig met de devolutieve werking van het hoge beroep en onbehandeld gebleven. De: ‘Akte’(Productie C-1) met alles wat daaraan gehecht en verbonden is, is door [X] nadrukkelijk niet prijsgegeven. [X] zal dan ook in verweer in cassatie reageren op individueel niveau overlijdenschade.
Heeft [X] het goed begrepen dat het ministerie bedoelt dat het betreden arrest in strijd zou zijn met het: (‘Besluit‘rechtsherstel‘box‘3.) over de kalenderjaren 2017 t/m 2022, zoals ook de: (‘Overbruaainaswet‘2023–2025), des te nadrukkelijk neen. [X] maakt een voorbehoud voor alle rechten en weren, althans wordt het meerdere of mindere op stelsel niveau in het arrest van 4 oktober 2023 niet prijsgegeven.
1.1.2.
Vanwege het feit dat het arrest d.d. 4 oktober 2023: (ECLI:NL:GHDHA:2023:2026) van het GHRDHA geen volledige weergave is van wat [X] in hoger beroep aan zijn eis en vordering ten grondslag heeft gelegd. En de staatsecretaris als gevolg daarvan ook geen kennis heeft kunnen nemen, komt [X] in incidenteel cassatieberoep. Het arrest van het GRDHA is onvolledig en maakt niet duidelijk dat het beroep van [X] is gericht op individueel niveau overlijdenschade en systeemfout in het ontwerp van het box 3-stelsel En het schenden van het onbehandeld laten van de: (‘Akte’), welke als: (Productie C-1) d.d. 23 september 2022 en gehecht is aan dit verweerschrift/individueel cassatieberoep. Het arrest van het GRDHA is onvolledig. Daarmee wordt niet alleen de Staatsecretaris onvolledig geïnformeerd, maar ook voor derden geeft de publicatie een onjuist beeld wat de redenen zijn geweest van het hoger beroep.
1.1.3.
[X] maakt met behoud van alle rechten en weren het recht op rechtsherstel en rechtsbescherming op individueel niveau overlijdenschade en beoordeling van het ingebrachte feitencomplex door een feiten rechter. Het verwijzingshof moet beoordelen of er sprake is van schending van artikel 1 EP in samenhang met: (artikel 14 (EVRM),, schending van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij aan personenschade gerelateerde overlijdensschade rechtspraak. En naar analogie van het: ‘Kerstarrest’ maar dan op individueel niveau. Met verwijzing naar het arrest d.d. HR 24 april 1959, (ECLI:NL:HR:1959:24, NJ 1959/603) rov. 22 (‘het verschaffen van de grootst mogelijke zekerheid’) waarover de HR destijds al helder is geweest en sindsdien de jurisprudentie verder is uitgekristalliseerd.
1.1.4.
Tevens komt [X] incidenteel in cassatieberoep inzake het niet behandelen van de: ‘Akte’ (Productie C-1). En op incidenteel niveau in cassatieberoep tegen het belasten van de overlijdenschadevergoeding in box 3 vanwege het niet respecteren van bij overlijdenschade rechtsspraak vastgelegde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria.
1.1.5.
Voor [X] is een uitspraak van de feitenrechter op grond van bij overlijdenschade te respecteren rechtspraak en vast gelegde criteria een vast (wettelijk) gegeven. Inhoudende het respecteren in het ontwerp van de Wet IB-2001 van de wettelijk vastgelegde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria zoals rekenrente (6-3 norm), risicovrij reëel (spaar)-rendement, inflatiecorrectie, behoud van koopkracht en dat gewaarborgd wordt dat [X] zijn toekomstschade kan blijven dragen. [X] vordert rechtsherstel voor het meerdere van box 3.1 en box 3.2 wat niet voldoet aan de 6-3 norm, inhoudende 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement. Om zijn eis kracht bij te zetten geeft [X] aan dat hij zowel in koopkracht als fiscaal component is ingeteerd. Welke leiden tot een onvoorziene en onredelijke benadeling bij een robuuste groep gerechtigde op grond van vaste rechtspraak van: artikel 6:108 BW , met inachtneming van de daaruit voortvloeiende fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria.
1.1.6.
In incidenteel cassatieberoep maakt duidelijk wat de basis is van een jarenlang diepgeworteld geschil over het ontwerp van box 3-stelsel (systeemfout) van de Wet IB-2001 versus bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde criteria. Maar zijn een onlosmakelijk onderdeel van de: ‘Akte’ (Productie C-1). Het incidentele cassatieberoep bevat rechtsvragen en dragen bij aan de ontwikkeling van het rechten rechtsbescherming op basis van overlijdenschade rechtspraak en het fiscale deel van de overlijdenschadevergoeding. Tevens de rechtseenheid naar analogie van de overwegingen van het: ‘Kerstarrest’. Met name hoe verhouden de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria zich met het ontwerp van het box 3-stelsel?
1.1.7.
Het GRDHA heeft verzuimd om op grond van: artikel 3:4 lid 2 Awb, artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb en artikel 8:115 lid 1 sub b Awb te toetsen aan onevenredigheid, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting en om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank.
1.1.8.
Bij het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB 2001 heeft de wetgever bepaalde omstandigheden en gevolgen in de praktijk bij overlijdenschadevergoedingen niet onder ogen willen zien. Het GRDHA heeft dat niet willen onderzoeken of toetsen aan de beginselen van proportionaliteit, legitimate aim en fair balance naar analogie met de overwegingen en beslissingen van de Hoge Raad in het: ‘Kerstarrest’.
1.1.9.
Het incidenteel cassatieberoep in verweer van het cassatieberoep van de Staatssecretaris richt zich in samenhang tegen het onbehandeld laten van de: ‘Akte’ (Productie C-1) door het GRDHA met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. Het betreft géén nieuwe feiten. Het incidenteel cassatieberoep is tweeledig. Enerzijds een beroep op een ontwerp van het boxenstelsel eerder geduid als systeemfout, strijdigheid met EU-verordeningen en beroep op analogie van het: ‘Kerstarrest’ rov. 3.6.4. En anderzijds op grond van bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde criteria. Om daarover een rechterlijk oordeel te kunnen geven is inhoudelijke wetenschap van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria een voorwaarde.
2. Waar gaat het over?
Aan het geschil ligt ten grondslag de wet- en feiteninterpretatie van bij overlijdenschade rechtspraak (personenschade) vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, waarborgen en criteria versus de box 3.1 en box 3.2 stelsel. Tot op heden hebben de Belastingdienst en lagere belastingrechtspraak zich niet bereidt getoond om het voorgelegde feitencomplex inhoudelijk te behandelen op individueel niveau over hetgeen [X] al vanaf 2016 t/m 2019 en in de: ‘Akte’ (Productie C-1) inzake gederfd levensonderhoud op individueel niveau gevorderd en verzocht heeft. Dit geschil gaat verder dan alleen het geschil over rendement verlies, maar stelt ook de waarde en het vertrouwen van EU-verordeningen, overlijdenschade rechtspraak en het legaliteitsbeginsel van de rechtstaat op de proef. Waarbij de wetgever met het box 3-stelsel niet voorbij mag gaan aan wettelijke grondslag van de vastgelegde criteria bij personenschade rechtspraak.
2.1.1. Gederfd levensonderhoud artikel 6:108 BW versus box 3-stelsel
De partner van [X] [A] heeft op 24 september 1998 meegedaan aan een bedrijfsuitje, waarbij zij onder verantwoordelijkheid van een evenementenbedrijf afdaalde van een zogenaamde tokkelbaan. Daarbij werd verzuimd om gebruik te maken van een, wel aanwezig zekeringskoord; [A] is van een hoogte van 10 meter naar beneden gevallen en overleden. [X] heeft het evenementenbedrijf aansprakelijk gesteld en onder meer kosten van gederfd levensonderhoud gevorderd, zoals bedoelt op grond van: artikel 6:108 BW. Het feitencomplex van het ongeval is nooit ter discussie geweest.
Toelichting
2.1.2. Bodemprocedures
[X] heeft 8,5 jaar civielrechtelijk geprocedeerd in eerste aanleg, kortgeding, tweede aanleg en de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het arrest van het Hof vernietigd en doorverwezen naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. De advocaat van [X] vroeg daarvoor € 412 per uur exclusief kantoorkosten en BTW. Reden voor [X] om buiten zijn advocaat om de aansprakelijkheidsverzekeraar (AVB) te benaderen. Dat heeft geleid tot een mediation.
2.1.3. Mediation
[X] had geen financiële middelen, althans niet om en een nieuw ongewis slepend en kostbaar juridisch avontuur aan te gaan bij het gerechtshof Arnhem. En moe gestreden het hoofd in de schoot leggen. Vervolgens heeft [X] de AVB-verzekeraar, buiten advocaten om benaderd. Dit heeft geleid na een aantal briefwisselingen en twee persoonlijke gespreken geleid tot een door de AVB-verzekeraar te betalen mediation. Binnen een halve dag d.d. 27 april 2007 zijn partijen tot een vaststellingsovereenkomst gekomen tot aanvullende lumpsum nabetaling van € 200.000. Wat na betaling van de AVB-verzekeraar op basis van het vonnis van de Rechtbank Roermond afgerond van € 227.979 en een lumpsum bedrag van € 200.000 leidt tot een totaal aan overlijdenschadevergoeding van € 427.979. De begrootte schadevergoeding bedroeg aan:
Verschenenschade (1998–2000) | € | 47.343 |
Toekomstige schade 2001 t/m 2052 | € | 351.044 |
Fiscaal component Vermeend 2001 t/m 2052 | € | 41.346 |
Totaal | € | 439.732 |
2.1.4. Kosten van juridische rechtsbijstand
[X] heeft tot aan het arrest van de Hoge Raad afgerond € 192.000 aan kosten voor juridische rechtsbijstand betaald. Waarvan € 50.000 geput uit eigen middelen en/of leningen in de private sector voor de financiële advieskosten en kosten voor juridische rechtsbijstand van alle procedures. Voor het geval de Raad het arrest van het gerechtshof Den Bosch zou volgen en [X] daarmee financieel in de problemen zou komen. [X] heeft aan proceskostenvergoeding gesommeerd € 17.999,20 ontvangen. Zonder advocaten heeft [X] de schadevergoeding weten te verhogen middels een vaststellingsovereenkomst met de AVB- verzekeraar met een lumpsum bedrag van € 200.000. Gesaldeerd € 427.979 exclusief de kosten van overige niet vergoede schadeposten.
2.1.5. Overige schadeposten
Het nieuwbouwhuis, wat 5 jaar te koop heeft gestaan, heeft [X] wegens juridische kosten, dubbele woonkosten en noodgedwongen moeten verkopen tegen een ruim € 150.000 lagere marktprijs om een privé faillissement te voorkomen. [X] is met mentale problemen definitief uit het arbeidsproces geraakt met carrière, inkomens- en pensioenopbouw verliezen. Verder zijn er niet meegerekende de kosten van makelaars, dubbele verzekeringskosten, jarenlange leegstands kosten van de nieuwe woning.
Incidenteel cassatieberoep
Schending van recht, en/of verzuim van vormen waarvan het niet in achtneming van nietigheid met zich meebrengt omdat de wetgever verzuimd heeft bij het ontwerp van het box 3-stelsel zich geen rekenschap en invulling heeft gegeven aan respecteren van de bij overlijdenschade vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria. Waaronder zich zekerheid te verschaffen van het proportionaliteitsbeginsel, legitimate aim, fair balance en EU-verordeningen inhoudende het gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom bij overlijdenschadevergoedingen. Noch dat uit de parlementaire wetsgeschiedenis moge blijken dat daarover geen debat heeft plaatsgevonden.
3. Incidenteel cassatieberoep
Het incidenteel cassatieberoep richt zich primair tegen de wetgever inzake het ontwerp en uitvoering van de box 3.1 en box 3.2-stelsel van de Wet IB-2001 versus overlijdensschade rechtspraak. Daarmee staat niet alleen de rechtspositie van [X] maar van een hele robuuste groep met een overlijdensschade vergoeding en rechtspraak op het spel. En daarmee nabestaande opdraaien voor onacceptabele risico's voor het niet compenseren van inflatie, wijzigingen in box 3 rendementen in inkomstenbelasting box 3. [X] wordt daarmee met ‘terugwerkende’ kracht fiscaal benadeeld, door bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde criteria in het box 3 stelsel niet te respecteren. Daarmee wordt overlijdenschade rechtspraak geschonden door het niet toepassen van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria, inflatie en koopkrachtbehoud binnen door de rechter bij overlijdenschade vastgelegde criteria.
3.1.1.
De Belastingdienst, en belastingrechtspraak wetgever hebben zich geen rekenschap gegeven van het gestelde in afdeling 3.2 ‘Zorgvuldigheid en belangenafweging’ met name de toepassingsmogelijkheden van: Artikel 3:4 lid 2 Awb. Zie randnummer: 6.3 (‘Wetgever heeft met de box 3 bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’). De wetgever en/of de staat hebben geen redelijke afweging gemaakt tussen de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria versus het box 3- stelsel. Dit mogen blijken uit de parlementaire wetsgeschiedenis en is de procedure bij het tot stand komen van het box 3-stelsel op individueel niveau onzorgvuldig tot stand gekomen.
3.1.2.
De vermogensmix van box 3.2 vanaf 2017 is allerminst risicovrij en de alsmaar stijgende box 3 inkomstenbelasting vormt een ‘loterij zonder nieten’ voor nabestaanden met een overlijdenschadevergoeding. Overlijdensschadevergoedingen dienen op grond van: artikel 1 EP (EVRM). als eigendom worden beschouwd. Box 3 is daarmee onrechtmatig op grond van: artikel 1 EP (EVRM). Door aan personenschade rechtspraak gerelateerde zaken schuift de wetgever met het box 3-stelsel de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, criteria van risicovrij reëel (spaar)-rendement en koopkrachtdaling op lange termijn ter zijde.
3.1.3.
Doel van het incidenteel cassatieberoep is op grond van de overwegingen en beslissingen van de Hoge Raad in het: ‘Kerstarrest’ bij: ‘Beoordeling‘van‘het‘middel’ een realistischere belastingheffing van het box 3-stelsel op individueel niveau in samenhang met bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria en werkelijk risicovrij reëel (spaar)-rendement. Wat naar de mening van [X] ook voor reëel rendement bij beleggingen zou moeten gelden. Hetgeen betekent dat [X] vanaf 2001 t/m heden niet met de overlijdenschadevergoeding het risicovrij reëel (spaar)-rendement niet heeft kunnen realiseren, en daarmee de dekkingsgraad is verdampt. Daarmee is sprake van een individuele buitensporige zware last.
Rechts- en feitelijke vragen/omstandigheden in incidenteel cassatie beroep
4. Rechts- en feitelijke vragen/omstandigheden in incidenteel cassatieberoep
De Belastingdienst en lagere rechtspraak passen de: Wet inkomstenbelasting 2001. hoofdstuk 5 strikt toe. Uit de wetsgeschiedenis en uit de wetstekst is niet af te leiden dat de wetgever bij het tot stand komen van deze wet bepaalde omstandigheden niet onder ogen heeft gezien of willen zien. Hierbij doet zich een vergelijking voor met de kindertoeslagen affaire, door een rigide toepassing daar de Belastingdienst. En leidt tot onnodige belasting van rechters met zaken die ook op een minder rigide manier opgelost of voorkomen kunnen worden. [X] heeft eerder bij de Belastingdienst een verzoek gedaan voor ruling of een ambtshalve besluit, maar is afgewezen.
4.1.1.
Onlosmakelijk onderdeel van het incidenteel cassatieberoep is de onbehandelde: ‘Akte’ (Productie C-1) en verder bij randnummer: 5: (‘Derven dekkingsgraad overlijdenschadevergoeding’). Het geeft aan wat de impact is van het box 3-stelsel op de overlijdenschadevergoeding, met het verzoek tot rechtsherstel en/of verwijzing.
4.1.2.
Onderstaande vragen mogen niet afgedaan worden zoals de griffier heeft gedaan met in beton gegoten beleidsregels bij het cassatieberoep van [X]. Dat een processtuk: (‘Herstel‘verzuim’(en’) welke door onervarenheid van [X] als niet rechtsgeleerde en een totaal gebrek aan ervarenheid, 18 uur te laat is ingediend. Ook de eis dat het cassatieberoep niet aan de wettelijke eisen zou voldoen is ook een te rigide eis. Een te rigide toepassing door beleidsdrift van termijnen en een te restrictieve uitleg door de griffier op [X], die geen advocaat en rechtsgeleerde is, kan worden opgevat als een schending van: artikel 6 (EVRM). De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om bij belastingzaken de toegang tot de Hoge Raad laagdrempeliger te maken om als niet advocaat te mogen procederen. Maar [X] wordt op een rigide wijze afgerekend als een ervaren advocaten die procederen bij de Hoge Raad. Waarmee het toch al zwaar geschonden vertrouwen van [X] in de rechtspraak tot een dieptepunt is gedaald.
4.1.3.
[X] doelt hiermee dat zijn: feitelijke- en rechtsvragen worden niet worden afgewezen omdat die om welke reden dan ook niet zou voldoen aan regels die bij de Hoge Raad, of niet voldoen aan het Wetboek burgerlijke rechtsvordering of Awb. Voor zover dat van [X] als niet advocaat geëist mag worden, dat hij in cassatie wordt vergleken met advocaten. Of dat [X] het stellen van feitelijke- en rechtsvragen daartoe niet bevoegd zou zijn. [X] ervaart dat het overlegde feitencomplex bij gerechten niet serieus is genomen nu hij zonder advocaat procedeert. Rechtbanken wekken de indruk zich te hebben ingelezen, maar vervolgens het belangrijkste stuk, de: ‘Akte’ (Productie C-1) door de RBDHA ongemotiveerd is gepasseerd en het GRDHA niet inhoudelijk is behandeld.
4.1.4.
Voor [X] is het een heel complexe en vooral emotioneel zwaarbeladen zaak en dateert het overlijden van zijn partner uit 1998 en heeft ter voorkoming niet opnieuw het verwijt te krijgen onvoldoende feiten te hebben gesteld of ontbeert aan motivatie voor uiterste en uitgebreide zorgvuldigheid gekozen. Zorgvuldigheid die bij de wetgever en belastingrechtspaak juist ontberen en het missen van de broodnodige kennis over personenschade rechtspraak. En dat feitenrechters zich niet, althans onvoldoende op individueel niveau in het overlegde feitencomplex van de: ‘Akte’ (Productie C-1) hebben willen inlezen. Met een beroep op: Artikel 11 Wet algemene bepalingen staat een beroep op artikel 3:4 lid 2 Awb. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb en artikel 8:115 lid 1 sub b Awb en het beroep naar analogie van: ‘Kerstarrest’ rov. 3.6.4. open, zonder de innerlijke waarde of billijkheid van de Wet IB-2001 te beoordelen. Het wetsontwerp IB-2001 de uitspraken van de RBDHA een het GRDHA zijn op individueel niveau in strijd met artikel 1 EP in samenhang met artikel 14, artikel 6 EVRM en overlijdensrechtspraak. [X] verwijst hiervoor naar de door de griffier ten onrechte niet geaccepteerde processtuk: (‘Herstel verzuim(en’1.
4.1.5.
[X] verzoekt tot een uitspraak over de reikwijdte en de gevolgen van de box 3.1 en box 3.2-stelsel versus overlijdenschade, rechtspraak. Onderstaande vragen liggen in lijn met het individuele beroep overlijdensschade. Doel van onderstaande vragen is om te komen tot een onderzoek en uitspraak door een feitenrechter, teneinde een diepgeworteld geschil te behandelen.
- 1)
Eerder gesteld feitencomplex: [X] heeft eerder al vanaf IB 2016 zeer uitgebreid ingegaan in bezwaar en beroep op individueel niveau overlijdenschade. Dat maakt ook dat [X] in herhaling van zetten moet treden omdat zaken onbehandeld zijn gebleven of ongemotiveerd zijn gepasseerd. De Hoge Raad oordeelt niet meer over feiten, maar betekent niet dat de eerder ingebrachte feiten zijn beoordeeld of weersproken. Indien procedures langer lopen en niet op onderdelen inhoudelijk van de feiten gemotiveerd wordt beslist blijven deze bestaan en ondermijnen het vertrouwen in de rechtspraak. Met als doel in de hoop dat [X] moegestreden het hoofd in de schot legt.
- 2)
Devolutieve werking hoger beroep: Het GRDHA is wettelijk gehouden om gevolg te geven aan devolutieve werking van het hoger beroep op grond van het aangevoerde feitencomplex, eisen of het gevorderde. In haar arrest d.d. 4 oktober 2023 heeft het GRDHA géén gevolg gegeven aan de devolutieve werking van het hoge beroep door de: ‘Akte’ (Productie C-1) niet te behandelen met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. Behoudens een vooringenomen beroep op het arrest (ECL:NL:GRDHA:2019:8341 d.d. 9 april 2019 van [X] IB-2016. Zonder een vergelijking of toetsing te maken met de: ‘Akte’. Het GRDHA heeft verzuimd het gestelde feitencomplex en het gevorderde en verzochte in de: ‘Akte’ onbehandeld gelaten. Zoals het verzuim van een toetsing aan: proportionaliteit, legitimate aim en fair balance in samenhang met artikel 1 EP en artikel 14 (EVRM). Zeker waar het gaat om de dekkingsgraad op individueel niveau voor de financiering van de toekomstige jaarschade te realiseren.
Vraag:
Verzoekt de Raad een uitspraak te doen op welke wettelijke en objectieve gronden is het GRDHA niet gehouden is om niet te voldoen aan de devolutieve werking van het hoger beroep?
- 3)
De Akte: Onbehandeld door de RBDHA en het GRDHA is het aangevoerde feitencomplex in de: ‘Akte’ (Productie C-1). Noch tijdens de mondelinge behandeling noch in het dictum is aangeven waarom het feitencomplex buiten de beoordeling van het GRDHA is gelaten, behoudens een litigieus beroep op een niet vergelijkbaar arrest van [X] inzake IB-2016.
- 4)
Reëel rendement: Overduidelijk is aan personenschade gerelateerde overlijdensschade rechtspraak risicoloos reëel (spaar)-rendement gekoppeld. Het is keuze, en dan nog alleen, aan nabestaande(n) of zij willen beleggen en hoeveel risico's ze daarmee willen nemen. Ook bij beleggingen geldt reëel rendement. Vanwege beleggingskosten etc. is dat niet eenvoudig rendabel te maken om 3% reëel rendement te realiseren. De Wet IB 2001 maakt ten onrechte geen onderscheid tussen forfaitair (Wet IB-2001) en reëel rendement bij overlijdenschade.
- 5)
Onbegrip of onwil?: Vaststellend dat er bij de Belastingdienst, lagere belasting rechtspraak een hoge mate van onbegrip of onwil bestaat over de basale uitgangspunten bij aan personenschade gerelateerde overlijdensschadezaken. Als uitgangspunt geldt dat een nabestaande zoveel mogelijk zekerheid krijgt over de te ontvangen opbrengsten van het kapitaal, omdat het niet redelijk wordt geacht om te verwachten dat een nabestaande bij het beleggen van het vermogen waarop hij voor zijn levensonderhoud (grotendeels) is aangewezen risico's neemt. De nabestaande moet zo zeker mogelijk zijn dat de verstrekte schadevergoeding toereikend is om de daadwerkelijk geleden schade te kunnen compenseren. Daarom wordt uitgegaan van een (zeer) defensieve belegging en wordt, in aansluiting daarop, aanbevolen om bij het vaststellen van de rekenrente uit te gaan van risicovrije rentes, zo niet het belangrijkste criteria.
Vraag
Het box 3-stelsel schendt deze uitgangspunten. Is de Raad bekent met de bij overlijdenschade vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria?
- 6)
Contante waarde: Vaststellend dat het begrip contante waarde bij overlijdenschade in lagere belastingrechtspraak niet de aandacht heeft. Wellicht omdat overlijdenschade niet zoveel voorkomt en niet helemaal te vergelijken is met de meer voorkomende letselschadezaken. Dit noopt tot een nadere toelichting. De contante waarde berekenen over een schadevergoeding, wordt in één som ineens uitgekeerd en is erg belangrijk. Immers, de waarde van geld is in constante verandering. Is de schadevergoeding over een aantal jaar nog wel evenveel waard?Het is natuurlijk de bedoeling dat de schadevergoeding toereikend is voor de toekomst. Blijkbaar is het in de belastingrechtspraak op welke wijze hiermee Maar rekening wordt gehouden bij de afwikkeling van overlijdensschade. En met de rente die wordt ontvangt over de som ineens. Hierbij wordt rekening gehouden met de rente die over de som ineens wordt ontvangen in de komende jaren. Daarnaast wordt rekening gehouden met het feit dat € 20.000 nu, over 20 jaar minderwaard is. Dit komt door prijsstijgingen voor consumenten. Oftewel: de inflatie over het bedrag. Er wordt vanuit gegaan dat als u het geld op uw rekening laat staan u rente ontvangt over het bedrag. [X] heeft over de jaren 2001 t/m heden negatieve rendementen, rekening houden dat het box 3-stelsel niet voorziet in inflatiecorrectie versus de tot 2020 in de overlijdenschade standaard 6-3 norm.
- 7)
Artikel 31 Rv en artikel 32 Rv: Een beroep op: artikel 31 Rv en artikel 32 Rv is niet van toepassing in het bestuursrechten is door de GRDHA afgewezen. [X] kon redelijkerwijs niet weten dat voornoemde artikelen niet van toepassing zijn in de Awb. [X] is door de griffier voorafgaande aan de mondelinge behandeling niet in de gelegenheid gesteld tot herstel van verzuim(en) of gewezen op: artikel 8:115 lid 1 sub b Awb. In strijd met voornoemd artikel stelde het: GRDHA niet bevoegd te zijn tot terugverwijzing van de: ‘Akte.’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. Inhoudende: dat: (‘de‘hogerberoepsrechter‘om‘andere‘redenen‘van‘oordeel‘is dat‘de‘zaak‘opnieuw ‘door‘de‘rechtbank‘moet‘worden‘behandeld’). Zodat alsnog over het volledige feitencomplex in de: ‘Akte’ kan worden beslist. Het oordeel van het GRDHA is onbegrijpelijk en in strijd met een goede rechtspleging en de eisen democratische samenleving stelt aan de rechtspraak.
- 8)
Belasten box3van een overUidensschadevergoeding litigieus en confiscatoir: Bij de feitenrechter blijft onbehandeld dat het rendement uit een overlijdenschadevergoeding primair bedoeld is, ter compensatie van gederfd levensonderhoud, en niet bedoeld is om extra rendement te genereren. De feitenrechter volharden als in beton gegoten oordeel op stelsel niveau en niet op individueel niveau. Overlijdenschadevergoedingen dienen pas op secundair niveau gezien worden als voordeel uit sparen en beleggen als voldaan is aan de bij overlijdensschade gestelde criteria van risicovrij reëel (spaar)-rendement. In het onderhavige geschil is de graadmeter voor de dekkingsgraad 3%. De dekkingsgraad wordt berekend vanuit de som ineens. De dekkingsgraad zou moeten bepalen wanneer er pas sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen bij het meerdere van 3% reëel rendement bij sparen of beleggen. De dekkingsgraad bij [X] is onherstelbaar verdampt als gevolg van het feit dat er meer IB-box 3-heffing is betaald dan het resultaat van het rendement op de som ineens heeft opgeleverd. Daarmee is er sprake van een individuele zware buitensporige last en zou niet gerekend mogen worden tot de rendementsgrondslag van het box 3-stelsel. Daarmee is het box 3-stelsel een confiscatoire en discriminatoire belastingheffing en is strijd met: artikel 1 EP (EVRM) als de dekkingsgraad van de overlijdensschadevergoeding verdampt als gevolg van de belastingdruk op de dekkingsgraad. Wat leidt tot een onder-dekking of verschralen van de dekkingsgraad. Zie mede: (ECLI:NL:PHR:2016:41) d.d. 4 februari 2017. Bovendien heeft de overlijdenschadevergoeding juridisch, functioneel en structureel een totaal ander doel dan de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Zowel bij overlijdenschade en pensioenfondsen wordt uitgegaan van dezelfde criteria voor de berekening van de contante-waarde. Zodat het redelijker en billijker zou zijn als het box 3-stelsel in het specifieke geval van personenschade de criteria van de pensioenfondsen of: LOVCK/LOVCH met terugwerkende kracht zou volgen.
- 9)
Overeenkomsten dekkingsgraad overlijdenschade en pensioenfondsen: Feitenrechters willen maar niet begrijpen of onderzoeken dat er onweerlegbare overeenkomsten zijn tussen het op peil houden van de dekkingsgraad en indexatie van pensioenen en overlijdenschadevergoedingen door rendementen te realiseren. Zodat er voldoende reserves zijn als het economisch tegenzit en er voldoende dekkingsgraad is. De Wetgever heeft verzuimd, net zoals bij pensioenstelsel, wettelijke eisen te stellen aan de dekkingsgraad. Door CBS-prijsinflatie in te voeren voor gederfd levensonderhoud bij overlijdenschadezaken. Het kenmerkt een onbetrouwbare overheid. Deze vraag heeft betrekking op randnummer: 5 (‘Derven dekkingsgraad overlijdenschadevergoeding’) en wordt separaat toegelicht in: (Productie D-1). Het box 3-stelsel leidt tot een explosieve groei van de toekomst- en belastingschade. Tevens inhoudende de eis tot volledig rechtsherstel vanaf 2001 t/m 2019 e.v. Uit de overlijdenschade rechtspraak en: Audalet: (Productie E-1) schadebegroting valt af te leiden dat met de som ineens met het nog te realiseren rendement de dekkingsgraad van toekomstige jaarschade en het meerdere van de fiscaal component tot aan het eindjaar door de nabestaande zelf gefinancierd dient te worden. En indien die dekkingsgraad niet realiseerbaar is, de dekkingsgraad verdampt.
- 10)
Vrijstelling box3overlijdenschadevergoedingen: Overlijdenschadevergoedingen dienen op grond van bijzondere omstandigheden van het geval naar redelijkheid en billijkheid in het box 3-stelsel vrijgesteld te worden van het box 3-stelsel. Om daarmee recht te doen aan de criteria bij overlijdenschade rechtspraak. Vergelijk de dekkingsgraad van pensioenfondsen waarbij de dekkingsgraad wordt vastgesteld door de Nederlandse bank om te voldoen aan de beleidsdekkingsgraad om voldoende geld in kas te hebben om aan de verplichten te voldoen, uitgedrukt in percentages. Exact hetzelfde geldt voor nabestaande met een overlijdensschadevergoeding, en niet alleen voor de huidige jaarschades maar ook voor de toekomstige jaarschades om een gezonde dekkingsgraad te realiseren om de toekomstige jaarschades te realiseren. Nabestaande dienen zelf voor de eigen dekkingsgraad te zorgen om de toekomstige jaarschades te kunnen financieren uit de som ineens. Overlijdenschadevergoeding in box 3 zou pas belast mogen worden als voldaan is aan de bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde criteria met een factor van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement, of in het geval van beleggingen, waarbij ook nog extra bancaire kosten bijkomen. Waarbij niet de wetgever maar de box 3 belastingbetaler zelf bepaalt welke risico's en voor welk bedrag hij wenst te beleggen. Nabestaande worden door box 3.2 gedwongen om op een onwenselijke en risicovolle wijze rendement te genereren om te proberen de dekkingsgraad op peil te houden. De wetgever heeft bij het ontwerp van de Wet IB-2001 de criteria van overlijdensschade rechtspraak totaal uit het oog verloren. Door deze respectloos te belasten zonder de dekkingsgraad van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement, derven van levensonderhoud en dekkingsgraad te respecteren, is daarmee een onherstelbare en disproportionele impact op de overlijdenschadevergoeding, welke zich zwaarder laat wegen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Bovendien een schending is van: artikel 1 EP (EVRIVO gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom.
- 11)
Toegang tot belasting rechtspraak: De wetgever heeft het mogelijk gemaakt dat rechtzoekende in het belastingrecht toegang tot de Hoge Raad hebben zonder tussenkomst van een advocaat. Is uw Raad zich van bewust dat deze groep rechtzoekende geen ervaring hebben met procederen bij de Hoge Raad, maar wel aan dezelfde eisen worden onderworpen als met een advocaat en er geen coulance is als een processtuk 18 uur te laat wordt ingediend. In het algemeen is de ervaring dat het procederen zonder tussenkomst van een advocaat, ook bij lagere belasting rechtspraak niet, althans minder serieus wordt genomen in de behandeling van het feitencomplex.
- 12)
Onvoorziene en onredeliike fiscale benadeling: De belasting rechtspraak gaat voorbij aan de onvoorziene en onredelijke benadeling bij overlijdenschadezaken op individueel niveau. Elk individueel geval is niet vergelijkbaar en beperken de EU-verordeningen zich niet alleen tot het belastingrecht. Lagere rechters verzuimen te toetsen aan de specifieke omstandigheden van het geval en gaan ervan uit dat elk individueel geval leiden tot dezelfde overwegingen en beslissingen als op stelsel niveau. Zo krijgen individuele gevallen meestal geen gelijk. Zo ook bij het arrest (ECLI:NL:GHDHA:2023:2026). d.d. 4 oktober 2023 van [X]. Het individuele geval van [X] komt voort uit overlijdenschade rechtspraak waarbij het box 3-stelsel tot onvoorziene en onredelijke benadeling leiden. En in het specifieke geval leidt tot een buitensporige last en een inbreuk is op het eigendomsrecht van: artikel 1 EP (EVRIVO en een onherstelbare verdamping van de dekkingsgraad voor de financiering van de jaarschades. Kunt u toelichten waarom op geschillen op individueel niveau ondergeschikt of gelijk worden gemaakt aan stelselniveau en hoe zich dat verhoudt tot: artikel 14 (EVRIVO. En hoe zich dat verhoudt met de rechtsoverweging 3.6.4 van het: ‘Kerstarrest’ en artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid).
- 13)
Bepaling rechtsstrijd: De ervaring heeft [X] geleerd dat feitenrechters in eerste en tweede aanleg zelf bepalen welke feiten, eisen en verzoeken worden behandeld. Noch dat in het dictum geen melding wordt gemaakt, wat buiten het oordeel van de rechter is gebleven. De RBDHAen het GRDHA treden daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd door het feitencomplex van de: ‘Akte’ (Productie C-1) niet te behandelen, nadat deze eerder door de RBDHA ongemotiveerd zijn gepasseerd. Tevens blijk hebben gegeven zich niet of onvolledig te hebben ingelezen in het feitencomplex. Ondermeer het door het GRDHA zelf bepalen om de jaren 2017 t/m 2019 als een cluster te behandelen. Met als argument op vermeend overeenkomstige beroepen 2017 t/m 2019 op stelsel niveau en daarmee de achterstanden vanwege corona weg te werken. Feitelijk vallen deze beroepen onder de massaalbezwaarprocedure. Dat is niet wat [X] het GRDHA heeft voorgelegd. Onlosmakelijk onderdeel van de beroepen is de: ‘Akte’. Door het feitencomplex van de: ‘Akte’ niet te behandelen is het geschil juist niet verkleind maar juist vergroot. Waardoor het vertrouwen in de belastingrechtspraak ernstig is ondermijnd.
Vraag
Verzoekt de Raad uitspraak te doen of er in de wet steun te vinden dat de feitenrechter in hoger beroep niet voldaan heeft aan de devolutieve werking van het hoger beroep inzake het voorgelegde feitencomplex en onbehandeld heeft gelaten?
- 14)
Gedragscode Integriteit Rijk: In gemoede vraagt [X] zich af of de wetgever bij het tot stand komen en latere aanpassingen van het box 3-stelsel in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) Het belang van een integere overheid is:
‘Burgers moeten op de overheid kunnen vertrouwen. Burgers zijn in veel opzichten afhankelijk van de overheid. Bovendien kunnen overheidsbesluiten diep ingrijpen in het functioneren van burgers. Daarom moet de overheid integer zijn. Dat wil zeggen dat de overheid in haar functioneren eerlijk en betrouwbaar is, de burgers correct behandelt en respectvol bejegent. Bovendien moet de overheid zichzelf ten voorbeeld stellen: als je wilt dat burgers zich fatsoenlijk gedragen, zal je dat als overheid ook moeten doen. ’
Burgers en externe partijen moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid niet bevooroordeeld of partijdig is en dat beslissingen op objectieve gronden worden genomen.’
De GIR is ook van toepassing op vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën in het onderhavige cassatieberoep. Ook is deze gedragscode van toepassing op ambtenaren van de Belastingdienst en de cultuur bij de Belastingdienst. Deze rijksambtenaren wisten althans behoorde te weten van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria uit vaste overlijdenschade rechtspraak. Door dit te miskennen en te blijven volharden op stelsel niveau en het niet ingaan op de: ‘Akte’ en is er een gelijkenis kenbaar met de kindertoeslagen affaire. De afstand tussen beleid en uitvoering in de praktijk mist elke redelijke grondslag.
- 15)
Artikel 11 Wet algemene bepalingen. In de onderhavige procedures verwijzen de feitenrechters te kort, veel te kort door de bocht naar: Artikel 11 Wet algemene bepalingen. Daarmee zou het onmogelijk worden gemaakt om discutabele wetgeving ter discussie te stellen. Kortheidshalve verwijst [X] naar de overwegingen van de A-G bij de Raad van State bij randnummer: 6.3 (Wetgever heeft met de box 3 bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien). Inhoudende de mogelijkheden van: artikel 3:4 lid 2 Awb. Artikel 11 Wet algemene bepalingen wordt misbruikt als een containerbegrip om invulling te geven om het ingebrachte feitencomplex niet te behandelen. Bovendien zijn lidstaten ook nog gehouden aan: artikel 6 (EVRM). inhoudende het recht op een eerlijk proces en ook van toepassing is op bestuursrecht.
Vraag
Verzoekt de Raad een uitspraak te doen op welke wettelijke en objectieve gronden berust het passeren van: artikel 3:4 lid 2 Awb. artikel 6 (EVRM) en de wijze waarop het GRDHA niet voldaan heeft aan het beroep naar analogie van het ‘Kerstarrest?
- 16)
Juridische strijd overlijdenschade: Is uw Raad bekent dat de juridische strijd niet alleen gaat over de jaren 2017 t/m 2019 op stelsel niveau, zoals het GRDHA ten onrechte wil doen voorkomen, maar over de jaren 2001 t/m heden op individueel niveau overlijdensschade. En dat overlijdensschadezaken niet zoveel voorkomen en noopt tot rechtsontwikkeling op fiscaal gebied.
- 17)
Overlijdenschade naar de stand van de wet: Mede gelet op de stand der wet is destijds in 1998 uitgegaan van 6% nominaal rendement en 3% inflatie, de 6-3 standaard norm over een termijn van 50 jaar. Bij kortlopende letselschadezaken tot 5 jaar hoeft dat niet te leiden tot onvoorzien en onredelijk nadeel als gevolg van dalende rentes en stijgende inflaties. Buiten de rechtelijke uitspraken zou het redelijk en billijk zijn om het rendement van een overlijdenschade pas te belasten bij het meerdere bij overlijdenschade overeengekomen rekenrente, en dat is 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement. [X] is van mening dat hij recht heeft op volledige schadevergoeding vanaf 2001 t/m heden van het meerdere dan 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement. Vanwege het onweersproken feit dat noch uit de parlementaire wetsgeschiedenis noch uit wettekst val af te leiden dat de wetgever oog heeft gehad voor de proportionaliteit, legitimate aim en fair balance bij langlopende overlijdenschadezaken. De wetgever is verwijtbaar onbehoorlijk, onzorgvuldig bestuur en heeft daarmee onrechtmatig gehandeld door de criteria van overlijdenschade rechtspraak en artikel 1 EP (EVRIVO niet te respecteren.
- 18)
Kortlopende, middellange en langlopende jaarschades: Overlijdenschadezaken zijn langlopend en is mede afhankelijk van leeftijd van de overledene en de omstandigheden van nabestaanden. Er wordt door de wetgever bij overlijdenschadevergoedingen géén rekening gehouden met opeenvolgede verhogingen van de box-3 rendementen, box 3 inkomstenbelastingen, toekomstige macro en geopolitieke omstandigheden die rentes en inflaties beïnvloeden. Het maakt nogal wat uit voor de korte, middellange en lange termijn van letsel- en overlijdenschadevergoedingen en de mate van invloed op de dekkingsgraad op de schadevergoeding. Voor de korte termijn tot 0–5 jaar is het redelijk te voorzien wat de verwachting is van rente- en inflatieontwikkelingen. Middellange 6–20 jaar en langere termijn meer dan 20 jaar zijn niet te voorspellen. Dat alleen al had reden moeten zijn om overlijdenschade vrij te stellen van de vermogensrendementsheffing. Het: LOVCK/LOVCH heeft dat na een slepende discussie erkent door een aanbeveling te doen in drie periodes. Rechters nemen sinds 2019 (eindelijk) aan dat een gemiddeld 6% rendement op de schadevergoeding niet haalbaar is.
In de beginjaren is uitkeerde schadebedrag het grootst, lage rentes bij een korte looptijd hebben en mindere impact dan bij middellange en langere termijn. Voor de middellange en langere termijn moet de rente extra hoog omdat er inmiddels opname zijn gedaan uit het schadebedrag, en rentes zelfvan 0% en minder zijn geweest. Pensioenfondsen hebben de mogelijkheid tot premieverhogingen, nabestaande zijn afhankelijk van factoren waar zij geen invloed op hebben. Als metafoor eerdere belastingafspraken worden ook niet opnieuw zwaarder belast als later de belastingen worden verhoogd. In het onderhavige geschil is dat wel het geval.
- 19)
Rechterlijk vastgestelde scenario's: [X] heeft drie scenario's uitgewerkt Audalet, historisch en box 3-stelsel in tabellen 6 t/m 10, inhoudende een vergelijking van de verdamping van de dekkingsgraad overlijdenschadevergoedingen 2001 t/m 2019. Zie tabel 6 t/m 10 bij randnummers: 5.1.18 t/m 5.1.24. Zie ook: (Productie D-1) De conclusie is dat gezien de resultaten van de verdamping van de dekkingsgraad niet te verdedigen is dat de overlijdenschadevergoeding alsnog wordt belast met een rendement welke in de jaren 2001 t/m 2019 niet zijn gerealiseerd.
Vraag
Vindt er in de wet steun op welke gronden te rechtvaardigen is, dat er meer IB-box 3 belasting wordt geheven dan in werkelijkheid is gerealiseerd. Daarmee de dekkingsgraad onherstelbaar is verdampt en in strijdt is met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdensschade rechtspraak?
- 20)
Strijdigheid met verdragsbepalingen: De Wet IB-2001 en de uitleg die lagere belastingrechtspraak en het ministerie van Financiën kan niet in stand blijven. De wetgever heeft in het onderhavige geval (overlijdensschade) miskent dat de wettelijke regeling van overlijdenschade in: artikel 6:108 BW is neergelegd. Daarmee de Wet IB-2001 in strijd is met: artikel 8 (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM) dan wel artikel 26 (IVBPR). Het recht op volledige schadevergoeding valt zonder meer op het beschermingsbereik van het EVRM
‘Zie: S.D. Lindenberg, De invloed van de fundamentele rechten in het personenschaderecht, Tijdschrift voor Vergoeding van Personenschade. 2004, nummer 4, p. 111.’
Financiële aanspraken, zoals het recht op levensonderhoud, vallen bovendien onder het beschermingsbereik van: artikel 8 (EVRM). Het EVRM heeft eerder zeer expliciet overwogen:
- ‘26.
(…) Family life does not include only social or cultural relations, for example in the sphere of children's education; it comprises interests of material kind, as is shown by, amongst ither things, the abligation in respect of maintenance (…).’
EHRM 13 juli 2004, Pla and Pincernau v. Andorra, application no. 69498/01, rov. 26. Uitspraak EHRM 13 iuli 2004 (nr. 69498/01), Pla en Puncernau t. Andorra’
Vraag
De parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 biedt voor het beschermingsbereik van het EVRM géén enkel aanknopingspunt. Vindt hiermee naar analogie met het arrest van 24 december 2021: (ECLI:NL:HR:2021:1963) aansluiting?
- 21)
Individueel versus stelsel niveau: Het begrip stelsel niveau is dubieus, althans is niet helder of zelfs discriminatoir. Wat wordt daarmee exact bedoelt, is dat in algemene zin binnen de toetsingskaders van de Wet IB-2001, en wat zijn die toetsingskaders dan? Is dat om willekeur uit te sluiten en wordt daarmee bij voorbaat het individueel niveau ‘buiten de deur gezet’. Of rechters juist de mogelijkheid bieden om af te mogen wijken van de Wet IB-2001. Omdat in de Wet IB-2001 niet de mogelijkheid wordt benoemd van een beroep op individueel niveau en daarmee feitelijk een niet voorziene bepaling in de Wet IB-2001 verzuimd is op te nemen. Daarmee de Wet-IB-2001 rechters juist ruimte bieden buiten: Artikel 11 Wet algemene bepalingen om recht te spreken. Het behoort tot het fundamenteel recht dat rechtzoekende met een overlijdenschadevergoeding zich beroepen op volledige rechtsbescherming en rechtsherstel op individueel niveau. Juist als de Wet IB-2001 leidt tot discussies of principiële geschillen. Kan de Raad toelichten of de wetgever met nieuwe (fiscale) wetgeving rekening had moeten houden met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdensschade rechtsspraak en wat exact wordt bedoeld met stelsel niveau.
Vraag
Bestaat er in de wet grond voor discriminatie door een geschil op individueel niveau (overlijdenschade) gelijk te stellen op stelsel niveau en bij een beroep het arrest van 24 december 2021 rov. 3.4.6?
- 22)
Fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria: De wetgever bij het ontwerp van het box 3-stelsel bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria moeten respecteren. En zich hiervan verifieerbaar rekenschap had moeten geven. Zoals in het parlementaire debat, proportionaliteit, legitimate aim fair balance en: artikel 1 EP (EVRM). Zodat gewaarborgd wordt dat een nabestaande zijn toekomstschade daadwerkelijk kan blijven dragen tot aan de eindleeftijd. Bij [X] is dat in de periode 2001 t/m 2052 op grond van het feitencomplex bij overlijdensschade rechtspraak. En daarmee de wetgever zich niet bewust is geweest dat het ontwerp van de Wet IB-2001 in een aanvaardbare en weloverwogen verhouding staat met de beoogde waarborgen, doelstellingen en dekkingsgraad bij overlijdenschade rechtspraak.
Vraag
Is het de Raad bekent dat een cruciaal onderdeel van letsel- en overlijdenschade de rekenrente en looptijd is waarmee de contante waarde, inflatiecorrectie en het behoud van de koopkracht wordt bepaald over de volledige looptijd?
Is het de Raad zich bewust dat er een verschil bestaat in korte looptijd 0–5, middellang 6–20 jaar en lange looptijd meer dan 20 jaar en meer. En dat bij het geschil met [X] is uitgagaan van één termijn van 50 jaar met 6% nominale rente en 3% inflatiecorrectie?
- 23)
Rechtsherstel op individueel niveau: De feitenrechter is in haar oordeel wettelijk gehouden om een uitspraak te doen aan het verzoek van appellant aan rechtsherstel op grond van het: ‘Kerstarrest’ rov. 3.6.4 op individueel niveau. [X] verwijst naar het: GRSHE d.d. 2 november 2002 (ECLI:NL:GHSHE:2022:3806V Het hof verleende zelf rechtsherstel en stelt het voordeel uit sparen en beleggen vast op het werkelijk behaalde rendement. Is het uw Raad duidelijk dat [X] zich beroept op individueel niveau op werkelijk reëel risicovrij (spaar)-rendement zoals in het algemeen destijds bij personenschade gebruikelijke 6-3 standaard norm.
Vraag
Had het GRDHA op grond van het ‘Kerstarrest’ en het arrest van GHSHE [X] rechtsherstel moeten bieden, ter voorkoming van rechtsongelijkheid, bevorderen van uniforme uitspraken en de: ‘Aanbevelingen‘reken‘rente‘in‘personenschadezaken’ van: LOVCK/LOVCH?
- 24)
Weging criteria overlijdenschade rechtspraak: Niet beslist door het GRDHA is wat zwaarder weegt, het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 of de bij personenschade rechtspraak, jurisprudentie, rechtswetenschappelijke literatuur, aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH. die feitelijk een bevestiging zijn van de jarenlange bestreden 6-3 norm en de standaard gebruikte criteria bij overlijdenschade rechtspraak. En de criteria op grond van het Burgerlijk Wetboek 6: artikel 6:105 BW (bedrag ineens) en artikel 6:108 BW. (overlijden). Constaterende dat de wetgever, ten onrechte en ongemotiveerd, bij het ontwerp van de Wet IB-2001 is uitgegaan dat het box 3-stelsel op stelsel niveau zwaarder weegt dan overlijdensschade rechtspraak en EU- verordeningen. Met het: ‘Kerstarrest’ heeft de Hoge Raad aanleiding gezien om tot een andere visie op de box 3-heffing te komen en voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen van toepassing kan zijn. Bij [X] betreft het beroep op individueel niveau en vindt mede steun in overlijdenschade rechtspraak, jurisprudentie en rechtswetenschappelijke literatuur.
Vraag
Op welke wettelijke en objectieve gronden berust een weging van met elkaar conflicterende wetgeving en welkewettelijke maatstaven van de Wet IB-2001 versus overlijdensschade rechtspraak zijn daarop van toepassing?
- 25)
Volledige vermogenspositie: Vaststellend dat in belastingrechtspraak uitspraken voorkomen dat rekening gehouden dient te worden met de totale vermogenspositie en het volledige inkomen van de box 3 belastingbetaler. Zie randnummer: 8.4 e.v. en het gestelde in: (‘Boxen en tarieven’) inhoudende: {‘U kunt een negatief inkomen (verlies) in de ene box niet verrekenen met een positief inkomen in een andere box’). Om recht te ontlenen aan overlijdensschade is de gehele vermogenspositie en het volledige inkomen al aan de orde geweest. Ten onrechte wil de belasting rechtspraak dat nog eens flink overdoen. Wat in strijdt is met het legaliteitsbeginsel. Bovendien zijn box 1, box 2 en box 3 afzonderlijke entiteiten. Zelfs als beslist wordt dat de gehele vermogenspositie meegewogen dient te worden om te voldoen aan de box 3-heffing, waartegen beroep, maakt het nog niet anders dat het van invloed is op de dekkingsgraad van de overlijdenschadevergoeding.
Vraag
Is het de Raad bekent dat een toetst op de volledige vermogenspositie bij overlijdenschade een ander wettelijke grondslag heeft, namelijk de dekkingsgraad voor de jaarschades dan bij de gemiddelde box 3- belastingbetaler?
- 26)
Juridisch civiel feitencomplex: Is het de Raad duidelijk dat de fiscale beroepsprocedure betreft over de jaren 2001 t/m heden en niet zoals het GRDHA wil doen voorkomen 2017–2018.
Vraag
Is het de Raad duidelijk dat het civiele feitencomplex van overlijdensschade dateert van 24 september 1998?
- 27)
Parlementaire wetsgeschiedenis: Is het de Raad duidelijk dat [X] de wetgever een hoge mate van onzorgvuldigheid verwijt bij het tot stand komen van het ontwerp van de box 3-stelsel. Daarover de wetgever aantoonbaar géén parlementair debat heeft gevoerd over bij personenschade rechtspraak vastgestelde wettelijke regelingen en criteria zoals ook is af te leiden uit rechtswetenschappelijke literatuur. Zie randnummer: 6.3 (Wetgever heeft met de box 3 bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien). Daarmee heeft de wetgever niet gedacht aan de specifieke gevolgen in de praktijk en de criteria bij personenschadezaken. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 valt af te leiden dat de wetgever zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat in de praktijk bij overlijdenschadezaken gevallen zich onvermijdelijk zouden voordoen zoals verlies aan koopkracht, verdamping van de dekkingsgraad jaarschades, rentedalingen, verhoogde inflaties (geldonwaarding), macro economische of geopolitieke omstandigheden en tussentijds fiscale wijzigingen en dat het daarbij om grote bedragen zou kunnen gaan en toch meer box 3-heffingen moet blijven betalen. Die gevallen heeft de wetgever dus niet onder ogen gezien. Daarom had de feitenrechter in die gevallen deze bepalingen van het box 3-stelsel aan het evenredigheidsbeginsel moeten toetsen.
Vraag
Op welke wettelijke en objectieve gronden berust het niet behandelen in het parlementaire debat van de bij overlijdenschade vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria?
- 28)
Disproportionele gevolgen: Bent u bekent dat zelfs door de Belastingdienst eerder is bevestigd dat er bij het tot stand komen van de Wet IB-201 géén parlementair debat heeft plaatsgevonden over de invloed van het box 3-stelsel bij personenschadezaken. Daarmee heeft de wetgever de disproportionele gevolgen en buitensporige zware last als gevolg van het box 3-stelsel in de praktijk over lengte van jaren van het box 3-stelsel en de wrange gevolgen niet onder ogen gezien.
- 29)
Ongelijke gevallen discriminatoir: Vaststellend dat uit het ontwerp en de definitieve versie van de Wet IB-2001 niet is af te leiden op welke wettelijke gronden de box 3 belastingbetaler met een overlijdenschadevergoeding gelijk wordt gesteld met de gemiddelde box 3-belastingbetaler. In juridische zin is hier geen sprake van gelijke gevallen, met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschade rechtspraak. Bij overlijdenschadezaken ligt rechtspraak, jurisprudentie en rechtswetenschappelijk literatuur, waaraan fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria aan ten grondslag liggen. Bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler is daar geen sprake van. Gelijkstelling met de gemiddelde box 3 belastingbetaler is discriminatoir, en ondermijnd de voornoemde rechten. In samenhang met het: ‘Kerstarrest’ rov.3.6, bieden mogelijkheden om gerechtigde met een overlijdenschadevergoeding niet te toetsen op stelsel niveau maar op individueel niveau. Deze toets in het kader van artikel 1 EP is gelijk aan het discriminatieverbod van: artikel 14 (EVRM). Noch de wetgever bij het tot stand komen van de Wet IB-2001, noch de Belastingdienst noch lagere rechtspraak hebben blijk gegeven de uitleg van: artikel 6:108 BW te betrekken in haar oordeel, zoals gederfd levensonderhoud.
Vraag
Op welke verifieerbare grond van een wettelijke regeling moge de gelijkstelling met kapitaal uit een overlijdensschadevergoeding met de gemiddelde box 3 betaler blijken, zonder in conflict te komen met: artikel 14 (EVRM)?
- 30)
Stelsel versus individueel niveau: Vaststellend dat het box 3.1-stelsel (van 2001 t/m 2016), box 3.2 (vanaf 2017) en de Wet rechtsherstel box 3 slechts uitgaat van stelsel niveau. Ten onrechte wordt in de belastingrechtspraak een beroep op individueel niveau gelijkgesteld met stelsel niveau. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 is niet te verifiëren wat de wetgever heeft bewogen om géén onderscheid te maken tussen stelsel en individueel niveau.
Vraag
Op welke wettelijke en objectieve gronden berust de gelijkstelling van een beroep op individueel en een beroep op stelsel niveau?
- 31)
Systeemfout ontwerp Wet IB-2001: Vaststellend dat op grond van EU- verordeningen van artikel 1 EP in samenhang met: artikel 14 (EVRM). ‘Kerstarrest’ rov. 3.6.4 en het arrest: GRSHE d.d. 2 november 2002: (ECLI:NL:GHSHE:2022:3806) er gronden bestaan om op individueel niveau (personenschadezaken) rechtsbescherming en rechtsherstel te bieden. Ook: artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid) biedt voor de feitenrechter mogelijkheden. Hierna de integrale tekst: (‘De voor een‘of‘meer‘belanghebbenden‘nadelige‘gevolgen‘van‘een‘besluit‘mogen‘niet‘onevenredig‘zijn‘in verhouding‘tot‘de‘met‘het‘besluit‘te‘dienen‘doelen’). Hier doet zich een vergelijking voor met de kindertoeslagen affaire, zie: Raad van State. [X] doelt daarmee op de gevolgen van ontwerpfout (systeemfout) van de Wet IB-2001.
Vraag
Welke wettelijke en objectieve gronden staan open indien de wetgever bij het ontwerp van een wet de evenredigheid niet alles onder ogen heeft gezien en daarmee rechtsontwikkeling of het verder uitkristalliseren van de wet mogelijk te maken?
- 32)
Rendementsarondsiaa overlijdenschade en tweede niet verhuurde woning Voor zover de feitenrechter heeft geoordeeld dat er géén wettelijke basis is voor het niet belasten in box 3 van een tweede niet verhuurde woning, des te nadrukkelijk neen. Dan nog gelden de toetsingskaders aan proportionaliteit, legitimate aim, fair balance in samenhang met: artikel 1 EP (EVRM) op individueel niveau. Dat het overlijdensschade of een tweede niet verhuurde woning betreft maakt dat niet anders. Voornoemde toetsingskaders zijn niet alleen van toepassing op het box 3-stelsel maar breder van toepassing, zie hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in het: ‘Kerstarrest’ bij rov. 3.6.4, en vindt haar grondslag in: artikel 1 EP (EVRM) en artikel 3:4 lid 2 Awb inzake onevenredigheid.
Vraag
Is het de Raad voldoende duidelijk dat [X] zich op het standpunt stelt dat de rendementsgrondslag voor een tweede niet bewoonde woning onlosmakelijk is verbonden met het beroep op: artikel 1 EP (EVRM)?
- 33)
Dalende rentes en stijgende inflaties overlijdensschadezaken: Vaststellend dat feitenrechters blijk hebben gegeven niet open te staan van de enorme impact van het box 3-stelsel, dalende rentes en stijgende inflaties hebben op de dekkingsgraad voor de financiering van toekomstige jaarschades bij overlijdenschadezaken. Eveneens hebben feiten rechters zich niet, althans onvoldoende ingelezen in het overlegde feitencomplex inzake rentes en inflaties zich vanaf 2000 niet verhouden met de rendementen van box 3.1, vermogensmix 3.2 en risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschade rechtspraak. Ten onrechte hebben feitenrechters zich in haar uitspraken op stelsel niveau over de jaren 2017 t/m 2019 gericht en niet op individueel niveau overlijdensschade. Rendementen van forfaitair versus risicovrij reëel (spaar)-rendement van 3%. De forfaitaire rentes zijn niet haalbaar gebleken, en al helemaal niet in box 3.2. [X] toont dit aan in een spreadsheet, zie verwijzing naar: (Productie D-1). bij randnummer: 7.3.2. Inhoudende een volledige samenvatting van de: Audalet: schadebegroting. Feitenrechters hebben verzuimd naar maatstaven van verantwoordelijkheid, redelijkheid en billijkheid dat van de wetgever verwacht mag worden om de box 3.1 en box 3.2 stelsel en individueel niveau periodiek te herzien en zo nodig aan te passen aan de dalende rentes en stijgende inflaties. Uiteindelijk heeft de: LOVCK/LOVCH na een jarenlange discussie hierover aanbevelingen gedaan. Ook hier zijn feiten rechters aan voorbijgegaan.
- 34)
Beleggingen box 3.2: Vaststellend dat feitenrechters hebben verzuimd vast te stellen dat de door de wetgever gestelde rendement bij beleggingen indruisen tegen de bij overlijdenschade rechtspraak gestelde criteria inzake risicovrij reëel (spaar)-rendement versus het box 3-stelsel. Waarbij wordt uitgegaan van (zeer) defensieve vormen van belegging en/of sparen. Dit uitgangspunt werd al door de Hoge Raad geformuleerd op 24 april 1959. ECLI:NL:HR:1959:24. rov. 22. Zie mede: ‘Waarborgen dat het slachtoffer‘zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen’. p. 7–8. En de: ‘Aanbevelingen‘rekenrente’ van: LOVCK/LOVCH 2021,2022 en 2023. Bovendien zijn feitenrechters niet ingegaan op door de wetgever litigieus gestelde beleggingsrendementen bij de invoering van de vermogensmix. Niet verifieerbaar zijn in de wettekst en/of tussentijdse wetsaanpassingen de risicoprofielen en ervaringsniveau aangegeven voor beleggen. Zie randnummers: 5.1.12 en 6.7 (Individueel financieel zelfbeschikkingsrecht sparen of vermogensmix).
- 35)
Criteria overlijdenschade rechtspraak: Vaststellend en in strijd met de criteria uit overlijdenschade rechtspraak zijn de feiten rechters eraan voorbijgegaan dat de wetgever er ten onrechte van uit is gegaan om geen onderscheid te maken tussen stelsel en individueel niveau. Van de nabestaande met een overlijdenschadevergoeding mag niet gevergd worden, dat hij vanaf 2017 (box 3.2) belegd moet worden (vermogensmix) van de ontvangen som ineens om op die manier zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd op individueel niveau te bewerkstelligen om daarmee tevens de dekkingsgraad op peil te houden. Bovendien is strijd met het zelfbeschikkingsrecht van box 3 belastingbetaler om door de wetgever te bepalen om überhaupt te moeten beleggen, voor welk bedrag en welke risicoprofielen. Ook hier zijn feitenrechters aan voorbij gegaan en zich slechts hebben gefocust op stelsel niveau voor de gemiddelde box 3 belastingbetaler en niet op individueel niveau overlijdenschade.
- 36)
Fiscale risico's en kwade kansen bij overlijdenschadevergoedingen: Daar waar de wetgever bij het tot stand komen van het box 3-stelsel niet verifieerbaar is te herleiden zoals uit de parlementaire wetsgeschiedenis mogen blijken, inzake de risico's en kwade kansen bij gerechtigde met een overlijdenschadevergoeding. Als box 3.1 en box 3.2 heffing hoger is dan werkelijk risicovrij reëel (spaar)-rendement. De wetgever heeft bij het ontwerp van de Wet IB-2001 slechts voor ogen gehad een vereenvoudig belastingstelsel door een forfaitair rendement in te voeren met en IB-inkomstenbelasting van 30% t/m 2020 en in 2024 een forfaitair rendement van 6.04% en een IB-inkomstenbelasting van 36%. Zie tabel bij randnummer: 7.5.4. Daarmee alle schijn tegen van een vorm van gelegaliseerde fiscale ‘staatsterreur’ en/of diefstal, door zich geen rekenschap te geven van de risico's en kwade kansen van de individuele box 3 belastingbetaler.
Vraag
Mag van een nabestaande met een overlijdenschadevergoeding verwacht worden dat hij alle fiscale risico's en kwade kansen van onvoorspelbaarheid van macro-economische en geopolitieke ontwikkelingen een disproportionele inbreuk op het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom in een lange reeks van jaren voor zijn rekening neemt en geen invloed hebben op het box 3-stesel?
- 37)
Tegenwerken ontwikkeling van het recht onrechtmatige overheidsdaad: Vaststellend dat feiten rechters verzuimd hebben een uitspraak te doen dat de wetgever bij het tot stand komen van de: Wet IB-2001 recht had moeten doen aan wat de wetgever heeft beoogd met: artikel 6:108 BW lid 1 aanhef en onder c bedoeld. Tevens in samenhang met rechtspraak, jurisprudentie en rechtswetenschappelijke literatuur. En de wetgever zich behoort te verhouden met overige rechtsregels, zoals: artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid) en EU- verordeningen zoals die voor lidstaten gelden. Nederland heeft geen beroep gedaan op de opt-out uitzonderingsregel bij het EVRM. Nu interpreteren de Belastingdienst en lagere belastingrechtspraak op willekeurige wijze en op stelsel niveau de box 3-heffing door een tendentieus beroep te doen dat voor letsel- en overlijdenschadevergoedingen geen uitzondering is opgenomen in de Wet IB-2001 en: artikel 11 Wet algemene bepalingen. Waarvoor strikt genomen niets is te herleiden in de Wet IB-2001 noch uit de parlementaire wetsgeschiedenis in relatie met overlijdenschade rechtspraak. Bij het wetsontwerp van de Wet IB-2001 heeft het de wetgever ontbroken aan wetenschap van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschadezaken. De wetgever heeft de onbillijke en onbedoelde consequenties daarvan niet willen overzien noch onderzocht, noch daarover een parlementair debat gevoerd. Het: ‘Kerstarrest rov. 3.6.4, biedt alsnog mogelijkheden om gerechtigde met een overlijdenschadevergoeding niet op stelsel niveau te behandelen maar op individueel niveau. Onweersproken is dat het box 3-stelsel onverenigbaar is met overlijdenschade rechtspraak.
Vraag
Op welke wettelijke grondslag berust het voorbijgaan aan de wettelijk vastgelegde criteria bij overlijdenschade rechtspraak en het niet behandelen in het parlementaire debat?
- 38)
Niet verhuurde tweede woning in Nederland: [X] bezit een tweede, niet verhuurde woning uit een erfenis en beroept zich op: artikel 1 EP (EVRIVO en naar analogie van de overwegingen en beslissingen van het: ‘Kerstarrest’ en heeft geen inkomsten maar onkosten aan de woning. Aangezien dat uit het: ‘Kerstarrest’ volgt dat de compensatie dient aan te sluiten bij het werkelijk behaalde rendement. De inspecteur heeft deze woning in de jaren 2014 t/m 2023 in de vermogensrendementsheffing betrokken. Tevens beroept [X] zich naar analogie van het arrest van de: HR d.d. 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812). rov. 2.3.2 en GHSHE d.d. 22 maart 2023, (ECLI:NL:GHSHE:2023:945). rov. 4.4, Beide betreft het een tweede woning, zie randnummer: 9 (‘Tweede‘niet‘verhuurde‘woning‘in‘Nederland
- 39)
Uitvoeringsgevolgen en capaciteit Belastingdienst: Vaststellend dat de Staatssecretaris van Financiën zich beroept op de uitvoeringsgevolgen en de beschikbare capaciteit van de Belastingdienst voor het behandelen van een tegenbewijs box 3-stelsel. Het is niet de box 3 belastingbetalers te verwijten die de uitvoeringsgevolgen hebben veroorzaakt, maar komt voort uit een al langslepende discutabele wetgeving. Discutabel is dat maatschappelijk een beroep op de uitvoeringsgevolgen en capaciteit steun vindt. En daarmee voor rechtzoekende belangrijke geschillen onbehandeld blijven of op de lange baan worden geschoven.
- 40)
Juridische houdbaarheid box 3-stelsel versus overlijdenschade rechtspraak: Vaststellend dat bij de wetgever, Belastingdienst en feitenrechters zich niet willen uitlaten op individueel niveau over de desastreuze gevolgen op de dekkingsgraad als gevolg van het box 3-stelsel op de overlijdenschadevergoeding. Er géén enkele juridische en feitelijke rechtvaardiging bestaat om kapitaal van een overlijdenschadevergoeding gelijk te stellen met de gemiddelde box 3-belastingbetaler. Mede in samenhang met de bij overlijdensschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria. Daarmee de juridische onhoudbaarheid van het box 3-stelsel aantonen en de uitvoeringsgevolgen en capaciteit van de Belastingdienst rechtshertstel en de fundamentele beginselen van de rechtstaat belemmeren.
- 41)
Vrijstelling lestelschade-uitkeringen:Vaststellend dat op 26 september 2019 de Staatsecretaris schreef aan de Tweede Kamer dat besloten is om geen vrijstelling in te stellen voor letselschade-uitkeringen in box 3. Wellicht is de Staatssecretaris onjuist of onvolledig geïnformeerd over de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschade rechtspraak. Of heeft andere prioriteiten in een verborgen agenda.
Vraag
Kan de Raad toelichten dat een vrijstelling of het respecteren belangen van de rechtsgeldige criteria bij overlijdensschade recht zou doen aan overlijdenschade rechtspraak?
- 42)
Overige strijdigheden: Vaststellend dat het wetsontwerp van het box 3-stelsel in strijd is met: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM). artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid) en: artikel 17 Handvest Grondrechten van de EU. En de uitspraken van de RBDHAen het GRDHA in strijd hebben gehandeld met: artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb. artikel 6 (EVRMÏ en artikel 3:46 Awb (motiveringsvereiste) en in het bijzonder het GRDHA schending van artikel 8:115 Awb. Deze zijn niet in strijd met een rechtelijk beroep op: artikel 11 Wet algemene bepalingen. Zie wat de: Raad van State daarover heeft overwogen en beslist, bij randnummer: 6.3. Zie ook de: (‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’) van: LOVCK/LOVCH in 2021, 2022 en 2023 waaruit opnieuw en herhaald wordt bevestigd dat:
‘Het uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is dat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen.
‘Bovendien mag van het slachtoffer niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen’.
De criteria van de aanbevelingen wijken niet af van de destijds in de rechtspraak standaard 6-3 norm. De rendement en inflatiecijfers zijn aangepast aan de DNB, CPI en CPB en UFR-data. Wat feitelijk bij het ontwerp van het box 3-stelsel in de Wet IB-2001 opgenomen had moeten worden. Zie voor een nadere toelichting randnummer: 7.8 (‘Rekenrente en aanbevelingen LOVCK/LOVCH’). Het ontwerp van het box 3-stelsel is daarmee disproportioneel.
- 43)
Verzoekt tot vernietiging: [X] verzoek tot doorverwijzing naar de feitenrechter. En opnieuw rechtdoende op devolutieve wijze te beslissen op individueel niveau. Inzake over de box 3-heffing versus overlijdenschadevergoedingen in samenhang met EU- verordeningen, bij overlijdensschade rechtspraak/jurisprudentie vastgelegde criteria bij overlijdenschade rechtspraak. Zie mede randnummer: 12 Conclusie.
- 44)
Tot slot: Geheel tot slot merkt [X] op dat hier aan de orde zijnde vragen en de gegeven uitleg van: artikel 6:108 BW (overlijdenschade) niets van doen hebben met de gemiddelde box 3 belastingbetaler, noch op stelsel niveau. Maar betreft dat het uitgangspunt is dat de wet in het geval van overlijden van een naaste (aan bepaalde personen) wél een recht op schadevergoeding inzake gederfd levensonderhoud toekent. De rechtsvraag is bovendien of daarmee overeenkomsten bestaan met de gemiddelde box 3 belastingbetaler, EU- verordeningen (artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR) overlijdensschade rechtspraak.
Derven dekkingsgraad overlijdenschade
5. Derven dekkingsgraad overliidenschadeverqoedinq
Audalet: (Productie E-1) wordt in de personenschade rechtspraak gebruikt als een erkende en solide basis. Bij de begroting wordt met de rekenmethodiek uitgegaan van een peildatum van 1 juli van elk jaar in tegenstelling met de peildatum die de Belastingdienst aanhoudt van 1 januari. Voor een nadere toelichting zie het: (‘Tijdschrift letselschade in de rechtspraktijk’) 2015/1, inhoudende: (‘Rekenkundige aspecten van het verlies arbeidsvermogen bij letsel’). Bij overlijdenschade wordt met dezelfde rekenmethodiek gebruikt. De reken methodiek en jurisprudentie personenschade is verder uitgekristalliseerd, terwijl het box 3-stelsel op pijnlijke wijze de criteria bij overlijdenschade rechtspraak steeds verder ondermijnen. Wat blijft zijn de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria die bij personenschade rechtspraak zijn vastgesteld. Uitgangspunt is en blijft risicovrij reëel (spaar)-rendement. Hetzelfde zou voor beleggingen moeten gelden, althans met een inflatiecorrectie om te komen tot een reëel beleggingsresultaat.
5.1.1. Rechtsherstel dekkingsgraad bij berekende schade en de fiscaalcomponent
Bij overlijdenschade rechtspraak volgt dat nabestaande financieel in dezelfde situatie gebracht moeten worden als zonder ongeval. Op het moment dat [X] een overlijdensschade-uitkering ontvangt, maakt dit bedrag direct onderdeel uit van het vermogen in box 3. Hierover is belasting verschuldigd. Om [X] financieel in dezelfde situatie zonder ongeval te plaatsen, wordt over de berekende schade van € 351.043,79 belastingschade (de fiscaal component) vergoed, in een som ineens van €41.345,62. Met beide bedragen moet [X] nog rendement realiseren om met de voornoemde sommen van de berekende schade en de fiscaal component over de jaren 2001 t/m 2052 het resterende deel van de jaarschades te realiseren. Daarmee is [X] afhankelijk van de kwade kansen van rente en inflatiestand. Als de rente daalt en de inflatie stijgt, zoals vanaf 2001 t/m heden, heeft dat een negatief effect op de dekkingsgraad tot het eindjaar. Of in de casus van [X] de box 3-heffingen hoger zijn dan het gerealiseerde rendement. [X] heeft over de jaren 2001 t/m 2019 € 91.386 box 3 belasting betaald, zie onderstaande tabel bij 1.4. Dit is een totaal van ook overige box 3 bestandsdelen.
5.1.2.
Ten onrechte en op onzorgvuldige wijze verwijst het GRDHA naar het arrest d.d. 4 oktober 2023: (ECLI:NL:GHDHA:2023:2026) naar het arrest van het hoger beroep IB-2016 van [X]: (ECLI:NL:GRDHA:2019:834) d.d. 9 april 2019. En naar haar onbegrijpelijk oordeel de overlijdenschade-uitkering in de wet op stelsel niveau niet is vrijgesteld van de rendementsgrondslag van box 3 inzake 2017 en 2018. Daar gaat het beroep van 2017 t/m 2019 maar ten dele over. Cruciaal hierbij is de door de RBDHA ongemotiveerde gepasseerde en door de RBDH onbehandelde: ‘Akte’ (Productie C-1). waarbij het beroep gesteld is op individueel niveau, over vanaf 2001 t/m het eindjaar 2052.
5.1.3.
Bovendien bestrijdt [X] dat uit de betwiste wettekst van de Wet IB-2001 als vanzelfsprekend valt af te leiden dat de overlijdenschade-uitkering niet is vrijgesteld van de vermogensgrondslag van box 3. Het GRDHA maakt gebruik van een containerbegrip, en de uitleg werkt een hoge mate van willekeur in de hand en kan vele betekenissen hebben. Bepalend is of de wetgever duidelijk en zorgvuldig is geweest, bij het tot stand komen van het box 3-stelsel, des te nadrukkeijk neen.
5.1.4.
De wetgever heeft bij het tot stand komen van de Wet IB-2001 bepaalde omstandigheden niet of niet goed onder ogen gezien. Zie Raad van State randnummer: 6.3 (‘Wetgever heeftmet de box 3 bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’). Uit de parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 valt af te lijden dat de wetgever niets heeft overwogen en beslist inzake overlijdenschadezaken. En de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, criteria en de wijze waarop rendement nog gefinancierd dient te worden tot aan het eindjaar 2052. De wetgever heeft blijk gegeven zich geen rekenschap en verantwoording te hebben gegeven van de specifieke omstandigheden bij overlijdensschade rechtspraak.
5.1.5.
Van cruciaal belang zijn de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria, welke tot 2020 als vaste jurisprudentie is toegepast. Waaronder de 6-3 norm, zijnde 6% nominaal rendement en 3% inflatiecorrectie. De inflatiecorrectie dient voor de compensatie van de koopkracht over de volledige looptijd. Bij [X] is dat 2001 t/m 2052. Het box 3-stelsel voorziet niet in een inflatiecorrectie in samenhang met behoud van koopkracht. Wat een fundamenteel recht is bij overlijdenschade rechtspraak om nabestaande financieel in dezelfde situatie te houden als zonder ongeval. Zodat door het box 3-stelsel de dekkingsgraad van de schadevergoeding onherstelbaar is ingeteerd. Het niet erkennen van EU-verordeningen op individueel niveau versus stelsel niveau door het GRDHA is discriminatoir. Daarmee in strijd met artikel 1 EP in samenhang met: artikel 14 (EVRIVO. Dat beginsel is ook neergelegd in: artikel 3:4, tweede lid, Awb. Dat luidt:
‘De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen’
5.1.6.
[X] stelt dan ook dat hij pas aan de vermogensrendementsheffing zou moeten voldoen als het risicovrij reëel (spaar)-rendement meer bedraagt dan 3%. [X] vindt dat hij recht heeft op volledig rechtsherstel over de jaren 2001 t/m 2019 e.v. Vanwege de complexheid en nog door de feiten rechter te bepalen criteria later op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijk gestelde rente tot aan algehele voldoening.
5.1.7.
Onderstaande tabel maakt duidelijk dat het box 3-stelsel vanaf 2001 de forfaitaire heffing in box 3.1, (vanaf 2001 t/m 2016 en box 3.2 (vanaf 2017) in strijd is met de bij overlijdenschade rechtspraak, jurisprudentie, vastgelegde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, criteria en rechtswetenschappelijke literatuur. De box 3-heffingen zijn hoger dan bedoelt bij overlijdenschade rechtspraak en risicovrij reëel (spaar)-rendement. Daarmee is sprake van een individuele buitensporige zware last. De: Wet rechtsherstel box 3 voorziet daar ook niet op individueel niveau. Het box 3-stelsel maakt overlijdenschade rechtspraak tot een fopspeen en ondermijnd de geloofwaardigheid en het vertrouwen in het rechtssysteem.
Audalet | Huidig | Toekomst | Totaal | |
|---|---|---|---|---|
Tabel schade onderdelen | 2001 t/m 2019 | 2020 t/m 2052 | 2001 t/m 2052 | |
Jaarschade en contante waarde | ||||
1.1: Totale behoefte | 825.975 | 895.848 | 1.721.823 | |
1.2: Toerekening | 386.294 | 741.897 | 1.128.191 | |
1.3: Jaarschade | 439.680 | 153.951 | 593.631 | |
1.4: Gereduceerde jaarschade | 398.455 | 78.141 | 476.596 | |
1.6: Schade | 398.455 | 78.141 | 476.596 | |
1.7: CW-schade | 310.108 | 40.141 | 351.045 | |
1.8: Rendementspercentage | 5,8% | 6,1% | 6,06% | |
1.9: Inflatiepercentage | 2.9% | 3,0% | 3,03% | |
Intering berekende schade | ||||
2.1: Schade | 398.455 | 78.141 | 467.596 | |
2.2: Rendement percentage | 5,84% | 6% | 6% | |
2.3: Inflatiepercentage | 2,92% | 3% | 3% | |
2.5: Kapitaal per 1 juli vorig jaar | 351.044 | |||
2.6 Rendement +/+ | 298.038 | 33.280 | 331.311 | |
2.7: Opname -/- | 528.811 | 153.550 | 682.381 | |
Interen t.b.v. fiscaal component | ||||
3.2: Rendement | 298.038 | 33.280 | 331.318 | |
3.3: Uitkering per 1 juli dit jaar | 528.811 | 153.550 | 682.361 | |
Interen met fiscaal component | ||||
4.2: Kapitaal per 1 juli voriq iaar | 392.389 | |||
4.3: Rendement | 320.681 | 33.661 | 354.342 | |
4.5: Belastinqpremie | 61.532 | 2.815 | 64.347 | |
4.6: Uitkerinq per 1 juli dit iaar | 528.811 | 153.760 | 628.571 | |
Berekende schade | ||||
5.1: Verschenen schade | 47.343 | |||
5.2: Toekomstiqe schade | 351.044 | |||
5.3: Fiscaal component | 41.346 | −61.546 | −3.193 | −65.3871. |
5.4: Totale schade | 439.732 |
Toelichting bovenstaande kolom
5.1.8.
Bovenstaande tabel zijn gegevens uit de spreadsheet: (Productie D-1). waarbij als onderbouwing is geput uit de: Audalet: (Productie E-1) begroting. Deze productie geeft een jaarlijks inzicht in de opbouw en totalen van de in bovenstaande bedragen. De bedragen in de derde kolom zijn de totalen over 2001 t/m 2019, vierde kolom de jaren 2020 t/m 2052 en vijfde kolom het totaal van de jaren 2001 t/m 2052.
5.1.9.
Uitgangspunt bij overlijdenschade is de behoeftigheidsvereiste gebaseerd op rechtspraak en het fiscale stelsel vanaf 2001 en niet op tussentijdse fiscale verhogingen, dalende rendementen en verhoogde inflaties.
5.1.10.
Bij personenschade zijn te onderscheiden letsel- en overlijdenschade, maar zijn ook niet helemaal gelijk. In dit geschil betreft het overlijdensschade op grond van: artikel 6:108 BW en artikel 6:105 BW. Zodat in tegenstelling met de gemiddelde box 3 belastingbetaler er een wettelijke basis aan ten grondslag ligt en niet vergelijkbaar zijn. Zodat het niet vanzelfsprekend is om de overlijdenschadevergoeding over één kam te scheren met de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
‘Toelichting tabel schade onderdelen
1.1
De dekkingsgraad over de jaren 2001 t/m 2019 bestaat uit een schadedeel t.b.v. de behoefte van: € 825.975. Dat is de som van de toerekening van € 386.294 (1.2) en de jaarschade 439.680, (1.3). Over de volledige looptijd 2001 t/m 2052 bedraagt de behoefte € 1.721.823. Dat is de som van de toerekening van € 1.129.191 (1.2) en de jaarschade € 593.631, (1.3). De dekkingsgraad moet gefinancierd worden met het nog te maken rendement € 298.038 (3.2) over de jaren 2001 t/m 2019 van € 351.044, (5.2) over de volledige looptijd, dus van 2001 t/m 2052. Totaal te realiseren rendement bedraagt € 331.318. Dat zijn rendementen die nooit zijn gerealiseerd. Verder uitgewerkt in de tabellen 6 t/m 9.3 hierna.
1.7
De contante waarde CW-schade (1.7) wordt gebruikt voor de kapitaliseren om het bedrag te bepalen, dat per 1 juli 2001 moet worden weggezet om ieder jaar het verlies aan gederfd levensonderhoud en behoud van koopkracht te compenseren. Het totaal aan CW-schade is (1.7) over 2001 t/m 2019 met de som van € 310.108 en over 2020 t/m 2052 € 40.937, totaal bij (5.2) € 351.045. Waarbij rekening wordt gehouden met rente, inflatie en sterftekans. Inflatie is een samenstelling van looninflatie en prijsinflatie.
2.2
Het nominaal (spaar)-rendement in procenten is door de rechter vastgesteld op 6% risicovrij reëel (spaar)-rendement. Destijds de standaardnorm. Met als doel om met kapitaal van een som ineens € 351.044 met het rendement de dekkingsgraad te generen op aan de jaarschades vanaf 2001 t/m 2052 te kunnen blijven voldoen.
2.3
Het inflatiepercentage is door de rechter vastgesteld ter behoud van de koopkracht over de jaren 2001 t/m 2052. Alsmede voor het bepalen van de contante waarde op grond van de destijds in de rechtspraak gebruikte rekenrente de 6-3 norm.
4.2
Interen met fiscaal component gaat in deze casus uit van bij (4.2) geduide € 392.389. Dit bedrag en bestaat uit de som van (5.2) € 351.044 toekomstschade en (5.3) de fiscaal component € 41.346. Met de fiscaal component moet het meerdere gefinancierd worden uit het rendement van € 41.346. Verder uitgewerkt in de tabellen 6 t/m 9.3 hierna
4.3
Rendement uit de som van € 351.044 en € 41.346 bedraagt over de jaren 2001 t/m 2019 € 320.681. Over de hele looptijd is het begrote rendement € 354.342. Dat zijn rendementen welke in deze jaren niet gerealiseerd zijn maar wel meer box 3-heffing is betaald dan het aan risicovrij reëel (spaar)-rendement op heeft geleverd of nog zal opleveren. Dat maakt dat de dekkingsgraad voor behoud van de koopkracht, het financieren van de toekomschade en het meerdere van de fiscaal component is verdampt.
5.2
De fiscaal component is een zelfstandige schadepost en is niet ongeval gerelateerd en maakt ook geen onderdeel uit van de toekomstschade voor het financieren van gederfd levensonderhoud. Welke gerealiseerd dient te worden met risicovrij reëel (spaar)-rendement en niet met risicodragende beleggingen. Niet risicodragende beleggingen bestaan niet of leveren weinig rendement op.
5.4
Begroot fiscaal component bedraag € 41.346 over de jaren 2001 t/m 2019 bedraagt de fiscaal component € 62.194. Zodat er nog € 20.849 uit rendement gefinancierd moet worden. Over de jaren 2020 t/m 2024 bedraagt de fiscaal component € 3.193, wat het totaal over de jaren 2001 t/m 2024 bedraagt € 24.041. Vanaf 2028 is er geen fiscaal component meer te heffen, omdat het belastbaar inkomen beneden de vermogensheffing valt.’
5.1.11.
Het verdampen van de dekkingsgraad is een gevolg van het niet realiseren van het rendement van de 6-3 norm (6% nominaal rendement) van over de jaren 2001 t/m 2019 van € 320.681 (4.3) en over de jaren 2001 t/m 2052 totaal € 354.342 om in de behoefte te over de jaren 2001 t/m 2018 te voorzien van € 825.975. Voornoemd bedrag bestaat uit het totaal de toerekening op grond van: artikel 6:98 BW en het totaal van de jaarschade over de jaren 2001 t/m 2019
5.1.12.
[X] heeft dat al eerder overlegd dat 6% niet haalbaar, zie: (‘Bezwaarschrift 2019’) d.d. 3 maart 2019. Waarbij profielfondsen bij ABNAMRO begeleid beleggen over 5 jaar (V- 45.661), 10 jaar (V- 67.410) en 20 jaar (V- 49.572) bij een defensief profiel en verliesgevend zijn bij een inleg van € 400.000, zie randnummer: 11.10 van voornoemd bezwaarschrift 2019. De Belastingdienst, RBDHAen het GRDHA zijn bij de clusterbehandeling 2017 t/m 2019 hieraan ongemotiveerd voorbijgegaan.
5.1.13.
Als gevolg van de fiscaal component wordt de schadevergoeding hoger en deze verhoging leidt weer tot extra belastingschade, enzovoort. Feitelijk is daarmee sprake van dubbele belasting door weer box 3-heffing te betalen over belastingschade.
5.1.14.
Het niet compenseren van inflatie leidt tot een individuele zware last over een lange reeks van jaren en heeft een onherstelbare invloed op de berekende bij Audalet: (Productie E-1) dekkingsgraad bestaande uit: jaarschade, koopkracht en de fiscaal component. De wetgever wist, althans behoorde te weten dat het box 3-stelsel versus overlijdenschade rechtspraak leidt tot een onvoorzien, onredelijk en onbillijk nadeel en de wetgever met: artikel 6:108 BW en alles wat daarmee gehecht en verbonden is de overlijdenschade rechtspraak ook niet voor ogen hebben gehad. De wetgever heeft bij het ontwerp van het box 3-stelsel op grond van disproportionaliteit van: artikel 1 EP (EVRIVO en artikel 3:4 lid 2 Awb (evenredigheid) niet onder ogen willen zien, zoals uit de parlementaire wetsgeschiedenis mogen blijken. Zie randnummer: 6.3.3.
5.1.15.
[X] overlegd hierbij (Productie D-I). Inhoudende op basis van de: Audalet: (Productie E-1) schadebegroting:
Tabel 1: | Jaarschade, gereduceerde jaarschade en contante waarde |
Tabel 2: | Intering berekende schade |
Tabel 3: | Interen fiscale component |
Tabel 4: | Interen met fiscaal component |
Tabel 5: | Berekende schade |
Tabel 6: | Toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad met Audalet fiscaal component |
Tabel 7: | Toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad nominaal rendement |
Tabel 8: | Toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad risicovrij reëel rendement |
Tabel 9: | Toetsingskaders en vergelijking dekkingsgraad, jaarschade en fiscaal component |
Tabel 10: | Toetsingskaders en vergelijking inflatie |
Toelichting tabellen 1 t/m 5
5.1.16.
De tabellen 1 t/m 5 (link) geven inzicht in de Audalet: (Productie E-1) berekeningsmethodiek van letsel- en overlijdenschade. Deze tabellen zijn één op één weergave van de: Audalet schadebegroting over de jaren 2001 t/m tot het eindjaar 2052. Maar dan getotaliseerd per schade onderdelen. Het geeft een totaalbeeld van de bedragen en de bestemmingen. De tabellen 6 t/m 9 geeft [X] een voorzet wat het vergelijkingsresultaat is van het verdampen van de dekkingsgraad voor het financieren van de toekomstige jaarschade. Zodat een feitenrechter na verwijzing door uw Raad naar redelijkheid en billijkheid de kaders of oordeel kan geven voor een (nadeel)-compensatie over de verdamping van de dekkingsgraad. En het bieden van rechtsbescherming en rechtsherstel voor geleden en nog te lijden toekomstschade op basis van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschade rechtspraak.
5.1.17.
Destijdswas in de rechtspraak gebruikelijk dat eruit werd uitgegaan van een rendement van 6%. Rechters vonden het destijds reëel om dat rendement in te schatten op 6%. Ervan uit gaande dat een nabestaande of slachtoffer een rendement zou behalen door bijvoorbeeld spaarrente te ontvangen van de bank. De 6% was vaste rechtspraak, inmiddels is die inschatting van dit rendement al vanaf eind jaren ’90 te hoog gebleken en dat slachtoffers of nabestaande dit rendement in de praktijk niet halen, de huidige richtlijn van rechtbanken en hoven gaat uit van een rendement dat lager is dan de inflatie en leidt tot een negatief reëel rendement. Zie ondermeer de: ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’ van: LOVCK/LOVCH.
Er werd destijds uitgegaan dat in de toekomst sprake is van dat de huidige schadevergoeding over de jaren 2001 t/m 2052 niet meer evenveel waard zou blijven. Er moest dus rekening gehouden worden met inflatie. In de rechtspraak werd standaard rekening gehouden met een inflatie van 3%. Rechters vonden de verhouding van 3% tussen rendement en inflatie een redelijke verhouding. In de praktijk is gebleken dat dit geen redelijke verhouding was, maar er werd destijds rekening gehouden meteen inflatie van 3%.
Toelichting tabellen 6 t/m 9
Voor een betert begrip wordt hierbij overlegd de toelichting op de Audalet schadebegroting d.d. 12 februari 2024 van mr. P. Meijer van Mens advocaten letselschade. Mr. Meijer heeft destijds de schadebegroting gemaakt. Kortheidshalve moge [X] uw Raad verwijzen naar: (Productie F-1).
5.1.18.
Tabel 6: (link), geeft het resultaat van de toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad met Audalet fiscaal component (tabel 6.1) versus historisch (tabel 6.2) en box 3.1 en box 3.2 (tabel 6.3). Het Audalet kapitaal bestaat uit een bedrag € 352.044 (Toekomstschade) en € 41.345 (Fiscaal Component Vermeend), gesaldeerd € 392.389. Om te komen tot belastbaar inkomen box 3 te verminderen met de vermogensvijstelling. De tabel betreft de jaren 2001 t/m 2019, maar loopt door tot 2052. Doel is om vast te stellen welke vergelijking het dichtst bij risiocovrij reëel (spaar)-rendement komt en voldoet aan de bij vaste overlijdenschade vastgestelde criteria komen. Uitgangspunt is daarbij de Audalet schadebegroting.
Audalet | Historie | Box 3 | |
|---|---|---|---|
Tabel 6.1 | Tabel 6.2 | Tabel 6.3 | |
Audalet kapitaal per 1 juli voriq iaar | 392.389 | 392.389 | 392.389 |
Vermogensvrijstelling (gemiddeld) | 21.891 | 21.579 | 21.579 |
Belastbaar inkomen box 3 (qemiddeld) | 269.938 | 270.250 | 270.250 |
Forfaitaire heffinq box 3 (qemiddeld) | 4% | ||
Historisch risicovrij reëel (spaar)-rendement (gemiddeld) | −0,07% | ||
Box 3 forfaitair heffinq (qemiddeld) | 4,1% | ||
Belastbaar rendement IB-box 3 (qemiddeld) | 205.153 | 14.063 | 207.315 |
Percentage IB-box 3 | 30% | 30% | 30% |
Belastinq premie box 3 | 61.546 | 4.219 | 62.194 |
Reëel risicovrij (spaar)-rendement | 3% | ||
Rendement (3% per iaar) | 57% | 57% | 57% |
Verdamping dekkingsgraad risicovrij reëel (spaar)-rendement | −19% | −56% | −20% |
5.1.19.
De vergelijking laat zien dat in tabel 6.1 (Audalet) en tabel 6.3 Box 3-stelsel de verschillen nihil zijn. Ware het niet dat de geduide rendementen niet haalbaar zijn gebleken en de dekkingsgraad is verdampt. Begroot is aan fiscaal component € 41.345 en tabel 1 en tabel 3, respectievelijk € 61.546 en 62.194 aangeeft. Hetgeen betekent dat uit het rendement zowel de toekomstige jaarschades als het meerdere van de fiscaal component gefinancierd dient te worden. Bij tabel 6.1 t/m tabel 6.3 is uitgegaan van de Audalet dekkingsgraad van 3% risiocovrij reëel (spaar)-rendement. Dit leidt in alle drie de gevallen tot een verdamping, respectievelijk −19%, −56% en −20% op de dekkingsgraad. Uit de praktijk over de jaren 2001 t/m heden is zowel bij Audalet, historische als het box 3-stelsel gebleken dat 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement onhaalbaar was. Dit pleit ervoor om als uitgangspunt te nemen in overeenstemming met 3% risicovrij reëel rendement, en het rendement pas te belasten bij het meerdere dan 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement.
5.1.20.
Tabel 7: (link), geeft het resultaat van de toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad nominaal rendement Audalet.
Audalet | Historie | Box 3 | |
|---|---|---|---|
Tabel 7.1 | Tabel 7.2 | Tabel 7.3 | |
Audalet kapitaal per 1 juli vorig jaar | 392.389 | 392.389 | 392.389 |
Nominaal (spaar)-rendement Audalet | 6% | ||
Nominaal (spaar)-rendement historie | 2% | ||
Forfaitair rendement box 3 | 4% | ||
Audalet beqroot nominaal (spaar)-rendement | 320.645 | ||
Historisch nominaal (spaar)-rendement | 115.256 | ||
Forfaitair rendement | 216.249 | ||
Verdamping | 0 | −205.425 | −104.432 |
Volgens de Audalet begroting is het doel om met 6 % risicovrij reëel (spaar)-rendement te genereren, wat niet realiseerbaar is gebleken van wege de lage rentestanden. Met de vergelijking tussen de verwachting bij Audalet versus historisch en box 3 leiden tot excessieve verdampingen. Zodat ook hier pleit om pas de overlijdenschadevergoeding pas te belasten bij het meerdere van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement. In alle drie de gevallen is dat
5.1.21.
Tabel 8: (link), geeft het resultaat van de toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad risicovrij reëel (spaar)-rendement.
Audalet | Historie | Box 3 | |
|---|---|---|---|
Tabel 8.1 | Tabel 8.2 | Tabel 8.3 | |
Nominaal (spaar)-rendement | 5,8% | 1,9% | |
Inflatiepercentage | 2,9% | 1,9% | 0% |
Risicovrij reëel (spaar)-rendement | 2,9% | 0,1% | |
Forfaitaire heffing | 4,1% | ||
Verdampinq dekkinqsqraad | |||
Verdamp dekkingsgraad risicovrij reëel (spaar)-rendement t.o.v. Audalet | 0% | −3% | 5,8% |
Ook bij deze toetsing is uit de jaren 2001 t/m 2019 inzake de dekkingsgraad voor risicovrij reëel (spaar)-rendement wat door de rechter vastgestelde uitgangspunten niet realiseerbaar zijn gebleken. De rechter is daarbij uitgegaan van wat destijds vaste rechtspraak was. De wetgever treft hier onmiskenbaar een verwijt. De wetgever wist of behoorde te weten, los van overlijdensschade rechtspraak, dat een som geld van 2001 over de jaren 2001 t/m 2052 niet meer dezelfde waarde (koopkracht) heeft. Wat juist de waarborg en doelstelling is bij overlijdenschadezaken.
5.1.22.
Tabel 9: (link), geeft het resultaat van de toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad jaarschade en fiscaalcomponent
Audalet | Historie | Box 3 | |
|---|---|---|---|
Tabel 9.1 | Tabel 9.2 | Tabel 9.3 | |
Audalet kapitaal per 1 juli voriq iaar | 392.389 | 392.389 | 392.389 |
Vermoqensvriistellinq (qemiddeld) | 21.891 | 21.579 | 21.597 |
Belastbaar inkomen (gemiddeld) | 269.938 | 270.250 | 270.250 |
Nominaal rendement (qemiddeld) | 5,8% | 1,95% | |
Inflatiecorrectie (qemiddeld) | 2,9% | 1,88% | 0% |
Risicovrij reëel (spaar)-rendement (gemiddeld) | 2.9% | 0,07% | |
Forfaitaire heffinq | 4% | ||
Belastbaar IB risicovrij reëel (spaar)-rendement | 148.061 | 14.063 | 207.315 |
Percentage IB-box 3 | 30% | 30% | 30% |
IB-box 3 | 44.418 | 4.219 | 62.194 |
Ook deze vergelijking maakt onmiskenbaar duidelijk dat uit historische data inzake 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement benaderd en zelfs nog lager is dan 3%. Ook hier vindt steun om het rendement uit een overlijdenschadevergoeding pas te belasten bij het meerdere van 3%. Zodat [X] zich op het standpunt stelt dat er vanaf 2001 rechtsherstel dient plaats te vinden.
5.1.23.
Tabel 10: (link), geeft het resultaat van de toetsingskaders en vergelijkingen dekkingsgraad inflatie.
Audalet | Historie | Box 3 | |
|---|---|---|---|
Tabel 10.1 | Tabel 10.2 | Tabel 10.3 | |
Beqroot inflatiepercentage | 3% | 3% | 3% |
Forfaitair rendement (gemiddeld) | 4.07% | ||
Verdampinq | 1,07% | ||
Historische inflatie (qemiddeld) | 1,88% | ||
Verdamping | −4,12% | ||
Forfaitere inflatie | 0% | ||
Verdamping | −3% |
Vaststaat dat het box 3-stelsel geen inflatiecorrectie biedt, waarvan juist bij rechtspraak overlijdensschade een waarborg en doelstelling is voor het compenseren van de koopkracht. Zowel met een vergelijking met Audalet versus historie is gebleken dat dat het werkelijke inflatiepercentage lager ligt. Het box 3-stelsel kent geen inflatiecorrectie en mede gezien het historische inflatiepercentage behoort de box 3-heffing nihil te zijn en zou tot volledig rechtsherstel moeten leiden.
5.1.24.
Er is sprake van een confiscatoire belastingdruk en vindt geen aansluiting bij het advies van de A-G (‘Belastingdruk confiscatoir karakter IB-box 3 boven de 100%’). En schending van artikel 1 EP op regelniveau en individuele excessieve last. Zie: (ECLI:NL:PHR:2016:41) d.d. 4 februari 2017.
‘De A-G is van mening dat als de heffing wordt gezien als een netto-vermogensbelasting, deze een confiscatoir karakter krijgt indien de effectieve belastingdruk ten aanzien van de werkelijke inkomsten uit het vermogen meer dan 100% bedraagt. Dan wordt een belastingplichtige immers gedwongen in te teren op diens vermogen’.
Verweer in cassatie op individueel niveau
6. Verweer in cassatie (op individueel niveau)
In verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën d.d. 5 februari 2024 valt af te leiden niet open te staan voor het overlegde feitencomplex, in het algemeen gesteld, de fiscale effecten op personenschadevergoedingen. In het bijzonder die van het onderhavige geschil. Enerzijds is de oorzaak dat de Staatssecretaris geen kennis heeft willen nemen van het feitencomplex in de ‘Akte’ (Productie C-1) en is de rigide toepassing van de Wet IB-2001 een herhaling van zetten zoals bij de kindertoeslag affaire. In het Nederlands Juristenblad:(NJB 5-2024). p. 322–325 staat een artikel ‘Mediation bij belastingzaken’eover het oplossen van fiscalen geschillen door middel van mediation op te lossen. [X] ervaart de opstelling van de Belastingdienst en de Staatssecretaris in de interpretatie van de feiten en de wetsinterpretatie, maar in het bijzonder over het in beton gegoten gedrag en het negeren dat het geschil tussen de Wet IB-2001 en de criteria bij letsel- en overlijdens (personenschadezaken) niet zo zwart-wit zijn als de wederpartij wil doen voorkomen.
NB: | Miskent wordt dat aan personenschadezaken jarenlange uitgebreide rechtspraak, jurisprudentie, en rechtswetenschappelijke literatuur ten grondslag ligt. De rigide opstellingen van de Belastingdienst en Staatssecretaris van Financiën staan al jarenlang de rechtsontwikkelingen in de weg. Bezwaar en beroepsprocedures bezorgen de Belastingdienst en belastingrechtspraak onnodig veel werk. Leidt maatschappelijk breed tot veel irritaties en verstoorde verhoudingen en fiscale morele belastingkompas. |
6.1. Verslag van een algemeen overleg Wet IB-2001
Het verschil tussen de box 3-heffing en risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschade rechtspraak is de geldontwaarding (inflatie). Dat is het deel om de koopkracht van de overlijdensschadevergoeding op peil te houden. Box kent de mogelijkheid niet van inflatie, waardoor nabestaande niet alleen interen op de overlijdensschadevergoeding, maar ook nog eens belasting betalen over een niet genoten rendement.
Toelichting
6.1.1.
In het eerder overlegde: ‘Verslag van een Algemeen Overleg’ bij de behandeling van Wet IB 2001 leverde minister van Financiën (Zalm) op 15 december 1999 het meest duidelijke en onweerlegbare bewijs dat de wetgever onder het forfaitaire rendement in box 3 het reëel rendement verstaat (met aftrek van inflatie). In het Verslag van een Algemeen Overleg van de Wet IB-2001 vinden we de volgende passage, pagina's 3, 8, 26 en 27:
(‘… Dan de 4%. Ik ben erkentelijk voor de waardering die is geuit over de wat uitvoeriger uiteenzetting hierover. De 4% beoogt te zijn het reële rendement dat ie op langere termijn met beleggen risicovrij moet kunnen halen. Dan kom je inderdaad uit bij de staatsobligaties als benchmark, als benaderingswijze van het rendement. (‘Wij spreken dan wel over reëel rendement en niet over nominaal rendement,jIn 1995 is er een rapport2.verschenen over de disconteringsvoet bij kosten-batenanalyses, (link, alinea 5.2) waarbij natuurlijk precies hetzelfde probleem speelt. (‘Dan moetje ook een reëel risicovrij rendement hebben…)
Kamerstuk II 1999–2000 26 727 en 728 nr. 8, pp. 26–27)
NB: Onderstreept door [X]. Eerder overlegd bij: ‘Akte’ zie: (Productie XXI).
Indien de minister zich breder had georiënteerd had hij tot de conclusie moeten komen dat niet alleen de verwijzing naar het: ‘rapport verschenen over de disconteringsvoet bij kosten-batenanalyses’ maar ook het belang van reëel rendement ook van toepassing is bij overlijdenschade rechtspraak. Hetgeen ook bevestigd dat in het parlementaire debat over de Wet IB-2001 géén enkele aandacht is geweest voor de criteria van personenschadezaken.
6.1.2.
Het geeft onder meer aan dat de voormalige minister Zalm spreekt over reëel rendement bij beleggingen en over bij overlijdensschade rechtspraak vastgestelde criteria van risicovrij reëel (spaar)-rendement.
6.1.3.
De belangen van de rekenrente zijn groot en bepalen het contant maken van de schade. Bovendien mag van [X] niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Het uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is dat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen.
6.1.4.
[X] hecht eraan te benadrukken dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen het begroten van de toekomstige jaarschade en het contant maken van die schade. De tweede stap ziet toe op het contant maken van de begrote toekomstige jaarschade. Vastgesteld is dat het bij personenschadezaken gaat om risicovrij reëel (spaar)-rendement en niet om beleggingen. Indien bestaande(n) of slachtoffers vooreen deel willen beleggen maakt dat reëel rendement niet anders, en dient ook rekening gehouden te worden met inflatiecorrectie.
6.2. Wetgever heeft gebrek aan wetenschap inzake overlijdenschade rechtspraak
De wetgeving, rechtspraak en rechtswetenschappelijke literatuur inzake overlijdenschade rechtspraak zijn heel robuust. Ook de: LOVCK/LOVCH zijn helder hun adviezen t.a.v. de rekenrente en doelstellingen bij personenschadezaken. [X] heeft dat uitvoerig toegelicht met producties en verwijzingen in de: ‘Akte’ (Productie C-1) en in dit incidenteel cassatieberoep. Bovendien zijn er inhoudelijke verschillen in rekenrente vóór en na de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH en benaderen de werkelijkheid en bevestigen daarmee de wettelijk gestelde criteria van de waarborgen en doelstellingen bij personenschadezaken.
Toelichting
6.2.1.
De wetgever heeft bij het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 aantoonbaar blijk gegeven alle schijn tegen te hebben aan een gebrek aan wetenschap bij overlijdenschade gerelateerde zaken, althans zijn niet op individueel niveau in het parlementair debat onderzocht en beslist. Dat is te wijten aan het verzuim om zich in te lezen in overlijdenschade rechtspraak en rechtswetenschappelijke literatuur. Indien de wetgever zorgvuldig zou hebben gehandeld, is het aannemelijk om te veronderstellen dat de wetgever tot een evenwichtiger besluit zou zijn gekomen.
6.3. Wetgever heeft met de box 3 bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien
Buiten een beroep op: artikel 1 EP (EVRM). volgt uit artikel 120 van de Grondwet dat de rechter een wet die het parlement heeft aangenomen, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan rechtsbeginselen. Dit wordt ook wel het toetsingsverbod genoemd. Dit ligt anders als de wetgever bij de totstandkoming van een wet bepaalde omstandigheden niet of niet goed onder ogen heeft gezien. Zie: Raad van State: en de conclusie bij alinea 10 van de A-G en de toepassingsmogelijkheden van: artikel 3:4 lid 2 Awb. In het geval dat de wetgever niet heeft gedacht aan de specifieke gevolgen op overlijdenschade rechtspraak, dan is het toch mogelijk om de Wet IB-2001 te toetsen aan rechtsbeginselen, waaronder het zorgvuldigheids-, motiverings-, fair play-, beginsel, rechtszekerheids-, vertrouwens-, gelijkheidsbeginsel en ongeschreven recht, waaronder rechtswetenschappelijke literatuur
Toelichting
6.3.1.
Bij de afdeling bestuursrechtsspraak betreft het vier conclusies over de Wet kinderopvang/toeslagen het evenredigheidsbeginsel van de A-G's: conclusie van Wattel en Widdershoven van juli 2021 is in algemene zin ingegaan op de toetsing door de bestuursrechter van besluiten aan het evenredigheidsbeginsel. Ook op een beroep door rechters op: artikel 11 Wet algemene bepalingen kan een heel stuk genuanceerder gekeken worden. Indien de wetgever bij de totstandkoming van de wet bepaalde omstandigheden niet of niet goed onder ogen heeft gezien. Zoals ook, het zwaarder wegende beroep op: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRIVn, de verwijzing naar de uitspraak Raad van State met een beroep op: artikel 3.4 Awb lid 1 en 2.
6.3.2.
Wat betekent dat op grond van artikel 11 de feiten bij overlijdensschade rechtspraak, de: ‘Akte’ (Productie C-1) en systeemfout wet IB-2001 niet als afgedaan beschouwd mogen worden en onbehandeld mogen blijven. Zonder een inhoudelijk rechterlijk onderzoek naar analogie van rov. 3.6.4. van het: ‘Kerstarrest’ en of er sprake is van een buitensporige individuele zware last. Alvorens uitspraak te doen zonder wettig en overtuigend vast te stellen of een beroep op: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRIVO. steun vindt voor een buitensporige individuele zware last. Waaronder een ernstige inbreuk op de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschade rechtspraak, proportionaliteit, ‘legitimate aim’, ‘fair balance’ en een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht zoals neergelegd in: artikel 1 EP (EVRM). Vanwege het feit dat het GHDHA hieraan niet heeft voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep is er sprake van een rechterlijke dwaling.
6.3.3.
Het wetgever en het GHDHA had op grond van: artikel 3:4 Awb lid 1 en 2 de mogelijkheid verder te kijken dan artikel 11. En te toetsen aan de conclusie van de A-G bij de Raad van State om de Wet IB-2001 alleen aan evenredigheid toetsen als wetgever niet alles onder ogen heeft gezien. Gepubliceerd op 18 mei 2022. Zie advies van: de advocaat-qeneraal G. Snijders in zijn conclusie aan de staatraad d.d. 18 mei 2022 over een wettelijke bepaling in de Wet kinderopvang. Zie: Raad van State. Uit: artikel 3:4 Awb lid 1 en 2 volgt:
- ‘1:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
- 2:
‘De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.’’
6.3.4.
Daarmee zijn rechters gehouden om gemotiveerd te beslissen over alle feiten wat rechtzoekende hebben gevorderd of verzocht. Het GHDHA zou minder stellig in haar uitspraak zijn geweest indien de zaak opnieuw onderzocht en beoordeelt zou zijn, of er sprake is van een schending van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ bij de onderhavige casus. Ten onrechte heeft het GHDHA te kort, veel te kort door de bocht zich beroepen dat de: Wet IB-2001 lawful is. Het: ‘Kerstarresf heeft daar op grond van EU-verordening korte metten mee gemaakt en is daar een andere juridische realiteit ontstaan voor een groot aantal andere geschillen, zie: rov. 3.6.4, van het: ‘Kerstarresf:
‘De omstandigheid dat dit cassatieberoep voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor belanghebbende op de zojuist genoemde wijze achterwege te laten. ’
6.4. Ontwerpfout (systeemfout) box 3-stelsel versus overlijdensschade rechtspraak
In de onderhavige procedure bij de Raad staat op grond van individueel niveau, het kapitaal uit een overlijdensschade-uitkering centraal. Zoals gesteld in de: ‘Akte’ (Productie C-1) versus het ontwerp van de: Wet IB-2001. De kernvraag die daarbij aan de orde is, of de wetgever bij het ontwerp van box 3 van de: Wet IB-2001 rekening had moeten houden met de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement. Voor zover een beroep op ontwerpfout zou worden afgewezen, dan nog dient de het box 3-stelsel te voldoen aan de proportionaliteit, legitimate aim, fair balance en artikel 1 EP (EVRIVn (inbreuk op een ongestoord van eigendomsrecht) in samenhang met: artikel 14 (EVRM) en de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschade rechtspraak.
6.4.1.
[X] zoomt, als steunbewijs, in op de parlementaire wetsgeschiedenis of de wetgever verifieerbaar in het parlementaire debat van de: Wet IB-2001 zich daarvan rekenschap en verantwoording heeft gegeven. [X] stelt vast, dat uit de weliswaar uitvoerige parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 niet valt af te leiden dat de wetgever bij het ontwerp van de: Wet IB-2001. zich in kennis heeft gesteld van de fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen en de disproportionele gevolgen in de praktijk bij overlijdenschadezaken versus box 3. Door [X] sinds jaar en dag aangeduid als een systeemfout in het ontwerp IB-2001 met als steunbewijs een beroep op de parlementaire wetsgeschiedenis van de: Wet IB-2001.
6.4.2.
De wetgever heeft miskent dat het bij overlijdensschadevergoedingen over hoge bedragen gaat en over een lange reeks van jaren. In het geval van [X] is dat 52 jaar. Met vermogensbelasting op overlijdenschadevergoeding worden alle kwade kansen bij de nabestaande gelegd. Zoals wereldwijde economische crisis, invloed van de rente- en inflatiestand, tekorten die ontstaan wanneer de rekenrente niet meer aansluit bij de werkelijke rente of het box 3-stelsel. Overlijdensschadevergoedingen zijn gederfde inkomsten en is daarmee een inkomstembron die vrijgesteld zou moeten worden van de box 3- stelsel. Overlijdenschadevergoedingen bestaat uit twee sommen ineens. Bestaande uit de contante waarde toekomstschade en anderzijds de fiscaal component Vermeend. Beide dienen ter financiering voor de financiering van de jaarschade.
6.4.3.
Daar waar overlijdensrechtspraak terughoudend zijn met risicovrij reëel (spaar)-rendement op korte en lange termijn. Gaat de wetgever vanaf 2017 juist uit van een vermogensmix met risicodragende beleggingen. Waarmee nabestaanden vanaf 2017 gedwongen worden op dezelfde risico's te nemen als de professionele pensioenbeleggers. De HR is met haar arrest d.d. 24 april 1959 ECLI:NL:HR: 1959:24 rov. 22 helder over geweest en sindsdien de jurisprudentie verder is uitgekristalliseerd.
Toelichting
6.4.4.
De wetgever heeft met het wetsontwerp van de Wet IB-2001 in overlijdensschadezaken ten onrechte deze rechtens te onderscheiden robuuste groep niet als zodanig erkend en vervolgens deze groep ten onrechte op gelijke wijze behandeld als de gemiddelde belastingplichtige. In deze casus is in het kader van: artikel 1 EP (EVRM) gelijk aan het discriminatieverbod van: artikel 14 (EVRIVO. En op individueel niveau getoetst dient te worden dat sinds het forfaitaire stelsel vanaf 2001, de uit: artikel 1 EP (EVRIVO voortvloeiende proportionaliteitstoets niet kan doorstaan. Er bestaat niet een redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met dat stelsel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel. Wat in lijn ligt met rov. 3.5 van het: ‘Kerstarrest.
6.5. Schending zorgvuldigheidsvereiste wetsontwerp wetgever
De kerntaak van de wetgever is datje als burger mag verwachten dat wetten op zorgvuldige wijze tot stand te komen, voldoende duidelijk, rechtmatig en niet discriminerend te zijn in de zin van: artikel 14 (EVRIVO. En niet in strijdt te zijn met het recht op het ongestoord genot van eigendom volgens: artikel 1 EP (EVRIVO bij overlijdenschadevergoedingen. Verder dient box 3 van de Wet IB-2001 te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit, ‘legitimate aim’, ‘fair balance’ en EU-verordeningen. Niet in strijd zijn met formeel geschreven en ongeschreven recht. En géén inbreuk maken op de fundamentele rechten van burgers. Verder dient de Wet IB-2001 de mogelijkheid te bieden tot het voorkomen van een te rigide toepassing en een tegenbewijsregeling bevatten. Deze uitgangspunten zijn niet in Wet IB-2001 gerespecteerd en zijn strijdig met de fundamentele rechten waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschade rechtspraak. De Wet IB-2001 behoort overige rechtspraak te respecteren die wringen of strijdig zijn met risicovrij reëel (spaar)-rendement. De Wet IB-2001 voldoet op géén enkel onderdeel aan het hier voorgaande gestelde. Daarmee is er sprake van een, systeemfout in het wetsontwerp met desastreuze gevolgen op individueel niveau.
Toelichting
6.5.1.
De wetgever heeft het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 géén rekenschap gegeven over uitvoerbaarheid, haalbaarheid en rechtmatigheid aan EU-verordeningen en overlijdensschade gerelateerde personenschadezaken. Dat maakt de overheid aansprakelijk voor geleden en nog te lijden toekomstschade, zoals bedoelt bij overlijdenschade rechtspraak. Nog steeds houdt de overheid géén rekening met bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria zoals risicovrij reëel (spaar)-rendement, behoud van koopkracht, looptijd van de jaarschade en de impact die verhogingen van de box 3 inkomstenbelasting heeft op het financieren van toekomstschade bij overlijdenschadezaken. Het is een optelsom welke leiden tot over een lange reeks van jaren tot een onherstelbare negatieve spiraal van interen op de overlijdenschadevergoeding. Dat de wetgever hiervan geen rekenschap heeft gegeven valt af te leiden uit de parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 dat bij de totstandkoming van deze wet bepaalde omstandigheden niet onder ogen heeft gezien.
6.5.2.
De wetgever heeft zich niet gerealiseerd welke invloed het box 3 stelsel heeft op de rekenrente, door inflaties en de aanpassingen van (belasting) tarieven op langere termijn. Bij [X] is de termijn 52 kalanderjaren. Buiten het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in het box 3 stelsel van het niet compenseren van de inflatie, resulteert de vaste rekenrente, (6- 3 norm) zoals bij [X] over 52 kalenderjaren tot volledig koopkrachtverlies. Uitgangspunt bij personenschade rechtspraak is juist dat slachtoffers en nabestaanden niet gevergd mag worden om risico's te nemen bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Wat ook bevestigd is bij overlijdensschade rechtspraak en later in de ‘Aanbevelingen’ door: LOVCK/LOVCH.
6.5.3.
Ten onrechte heeft de wetgever het rendement van de som ineens als inkomen uit sparen en beleggen gezien. Terwijl de som ineens en het daaruit te realiseren rendement gederfde inkomsten zijn. Er kan pas sprake zijn van belastbaar rendement uit de som ineens bij het meerdere gerealiseerde rekenrente van reëel risicovrij (spaar)-rendement.
6.5.4.
Het wetsontwerp van de Wet IB-2001 is met het fictieve rendement van box 3.1 een uitvloeisel van de jaren '90 van de vorige eeuw. Ook de rekenrente die voortkomt uit de 6-3 norm is een uitvloeisel van de jaren '90 van de vorige eeuw. Waarbij zelfs spaarrenten voorkwamen van 8% tot 10% in de jaren '80 van de vorige eeuw. Waarbij er met de voornoemde uitgangspunten destijds sprake was van een pretbox. Door economische ontwikkelingen in opeenvolgende jaren van af het jaar 2000 is dat anders gebleken en zijn spaarrentes sterk gedaald en inflatie gestegen. Daarmee bestond géén enkele zekerheid om een rendement van 4% te realiseren en de regering verzuimd heeft om tussentijds in te grijpen door de extreme heffing in stand te houden.
6.5.5.
Het ontwerp van de Wet IB-2001 is van de voormalige minister Zalm en de Staatssecretaris Vermeend. Vermeend zei eerder in het programma: Nieuwsuur d.d. 26 februari 2016:
‘Toen wij box 3 invoerden, dachten we aan een rendement van 4 procent. Dat was een fictieve aanname op basis van de laatste vijftig jaar. Maar toen kwam de economische crisis en wat gebeurt er? Dat getal klopt niet meer. ’
Advocaat-generaal Niessen noemde de wijze van belasting heffen op vermogen in 2016 in strijd met het EVRM, (ECLI:NL:PHR:2016:41). Uiteindelijk volgde de HR met het: ‘Kerstarrest het EVRM.
6.5.6.
Ook door de economische malaise vanaf het kalenderjaar 2000 sloten de werkelijke rendementen op individueel niveau niet aan de 6-3 norm bij overlijdenschade. En is mede als oorzaak het ontbreken van de inflatiecompensatie in de Wet IB-2001. Feitelijk worden gerechtigde met een overlijdenschadevergoeding op individueel niveau dubbel benadeeld. Omdat uit de som ineens met reëel risicovrij (spaar)-rendement van 3% de jaren 2001 t/m 2052 de toekomstschade en het meerdere aan fiscaal component (belastingschade) gefinancierd moet worden. [X] heeft dat gefinancierd uit Box 1 en box 3 wat leidt tot het onherstelbaar interen op de overlijdenschadevergoeding. Wat in alle gevallen leidt tot een toenemende belastingschade, inflatieschade en ook niet aftrekbaar zijn of verrekenbaar is met eventuele andere winstgevend rendement(en).
6.6. Derven van levensonderhoud versus de gemiddelde box 3 belastingbetaler
Er is sprake van gederfd levensonderhoud in geld als de overledene een inkomen had dat wegvalt door het overlijden. De schade die je hierdoor lijdt als nabestaande wordt vergoed. Daarmee gaat elke vergelijking op met de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
Toelichting
6.6.1.
[X] acht het op grond van belang en voor een beter begrip van de complexiteit, de persoonlijke impact en disproportionaliteit om zijn ervaringen bij het vorderen van overlijdenschade, en de daarmee onlosmakelijk verbonden box 3-stelsel, derven van levensonderhoud en belastingschade (de fiscaal component) versus het box 3-stelsel ter kennis van de Raad te brengen. Het boxenstelsel van de Wet IB-2001 staat juridisch ver af van het doel het derven van levensonderhoud van: artikel 6:108 BW en de wettelijke fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, risicovrij reëel rendement en de fiscaal component. En leidt tot een disproportionele inbreuk op het eigendomsrecht van: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM).
6.6.2.
Het vorderen van overlijdenschade is langslepend en kostbaar geweest en heeft [X] naar de rand van een privé faillissement gebracht. Vorderen van overlijdensschade is geen gelopen race gebleken. De ruim 8 jaar slepende procedure heeft geleid tot een zwaar emotionele belasting, materiële en carrière impact. Daarmee sprake is van ongelijke gevallen in het box 3-stelsel met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. En daarmee sprake is van een ongelijke behandeling op grond het wettelijk vastgestelde criteria van het derven van levensonderhoud. Dit leidt tot fiscale discriminatie op grond van: artikel 14 (EVRM), en een daarmee een disproportionele inbreuk is op de hiervoor vermelde bij overlijdenschade rechtspraak wettelijke gestelde criteria en jurisprudentie
6.6.3.
De opvattingen van het GHDHAgeven blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn zij onbegrijpelijk buiten behandeling gebleven. Ten onrechte door zaken als behoeftigheid en derven van levensonderhoud bij overlijdensschadezaken op individueel niveau fiscaal gelijk te stellen op stelsel niveau. Het GHDHA heeft daarmee aan de verkeerde criteria getoetst.
6.6.4.
Indien de overlijdenschadevergoeding in één som wordt uitgekeerd dan wordt de nabestaande, althans volgens de belastingwetgeving als ‘vermogend’ beschouwd en de schadevergoeding belast vanaf 2001 t/m 2016 in box 3.1 en vanaf 2017 in box 3.2 belast. En na het spraakmakende: ‘Kerstarrest overeenkomstig de Wet rechtsherstel box 3. Om daarover een rechtelijk oordeel te kunnen geven dient rekening gehouden te worden met de wettelijke fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij (spaar)-rendement op individueel niveau. In het geval van [X] overeen lange reeks van 52 jaren.
6.7. Individueel financieel zelfbeschikkingsrecht sparen of vermogensmix
Overlijdensschadevergoedingen bestaan uit één grote som ineens. Ten onrechte wordt met de vermogensmix door de wetgever verondersteld dat gerechtigde met de overlijdensschadevergoeding verdelen in spaar- en belegd vermogen. Buiten het feit dat het een inbreuk is op risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschade rechtspraak is het ook individuele een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht. Om noodgedwongen keuzes te maken tussen risicovrij reëel (spaar)-rendement of beleggen met risico's. De jurisprudentie bij aan personenschade gerelateerde overlijdensschadezaken is daar helder in.
Toelichting
6.7.1.
De wetgever heeft bij het ontwerp van de vermogens mix niet verifieerbaar duidelijk gemaakt van welke risicoprofielen zij uitgegaan in box 3.2. De wetgever schendt daarmee het zelfbeschikkingsrecht en scheert iedere belastingbetaler over één kam, zonder rekening te houden met het inschatten van risico's en ervaringen van burgers. De wetgever heeft daarmee geen rekening willen houden met de keuzes tussen sparen en beleggen van gerechtigde met een overlijdenschadevergoeding.
6.7.2.
Zelfbeschikking betekent het kunnen en mogen maken van je eigen keuzes. In Nederland heeft ieder individu het recht om keuzes over zijn of haar eigen leven te maken, of het nu gaat over opleiding, werk, partnerkeuze, religie of de keuze van sparen of in het onderhavige geval risicoprofielen van beleggen van de overlijdensschadevergoeding. Feitelijk zijn de belangen al bij overlijdenschade rechtspraak vastgesteld als risicovrij reëel (spaar)-rendement. Beleggen brengen risico's mee, zodat bij negatieve beleggingsrendementen nabestaanden interen op de jaarlijkse begrote jaarschade en voorde berekende einddatum (looptijd) en de vergoeding verdampt. Van een nabestaande mag niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Zie ook wat de: LOVCK/LOVCH daarover hebben gesteld.
6.7.3. Box-stelsel schending artikel 1 EP, 14 EVRM individuele niveau (rechtsherstel)
Door box 3.1 en box 3.2-heffingen wordt er méér inkomstenbelasting geheven dan de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde 3% reëel risicovrij (spaar)-rendement. Naast box 3.1 wordt met box 3.2 ook uitgegaan van een fictieve verdeling tussen sparen en beleggen. Voor de berekening van het forfaitaire rendement wordt uitgegaan van een vermogensmix. Belastingplichtigen worden verondersteld hun vermogen te verdelen in spaargeld en beleggingen. De verhouding spaargeld en beleggingen hangt af van de hoogte van het vermogen. Het rendement over de veronderstelde beleggingen wordt hoger geacht dan het rendement wat over spaargeld wordt gehaald. Beleggingen zijn niet voorzien in de overlijdenschade rechtspraak. Bij overlijdenschade rechtspraak wordt uitgegaan van risicoloos reëel (spaar)-rendement. Overlijdenschade rechtspraak gaat uit door waarborgen te stellen dat gerechtigde met onsuccesvol rendement uit beleggingen de doelstellingen van overlijdensschade niet (meer) kunnen realiseren. Ook het ontbreken van inflatiecorrectie en daarmee onlosmakelijk verbonden behoud van koopkracht in het box 3-stelsen draagt daar substantieel aan bij. Daarmee werkt het box 3-stesel op onrechtvaardige wijze in het nadeel van [X].
Toelichting
6.7.4.
In strijd met de rechtelijk vastgelegde criteria inzake risicovrij reëel (spaar)-rendement heef de wetgever de vermogensmix box 3.2 ingevoerd met een fictieve verdeling tussen sparen en beleggen. De HR d.d. 24 april 1959 rov. 22: ECLI:NL:HR: 1959:24 was daar al helder over, waaronder is begrepen het haar verschaffen van de grootst mogelijke zekerheid, en sindsdien de overlijdenschade rechtspraak verder is uitgekristalliseerd ten faveure van gerechtigde op een overlijdenschadevergoeding. De wetgever wist, althans behoorde te weten dat met beleggen je de inzet kunt verliezen en daarmee de vermogensmix bij een overlijdenschadevergoeding vele malen zwaarder kan uitpakken dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
6.7.5.
Overlijdenschade rechtspraak is daar helder in, het gaat om risicovrij reëel (spaar)-rendement. Van gerechtigde met een overlijdenschade vergoeding mag niet verwacht worden dat zij risicovol moeten gaan beleggen. Door deze groep gelijk te stellen met de gemiddelde box 3 belastingbetalers, als gevolg van box 3.1 en box 3.2 (met vermogensmix) wordt op individueel niveau, [X] in zijn belang onherstelbaar benadeeld. En is er sprake van schade aan de overlijdenschadevergoeding en is daarmee confiscatoir. In de Wet IB-2001, Belastingdienst en lagere belasting rechtspraak worden de belanghebbende met een overlijdenschadevergoeding al dan niet bewust over het hoofd gezien. Buiten het feit dat bij overlijdensrechtspraak, bewust niet uitgaat van beleggingen, maar juist van risicovrij reëel (spaar)-rendement. Daarmee werkt het box 3-stelsel op individueel niveau willekeurig uit.
6.8. Onderscheid gemiddelde box 3 belastingbetalers
Ten onrechte scheert de wetgever bij het box 3-stelsel elke belastingbetaler gelijk over één kam met de gemiddelde box 3 betaler, niemand is gelijk en behoort af te hangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Ook hier heeft de wetgever bij het tot stand komen van het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen willen zien. Zoals de samenhang met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria bij overlijdenschadezaken. Dan wel in samenhang met de toepassingsmogelijkheden van: artikel 3:4 lid 2 Awb. En daarmee het belasten op gelijke voet met de gemiddelde box 3 belastingbetaler onnodig vermogensschade toebrengt aan de overlijdensschadevergoeding en [X] niet meer in staat is om zijn toekomstschade te financieren. Ook de wetgever dient zich rekenschap te geven van bestaande wetgeving die wringt met de het box 3-stelsel.
6.8.1.
[X] beroept zich ook dat er op individueel niveau, juridisch en fundamenteel onderscheidt bestaat tussen kapitaal uit overlijdenschade rechtspraak en de gemiddelde box 3 belastingbetaler op stelsel niveau. Box 3 leidt bij overlijdenschade tot een onbedoeld gevolg en is in strijdt met de EU-verordeningen, fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen zoals die zijn af te leiden uit vaste jurisprudentie, rechtswetenschappelijke literatuur en nogmaals bevestigd in de recente aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH vanaf 2021 t/m 2023. Om niet in herhaling van zetten te treden verwijst [X] kortheidshalve uw Raad naar de: ‘Akte’ met de: (Producties VIII t/m XXI). [X] heeft later in de procedure bij het GHDHA de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH 2023 overlegd bij het GHDHA.
Toelichting
6.8.2.
Op discriminatoire wijze worden ongelijke gevallen, zoals bij kapitaal uit een overlijdensschade vergoeding, op gelijke wijze in box 3 belast als de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Wat in strijd is met: artikel 14 (EVRIVO. Wegens het verzuim van de wetgever om binnen de Wet IB-2001 hiervoor een rechtvaardige wettelijke regeling op te nemen of aan te passen maakt dat overlijdensschade rechtspraak, rechtswetenschappelijke literatuur en de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH zijn tot een fopspeen geworden. Indien op individueel niveau de box 3-heffing leidt tot een buitensporige en zware last voor belastingplichtigen. Is er grote terughoudendheid voor ingrijpen van lagere rechters, omdat zij niet of mogen ingrijpen op rechtsvorming in fiscale kwesties. Ook als een individuele belastingplichtige in strijd met: artikel 1 EP (EVRM) wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de box 3-heffing. [X] richt zich noodgedwongen tot uw Raad met een beroep op: artikel 1 EP (EVRM), waartoe de lidstaten zijn gehouden en er geen sprake is van een Opt Out voor onderhavige belastingzaken.
6.8.3.
[X] verwijst overlijdenschade rechtspraak als een belangrijke grief aan, om de verschillen aan te tonen met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Daarmee de onderhavige casus als een beroep op individueel niveau beschouwd dient te worden.
6.8.4.
Ten onrechte gaat de Wet IB-2001, Belastingdienst en de belastingrechtspraak, (op grond van een discutabele wet), uit van een gelijke fiscale behandeling van het kapitaal van de gemiddelde box 3 belastingbetaler met het kapitaal uit de overlijdenschade vergoeding in box 3. Op de eerste plaats is er een onweersproken juridisch en feitelijk verschil in de benadering van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement. Verder, is de doelstelling bij overlijdensschade dat [X] met de som ineens met het (nog) te behalen rendement zijn toekomstschade over 52 jaar moet kunnen blijven financieren. De gemiddelde box 3 belastingbetaler beschikt ook niet over een grote som geld ineens. En heeft ook niet voor ogen om koopkracht te compenseren of toekomstschade, die hij niet heeft te financieren. Zaken die niet van toepassing zijn bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
6.8.5.
Niet gelijke gevallen zoals overlijdensschadezaken versus de gemiddelde box 3 belastingbetaler worden, zonder dat dat gerechtvaardigd is, fiscaal gelijk behandeld. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat van onrechtmatige discriminatie sprake is indien gelijke gevallen zoals bij het: ‘Kerstarrest’ onrechtvaardig ongelijk worden behandeld. De wetgever heeft bij het wetsontwerp van box 3 van de: Wet IB-2001 verzuimd duidelijkheid te geven. Uit de: Memorie van toelichting van de Wet IB-2001. valt af te leiden dat bij het ontwerp van de: Wet IB-2001 géén debat is gevoerd over risicovrij rendement, slachtoffergroepen, (personenschade) maar in het algemeen gesteld over onbelaste verstrekkingen en vergoedingen. Ook uit hoofdstuk 5, artikel 5.2 ‘Vergoedingen uit sparen en beleggen’ valt niet af te leiden dat verkregen kapitaal van slachtoffergroepen vallen onder box 3. Daar kan een heel stuk genuanceerder naar gekeken worden. De wet moet helder, toegankelijk en precies omschreven zijn. Nu kan de Inspecteur als container begrip naar willekeur hieraan een eigen of te ruime interpretatie geven.
6.8.6.
Voorts richt de grief zich dat in het box 3 stelsel kapitaal bij rechtspraak vastgestelde overlijdenschadevergoeding niet gelijkgesteld kan worden met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Daarmee ook in strijdt is met EU- verordeningen zoals: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM). op het gewaarborgde recht op eigendom, wat bestaat uit gederfde inkomsten. Daarmee op grond naar analogie van de overwegingen en beslissingen van de HR in het: ‘Kerstarrest zoals een toets aan de beginselen van ‘proportionaliteit’, ‘fair balance’ en ‘legitimate aim’. Om daarmee vast te stellen of er sprake is op individueel niveau van een individuele buitensporige zware last.
6.8.7.
[X] verzoek in het cassatieberoep op individueel niveau een fiscaal en juridisch onderscheid te maken tussen kapitaal die volgen uit de massaalbezwaarprocedure en het kapitaal uit een overlijdenschade procedure. [X] heeft noch op stelsel niveau noch op individueel niveau (cassatie) beroep ingesteld tegen de massaalbezwaarprocedure. Zodat [X] zich beroept op de fiscale rechtsontwikkelingen n.a.v. overlijdenschadezaken. Bij de Raad in cassatie is op individueel niveau het fiscaal beroep op overlijdenschadeprocedure aan de orde, niets meer en niet minder. Zodat de Raad zich niet uit hoeft de laten over een beroep tegen de massaalbezwaarprocedure.
6.9. Bijzonder vermogen (overlijdensschade)
Voor de uitvoerbaarheid van vermogensrendementsheffing, differentiatie van individuele overlijdenschadezaken, omvang van omstandigheden en economische ontwikkelingen, rendementen, inflaties, periodieke fiscale wijzigingen zou personenschadevergoedingen als bijzonder vermogen aangemerkt moeten worden. Personenschadevergoedingen zou op grond van wettelijk vastgestelde criteria en kwetsbaarheid niet één op één, tot hetzelfde vermogen in box 3 gerekend mogen worden met de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
Toelichting
6.9.1.
Kapitaal uit een overlijdensschade-uitkering berust naar de aard en geest van wettelijke fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen tot bijzonder vermogen met als uitgangspunt risicovrij reëel rendement. Met in de rechtspraak vastgestelde wettelijke uitgangspunten zoals rekenrente, werkelijk risicovrij reëel (spaar)-rendement van 3%, inflatiecorrectie, fiscaalcomponent en behoud van koopkracht over de jaren 2001 t/m 2052. Daarmee is géén enkele gelijkenis met de gemiddelde box 3 belastingbetaler, noch met het box 3-stelsel van de Wet IB-2001. [X] volhard dat er bij overlijdensschadezaken aantoonbaar en onweersproken sprake is van schending van: artikel 1 EP (EVRM). secundair van schending de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen. Welke leiden tot een individuele buitensporige zware last. Welke los gezien dient te worden van de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
6.9.2.
De wetgever heeft bij het ontwerp van het box 3-stelsel de bijzondere omstandigheden bij overlijdenschadevergoedingen niet voor ogen gehad. Op grond van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en bij overlijdensschade rechtspraak vastgelegde criteria zou de overlijdenschadevergoeding als banktegoed aangemerkt moeten worden. En vrijgesteld moeten worden van de box 3-heffing en pas belast wordt bij het meerdere van risicovrij reëel (spaar)-rendement. Waarbij voor de uitvoerbaarheid uitgegaan kan worden van standaard bronnen zoals ook: LOVCK/LOVCH hebben gedaan in haar: ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschade zaken’ in 2021,2022 en 2023. Voor een beter begrip navolgend bij randnummer: 7.7 t/m 7.7.6 (‘Criteria risicovrij reëel rendement, rekenrente, belastingschade en koopkracht’) een uitgebreide uiteenzetting van achterliggende methodiek van de doelstellingen en uitgangspunten van de overlijdenschadebegroting en de daarmee ondervonden nadelen en eenzijdige risico's voor nabestaande als gevolg van het boxenstelsel.
Criteria overlijdenschade rechtspraal versus box 3-stelsel
7. Criteria overliidenschade rechtspraak versus box 3-stelsel
7.1. EU-verordeningen
Het beroep op EU-verordeningen, overlijdensschade rechtspraak en parlementaire wetsgeschiedenis is ondersteunend bewijs. Primair is het beroep sinds IB-2016 in cassatie gericht op: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM). De wetgever heeft verzuimd bij het ontwerp van de Wet IB-2001 op stelsel en individueel niveau rekening te houden met: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM).
Toelichting
7.1.1.
De Hoge Raad is in het: ‘Kerstarrest’ bij rov. 3.6.1 helder door te stellen dat het box 3-stelsel:
‘Voor degene die, zoals belanghebbende in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.’
7.1.2.
Weliswaar stelt het: ‘Kerstarresf vanaf 2017, maar [X] is al vanaf 2001 t/m heden geconfronteerd met en heffing naar voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het bij overlijdenschade rechtspraak gebruikte 6-3 standaardnorm. En leidt niet alleen tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met: artikel 14 (EVRM). gewaarborgde rechten. Maar ook schending van de bij overlijdensschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria, waaronder risicovrij reëel (spaar)-rendement en behoud van koopkracht over de jaren 2001 t/m 2052. [X] heeft zich al bij bezwaar en beroep IB-2016 kritisch uitgelaten over: artikel 1 EP (EVRM) en het discriminatieverbod. Voor eerdere jaren (2013 en 2014) had de Hoge Raad ook al geoordeeld dat de box 3-heffing op stelselniveau een schending van het eigendomsrecht vormt, maar de Hoge Raad greep toen niet in. HR 14-06-2019, (ECLI:NL:HR:2019:816 Bij overlijdenschadevergoedingen in box 3 ligt daar ook de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria aan ten grondslag.
7.1.3.
De Hoge Raad heeft zich al eerder in 2015 kritisch uitgelaten over de box 3 heffing in Nederland. Het hoogste rechtscollege stelt dat de box 3 heffing in strijd is met het EVRM als het rendement van 4% gedurende een langere periode niet wordt gehaald. Op grond van het discriminatie verbod van: artikel 14 (EVRM). zou daar op individuele niveau geen onderscheid mogen zijn met overlijdenschadezaken als de heffing over een langere periode hoger is dan de 6-3 norm en draagt bij aan rechtsontwikkeling. Bij [X] is dat over de kalenderjaren 2001 t/m 2022. Zie: (ECLI:NL:HR:2105:8121 d.d. 3 april 2015, conclusie AG d.d. 4 februari 2016, (ECLI:NL:PHR:2016:41)
‘In individuele gevallen dient evenwel rechtsherstel te worden geboden, indien de heffing hoger is dan de netto-inkomsten en waardevermeerdering van het vermogen’.
7.1.4.
[X] gaat ervan uit dat onder netto-inkomsten en waardevermeerdering wordt verstaan reëel rendement, inclusief transitiekosten, beurstaks voor beleggingen, risico's van koerswinsten en koersverliezen.
7.2. Rangorde rechtspraak (nationaal versus EU-verordeningen)
Het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 mag niet in strijd zijn met hogere wetgeving. In het algemeen geldt dat EU- verdragen bovenaan de rangorde staan, gevolgd door landelijke wetgeving zoals de Grondwet, Algemene wet bestuursrecht, Wmo, ministeriële besluiten en regelingen en tot slot de provinciale en gemeentelijke verordeningen en beleidsregels.
Toelichting
7.2.1.
Wat betekent dat: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM). de ruimte biedt om buiten: artikel 11 Wet algemene bepalingen om aanspraak te maken aan het gestelde in voornoemde EU-artikelen. Mede op grond van het: ‘Kerstarrest’ behoorde het GHDHA te voldoen aan de devolutieve werking van het hoger beroep, en de: ‘Akte’ (Productie C-1) moeten behandelen. Binnen het Awb staat daar ook: artikel 3:4 lid 2 Awb en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb voor open. Ten onrechte heeft het GHDHA het beroep op: artikel 1 EP (EVRM) afgewezen en dient hersteld te worden, omdat het in strijd is naar analogie het: ‘Kerstarrest’ en rov. 3.6.4
7.3. Criteria derven van levensonderhoud
Bij overlijdenschadezaken staat centraal het derven van levensonderhoud, waarbij moet worden aangeknoopt bij de behoefte van nabestaanden, zoals is geformuleerd in de jurisprudentie van de HR onder het oude BW en later verder is uitgekristalliseerd. Een mooi voorbeeld daarvan is HR d.d. 24 april 1959: ECLI:NL:HR: 1959:24. Bij derving van levensonderhoud is naast de draagkracht die de overledene vermoedelijk zou hebben gehad de behoeftigheid van de nabestaanden van belang. Wat ook weer aangeeft dat er sprake is van een ongelijk geval t.o.v. de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Het recht op schadevergoeding bij overlijden (artikel 6:108 BW) maakt deel uit van afdeling 6.1.10 BW en behoort daarmee tot het schadevergoedingsrecht. Het recht op schadevergoeding maakt deel uit van het aansprakelijkheidsrecht, alwaar het doel is het volledig vergoeden van schade.
7.3.1.
Doel van overlijdenschadevergoeding is vastgelegd in rechtspraak en jurisprudentie van artikel 6:108 BW. De waarborgen en doelstellingen zijn eerder omschreven in de uitspraak d.d. 24 april 1959 ECLI:NL:HR:1959:24 en sindsdien verder uitgekristalliseerd. Waarborgen zijn dat [X] met destijds in de rechtspraak standaard (6-3 norm) met de rekenrente er: ‘Waarborgen‘dat‘het‘slachtoffer‘zijn‘toekomstschade‘daadwerkeliik‘kan‘dragen’. De doelstelling bestaat uit dat [X] van de som ineens, bestaande uit € 351.043,79: (toekomstschade) en € 41.345,62: (fiscaal component Vermeend) gesommeerd: € 392.389,41 met het (nog) te behalen toekomstig rendement uit risicovrij reëel (spaar)-rendement over de jaren 2001 t/m 2052 zijn toekomstschade en belastingschade (fiscaal component) moet kunnen financieren. En deze uitgangspunten nog steeds steun vinden in de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH. [X] is als gevolg van het niet kunnen realiseren van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement onherstelbaar ingeteerd op zijn schadevergoeding over de jaren 2001 t/m 2022. Het werkelijk te realiseren risicovrij reëel (spaar)-rendement over de jaren 2001 t/m 2022 bedraagt op basis van historische gegevens gemiddeld 0,7% negatief in plaats van de in box 3.1 (4%) en box 3.2 (meer dan 4%) veronderstelde rendementen. Zie tabel bij randnummer: 7.5.4.
7.3.2.
[X] toont op sterk vereenvoudigde wijze aan, met exact dezelfde uitgangspunten, dan in de: ‘Akte’ (Productie C-1) met: (Productie D-1). dat er sprake is van ondervonden nadelen op de overlijdensschade-uitkering over de jaren 2001 t/m 2022. Deze bestaan uit:
- •
Niet corrigeren van 3% inflatie versus box 3.1 en box 3.2 van de Wet IB-2001.
- •
Niet gerealiseerd begroot Audalet (Productie E-1) rendement versus historisch (spaar)-rendement
- •
Intering koopkracht versus box 3.1 en box 3.2.
- •
Niet genoten werkelijk rendement t.o.v. box 3.1 en box 3.2.
- •
Te veel betaalde box 3.1 en box 3.2- heffingen in een lange reeks van jaren.
- •
Vermogensvrijstelling Audalet versus box 3.1 en box 3.2.
- •
Aantoonbaar sprake is van een individuele buitensporige zware last.
7.3.3.
Waarbij nog géén rekening is gehouden met de jaren 2023 t/m 2052. Als gevolg van de bestreden systeemfout in het ontwerp van de Wet IB-2001. Ten onrechte stellen de RBDHA en het GHDHA zonder een inhoudelijk onderzoek dat er géén sprake is van een individuele en buitensporige last. De RBDHA en het GHDHA willen maar niet begrijpen hoe box 3 in de praktijk individueel uitpakt voor [X]. Indien zij kennis hadden genomen van de: ‘Akte’ (Productie C-1) had de RBDHA en het GHDHA een heel stuk genuanceerder in haar oordeel geweest. Met het gestelde in de: ‘Akte’ heeft [X] ter voorkoming van discussie of geschil een voorstel gedaan om de RBDHA te verzoeken daarover de uitgangspunten vast te stellen om tot rechtsherstel en schadevergoeding te komen. Destijds is in het civiele proces ook door de rechter voor partijen de uitgangspunten vastgesteld waarop de schadebegroting moet berusten, om daarmee het geschil of discussies te verkleinen.
7.3.4.
Fiscaal is de: Audalet: (Productie E-1) begroting van het fiscaal component uitgaan van 4% forfaitair rendement en 30% inkomstenbelasting over de jaren 2001 t/m 2052. Het omslagpunt van het ontstaan van nadeel op grond van de uitkeerde sommen ineens van de contante waarde en de fiscaal component Vermeend ligt bij 2014. Dit noopt tot een nadere toelichting, zie: (Productie D-1).
7.4. Criteria inflatiecorrectie (6-3 norm) kapitalisatie factoren rendement
De inflatiecorrectie wordt gebruikt voor kapitalisatie (op de lange termijn) en de inflatie van lonen en uitkeringen die de netto jaarschade beïnvloedt. In tegenstelling met de waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak kent box 3.1 en box 3.2 géén inflatiecorrectie met als verzuim tot behoud van koopkracht. [X] heeft in eerste en tweede aanleg daar een rechtsvraag over gesteld. Inhoudende dat er sprake is van een ontwerpfout (systeemfout) in de Wet IB-2001. Omdat de wetgever verzuimd heeft om de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement op te nemen in de Wet IB-2001. Zie: ‘Rendement‘en‘inflatie’ en het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen ‘door‘advies‘over‘rekenrente.
Toelichting
7.4.1.
Uit de parlementaire wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever hierover geen debat heeft gevoerd. De wetgever heeft zich niet vergewist dat bij personenschade rechtspraak inflatiecorrectie een op de wet, jurisprudentie en rechtswetenschappelijke literatuur gegrond een basaal uitgangspunt is.
7.4.2.
Rendement is één van de drie kapitalisatiefactoren voor het berekenen van de contante waarde bij overlijdenschade. Bij de uitkering van het schadebedrag, wordt verondersteld dat [X] daar rendement over maakt. Tot 2020 werd er gerekend met 6-3 norm. Met de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH is daar andere inzichten in gekomen.
7.5. Criteria fiscaal component box 3.1 en box 3.
Voor de fiscaal component bij overlijdensschade bestaat een wettelijke basis en is verdisconteerd in de rekenrente van 3% maar niet in box 3.1 en box 3.2. Miskent in de belastingrechtspraak is dat het schadeonderdeel de fiscaal component afhankelijk is van de rekenrente, het werkelijk gerealiseerde risicovrij reëel (spaar)-rendement versus de box 3-heffingen. En de bij de overlijdenschade rechtspraak destijds gebruikte standaard 6-3 norm. Vanaf 2000 en 2001 kelderde de rentestanden en vanaf 2007–2008 kwamen de 6-3 norm ter discussie te staan als gevolg van de wereldwijde economische crisis, waaronder forse daling van de rentestanden. Pas in 2021 kwam de: LOVCK/LOVCH met aanbevelingen over de rekenrente van 0 jaar tot meer dam 20 jaar. Voor een goed begrip heeft [X] in de: ‘Akte’ (Productie C-1) gewezen naar het artikel in het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’. En is door het GHDHA onbehandeld gebleven.
Toelichting
7.5.1.
Bij de Audalet schadebegroting: (Productie E-1). is er met € 41.345 aan contante waarde rekening gehouden met de fiscaal component (belastingschade). En als schade uitgekeerd op basis van de 6-3 norm. Maar als gevolg van een hogere forfaitaire box 3.1 en vermogensmix box 3.2-heffingen, onvoldoende om de belastingschade te compenseren over de jaren 2001 t/m 2022, en over de resterende jaren 2023 t/m 2052 geen dekking meer is. Wat betekent dat behoudens intering op koopkracht wegens het ontbreken van inflatiecorrectie in het box 3-stelsel ook extra niet vergoede belastingschade is ontstaan.
7.5.2.
Ten onrechte betaald [X] inkomstenbelasting over niet gerealiseerd rendement en leidt meer belastingschade dan begroot op grond van de 6-3 norm. Dit leidt tot een individuele excessieve zware last. Het interen op de overlijdenschadevergoeding, koopkracht, fiscaal component en te veel betaalde inkomstenbelasting box 3 is disproportioneel. Zie hiervoor verwijzing bij randnummer: 8.1.6 En de (Primaire grief 1 in de: ‘Akte’ randnummer: 4 t/m 4.31’) met bijlagen A t/m H (link). Eerder overlegd als (Productie XVIII). stuknummer: 012-640-347-247 en een vereenvoudigde versie: (Productie D-1).
7.5.3.
In aanvang begon box 3.1 (2001 t/m 2016) met een forfaitaire heffing van 4% gebaseerd op risicovrij sparen, (zonder inflatiecorrectie en een inkomstenbelasting van 30%. Vanaf 2017 is het risicovrij (spaar)-rendement verlaten en is de fictieve vermogensmix sparen en beleggen met een schijventarief, forfaitaire heffing en een inkomstenbelasting van 30% ingevoerd. Daarna is na 2017 het gemiddelde rendement sparen/beleggen verhoogd en vanaf 2022 de inkomstenbelasting verhoogd van 30% naar respectievelijk 31% naar 36% in 2024. Terwijl in de situatie bij [X] nog steeds uitgaat van 3% risicovrij (spaar)-rendement en 30% inkomstenbelasting over de periode 2001 t/m 2052. Dat heeft een nog grotere negatieve impact en maakt het onmogelijk om de toekomstige doelstellingen van overlijdenschade te waarborgen.
7.5.4.
Onderstaande tabel geeft een waarheidsgetrouwe weergave van de ontwikkeling van het gemiddeld rendement en de belasting op box 3:
Jaar | Gemiddeld rendement | Belasting |
|---|---|---|
2001 t/m 2016: | 4,000% | 30% |
2017 | 4,600% | 30% |
2018 | 4,326% | 30% |
2019 | 4,443% | 30% |
2020 | 4,185% | 30% |
2021 | 4,501% | 31% |
2022 | 5,690% | 31% |
2023 | 5,530% | 32% |
2024 | 6,040% | 36% |
2027 | Werkelijk rendement? | ? |
7.5.5.
De Tweede kamer heeft vrijdag 27 oktober 2023 besloten dat het tarief in box 3 in 2027 naar 36% gaat. Vanaf 2024 volgt rechtsherstel voor Box 3, waarbij nog steeds geen onderscheid wordt gemaakt met de gerechtigde met een overlijdensschade-uitkering. In alle gevallen druist dit in tegen de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, en risicovrij reëel (spaar)-rendement. Destijds was bij [X] 6% nominaal rendement en 3% inflatiecorrectie de gehanteerde norm in overlijdenschade rechtspraak. Gesaldeerd leidt dat tot 3% reëel rendement over de jaren 2001 t/m 2052.
7.6. Criteria contante waarde (beginkapitaal)
Ook het begrip contante waarde bij overlijdenschadezaken lijkt in de lagere belastingrechtspraak niet duidelijk te zijn. De contante waarde is het bedrag voordat er rendement is gerealiseerd. Waarbij niet alleen elke toekomstige jaarschade met het gerealiseerde rendement maar ook met het uitgekeerde fiscaal component de toekomstschade gefinancierd dient te worden. Bij het beginkapitaal uit een overlijdensschadevergoeding is de contante waarde vermeerderd met jaarlijkse positieve en negatieve rente het totaal van de toekomstige jaarschade of de eindwaarde na de volledige looptijd. Daarmee wordt verondersteld dekking te zijn over een termijn van 52 jaar. Anders gezegd: bij de berekening van de contante waarde wordt de nominale schade gekort met een verondersteld rendement. Indien dat rendement niet wordt gehaald, dan komt de benadeelde uiteindelijk tekort, zoals bij [X] het geval is.
Toelichting
7.6.1.
Het beginkapitaal vormt voor [X] de basis om zijn werkelijke schade in de loop van de tijd te kunnen compenseren en wordt van hem verwacht dat hij het kapitaal benut om rendement te genereren, waarmee hij de schade kan compenseren die hij anders niet kan opvangen met het ter beschikking gestelde beginkapitaal.
7.6.2.
De contante waarde is afhankelijk van de door in de rechtspraak gehanteerde rekenrente. In het geval van [X] is dat 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement, samengestelde (rente op rente) of enkelvoudige rente. Het doel is om met 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement over 52 jaar de toekomstige jaarschade van gederfd levensonderhoud. Maar ook om het toekomstige fiscaal component te financieren. [X] leidt dus niet alleen nadeel voor het financieren van gederfd levensonderhoud maar ook op de fiscaal component (belastingschade). Zie (Productie XVI) welke bij de: ‘Akte’ (Productie C-1) is overlegd: (‘Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente’).
7.6.3.
[X] is zich bewust dat buiten de invloedsfeer van burgers en de wetgever o.a. macro economische omstandigheden of anderszins ontwikkelingen in rendementen en inflaties van invloed zijn op het te realiseren rendement en tekorten kunnen ontstaan. Echter de fiscale steeds veranderende gevolgen van box 3.1 en box 3.2 van de Wet IB-2001 bij overlijdenschadevergoedingen is de wetgever aan te rekenen, door geen uitzonderingen in de Wet IB-2001 op te nemen voor de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en bij jurisprudentie vastgelegde criteria.
7.7. Criteria risicovrij reëel rendement, rekenrente, belastingschade en koopkracht
Het boxenstelsel van de Wet IB-2001 houdt geen rekening met inflatiecorrectie, behoud van koopkracht en houdt geen rekening met de uitgangspunten van de rekenrente en de gevolgen van langlopende belastingschade (de fiscaal component) in box 3.1 en box 3.2. Waardoor [X] inteert op de overlijdenschadevergoeding en in het bijzonder op de belastingschade. Waar als gevolg van lagere (spaar)-rendementen en hogere inflaties t.o.v. de rekenrente [X] nadeel ondervindt. Uitganspunt in deze zaak is 3% reëel (spaar)-rendement. De rekenrente is een allesbepalende factor waarin rente, inflatie en fiscaal component verdisconteerd zijn.
7.7.1.
Op grond van vaste jurisprudentie bij overlijdenschade rechtspraak is wettelijk en onherroepelijk vastgesteld tot behoud van de koopkracht bij aan personenschade gerelateerde overlijdenschadezaken. De rekenrente met inflatiecorrectie in samenhang met behoud van de koopkracht is het belangrijkste schadeonderdeel voor het financieren van de toekomstschade. Inflatiecorrectie geeft een redelijke verwachting, buiten onvoorziene of tegenvallende economische ontwikkelingen voor nabestaande bij overlijdenschadezaken enige zekerheid, die zekerheid die de wetgever niet heeft willen inzien. De overlijdenschadevergoeding ziet niet toe op tussentijdse wijzigingen in het fiscale stelsel en inflatieontwikkelingen en daarmee de overlijdenschadevergoeding over een lange reeks van jaren minder waard is geworden maar het box 3-stelsel daar geen rekening mee houdt als de belastingheffing hoger is dan de destijds 6-3 norm gebruikte rekenrente.
7.7.2.
De 6-3 norm is het saldo van de rekenrente tussen veronderstelde spaarrente en de inflatiecorrectie. Sinds het begin van deze eeuw ligt de gemiddelde spaarrente over de jaren 2001 t/m 2022 aanzienlijk lager dan de bij box 3.1 en box 3.2 geldende 4% en de gemiddelde inflatie hoger die de fiscus als uitgangspunt neemt. Dat heeft gevolgen voor de fiscaal component in box 3.1 en box 3.2. Zie: Artikel Rekenrente. ‘2. Historische rekenrente’ p. 23:
‘Alleen in enkele jaren tussen 1980 en 1990 was er sprake van een rekenrente hoger dan 3%. Vanaf die nogal roerige tijd ontstond de ‘6-3 norm’, gebaseerd op de stelling dat de zeer hoge rente en inflatie in de jaren tachtig geen blijvend fenomeen zouden zijn.3.’
De hypotheekrente bereikte in die tijd bijna de 13%. Ondanks talrijke pogingen om de rechter ervan te over- tuigen dat een rekenrente van 3% niet langer realistisch was, heeft het tot 2019 geduurd voordat er een duidelijke kentering optrad. Voor 2019 week een rechter slechts sporadisch af van de veelgebruikte ‘6-3 norm’. Zie de: (‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’) van: LOVCK/LOVCH over de iaren 2021,2022 en 2023.
7.7.3.
Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat de fiscaal component (belastingschade) gebaseerd is op 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement (6-3 norm).
7.7.4.
Ter onderbouwing verwijst [X] naar de: ‘Audalet schadebegroting’, Audalet: (Productie E-1) en tabel 1 t/m 10 (Productie D-1). Voor de leesbaarheid uitgebreid gevisualiseerd in spreadsheets met totale en gemiddelde over de jaren 2001 t/m 2022. Waarbij de tabellen 1 t/m 5 toezien op de Audalet schadebegroting. En de tabellen 6 t/m 10 zien toe op de intering op de overlijdenschade vergoeding. De tabellen 11 t/m 13 zien toe op de definitieve belastingaanslagen over de jaren 2001 t/m 2022, waarbij ook niet overlijdenschade gerelateerde kapitaal is aangegeven.
Toelichting
7.7.5.
Met bovenstaande spreadsheets tonen aan tot welke individuele buitensporige zware last leiden als gevolg van de betreden box 3.1 en box 3.2 van de Wet IB-2001. De: Audalet: (Productie E-1) begroting is complex en het achterliggende rekenmodel is niet aan [X] vertrekt, en er zijn afrondingsverschillen en niet herleidbare factoren in de: Audalet begroting, zoals sterftekans en inflatie. Voor zover [X] kan herleiden bestaan de getoonde rendement en niet uit enkelvoudige rendementen maar uit samengestelde rendementen. Veroorzaakt door jaarlijkse opnamen uit de som van kapitaal per 1 juli vorig jaar en de rendementen van dat jaar. Ook kent: Audalet: (Productie E-1) geen peildatum van 1 januari van het kalenderjaar maar kapitaal per 1 juli vorig jaar en 1 juli dit jaar.
7.7.6.
Voor [X] is het onmogelijk om vanaf 2001 zijn opnamen uit de overlijdenschadevergoeding nog aan te kunnen tonen. Daarom verwijst [X] naarde tabellen 1 t/m 5 van de: Audalet: (Productie E-1) schadebegroting in samenhang met de tabellen 6 t/m 10 (Productie D-1). [X] verzoekt tot coulance dat voor het leveren bewijs niet te veel en/of te hoge eisen mogen worden gesteld. [X] stelt voor om als basis uit te gaan van de: Audalet schadebegroting, (Productie D-1) in samenhang met (Productie E-1). [X] heeft bij het beroep IB-2016 uitgebreid op stelsel en individueel niveau gemotiveerd inzake overlijdenschade en EU-verordeningen. In de beroepen IB-2017 t/m 2019 op stelsel en individueel niveau spreadsheets overlegd met tabellen: (‘Forfaitair rendement versus werkelijk rendement’) en zijn bij het GRDHAen de Belastingdienst onbehandeld gebleven. Op stelsel niveau valt onder de uitspraak van het: ‘Kerstarrest’ en de massaalbezwaarprocedure. Op individueel niveau heeft het GRDHA daar geen uitspraak over gedaan. Zodat [X] volhard op de feiten op individueel niveau en het door het GRDHA onmogelijk is gemaakt om zich hiertegen te verweren.
7.8. Rekenrente en aanbevelingen LOVCK/LOVCH
De belangen van rekenrente zijn groot. Vergelijk de 6-3 rekenrente met de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH voor de jaren 2021 t/m 2023. LOVCK/LOVCH heeft de rekenrente in drie periodes ingedeeld van 0–5 jaar, 6–20 jaar en > 20 jaar waarbij alle jaren de rekenrente negatief of nul zijn. Dat maakt ook dat het schadeonderdeel fiscaal component bij nieuwe personenschadezaken de wettelijk basis gaat vervallen en de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen wordt belast. Van enige vorm van een benadering van break even rendement, zoals bij box 3.1 en box 3,2 en de Wet rechtsherstel box 3 is geen aansluiting te vinden met de 6-3 norm. Bij [X] is uitgegaan van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement over 52 jaren. Zie: Productie: XIX het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’, welke gehecht is aan de: ‘Akte’ (Productie C-1). Zie eerder overlegde: (Productie: XIX) het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (, welke gehecht is aan de: ‘Akte’. Ten overvoede het uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is dat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan blijven dragen. Zie: ‘Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente’.
Toelichting
7.8.1.
Sinds het begin van deze eeuw ligt de gemiddelde spaarrente aanzienlijk lager dan de 4% die de fiscus vanaf 2001 als uitgangspunt nam. De 6% nominale spaarrente is al sinds het midden de jaren negentig niet meer behaald. Bovendien was er sinds 19574. en na 2001 regelmatig sprake van een negatieve rekenrente of een rekenrente van (ruim) onder de 3%. Bij overlijdensschade is de rechtspraak uitgegaan van de standaard 6-3 norm. Inhoudende 6% nominaal rendement gesaldeerd met 3% inflatiecorrectie. Rekenrente is het percentage dat nodig is in de berekening van wat de overlijdenschadevergoeding in de toekomst waard is. De rekenrente wordt ook gebruikt bij verzekeraars en pensioenfondsen.
7.8.2.
De aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH is een mooi voorbeeld waar [X] tegenaan loopt dat het reëel risicovrij (spaar)-rendement vanaf 2001 t/m 2022 het rendement van het box 3-stelsel op individueel niveau leidt tot een negatief reëel (spaar)-rendement. Dit leidt tot een onrechtmatige overheidsdaad met een gelegaliseerde inbreuk op het eigendomsrecht, zoals bedoelt in: artikel 1 EP (EVRM). In het algemeen kan worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Bovendien in strijd naar de letter en geest waarborgen en doelstellingen voor behoud van de koopkracht bij overlijdensschade rechtspraak.
7.8.3.
Onderstaande tabel geeft de berekening aan van letsel- en overlijdenschade zaken aan met de rekenrente nieuwe en onderhavige casus oude stijl tot en met 2052.
2021 | 2022 | 2023 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Periode | Rente | Inflatie | Reëel | Rente | Inflatie | Reëel | Rente | Inflatie | Reëel |
0–5 jaar | 0% | 1,5% | −1,5% | 0% | 2% | −2% | 0,5% | 2% | −1,5% |
6–20 jaar | 1,3% | 2% | −0,7% | 0,5% | 2% | −1,5% | 1% | 2% | −1% |
>20 jaar | 2% | 2% | 0% | 1,5% | 2% | −0,5% | 1,5% | 2% | −0,5% |
Jaar | Jaar | ||
|---|---|---|---|
2001 | -----------------------------------Reëel----------------------------------------------- | 2052 | |
Inflatie | 3% | --------------------------------------t/m------------------------------------------------ | 3% |
Nominaal | 6% | ---------------------------------------t/m------------------------------------------------ | 6% |
7.8.4.
Het doel van reëel risicovrij (spaar)-rendement bij overlijdenschadezaken dient om met het rendement van de som ineens het verlies aan koopkracht en de fiscaal component (belastingschade) over de jaren 2001 t/m 2052 te compenseren. De ervaring leert dat de doelstellingen en de effecten van het box 3-stelsel op overlijdenschade bij de wetgever en in de belastingrechtspraak nog steeds niet duidelijk zijn. Het reëel risicovrij (spaar)-rendement is ook niet gerespecteerd in het ontwerp van de Wet IB-2001 en leidt tot verlies aan koopkracht en de fiscaal component. Met het Box 3-stelsel legt de rijksoverheid alle risico's van rente-inflatieontwikkelingen en verhogingen van inkomstenbelasting box 3 over alle kalenderjaren bij gerechtigde met een overlijdensschadevergoeding. Terwijl de wetgever en personenschade rechtspraak juist uitgaat van risicomijdende uitgangspunten zoals: inflatiecorrectie, risicovrij reëel (spaar)-rendement en schadevergoeding van de fiscaal component gebaseerd op 3% reëel rendement. Bij [X] is dat over de jaren 2001 t/m 2052.
7.8.5.
Bij letselschade gaat het om verdienvermogen en bij overlijdenschade om gederfde inkomsten en de begrippen behoefte en behoeftigheid. Welke niet van toepassing zijn bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Een proportionaliteitstoets op de onderhavige casus laat de impact zien op de intering op de schade-uitkering, zie: (Productie D-1).
7.8.6.
Bij overlijdenschade rechtspraak is tot 2020 uitgegaan van de standaard 6-3 norm. Voorts is rekening gehouden met de wettelijke basis van inflatiecorrectie en de fiscaal component op basis van de van destijds in de rechtspraak gebruikelijke 6-3 norm, (3% rekenrente). In het geschil is dat in de wet IB-2001 bij box 3 géén rekening is gehouden met inflatiecorrectie en het meerdere van de fiscaal component indien de box 3 heffing hoger is dan de 3% rekenrente. Wat leidt bij overlijdensschade zaken tot onherstelbare en ernstige inbreuk op de schadevergoeding.
7.8.7.
Vastgesteld is dat het bij personenschadezaken gaat om risicovrij reëel (spaar)-rendement en niet om beleggingen. Indien bestaande(n) of slachtoffers vooreen deel willen beleggen maakt dat reëel rendement niet anders, en dient ook rekening gehouden te worden met inflatiecorrectie.
7.8.8.
De rekenrente is het verschil tussen de rente en de inflatie. Hoe hoger de rekenrente in de tussenliggende jaren, des te minder dient in het heden uitgekeerd te worden. Des te lager de rekenrente, des te meer dient te worden uitgekeerd. Zie:
- •
Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (link)’
- •
‘Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen’ (link)
- •
‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’) van LOVCL/LOVCH: 2021 (link), 2022 (Nrik), 2023 (link).
- •
‘Rendement en inflatie’ (link)
- •
‘Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente’, (link)
- •
7.8.9.
In het verlengde van de rekenrente ligt het rendement van de box 3-stelsel van de Wet IB-2001. Het box 3-stelsel heeft een negatieve en onherstelbare impact op de schadevergoeding en leidt tot een uitzonderlijke, onbillijke en onredelijke gevolgen. Welke tegensstrijdig zijn met de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en vaste criteria bij overlijdenschade rechtspraak. De wetgever heeft bij het ontwerp van het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen (willen) zien. Onderstaande tabel geeft een overzicht wat de intering is op het begrote: Audalet: (Productie E-1) rendement versus Box 3.1 en box 3.2 en historisch risicovrij reëel (spaar)-rendement.
7.9. Kapitalisatie: te veel betaalde box 3-heffing op basis van de 6-3 norm
Door het kapitaliseren van overlijdenschade schade heeft [X] op grond van vaste jurisprudentie op grond van: artikel 6:108 BW een groot bedrag ineens ontvangen. Gebaseerd op de 6-3 norm. Hierover is [X] jaarlijks belasting verschuldigd (belasting over inkomen uit vermogen (box 3.1 en box 3.2), inhoudende 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement. Met kapitaliseren wordt bedoeld dat het bedrag wordt berekend dat [X] nodig heeft om met risicovrij reëel (spaar)-rendement ieder jaar de gederfde jaarschade te compenseren.
Toelichting
7.9.1.
Uitgangspunt bij de kapitalisatie was dat [X] over de jaren 2001 t/m 2052 gemiddeld 3% risicorij reëel (spaar)-rendement moet realiseren om zijn toekomstschade te kunnen blijven financieren. [X] heeft over de jaren 2001 t/m 2022 als gevolg van box 3.1 en box 3.2 geen 3% reëel rendement kunnen realiseren zodat [X] al voor het verstrijken van de bij overlijdensschade rechtspraak overeengekomen einddatum (looptijd) ten onrechte meer inkomstenbelasting heeft moeten betalen.
Uitzondelijke, onbillijke en onredelijke gevolgen
8. Uitzonderlijke, onbillijke en onredelijke gevolgen
Van een betrouwbare overheid mag verwacht worden dat ze de bij overlijdenschade rechtspraak en jurisprudentie vastgelegde criteria respecteren. Het box 3-stelsel, in het geschil met [X] leidt tot het ontoelaatbaar ondermijnen van de fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen bij overlijdensschadezaken. De wetgever heeft geen oog gehad voor de noden en de belangen van nabestaanden.
8.1.1. Onherstelbare intering koopkracht en verdamping dekkingsgraad (inflatie)
De rekenrente bestaat uit een destijds in de rechtspraak standaard norm van 6% nominaal rendement en 3% inflatiecorrectie, wat gesommeerd leidt tot 3% reëel rendement. [X] heeft over de jaren 2001 t/m 2022 geen 3% reëel rendement kunnen realiseren. Reëel rendement is bedoeld ter compensatie van koopkracht. [X] is daar over de jaren 2001 t/m 2022 onherstelbaar ingeteerd.
Toelichting
8.1.2.
Extra belastingschade ontstaat enerzijds dat de Wet IB-2001 niet voorziet in inflatiecompensatie en anderzijds box 3 heffing met de forfaitair en/of vermogensmix niet aansluit op de 6-3 norm bij overlijdenschade rechtspraak. Hierdoor ontstaat er een onvoorziene variant belastingschade en leidt tot belasting over niet vergoede belastingschade. Noch in de Wet IB-2001 wordt gecompenseerd noch compensatie plaatsvindt van te veel betaalde box 3-heffingen. De belasting rechtspraak gaat hieraan voorbij, of heeft het niet begrepen, dat deze fiscale maatregel voor [X] onredelijk en onrechtvaardig uitpakt.
8.1.3. Schade gederfd levensonderhoud, inflatie en koopkrachtverlies
[X] vordert volledig rechtsbescherming en rechtsherstel over het gehele tijdvak 2001 tot en met 2052, op basis van de destijds geldende overlijdenschade begroting en rechtspraak. Zie hiervoor de: Audalet schadebegroting: (Productie E-1). Miskent of onbegrepen is dat de som ineens bedoeld is om met het rendement van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement de toekomstige jaarschade tot 2052 en de fiscaal component te financieren. Ook door [X] benaderde Kamerleden gaan er ten onrechte ervan uit dat het fiscaal component volledig als schadevergoeding wordt uitbetaald. De fiscaal component is ook geen ongevalsschade en is gebaseerd op de rekenrente. Daarbij dient er onderscheid in de rechtspraak gemaakt te worden vóór en na de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH vanaf 2021. Bij [X] is uitgegaan van de jaarschades vanaf 2001 t/m 2052 tegen een rekenrente van 3%. Destijds de: 3–6 standaard norm’ in de rechtspraak.
Toelichting
8.1.4.
De vraag dringt zich op of, en zo ja op welke wijze, de Raad rechtsbescherming en rechtsherstel kan bieden tegen verdragsschending bij overlijdensschadezaken. In het algemeen dient de rechter bij schending van verdragsrechtelijk gewaarborgde rechten aanstonds zelf in het rechtstekort te voorzien indien uit het stelsel van de wet, de daarin geregelde gevallen en de daaraan ten grondslag liggende beginselen, of de wetsgeschiedenis, voldoende aanknopingspunten zijn af te leiden voor de beantwoording van de vraag hoe dit dient te geschieden, HR 12 mei 1999, (ECLI:NL:HR:1999:AA2756).
8.1.5.
Indien een schadevergoeding wordt uitgekeerd dan wordt de nabestaande, althans volgens de belastingwetgeving veelal als ‘vermogend’ beschouwd. Maar daar kan een heel stuk genuanceerder naar gekeken worden. Waardoor de vermogensrendementsheffing leidt tot onherstelbaar verdampen van de overlijdenschadevergoeding. En daarmee een schending is van: artikel 1 EP (EVRM). Een mooi voorbeeld daarvan is dat bij overlijdenschade rechtspraak rekening wordt gehouden met de 6-3 norm, fiscaal component, (belastingschade) en inflatiecorrectie als gevolg van de box 3-heffing. Waarmee de overlijdenschade rechtspraak rekening houdt met het niet verdampen van de schadevergoeding door behoud van de koopkracht te waarborgen, mede door inflatiecorrectie toe te passen en als gevolg van het box 3-stelsel niet ingeteerd hoeft te worden op de fiscaal component. Waarbij [X] opmerkt dat het fiscaal component afhankelijk is van de rekenrente en daarmee onlosmakelijk verbonden al dan niet gerealiseerde 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement over de jaren 2001 t/m 2052.
8.1.6.
Ook bij de begroting van de overlijdensschade vóór 2021 is op wettelijke basis de fiscaal component een schadeonderdeel. Belastingschade kan niet losgezien worden van de hoogte van de rekenrente bij de schadeberekening. Uitgangspunt daarbij is de geldende fiscale wetgeving ten tijde van het juridische en fiscale feitencomplex van het ongeval en de Wet IB-2001. Deze ‘belastingschade’ wordt dus meegenomen in de schadevergoeding. Elke aanpassing van de Wet IB-2001 heeft impact op de vermogensrendementsheffing en leidt tot het verdampen van de schadevergoeding en het onherstelbaar ondermijnen van de wettelijke basis van waarborgen en doelstellingen van overlijdensschadezaken. Bij [X] leidt dat zelfs tot een negatief resultaat. Is er ten onrechte te veel betaalde box 3-heffing, intering koopkracht en intering van de fiscaal component.
8.1.7.
De overlijdenschade berekening is zeer complex. Bij overlijdenschade gaat het over gederfd levensonderhoud en om de kernbegrippen behoefte en behoeftigheid zoals bedoelt in: artikel 6:108 BW. Behoefte is een kwantitatief begrip. Het geeft aan wat een nabestaande in materiele zin nodig heeft om een bepaalde levenstandaard te kunnen blijven voeren en is gericht op het financieren van toekomstschade. Interen op de overlijdenschade vergoeding is niet voorzien in de overlijdensschade-uitkering. Het begrip behoeftigheid ziet dan op het ontbreken van de middelen om in die behoefte te voorzien. De gevolgen daarvan zijn zeer ingrijpend. Het feitencomplex op individueel niveau is bij het GRDHA onbehandeld gebleven. De Raad is geen feitenrechter om zich hierover inhoudelijk uit te laten.
8.1.8.
Ten onrechte bestaat er bij de Belastingdienst, belastingrechtsspraak en leden van de Tweede Kamer hierover een misverstand. In de beleving dat de schadevergoeding inclusief bestaat de vergoeding van het volledige rendement over de volledige looptijd, vanaf 2001 t/m 2052. De schade bestaat uit twee delen, enerzijds de: ‘Toekomstschade’ en anderzijds de ‘Fiscaal component’. De ‘Fiscaal component’ is geen onderdeel van de rekenrente (6-3 norm) en is een afzonderlijk schadepost die voor een belangrijk deel uit het nog te behalen rendement gefinancierd dient te worden.
8.1.9.
In de: ‘Audalet’ schadebegroting wordt uitgegaan van diverse door de rechtbank vastgestelde criteria. Welke leiden tot een som ineens voor het financieren van de: ‘Toekomstschade’ en de: ‘fiscaal‘component. Uitgangspunt is dat [X] met de som ineens zelf rendement, op basis van risicovrij reëel (spaar)-rendement, dient te behalen. Onderstaande tabel is een verwerking van de: Audalet begroting naar een spreadsheet. Voor de leesbaarheid zijn de afzonderlijke bedragen gesaldeerd over de jaren 2001 t/m 2052. De randnummers 1 t/m 5 in de tabel bij randnummer: 5.1.7 verwijzen naarde randnummers in: (Productie D-1). In de spreadsheets is geput uit: (Productie E-1). van de Audalet schade begroting. Ter voorkoming van een diepgeworteld misverstand en voor een beter begrip overlegd [X] als bewijs dat hij zelf voor het rendement dient te zorgen en geen aansluiting vindt en de rendementen van het box 3-stelsel.
8.2. Ontneming door dubbele belastingschade (fiscaal component Vermeend)
Bij de afwikkeling van een overlijdensschade wordt de schadevergoeding veelal als som ineens berekend door alle toekomstige jaarschades te kapitaliseren. Hierbij wordt rekening gehouden met rente, inflatie en een sterftekans. Als gevolg van de uitkering van de totale schadevergoeding in één bedrag zal een letselschadeslachtoffer belasting in box 3 (vermogensrendementsheffing) moeten gaan betalen. Deze indirecte (belasting)schade als gevolg van de schadevergoeding wordt in letselschadeberekeningen de ‘fiscale component’ genoemd (extra belastingschade in box 3). Dit is een complexe berekening in verband met het zogenoemde ‘iteratieve’ proces: Als gevolg van de belastingschade wordt de schadevergoeding hoger en deze verhoging leidt weer tot extra belastingschade, enzovoort. Een dergelijke berekening kan om die reden ook niet eenvoudig op de achterzijde van een bierviltje globaal worden nagebootst. Gelukkig kan deze rekensom door intelligente software, zoals destijds: Audalet: (Productie E-1) wel correct worden uitgevoerd.
8.2.1.
De fiscaal component (€ 41.345,62) is geen schadepost en is geen onderdeel van de Rekenrente, maar wordt ten onrechte wel belast in box 3.1 en box 3.2, omdat het op een belastbare spaarrekening staat. De fiscaal component (belastingschade) is bedoeld ter compensatie van box 3-heffing over de schadevergoeding over de gehele looptijd van 2001 t/m 2052. Door de fiscaal component te belasten in box 3 betaald [X] hierover opnieuw belasting. Daarmee is er sprake van dubbele belastingschade welke de wetgever bij het ontwerp van het box 3-stelsel niet voor ogen heeft gehad, en daarmee alle negatieve gevolgen neerlegt bij nabestaande met een overlijdenschadevergoeding. Dit zou moeten dwingen tot fiscale vrijstelling of bijzonder vermogen op basis van de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria. Bij [X] zou pas uitgegaan moeten worden bij het belasten met box 3 van het meerdere van 3% risicovrij reëel (spaar)-rendement.
8.2.2.
Om het belasten van de overlijdenschadevergoeding van box 3 op te vangen wordt naast de contante waarde als schadeonderdeel een bedrag uitgekeerd ter dekking van de toekomstige belastingheffing: de fiscale component Vermeend. Aan de basis van de berekening van de fiscaal component staat de rekenrente en het box 3-stelsel vanaf 2001 t/m 2052. Er is met de schadebegroting géén rekening gehouden met wijzigingen met toekomstig inkomstenbelasting box 3 en daarmee onlosmakelijk verbonden rendementen die volgen uit box 3.1 (vanaf 2001 t/m 2016 en box 3.2 vanaf 2017. Noch met de laatste ontwikkelingen met de: Wet rechtsherstel box 3. Als gevolg is het uitgekeerde bedrag fiscaal component onvoldoende om aan de belastingheffing te kunnen voldoen. Daarmee is strijd met de wettelijk vastgelegde criteria van de fiscaal component.
Toelichting
8.2.3.
Toekomstige fiscale herzieningen box 3-heffingen zijn niet meegenomen in de wettelijk vastgestelde criteria zoals de contante waarde in samenhang met de rekenrente en de fiscaal component. Het leidt tot een verhoging van de belastingschade. Het behoort aan de wetgever om de bij wettelijk vastgestelde rechtspraak criteria te respecteren tot aan einde looptijd.
8.2.4.
Het uitgekeerde bedrag van de fiscaal component wordt ten onrechte als kapitaal belast in box 3. Feitelijk betaald [X] over de fiscaal component (belastingschade) weer IB-box 3 belasting, en dat is ontneming door weer belasting te betalen over belastingschade.
8.2.5.
Het box 3-stelsel is ook op grond van een onrechtvaardige ontneming bij overlijdensschade van staatswege een ernstige inbreuk op: artikel 1 EP (EVRIVO in samenhang met: artikel 14 (EVRM). Bij overlijdensschade is in de rechtspraak erkent dat als gevolg van de som ineens een schade onderdeel wordt opgenomen ‘fiscaal component’ (belastingschade) om aan de box 3-heffing te voldoen. Maar niet aansluit op de ingrijpende gewijzigde en discutabele fiscale wetgeving waardoor het schade onderdeel ‘fiscaal component’ ontoereikend is of uit het rendement van de som ineens aan het schadeonderdeel belastingschade te voldoen. En [X] moet bijbetalen uit box 1 of uit box 3 welke géén onderdeel is van de overlijdensschadevergoeding.
8.2.6.
Ook hier is met de aanbevelingen: LOVCK/LOVCH vanaf 2021 sprake van rechtsontwikkeling om in de praktijk ontstane onredelijke en onbillijke gevolgen te herstellen. Zodat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer/nabestaande zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. Bovendien mag van het slachtoffer niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Zie: vraag: 42) en hetgeen: LOVCK/LOVCH daarover opnieuw heeft bevestigd.
8.3. Belastingdruk confiscatoir karakter IB-box 3 boven de 100%
Beleggingen zijn discutabel, de wetgever heeft zich bepaalt niet terughoudend opgesteld door géén rekening te houden met voorkeuren, risicobereidheid, kennis en ervaringen met belegging strategieën van de willekeurige box 3 belastingbetaler. Noch de wetgever verifieerbaar heeft aangetoond op welke feiten zij tot hun keuze zijn gekomen van de te behalen rendementen en de verdeling tussen sparen en beleggen. Voorkeuren, kennis en ervaringen met beleggingen zijn sterk van invloed op te behalen rendementen die beleggers daadwerkelijk kunnen halen. Dit heeft tot gevolg dat de rendementen die zowel op stelsel als individueel niveau onderling sterk kunnen afwijken.
Toelichting
8.3.1.
Zie: (ECLI:NL:PHR:2016:41) d.d. 4 februari 2017. DeA-G is van mening dat als de heffing wordt gezien als een netto-vermogensbelasting, deze een confiscatoir karakter krijgt indien de effectieve belastingdruk ten aanzien van de werkelijke inkomsten uit het vermogen meer dan 100% bedraagt. Dan wordt een belastingplichtige immers gedwongen in te teren op diens vermogen.
8.3.2.
Zie ook de eerder overlegde: Tabellen: ‘Forfaitair rendement versus werkelijk rendement 2002 t/m 202T (Productie X). Welke gehecht is aan de: ‘Akte’ (Productie C.1).
8.3.3.
Uit (Productie X) is onweersproken af te leiden dat [X] wordt geconfronteerd met fiscale discriminatie in het kader van box 3 met een belasting die ver boven de 100% ligt. En daarmee fundamenteel in strijdt is met de waarborgen en doelstellingen van overlijdenschade rechtspraak. Bij een beroep op discriminatie is voorts niet of minder van belang of er sprake is van een individuele, buitensporige last, maar alleen al op grond van: artikel 14 (EVRM). een reden zou moeten zijn voor rechtsherstel.
8.3.4.
[X] wenst op grond van proportionaliteit niet meer belasting te betalen dan de 6-3 norm die uit de overlijdensrechtspraak valt af te leiden. Bovendien in strijd met: artikel 1 EP (EVRM).
8.3.5.
Uit (ECLI:NL:HR:2015:812. NBB 2015/174) rov. 2.3.2, d.d. 3 april 2015 volgt in het algemeen gesteld:
‘Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. ’
8.3.6.
Zodat de uitspraak d.d. 3 april 2015 in lijn ligt met de latere: ‘Kerstarrest rov. 3.6.4. bij een beslechting van belasting van verhuurde woningen. Bij [X] ligt de belasting over het rendement ver boven de 100% ligt. Daarmee sprake is van een disproportionele inbreuk op (en daarmee van een schending van) het eigendomsrecht. Zodat er onmiskenbaar sprake is dat [X] wordt geconfronteerd met een buitensporige zware last en daarmee in strijd met: artikel 1 EP (EVRM). Wat zou moeten leiden tot rechtsherstel.
8.3.7.
Daarnaast op grond van het verbod op discriminatie van: artikel 14 (EVRM), is het van belang dat overlijdensschade belastingplichtige niet over één kam worden geschoren met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Bij elke individuele zaak is een test aan proportionaliteit, ‘legtimate aim’ en ‘fair balance’ bepalend of er sprake is van een buitensporige zware last. Het GHDHA heeft dat nagelaten. Zodat de HR in de onderhavige zaak wegens nalatigheid van de wetgever kan ingrijpen met een prospective overruling, zie. A.G. Niessen: ECU:NL:PHR:2016:41 d.d. 4 februari 2017.
8.4. Ten onrechte rekening houden met totale vermogenspositie en volledige inkomen
In de uitspraak van de RBDHAd.d. 21 juni 2018 inzake IB-2016 stelt de RBDHA bij rov. 7 n.a.v. de box 3 heffing dat ‘Eiser beschikte in 2016, anders dan bijvoorbeeld het geval was in het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:511) namelijk over een goed inkomen en over een aanzienlijk vermogen.’ Verder bij rov. 8’ ‘Dat als gevolg van de van box 3-heffing over overlijdensschade ook het vermogen van eiser zelf moet worden aangesproken maakt dat niet anders.’ De RBDHA geeft hiermee blijk niets begrepen te hebben van de bij overlijdensschade rechtspraak vastgelegde wettelijke criteria.
Toelichting
8.4.1.
Rekening houden met totale vermogenspositie en het volledige inkomen, is in strijd met informatie van de Belastingdienst wat valt af te leiden uit ‘Boxen‘en‘Tarieven’. [X] verwijst hiernavolgend naar de integrale tekst:
‘Er zijn verschillende soorten inkomen. Voor de inkomstenbelasting zijn deze verdeeld in 3 groepen (boxen) met ieder een eigen tarief:
Box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning
Box 2: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
U kunt 3 belastbare inkomens hebben: in box 1, in box 2 en in box 3. Hoeveel inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen u verschuldigd bent, berekent u door op de belastbare inkomens de tarieven toe te passen. De inkomsten worden per box behandeld en zo veel mogelijk per box belast. Dit betekent het volgende:
Elk soort inkomsten valt in 1 box. Uw inkomsten worden dus niet dubbel belast. Voor het belastbare inkomen in box 1, 2 en 3 gelden verschillende tarieven.
U kunt een negatiefinkomen (verlies) in de ene box niet verrekenen met een positief inkomen in een andere box. ’
8.4.2.
[X] mogen verwijzen naar de integrale tekst: ‘U‘kunt‘een‘negatief‘inkomen‘(verlies)‘in de‘ene‘box‘niet‘verrekenen‘met‘een‘positief‘inkomen‘in‘een‘andere‘box’. Zodat de verwijzing naar HR 2 juli 2021, (ECLI:NL:HR:2021:1047, BNB 2021/1491 al genoeg reden is tot discussie en niet toepasbaar is op het individuele niveau wat [X] in de: ‘Akte’ (Productie C-1) aan het GHDHA heeft voorgelegd.
8.4.3.
Ten onrechte overweegt en beslist het GHDHA dat de gevolgen van box 3-heffing moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van betrokkene en verwijst hiervoor bij rov. 5.15.1 en 5.15. 2 met verwijzing naar bovenvermeld arrest HR 2 juli 2021. Daarmee is rov. 4.3.3, van HR 2 juli 2021 in strijd met het gestelde in: ‘Boxen en Tarieven’ inhoudende richtlijnen van de Belastingdienst.
8.4.4.
Ten onrechte heeft de Inspecteur eerder de stelling gedeponeerd dat er genoeg overige inkomsten zijn om de box 3 heffing te kunnen betalen. Dat is de wereld op z'n kop. Verliezen van box 3 kunnen niet verrekend of gecompenseerd worden met box 1 en box 2. Wat betekent dat een negatief inkomen (rendement) in box 3 niet verrekend kunnen worden met een positief inkomen uit box 1 of box 2. Deze stelling geeft weer dat de Inspecteur blijk geeft niets begrepen te hebben van de wettelijke fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement bij overlijdenschadezaken.
8.4.5.
Ten onrechte heeft het GHDHA haar oordeel gegeven op grond van het stelsel niveau in de massaalbezwaarprocedure bij rov. 5.13.9. Dat na vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen, geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat is niet wat [X] heeft voorgelegd aan het GHDHA. Het GHDHA heeft haar oordeel gegeven op grond van het stelsel niveau in de massaalbezwaarprocedure bij rov. 5.13.9. Dat na vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen, geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat is niet wat [X] heeft voorgelegd aan het GHDHA in de: ‘Akte’ (Productie C-1).
8.4.6.
Ten onrechte verwijst de RBDHA en het GHDHA naar de uitspraak van het GHDHA IB-2016 d.d. 9 april 2019 van [X], (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). Deze uitspraak is niet te vergelijken met het gestelde in de: ‘Akte’ (Productie C-1) noch op individueel niveau met de beroepen IB-2017 t/m IB-2019. Te kort, veel te kort door de bocht is de uitspraak van het GHDHA gericht op het stelsel niveau op grond van de massaalbezwaarprocedure en beslist ten onrechte dat moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van betrokkene dat daarmee géén sprake is van een buitensporige zware last.
8.4.7.
Uit andere arresten volgt weer indien er sprake is van schending van het eigendomsrecht onder de reikwijdte van: artikel 1 EP (EVRM) er sprake moet zijn van een individuele buitensporige last, die over een langere tijd wordt bezien zich sterker laat voelen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler er rechtsherstel volgt. Het hangt dus niet af of rekening gehouden moet worden met het totale vermogen en het volledige inkomen. Maar behoort af te hangen van op de concrete omstandigheden van het individuele geval. [X] heeft onweersproken aangetoond dat hij is ingeteerd op zijn overlijdenschadevergoeding, als gevolg van een discutabele box 3 stelsel. Welke bovendien vanaf 2001 in strijd is met: artikel 1 EP (EVRM).
8.4.8.
Het GHDHA heeft heel selectief gekeken naar het feitencomplex in het hoger beroep. Door de: ‘Akte’ (Productie C-1) niet te behandelen is in strijd met de devolutieve werking van het hoger beroep en ondermijnd daarmee, niet alleen het vertrouwen in het GHDHA maar in de hele rechtspraak.
Tweede niet verhuurde woning in Nederland
9. Tweede niet verhuurde woning in Nederland
Het bezit van een in Nederland gelegen tweede woning, leidt tot belastingheffing in box 3. Vanaf 2017 t/m 2022 bedraagt de heffing € 19.983. Bij het bepalen van de rendementsgrondslag voor onroerend goed wordt in box 3 in beginsel uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Voor de waardering van de tweede woning geldt echter de WOZ-waarde. Deze is gelijk aan de werkelijke waarde op 1 januari van het jaar vóór het jaar van aangifte. Eventuele huuropbrengsten zijn geheel onbelast en kosten die verband houden met de verhuur van de tweede woning zijn niet aftrekbaar. [X] verzoekt tot rechtsherstel over de jaren 2017 t/m 2022, te vermeerderen met de wettelijk gestelde rente tot algehele voldoening.
Toelichting
9.1.1.
Een niet verhuurde tweede woning is in strijd met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht van: artikel 1 EP (EVRM) en artikel 14 (EVRM).
9.1.2.
Het: ‘Kerstarrest’ bij rov. 3.6.4. biedt naar analogie mogelijkheden voor rechtsherstel in Box 3 heffing voor een tweede niet verhuurde woning op grond van de proportionaliteitstoets en: artikel 1 EP (EVRM). De waarde van de tweede woning wordt gesteld op de WOZ-waarde en belast met een regiem van ficties in box 3.
9.1.3.
[X] beschikt over een tweede (geërfde) woning in Nederland, die niet wordt verhuurd. De Inspecteur heeft deze woning in de jaren 2015 t/m heden in de vermogensrendementsheffing betrokken. [X] is van mening dat een niet verhuurde woning in strijd is met: artikel 1 EP (EVRM). Naar analogie met het: ‘Kerstarrest’ volgt dat rechtsherstel aan [X] geboden dient te worden. Ook de toepassing van de: Wet rechtsherstel box 3 leidt echter niet tot rechtsherstel. [X] verwijst hiervoor naar de uitspraak van de HR d.d. 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812. rov. 2.3.2:
‘Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. ’
GHSHE d.d. 22 maart 2023, (ECLI:NL:GHSHE:2023:9451. rov. 4.4.
(‘…in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft aanleiding gezien om belanghebbenden adeguate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. ’
9.1.4.
Beide uitspraken betreft het een (tweede) of verhuurde woning. Het gestelde door [X] sluit hierop aan. Zoals ook met rechtsherstel rekening gehouden dient te worden met het: ‘Kerstarrest’ rov. 3.6.4. in de tweede woning in de onderhavige zaak. Zie: rov. 4.5 van de uitspraak d.d. 22 maart 2023, en in strijd is met: artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met: artikel 14 (EVRM). En [X] geen werkelijk huuropbrengsten (rendement) heeft genoten in de jaren 2015 tot heden en rechtsherstel geboden dient te worden. Zie ook: (ECLI:NL:PHR:2016:41).
9.1.5. Papieren-’winst’
[X] stelt zich op het standpunt dat een niet verhuurde woning géén rendement biedt en is de papieren waardestijging niet genoten, door geen huuropbrengsten. Papierenwinst behoort niet tot het werkelijk rendement in box 3. Het GRSHE d.d. 22 maart 2023 rov. 4.9 oordeelt dat zij van mening is dat ongerealiseerde vermogenswinsten, zoals een waardestijging van een woning, niet tot het werkelijke rendement in box 3 behoren. Ongerealiseerde vermogenswinsten passen naar het oordeel van het GHDHA niet binnen de term ‘werkelijk’ behaald rendement’ die de Hoge Raad in het: ‘Kerstarrest’ en zijn arrest van 20 mei 2022 heeft gebruikt. Een dergelijke regel leek op grond van een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit maart 2022 al te gelden bij ongerealiseerde verliezen. In die zaak ging het om beleggingen. Zie ook: (ECLI:NL:GHSHE:2023:945) rov. 4.9 inzake ongerealiseerde verliezen.
9.1.6. Niet genoten rendement
Niet direct ontvangen/besteed (genoten) privaat rendement op beleggingen behoort niet aangemerkt te worden als werkelijk rendement in de zin van het: ‘Kerstarrest’. Evenals een privaat niet verhuurde tweede geërfde woning en kan daarom niet gerekend worden tot box 3, omdat er geen direct vermogensopbrengsten en kennelijk volgens het GHDHA: (ECLI:NL:GHSHE:2023:945) ongerealiseerde vermogenswinsten niet meetellen. [X] beroept zich, op rechtsherstel gerichte compensatie op grond van de uitspraak van het Hof Den Bosch voor de tweede woning, omdat er ook bij [X] sprake is van een niet verhuurde tweede woning binnen het belastingjaar. Daarmee kan de per peildatum voor alle jaren gestelde waardestijging of waardedaling van beleggingen of de tweede woning (WOZ- waarde) niet gezien worden als een voordeel uit sparen en beleggen, zolang het niet daadwerkelijk genoten/besteed is. En er met de box 3- heffing sprake is van een individuele en buitensporige last op grond van Europese Verordeningen omdat ingeteerd wordt op box
10. Bewijs en bewiisaanbod (van belang bij verwijzing)
[X] is van mening dat, hij zijn stellingen en zijn eisen in eerste en tweede aanleg voldoende heeft gemotiveerd en gedocumenteerd op grond waarvan zijn eis voor incidenteel cassatieberoep ontvankelijk en toewijsbaar behoort te zijn. [X] herhaalt zijn aanbod tot bewijsvoering zoals gedaan in de beroepsschriften IB-2017 t/m IB-2019 en de: ‘Akte’ (Productie C-1). Voor zover uw Raad mocht menen dat, [X] (bij doorverwijzing) een of meer aspecten dient te bewijzen, dan biedt hij dat, nadrukkelijk aan op welk onderdeel dan ook. Meer in het bijzonder op grond van in de overlijdenschade rechtspraak verankerde criteria van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel (spaar)-rendement van aan overlijdensschade gerelateerde zaken. Alsmede het in rechtspraak vastgestelde wettelijke criteria van de fiscaal component, reëel rendement versus forfaitaire rendementen, inflatiecorrectie voor zover dat, niet voldoende mogen blijken uit de (eerder) overlegde beroeps en bezwaarschriften met: (Producties VIII t/m XXI) en het onderhavige cassatieberoep.
Niet valt verder in te zien op welke wijze [X] het gevorderde of verzochte nog verder aannemelijk had kunnen maken na opeenvolgende beroepen en in het bijzonder de: ‘Akte’ (Productie C-1) en inmiddels over een verloop van 25 jaar een zware tol geëist.
[X] heeft aan dit incidentele cassatieberoep de navolgende producties overlegd:
Productie A: | Uitspraak Gerechtshof Den Haag d.d. 4 oktober 2023. |
Productie B: | Proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2023. |
Productie C-1: | Akte beroep systeemfout box 3 overlijdenschade |
Productie D-1: | Exelsheets (tabellen 1 t/m 10) met een volledige samenvatting van de Audalet begroting |
Productie E-1 | Audalet schadebegroting |
Productie F-1: | Toelichting mr. P. Meijer Mens advocaten letselschade |
Verwijzingen | Producties VIII t/m XXI, welke zijn gehecht aan de ‘Akte’. |
Verwijzingen | Digitale dossier ‘mijn rechtspraak.nl’ |
Verwijzingen | Producties in eerste en tweede aanleg (cursief en onderstreept aangegeven) |
In deze procedure wordt verwezen naar de producties behorende bij de: ‘Akte’
Productie XV: | Rendement en inflatie (link) |
Productie XVI: | Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente (link) |
Productie XVII: | Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan draqen (link) |
Productie XVIII: | Audalet A-Letsel Versie 4.3.2. Schadeberekening met spreadsheets. Voor de volledige Audalet schadeberekeninq zie: (link) |
Productie XII | Aanbevelingen rekenrente: LOVCK/LOVCH 2021 (link) |
Productie XII | Aanbevelingen rekenrente: LOVCK/LOVCH 2022 (link) |
Aanbevelingen rekenrente: LOVCK/LOVCH 2023 (link) | |
Productie XIX | Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (link) |
11. Samenvattend
De Wetgever, Belastingdienst en lagere belasting rechtsspraak verliezen nog steeds uit te oog dat bij het tot stand komen van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 bepaalde omstandigheden (overlijdenschadezaken) niet onder ogen heeft gezien. En door het onrechtmatig handelen van de wetgever de dekkingsgraad van de overlijdensschadevergoeding onherstelbaar is verdampt. En dat het juridische feitencomplex niet op stelsel niveau kan worden afgedaan. En er ook geen enkele rechtsgeldige overeenkomst bestaat met de doelen en belangen tussen een nabestaande met een overlijdenschadevergoeding en de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Het is een vast gegeven dat de Hoge Raad geen feitenonderzoek verricht. Er zijn echter te veel feiten waarover het GRDHA niets heeft overwogen en beslist.
11.1.1.
Ook heeft de wetgever geen oog gehad voor de praktische gevolgen van box 3.1 en box 3.2 op de overlijdensschadevergoeding, waarvan het juridische feitencomplex ligt op 24 september 1998. Als gevolg van het box 3-stelsel leidt tot een voor [X] onvoorzien en onredelijke benadeling. Waarvan de wetgever wist, althans behoorde te weten dat het box 3-stelsel in strijdt is met EU-verordeningen en overlijdensschade rechtspraak. Zoals ook dat de wetgever bij het ontwerp van de Wet IB-2001 behoorde te weten dat het kapitaal uit een overlijdenschadevergoeding over een lange reeks van jaren van invloed is op de koopkracht als een rendement van 6% niet wordt gehaald. In het geval van [X] (2001 t/m 2052) niet meer dezelfde koopkracht heeft als in 2001. Het box 3-stelsel voorziet niet in een inflatiecorrectie, waardoor de dekkingsgraad voor het financieren van de jaarschades onherstelbaar is verdampt. Dat leidt tot een onaanvaardbaar resultaat, waartoe noch de wettekst van artikel 6:108 BW, noch de rechtspraak noch de parlementaire wetsgeschiedenis, noch de belangen van [X] dwingen. Indien uw Raad de visie van het GRDHA en het ministerie van Financiën wordt gevolgd artikel 6:108 BW een fopspeen blijkt te zijn.
11.1.2.
Op onrechtmatige wijze heeft het GHDHA zich laten leiden door het vonnis van de RBDHA d.d. 22 december 2002 op stelsel niveau, massaalbezwaarprocedure, Wet rechtsherstel box 3 en het arrest IB-2016 d.d. 9 april 2019 van [X]: (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). En niet op het gevorderde en gestelde in de: ‘Akte’ (Productie C-1) op individueel niveau overlijdensschade. Dat zijn twee afzonderlijke entiteiten, waarvan overlijdensschade op basis van overlijdensschade rechtspraak een wettelijke basis heeft. En door de HR is bevestigd sinds d.d. 24 april 1959 ECLI:NL:HR:1959:24 en verder is uitgekristalliseerd.
11.1.3.
Kapitaal uit een overlijdenschade rechtspraak schendt de EU- verordeningen maar botst ook met de regel dat een inkomstembelasting moet worden geheven op basis van het individuele inkomen. Daarmee behoort een overlijdenschadevergoeding tot een andere vermogenscategorie, met een eigen bij vaste rechtspraak vastgesteld risicovrij reëel (spaar)-rendement. Het huidige box 3-stelsel is vanaf 2001 discriminatoir en is strijd met EU-verordeningen. Ook de Wet rechtsherstel box 3 schendt het discriminatieverbod en het eigendomsrecht. Het GHDHA heeft verzuimd om het feitencomplex van de aangedragen verschillen in de: ‘Akte’ te behandelen versus de box 3-heffingen over de jaren 2001 t/m 2022 en de wettelijk robuust vastgestelde criteria, waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak. Bovendien worden ongelijke situaties zoals bij overlijdensschadevergoedingen fiscaal behandeld alsof ze gelijk zouden zijn met de gemiddelde box 3-belastingbetaler. Daarvoor ontbreekt het aan elke feitelijke grondslag.
11.1.4.
Het handelen en nalaten van de RBDHA en het GHDHA verdaagt zich niet met: artikel 3:4 lid 2 (evenredigheidsvereiste), artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb. Bovendien verdraagt het GHDHA zich niet met: artikel 8:115 lid 1 sub bAwb door de zaak niet terug te verwijzen naar de RBDHA en heeft niet voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep, EU-verordeningen en de zorgvuldigheidsvereiste en belangenafweging die de wet biedt. Het GHDHA heeft daarmee in strijd gehandeld met een doelmatige, rechtmatige en gemotiveerde procesvoering door het gevorderde of verzochte in de: ‘Akte’ (Productie C-1) niet te onderzoeken en te beslissen.
11.1.5.
Indien de Wet IB-2001 geen onderscheidt maakt tussen stelsel niveau en individueel niveau, zoals het GRDHA wil doen voorkomen dan is dat in strijd met het: artikel 1 EP (EVRM) en het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten: (artikel 26 IVBPR) en (artikel 14 EVRM) en dient de rechter daarin te voorzien door volledig rechtsherstel te bieden.
11.1.6.
Een beroep op: Artikel 11 Wet algemene bepalingen staat een beroep op artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid) open. Zie hetgeen de AG bij de: Raad van State heeft overwogen en geadviseerd indien de wetgever bepaalde omstandigheden niet onder ogen heeft gezien.
12. Conclusie
[X] verzoekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het GRDHA d.d. 4 oktober 2023 tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing. Met door uw Raad aan te geven kaders, feiten en de wetsinterpretatie van: artikel 6:108 BW lid 1 aanhef en onder c bedoeld in samenhang met rechtswetenschappelijke literatuur. In samenhang met in overlijdenschaderechtspraak gestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, criteria en jurisprudentie. Als leidraad aangevuld met de aanbevelingen van: LOVCK/LOVCH5.: (‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezake’) in 2021, 2022 en 2023 versus de box 3.1 en box 3.2-stelsel van de Wet IB-2001. Waarbij grote veranderingen in lage spaarrentes en hoge inflatie vanaf 2001 de dekkingsgraad de toekomstschade over de volledige looptijd 2001 t/m 2052 uit de rendementen is verdampt. Van [X] mag niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Zie ook: (ECLI:NL:HR:1959:24) rov. d.d. 24 april 1959.
12.1.1.
[X] verzoek tot rechtsherstel vanaf 2001 en tot terugbetaling ban € 62.149 aan ten onrechte betaalde box 3-heffing. Zoals aangeven en berekend in tabel 6 bij 6.26 (‘Belasting premie’) in: (Productie D-1). Te vermeerderen met de wettelijke rente tot algehele voldoening.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑12‑2024
Kalanderjaren 2001 t/m 2024
Zie rapport: Rapport werkgroep discontovoet 2015 (link'), alinea 5.2, p. 45–47
Zie rekenrente afwikkeling Personenschade, Aflevering 2 2023: R.Ph. Elzas in Het Verzekerinas-Archief 2015/2
Het CBS registreert sinds 1956 rentetarieven.
Zie Aanbevelingen en toelichting alinea 3 LOVCK/LOVCH
Uitspraak 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Art. 14 EVRM; art. 1 EP; art. 5.2 Wet IB 2001; Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet). Werkelijk behaald rendement; ongerealiseerde waardestijgingen van aandelen, obligaties en een tweede woning (ECLI:NL:HR:2024:705); eigen gebruik van een onroerende zaak (ECLI:NL:HR:2024:1788).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04469
Datum 20 december 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het zowel door belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023, nrs. BK-23/00091 tot en met BK-23/000931., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/1251, SGR 20/4100 en SGR 21/4512), betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2019 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente.
1. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De beroepschriften in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op het incidentele beroep in cassatie gereageerd.
Belanghebbende heeft een conclusie inzake het incidenteel cassatieberoep ingediend.
Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. De Hoge Raad slaat hierop geen acht.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2017, 2018 en 2019 waarin een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: inkomen in box 3) is begrepen van € 29.105 (2017), € 15.738 (2018) en € 11.570 (2019).
2.2
Naar aanleiding van het arrest van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het arrest van 24 december 2021) heeft de Inspecteur bij verminderingsbeschikkingen het inkomen in box 3 voor het jaar 2017 vastgesteld op € 15.398 en het inkomen in box 3 voor het jaar 2018 op € 15.022. Het inkomen in box 3 over het jaar 2019 heeft hij op grond van de Wet rechtsherstel box 3 niet verminderd.
2.3
Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren op zijn bezittingen in box 3 rente- en dividendinkomsten genoten van respectievelijk € 2.855 (2017), € 2.049 (2018) en € 3.338 (2019).
2.4
Tot het vermogen van belanghebbende in box 3 behoort het restant van de uitkering die aan belanghebbende is gedaan wegens overlijdensschade.
2.5
Verder behoort tot zijn vermogen in box 3 een tweede woning die niet wordt verhuurd.
3. Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft voor het Hof onder meer betoogd dat (hetgeen nog resteert van) de uitkering wegens overlijdensschade niet tot de rendementsgrondslag van box 3 mag worden gerekend omdat, samengevat, de Wet IB 2001 op dit punt een systeemfout bevat, erin gelegen dat de fiscale wetgever niet de in de jurisprudentie inzake personenschade vastgelegde rechten en waarborgen respecteert. De heffing over het inkomen in box 3 is ten aanzien van deze uitkering in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP), aldus belanghebbende.
3.2
Het Hof heeft dit betoog verworpen. De wetgever heeft bij de bepaling van de omvang van de rendementsgrondslag tot uitgangspunt genomen dat ieder vermogensbestanddeel, ongeacht de herkomst ervan, als fiscale bron wordt aangewezen. Met het oog op de eenvoud van het belastingstelsel heeft de wetgever geen uitzondering willen maken voor schadevergoedingen. Daarbij heeft de wetgever opgemerkt dat met als schadevergoeding verkregen vermogen, evenals met ander vermogen, rendement kan worden behaald. Van deze afwegingen kan niet worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen. Aan de uit artikel 1 EP voortvloeiende eisen van een ‘legitimate aim’ en een ‘fair balance’ is voldaan. De stelling van belanghebbende dat de (fiscale) wetgever de jurisprudentie met betrekking tot personenschade moet respecteren, vindt geen steun in het recht, aldus het Hof.
3.3
Voor het Hof was voorts in geschil, voor zover in cassatie van belang, of de heffing over het inkomen in box 3 in strijd is met artikel 14 EVRM en artikel 1 EP.
3.4
Naar aanleiding hiervan heeft het Hof geoordeeld dat ongerealiseerde vermogenswinsten niet binnen het in het arrest van 24 december 2021 genoemde ‘werkelijk behaalde rendement’ passen. Bij het bepalen van het door belanghebbende behaalde rendement heeft het Hof niet-gerealiseerde waardestijgingen van aandelen, obligaties en een tweede woning buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot de tweede woning heeft het Hof geen inkomen in aanmerking genomen omdat vaststaat dat de woning niet is verhuurd of vervreemd. Het Hof heeft de aanslagen verminderd overeenkomstig de hiervoor in 2.3 genoemde bedragen aan rente- en dividendinkomsten.
4. Beoordeling van de door belanghebbende aangevoerde klachten
4.1
De klachten falen voor zover zij zijn gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. Die oordelen zijn juist.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beoordeling van de door de Staatssecretaris aangevoerde klachten
5.1
Het middel betoogt onder meer dat het aan de wetgever is en niet aan de rechter om te voorzien in het rechtstekort dat gepaard gaat met een schending van het EVRM en het EP als gevolg van het stelsel van heffing in box 3. In zoverre kunnen de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie).
5.2
Het middel is terecht voorgesteld voor zover het is gericht tegen het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het Hof met betrekking tot niet-gerealiseerde waardestijgingen van bezittingen in box 3. De Hoge Raad verwijst naar rechtsoverweging 5.4.8 van het arrest van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.
5.3
Het middel faalt voor zover het beoogt het hiervoor in 3.4 vermelde oordeel van het Hof met betrekking tot de tweede woning te bestrijden met het argument dat ook eigen gebruik van een onroerende zaak in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het werkelijke rendement. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar zijn vandaag gewezen arrest in de zaak met nummer 24/00572, ECLI:NL:HR:2024:1788, rechtsoverweging 5.5.
6. Slotsom
Hetgeen hiervoor in 5.2 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest. Het verwijzingshof zal daartoe alsnog de omvang moeten vaststellen van de waardeverandering van de vermogensbestanddelen van belanghebbende in box 3.
7. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het principale en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Beroepschrift 20‑12‑2024
Hoge Raad der Nederlanden
t.a.v. de Belastingkamer
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
HERSTEL VERZUIM(EN)
Inzake Hoger beroep BK-23 00091 tot en met BK-23 00093
Eiser in cassatie
[X]
Tegen
Belastingdienst inzake uitspraak GHDHAd.d.4 oktober 2023
Staatssecretaris
[…] 12 januari 2024
Edelgrootachtbaar college,
Ondergetekende requirant [X] wonende te [Z] stelt beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof (belastingkamer) Den Haag, hierna GHDHAd.d. 4 oktober 2022 met de nummer BK-23 00091 tot en met BK-23 00093:
(ECLI:NL:GHDHA:2023:2026). (Productie A). Zoals door het Gerechtshof Den Haag (hierna: GHDHA0 gewezen tussen [X] en de Belastingdienst, met nummers: 23/00091 t/m 23/00093, (rolnummer: 23/04469).
Naar aanleiding van het d.d. 28 november 2023 ingediende cassatieberoepsschrift ontving [X] het verzoek van de griffie het verzoek tot herstel verzuim(en) d.d. 30 november 2023, (link) ontvangen d.d. 1 december 2023 het navolgende, (link). De griffie heeft aangegeven dat het cassatieberoepschrift niet aan de wet gestelde vereiste is voldaan. Dit hertstel van verzuimen dient opgevat te worden als vervanging van het cassatieberoepschrift d.d. 28 november 2023.
Middel van cassatie:
Schending van recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet inachtneming nietigheid met zich meebrengt, omdat het GHDHA heeft overwogen en beslist als vermeld in het hier als ingelast en te beschouwen arrest, waarvan beroep, ten onrechte om de navolgende redenen.
Het uitgesproken arrest is in strijd met het recht en de goede procesorde. Het GHDHA heeft enorme juridische en procedurele fouten gemaakt door het fiscale feitencomplex inzake de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria met alles wat daaraan gehecht en verbonden onbehandeld te laten. En op géén enkele andere wijze juridisch rechtmatige uitlegbaar zijn. Waaronder de criteria van de rekenrente, risicovrij reëel spaarrendement, inflatiecorrectie, behoud van koopkracht en dat gewaarborgd wordt dat de nabestaande zijn toekomstschade kan blijven dragen. Bovendien mag van een nabestaande niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd (2052) te bewerkstelligen. Zoals de wetgever heeft bepaald in box -3.2 met de vermogensmix. Zie ook de bevestiging in de: ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’ van LOVCK/LOVCH over de jaren 2021, 2022 en 2023.
De oordelen van het GHDHA geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn onbegrijpelijk, onvoldoende gemotiveerd, de Akte beroep systeemfout box 3 overlijdenschade' (hierna: ‘Akte’) onbehandeld gebleven. En geen oog gehad voor de ‘Akte’ en het jarenlang interen of de overlijdenschadevergoeding in de praktijk als gevolg van de invoering van box 3.1 tot 2016 een box 3.2 vanaf 2017. Daarmee het GHDHA verzuimd heeft om te voldoen aan de devolutieve werking van het hoger beroep. En het verzuim aan toetsing aan artikel 1 EP (EVRM), artikel 6 (EVRM), artikel 3:4 lid 2 Awb en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb. Onlosmakelijk onderdeel van dit cassatiemiddel zijn zie randnummer: 4 (‘Klacht 1: Oordeel van de Rechtbank’) en randnummer 5 (‘Klacht 2: Beoordeling van het hoger beroep’).
Teneinde tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende:
Mitsdien
Zodat [X] uw Raad mogen verzoeken of de beslissing aan zich te houden om rechtsherstel te bieden of door te verwijzen naar een doorverwijzingshof als de feitenrechter het recht niet goed heeft uitgelegd of toegepast en of de procedure door de Rechtbank Den Haag, (hierna RBDHA) en het GHDHA niet op juiste wijze is gevolgd. [X] beroept zich ook dat de Hoge Raad is belast met het bevorderen van rechtsontwikkeling, rechtseenheid en het bieden van individuele rechtsbescherming. Zodat dit aansluit bij rechtseenheid en rechtsherstel naar analogie van het ‘Kerstarrest’ bij r.o. 3.6.4.
Het arrest van het GHDHA d.d. 4 oktober 2023 kan om het gestelde in dit cassatieberoep niet in stand blijven. Het uw Raad behage het bestreden arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2026) te vernietigen, met zodanige verdere beslissing als uw Raad zal vernemen te behoren. De Belastingdienst of de Staatssecretaris zou daarbij in de kosten moeten worden veroordeeld.
[X] ervaart dat hij door rechtsbanken en hoven niet begrepen voelt. De onderhavige materie inzake de ‘Akte’ overlijdenschadevergoedingen is complex en door de RBDHA en het GHDHA onbehandeld gebleven. Ook zijn de eerder in detail overlegde producties in ‘Akte’ zijn belangrijk voor een beter begrip en zijn zeer omvangrijk. Daarmee heeft het GRDHA niet alleen in strijd gehandeld met: artikel 3:4 lid 1 en 2. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 , artikel 3:46 Awb. artikel 6 (EVRM) maar ook in strijd met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht bij het EVRM. En met bij letsel- en overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria. Vanwege het bevorderen en van verhoging van een beter begrip, zal [X] achtereenvolgens nog uitvoerig ingaan op het arrest van het GHDHA:
- 1.
Inleidende opmerkingen en aanduiding van het geschil
- 2.
Inzet van het cassatieberoep
- 3.
Klachten cassatieberoep
- 4.
Klacht 1: Oordeel van de Rechtbank
- 5.
Klacht 2: Beoordeling van het hoger beroep
- 6.
Slotsom
- 7.
Bewijs en bewijsaanbod
- 8.
Conclusie
1. Inleidende opmerkingen en aanduiding van het geschil
[X] vraagt zich af of de Belastingdienst zich behoort te voegen in dit cassatieberoep/
1.1.
De grieven van het feitencomplex overlijdenschade zijn door de RBDHA en GDDHA onbehandeld gebleven. De Raad beoordeelt alleen of de lagere rechter (rechtbank/gerechtshof) bij een uitspraak het recht juist heeft toegepast en of de procedure op de juiste wijze is gevolgd. De Raad is geen feitenrechter en stelt geen feiten vast. [X] wenst nadrukkeijk het recht behouden tot een volledige behandeling van het fiscale feitencomplex overlijdenschadevergoedingen, bij voorkeur doorverwijzing naar een ander gerechtshof. Zo is de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is onbehandeld gebleven. Wel kan de Raad een bijdrage leveren aan rechtsontwikkeling, rechtsbescherming en rechtseenheid.
1.2.
De klachten richten zich primair tegen het box 3-stelsel wegens schending van artikel 1 EP (EVRM). artikel 14 EVRM, artikel 17 Handvest Grondrechten van de EU. rechtelijk vastgestelde criteria letsel- en overlijdenschade rechtsspraak en Publicatieblad van de Europese Unie C 303/17 — 14.12.2007. Waarbij [X] de vastgestelde criteria als een rechtmatig verworven goed ziet als eigendomsrecht. Subsidiair richten de klachten zich tegen het arrest het GHDHAd.d. 4 oktober 2023 wegens het schenden van de devolutieve werking van het hoger beroep en artikel 6 (EVRM).
1.3.
Ten onrechte ligt de focus bij de verweren en uitspraken bij de Belastingdienst en de lagere belasting rechtspraak nog steeds op stelsel niveau, massaalbezwaarprocedure en de Wet rechtsherstel box 3. Onder behoud van alle rechten en weren inzake de massaalbezwaarprocedure is dat niet wat [X] met de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is, heeft voorgelegd bij de RBDHA en het GHDHA. Het betreft twee afzonderlijke fiscale juridische geschillen. Enerzijds op stelsel niveau, zoals het GHDHA ten onrechte heeft beoogd en anderzijds op individueel niveau en specifiek gericht op de ‘Akte’ overlijdenschadevergoedingen waarop [X] zich beroept. Waarbij de wetgever bij het ontwerp van de Wet IB-2001 de wettelijk vastgestelde criteria en bepaalde omstandigheden in de praktijk bij aan personenschade gerelateerde overlijdensschade rechtspraak niet onder ogen heeft willen zien. Zie randnummer: 3.9 (‘GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’)
1.4.
Dat maakt dat de RBDHA en het GHDHA in strijd met de wettelijke vastgestelde fundamentele rechten, criteria bij aan personenschade gerelateerde overlijdenschade rechtspraak. Waaronder de invloed van rekenrente, looptijd voor het financieren van de toekomstschade, reëel risicovrij rendement, behoud van koopkracht versus het rendement bij box 3.1, box 3.2 en de Wet rechtsherstel box 3 niet hebben onderzocht. Dat is niet alleen in strijd met artikel 3:4 lid 2. artikel 8:69 lid 1 t/m 3. artikel 6 (EVRM) en artikel 17 Handvest Grondrechten van de EU. Waarbij [X] op toeziet is dat het een ernstige inbreuk is op de vastgestelde wettelijke criteria en als een rechtmatig verkregen eigendom en bezit beschouwd dient te worden. Maar ook in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging.
1.5.
De uitspraak van het GHDHA is als (Productie A) en het proces-verbaal (link) d.d. 29 augustus 2023 als (Productie B) gehecht aan het pro forma cassatieberoep. Het GHDHA vernietigde de uitspraak gedeeltelijk (ECLI:NL:RBDHA:2022:14234) d.d. 22 december 2022 van de RBDHA en heeft het GHDHA het hoger beroep zelf afgedaan. Eveneens de uitspraak op bezwaar d.d. 15 mei 2020 van de Belastingdienst is door het GHDHA vernietigd, IB-2017 (link). IB-2018 (link) en IB-2019 (link).
1.6.
[X] realiseert zich dat zijn beroep uitgebreid is maar dient om te voorkomen dat hij weer een verwijt krijgt zijn grieven onvoldoende te hebben onderbouwd of geen relevante feiten en omstandigheden zou hebben gesteld of het ontbeert aan motivatie. Overigens betwist [X] dat hij niet duidelijk is geweest in zijn stellingen en motivaties.
1.7.
Het GHDHA heeft verzuimd in haar uitspraak te verwijzen naar de pleitnota: ‘Samenvatting grieven hoger beroep overlijdenschade d.d. 29 augustus 2023’, welke aanvullend als (Productie C) alsnog aan de Raad wordt overlegd, (link). Overigens wel benoemd in het proces-verbaal. [X] heeft deze als (aanvullende) pleitnota overleg en voorgedragen bij de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2023. Om in één A4'tje de grieven van het omvangrijke dossier samen te vatten. Indien de Raad het nodig acht om het volledige dossier opnieuw te overleggen dan zal [X] op uw verzoek daaraan onverkort voldoen.
1.8.
In de onderhavige procedure staat centraal de bij personenschade rechtspraak vastgestelde criteria bij overlijdenschade zaken versus het box 3-stesel. En daarmee het eigendomsrecht bij overlijdenschaderechtspraak op nationaal en Europees niveau formeel juridisch een wettelijke status heeft gekregen. Waarmee de wetgever bij het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 rekening had moeten houden met de rechtsgevolgen en vertrouwensbeginsel bij de invoering van de Wet IB-2001.
1.9.
[X] laat zich niet vertegenwoordigen door een advocaat en verzoekt alvorens uw Raad beslist te mogen worden gehoord en pleiten bij de mondelinge behandeling.
2. Inzet van het cassatieberoep
Dit cassatieberoep gaat niet over de massaalbezwaarprocedure, noch over de herstelwet box 3 op stelsel niveau, maar alleen over individueel niveau over het fiscale deel van overlijdenschadevergoedingen in het box 3-stelsel. Het cassatieberoep is tweeledig, enerzijds de inhoudelijke grieven tegen het arrest van GRDHA en het onbehandeld laten van de het aangevoerde feitencomplex en anderzijds het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 (systeemfout) waarbij de wetgever bij de totstandkoming van de Wet IB-2001 bepaalde omstandigheden niet goed onder ogen heeft gezien.
Het GHDHA heeft ten onrechte het beroep beoordeeld op stelsel niveau in plaats van een beoordeling van overlijdensschadevergoeding op individueel niveau en de gevolgen van het box 3-stelsel in de praktijk. [X] wenst wel zijn rechten te behouden op stelsel niveau en rechtsherstel op grond van de massaalbezwaarprocedure voor dat deel van het kapitaal wat buiten de overlijdenschadevergoeding valt.
2.1.1.
Met de lengte van het onderhavige cassatieberoep wil [X] voorkomen om ten onrechte opnieuw het verwijt te krijgen dat hij zijn feitencomplex onvoldoende, des te nadrukkelijk neen, zou hebben onderbouwd, het zou ontberen aan motivatie of zijn bewijsaanbod niet concreet zou hebben aangeven welke feiten hij wil bewijzen. [X] heeft bij de lagere rechtbanken en hoven geen gehoor gevonden inzake het overlegde feitencomplex overlijdenschadevergoedingen. En ten onrechte fiscaal op één lijn wordt gesteld met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Bovendien is met het ‘Kerstarresf ten aanzien van artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) de eerdere uitspraken van rechtbanken en hoven verder uitgekristalliseerd. Waarmee het GHDHA met de beroepen IB-2017 t/m IB-2019 en de ‘Akte’ rekening diende te houden. Het GHDHA heeft dat verzuimd. NB: [X] heeft bij IB-2016 al een beroep gedaan op artikel 1 EP (EVRM) en het discriminatieverbod.
3. Klachten cassatieberoep
3.1. Cluster behandeling
3.1.1.
[X] heeft bij het GRDHA, nadrukkelijk schriftelijk en bij de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de clusterbehandeling van IB-2017 t/m IB-2019. [X] is daarmee in zijn procesbelang geschaad. Niet het RBDHA behoort de rechtsgang maar de rechtzoekende bepalen de wijze wat en op welke wijze ze het feitencomplex willen voorleggen, mits partijen daarmee instemmen. [X] mocht erop vertrouwen dat hetgeen hij gevorderd en verzocht had in de ‘Akte’ de RBDHA zou onderzoeken en gemotiveerd zou beslissen. Artikel 3:4 lid 2 Awb (onevenredigheid) en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb bepaalt wettelijk dat de RBDHA daarover had moeten beslissen. Dan wel in strijd met artikel 3:46 Awb en artikel 6 (EVRM) de Belastingdienst, RBDHA en GRDHA niet voldaan hebben aan de wettelijke verplichting om de ‘Akte’ te behandelen en deugdelijk te motiveren. De RBDHA heeft dat verzuimd, noch gemotiveerd in het dictum.
Toelichting
3.1.2.
Het RBDHA had een belang om de achterstanden wegens Covid weg te werken en heeft daarmee haar onafhankelijkheid en integriteit onmiskenbaar prijsgegeven. De RBDHA en het GRDHA hebben niet afzonderlijk de aan beroepen IB-2017 t/m 2019 gehechte ‘Akte’ feitencomplex en de producties VIII t/m XXI behandeld. [X] heeft getracht zijn belangen zeker te stellen door de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is te voegen in de cluster behandeling. Welke door de RBDHA ongemotiveerd is gepasseerd. En het GRDHA niet voldaan heeft aan de devolutieve werking van het hoger beroep om het volledige gecompliceerde feitencomplex van de ‘Akte’ niet te behandelen.
3.2. Verzuim devolutieve werking hoger beroep
Het cassatiemiddel is een klacht van procesrechtelijke aard. Te weten het verzuim van het GHDHA om te voldoen aan de devolutieve werking van het hoger beroep, inzake ‘Akte’). En het beroep van de RBDHA en het GHDHA op de onmogelijkheid in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet hebben gehandeld naar de letter en wet van artikel 31 Rv (verbeteren van een kennelijke fout) en artikel 32 Rv (aanvullen van het vonnis wegens verzuim te beslissen van het gevorderde of verzochte) inzake het ongemotiveerd passeren van de (‘Akte’). Verder het verzuim van het GHDHA om niet te voldoen aan artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb en artikel 6 (EVRM) door de ‘Akte’ niet inhoudelijk te behandelen. Het GHDHA heeft daarmee ook in strijd gehandeld met artikel 8:115 lid 1 sub b Awb. door de zaak niet terug te verwijzen naar de RBDHA.
Toelichting
3.2.1.
Het GHDHA had op grond van de zgn. devolutieve werking van het hoger beroep als appèlrechter ambtshalve alle in eerste aanleg aangevoerde gronden en verweren opnieuw moeten behandelen en beslissen. Het GHDHA heeft nagelaten de ‘Akte’ op discutabele gronden niet te behandelen. Het GHDHA heeft zich alleen, en dan nog alleen gericht op de uitspraak van de RBDHA, op stelselniveau van box 3 en een tendentieus en onvergelijkbaar beroep op de uitspraak IB-2016 d.d. 9 april 2019 van [X], (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). Het GHDHA heeft daarmee haar devolutieve taak verzuimd en haar onafhankelijkheid onmiskenbaar prijsgegeven om al hetgeen [X] in eerste aanleg op individueel niveau heeft aangevoerd, niet opnieuw te onderzoeken en te beslissen. Indien het GHDHA zich had ingelezen in de ‘Akte’ is het aannemelijk om te veronderstellen dat het GHDHA tot een ander oordeel was gekomen.
3.3. Ongemotiveerd passeren Akte, afwijzen aanvullinqsverzoek en kennelijke fout
Ten onrechte stelt het ghdha niet bevoegd te zijn tot terugverwijzen naar de rbdha en handelt daarmee in strijd met Artikel 8:115 lid 1 sub a en b awb. op vooringenomen wijze is het ghdha ook aan de behandeling van de ‘akte’ voorbijgegaan door zich aan te sluiten bij de uitspraak van de rbdha in het eerdere arrest van het ghdha inzake ib-2016, (ecli:nl:ghdha:2019:834). waarvan de rechtspraak destijds terughoudend was ten aanzien van Artikel 1 ep (evrm). maar sindsdien verder is uitgekristalliseerd inzake Artikel 1 ep (evrm). bovendien ligt het beroep ib-2016 niet in lijn met het individueel niveau van de ‘akte’.
3.3.1.
Zowel de RBDHA als het GHDHA hebben verzuimd de ‘Akte’ met de producties VIII t/m XXI, waaronder de (Primaire grief 1) en aangevuld met 20 aanvullende grieven specifiek gericht op overlijdenschadevergoeding op individueel niveau te behandelen. Beide gerechten zijn bij hun oordeel uitgegaan van een beoordeling op stelsel niveau en de massaalbezwaarprocedure. Ook heeft [X] bij de beroepen IB-2017 t/m IB 2019 respectievelijk de producties overlegd met (‘Tabel 1: Forfaitair rendement versus werkelijk rendement over 2001 t/m 2017’), (‘Tabel 2: Waardeontwikkeling bij fictief rendement en heffing IB-2001 met inflatiecorrectie 2001 t/m 2017’) en (‘Tabel 3: onrealistische waardeontwikkeling bij fictief rendement en 30% inkomstenbelasting met inflatiecorrectie 2001 t/m 2017’). En dat herhaald bij het beroep IB-2018 en IB-2019 en zijn ongemotiveerd gepasseerd.
Toelichting
3.3.2.
Het GHDHA heeft in haar uitspraak d.d. 4 oktober 2023 ten onrechte aangegeven niet bevoegd te zijn tot het terugverwijzen naar de RBDHA. Bij de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2023 heeft het GHDHA ook niet aangegeven dat, zij niet bevoegd was tot het terugverwijzen naar de RBDHA. Het GHDHA wist, althans behoorde te weten dat zij niet bevoegd was, en had dat ter sprake moeten brengen bij de mondelinge behandeling. Zodat [X] de mogelijkheid is ontnomen daarop tijdens de mondelinge behandeling daarop te reageren.
3.3.3.
Het passeren van de ‘Akte’ door de RBDHA en het afwijzen van het aanvullingsverzoek en herstellen van een kennelijke fout, is in strijd met artikel 3.4 lid 2 Awb ‘Zorgvuldigheid en belangenafweging’ Inhoudende:
‘De voor een of meer betrokken nadelige gevolgen van een besluit mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het besluit te dienen doelen. ’
En in strijd met artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb (‘Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechteT) [X] beroept zich in het bijzonder op artikel 6 (EVRM).
3.4. Verzuim terugverwijzen naar de RBDHA
[X] heeft zich ter goedertrouw beroepen op artikel 31 Rv en artikel 32 Rv, en heeft daarmee geput uit zijn ervaringen bij de 8,5 jaar slepende en kostbare civiele procedure tot aan de HR op grond van artikel 6:108 BW. [X] werd bij de uitspraak van de RBDHA onverwachts geconfronteerd dat artikel 31 Rv en artikel 32 Rv niet van toepassing is in de Awb. Zie onderstaande overlegde producties bij de RBDHA en het GHDHA:
- a)
‘Aanvullingsverzoek (art. 31 Rv en art. 32 Rv d.d. 17 januari 2023 (Productie 6). (link)
- b)
‘Volharding (art. 31 Rv en art. 32 Rv)’ d.d. 1 februari 2023, (Productie 5). (link)
- c)
‘Procedure- en vormfouten rechtbank Aanvullingsverzoek (art. 31 Rv en art. 32 Rv)’ d.d. 8 februari 2023 (Productie 11). (link)
- d)
Brief RBDHA d.d. 24 februari 2023 (Productie 19). (link)
Toelichting
3.4.1.
[X] is door de RBDHA niet in de gelegenheid gesteld op een onjuist beroep op artikel 31 Rv en artikel 32 Rv te herstellen en het beroep op het ongemotiveerd passeren van de ‘Akte’ en het verbeteren van een kennelijke fout te benutten. Naar de mening van [X] behoren niet alleen de onjuiste verwijzing naar artikel 31 Rv en artikel 32 Rv en rol te spelen, maar behoort het voorgelegde feitencomplex leidend te zijn. De RBDHA heeft op rigide wijze volhard dat een verzoek tot het herstellen van een kennelijke fout en aanvullingsverzoek op grond van artikel 31 Rv en artikel 32 Rv is afgewezen, en daarmee ten onrechte het feitencomplex onbehandeld is gebleven. Feit is dat het geschil zich geconcentreerd heeft op feiten en op de wettelijke basis van artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb. zowel de RBDHA als het GHDHA dit ten volle diende te onderzoeken en te beslissen.
3.4.2.
Binnen het toepassingsmogelijkheden van het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb en de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 bestaat de mogelijkheid van een minder rigide afwijzing van het aanvullingsverzoek en het verbeteren van een kennelijk fout zoals de RBDHA en het GHDHA hebben gedaan. Beide verzoeken/verbeteringen diende in het kader van het evenredigheidsbeginsel getoetst worden. Van belang daarbij is het feitencomplex en de aard en gewicht van de belangen van [X] en de ingrijpendheid van het besluit van de RBDHA en het GHDHA door geen gevolg te geven aan het Aanvullingsverzoek en het verbeteren van een kennelijke fout. Waarin de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement bij overlijdenschaderechtspraak van [X] worden aangetast. Het voorgaande maakt een onjuiste te goeder trouw verwijzing naar artikel 31 Rv en artikel 32 Rv en [X] daarvan niet op de hoogte was, dat niet anders, indien de Awb daarvoor geen toepassingsmogelijkheden biedt. Het gaat om het feitencomplex en een eerlijk proces. En het aan het GHDHA op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep naar omstandigheden van het individuele geval gehouden is tot een evenredigheidstoets om beide verzoeken in verschillende zijn te regelen.
3.5. Verzuim verbeteren kennelijke fout en verzuim te beslissen Akte Artikel 31 Rv en 32 Rv
Het GHDHA heeft verzuimd dat een situatie zoals naar analogie van artikel 31 Rv (verbeteren kennelijke fout) en artikel 32 Rv en de RBDHA heeft verzuimd te beslissen over het gevorderde en verzochte in de ‘Akte’ zich voordoet. De RBDHA in het dictum daar ook geen overweging heeft gewijd. Noch dat uit het dictum is af te leiden dat ‘het meer of anders gevorderde is afgewezen’. Noch dat het vonnis van de RBDHA geen kracht van gewijsde heeft gekregen. Terwijl de vordering en verzoek in de ‘Akte’ op individueel niveau gericht is op de wettelijk vastgelegde criteria, fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen aan personenschade gerelateerde overlijdenschade rechtspraak op geen enkele andere wijze uitlegbaar zijn. De verwijzing van de RBDHA en het GHDHA naar het arrest van [X] IB- 2016 d.d. 9 april 2019 is tendentieus en geeft een onvergelijkbare beeldvorming, zonder een inhoudelijk onderzoek in te stellen. Er is geen gelijke wijze als bij de massaalbezwaarprocedure, noch met de beroepsschriften IB-2016 t/m 2019. Het GHDHA wil doen voorkomen dat het verbeteren van een kennelijke fout en een verzuim te beslissen over de ‘Akte’ de Awb een vacuüm bevat en het onmogelijk maakt om deze klachten te herstellen.
Duidelijk is dat het GHDHA heeft miskent dat het EVRM en met name artikel 1 EP (EVRM) en artikel 6 (EVRM) van dit verdrag, wel degelijk van belang is voor het bestuursrecht en dus ook voor de Awb.
Toelichting
3.5.1.
Heeft [X] het toepassingsbereik naar analogie van artikel 31 Rv en artikel 32 Rv goed begrepen, zoals de RBDHA en het GHDHA wil doen voorkomen dat het bij de Awb onmogelijk is op een aanvullingsverzoek naar de geest van artikel 31 Rv (het verbeteren van een kennelijke fout) en artikel 32 Rv, indien de rechter verzuimd heeft te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte? Zowel de RBDHA als het GHDHA hebben geen oog gehad van de gestelde feiten inzake het niet behandelen van de ‘Akte’ en een onjuiste vermelding van het schadebedrag in de uitspraak van de RBDHA.
3.5.2.
De wijze waarop met het Aanvullingsverzoek is omgegaan is een wettelijke schending waartoe rechters gehouden zijn. Weliswaar is het beroep op artikel 31 Rv en artikel 32 Rv onjuist. Maar dat maakt niet anders dat vaststaat wat [X] heeft gevorderd of verzocht in de ‘Akte’ Daarmee kan het niet afgedaan worden door het ongemotiveerd passeren van de ‘Akte’ door de RBDHA op grond van een onjuist beroep op artikel 31 Rv en artikel 32 Rv. Noch het niet behandelen van de ‘Akte’ door het GHDHA. Des te meer omdat op wettelijke gronden van artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb bestuursrechters gehouden zijn hierover te beslissen. En dat heeft niets te maken met een beroep op artikel 8:119 Awb herzieningsverzoek, zoals het GHDHA ten onrechte wil doen voorkomen bij r.o. 5.4. Het GHDHA heeft niet voldaan aan artikel 8:115 lid 1 sub bAwb. Bovendien heeft het GHDHA niet voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep om de ‘Akte’ niet te behandelen en op vooringenomen wijze de uitspraak van de RBDHA heeft ‘omarmd’.
3.5.3.
[X] concludeert dat het vorderen van een aanvullingsverzoek naar de geest van artikel 31 Rv (het verbeteren van een kennelijke fout) en artikel 32 Rv, de Awb géén enkele mogelijkheid biedt op indien de rechter verzuimd heeft te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. Het GHDHA heeft geen oog heeft gehad van het gestelde feitencomplex inzake het niet behandelen van de ‘Akte’ en een onjuiste vermelding van het schadebedrag in de uitspraak van de RBDHA. Daarmee in strijd met de verankering artikel 6 (EVRM), artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb, artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb.
3.5.4.
In het bestuursrecht bestaat al lange tijd discussie over het antwoord op de vraag of in de Awb een gelijksoortige regeling als art. 31 Rv opgenomen dient te worden. In de bestuursrechtelijke jurisprudentie is het buitenwettelijk middel van ambtshalve vervallenverklaring ontstaan.1. Dit is ook geconstateerd in het jaarverslag van de Raad van State van 20032., dat vermeldt dat de hoogste bestuursrechters na 1994 hun toevlucht namen tot het buitenwettelijk middel van de ambtshalve vervallenverklaring van uitspraken. Evidente misslagen zouden anders niet eerder aan de orde (kunnen) komen dan in een civiele procedure wegens onrechtmatige rechtspraak of in een procedure wegens schending van art. 6 EVRM. Het vervallen verklaren van een rechterlijke beslissing is een ambtshalve beslissing en is derhalve niet gebonden aan een initiatief van een der partijen. Zie: Advocatenblad 692 d.d. 16 november 2007.
3.5.5.
Ten onrechte, zoals [X] begrijpt, wil het GHDHA in haar uitspraak doen voorkomen dat de oorzaak van het niet behandelen van de ‘Akte’ een gevolg is van de uitspraak van GHDHA waarbij de RBDHA heeft verwezen naar de uitspraak IB-2016 d.d. 9 april 2019: (ECU:NL:GHDHA:2019:834). Uit de eerder overlegde brief van de RBDHA d.d. 24 februari 2023 (Productie 19). (link) waarin helder wordt gesteld dat het:
(‘…. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet van toepassing is in deze zaak. Voor belastingzaken als deze geldt de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr)’
Zodat het GHDHA het verwijt treft misleidende informatie te geven in haar uitspraak.
3.6. Dubieuze verwijzing RBDHA naar uitspraak 9 april 2019 (IB-2016)
Met de verwijzing door de RBDHA en het GHDHA naar de uitspraak IB-2016 van 9 april 2019, (ECLI:NL:GHDHA:2019:834) heeft met het gestelde in de ongemotiveerd gepasseerde ‘Akte’ niets te maken. [X] heeft nooit verzocht tot het als cluster behandelen van de beroepen IB-2017 t/m 2019. [X] is van mening dat elk beroep door GRDHA afzonderlijk behandeld diende te worden en als gevolg van een clusterbehandeling in zijn procesbelang is geschaad. [X] heeft daartegen ook bezwaar gemaakt en heeft geleid tot het indienen van de ‘Akte’. De beroepen IB-2017 t/m IB-2019 betreffen de beroepen zowel op stelsel als individueel niveau. Op stelselniveau valt dit onder de massaalbezwaarprocedure. De ‘Akte’ richt zich alleen op individueel niveau en de gestelde grenzen bij het ‘Kerstarresf inzake EU- verordeningen. De beroepen IB-2017 t/m IB- 2019 zijn zowel gericht op stelsel als individueel niveau. De RBDHA en het GHDHA hebben als uitgangspunt gekozen om de beroepen IB- 2017 t/m IB-2019 slechts op stelselniveau te behandelen.
Toelichting
3.6.1.
Ten onrechte verwijst de RBDHA naar de uitspraak IB-2016 van het beroep van [X] naar de uitspraak d.d. 9 april 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). Waarin wordt overwogen en beslist dat de overlijdenschadevergoeding terecht tot box 3 inkomen is gerekend. Daar voorheen de belastingrechtspraak terughoudend was, is er sinds 2014 bij de HR meer aandacht voor een beroep op EU- verordeningen door te toetsingskaders als: proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’: zie: HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523. BNB 2014/219, r.o. 6.2; ECLI:NL:HR:2014:1524. BNB 2014/220, r.o. 6.2. De individuele toets wordt in beide zaken echter niet door HR toegepast, hiervoor wordt terugverwezen naar het Verwijzingshof. Zowel de RBDHA als het GHDHA met de kennis van voornoemde uitspraken een heel stuk genuanceerder een uitspraak kunnen doen.
3.6.2.
Sindsdien is de belastingrechtspraak met het ‘Kerstarrest verder uitgekristalliseerd met een beroep op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). het beginsel van proportionaliteit en individuele last zich verder uitgekristalliseerd. De RBDHA heeft verzuimd om voor ogen te houden dat ook belastingrecht zich ontwikkeld door de dynamiek van EU-verordeningen, en zwaarder behoren te wegen dan artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. Het beroep voornoemde uitspraak dient dan ook te falen.
3.6.3.
De verwijzing door de RBDHA naar de uitspraak IB-2016 is niet alleen omstreden maar ook apert niet gebaseerd op de feiten in de ‘Akte’ en alles wat daarmee gehecht en verbonden is. Daarmee is de RBDHA ernstig uitgegleden door de ‘Akte’ ongemotiveerd te passeren en de beroepen IB-2017 t/m IB-2019 ten onrechte gelijk te stellen met het beroep IB-2016 met de uitspraak van het GRDHA d.d. 9 april 2019. Indien de RBDHA zich had ingelezen in de ‘Akte’ is het meer dan aannemelijk om te veronderstellen dat zij tot een andere overwegingen en beslissing had gekomen en niet zou hebben verwezen naar de uitspraak van 9 april 2019.
3.6.4.
De RBDHA heeft verzuimd te toetsen of er in het individuele geval bij [X] sprake is van strijdigheid met het eigendomsrecht, om daarmee binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever te blijven. Kapitaal uit overlijdenschadezaken dient niet op stelselniveau beoordeeld te worden, maar op individueel niveau wat de RBDHA niet heeft gedaan. In plaats van te toetsen aan EU-verordeningen en een individuele buitensporige last en gerelateerd aan het ongestoord genot van eigendom van de overlijdensschadevergoeding en daarmee in strijd is met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). Met name het verzuim om naar de specifieke omstandigheden van het casuïstische karakter van overlijdenschade rechtspraak te toetsen aan proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Noch dat de RBDHA zich heeft gebogen of de individuele buitensporige last zich zwaarder laat wegen dan de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
3.6.5.
Noch heeft de RBDHA in aanmerking genomen in hoeverre [X] uit de oeverlijdenschadevergoeding een zodanig laag rendement heeft gerealiseerd dat hij moet interen op de overlijdenschadevergoeding om aan de box 3- heffing te voldoen.
3.6.6.
De RBDHA stelt dat het herstellen van een kennelijke fout en aanvullingsverzoek géén toepassingsbereik vindt in artikel 31 Rv en artikel 32 Rv in de Awb. En het GHDHA stelt niet bevoegd is om op verzoek van [X] tot het terugverwijzen naar de RBDHA. Zie:
- a.
Ongegrondverklaring RBDHA d.d. 24 februari 2023 (Productie 19) in het digitale dossier, (link). Dossiernummer: 012-656-15-257.
- b.
Randnummers: 3.4 t/m 3.4.2 (‘Verzuim terugverwijzen naarde RBDHA’)
- c.
Randnummers: 3.6 t/m 3.6.7 (‘Dubieuze verwijzing RBDHA naar uitspraak 9 april 2019 (IB-2016).
- d.
Volharding (art. 31 Rv en art. 32 Rv)’ d.d. 1 februari 2023, (Productie 5). (link). Dossiernummer: 012-540-771-269.
- e.
‘Aanvullingsverzoek (art. 31 Rv en art. 32 Rv d.d. 17 januari 2023 (Productie 6). (link). Dossiernummer: 012-640-094-255.
- f.
‘Procedure- en vormfouten rechtbank Aanvullingsverzoek (art. 31 Rv en art. 32 Rv)’ d.d. 8 februari 2023 (Productie 11). (link). Dossiernummer: 012-640-148-267.
3.6.7.
Een rigide afwijzing door de klachtencommissie van de RBDHA inzake artikel 31 Rv en artikel 32 Rv doet geen enkel recht aan het belang van het feitencomplex hetgeen [X] heeft gevorderd of verzocht in de ‘Akte’. Daarbij dient de rechtsvraag zich aan op welke wijze in de Awb dan wel op een rechtvaardige wijze een beroep gedaan kan worden op een aanvullingsverzoek en het herstellen van een kennelijke fout. Het behoort te gaan om het overlegde feitencomplex in de ‘Akte’ te toetsen aan proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. De RBDHA en het GHDHA hebben verzuimd de ‘Akte’ te behandelen. Het ongemotiveerd passeren van de ‘Akte’ door de RBDHA had bij het GHDHA op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep niet zonder gevolg mogen blijven. Op grond van belang behoort het overlegde feitencomplex leidend te zijn. Door dat na te laten ondermijnd de RBDHA en het GHDHA het vertrouwen in een eerlijke rechtspraak op grond van artikel 6 (EVRM).
3.7. Verzuim toetsing beroep analogie Kerstarrest
Het cassatiemiddel richt zich op individueel niveau op een beroep naar analogie van het ‘Kerstarrest’ r.o. 3.6.4. en de daaraan voorafgaande overwegingen van de HR in het voornoemde arrest. Hieraan niet voldoen betekent een schending van artikel 14 (EVRM). En alleen alom die reden is om rechtsherstel te bieden vanaf 2001 tot aan het financieren van de jaarlijkse schade tot het eindjaar 2052, (link).
Toelichting
3.7.1.
[X] beroept zich op analogie van het ‘Kerstarrest’ en bevestigd wat [X] bij zijn beroep IB-2016, (link) ‘Beroepsschrift overlijdenschade-uitkering(en)’ zich heeft beroepen op de gewaarborgde rechten van artikel 1 EP (EVRM). (link) en het verbod op discriminatie. Destijds was in de lagere rechtspraak binnen de belastingrechtspraak nog géén oog voor EU-verordeningen. Buiten het toonaangevende ‘Kerstarrest’ wist, althans behoorde de wetgever te weten dat bij het ontwerp van de Wet IB-2001, EU-Verordeningen dwingend richtinggevend zijn voor nationale wetgeving voor aangesloten lidstaten. En dus dwingend, onder toetsing van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ toepasbaar behoort te zijn in het belastingrecht van de Wet IB-2001.
3.7.2.
Dat de regering pas na het ‘Kerstarrest’ richting heeft moeten geven aan de EU-verordeningen. Maakt dat op individueel niveau niet anders aan de beroepen IB-2016 (link), IB-2017 (link), IB-2018 (link), IB-2019 (link) en de ‘Akte’. [X] heeft zich bij voornoemde procedures beroepen op artikel 1 EP (EVRM) en het discriminatieverbod (EVRM). En als steunbewijs een beroep gedaan op een systeemfout in het ontwerp van de Wet IB-2001, parlementaire wetsgeschiedenis en overlijdenschade rechtspraak.
3.7.3.
Het verzuim van het GHDHA om het feitencomplex in de ‘Akte’ en alles wat daaraan gehecht en verbonden is te toetsen aan naar analogie van het ‘Kerstarrest’ r.o. 3.1 t/m 3.6.4. en de betreden uitspraak van het GHDHA moet worden vernietigd. In lijn met r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest’ en naar analogie van de uitspraak van het GHSHE d.d. 22 maart 2023, (ECLI:NL:GHSHE:2023:945). dat ook van toepassing behoort te zijn bij overlijdenschadezaken. Vanwege strijdigheid met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). En leidt tot een individuele excessieve zware last.
3.8. Verzuim fiscale toetsing individuele buitensporige zware last overlijdensschadezaken
Het GHDHA heeft verzuimd op individueel niveau de ‘Akte’ te onderzoeken of er sprake is van een buitensporige zware last. Als gevolg waarvan de box 3-heffing strijdig is met artikel 1 EP (EVRM). [X] is van mening dat op individueel niveau de wetgever geen ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Omdat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet IB-2001 bepaalde omstandigheden of niet goed onder ogen heeft gezien. Artikel 3:4 tweede lid Awb biedt daarvoor juridische mogelijkheden, zie randnummers: 3.9 t/m 3.9.3: (‘GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’). De wetgever en het GHDHA hebben verzuimd om bij overlijdenschade en/of personenschade rechtspraak de onevenredigheid van wettelijk vastgestelde criteria in de Wet IB-2001 te beschermen en te respecteren. Dit levert volgens artikel 1 EP (EVRM) een dusdanig onherstelbaar nadelig effect op bij een robuuste groep belastingplichtige dat niet langer gezegd kan worden dat de fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen van overlijdenschade rechtspraak van [X] gewaarborgd zijn of kunnen worden.
Toelichting
3.8.1.
[X] beroept zich op individueel niveau op een buitensporige zware last. Op grond van EU-verordeningen (artikel a EP en artikel 14 EVRM, proportionaliteitstoets Het individueel beroep op een individuele buitensporige last is gegrond op EU-verordeningen (artikel 1 EP (EVRM) en artikel 14 EVRM en proportionaliteit. Verzuim om naar causaliteit met het ‘Kerstarrest’ het feitencomplex in de ‘Akte’ te toetsen aan de beginselen van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Teneinde daarmee vast te stellen of er in de casus van [X] sprake is van een individuele buitensporige last, onherstelbaar verliezen aan koopkracht, fiscaalcomponent (belastingschade) en verlies aan inflatie, zoals de doelstellingen bij overlijdensschade rechtspraak. Daarmee artikel 1 EP (EVRIVn, in samenhang met artikel 14 (EVRIVO van toepassing behoort te zijn. Zie: ‘Akte’ (Primaire grief 1, randnummer: 4 e.v.) en aangevuld met (Productie D1). zie (link).
Productie D1 dient als een eerste voorzet om via de feitenrechter na doorverwijzing door de Raad te bepalen van het ondervonden en nog te ondervinden verlies aan koopkracht, rendement en inflatie over de jaren 2001 t/m 2052.
3.9. GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien
Buiten een beroep op artikel 1 EP (EVRM), volgt uit artikel 120 van de Grondwet dat de rechter een wet die het parlement heeft aangenomen, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan rechtsbeginselen. Dit wordt ook wel het toetsingsverbod genoemd. Dit ligt anders als de wetgever bij de totstandkoming van een wet bepaalde omstandigheden niet of niet goed onder ogen heeft gezien. Zie Raad van State: (link) en de conclusie bij alinea 10 van de A-G (link) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3:4 lid 2 Awb. In het geval dat de wetgever niet heeft gedacht aan de specifieke gevolgen op overlijdenschade rechtspraak, dan is het toch mogelijk om de Wet IB-2001 te toetsen aan rechtsbeginselen, waaronder het zorgvuldigheids-, motiverings-, fair play-, beginsel, rechtszekerheids-, vertrouwens-, gelijkheidsbeginsel en ongeschreven recht, waaronder rechtswetenschappelijke literatuur
Toelichting
3.9.1.
Ook het belang van een beroep door rechters op artikel 11 Wet algemene bepalingen kan een heel stuk genuanceerder gekeken worden. Zie buiten het zwaarder wegende beroep op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). de verwijzing naar de uitspraak Raad van State bij randnummer: 3.9 (‘GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’) met een beroep op artikel 3.4 Awb lid 1 en 2. Indien de wetgever bij de totstandkoming van de wet bepaalde omstandigheden niet of niet goed onder ogen heeft gezien. Wat betekent dat op grond van artikel 11 de feiten bij overlijdensschade rechtspraak, de ‘Akte’ en systeemfout wet IB-2001 niet als afgedaan beschouwd mogen worden en onbehandeld mogen blijven. Zonder een inhoudelijk rechterlijk onderzoek naar analogie van r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest’ en of er sprake is van een buitensporige individuele zware last. Alvorens uitspraak te doen zonder wettig en overtuigend vast te stellen of een beroep op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). steun vindt voor een buitensporige individuele zware last. Waaronder een ernstige inbreuk op de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement bij overlijdenschade rechtspraak, proportionaliteit, ‘legitimate aim’, ‘fair balance’ en een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 EP (EVRM). Vanwege het feit dat het GHDHA hieraan niet heeft voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep is er sprake van een rechterlijke dwaling.
3.9.2.
Het GHDHA had op grond van artikel 3:4 Awb lid 1 en 2 de mogelijkheid verder te kijken dan artikel 11. En te toetsen aan de conclusie van de A-G bij de Raad van State om de Wet IB-2001 alleen aan evenredigheid toetsen als wetgever niet alles onder ogen heeft gezien. Gepubliceerd op 18 mei 2022. Zie advies van de advocaat-generaal G. Snijders in zijn conclusie aan de staatraad d.d. 18 mei 2022 (link) over een wettelijke bepaling in de Wet kinderopvang. Zie Raad van State: (link). Uit artikel 3:4 Awb lid 1 en 2 volgt:
- 1:
Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
- 2:
‘De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. ‘
3.9.3.
Daarmee zijn rechters gehouden om gemotiveerd te beslissen over alle feiten wat rechtzoekende hebben gevorderd of verzocht. Het GHDHA zou minder stellig in haar uitspraak zijn geweest indien de zaak opnieuw onderzocht en beoordeelt zou zijn, of er sprake is van een schending van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ bij de onderhavige casus. Ten onrechte heeft het GHDHA te kort, veel te kort door de bocht zich beroepen dat de Wet IB-2001 lawful is. Het ‘Kerstarrest’ heeft daar op grond van EU-verordening korte metten mee gemaakt en is daar een andere juridische realiteit ontstaan voor een groot aantal andere geschillen, zie: r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest.
3.10. Verzuim toetsing wetteliik vastqeleqde criteria overlijdensschade
De RBDHA en het GHDHA alle schijn tegen zich niet objectief en onafhankelijke wijze de belangen van de wettelijke criteria bij overlijdenschade rechtspraak te hebben afgewogen, Waarbij de belangen van de Belastingdienst en de wetgever prioriteit zijn gegeven. Daarmee doet zich een vergelijking op met de toeslagen affaire. Het arrest van het GHDHA faalt dient te falen door zich niet te richten op het feitencomplex in de (‘Akte’).
3.10.1.
Het GRDHA heeft blijk gegeven zich niet bewust te zijn van de complexe materie en criteria bij het begroten van overlijdenschade. Welke bijdragen aan de schadelast. Noch valt in het arrest af te leiden dat het GRDHA zich heeft ingelezen in de op elkaar inwerkende criteria en de daarmee samenhangende rekentools. Schadebegrotingen worden uitgevoerd door experts (actuarieel rekenmeester), die daarvoor speciaal zijn opgeleid. Dat maakt dat de wetgever bij het ontwerp van het box 3-stesel de complexiteit niet voor ogen heeft gehad wat de gevolgen in de praktijk zijn over een lengte van jaren. Noch gebruik hebben gemaakt van de grote knowhow en ervaringen van expert bij het ontwerp van het box 3-stelsel in samenhang met letsel-en overlijdenschadezaken.
Toelichting
3.10.2.
Het GHDHA heeft door het verzuim om het feitencomplex in de (‘Akte’) niet te behandelen geen kennis willen nemen van de wettelijke criteria die bij overlijdensschadezaken in de rechtspraak onomkeerbaar zijn vastgesteld. En zoals expliciet door [X] is uitgelegd in de (‘Akte’). De rechtspraak heeft met de contante waarde van de som ineens beoogd dat met het nog te realiseren rendement de toekomst schade (€ 351.044) en de fiscaal component Vermeend (€ 41.346) de jaarschade tot aan de eindleeftijd verder gefinancierd en aangevuld dient te worden.
3.10.3.
Ten onrechte maakt de RBDHA en het GHDHA géén onderscheid tussen kapitaal uit een overlijdenschadevergoeding en de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Zonder zich zekerheid te verschaffen over de fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak. Ofte toetsen aan de parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 en personenschade jurisprudentie. Indien uw Raad zou oordelen dat de wetgever wel heeft beoogd om de wettelijk vastgelegde criteria, fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen aan personenschade gerelateerde overlijdensschadezaken geen onderscheid te maken met de gemiddelde box 3 belastingbetaler, en dit verifieerbaar is de parlementaire wetsgeschiedenis, des te nadrukkelijk neen. Stelt [X] dat de wettelijk vastgelegde criteria bij overlijdenschadevergoedingen wel in strijd zijn met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM).
3.10.4.
De wettelijke basis en criteria bij overlijdensschade ligt bij overlijdenschade rechtspraak. Voor de schadeberekening is rekening gehouden met de contante waarde, fiscale component, rekenrente (3% reëel risicorij spaarrendement) en inflatiecompensatie rekening. Hieraan ligt een wettelijke basis. Door het kapitaliseren van de schade ontvangt de nabestaande een grote som ineens, waarover vermogensrendementsheffing betaald moet worden. De Raad wordt verzocht een bindende uitspraak te doen op rechtsherstel op grond van de vaste criteria bij letsel-en overlijdenschadezaken, EU-verordeningen, artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM).
3.10.5.
Dit cassatieberoep valt niet onder de massaalbezwaarprocedure. Maar ziet toe op de onherstelbare impact box 3 belastingheffing over de jaren 2001 t/m einde looptijd 2052 bij overlijdensschade rechtspraak. En de daarmee onlosmakelijk verbonden wettelijk vastgestelde criteria op grond van artikel 6:108 BW. jurisprudentie en rechtswetenschappelijke literatuur. Daarmee in strijd met de beginselen van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Met als resultaat in een lange reeks van jaren van een individuele en buitensporige zware last. Als gevolg van het discutabele box 3-heffing over de jaren 2001 t/m de begrote looptijd van de jaarschade (eindjaar 2052) op individueel niveau.
3.11. Verzuim toetsing inbreuk eigendomsrecht
In dit cassatieberoep staat de toetsing van een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht overlijdenschadevergoeding, zoals neergelegd in artikel 1 EP (EVRM) van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens (hierna: EVRM) centraal. Met name de reikwijdte en waarborgen van de proportionaliteitstoets bij overlijdensschade zaken op individueel niveau in samenhang met analogie van het ‘Kerstarrest’ ligt hier ter beslissing voor bij de Raad. Dit cassatieberoep is niet gegrond op de massaalbezwaarprocedure noch op stelsel niveau, noch op Wet rechtsherstel box 3 noch alleen over de jaren 2017 en 2018. Het box 3-stelsel voldoet niet aan de bij overlijdenschade rechtspraak wettelijk vastgestelde criteria. Grondrechtelijk is van belang of ontwerp van het box 3-stelsel op basis van wettelijk vastgestelde criteria bij overlijdenschadezaken in strijd is met het EVRM, daarmee discriminatoir en/of confiscatoir wordt belast. Het rendement uit een overlijdensschadevergoeding dient pas vastgesteld te worden nadat eerst is voldaan aan alle wettelijk vastgestelde criteria bij overlijdensschade rechtspraak. Het box 3-stelsel staat ver af van bij overlijdensschade rechtspraak vastgelegde criteria.
Toelichting
3.11.1.
Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen: artikel 1 EVRM. Zowel de RBDHAals het GHDHA hebben bij het beroep IB-2016 het belang van EU-verordeningen vanaf het ontwerp van de Wet IB-2001 miskent. Dat herhaalt zich ook bij IB-2017 t/m 2019. Indien het gevorderde of verzochte niet worden onderzocht en beslist, is er sprake van een schending van artikel 1 EP (EVRM). wat ook van toepassing is op de Awb Nederland heeft geen gebruik gemaakt van de Opt Out bij het EVRM. Ook rechters behoren niet zelf te bepalen of ze de ‘Akte’ wel of niet willen behandelen zonder ze niet-ontvankelijk te verklaren of in het dictum een gemotiveerd oordeel te geven waarom ze niet worden behandeld.
3.12. Verzuim toetsing wet op svsteemfout anders dan Artikel 11 Wet algemene bepalingen
[X] heeft het vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2022:14234) d.d. 22 december 2022 bij het GHDHA bestreden, wegens het onbehandeld laten van de ‘Akte’ door de RBDHA. [X] heeft bij het GHDHA daartegen een grief gericht. Het GHDHA heeft verzuimd om de ‘Akte’ in hoger beroep het gevorderde en verzochte te behandelen. Wat is strijd is met de devolutieve werking van het hoger beroep. Meer in het bijzonder dat [X] bij het GHDHA heeft benadrukt dat de RBDHA in het dictum niet heeft gemotiveerd waarom zij de ‘Akte’ heeft gepasseerd. [X] heeft bij de RBDHA een klacht ingediend en is op proces technische redenen afgewezen omdat het bestuursrecht niet vergelijkbare mogelijkheden biedt naar analogie van artikel 31 Rv en artikel 32 Rv. Het GHDHA had bij de beoordeling daarvan op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep deze grief inhoudelijk moeten behandelen en beslissen.
Toelichting
3.12.1.
De RBDHA en het GRDHA beroepen zich op artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. De Raad van State heeft d.d. 18 mei 2002 een artikel gepubliceerd: ‘Wet alleen aan evenredigheid toetsen als wetgever niet alles onder ogen heeft gezien’. Zie: Raad van State: (link) en de conclusie bij alinea 10 van de A-G (link) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3:4 lid 2 Awb. De RBDHA en het GRDHA wist althans behoorde wetenschap te hebben van de conclusie van de A-G en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3:4 lid 2 Awb. In dat geval kan ook de belastingrechter de wet wél toetsen aan rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dat adviseert staatsraad advocaat-generaal Gerbrant Snijders in zijn conclusie d.d. 18 mei 2022 over een wettelijke bepaling in de Wet kinderopvang.
3.12.2.
[X] heeft zich vanaf IB-2016 beroepen in bezwaar en beroep op een tekortkoming in het systeem van box 3-stelsel in samenhang met overlijdenschadevergoedingen, met een verzoek tot individuele behandeling. Eerst in algemene zin en bij IB-2019 specifiek nader gemotiveerd op een systeemfout in het ontwerp van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001.
3.12.3.
Het begrip systeemfout noopt tot een nadere toelichting. Daarvoor is inhoudelijk wetenschap nodig van de bij jurisprudentie vastgestelde systematiek van de bij letsel- en overlijdenschade wettelijk vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen. En overige vastgestelde criteria en veronderstelde uitgangspunten zoals het grote belang van de rekenrente, inflatiecorrectie, contante waarde, jaarschade en de fiscaalcomponent. En hoe dat in de praktijk leidt tot onvoorziene en onbillijke benadeling. Daarbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen de tot 2020 in de rechtspraak gehanteerde 3–6 rekenmodel en vanaf 2021 met de: ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’ van LOVCK/LOVCH door het loslaten van 6-3-norm. Uitgangspunt tot 2020 was dat bij overlijdenschadezaken werd uitgegaan van 3% risicovrij reëel spaarrendement. Er werd uitgegaan dat met het rendement van de som ineens de toekomstige jaarschade (gederfd levensonderhoud en de fiscaal component) met 3% risicovrij reëel spaarrendement over de gehele looptijd gefinancierd kan worden. Bij [X] is dat 52 jaar. Zie voor een beter begrip de tabel 5 bij randnummer: 5.3 t/m 5.3.4 (‘Belastbaar inkomen uit snaren en beleggen: rendementsarondslag (5.6 t/m 5.9).
3.12.4.
Ten onrechte bestaat door gebrek aan wetenschap bij lagere fiscale belastingrechtspraak en leden van de Tweede Kamer het beeld dat zowel de toekomstige jaarschade en de fiscaalcomponent als een totale eind schadevergoeding in de som ineens is inbegrepen. Waarbij de fiscaal component geen ongevalsschade is en niet valt onder de gebruikelijke belastinggarantie die aansprakelijkheidsverzekeraars hanteren voor box 1. Er wordt miskent om onderscheid te maken tussen het begroten van de toekomstige jaarschade en het contant maken van de schade. Bij aan personenschade gerelateerde overlijdenschadezaken wordt toegezien op het contant maken van de begrote toekomstige jaarschade. [X] is zowel benadeeld in het rendement voor het financieren van de toekomstschade als benadeling in het financieren van de toekomstige fiscale component (belastingschade). Niet voorzien in de overlijdenschadevergoedingen zijn de niet ongeval gerelateerde fiscale wijzigingen t.o.v. bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde criteria, welke civielrechtelijk rechtskracht heeft. Fiscale heffingen zoals de forfaitaire rendementsheffingen in box 3.1, vermogensmix box 3.2 en verhogingen van box 3 inkomstenbelastingen. Zie voor een beter begrip van de criteria en impact op de overlijdenschadevergoeding de randnummers: 3.13 t/m 3.13.8. (Toetsingscriteria, artikel 11 Wet algemene bepalingen versus artikel 3:4 lid 2 Awb).
3.12.5.
Het GHDHA heeft verzuimd om de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is inhoudelijk te behandelen. Alsmede het gestelde in de ‘Akte’ niet te toetsen aan de beginselen van ‘legitimate aim’, ‘fair balance’ en ‘proportionaliteit’. Zie: (Productie D1). zie (link). Om daarmee te onderzoeken of het ingebrachte feitencomplex steun vindt in een individuele buitensporige zware last.
3.12.6.
Op grond van artikel 8:69 Awb diende zowel de RBDHAals het GHDHA over de hele omvang van het geschil, dus alle beroepsgronden te bespreken en heeft de wettelijke taak een uitspraak te doen:
- 1.
De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
- 2.
De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
- 3.
De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
3.12.7.
Ook heeft het GHDHA verzuimd de belangen van [X] af te wegen aan de onevenredige nadelige gevolgen ten aanzien van de wettelijk vastgestelde criteria, fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschadezaken. Zoals naar analogie is af te leiden uit artikel 3:4 lid 2 Awb. Noch heeft getoetst aan artikel 1 EP (EVRM). In beide gevallen is bij het GHDHA op basis van de ‘Akte’ niets gebleken.
3.13. Toetsingscriteria, Artikel 11 Wet algemene bepalingen versus Artikel 3:4 lid 2 Awb
Het GHDHA verschuilt zich ten onrechte achter artikel 11 algemene bepalingen. Een beroep op toetsingscriteria dient in een bredere context geplaatst te worden zonder een strikt beroep op artikel 11 Wet algemene bepalingen te doen. Ook een beroep op (artikel 11 Wet algemene bepalingen) overstijgt niet het belang van EU-Verordeningen van artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) en artikel 6 (EVRM). Zoals de HR dat bij het' Kerstarrest’ heeft toegepast. Lidstaten dienen te voldoen aan EU-Verordeningen. Door ondertekening van de EU-verdragen heeft Nederland zich gecommitteerd aan implementatie en naleving van EU-wetgeving. EU-recht heeft vaak rechtstreekse werking en heeft voorrang boven het nationale recht van de lidstaten. De EU-verordeningen maken dat er géén onderscheid bestaat tussen een groot aantal andere geschillen, zoals op individueel niveau box 3 belastingbetalers. Zie ook hiervoor r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest, waarbij de HR stelt.
‘De omstandigheid dat dit cassatieberoep voortkomt uit een massaalbezwaarprocedure en de uitkomst daarvan van belang kan zijn voor de beslechting van een groot aantal andere geschillen met de daaraan verbonden uitvoeringsproblemen, kan geen reden zijn rechtsherstel voor belanghebbende op de zojuist genoemde wijze achterwege te laten. ’
Toelichting
3.13.1.
Uitgangspunt zijn de wettelijk vastgestelde criteria overlijdenschadezaken. In de ‘Akte’ wordt verwezen naar wettelijk vormgeven criteria bij overlijdensschadezaken welke met elkaar in causaal verband staan. En waarover het GHDHA op individueel niveau niet heeft beslist waaronder aan de bij personenschade gerelateerde overlijdensschaden rechtspraak vastgestelde criteria:
- •
Wettelijk vastgestelde criteria van fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen
- •
Rekenrente en aanbevelingen OOVCK/LOVCH
- •
Behoud van koopkracht
- •
Wettelijke criteria Inflatiecorrectie (6-3 norm)
- •
Risicovrij reëel spaarrendement
- •
Wettelijke criteria fiscaal component box 3.1 en box 3.2
- •
Waarborg dat gerechtigde zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen
- •
Contante waarde
- •
Einddatum (looptijd van de jaarschade)
- •
Aanbevelingen LOVCK/LOVCH
Bovengenoemde criteria zijn niet weersproken, zodat deze voor toewijzing gereed behoren te liggen.
3.13.2.
Elke fiscale aanpassing in het box 3-stelsel heeft een impact op bovengenoemde criteria en schept een hoge mate van onzekerheid en geen steun vindt in overlijdensschade rechtspraak, jurisprudentie, literatuur en Europese verordeningen. Aanpassingen in het box 3-stelsel heeft ook een impact op de koopkracht en het toekende fiscaal component (belastingschade) onvoldoende zijn.
3.13.3.
Niet verifieerbaar is of de wetgever analyses of onderzoek heeft gedaan naar strijdigheid met criteria van personenschadezaken. Niet onderkent of miskent is de invloed op bovenvermelde criteria bij de wetgever, belastingdienst en belastingrechtspraak bij letsel- en overlijdenschade rechtspraak. Noch onderkent dat er een verschil bestaat tussen het ‘oude’ systeem en nieuwe systeem na de aanbevelingen van de LOCVK/LOVCH bij personenschadezaken vanaf 2021.
3.13.4.
Zo wordt rekenrente niet alleen gebruikt bij personenschadezaken maar ook wordt gebruikt bij verplichtingen van pensioenfondsen, risicovrije staatleningen en is gelijk aan actuele rentes. En heeft tot doel ter voorkoming van toekomstige ongewenste gevolgen. Bij pensioenfondsen geldt dat er voldoende geld in kas moet zijn met het oog op het nog te realiseren rendement om aan de toekomstige verplichtingen (pensioen) te kunnen voldoen. Bij overlijdenschade is het uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente dat met de contante waarde gewaarborgd wordt dat nabestaande zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. Bij [X] is de einddatum 2052. Een ander criteria uit vaste rechtspraak is dat van nabestaande met de som ineens niet gevergd mag worden dat zij risico's nemen door te gaan beleggen om rendement hiervoor te behalen.
3.13.5.
Pensioenfondsen verhogen hun premies als de rekenrentes niet worden gehaald. Bij het box 3-stelsel worden de rendementen en inkomstenbelastingen verhoogd zonder rekening te houden bij overlijdenschadevergoedingen met de ‘oude’ 6-3 norm. Zonder de gevolgen in ogenschouw te nemen van schending van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, de invloed van de rekenrente, inflatie, fiscaal component, contante waarde en koopkracht. En ondermijnen de waarborg dat gerechtigde met de overlijdenschadevergoeding zijn toekomstschade daadwerkelijk kan blijven dragen in een lange reeks van jaren.
3.13.6.
Het GHDHA heeft het belang van rekenrente niet onderzocht, maar speelt het grootste belang voor het vaststellen van de contante waarde. En is het belangrijkste criteria waar bij personenschade rechtspraak wordt uitgegaan. De rekenrente bepaalt de hoogte van de contante waarde. Hoe lager de rekenrente hoe hoger de contante waarde en hoe lager de rekenrente hoe hoger de contante waarde is. Verzekeraars moeten slachtoffers van langdurige personenschadezaken een hogere schadevergoeding uitkeren. Zie het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (link), welke gehecht is aan de ‘Akte’.
3.13.7.
Voornoemde criteria zijn bij het GHDHA onbehandeld gebleven. Daarmee miskent het GHDHA het grote belang of wil het niet begrijpen, inzake rekenrente, behoud van koopkracht, inflatiecorrectie, risicovrij reëel spaarrendement, waarborg dat gerechtigde zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen, contante waarde en de einddatum, (looptijd).
3.13.8.
[X] hecht eraan te benadrukken dat het belangrijk is een onderscheid te maken tussen het begroten van de toekomstige jaarschade en het contant maken van die schade. In de ‘Akte’ zijn overlegd de ‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’ van LOVCK/LOVCH in de jaren: 2021.2022. 2023). Zowel de RBDHA als het GRDHA hebben dat onbehandeld gelaten. Tot 2020 werd uitgaan van 6% nominaal rendement en 3% inflatiecorrectie, als standaard 6-3 norm gebruikt bij overlijdensschade rechtspraak.
3.14. Wettelijk vastgestelde criteria van fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen
Voor een beter begrip en inzicht te krijgen wat de waarborgen en doelstellingen zijn van overlijdenschadezaken en alles wat daarmee verbonden en gehecht is, is inhoudelijke wetenschap van de criteria een voorwaarde bij overlijdensschadezaken noodzakelijk. Voor begrip in de onderliggende begrotingsmethodiek en de daarmee onlosmakelijk verbonden fundamentele rechten is inzicht noodzakelijk. Zie: ‘Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen’ (link)
Toelichting
3.14.1.
Het feitencomplex dateert van 24 september 1998. De kernvraag die daarbij aan de orde is, of de wetgever bij het wetsontwerp van het box 3 stelsel van de Wet IB-2001 de bij overlijdenschade rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement over een lange reeks van jaren diende te respecteren. Om vervolgens met het voornoemde rendement de toekomstschade vanaf 2001 t/m 2052 te kunnen financieren.
3.14.2.
In de uitspraak van de d.d. 24 december 2021 ‘Kerstarrest’ heeft de HR, aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. Bij [X] gaat het ook over fundamentele rechten maar ook nog eens op wettelijke basis. En naar analogie van r.o. 3.6.4, van het ‘Kerstarrest’ toepasbaar op het onderhavige geschil.
3.14.3. Rangorde rechtspraak (nationaal versus EU-verordeningen)
Het arrest van het GRDHA mag niet in strijd zijn met hogere wetgeving. In het algemeen geldt dat EU- verdragen bovenaan de rangorde staan, gevolgd door landelijke wetgeving zoals de Grondwet, Algemene wet bestuursrecht, Wmo, ministeriële besluiten en regelingen en tot slot de provinciale en gemeentelijke verordeningen en beleidsregels.
Toelichting
3.14.4.
Wat betekent dat artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) de ruimte biedt om buiten artikel 11 Wet algemene bepalingen om aanspraak te maken aan het gestelde in voornoemde EU-artikelen. Mede op grond van het ‘Kerstarrest’ behoorde het GHDHA te voldoen aan de devolutieve werking van het hoger beroep, en de ‘Akte’ moeten behandelen. Binnen het Awb staat daar ook artikel 3:4 lid 2 Awb en artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb voor open. Ten onrechte heeft het GHDHA het beroep op artikel 1 EP (EVRM) afgewezen en dient hersteld te worden, omdat het in strijd is naar analogie het ‘Kerstarrest’ en r.o. 3.6.4
3.15. Verzuim toetsing svsteemfout ontwerp box 3-stelsel Wet IB-2001
Het ontwerp van het box 3-stelsel is in een rechtstaat niet acceptabel is omdat er geen rekening is gehouden met de bij overlijdensschade rechtspraak vastgestelde criteria. Het box 3-stelsel van het wetsontwerp van de Wet IB-2001 deugt niet en bevat al vanaf 2001 een ontwerpfout, door [X] eerder aangeduid als een systeemfout. Deze wet leidt bij overlijdenschadezaken in de praktijk tot een disproportionele inbreuk een heeft een confiscatoir en willekeurig, karakter. Bovendien op grond van artikel 14 (EVRIVO discriminatoir, door ongelijke gevallen zoals overlijdenschadevergoedingen gelijke wijze fiscaal te behandelen met de gemiddelde box 3 belastingbetaler.
Het box 3-stelsel voldoet niet aan de wettelijke gestelde fundamentele rechten waarborgen en doelstellingen bij overlijdensschade rechtspraak. Zie in het algemeen de conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) bij de Hoge Raad: Niessen d.d. 4 februari 2016: (ECLI:NL:PHR:2016:41) en Wattel d.d. 18 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:655. Zowel voor box 3.1 (2001 t/m 2016) als box 3.2 (vanaf 2017) en vanaf 2023 de Wet rechtsherstel box 3 gelden dezelfde argumenten bij overlijdenschadezaken. De wetgever heeft bij het ontwerp van de Wet IB-2001 een aantal bij overlijdenschade rechtspraak wettelijk vastgelegde criteria niet voor ogen gehad. Welke alles omvattend zijn voor het begroten van de contante waarde en het realiseren van de waarborgen en doelstellingen van overlijdensschade rechtspraak. Waarvan het feitencomplex ligt vóór het inwerking treden van de Wet IB-2001. Ook heeft de wetgever niet voor ogen gehad hoe dit in de praktijk desastreus uit heeft gepakt.
Toelichting
3.15.1.
Zonder in strijd te komen met artikel 11 Wet algemene bepalingen, heeft het GHDHA niet willen onderzoeken dat de wetgever bij het wetsontwerp niet voor ogen heeft gehad dat destijds bij overlijdenschade begrotingjarenlang werd uitgegaan van de standaard 3–6 norm (3% rekenrente), over de volledige looptijd van het financieren van de toekomstschade. Zoals behoud van koopkracht d.m.v. inflatiecorrectie. Het LOVCK/LOVCH is vanaf 2021 overtuigd geraakt dat de rekenrente voor 3% voor het vaststellen van de contante waarde nieuwe aanbevelingen behoeft. En zijn de aanbevelingen en inzichten rigoureus gewijzigd en meer aansluiten op de praktijk. Het LOVCK/LOVCH erkent hiermee dat de wettelijk vastgestelde criteria van de 6-3 norm tot 2020 niet meer aansluiten op de werkelijke praktijk. En bevestigen de conclusies van de Advocaat-Generaal (A-G) en LOVCK/LOIVCH de klachten van [X] sinds IB-2016. Primair wist de wetgever, althans behoorde te weten dat het verband tussen heffingsgrondslag box 3 voorzienbaar en onvermijdelijk in strijd is met artikel 1 EP (EVRM). En subsidiair de wettelijk vastgestelde criteria bij overlijdenschade rechtspraak. Door het ontbreken van inflatiecorrectie en koopkracht (reëel risicovrij spaarrendement) in het box 3-stelsel. En daarmee de beoogde criteria van waarborgen en doelstellingen tot behoud van de koopkracht onherstelbaar ondermijnen. De wetgever had juist bij overlijdenschadezaken rekening moeten houden met een impact over de onvoorspelbaarheid van macro-economische ontwikkelingen, dat de vermogensrendementsheffing geen disproportionele inbreuk maakt op het in artikel 1 EP (EVRM) gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. De wetgever schendt om voor haar doelmatigheidsredenen daarmee op ernstige wijze de schending van EU-verdragsrechten. En het nu aan de Raad is om te voorzien in het ontstaande rechtstekort, door de bij overlijdenschaderechtspraak vastgelegde criteria van de fundamentele rechten, waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak te respecteren en volledig rechtsherstel te bieden.
3.15.2.
[X] betoogd dat hij op grond van een ontwerpfout (systeemfout) in de Wet IB-2001 rechtsherstel dient te worden verleend over de jaren 2001 t/m 2052. Voornoemde ontwerpfout voldoet niet aan de wettelijk gestelde criteria bij overlijdenschade rechtspraak, en daarmee in strijd met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) en voornoemd artikel 17. Zie randnummer: 3.16 t/m 3.16.1 (‘Te vorderen nadeelcomoensatie/rechtsherstel’) hetgeen [X] vordert en nader motiveert.
3.15.3.
Daar waar het ‘Kerstarrest zich met terugwerkende kracht richtte op de jaren 2017 en 2018, valt niet in te zien waarom dat niet met terugwerkende kracht zou gelden bij overlijdenschadezaken vanaf 2001. Nu onweersproken vaststaat dat de wetgever bij het tot stand komen van de Wet IB-2001 de wettelijk vastgestelde criteria en bepaalde omstandigheden in de praktijk niet onder ogen heeft gezien. Zie naar analogie wat advocaat-generaal G. Snijders in zijn conclusie van 18 mei 2022 (link) over een wettelijke bepaling in de Wet kinderopvang heeft geadviseerd aan de staatsraad. Met verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel als bedoelt in artikel 3:4 lid 2 Awb. Zie Raad van State: (link). Het GHDHA heeft verzuim hieraan inhoudelijk te toetsen en is discriminatoir in de zin van artikel 14 (EVRM) en had bij het GHDHA moeten leiden tot volledig rechtsherstel. Zie ook hetgeen het GHDHA zelf heeft verwezen bij r.o. 24: (ECLI:NL:GHSHE:2022:3806). De wettelijke bepaling in de Wet IB-2001 naar analogie van de Wet kinderopvang maakt dat op grond van artikel 3:4 lid 2 Awb niet anders.
3.15.4.
Systeemfout in het ontwerp Wet IB-2001, pakt onredelijk en onrechtvaardig uit. Met een systeemfout wordt bedoeld een fout in het wetsontwerp Wet IB-2001, welke onredelijk en onrechtvaardig uitpakken bij kapitaal uit een overlijdenschadevergoeding. Ook is de box 3-heffing op stelsel niveau in de inkomstenbelasting en ook na het ‘Kerstarrest al jarenlang een bron van geschil en discussie.
3.15.5.
Tevens hebben na de invoering van box 3.1 ingrijpende wijzigingen plaatsgevonden in rendementen, inflaties en belastingheffingen, die de regering niet heeft geactualiseerd. Enerzijds door vanaf 2001 t/m 2010 belasting te heffen over het gemiddelde vermogen van 1 januari en 31 december van het kalenderjaar. En vanaf 2011 over het brutovermogen op 1 januari van het kalenderjaar. Vanaf 2017 met de invoering van box 3.2 met een stapeling van ficties. Na 2021 met de Wet rechtsherstel box 3 om het in lijn te brengen met het ‘Kerstarrest, leiden tot nog diepgaander onredelijker en onrechtvaardigere box 3-heffingen op overlijdensschadevergoedingen. Waarbij de regering nog steeds géén rekening heeft willen houden met het aanpassen van box 3 op basis van overlijdenschade rechtspraak, EU-verordeningen, economische ontwikkelingen van spaarrente, inflaties en geschillen welke structureel wringen met overlijdenschade rechtspraak. Zoals bij rechtspraak vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement, (rekenrente) en de impact op het schadeonderdeel van de fiscaal component, (belastingschade). Waarbij kapitaal uit overlijdensschadevergoedingen op individueel niveau een ernstige inbreuk is op het ongestoord genot op het eigendom. En zich nog sterker laat voelen dan bij de massaalbezwaarprocedure gerichte grieven op stelsel niveau.
3.16. Te vorderen nadeelcompensatie/rechtsherstel
[X] heeft substantieel nadeel geleden van € 238.228 over de fiscale kalenderjaren 2001 t/m 2022, en daarbij is nog niet inzichtelijk de fiscale consequenties 2023 t/m 2052. De risico's van rente- en inflatieontwikkelingen heeft tot gevolg dat [X] te veel over de kalenderjaren 2001 t/m 2022, tussen de € 60.000 en € 70.000 box 3 belasting heeft betaald. Een gevolg van de rente- en inflatieontwikkelingen is ook dat de uitgekeerde contante waarde aan fiscaalcomponent (belastingschade) van €41.346 onvoldoende is om aan box 3-heffing te voldoen. [X] is als gevolg ook te kort gekomen de fiscaal component. En te veel aan box 3-heffing betaald. Wat gesaldeerd betekent aan ondervonden nadeel wat de wetgever is aan te rekenen.
Toelichting
3.16.1.
[X] vordert rechtsherstel van aan te veel betaalde box 3-heffing en betaald de fiscaal component, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf IB-2001 tot algehele voldoening. Het verlies aan koopkracht een door de verwijzingsrechter naar redelijkheid en billijkheid te bepalen nadeelcompensatie. Vanwege het niet weersproken feit dat de wetgever bij het wetsontwerp van de Wet IB-2001 verzuimd heeft om de wettelijk vastgestelde criteria bij overlijdenschade te respecteren.
3.17. Verzuim toetst proportionaliteit, leqtimate aim en fair balance
Voorts richt het cassatiemiddel zich tegen het verzuim van het GHDHA om niet op individueel niveau op grond van de ‘Akte’ en niet te toetsen op grond van proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ en het ontbreken van een tegenbewijsregeling. Het GHDHA heeft in strijd met het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ op basis van de jaren 2017 t/m 2018 op grond van de Wet rechtsherstel box 3 beslist. Noch dat het GHDHA op grond van een overlijdenschadevergoeding versus het box 3-stelsel heeft onderzocht op strijdigheid met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). Het verzuim komt voort dat het GHDHA in strijd met devolutieve werking van het hoger beroep het gevorderde of verzochte in de: ‘Akte’ verzuimd heeft te behandelen.
Toelichting
3.17.1.
Het GHDHA heeft verzuimd om uitspraak te doen over het aangevoerde feitencomplex door géén kennis te nemen van de inhoud van de ‘Akte’. En verzuimt zich uit te spreken over een toets aan ‘proportionaliteit’, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ door de RBDHA. Ten onrechte heeft het GHDHA dat afgedaan met een beroep op de uitspraak van het beroep IB-2016 bij het GRDHA d.d. 9 april 2019, (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). Het GHDHA heeft verzuimd om te verifiëren of de beroepen IB-2017 t/m IB-2019 in samenhang met de ‘Akte’ en het ‘Kerstarrest feitelijk vergelijkbaar zijn met IB-2016. Ten onrechte heeft het GHDHA het beroep op EU-verordeningen artikel 1 EP (EVRM) in onderlinge samenhang met artikel 14 (EVRIVO afgewezen. Het GHDHA heeft verzuimd het gestelde bij r.o. 3.2.2, van het ‘Kerstarrest’ in overweging te nemen:
‘Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. ’
3.17.2.
Het proportionaliteitsbeginsel bij box 3.1 en box 3.2 laat zich bij overlijdenschadezaken sterker voelen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler. De Wet IB-2001 voorziet ook niet in alle bijzondere gevallen en dat is een tekortkoming en zelfs het ontbreken van een tegenbewijsregeling in de Wet IB-2001 maakt het onmogelijk daar tegen verweer te voeren. Dat ondermijnd de rechtsbescherming van overlijdensschade rechtspraak en leidt tot rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid. Uit de: ‘Memorie van Toelichting’ (link), alinea: 6.3.7 valt af te leiden dat er géén mogelijkheid bestaat van een tegenbewijsregeling in Wet IB-2001.
In een globaal forfaitair heffingssysteem zoals het forfaitaire rendement past geen tegenbewijsregeling voor situaties waarin het werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Er is bewust voor gekozen om de hoogte van het forfaitaire rendement op een zodanig niveau vast te stellen (4%) dat iedereen in staat is om, zeker indien dit over een wat langere periode wordt bezien, dit rendement zonder risico te kunnen behalen. Vanuit dit perspectief bezien kan een tegenbewijsregeling achterwege worden gelaten. ’
3.17.3.
Van het bovenstaande blijkt dat het wetsontwerp slechts op eenzijdig wijze is gericht op het vullen van de schatkist. En elk risico van economische recessie, rente- en inflatieschommeling over een langere periode wordt neergelegd bij de belastingplichtige. Noch dat uit de Memorie van Toelichting van de Wet IB-2001 valt af te leiden dat op individueel niveau een debat heeft plaatsgevonden over uitzonderlijk, onbillijke of onredelijke gevolgen. Daarmee ook artikel 1 EP (EVRM) in beeld komt door inbreuk en schending van het eigendomsrecht. De Wet rechtsherstel box 3 maakt dat ook nog niet anders voor overlijdenschadezaken.
3.18. Verzuim toetsing wetsgeschiedenis en verdraasrechteliike EU-verordeninaen
Ten onrechte heeft het GHDHA, kapitaal uit een overlijdenschadevergoeding niet willen toetsen aan verdragsrechtelijke EU-verordeningen en de uitvoerige parlementaire wetsgeschiedenis van de totstandkoming van Wet IB-2001 en staat een toetsing artikel 11 Wet algemene bepalingen niet in de weg. De wetgever heeft bij het tot stand komen van het box 3-stelsel van de Wet IB-2001 de wettelijk gestelde criteria bij overlijdenschade rechtspraak niet onder ogen gezien. De kernvraag die daarbij aan de orde is of de wetgever bij het tot stand komen van het box 3-stelsel, versus de bij overlijdensschade rechtspraak zich heeft gerealiseerd van het belang van de bij overlijdenschade rechtspraak wettelijke vastgestelde criteria. Waaronder de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen inflatiecorrectie en behoud van koopkracht middels de 6-3 norm (risicovrij reëel spaarrendement). En de wetgever verzuimd heeft deze criteria in de Wet IB-2001 te respecteren. Door [X] vanaf IB-2016 geduid als een systeemfout box 3. Ook heeft de wetgever niet onder ogen gezien de onevenredigheid op basis van de bij overlijdenschade wettelijk vastgestelde criteria van waarborgen en belangen versus de gemiddelde box 3 belastingbetaler door fiscaal over één kam te scheren. Uit de parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 valt niet af te lijden dat de wetgever daarover een debat heeft gevoerd.
Toetsing aan de parlementaire wetsgeschiedenis en EU-verordeningen worden in arresten van hoven en de Hoge Raad regelmatig naar verwezen. Bij een beroep op de fiscale aspecten bij overlijdenschadevergoedingen maakt dat niet anders.
Toelichting
3.18.1.
Het cassatiemiddel richt zich op de parlementaire wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 als primair steunbewijs. [X] doelt daarbij op de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 en de Wet rechtsherstel box 3. In de parlementaire wetsgeschiedenis is géén enkel aanknopingspunt te vinden dat de wetgever primair heeft beoogd in het parlementair debat bij het ontwerp van het box 3-stelsel en de Wet rechtsherstel box 3 te toetsen aan de rechtmatigheid en strijdigheid met artikel 1 EP (EVRM). Inhoudende (onteigening) inbreuk op het eigendomsrecht. En subsidiair de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement van overlijdensschade rechtspraak te respecteren in het box 3- stelsel. En stemt artikel 17 Handvest Grondrechten van de EU (het recht op eigendom) overeen met artikel 1 EP (EVRM). Hetgeen betekent dat [X], buiten zijn verantwoordelijkheid, wordt geconfronteerd met een onherstelbare individuele excessieve zware last. Vanwege schending van wettelijk vastgelegde criteria (risicovrij reëel spaarrendement, behoud van koopkracht over de volledige begrote looptijd) bij overlijdenschade rechtspraak. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001 is af te leiden dat de wetgever daarover niets heeft overwogen en beslist en een rechtelijke toets niet kan weerstaan. Vergelijk de overwegingen en beslissingen in het ‘Kerstarrest’.
3.18.2.
Feit is dat de wetgever bij het ontwerp van beide wetten (zoals blijkt uit de parlementaire wetsgeschiedenis), niet op alle gevallen toegesneden zijn. De wetgever heeft niets overwogen over het bieden van gerechtigheid en rechtsbescherming op individueel niveau en heeft ten onrechte alles over één kam geschoren. Ook heeft de wetgever bij beide wetsontwerpen géén oog gehad op inbreuk op de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement bij overlijdenschade rechtspraak. De wetgever heeft niets beslist of overwogen over het uitsluiten of beperken van mogelijke risico's bij bijzondere gevallen als deze leiden tot uitzonderlijke, jaarlijks terugkerende onbillijke of onredelijke gevolgen op individueel niveau. En de weg voor beroep en bezwaar op individueel niveau afgesneden met het verbod op een tegenbewijsregeling, bij situaties waarin in de personenschade rechtspraak wordt uitgegaan van risicovrij reëel spaarrendement, versus het forfaitaire rendement in box 3.1 en box 3.2. De wetgever heeft verzuimd de vermogenstaks (periodiek) te evalueren inzake de redelijk verwachte gevolgen van rente-, inflatieontwikkelingen en fiscale aanpassingen voor box 3 betalers. En verzuimd om het mogelijk te maken om bij bijzondere gevallen af te wijken op individueel niveau. Met name personenschadezaken vóór 2001 waar rente en inflatie (rekenrente) en de fiscaal component van cruciaal belang zijn om te waarborgen dat nabestaanden zijn toekomstschade daadwerkelijk kan blijven dragen. Reëel rendement geeft de koopkracht aan en is bij personenschadezaken juist de garantie tot het waarborgen van doelstelling om de toekomstschade en het tekort aan belastingschade (fiscaal component) te kunnen blijven financieren.
3.18.3.
Ook voorziet de Wet IB-2001 niet in een overgangs- of nadeelcompensatieregeling, waarvan het feitencomplex ligt vóór 2001 en vanaf 2001 voor bijzondere gevallen. Ook heeft de wetgever verzuimd na het ‘Kerstarrest’ de aanbevelingen rekenrente van LOVCK en LOVCH te betrekken in de Wet rechtsherstel box 3 en daarvoor een periodieke regeling op te nemen. Zodat de box 3-heffing meer aansluiting vindt op werkelijk rendement met inflatie bij sparen en beleggen. In plaats uit te gaan van een gemiddeld fictieve verdeling tussen sparen en beleggen met een forfaitair rendement. Ook uit de Memorie van toelichting van de Wet Rechtsherstel volgt dat het nieuwe box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement wordt ingevoerd, maar niet duidelijk is of dat ook inflatiecorrectie betreft.
3.18.4.
In de belastingrechtspraak wordt uitgegaan dat sinds de invoering van de Wet IB-2001 het uitgangspunt was het behalen van een gemiddeld risicovrij reëel rendement over een langere periode. Miskent daarbij is dat onder risicovrij reëel rendement in het economisch verkeer wordt bedoeld spaarrendement inclusief inflatiecorrectie. Zoals bedoelt bij overlijdenschade rechtspraak. Ten onrechte is binnen de Wet IB-2001 en de Wet rechtsherstel géén aansluiting te vinden voor inflatiecorrectie.
3.18.5.
[X] wordt op individueel niveau met box 3 onrechtmatig geconfronteerd met een buitensporige zware last, omdat de box 3 niet voorziet in inflatiecorrectie, reëel rendement dus. Zie wat destijds de voormalige minister Zalm heeft gesteld inzake reëel rendement (Productie XXI). pagina 26 en 27, stuknummer: 012-640-257, welke gehecht is aan de ‘Akte’, (link). Sedert de uitvoering van het box 3 stelsel is géén ruimte voor reëel rendement.
3.19. Verzuim onderzoek individuele en buitensporige last. (Eigendomsrecht)
[X] wordt geconfronteerd met een belastingdruk van ver boven de 100% van werkelijk gerealiseerd rendement. Zie tabel 1 (Productie X) welke gehecht is aan de ‘Akte’, (link). En ondermijnd daarmee de waarborgen die de wetgever, LOVCK/LOVCH en rechtswetenschappelijke literatuur met artikel 6:108 BW voor ogen heeft. Ten onrechte stelt het GHDHA dat in het eerste en tweede aanleg bij het beroep van [X] géén sprake is van een individuele, buitensporige last, noch schending van ‘fair balance'en ‘legitimate aim’.
Toelichting
3.19.1.
In tegenstelling tot de ontkenning van het GHDHA is er aantoonbaar sprake op individueel niveau van een individuele buitensporige zware last. Maar de RBDHA en GHDHA hebben verzuimd op individueel niveau te toetsen aan proportionaliteit of er sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 EP (EVRM). Ook gaat het GHDHA voorbij aan de schending van artikel 14 (EVRM) door ongelijke gevallen gelijk te behandelen. Daarmee scheert het GHDHA in box 3 op stelsel niveau en op individueel niveau over één kam en dat is discriminatoir. Zie randnummers: 3.27.3 t/m 3.27.6 (‘Fiscaal rechtsherstel, rechtsbescherming bij overlijdenschadezaken’), hierna.
3.19.2.
Het GHDHA heeft zoals ze zelf verwijst naar (HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, BNB 2021/149) verzuimt het gestelde in de ‘Akte’ op individueel niveau te toetsen. Zie r.o. 4.3.3 van HR 2 juli 2021:
‘De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. ’
3.20. Belastingdruk confiscatoir karakter IB-box 3 boven de 100%
Beleggingen zijn discutabel, de wetgever heeft zich bepaalt niet terughoudend opgesteld door géén rekening te houden met voorkeuren, risicobereidheid, kennis en ervaringen met belegging strategieën van de willekeurige box 3 belastingbetaler. Noch de wetgever verifieerbaar heeft aangetoond op welke feiten zij tot hun keuze zijn gekomen van de te behalen rendementen en de verdeling tussen sparen en beleggen. Voorkeuren, kennis en ervaringen met beleggingen zijn sterk van invloed op te behalen rendementen die beleggers daadwerkelijk kunnen halen. Dit heeft tot gevolg dat de rendementen die zowel op stelsel als individueel niveau onderling sterk kunnen afwijken.
Toelichting
3.20.1.
Zie: (ECLI:NL:PHR:2016:41) d.d. 4 februari 2017, (link)- De A-G is van mening dat als de heffing wordt gezien als een netto-vermogensbelasting, deze een confiscatoir karakter krijgt indien de effectieve belastingdruk ten aanzien van de werkelijke inkomsten uit het vermogen meer dan 100% bedraagt. Dan wordt een belastingplichtige immers gedwongen in te teren op diens vermogen.
3.20.2.
Zie ook: Tabellen (link) ‘Forfaitair rendement versus werkelijk rendement 2002 t/m 2021’ (Productie X). welke gehecht is aan de ‘Akte’, (link)
3.20.3.
Uit (Productie X) is onweersproken af te leiden dat [X] geconfronteerd met fiscale discriminatie in het kader van box 3 met een belasting die ver boven de 100% ligt. En daarmee fundamenteel in strijdt is met de waarborgen en doelstellingen van overlijdenschade rechtspraak. Bij een beroep op discriminatie is voorts niet of minder van belang of er sprake is van een individuele, buitensporige last, maar alleen al op grond van artikel 14 (EVRM) een reden zou moeten zijn voor rechtsherstel.
3.20.4.
[X] wenst op grond van proportionaliteit niet meer belasting te betalen dan de 6-3 norm die uit de overlijdensrechtspraak valt af te leiden. Bovendien in strijd met artikel 1 EP (EVRIVO.
3.20.5.
Uit (ECLI:NL:HR:2015:812. NBB 2015/174) r.o. 2.3.2, d.d. 3 april 2015 volgt in het algemeen gesteld:
‘Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. ’
3.20.6.
Zodat de uitspraak d.d. 3 april 2015 in lijn ligt met de latere ‘Kerstarrest r.o. 3.6.4. bij een beslechting van belasting van verhuurde woningen. Bij [X] ligt de belasting over het rendement ver boven de 100% ligt. Daarmee sprake is van een disproportionele inbreuk op (en daarmee van een schending van) het eigendomsrecht. Zodat er onmiskenbaar sprake is dat [X] wordt geconfronteerd met een buitensporige zware last en daarmee in strijd met artikel 1 EP (EVRIVO. Wat zou moeten leiden tot rechtsherstel.
3.20.7.
Daarnaast op grond van het verbod op discriminatie van artikel 14 (EVRM) is het van belang dat overlijdensschade belastingplichtige niet over één kam worden geschoren met de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Bij elke individuele zaak is een test aan proportionaliteit, ‘legtimate aim’ en ‘fair balance’ bepalend of er sprake is van een buitensporige zware last. Het GHDHA heeft dat nagelaten. Zodat de HR in de onderhavige zaak wegens nalatigheid van de wetgever kan ingrijpen met een prospective overruling, zie. A.G. Niessen: ECLI:NL:PHR:2016:41 d.d. 4 februari 2017, (link).
3.21. Verzuim toetsing financieren toekomstschade (gederfd levensonderhoud)
Noch de wetgever, noch Belastingdienst en het GHDHA hebben niet willen begrijpen dat het financieren van de toekomstschade een lange looptijd (einddatum) heeft. En tussentijdse fiscale wijzigingen een negatieve impact heeft. Waarbij de looptijd fiscaal geen onderscheid wordt gemaakt voor tussentijds fiscale aanpassingen, zoals box 3.2 en de Wet rechtsherstel box 3. Het financieren van de toekomstschade is gegrond op jaren eerder vastgelegde criteria bij overlijdenschade rechtspraak vastgelegde criteria. Door op stelsel niveau de box 3-heffingen te verhogen in tegenspraak met de vastgelegde criteria bij overlijdensschadezaken is er sprake van ontneming van voomoemde criteria en een ernstige inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1 EP (EVRM) en artikel 17 Handvest Grondrechten van de EU. Publicatieblad van de Europese Unie C 303/17 — 14.12.2007.
Toelichting
3.21.1.
Eveneens heeft de wetgever, Belastingdienst en het GHDHA niet onder ogen willen zien dat met de wettelijk gestelde criteria met het rendement van de som ineens: (€ 351.044) van de contante waarde, en het rendement van de som ineens van de fiscaal component (€ 41.346) respectievelijk de toekomstschade van gederfd levensonderhoud en de fiscaal component gefinancierd moet worden. En als gevolg van het box 3-stelsel de belastingdruk meer dan 100% bedraagt, over een lange reeks van jaren vanaf 2001 t/m 2052, zie in de rechtspraak gehanteerde Audalet-rekenstandaard, (link).
3.21.2.
Het GHDHA heeft voor een beter begrip het belang van gederfd levensonderhoud van [X] niet onder ogen willen zien. Het vorderen van gederfd levensonderhoud is geen ‘gelopen race’ gebleken. Dit maakt tevens duidelijk dat de wetgever bij het ontwerp van het box 3-stelsel elke fiscale gelijkstelling met kapitaal van de gemiddelde box 3 belastingbetaler elke feitelijke en juridische grondslag mist. Niet alleen zuiver fiscale juridische argumenten in samenhang met wettelijk vastgelegde criteria, kwalificatie van het onderliggende feitencomplex, onrechtmatige daad, vorderingsgerechtigheid van artikel 6:108 BW, parlementaire wetsgeschiedenis behoren een rol te spelen. Zie: hiervoor kortheidshalve randnummer: 3.22 (‘Civiele procedure vorderen gederfd levensonderhoud’).
3.22. Civiele procedure vorderen gederfd levensonderhoud
De partner van [X] [A] heeft op 24 september 1998 meegedaan aan een bedrijfsuitje, waarbij zij onder verantwoordelijkheid van een evenementenbedrijf afdaalde van een zogenaamde tokkelbaan. Daarbij werd verzuimd om gebruik te maken van een, wel aanwezig zekeringskoord; [A] is van een hoogte van 10 meter naar beneden gevallen en overleden. [X] heeft het evenementenbedrijf aansprakelijk gesteld en ondermeer kosten van gederfd levensonderhoud gevorderd, zoals bedoelt op grond van artikel 6:108 BW. Het feitencomplex van het ongeval is nooit ter discussie geweest.
Toelichting
3.22.1. Bodemprocedure eerste aanleg
In de bodemprocedure heeft de Rechtbank Roermond bij tussenvonnissen d.d. 20 december 2001, 14 maart 2002, 16 juli 2002 een aantal deelbeslissingen genomen voor een basis van uitgangspunten voor een berekening van het schadebedrag. Vanwege de door partijen in het geding gebrachte schadeberekeningen zodanig van elkaar afweken, heeft de Rechtbank Roermond in haar vonnis d.d. 14 maart 2002 beslist om zich door een deskundige te laten adviseren. De Rechtbank Roermond deed 5 september 2002 uitspraak. De wederpartij is veroordeeld in de proceskosten. De wederpartij heeft op basis van uitspraken van de Rechtbank 5 deel betalingen gedaan tot een totaal van € 227.979,24. Zie overlegde: (Productie 15) bij de ‘Akte’. De wederpartij heeft bij een tussen vonnis aangekondigd bij de eerste gelegenheid in hoger beroep tegen het vonnis te zullen komen.
3.22.2. Berusting
[X] wenste te berusten in de uitspraak in eerste aanleg, maar de AVB- verzekeraar stelde hoger beroep in, [X] moest daar noodgedwongen in mee. [X] had de wederpartij nog een voorstel gedaan onder behoud van de schadevergoeding door de AVB- verzekeraar door te procederen om het principiële standpunt van de AVB- verzekeraar uit te procederen. De AVB-verzekeraar accepteerde het voorstel niet.
3.22.3. Kort geding
Vanwege hoge kosten van juridische rechtsbijstand, dubbele woonlasten en [X] duidelijkheid wenste om zijn nieuwe woning te kunnen betrekken en de al jarenlang voortslepende procedure had [X] een direct financieel spoedeisend belang. En heeft bij dagvaarding van 6 mei 2002 een kort geding ingesteld. Omdat de wederpartij zich principieel opstelde omdat naar haar mening de wet nog niet uitgekristalliseerd zou zijn. [X] vorderde gederfd levensonderhoud, en gedeeltelijk toegewezen door de Rechtbank Roermond, vermeerderd met de wettelijke rente. De Rechtbank Roermond deed d.d. 23 mei 2002 uitspraak in kort geding. En verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De rechter acht termen aanwezig om de proceskosten te compenseren.
3.22.4. Bodemprocedure tweede aanleg
De AVB-verzekeraar is van het vonnis van de Rechtbank Roermond in appél gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Zij heeft daarin, in strijd met haar eerdere uitdrukkelijke erkenning, betwist dat aan de voorwaarden van artikel 6:108 BW lid 1 sub c is voldaan en zij heeft de stelling betrokken dat hetgeen aan [X] aan voorschotten en op grond van de Rechtbank Roermond is betaald, door [X] dient te worden terugbetaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf IB-2001, tot aan de dag der algehele voldoening. [X] heeft verweer gevoerd en van zijn kant incidenteel appél ingesteld. De ingediende grieven zien alle op de hoogte van de door de Rechtbank Roermond toegewezen bedragen. Hetgeen [X] leidde tot de rand van een privé faillissement.
In zijn arrest van 15 juni 2004 heeft het Gerechtshof Den Bosch geoordeeld dat de vordering van [X] in verband met gederfd levensonderhoud niet voor toewijzing vatbaar is. Het GHDHA of heeft (ondermeer) in zoverre het vonnis van de Rechtbank Roermond vernietigd en opnieuw rechtdoende [X] veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen het evenementenbureau, althans haar AVB-verzekeraar, meer is betaald (rente inbegrepen) dan in appél aan [X] is toegewezen. Compenseert de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.22.5. Hoge Raad
[X] heeft bij de Hoge Raad bij dagvaarding d.d. 14 september 2004 cassatie ingesteld. De HR heeft d.d. 16 december 2005 bij de beoordeling van het middel arrest gewezen en op grond van artikel 6:108 BW de eis van [X] gegrond verklaart en het bestreden arrest van het gerechtshof Den Bosch vernietigd en verwezen naar het gerechtshof Arnhem ter verdere behandeling en beslissing. Veroordeelt de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
3.22.6. Mediation
[X] had geen financiële middelen, althans niet om en een nieuw ongewis juridisch avontuur aan te gaan bij het gerechtshof Arnhem. En moe gestreden het hoofd in de schoot gelegd. Vervolgens heeft [X] de AVB-verzekeraar, buiten advocaten om benaderd. Dit heeft geleid na een aantal briefwisselingen en twee persoonlijke gespreken geleid tot een door de AVB-verzekeraar te betalen mediation. Binnen een halve dag d.d. 27 april 2007 zijn partijen tot een vaststellingsovereenkomst gekomen tot aanvullende lumpsum nabetaling van € 200.000. Wat na betaling van de AVB-verzekeraar op basis van het vonnis van de Rechtbank Roermond afgerond van € 227.979 en een lumpsum bedrag van € 200.000 leidt tot een totaal aan overlijdenschadevergoeding van € 427.979. De begrootte schadevergoeding bedroeg aan:
• | Verschenenschade (1998–2000) | € | 47.343 |
• | Toekomstige schade 2001 t/m 2052 | € | 351.044 |
• | Fiscaal component Vermeend 2001 t/m 2052 | =€ | 41.346 |
• | Totaal | € | 439.732 |
Voor zover relevant is er uiteindelijk ten opzichte van de schadebegroting: € 439.732, minus ontvangen schade: € 427.979 een bedrag van € 11.753 minder ontvangen na ruim 8 jaar procederen Een positiever resultaat dan met advocaten.
3.22.7. Kosten van juridische rechtsbijstand
[X] heeft tot aan het arrest van de Hoge Raad afgerond € 192.000 aan kosten voor juridische rechtsbijstand betaald. Waarvan € 50.000 geput uit de overlijdenschadevergoeding uit het vonnis van de Rechtbank Roermond voor de juridische kosten in eerste aanleg en het hoger beroep. Voor het overige uit eigen middelen gefinancierd. En voor het financieren voor cassatie € 20.000 bij derden geleend. Voor het geval de Raad het arrest van het gerechtshof Den Bosch zou volgen en [X] daarmee financieel in de problemen zou komen. [X] heeft aan proceskostenvergoeding gesommeerd € 17.999,20 ontvangen. Zonder advocaten heeft [X] de schadevergoeding weten te verhogen middels een vaststellingsovereenkomst met de AVB-verzekeraar met een lumpsum bedrag van € 200.000. Gesaldeerd € 427.979 exclusief de kosten van juridische rechtsbijstand en overige niet vergoede schadeposten.
3.22.8. Overige schadeposten
[X] heeft zijn nieuwbouwhuis wat als 5 jaar onbewoond heeft gestaan wegens juridische kosten, dubbele woonkosten en noodgedwongen moeten verkopen tegen een ruim € 150.000 lagere marktprijs om een privé faillissement te voorkomen. [X] is met mentale problemen definitief uit het arbeidsproces geraakt met carrière, inkomens- en pensioenopbouw verliezen. Verder zijn er niet meegerekende de kosten van financiële adviezen, makelaars, dubbele verzekeringskosten, jarenlange leegstandskosten van de nieuwe woning.
Nettoresultaat overlijdensschade vergoeding na 8,5 jaar procederen:
• | Overlijdenschadevergoeding van de Rechtbank Roermond | € | 227.979 |
• | Lumpsum na mediation | € | 200.000 |
• | Proceskostenvergoeding | € | 18.000 |
• | Kosten juridische rechtsbijstand | € | -M 92.000 |
• | Minder opbrengsten verkoop woning | € | -/- 150.000 |
Verrekening aflossing hypotheek | € | 90.000 | |
Dubbele woonlasten | € | PM | |
Overige kosten | € | PM | |
Carrière en pensioenopbouw verlies | € | PM | |
Resultaat | € | 193.979 |
3.23. Ontneming door dubbele belastingschade (fiscaal component Vermeend)
Om het belasten van de overlijdenschadevergoeding van box 3 op te vangen wordt naast de contante waarde als schadeonderdeel een bedrag uitgekeerd ter dekking van de toekomstige belastingheffing: de fiscale component Vermeend. Aan de basis van de berekening van de fiscaal component staat de rekenrente en het box 3-stelsel vanaf 2001 t/m 2052. Er is met de schadebegroting géén rekening gehouden met wijzigingen met toekomstig inkomstenbelasting box 3 en daarmee onlosmakelijk verbonden rendementen die volgen uit box 3.1 (vanaf 2001 t/m 2016 en box 3.2 vanaf 2017. Noch met de laatste ontwikkelingen met de Wet rechtsherstel box 3. Als gevolg is het uitgekeerde bedrag fiscaal component onvoldoende om aan de belastingheffing te kunnen voldoen. Daarmee is strijd met de wettelijk vastgelegde criteria van de fiscaal component.
Toelichting
3.23.1.
Toekomstige fiscale herzieningen box 3-heffingen zijn niet meegenomen in de wettelijk vastgestelde criteria zoals de contante waarde in samenhang met de rekenrente en de fiscaal component. Het leidt tot een verhoging van de belastingschade. Het behoort aan de wetgever om de bij wettelijk vastgestelde rechtspraak criteria te respecteren tot aan einde looptijd.
3.23.2.
Het uitgekeerde bedrag van de fiscaal component wordt ten onrechte als kapitaal belast in box 3. Feitelijk betaald [X] over de fiscaal component (belastingschade) weer IB-box 3 belasting, en dat is ontneming door weer belasting te betalen over belastingschade.
3.23.3.
Het box 3-stelsel is ook op grond van een onrechtvaardige ontneming bij overlijdensschade van staatswege een ernstige inbreuk op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). Bij overlijdensschade is in de rechtspraak erkent dat als gevolg van de som ineens een schade onderdeel wordt opgenomen ‘fiscaal component’ (belastingschade) om aan de box 3-heffing te voldoen. Maar niet aansluit op de ingrijpende gewijzigde en discutabele fiscale wetgeving waardoor het schade onderdeel ‘fiscaal component’ ontoereikend is of uit het rendement van de som ineens aan het schadeonderdeel belastingschade te voldoen. En [X] moet bijbetalen uit box 1 of uit box 3 welke géén onderdeel is van de overlijdensschadevergoeding.
3.23.4.
Ook hier is met de aanbevelingen LOVCK/LOVCH vanaf 2021 sprake van rechtsontwikkeling om in de praktijk ontstane onredelijke en onbillijke gevolgen te herstellen. Zodat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer/nabestaande zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. Bovendien mag van het slachtoffer niet gevergd worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Zie randnummer: 3.24 ('Rekenrente en aanbevelingen LOVCK/LOVCH’).
3.24. Rekenrente en aanbevelingen LOVCK/LOVCH
De belangen van rekenrente zijn groot. Vergelijk de 6-3 rekenrente met de aanbevelingen van LOVCK/LOVCH voor de jaren 2021 t/m 2023. LOVCK/LOVCH heeft de rekenrente in drie periodes ingedeeld van 0–5 jaar, 6–20 jaar en > 20 jaar waarbij alle jaren de rekenrente negatief of nul zijn. Dat maakt ook dat het schadeonderdeel fiscaal component bij nieuwe personenschadezaken de wettelijk basis gaat vervallen en de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen wordt belast. Van enige vorm van een benadering van break even rendement, zoals bij box 3.1 en box 3,2 en de Wet rechtsherstel box 3 is geen aansluiting te vinden met de 6-3 norm. Bij [X] is uitgegaan van 3% risicovrij reëel spaarrendement over 52 jaren. Zie: Productie: XIX (Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente‘ (link), welke gehecht is aan deJAkte’. Ten overvoede het uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente is dat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan blijven dragen. Zie: ‘Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente’, (link).
Toelichting
3.24.1.
De aanbevelingen van LOVCK/LOVCH is een mooi voorbeeld waar [X] tegenaan loopt dat het reëel risicovrij spaarrendement vanaf 2001 t/m 2022 het rendement van het box 3-stelsel op individueel niveau leidt tot een negatief reëel spaarrendement. Dit leidt tot een onrechtmatige overheidsdaad met een gelegaliseerde inbreuk op het eigendomsrecht, zoals bedoelt in artikel 1 EP (EVRIVO. In het algemeen kan worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Bovendien in strijd naar de letter en geest waarborgen en doelstellingen voor behoud van de koopkracht bij overlijdensschade rechtspraak.
3.24.2.
Onderstaande tabel geeft de berekening aan van letsel- en overlijdenschade zaken aan met de fiscale component oude stijl tot en met 2052 en de nieuwe stijl.
Tabel 1: Aanbevelingen LOVCK/LOVCH rekenrente
2021 | 2022 | 2023 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Periode | Rente | Inflatie | Reëel | Rente | Inflatie | Reëel | Rente | Inflatie | Reëel |
0–5 jaar | 0% | 1,5% | -1,5% | 0% | 2% | -2% | 0,5% | 2% | -1,5% |
6–20 jaar | 1,3% | 2% | -0,7% | 0,5% | 2% | -1,5% | 1% | 2% | -1% |
>20 jaar | 2% | 2% | 0% | 1,5% | 2% | -0,5% | 1,5% | 2% | -0,5% |
Tabel 2: Rekenrente overlijdensschade bij [X]
Reëel | Reëel | ||
|---|---|---|---|
2001 | ---------------------------------------t/m------------------------------------------------ | 2052 | |
52 jaar | 3% | ---------------------------------------t/m------------------------------------------------ | 3% |
3.24.3.
Het doel van reëel risicovrij spaarrendement bij overlijdenschadezaken dient om met het rendement van de som ineens het verlies aan koopkracht en de fiscaal component (belastingschade) over de jaren 2001 t/m 2052 te compenseren. De ervaring leert dat de doelstellingen en de effecten van het box 3-stelsel op overlijdenschade bij de wetgever en in de belastingrechtspraak nog steeds niet duidelijk zijn. Het reëel risicovrij spaarrendement is ook niet gerespecteerd in het ontwerp van de Wet IB-2001 en leidt tot verlies aan koopkracht en de fiscaal component. Met het Box 3-stelsel legt de rijksoverheid alle risico's van rente-inflatieontwikkelingen en verhogingen van inkomstenbelasting box 3 over alle kalenderjaren bij gerechtigde met een overlijdensschadevergoeding. Terwijl de wetgever en personenschade rechtspraak juist uitgaat van risicomijdende uitgangspunten zoals: inflatiecorrectie, risicovrij reëel spaarrendement en schadevergoeding van de fiscaal component gebaseerd op 3% reëel rendement. Bij [X] is dat over de jaren 2001 t/m 2052.
3.24.4.
Bij letselschade gaat het om verdienvermogen en bij overlijdenschade om gederfde inkomsten en de begrippen behoefte en behoeftigheid. Welke niet van toepassing zijn bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Een proportionaliteitstoets op de onderhavige casus laat de impact zien op de intering op de schade-uitkering, zie: (Productie D1). zie (link).
3.24.5.
Bij overlijdenschade rechtspraak is tot 2020 uitgegaan van de standaard 6-3 norm. Voorts is rekening gehouden met de wettelijke basis van inflatiecorrectie en de fiscaal component op basis van de van destijds in de rechtspraak gebruikelijke 6-3 norm, (3% rekenrente). In het geschil is dat in de wet IB-2001 bij box 3 géén rekening is gehouden met inflatiecorrectie en het meerdere van de fiscaal component indien de box 3 heffing hoger is dan de 3% rekenrente. Wat leidt bij overlijdensschade zaken tot onherstelbare en ernstige inbreuk op de schadevergoeding.
3.24.6.
Vastgesteld is dat het bij personenschadezaken gaat om risicovrij reëel spaarrendement en niet om beleggingen. Indien bestaande(n) of slachtoffers vooreen deel willen beleggen maakt dat reëel rendement niet anders, en dient ook rekening gehouden te worden met inflatiecorrectie.
3.25. Verzuim toetsing legitimate aim, fair balance, proportionaliteit
Op stelsel niveau is volgens het GDDHA een inbreuk gerechtvaardigd indien deze cumulatief aan de volgende eisen voldoet. De inbreuk moet een wettelijke basis hebben (lawful), een doelstelling in het algemeen belang dienen (legitimate aim), en er moet een redelijk evenwicht bestaan tussen de legitieme doelstelling van algemeen belang en de gemaakte inbreuk (fair balance). Proportionaliteitstoetsen kunnen ook voorkomen bij een groot aantal andere geschillen zoals de HR heeft overwogen in het ‘Kerstarrest’. Zie r.o. 3.6.4. Noch de RBDHA noch het GHDHA op verzuim van de devolutieve werking van het hoger beroep hebben aan deze toetsen op individueel niveau niet voldaan. [X] is daarmee direct in zijn rechtsbelang getroffen. [X] verwijst in de ‘Akte’ nadrukkelijk naar het toetsen aan proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ op individueel niveau.
Toelichting
3.25.1.
Bovengenoemde toetsen gelden ook op individueel niveau zoals bij overlijdensschadezaken. En dat de inbreuk en schending van het eigendomsrecht leidt tot een individuele buitensporige zware last bij een overlijdenschadevergoeding. Welke zich in box 3 expliciet over een lange reeks van jaren zich sterker laat voelen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Niet alleen box 3.1 en box 3.2 -heffingen, maar ook het niet compenseren van de inflatie tasten de koopkracht onherstelbaar aan. Waardoor de doelstellingen van door box 31 en box 3.2 en het niet compenseren van inflatie de overlijdenschadevergoedingen verdampt. Door middel van de rente en inflatie wordt de toekomstige schade herrekend naar een bedrag op dit moment.
- a)Legitimate aim
Is een inmenging van een overheidsinstantie in het recht op ongestoord genot van eigendom en kan slechts worden gerechtvaardigd indien deze inmenging een legitiem of algemeen doel dient.
- b)Fair balance
Er is geen sprake van fair balance als box 3.1, box 3.2 en de Wet rechtsherstel box 3 op individueel niveau leidt tot een individual and excessive burden. Dat laat zich bij overlijdenschadezaken zich nog sterker voelen dan op stelsel niveau van de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Zie: (Productie D1).
- c)Proportionaliteitstoets
Ook bij een overlijdenschadevergoeding dient getoetst te worden of er een redelijke verhouding bestaat tussen het beoogde doel en proportionaliteit
3.25.2.
Bij het ‘Kerstarrest’ doet de HR een proportionaliteitstoets, waarbij ook het in artikel 14 (EVRM) neergelegde discriminatieverbod in beeld komt. De HR overweegt bij r.o. 3.2.2:
‘Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat de zojuist genoemde ‘fair balance’ respecteert’ en of er ‘een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen’.
3.25.3.
Het GHDHA had naar analogie van het ‘Kerstarresf hieruit steun kunnen vinden om op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep overlijdenschade van [X] een inhoudelijke proportionaliteitstoets uit te voeren over de aangevoerde feiten in de ‘Akte’ op grond van individueel niveau. In plaats zich op stelsel niveau te richten op de uitgangspunten van de gemiddelde box 3 belastingbetaler en daarmee het gestelde in de ‘Akte’ onbehandeld heeft gelaten.
3.26. Ten onrechte rekening houden met totale vermogenspositie en volledige inkomen
In de uitspraak van de RBDHAd.d. 21 juni 2018 inzake IB-2016 stelt de RBDHA bij r.o. 7 n.a.v. de box 3 heffing dat ‘Eiser beschikte in 2016, anders dan bijvoorbeeld het geval was in het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:511)namelijk overeen goed inkomen en overeen aanzienlijk vermogen.’ Verder bij r.o. 8’ ‘Dat als gevolg van de van box 3-heffing over overlijdensschade ook het vermogen van eiser zelf moet worden aangesproken maakt dat niet anders.’ De RBDHA geeft hiermee blijk niets begrepen te hebben van de bij overlijdensschade rechtspraak vastgelegde wettelijke criteria.
Toelichting
3.26.1.
Rekening houden met totale vermogenspositie en het volledige inkomen, is in strijd met informatie van de Belastingdienst wat valt af te leiden uit ‘Boxen en Tarieven’. [X] verwijst hiernavolgend naar de integrale tekst:
‘Er zijn verschillende soorten inkomen. Voor de inkomstenbelasting zijn deze verdeeld in 3 groepen (boxen) met ieder een eigen tarief:
Box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning
Box 2:belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 3 : belastbaar inkomen uit sparen en beleggen
U kunt 3 belastbare inkomens hebben: in box 1, in box 2 en in box 3. Hoeveel inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen u verschuldigd bent, berekent u door op de belastbare inkomens de tarieven toe te passen. De inkomsten worden per box behandeld en zo veel mogelijk per box belast. Dit betekent het volgende:
Elk soort inkomsten valt in 1 box. Uw inkomsten worden dus niet dubbel belast. Voor het belastbare inkomen in box 1, 2 en 3 gelden verschillende tarieven.
U kunt een negatiefinkomen (verlies) in de ene box niet verrekenen met een positief inkomen in een andere box. ’
3.26.2.
[X] mogen verwijzen naar de integrale tekst: ‘U kunt een negatief inkomen (verlies) in de ene box niet verrekenen met een positiefinkomen in een andere box’. Zodat de verwijzing naar HR 2 juli 2021, (ECLI:NL:HR:2021:1047. BNB 2021/1491 al genoeg reden is tot discussie en niet toepasbaar is op het individuele niveau wat [X] in de ‘Akte’ aan het GHDHA heeft voorgelegd.
3.26.3.
Ten onrechte overweegt en beslist het GHDHA dat de gevolgen van box 3-heffing moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van betrokkene en verwijst hiervoor bij r.o. 5.15.1 en 5.15. 2 met verwijzing naar bovenvermeld arrest HR 2 juli 2021. Daarmee is r.o. 4.3.3, van HR 2 juli 2021 in strijd met het gestelde in ‘Boxen en tarieven’ inhoudende richtlijnen van de Belastingdienst.
3.26.4.
Ten onrechte heeft de Inspecteur eerder de stelling gedeponeerd dat er genoeg overige inkomsten zijn om de box 3 heffing te kunnen betalen. Dat is de wereld op z'n kop. Verliezen van box 3 kunnen niet verrekend of gecompenseerd worden met box 1 en box 2. Wat betekent dat een negatief inkomen (rendement) in box 3 niet verrekend kunnen worden met een positief inkomen uit box 1 of box 2. Deze stelling geeft weer dat de Inspecteur blijk geeft niets begrepen te hebben van de wettelijke fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement bij overlijdenschadezaken.
3.26.5.
Ten onrechte heeft het GHDHA haar oordeel gegeven op grond van het stelsel niveau in de massaalbezwaarprocedure bij r.o. 5.13.9. Dat na vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen, geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat is niet wat [X] heeft voorgelegd aan het GHDHA. Het GHDHA heeft haar oordeel gegeven op grond van het stelsel niveau in de massaalbezwaarprocedure bij r.o. 5.13.9. Dat na vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen, geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat is niet wat [X] heeft voorgelegd aan het GHDHA in de ‘Akte’.
3.26.6.
Ten onrechte verwijst de RBDHA en het GHDHA naar de uitspraak van het GHDHA IB-2016 d.d. 9 april 2019 van [X], (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). Deze uitspraak is niet te vergelijken met het gestelde in de ‘Akte’ noch op individueel niveau met de beroepen IB-2017 t/m IB-2019. Te kort, veel te kort door de bocht is de uitspraak van het GHDHA gericht op het stelsel niveau op grond van de massaalbezwaarprocedure en beslist ten onrechte dat moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van betrokkene dat daarmee géén sprake is van een buitensporige zware last.
3.26.7.
Uit andere arresten volgt weer indien er sprake is van schending van het eigendomsrecht onder de reikwijdte van artikel 1 EP (EVRM) er sprake moet zijn van een individuele buitensporige last, die over een langere tijd wordt bezien zich sterker laat voelen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler er rechtsherstel volgt. Het hangt dus niet af of rekening gehouden moet worden met het totale vermogen en het volledige inkomen. Maar behoort af te hangen van op de concrete omstandigheden van het individuele geval. [X] heeft onweersproken aangetoond dat hij is ingeteerd op zijn overlijdenschadevergoeding, als gevolg van een discutabele box 3 stelsel. Welke bovendien vanaf 2001 in strijd is met artikel 1 EP (EVRM). Vanwege het feit dat [X] niet beschikt over het achterliggende rekenmodel van de Audalet schadebegroting, heeft [X]. Meer tijd nodig ,wat hem niet door de griffie is gegund.
3.26.8.
Het GHDHA heeft heel selectief gekeken naar het feitencomplex in het hoger beroep. Door de ‘Akte’ niet te behandelen is in strijd met de devolutieve werking van het hoger beroep en ondermijnd daarmee, niet alleen het vertrouwen in het GHDHA maar in de hele rechtspraak.
3.27. Gerechtshof gebrek aan wetenschap overliidenschade rechtspraak
De wetgeving, rechtspraak en rechtswetenschappelijke literatuur zijn heel robuust. Ook de LOVCK en LOVCH zijn helder hun adviezen t.a.v. de rekenrente en doelstellingen bij personenschadezaken. [X] heeft dat uitvoerig toegelicht met producties en verwijzingen in de ‘Akte’ en in dit cassatieberoepschrift. Bovendien zijn er inhoudelijke verschillen in rekenrente vóór en na de aanbevelingen van LOVCK/LOVCH en benaderen de werkelijkheid en bevestigen daarmee de wettelijk gestelde criteria van de waarborgen en doelstellingen bij personenschadezaken.
Toelichting
3.27.1.
De RBDHA en het GHDHA hebben alle schijn tegen aan een gebrek aan wetenschap bij overlijdenschade gerelateerde zaken, althans zijn niet op individueel niveau onderzocht en beslist. Dat is te wijten aan het verzuim om zich in te lezen in de ‘Akte’. Indien de RBDHA en het GHDHA zich goed hadden ingelezen, is het aannemelijk om te veronderstellen dat zij tot een evenwichtiger besluit waren gekomen.
3.27.2. Klachten 1 en 2 tegen het arrest van het GHDHA
[X] wenst het arrest van het GHDHA niet onweersproken te laten en is een integraal onderdeel met de wijze waarop het GHDHA is omgegaan met het belang van overlijdenschade bij het hoger beroep. Zie hiervoor randnummer: 44 (‘Klacht 1: Oordeel van de Rechtbank’) en randnummer: 5 (‘Klacht 2: Beoordeling van het hoger beroep’).
3.27.3. Fiscaal rechtsherstel, rechtsbescherming bij overliidenschadezaken
Verzoekt de Raad tot vernietiging van het arrest d.d. 4 november 2023. Het bieden van rechtsherstel en rechtsbescherming op grond van individueel niveau van niet bestreden wettelijk vastgelegde (fiscale) criteria aan personenschade gerelateerde overlijdenschade rechtspraak vanaf 2001, in samenhang met verdragsrechtelijke verordeningen. Te vermeerderen met de wettelijke rente tot de datum van algehele voldoening.
Toelichting
3.27.4.
Bij de vraag of sprake is van discriminatie op grond van artikel 14 (EVRM). doen ander ‘juridische gebreken’ er niet toe. Derhalve is niet van belang of box 3.1 tot 2016 en box 3.2 vanaf 2017 nu wel of niet inbreuk maakt op het eigendomsrecht van belastingplichtigen met een overlijdenschade-uitkering. De centrale juridische vraag is of verschillende gevallen onrechtvaardig over één kam worden geschoren. Door het schenden van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij spaarrendement bij overlijdenschade rechtspraak op individueel niveau gelijk te stellen op stelsel niveau met de gemiddelde box 3 belastingbetaler is er sprake van discriminatie.
3.27.5.
Schending van artikel 14 (EVRM) zou direct moeten leiden tot rechtsherstel bij een uitspraak in cassatie. Van een stelsel dat onverenigbaar is met het discriminatieverbod kan niet gezegd worden dat het de fair balance respecteert. Zie: ‘Kerstarresf d.d. 24 december 2021 r.o. 3.2.2.
3.27.6.
Door van de bepaling van het forfait uit te gaan van gemiddelde historisch behaalde rendementen wordt niet aangesloten bij de werkelijkheid, bij rechtspraak overeengekomen rekenrente de (6-3) standaard norm. Waarmee de rechtsspraak de redelijke verwachting heeft gewekt dat zonder risico's over 52 jaar een reëel risicovrij spaarrendement mogelijk zou
moeten zijn. Het box 3-stelsel creëert hiermee een diepgewortelde ongelijke behandeling, welke eveneens discriminatoir is. Zie: ‘Kerstarresf d.d. 24 december 2021 r.o. 3.3.5 en r.o. 3.5; maar verder teruggaat vanaf 2001 en doorloopt tot 2052.
3.28. Tweede woning niet verhuurde tweede woning in Nederland
Het bezit van een in Nederland gelegen tweede woning, leidt tot belastingheffing in box 3. Bij het bepalen van de rendementsgrondslag voor onroerend goed wordt in box 3 in beginsel uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Voor de waardering van de tweede woning geldt echter de WOZ-waarde. Deze is gelijk aan de werkelijke waarde op 1 januari van het jaar vóór het jaar van aangifte. Eventuele huuropbrengsten zijn geheel onbelast en kosten die verband houden met de verhuur van de tweede woning zijn niet aftrekbaar.
Toelichting
3.28.1.
Een niet verhuurde tweede woning is in strijd met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht van artikel 1 EP (EVRM) en artikel 14 (EVRM).
3.28.2.
Het ‘Kerstarrest’ bij r.o. 3.6.4, biedt naar analogie mogelijkheden voor rechtsherstel in Box 3 heffing voor een tweede niet verhuurde woning op grond van de proportionaliteitstoets en artikel 1 EP (EVRM). De waarde van de tweede woning wordt gesteld op de WOZ-waarde en belast met een regiem van ficties in box 3.
3.28.3.
[X] beschikt over een tweede (geërfde) woning in Nederland, die niet wordt verhuurd. De Inspecteur heeft deze woning in de jaren 2015 t/m heden in de vermogensrendementsheffing betrokken. [X] is van mening dat een niet verhuurde woning in strijd is met artikel 1 EP (EVRM). Naar analogie met het ‘Kerstarrest’ volgt dat rechtsherstel aan [X] geboden dient te worden. Ook de toepassing van de Wet rechtsherstel box 3 leidt echter niet tot rechtsherstel. [X] verwijst hiervoor naar de uitspraak van de HR d.d. 3 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:812. r.o. 2.3.2:
‘Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. ’
GHSHE d.d. 22 maart 2023, (ECLI:NL:GHSHE:2023:945). r.o. 4.4.
(‘….in redelijkheid niet kan worden gezegd dat het sinds 2017 geldende forfaitaire stelsel de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor dit stelsel is dus geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. De Hoge Raad heeft aanleiding gezien om belanghebbenden adequate rechtsbescherming te bieden tegen de geconstateerde schending van hun fundamentele rechten. ’
3.28.4.
Beide uitspraken betreft het een (tweede) of verhuurde woning. Het gestelde door [X] sluit hierop aan. Zoals ook met rechtsherstel rekening gehouden dient te worden met het ‘Kerstarrest’ r.o. 3.6.4. in de tweede woning in de onderhavige zaak. Zie: r.o. 4.5 van de uitspraak d.d. 22 maart 2023, en in strijd is met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). En [X] geen werkelijk huuropbrengsten (rendement) heeft genoten in de jaren 2015 tot heden en rechtsherstel geboden dient te worden. Zie ook: (ECLI:NL:PHR:2016:41).
3.28.5. Papierenwinst
[X] stelt zich op het standpunt dat een niet verhuurde woning géén rendement biedt en is de papieren waardestijging niet genoten, door geen huuropbrengsten. Papierenwinst behoort niet tot het werkelijk rendement in box 3. Het GRSHE d.d. 22 maart 2023 r.o. 4.9 oordeelt dat zij van mening is dat ongerealiseerde vermogenswinsten, zoals een waardestijging van een woning, niet tot het werkelijke rendement in box 3 behoren. Ongerealiseerde vermogenswinsten passen naar het oordeel van het GHDHA niet binnen de term ‘werkelijk’ behaald rendement’ die de Hoge Raad in het ‘Kerstarresf en zijn arrest van 20 mei 2022 heeft gebruikt. Een dergelijke regel leek op grond van een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit maart 2022 al te gelden bij ongerealiseerde verliezen. In die zaak ging het om beleggingen. Zie ook: (ECLI:NL:GHSHE:2023:945) r.o. 4.9 inzake ongerealiseerde verliezen.
3.28.6. Niet genoten rendement
Niet direct ontvangen/besteed (genoten) privaat rendement op beleggingen behoort niet aangemerkt te worden als werkelijk rendement in de zin van het ‘Kerstarresf. Evenals een privaat niet verhuurde tweede geërfde woning en kan daarom niet gerekend worden tot box 3, omdat er geen direct vermogensopbrengsten en kennelijk volgens het GHDHA: (ECLI:NL:GHSHE:2023:945) ongerealiseerde vermogenswinsten niet meetellen. [X] beroept zich, op rechtsherstel gerichte compensatie op grond van de uitspraak van het Hof Den Bosch voor de tweede woning, omdat er ook bij [X] sprake is van een niet verhuurde tweede woning binnen het belastingjaar. Daarmee kan de per peildatum voor alle jaren gestelde waardestijging of waardedaling van beleggingen of de tweede woning (WOZ- waarde) niet gezien worden als een voordeel uit sparen en beleggen, zolang het niet daadwerkelijk genoten/besteed is. En er met de box 3- heffing sprake is van een individuele en buitensporige last op grond van Europese Verordeningen omdat ingeteerd wordt op box
4. Klacht 1: Oordeel van de Rechtbank
[X] is van mening dat hij zijn stellingen en vorderingen bij de RBDHA en het GHDHA voldoende heeft gemotiveerd en gedocumenteerd. [X] wil met klacht 1 ( ‘Oordeel van de Rechtbank’) en 2 ( ‘Beoordeling van het hoger beroep’) tegen het oordeel van het GHDHA voorkomen om het verwijt te krijgen dat hij verzuimd zou hebben de uitspraak van het GHDHA niet weersproken te hebben of onvoldoende zou hebben onderbouwd. Indien uw Raad van mening is dat [X] de uitspraak van het GHDHA onvoldoende heeft weersproken, moge [X] de Raad verwijzen naar randnummer: 2 t/m 2.1.1 (‘Inzet van het cassatieberoep’).
4.1.1.
Onder voorbehoud van alle rechten en weren zal [X] navolgend ingaan op het: ‘Oordeel van de Rechtbank’. Hetgeen niet betekent, dat niet weersproken onderdelen in het arrest zijn prijsgegeven. Navolgend per onderdeel de klachtomschrijvingen tegen het arrest van het GHDHA, met verwijzingen naar de alineanummers van het arrest:
4.2. De overliidenschadeverqoedinq f3 t/m 10)
De Inspecteur en het GHDHA verzanden op stelsel niveau in dezelfde ridicule en rigide aanpak als bij de toeslagen affaire. In plaats van het gevorderde of verzocht in de ‘Akte’ en de wettelijk vastgesteld criteria bij overlijdensschadezaken te onderzoeken. Met verzuim om op individueel niveau te beoordelen, naar proportionaliteit in samenhang met een individuele buitensporige zware last en artikel 1 EP (EVRM). Hetgeen het GHDHA stelt inzake het box 3-stelsel komt in de parlementaire toelichting van de Wet IB-2001 niet overeen met overlijdenschade rechtspraak, rechtswetenschappelijke literatuur en de aanbevelingen van LOVCK/LOVCH. Het GHDHA heeft in haar arrest slechts gericht op zaken die voortkomen uit de massaalbezwaarprocedure en artikel 3 van de Wet rechtsherstel box 3. En dat is apert niet wat [X] in de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden aan de RBDHA en het GHDHA is voorgelegd
4.3. Toepassing Kerstarrest (11 t/m 23)
Het GHDHA heeft het beroep overlijdenschade op grond van de massaalbezwaarprocedure en het daaropvolgende ‘Kerstarrest’ behandeld op stelselniveau en niet op individueel niveau. De (her)-berekende rendementen is [X] door de RBDHA per brief gedateerd 12 oktober 2022 één werkdag voor de mondelinge behandeling d.d. 17 oktober 2022 per post ontvangen. Voornoemde brief bevatte als bijlage een: ‘Aanvullend verweerschrift’ van de Belastingdienst gedateerd d.d. 1 juli 2022 (link). De RBDHA had verzuimd dit direct door te sturen naar [X]. Dit mogen ook blijken uit het proces-verbaal ter zitting d.d. 17 oktober 2022, hierbij overlegd als (Productie E). (link). [X] heeft daartegen d.d. 16 oktober 2002 schriftelijk online bezwaar gemaakt en is onbehandeld gebleven.
4.3.1.
Uit de brief d.d. 1 juli 2022 versus het arrest d.d. 4 oktober 2023 zit één verschil, zodat [X] niet duidelijk welk voordeel uit sparen en beleggen nu juist is.
Tabel 4: Box 3 correcties
Fiscaal jaar | Brief d.d.1 juli 2022 | Arrest d.d. 4 oktober 2023 |
|---|---|---|
Voordeel uit sparen en beleggen | ||
2017 SGR 20/1251 IB/PVV | € 15.398 | € 15.398 |
2018 SGR 20/4100 IB/PVV | € 15.022 | € 14.909 |
2019 SGR 21/4512 IB/PVV | € 15.347 | € 15.347 |
Zodat [X] in het fiscale jaar 2018 een verschil constateert van € 113. [X] is inzake het hoger beroep gehouden aan de uitkomst van de massaalbezwaarprocedure en de Wet rechtsherstel box 3 op stelsel niveau. En dat is niet wat [X] bij het GHDHA heeft neergelegd. Het GHDHA is expliciet gevraagd een uitspraak te doen over het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’.
4.3.2.
[X] beroept zich op individueel niveau bij overlijdenschade naar analogie van het ‘Kerstarrest’ en aansluiting op toetsing aan proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Het GHDHA heeft het beroep niet op individueel niveau behandeld en ook niet gemotiveerd waarom een beroep niet op individueel niveau is onderzocht en is beslist. Het GHDHA had wetenschap, althans moeten hebben dat r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest’ daartoe handvatten geven voor een individueel niveau. Maar verzuimd heeft om te motiveren waarom het GHDHA niet voldaan heeft aan de devolutieve werking van het hoger beroep.
4.4. Proceskosten en griffierecht (24)
Verwijzing [2] GHDHA naar ECLI:NL:HR:2022:718
4.4.1.
Ook de verwijzing door het GHDHA naar ECLI:NL:HR:2022:718 sluit niet aan op wat [X] op individueel niveau overlijdenschade en systeemfout heeft voorgelegd aan het GHDHA in de ‘Akte’. Niet een beroep op de massaalbezwaarprocedure maar een beroep op de gevolgen en verschillen met de wettelijk vastgelegde criteria bij overlijdenschade rechtspraak versus box 3.1 en box 3.2 over de kalenderjaren 2001 t/m 2022 is in de ‘Akte aan het GHDHA voorgelegd ter beoordeling. Nog belangrijker zijn de wettelijke vastgelegde criteria van fundamentele rechten, waardborgen, doelstellingen inflatiecorrectie en koopkrachtbehoud (risicovrij reëel spaarrendement) bij overlijdenschade rechtspraak versus box 3.1 en box 3.2 stelsel.
4.4.2. Verwijzing [3] besluit Stcrt2022. 17063. V-N 2022/34.3
Het GHDHA verwijst naar aanleiding van de voorgelegde ‘Akte’ in hoger beroep van [X], onbegrijpelijk naar de publicatie in de Staatscourant d.d. 28 juni 2022 van de Staatsecretaris. Daarbij wordt uitgegaan van het stelselniveau van een voordeel uit sparen en beleggen over de kalenderjaren 2017 t/m 2022 die voortkomen uit de massaalbezwaarprocedure en het ‘Kerstarrest’. Dat is niet het feitencomplex in de ‘Akte’ wat [X] heeft voorgelegd aan de Belastingdienst, RBDHA en het GHDHA. Miskent wordt door het GHDHA en ook niet nader in de Wet IB-2001 of de parlementaire wetsgeschiedenis gemotiveerd, wanneer er op individueel niveau bij overlijdenschade sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Bij overlijdenschade is het uitgangspunt niet beleggen, maar is er pas sprake van een voordeel uit sparen bij het meerdere van de wettelijk vastgelegde criteria van risicovrij reëel spaarrendement van 3%. Zowel de Belastingdienst, RBDHA als het GHDHA hebben blijk gegeven zich niet te hebben ingelezen van wettelijk vastgelegde criteria van waarborgen en doelstellingen bij overlijdensschadezaken. Om daarover een rechtelijk besluit te nemen is inhoudelijk wetenschap een absolute voorwaarde van wat de criteria zijn van de wettelijke rechten, waarborgen en doelstellingen bij overlijdensschade rechtspraak.
4.4.3. Verwijzing [4] GHDHA naar ECLI:NL:GHSHE:2022:3806
Het GHDHA verwijst naar het arrest: ECLI:NL:GHSHE:2022:3806 met als motivatie dat GHSHE stelt dat opbrengsten die worden behaald met vermogen dat afkomstig is uit een letselschadevergoeding niet is vrijgesteld van box-3-heffing. Indien het GHDHA zich verder had ingelezen had zij een heel stuk genuanceerder naar het arrest van het GHDHE kunnen kijken. In plaats haar standpunt op vooringenomen wijze in beton te gieten. Het had het GHDHA er juist toe aan moeten zetten om zelf een beslissing te nemen over wat [X] in de ‘Akte’ heeft verzocht en gevorderd bij de RBDHA, in eerste, en het GHDHA in tweede aanleg. Het GHSHE verklaart de box-3-heffing over 2017, onder verwijzing naar het ‘Kerstarresf van de Hoge Raad, in strijd is met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). Het gaat in de uitspraak van GHSHE om rechtsherstel sparen en beleggen uit een letselschadevergoeding. Het GHSHE is uitgegaan van stelsel niveau en heeft de gevolgen van de collectieve uitspraak op bezwaar in zijn oordeel betrokken en geeft aan om rekening te moeten houden met het ‘Kerstarresf. Het GHSHE heeft slechts vastgesteld dat deze letselschadevergoeding niet is vrijgesteld van de box 3-heffing, maar het GHSHE wel zelf rechtsherstel biedt op basis van daadwerkelijk rendement. En daar heeft het GHDHA in de zaak [X] onbegrijpelijk juist niets meegedaan.
4.4.4.
Verder merkt [X] op dat de aangedragen feiten bij het GHSHE bij [X] een andere motivatie heeft dan werkelijk rendement. Maar gegrond zijn op bij overlijdenschade rechtspraak wettelijk vastgestelde vaste criteria. Daarbij is het verschil in motivatie tussen werkelijk rendement zoals bedoelt door het GHSHE en het door [X] voorgelegde risicovrij reëel spaarrendement feitelijk anders. Het beroep in de ‘Akte’ geeft gemotiveerd aan dat met het rendement uit de som ineens dient ter dekking van het behoud van koopkracht en het financieren van de toekomstschade tot aan het eindjaar (looptijd) 2052. Het GHDHA wordt verweten onzorgvuldig en vooringenomen tot een uitspraak te zijn gekomen. De verwijzing van het GHDHA naar de uitspraak van het GHSHE geeft maar weer eens aan dat het GHDHA zich niet heeft ingelezen in het geschil [X] noch in het arrest GHSHA. Elk geschil op individueel niveau is anders en kan niet over één kam worden geschoren, zoals nu het GHDHA pleegt te doen.
4.4.5.
Met het arrest van het GHSHE op basis van het ‘Kerstarrest’ is als fundamenteel uitgangspunt geworden dat, op stelsel als individueel niveau de voorwaarde behoort tot een toetsing of het voorgelegde geschil wel of niet in strijdt is met artikel 1 EP (EVRM) respectievelijk artikel 14 (EVRM). Alsmede een toetsing of er sprake is van een individuele zware buitensporige last, kan het de proportionaliteitstoets doorstaan en is er sprake van schendig van de wettelijke vastgelegde criteria van de fundamentele rechten, de criteria van de waarborgen en doelstellingen van overlijdensschade rechtspraak? Ook hier heeft het GHDHA in de zaak [X] niet aan voldaan.
4.4.6.
Het GHSHE is uitgegaan van het herstelbesluit van de staatssecretaris van Financiën op stelsel niveau n.a.v. het ‘Kerstarrest’. En om die reden geen rechtsherstel biedt voor belanghebbende. Het GHSHE verleent echter wel zelf rechtsherstel en stelt het voordeel uit sparen en beleggen vast op het werkelijk behaalde rendement. Partijen zijn het erover eens dat het werkelijk rendement kan worden vastgesteld op € 36.000. Bovendien gaat het in voornoemde uitspraak over het kalenderjaar 2017. En niet zoals bij [X] op individueel niveau over een lange reeks van jaren van 2001 t/m 2052 op basis van bij rechtspraak vastgestelde wettelijke criteria.
4.4.7.
In tegenstelling met he GHSHE gaat het bij [X] primair over schending van artikel 1 EP (EVRM) en subsidiair op schending van de wettelijk vastgestelde criteria bij overlijdensschade rechtspraak. Inhoudende schending van risicovrij reëel spaarrendement en koopkracht. De gevolgen daarvan waren aanleiding tot en bezwaar en beroepsprocedure IB-2016. [X] betrachte terughoudendheid om dat eerder te doen omdat de toenmalige rechtspraak uitging van rendement over een lange reeks van jaren moet worden beoordeeld. Een beroep zou om die reden kansloos zijn geweest.
4.4.8.
[X] heeft in de ‘Akte’ de schade nog niet kunnen begroten en is het ook aan de feitenrechter om daarvan de uitgangspunten te bepalen. In de vereenvoudigde en geoptimaliseerde (Productie D1) is daar een aanzet voorgegeven.
4.4.9.
Het uitbetaalde fiscaal component (belastingschade) bedraagt totaal € 41.436 bestemd voor de kalenderjaren 2001 t/m 2052, op basis van tot 2020 in de rechtspraak gehanteerde standaard 3–6 norm, inhoudende 3% risicovrij reëel spaarrendement. [X] heeft daarmee onweersproken aangetoond dat er sprake is van een individuele zware buitensporige last. Expliciet gemotiveerd in de ‘Akte’ bij (Primaire grief 1, randnummer: 4 t/m 4.31) met verwijzing naar de bijlagen A t/m H (link), eerder overlegd als (Productie XVIII), stuknummer: 012-640-347-247. En aan de ‘Akte’ gehechte producties. Zie: onder meer, maar niet alleen, de overlegde producties randnummer: 5.3.3 ( ‘Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: rendementsgrondslag (5.6 t/m 5.9Y hierna. Het GHDHA heeft deze producties in strijd met de devolutieve werking van het hoge beroep niet behandeld.
5. Klacht 2: Beoordeling van het hoger beroep
Onder voorbehoud van alle rechten en weren zal [X] navolgend ingaan op de beoordeling van het hoger beroep van het GHDHA. Hetgeen niet betekent, dat niet weersproken onderdelen in het arrest zijn prijsgegeven. Navolgende klachten tegen het arrest van het GHDHA met verwijzing naar de alineanummers van het arrest:
5.1. Beroepsprocedure (5.1.1 t/m 5.9)
De beroepen in eerste aanleg omvatten de individuele en zelfstandige beroepsschriften IB-2017 t/m 2019. Het GHDHA heeft tegen nadrukkelijk bezwaar van [X] behandeld als een cluster. Ten onrechte voert het GHDHA aan dat het om dezelfde gronden betrof. Bovendien miskent het GHDHA dat de beroepschriften niet alleen op stelsel niveau en de massaalbezwaarprocedure zijn gegrond, maar mede op individueel niveau overlijdenschade is gegrond. Ter meerdere zekerheid van een goede procesorde, rechtsontwikkeling, toetsing aan andere jurisprudentie en als gevolg van de bestreden clusterbehandeling heeft [X] op grond van belang de ‘Akte’ d.d. 23 september 2022 ingediend. Het GHDHA heeft in strijd met de devolutieve werking van het hoger beroep de ‘Akte’ niet onderzocht en beslist van wat [X] heeft gevorderd of verzocht.
5.1.1.
Het GHDHA stelt bij r.o. 5.4 en r.o. 5.5 het navolgende:
‘5.4: Voor zover belanghebbende heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Rechtbank overweegt het Hof als volgt. Een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 8:119 Awb kan niet als hogerberoepsgrond in de onderhavige procedure worden gedaan. Hiertoe dient belanghebbende een herzieningsverzoek in te dienen bij de Rechtbank. Dit betreft een afzonderlijke procedure waarvoor ook griffierecht zal worden geheven door de Rechtbank.
5.5: Belanghebbendes overige klachten over de beroepsfase kunnen evenmin leiden tot terugwijzing voor een hernieuwde behandeling van de zaken door de Rechtbank. Dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak is geen grond voor terugwijzing; hiervoor is juist hoger beroep bij een andere rechterlijke instantie (het Hof) mogelijk gemaakt.’
5.1.2.
De motivering van het GRDHA is onbegrijpelijk en verwijst feitelijk naar haarzelf. Het hof had op grond van artikel 3:4 lid 1 en 2. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb en devolutieve werking van het hoger beroep een gemotiveerde uitspraak kunnen doen. Bovendien verdraagt de uitspraak zich niet met artikel 8:115 lid 1 sub b Awb. De uitspraak GRDHA voldoet niet aan het motiveringsbeginsel. [X] heeft recht op een eerlijk proces maar kan de gedachtegang van het Hof niet volgen. Door de akte niet te behandelen of daarover inhoudelijk een uitspraak heeft niet voldaan aan de devolutieve werking van het hoge beroep. Daarmee heeft GRDHA de meest essentiële stellingen van het beroep onbehandeld gelaten. Dat die niet een efficiënte procesgang. Daarmee schijnt niet alleen het vertrouwen in het gerechtshof Den Haag maar ook in de rechtelijke macht. Rechtsoverweging 5.4 en 5.5 zijn dan ook aanvaardbaar. De algemene beginselen van een behoorlijk proces zijn kort gezegd de juridische kwaliteitseisen die aan de rechtspraak worden gesteld. Deze beginselen beschermen het recht op een eerlijk proces en behoeden rechtszoekende tegen willekeur van de wetgever en haar rechtsprekende instanties. Het recht op een eerlijk proces is afgeleid uit artikel 6 (EVRM) en is verankerd in de Grondwet. Het motiveringsbeginsel is één van die beginselen en is vastgelegd in artikel 121 van de Grondwet. Ook niet zuiver juridische argumenten behoren daar een rol in te spelen en de omstandigheden van het geval meegewogen te worden. Het GHDHA heeft hieraan niet voldaan.
5.1.3.
Het GRDHA heeft het niet begrepen, rechters zijn verplicht om hun uitspraken te motiveren. Dat heeft een aantal redenen, waaronder het rechtsgevoel van de partijen bij de rechtszaak. Iemand die in een procedure in het ongelijk wordt gesteld, zal zijn verlies gemakkelijker accepteren wanneer hem wordt verteld waarom hij in het ongelijk is gesteld. En dat heeft op zijn beurt weer te maken met respect naar de rechtzoekende. Het GRDHA heeft met haar arrest is strijd gehandeld met de wettelijke bepalingen zoals bedoelt in artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb, artikel 3:46 Awb. artikel 8:69 lid 1 t/m 3 Awb. Artikel 8:77 Awb lid 1 en artikel 6 (EVRM). Zie ook: Raad van State: (link) en de conclusie bij alinea 10 van de A-G (link) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3:4 lid 2 Awb.
Het GHDHA miskent hiermee het feit dat de RBDHA de ‘Akte’ ongemotiveerd heeft gepasseerd, noch in het dictum nader toegelicht. Het GHDHA erkent wel bij r.o. 5.5 de devolutieve werking van het hoger beroep, maar handelt daar niet naar. Hetgeen betekent dat het arrest voor vernietiging vatbaar is.
5.1.4.
Ten onrechte wil het GHDHA doen voorkomen dat [X] een herzieningsverzoek zou hebben gedaan, des te nadrukkelijk neen, op grond van artikel 8:119 Awb. Voornoemd artikel gaat over verzoek van een partij bij een onherroepelijke uitspraak. Dat is wat [X] beslist niet heeft gedaan. Er is immers géén uitspraak gedaan over de ‘Akte’, dus kan er geen sprake zijn van een herzieningsverzoek, noch dat het als onherroepelijk is aan te merken. Het GHDHA lijkt hier het verschil niet te hebben begrepen tussen een herzieningsverzoek en aanvullingsverzoek en het verbeteren van een kennelijke fout. Bovendien niet voldaan aan artikel 8:115 lid 1 sub b Awb. Het verzoek van [X] aan het GHDHA was gericht tot het terugverwijzen naar de RBDHA. Het kan niet zo zijn als de RBDHA in verzuim is getreden, [X] wordt gedwongen tot een tijdrovend en kostbaar herzieningsverzoek of hoger beroep. Herzieningsverzoeken zijn tijdrovend en kostbaar en meestal kansloos. [X] mocht op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep erop vertrouwen op een volledige behandeling van hetgeen hij gevorderd en verzocht heeft in de ‘Akte’.
5.1.5.
[X] mocht erop vertrouwen dat het GHDHA op grond van artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb en artikel 8:69 Awb een uitspraak zou doen over de hele omvang van het geschil. Dus ook op grond van de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. En wegens het ongemotiveerd passeren van de ‘Akte’ het aanvullingsverzoek(en) en het verbeteren van een kennelijke fout het GHDHA daarover een beslissing zou nemen. Het GHDHA miskent ook daarmee de devolutieve werking van het hoger beroep. Het behoort tot de wettelijke taak van het GHDHA om het geschil opnieuw in volle omvang te beoordelen en het werk van de rechter in eerste aanleg worden gecontroleerd, wat het GHDHA niet gedaan heeft. Behoudens een nietszeggende vernietiging van de uitspraak voor de bühne van de RBDHA. Het GHDHA heeft niet duidelijk aangegeven op welke reden en het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ niet valt onder de devolutieve werking van een hoger beroep. Behoudens een discutabele omarming van verwijzing naar het arrest IB-2016 van [X] door de RBDHA.
5.1.6.
Het GHDHA miskent eveneens dat uit de onderstaande overlegde producties onmiskenbaar valt af te leiden dat een aanvullingsverzoek en het verbeteren van een kennelijke fout gericht is aan de RBDHA. Bovendien is er door de RBDHA géén besluit genomen inzake het individuele beroep van de ‘Akte’. Zodat een beroep op herziening, aan de RBDHA zoals het GHDHA zo nadrukkelijk stelt geen steun vindt maar richt zich op een aanvullingsverzoek omdat de RBDHA de ‘Akte’ ongemotiveerd heeft gepasseerd en het eenvoudig verbeteren van een kennelijke fout door een onjuiste vermelding van het schadebedrag en het verzuim te beslissen over de ‘Akte’. De juiste schadevergoeding was af te lijden uit de ‘Akte’, maar de RBDHA heeft zich te kort, veel te kort door de bocht laten leiden door een discutabele verwijzing van het schadebedrag in het arrest IB-2001. [X] heeft zelfs daarvoor bij de RBDHA en het GHDHA, bewijsstukken overlegd.
- a)
- b)
- c)
- d)
Brief RBDHA d.d. 24 februari 2023 (Productie 19). (link).
- e)
Productie 15: (‘Schade-uitkering […], Vaststellingsovereenkomst en […] B.V’), (link)
5.1.7.
Onweersproken staat vast dat het een aanvullingsverzoek en herstellen van een kennelijke fout betraten expliciet gericht is aan de RBDHA. Het betrof de grieven wegens het ongemotiveerd passeren van de ‘Akte’ en de RBDHA in het dictum daar ook geen overweging en beslissing heeft gericht. In alle redelijkheid en billijkheid mocht [X] eisen dat het GHDHA, gevolg geeft aan de devolutieve werking van het hoger beroep en alle in eerste instantie door [X] aangevoerde stellingen, voor zover niet prijsgegeven, in hoger beroep alsnog worden behandeld c.q. moeten worden beoordeeld. Daarbij past niet, zoals het GHDHA ten onrechte stelt een afzonderlijk kostbaar en tijdrovend herzieningsverzoek bij de RBDHA. Niet het GHDHA maar [X] en/of de wederpartij bepalen in beginsel de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep, in samenhang met hetgeen gevorderd en verzocht is in de ‘Akte’ met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. Tenzij het verzoek in strijdt is met het recht.
5.1.8.
[X] heeft inmiddels alle vertrouwen in de rechtspraak verloren en stelt dat na de RBDHA, ook het GHDHA alle schijn tegen hebben heel selectief te zijn in de behandeling en beoordeling van het feitencomplex in haar uitspraken. Rechters zeggen bij aanvang van de mondelinge behandeling alle stukken te hebben gelezen, maar geven blijk het niet te hebben begrepen. Zodat [X] met de uitspraak is verrast met beslissingen. Indien die ter sprake waren gekomen bij de mondelinge behandeling, [X] in gelegenheid was gesteld om zich te verweren tegen verassingen en verassingsbeslissingen. En dat is niet gebeurt, noch dat het GHDHA [X] duidelijk heeft gemaakt het beroep op het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ op individueel niveau inzake overlijdenschade niet zou behandelen.
5.2. Verzuim cassatie IB-2016
Bij r.o. 5.7.2 stelt de Inspecteur dat [X] na het hoger beroep IB-2016 geen cassatie heeft ingesteld na de uitspraak van het Gerechtshof d.d. 9 april 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:834). [X] ging er destijds vanuit dat procederen bij de Hoge Raad is voorbehouden aan advocaten die tot de cassatiebalie zijn toegelaten. Mede gezien de ervaringen van [X] met kosten van procederen in de civiele overlijdenschadezaak, was dat geen optie en te financieel te risicovol. Het GHDHA heeft destijds verzuimd, ter bevordering van transparantie, om [X] erop te wijzen dat cassatie bij belastingzaken een advocaat niet verplicht is. [X] acht zichzelf in staat, ondank dat hij niet juridisch geschoold is, om de beroepen zelf op schrift te stellen. Indien [X] een advocaat in de arm had moeten nemen is dat vanwege de kosten onhaalbaar. Wat ook iets zegt over de toegankelijkheid tot de rechter en het financieel onmogelijk wordt gemaakt om meteen advocaatje recht te halen. Wat in tegenstelling staat tot artikel 17 van de Grondwet.
5.3. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: rendementsqrondslaq f5.6 t/m 5.9)
Ook hier blijkt weer dat het GHDHA zich slechts gericht heeft op stelselniveau van de Wet IB-2001 en in de jaren 2017 en 2018. Het GHDHA heeft het beroep van [X] niet behandeld op individueel niveau, zoals valt af te leiden uit de ‘Akte’, met alles wat daaraan gehecht en verbonden is. Het GHDHA heeft daarmee miskent dat het individueel beroep niet gericht is op de jaren 2017 en 2018 maar over 2001 t/m 2022 en opeenvolgende jaren tot 2052. Bij [X] is vanaf 2001 t/m 2022, de volledige koopkracht verdampt op een schadevergoeding van € 351.044. Wat betekent dat er substantieel is ingeteerd op de schadevergoeding, Zie randnummer: 5.4 t/m 5.4.4 (Wettelijke criteria derven van levensonderhoud en fiscaal component), aangevuld met verwijzing naar (Productie D1). zie (link).
5.3.1.
Bij het ‘Kerstarresf gaat het op stelsel niveau om het feit of het forfaitaire rendement hoger is dan werkelijk behaald rendement. Hierbij gaat het over een verminderingsbeschikking naar aanleiding van de massaalbezwaarprocedure. Bij de ‘Akte’ overlijdensschade gaat het noch om de massaalbezwaarprocedure noch de verminderingsbeschikking. Maar op individueel niveau of het forfaitaire rendement hoger is dan bij rechtspraak wettelijk vastgelegde criteria van de 6-3 norm (risicovrij reëel spaarrendement) inhoudende inflatiecorrectie. Welke leidt tot koopkrachtverlies over de jaren 2001 t/m 2022 en verder nog in het ongewis tot het eindjaar 2052. Ook doet het ertoe of er op individueel niveau sprake is van een individuele buitensporige zware last en dat dit onderzocht is op proportionaliteit, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Hierbij onderscheid maken tussen voornoemde toetsingen bij een beroep op stelselniveau n.a.v. de massaalbezwaarprocedure en individueel niveau is discriminatoir en in strijd met artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). Naar de mening van [X] is alleen al discriminatie voldoende, om volledig rechtsbescherming en rechtsherstel te bieden.
5.3.2.
Het GHDHA gaat volledig voorbij aan de bij overlijdenschade gestelde wettelijke criteria en de grote belangen en gevolgen van de looptijd in één periode over 52 jaar van de rekenrente van de 6-3 norm. En de daarmee onlosmakelijk verbonden behoud van koopkracht. Welke tot 2020 in de personenschaderechtspraak zijn gebruikt. De aanbevelingen van LOVCK en LOVCH bij personenschade zaken laat najarenlange kritiek uit de letselschade branche zien dat vanaf 2021 daar anders tegenaan wordt gekeken, en gaat uit van een systeem van drie periodes. Elk met een eigen percentage op basis van eigen uitgangspunten. Het GHDHA heeft géén kennis willen nemen van de aan de ‘Akte’ gehechte producties VIII t/m XXI. Meer in het bijzonder om meer begrip en inzage te krijgen in de bij rechtspraak wettelijk vastgestelde criteria bij personenschadezaken.
5.3.3.
Het GHDHA heeft verzuimd te onderzoeken dat in tegenstelling tot het box 3-stelsel de personenschade rechtspraak uitgaat van inflatiecorrectie over de volledige looptijd om de jaarschade tot aan het eind van de looptijd te bewerkstelligen. Het GHDHA had daarmee kunnen vaststellen dat daarmee sprake is van een buitengewone zware last over de volledige looptijd van 52 jaar en daarmee in strijd is met artikel 1 EP (EVRM). Zie voor een beter begrip over personenschade de navolgende producties:
Tabel 5: Producties behorende bij de ‘Akte’
Productie XV: | Rendement en inflatie (link) |
|---|---|
Productie XVI: | Redelijke verwachting ten aanzien van rekenrente (link). |
Productie XVII: | Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan draaen (link). |
Productie XVIII: | Audalet A-Letsel Versie 4.3.2. Schadeberekening met spreadsheets. Voor de vollediqe Audalet schadeberekenina zie: (link). |
Productie XII | Aanbevelingen rekenrente LOVCK/LOCH 2021 (link). |
Productie XII | Aanbevelingen rekenrente LOVCK/LOCH 2022 (link). Aanbevelingen rekenrente LOVCK/LOCH 2023 (link). |
Productie XIX | Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (link) |
5.3.4.
LOVCK/LOVCH maakt met haar advies over de rekenrente een belangrijke stap om in een lange reeks van jaren de rekenrente naar een meer realistisch niveau te brengen en geeft sinds 2021 jaarlijks een update. Wat voor de wetgever vanaf 2001 een continu proces had moeten zijn. [X] is van mening dat het GHDHA daarover een overweging of beslissing had kunnen nemen. Zonder de innerlijke waarde of billijkheid der wet te beoordelen van het gestelde in artikel 11 Wet algemene bepalingen. Zie mede randnummer: 3.13 (‘Toetsingscriteria,artikel 11 Wet algemene bepalingen versus artikel 3:4 lid 2 Awb’) en randnummer: 3.9 (‘GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’).
5.4. Wetteliike criteria derven van levensonderhoud en fiscaal component
Bij overlijdenschadezaken staat centraal het derven van levensonderhoud, waarbij moet worden aangeknoopt bij de behoefte van nabestaanden, zoals is geformuleerd in de jurisprudentie van de HR onder het oude BW en later verder is uitgekristalliseerd. Een mooi voorbeeld daarvan is HR d.d. 24 april 1959 ECLI:NLHR: 1959:24. Bij derving van levensonderhoud is naast de draagkracht die de overledene vermoedelijk zou hebben gehad de behoeftigheid van de nabestaanden van belang. Wat ook weer aangeeft dat er sprake is van een ongelijk geval t.o.v. de gemiddelde box 3 belastingbetaler. Het recht op schadevergoeding bij overlijden (artikel 6:108 BW) maakt deel uit van afdeling 6.1.10 BW en behoort daarmee tot het schadevergoedingsrecht. Het recht op schadevergoeding maakt deel uit van het aansprakelijkheidsrecht, alwaar het doel is het volledig vergoeden van schade.
5.4.1.
Doel van overlijdenschadevergoeding is vastgelegd in artikel 6:108 BW en de daarmee onlosmakelijk verbonden jurisprudentie. Reeds omschreven in de uitspraak d.d. 24 april 1959 ECLI:NL:HR:1959:24 en sindsdien verder uitgekristalliseerd. Waarborgen zijn dat [X] met destijds in de rechtspraak standaard (6-3 norm) rekennorm zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen (link) De doelstelling bestaat uit dat [X] van de som ineens van de contante waarde (€ 392.389) met het (nog) te behalen toekomstig rendement en inflatiecorrectie over de jaren 2001 t/m 2052 zijn toekomstschade moet kunnen financieren. [X] is als gevolg van het niet kunnen realiseren van het begrote Audalet rendement € 338.753 ingeteerd op zijn schadevergoeding over de jaren 2001 t/m 2022. Het gerealiseerde werkelijk risicovrij reëel over de jaren 2001 t/m 2022 ligt ruim onder de 6-3 norm en het risicovrij reëel rendement.
5.4.2.
[X] toont op sterk vereenvoudigde wijze aan, met exact dezelfde uitgangspunten, dan in de ‘Akte’ met (Productie D1). zie (link) dat er sprake is van ondervonden nadelen op de overlijdensschade-uitkering over de jaren 2001 t/m 2022. Deze bestaan uit:
- •
Niet corrigeren van 3% inflatie versus box 3.1 en box 3.2 van de Wet IB-2001.
- •
Niet gerealiseerd begroot Audalet rendement versus historisch spaarrendement
- •
Intering koopkracht versus box 3.1 en box 3.2.
- •
Niet genoten werkelijk rendement t.o.v. box 3.1 en box 3.2.
- •
Te veel betaalde box 3.1 en box 3.2- heffingen in een lange reeks van jaren.
- •
Vermogensvrijstelling Audalet versus box 3.1 en box 3.2.
- •
Aantoonbaar sprake is van een individuele buitensporige zware last.
5.4.3.
Waarbij nog géén rekening is gehouden met de jaren 2014 t/m 2052. Als gevolg van de bestreden systeemfout in het ontwerp van de Wet IB-2001. Ten onrechte stellen de RBDHA en het GHDHA zonder een inhoudelijk onderzoek dat er géén sprake is van een individuele en buitensporige last. De RBDHA en het GHDHA willen maar niet begrijpen hoe box 3 in de praktijk individueel uitpakt voor [X]. Indien zij kennis hadden genomen van de ‘Akte’ had de RBDHA en het GHDHA een heel stuk genuanceerder in haar oordeel geweest. Met het gestelde in de ‘Akte’ heeft [X] ter voorkoming van discussie of geschil een voorstel gedaan om de RBDHA te verzoeken daarover de uitgangspunten vast te stellen om tot rechtsherstel en schadevergoeding te komen.
5.4.4.
Fiscaal is de Audalet begroting uitgaan van 4% forfaitair rendement en 30% inkomstenbelasting over de jaren 2001 t/m 2052. Het omslagpunt van het ontstaan van nadeel op grond van de uitkeerde sommen ineens van de contante waarde en de fiscaal component Vermeend ligt bij 2014. Dit noopt tot een nadere toelichting, zie (Productie D1). zie (link).
5.5. Artikel 1 EP rendementsqrondslag geen Opt Out (5.10.1 t/m 5.10.4)
Het GHDHA heeft niet de rendementsgrondslag bij overlijdensschade begrepen. Althans niet de doelstellingen en het grote belang van de rekenrente van de 6-3 norm onderzocht. Inhoudende dat met het rendement van de 6-3 norm uit de som ineens de volledige toekomstschade gefinancierd moet worden en ook de koopkracht behouden blijft. Daar is in het box 3-stelsel niet in voorzien. Ook vanwege het feit dat box 3.1 heffing hoger is dan de 6-3 norm, box 3.2 uitgaat van een fictieve vermogensmix bij sparen en beleggen die ook weer hoger is en waarbij overlijdenschade rechtspraak bewust niet wordt uitgegaan van beleggingen. En de inkomstenbelasting ook hoger is dan het uitgangspunt bij overlijdenschade rechtspraak destijds, zie tabel bij randnummer: 5.6 t/m 5.6.5 (Wettellike criteria fiscaal component box 3.1 en box 3.2).
5.5.1.
Bij overlijdenschade rechtspraak wordt sinds jaar en dag uitgegaan dat van nabestaande niet gevergd mag worden dat hij risico's neemt bij het beleggen van de som ineens om op die manier betalingen van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen. Waaronder is begrepen het verschaffen van de grootst mogelijke zekerheid dat in de toekomst gerechtigde gederfde inkomsten, geleden schade, uit risicovrij reëel spaarrendement zijn jaarschade kan financieren. Destijds was de 6-3 norm over de volledige looptijd het uitgangspunt met een risicovrij reëel spaarrendement van 3% over de jaren 2001 t/m 2052 met een inkomstenbelasting box 3 van 30%. Op grond van wettelijke vastgestelde criteria het primaire doel om met de som ineens met het rendement uit de overlijdenschadevergoeding de toekomstschade, koopkrachtverlies te compenseren en het te kort aan fiscaal component (belastingschade) tot 2052 te financieren. Dat is een heel andere rendementsgrondslag waarop het GHDHA zich beroept, en die volgt uit de massaalbezwaarprocedure box 3 en het herstelbesluit d.d. 28 juni 2022 van de staatssecretaris van Financiën. Het zou niet nodig moeten zijn om nog nader te motiveren dat er aantoonbaar sprake is van een individuele buitengewone zware last.
5.5.2.
Artikel 1 EP is helder en heeft in de Awb ook ruime toepassing. Ook behoort artikel 1 EP (EVRM) géén onderscheid te maken tussen stelsel en individueel niveau. En daarmee maken overlijdenschadezaken geen uitzondering. Dat zou discriminatoir zijn en alleen al op grond van artikel 14 (EVRM) bestaat er aanspraak op rechtsherstel. Daarmee behoren gelijke geval niet ongelijk behandeld te worden. Ook dient op individueel niveau voldaan te worden aan het toetsen aan ‘proportionaliteit’, ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’ om tot een oordeel te komen of er sprake is van een individuele buitensporige zware last. En zowel op stelsel niveau als individueel niveau een onderdeel is van de rechtspraak en in lijn met r.o. 3.6.4. van het ‘Kerstarrest. Het GHDHA heeft dat verzuimd te toetsen.
5.5.3.
‘[X] heeft in de ‘Akte’ aangetoond dat hij wordt geconfronteerd met een confiscatoir karakter en fiscale discriminatie in het kader van box 3 met een belasting ver boven de 100%3.. En zich nog sterker laat voelen dan bij de gemiddelde box 3 belastingbetaler vanaf 2001 en opeenvolgende jaren. Daarmee fundamenteel in strijdt zijn met artikel 1 EP (EVRM) en de wettelijk vastgestelde criteria van waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak4. en de parlementaire wetsgeschiedenis5.. Bij een beroep op discriminatie is voorts niet van belang of er sprake is van een individuele, buitensporige last op grond van artikel 1 EP (EVRM) en dient de rechter zelf rechtsherstel te bieden op grond van artikel 14 (EVRM).
‘De A-G is van mening dat als de heffing wordt gezien als een nettovermogensbelasting, deze een confiscatoir karakter krijgt indien de effectieve belastingdruk ten aanzien van de werkelijke inkomsten uit het vermogen meer dan 100% bedraagt. Dan wordt een belastingplichtige immers gedwongen in te teren op diens vermogen, (ECLI:NL:PHR:2016:41).’
Op grond van artikel 1 EP (EVRM) leidt de rendementsgrondslag van de Wet IB-2001 bij overlijdensschade rechtspraak gehanteerde 6-3 norm tot een individuele buitensporige zware last.
5.5.4.
[X] bestrijdt de stelling van het GHDHA dat de rendementsgrondslag een voldoende basis heeft in de Wet IB-2001. In elk geval niet op individueel niveau bij overlijdensschade rechtspraak. Noch blijkt uit de Wet IB-2001, noch uit de parlementaire wetgeschiedenis van de Wet IB-2001 steun is te vinden voor de stelling van het GHDHA. Los daarvan staat er een rechtvaardig beroep op EU-verordeningen als artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) die voor lidstaten bindend zijn. Een EU-verordening heeft een algemene strekking, is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Met een beroep op Opt-Out, mag een lidstaat hiervan afwijken. Nederland heeft voor het belastingrecht hiervan géén gebruik gemaakt. Zodat de wetgever behoorde te weten dat schending van het genot van eigendom en discriminatieverbod een onderdeel had moeten zijn bij het ontwerp van de Wet IB-2001. Waarbij [X] opmerkt dat de wetgever hierin een verwijt treft voor het ontwerp van de Wet IB 2001 en de opeenvolgende fiscale aanpassingen waardoor [X] in zijn belang onherstelbaar is getroffen.
5.5.5.
Verder is de stelling van het GHDHA nog onbegrijpelijker, dat het beroep van [X] op wettelijk vastgestelde criteria in personen rechtspraak, de wetgever bij het ontwerp van de Wet IB-2001 de jurisprudentie van personenrechtspraak niet hoefde te respecteren. Maar volgens het GHDHA ook géén steun vindt in het recht. Daarmee miskent het GHDHA dat [X] zich juist beroept toetsing aan artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). ‘legitimate aim’ en ‘fair balance’. Met als steunbewijs een beroep op een systeemfout in het ontwerp van de wet IB-2001 en uit de parlementaire wetsgeschiedenis géén steun is te vinden dat de wetgever over de personenschadezaken en alles wat daarmee gehecht en verbonden is géén parlementair debat heeft gevoerd.
5.6. Wetteliike criteria fiscaal component box 3.1 en box 3.2
Het GRDHA heeft miskent of onderzocht dat voor de fiscaal component bij overlijdensschade bestaat een wettelijke basis, en is verdisconteerd in de rekenrente van 3% maar niet in box 3.1 en box 3.2. Miskent in de belastingrechtspraak is dat het schadeonderdeel de fiscaal component afhankelijk is van de rekenrente, het werkelijk gerealiseerde risicovrij reëel spaarrendement versus de box 3-heffingen. En de bij de overlijdenschade rechtspraak destijds gebruikte standaard 6-3 norm. Vanaf 2000 en 2001 kelderde de rentestanden en vanaf 2007–2008 kwamen de 6-3 norm ter discussie te staan als gevolg van de wereldwijde economische crisis, waaronder forse daling van de rentestanden. Pas in 2021 kwam de LOVCK/LOVCH met aanbevelingen over de rekenrente van 0 jaar tot meer dam 20 jaar. Voor een goed begrip heeft [X] in de ‘Akte’ gewezen naar het artikel in het Financieel Dagblad: ‘Hogere uitkeringen door advies over rekenrente’ (link). En is door het GHDHA onbehandeld gebleven.
Toelichting
5.6.1.
Bij de Audalet schadebegroting: (Productie F), zie: (link) is er met € 41.345 aan contante waarde rekening gehouden met de fiscaal component (belastingschade). En als schade uitgekeerd op basis van de 6-3 norm. Maar als gevolg van een hogere forfaitaire box 3.1 en vermogensmix box 3.2-heffingen, onvoldoende om de belastingschade te compenseren over de jaren 2001 t/m 2022, en over de resterende jaren 2023 t/m 2052 geen dekking meer is. Wat betekent dat behoudens intering op koopkracht wegens het ontbreken van inflatiecorrectie in het box 3-stelsel ook extra niet vergoede belastingschade is ontstaan.
5.6.2.
Feitelijk betaald [X] inkomstenbelasting over niet gerealiseerd rendement over de fiscaal component en leidt tot een individuele excessieve zware last. Hoe disproportioneel is het interen op de schadevergoeding van € 351.044 op de koopkracht en ten onrechte te veel betaalde box 3-heffingen, later op te maken bij staat door de verwijzingsrechter te bepalen uitgangspunten. Zie hiervoor verwijzing naar tabel 1 t/m 5 randnummer: 5.7 t/m 5.7.13 (‘Criteria risicovrij reëel rendement, rekenrente, belastingschade en koopkracht’). En de (Primaire grief 1 in de ‘Akte’ randnummer: 4 t/m 4.31’) met bijlagen A t/m H (link). Eerder overlegd als (Productie XVIII), stuknummer: 012-640-347-247en een vereenvoudigde versie (Productie D1). zie (link).
5.6.3.
In aanvang begon box 3.1 (2001 t/m 2016) met een forfaitaire heffing van 4% gebaseerd op risicovrij sparen, (zonder inflatiecorrectie en een inkomstenbelasting van 30%. Vanaf 2017 is het risicovrij spaarrendement verlaten en is de fictieve vermogensmix sparen en beleggen met een schijventarief, forfaitaire heffing en een inkomstenbelasting van 30% ingevoerd. Daarna is na 2017 het gemiddelde rendement sparen/beleggen verhoogd en vanaf 2022 de inkomstenbelasting verhoogd van 30% naar respectievelijk 31% naar 36% in 2024. Terwijl in de situatie bij [X] nog steeds uitgaat van 3% risicovrij spaarrendement en 30% inkomstenbelasting over de periode 2001 t/m 2052. Dat heeft een nog grotere negatieve impact en maakt het onmogelijk om de toekomstige doelstellingen van overlijdenschade te waarborgen.
5.6.4.
Onderstaande tabel geeft een waarheidsgetrouwe weergave van de ontwikkeling van het gemiddeld rendement en de belasting op box 3:
Tabel 3 jaaroverzichten rendementen
Jaar | Gemiddeld rendement | Belasting |
|---|---|---|
2016 | 4,000% | 30% |
2017 | 4,600% | 30% |
2018 | 4,326% | 30% |
2019 | 4,443% | 30% |
2020 | 4,185% | 30% |
2021 | 4,501% | 30% |
2022 | 5,530% | 31% |
2023: | 6,17% | 32% |
2024 | Voorstel Tweede Kamer | 36% |
2027 | Werkelijk rendement? | ? |
5.6.5.
De Tweede kamer heeft vrijdag 27 oktober 2023 besloten dat het tarief in box 3 in 2027 naar 36% gaat. Vanaf 2024 volgt rechtsherstel voor Box 3, waarbij nog steeds geen onderscheid wordt gemaakt met de gerechtigde met een overlijdensschade-uitkering. In alle gevallen druist dit in tegen de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, en risicovrij reëel spaarrendement. Destijds was bij [X] 6% nominaal rendement en 3% inflatiecorrectie de gehanteerde norm in overlijdenschade rechtspraak. Gesaldeerd leidt dat tot 3% reëel rendement over de jaren 2001 t/m 2052.
5.7. Criteria risicovrij reëel rendement, rekenrente, belastingschade en koopkracht
5.7.1.
Het boxenstelsel van de Wet IB-2001 houdt geen rekening met inflatiecorrectie, behoud van koopkracht en houdt geen rekening met de uitgangspunten van de rekenrente en de gevolgen van langlopende belastingschade (de fiscaal component) in box 3.1 en box 3.2. Waardoor [X] inteert op de overlijdenschadevergoeding en in het bijzonder op de belastingschade. Waar als gevolg van lagere spaarrendementen en hogere inflaties t.o.v. de rekenrente [X] nadeel ondervindt. Uitganspunt in deze zaak is 3% reëel spaarrendement. De rekenrente is een allesbepalende factor waarin rente, inflatie en fiscaal component verdisconteerd zijn.
5.7.2.
Op grond van vaste jurisprudentie bij overlijdenschade rechtspraak is wettelijk en onherroepelijk vastgesteld tot behoud van de koopkracht bij aan personenschade gerelateerde overlijdenschadezaken. De rekenrente met inflatiecorrectie in samenhang met behoud van de koopkracht is het belangrijkste schadeonderdeel voor het financieren van de toekomstschade. Inflatiecorrectie geeft een redelijke verwachting, buiten onvoorziene of tegenvallende economische ontwikkelingen voor letsel en overlijdenschadeslachtoffers enige zekerheid. De overlijdenschadevergoeding ziet niet toe op tussentijdse wijzigingen in het fiscale stelsel en inflatieontwikkelingen en daarmee de overlijdenschadevergoeding over een lange reeks van jaren minder waard is geworden maar het box 3-stelsel daar geen rekening mee houdt als de belastingheffing hoger is dan de destijds 6-3 norm gebruikte rekenrente.
5.7.3.
De 6-3 norm is het saldo van de rekenrente tussen veronderstelde spaarrente en de inflatiecorrectie. Sinds het begin van deze eeuw ligt de gemiddelde spaarrente over de jaren 2001 t/m 2022 aanzienlijk lager dan de bij box 3.1 en box 3.2 geldende 4% en de gemiddelde inflatie hoger die de fiscus als uitgangspunt neemt. Dat heeft gevolgen voor de fiscaal component in box 3.1 en box 3.2. Alleen in enkele jaren tussen 1980 en 1990 was er sprake van een rekenrente hoger dan 3%. Vanaf die nogal roerige tijd ontstond de ‘6-3 norm’, gebaseerd op de stelling dat de zeer hoge rente en inflatie in de jaren tachtig geen blijvend fenomeen zouden zijn.111 De hypotheekrente bereikte in die tijd bijna de 13%. Ondanks talrijke pogingen om de rechter ervan te over- tuigen dat een rekenrente van 3% niet langer realistisch was, heeft het tot 2019 geduurd voordat er een duidelijke kentering optrad. Voor 2019 week een rechter slechts sporadisch af van de veelgebruikte ‘6-3 norm’. Zie de: (‘Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken’) van LOVCK/LOVCH over de jaren 2021.2022 en 2023.
5.7.4.
Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat de fiscaal component (belastingschade) gebaseerd is op 3% risicovrij reëel spaarrendement (6-3 norm).
5.7.5.
Ter onderbouwing verwijst [X] naar de: ‘Audalet schadebegroting’,(Productie F), zie (link) en tabel 1 t/m 13 (Productie D1). Voor de leesbaarheid uitgebreid gevisualiseerd in spreadsheets met totale en gemiddelde over de jaren 2001 t/m 2022. Waarbij de tabellen 1 t/m 5 toezien op de Audalet schadebegroting. En de tabellen 6 t/m 11 zien toe op de intering op de overlijdenschade vergoeding. De tabellen 12 t/m 14 zien toe op de definitieve belastingaanslagen over de jaren 2001 t/m 2022, waarbij ook niet overlijdenschade gerelateerde kapitaal is aangegeven.
Toelichting
5.7.6.
Met bovenstaande spreadsheets tonen aan tot welke individuele buitensporige zware last leiden als gevolg van de betreden box 3.1 en box 3.2 van de Wet IB-2001. De Audalet begroting is complex en het achterliggende rekenmodel is niet aan [X] vertrekt, en er zijn afrondingsverschillen en niet herleidbare factoren in de Audalet begroting, zoals sterftekans en inflatie. Voor zover [X] kan herleiden bestaan de getoonde rendement en niet uit enkelvoudige rendementen maar uit samengestelde rendementen. Veroorzaakt door jaarlijkse opnamen uit de som van kapitaal per 1 juli vorig jaar en de rendementen van dat jaar. Ook kent Audalet geen peildatum van 1 januari van het kalenderjaar maar kapitaal per 1 juli vorig jaar en 1 juli dit jaar.
5.7.7.
Voor [X] is het onmogelijk om vanaf 2001 zijn opnamen uit de overlijdenschadevergoeding nog aan te kunnen tonen. Daarom verwijst [X] naarde tabellen 1 t/m 5 van de Audalet schadebegroting (link) in samenhang met de tabellen 6 t/m 10 (Productie D1). [X] verzoekt tot coulance dat voor het leveren bewijs niet te veel en/of te hoge eisen mogen worden gesteld. [X] stelt voor om als basis uit te gaan van de Audalet schadebegroting, (Productie D1) in samenhang met Productie F). [X] heeft bij het beroep IB-2016 uitgebreid op stelsel en individueel niveau gemotiveerd inzake overlijdenschade en EU-verordeningen. In de beroepen IB-2017 t/m 2019 op stelsel en individueel niveau spreadsheets overlegd met tabellen: ( ‘Forfaitair rendement versus werkelijk rendement’) en zijn bij het GRDHA en de Belastingdienst onbehandeld gebleven. Op stelsel niveau valt onder de uitspraak van het ‘Kerstarrest’ en de massaalbezwaarprocedure. Op individueel niveau heeft het GRDHA daar geen uitspraak over gedaan. Zodat [X] volhard op de feiten op individueel niveau en het door het GRDHA onmogelijk is gemaakt om zich hiertegen te verweren.
5.7.8.
Tabel 1 t/m 5 betreft de weergave van de Audalet schadebegroting van 2001 t/m 2052, vertaalt in spreadsheets. Uit de voornoemde tabellen volgt dat de bedragen gesaldeerd in tabellen over de jaren 2001 t/m 2022 valt af te leiden:
Bron Audalet A-Letsel Versie 4.3.2, (link)
Tabel 1: | Audalet pagina 47 (Jaarschade, gereduceerde jaarschade e contante waarde) Behoefte € 933.792 en de som toerekening € 432.214 bedraagt |
|---|---|
Tabel 2: | Audalet pagina 48 (Intering berekende schade) Rendement € 315.809 en de opname € 609.621 bedraagt |
Tabel 3 | Audalet pagina 49 (t.b.v. fiscaal component) Rendement € 315.809 en de uitkering € 609.621 bedraagt |
Tabel 4: | Audalet pagina 50 (Interen fiscaal component) Rendement € 388.753 en de uitkering € 609.621 bedraagt |
Tabel 5: | Audalet pagina 51 (Berekende schade) Verschenenschade € 47.344, toekomstige schade € 351.944, fiscaal component € 41.346, totaal € 439.732. Waarbij de toekomstschade en de fiscaalcomponent gesaldeerd € 392.389 bedraagt. |
Waarbij de toekomschade van gederfd levensonderhoud en de fiscaalcomponent (belastingschade) toezien op de contante waarde (beginkapitaal) om met het rendement uit beide bedragen de toekomstige jaarschade gederfd levensonderhoud en de fiscaal component verder te financieren. Anders gezegd: bij de berekening van de contante waarde wordt de eindschade gekort met een verondersteld rendement. Indien dat rendement niet wordt gehaald, dan komt de benadeelde uiteindelijk tekort. Zoals [X] onweersproken heeft aangetoond. |
5.7.9.
De tabellen 6 t/m 10 dienen als voorzet om als leidraad te dienen bij verwijzing door de Raad naar een doorverwijzingshof. Om in goede justitie het ondervonden en nog te ondervinden nadeel te bepalen. Rekening houdende met de specifieke omstandigheden op individueel niveau bij overlijdensschadevergoedingen. En bij overlijdenschade rechtspraak wettelijk vastgestelde fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria, zoals risicovrij reëel spaarrendement, behoud van koopkracht en rendementen in lijn van de 6-3 norm.
5.7.10.
[X] heeft bij de ‘Akte’ (Productie 15) overlegd van de uiteindelijke schade-uitkering, (link). Uitgekeerde schade-uitkering bedraag € 227.979 en € 200.000 lumpsum bedrag bij vaststellingsovereenkomst. Gesaldeerd € 427.970, zie randnummer: 3.22.6, (‘Mediation’).
5.7.11.
Daarom moet bij de bepaling van het te behalen rendement worden uitgegaan van (zeer) defensieve vormen van belegging en/of sparen, dit uitgangspunt werd door de Hoge Raad geformuleerd op 24 april 1959. ECLI:NL:HR:1959:24 r.o. 22. Zie mede: ‘Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkeliik kan dragen, p 7–8 (link).En de: ‘aanbevelingen rekenrente LOCVK/LOVCH 2021 (link), 2022 (Nnk) en 2023 (link).
5.7.12.
De tabellen 6 t/m 10 is geput uit de Audalet schadebegroting in voornoemde tabellen alsmede de historische inflatiecijfers van CPI en historisch verloop spaarrentes 2001 t/m 2012 CPB, CBS, DNB/soaarrente.nl en ABNAMRO.
Tabel 6: | Niet compenseren van 3% inflatie versus box 3.1 en box 3.2. |
Tabel 7: | Audalet rendement versus historisch reëel spaarrendement. |
Tabel 8.1: | Situatie Audalet. |
Tabel 8.2: | Situatie historisch rendement. |
Tabel 8.3: | Situatie box 3.1 en box 3.2. |
Tabel 9: | Samenvatting interingen op basis risicovrij reëel rendement (6-3 norm). |
Tabel 10: | Samenvatting. |
5.7.13.
Tabellen 11 t/m 13 is de weergave van de definitieve IB-aanslagen 2001 t/m 2021 met kapitaal in box 3 van het gehele vermogen incl. de overlijdenschadevergoeding.
Tabel 11 | Definitieve aanslagen IB 2001 t/m 2021. |
Tabel 12 | Inkomstenbelasting box 3.1 en box 3.2. |
Tabel 13 | Berekening van het te betalen bedrag. |
5.8. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (5.11.1 t/m 5.11.3)
Het GHDHA heeft niet begrepen wat [X] heeft bedoeld te zeggen. [X] is daar helder in geweest en is niet voor meerdere wijze uitlegbaar. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het GHDHA daarover geen vragen gesteld. Waar de grieven zich oprichten hebben betrekking op het beroep systeemfout in het wetsontwerp van de Wet IB-2001 door het niet respecteren van de wettelijke vastgestelde criteria bij overlijdenschade rechtspraak. En het niet respecteren van EU-verordeningen en het niet erkennen op individueel niveau van een individuele buitensporige zware last bij overlijdenschadezaken. Ook de Belastingdienst wist en behoorde te weten dat noch uit de parlementaire wetsgeschiedenis géén debat over personenschade heeft plaats gevonden, noch dat in de Wet IB-2001 daar een rechtsregel aan is te herleiden. Meer in het bijzonder is de opstelling van de Belastingdienst discutabel, en lijkt niets geleerd te hebben van een te rigide toepassing van regels bij de kindertoeslagen affaire.
5.8.1.
In onderlinge samenhang daarmee is de grief gericht tegen de wetgever als tegen de Belastingdienst. Bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg, heeft [X] gewezen of de Staatssecretaris bij het beroep geen partij behoort te zijn. Zoals ook de Staatsecretaris partij was bij sprongcassatie bij het ‘Kerstarrest’. Bij de mondelinge behandeling d.d. 17 oktober 2022 bij de RBDHA heeft [X] gesteld:
‘Ik ben in 2016 begonnen met een beroepsprocedure. Ik vind dat de Belastingdienst toen al had moeten zeggen; u moet bij de Staatssecretaris zijn. Ik snap dat de Belastingdienst zich moet houden aan de wet, maar ze hadden me moeten informeren wat ik had moeten doen. Mijn bezwaar is: dit is een zaak waar de staatssecretaris iets van moet vinden. ’
Zie proces-verbaal d.d. 17 oktober 2022: (Productie E), zie: (link).
5.8.2.
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en bestaat uit het verzuim aan een toetsingskader van de rechtmatigheid van aan personenschade gerelateerde overlijdenschade rechtspraak. Waaronder zorgvuldigheids-, motiveringsbeginsel en equality of arms. Dat is zowel de primair de wetgever en subsidiair de belastingdienst als het GHDHA of aan te rekenen.
5.9. Belastbaar inkomen en beleggen: rechtsherstel (5.12 t/m 5.14)
Ten onrechte laat het GHDHA haar oordeel alleen leiden naar aanleiding van de massaalbezwaarprocedure over de jaren 2017 en 2018. Dat is niet wat [X] het GHDHA heeft voorgelegd. [X] heeft in de ‘Akte’ geen grief gericht op grond van de massaalbezwaarprocedure noch op stelsel niveau van box 3. Hooguit om zijn belang zeker te stellen op uitspraken inzake de massaalbezwaarprocedure. [X] heeft met zijn ‘Akte’ op individueel niveau een beroep gedaan op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM). niets meer en niets minder. Als steunbewijs verwezen naar de 6-3 norm, wettelijke fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen, risicovrij reëel spaarrendement en de parlementaire wetsgeschiedenis. Om daarmee op individueel niveau aan te tonen dat er sprake is van een individuele buitensporige zware last. Daarmee voldoende grond vindt voor een beroep op artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel14 (EVRM).
5.9.1.
Ook de stelling van de Inspecteur kan géén standhouden dat de Wet rechtsherstel box 3 een aanvaardbare forfaitaire regeling is. Dat mag dan wel vooralsnog zo zijn op stelsel niveau maar niet op grond van de wettelijke vastgestelde criteria bij overlijdensschade rechtspraak. Zie hetgeen [X] in de tabel bij randnummer: 3.24 t/m 3.24.6 ( ‘Rekenrente en aanbevelingen LOVCK/LOVCH’) en de tabel bij randnummer: 5.6 t/m 5.6.5 ( ‘Wetteliike criteria fiscaal component box 3.1 en box 3.2’) heeft aangegeven. De Inspecteur geeft hiermee blijk zich niet heeft ingelezen op een beroep op individueel niveau bij overlijdensschadezaken, of kortweg gesteld de ‘Akte’.
5.9.2.
Vervolgens wordt er door het GHDHA een herberekening gemaakt op basis van de Wet rechtsherstel box 3 op stelsel niveau. Terwijl de Belastingdienst in haar: ‘Aanvullend verweerschrift’ gedateerd d.d. 1 juli 2022 (link). Al een berekening had gemaakt, zie randnummers: 4.3 t/m 4.3.2 ( ‘Toepassing Kerstarrest (11 t/m 23).
5.10. Individuele en buitensporige last (5.15.1 t/m 5.15.2)
Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het GHDHA een onderzoek naar een individuele en buitensporige last heeft verricht op grond van individueel niveau overlijdensschade. Het GHDHA blijft onnodig en nodeloos volharden in een oordeel op stelsel niveau wat voortkomt uit de massaalbezwaarprocedure. Enerzijds op grond van de massaalbezwaarprocedure en anderzijds met een litigieus beroep op het arrest IB-2016 d.d. 9 april 2019: (ECU :NL:GHDHA:2019:834). En de RBDHA en het GHDHA ten onrechte als motivatie is gebruikt om het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ niet te behandelen. Het GHDHA maakt zich schuldig aan discriminatie door wel op stelsel niveau op grond van de massaalbezwaarprocedure en de Wet rechtsherstel box 3, maar niet op individueel niveau aan overlijdenschade te toetsen aan artikel 1 EP (EVRM) in samenhang met artikel 14 (EVRM) en de daaruit voortvloeiende individuele buitensporige zware last.
5.10.1.
Ten onrechte en in strijd met informatie: ‘Boxen en Tarieven’ van de Belastingdienst stelt het GHDHA dat bij de beoordeling van de gehele financiële situatie geen sprake is van een individuele buitensporige last. Zie wat [X] daarover in verweer heeft gesteld bij randnummer: 3.26 t/m 3.26.8 ( ‘Ten onrechte rekening houden met totale vermogenspositie en volledige inkomen’) hiervoor. Het GHDHA miskent daarmee dat [X] onherstelbaar is ingeteerd op de overlijdenschadevergoeding in de jaren 2001 t/m 2002 en de jaren 2023 t/m 2052 nog niet zijn meegerekend.
5.11. Schadevergoeding (5.16.1 t/m 5.16.3)
Ook hier heeft het GHDHA niets begrepen wat het doel is van bij overlijdenschade rechtspraak wettelijk vastgestelde criteria van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement. Ten onrechte is het GHDHA daar ook niet aan toegekomen door het individueel beroep in de ‘Akte’ overlijdenschade onbehandeld te laten. [X] heeft verzocht om vergoeding van de schade van te veel betaalde belasting en ‘Fiscaal component Vermeend’ (belastingschade), excl. de wettelijke rente tot algehele voldoening.
6. Slotsom
In het geschil bij het GHDHA zijn niet alleen de aanslagen 2017 t/m 2019 n.a.v. de massaalbezwaarprocedure noch de Wet rechtsherstel box 3. Maar het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ op individueel niveau inzake overlijdensschade. Uit de ‘Akte’ en in het cassatieberoep aangevoerde feitencomplex heeft [X] gemotiveerd met steunbewijs, dat dat met ingang van 2001 in de parlementaire wetsgeschiedenis en in de Wet IB-2001 geen toereikende rechtvaardiging is aan te wijzen voor de geldende box 3-heffingen op de wettelijk vastgelegde criteria bij overlijdensschade rechtspraak. Door het ontberen van inflatiecorrectie in het box 3-stelsel, en het heffen van een litigieuze box 3 belasting vanaf 2001 uit sparen en beleggen dat hoger is dan de wettelijke vastgestelde criteria van inflatiecorrectie. Inhoudende risicovrij reëel spaarrendement, behoud van koopkracht, en het financieren van de toekomstschade bij overlijdenschade rechtspraak. Dit leidt tot verdragsschending van artikel 1 EP (EVRM). in samenhang met artikel 14 (EVRM), gewaarborgde rechten. Het GHDHA heeft verzuim om vast te stellen dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB-2001, niet is af te leiden dat de wetgever hierover een debat heeft gevoerd, om daarmee het geschil te verkleinen.
6.1.
[X] volgt het GHDHA niet, enerzijds stelt het GHDHA dat het beroep van [X] gegrond is, niet heeft voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep maar anderzijds wel het vonnis van de RBDHA volgt. Ten onrechte heeft het GHDHA haar oordeel gevestigd op stelsel niveau n.a.v. de massaalbezwaarprocedure en niet op overlijdenschade op individueel niveau. Dat is niet wat [X] het GHDHA bij ‘Akte’ heeft voorgelegd. Ook de herberekening was al eerder door de Belastingdienst opgegeven vóór de mondelinge behandeling van IB 2017 t/m 2019 bij de RBDHA n.a.v. het ‘Kerstarrest’. De beslissing van het GHDHA is tendentieus zonder nader motivatie waarom het GHDHA niet heeft willen beslissen op het beroep op individueel niveau overlijdensschade en daarmee heel selectief heeft gehandeld en in strijdt met de devolutieve werking van het hoger beroep, artikel 3:4 lid 1 en 2 Awb, artikel 8:69 Awb lid 1 t/m 3 en artikel 6 (EVRM) gehandeld.
6.1.1.
Het GHDHA wordt verweten, althans onduidelijk te zijn over haar motivatie om de uitspraak op bezwaar en het vonnis (gedeeltelijk) te vernietigen. [X] heeft zich in hoger beroep niet gericht tegen de massaal bezwaarprocedure IB-2017 t/m 2019, die bestond destijds nog niet. Het GHDHA heeft daarin beslist zonder dat [X] daartoe een verzoek heeft gedaan. Ten onrechte heeft het GHDHA daarmee voor het Ministerie van Financiën het mogelijk gemaakt tot het instellen van beroep in cassatie.
7. Bewijs en bewiisaanbod
Voor zover van belang in cassatie, biedt [X] bewijs en bewijsaanbod nadrukkeijk aan bij doorverwijzing naar een ander gerechtshof. [X] is van mening dat, hij zijn stellingen en zijn eisen in eerste en tweede aanleg voldoende heeft gemotiveerd en gedocumenteerd op grond waarvan zijn eis voor cassatieberoep ontvankelijk en toewijsbaar behoort te zijn. [X] herhaalt zijn aanbod tot bewijsvoering zoals gedaan in de beroepsschriften IB-2017 t/m IB-2019 en de ‘Akte’. Voor zover uw Raad mocht menen dat, [X] een of meer aspecten dient te bewijzen, dan biedt hij dat, nadrukkelijk aan op welk onderdeel dan ook. Meer in het bijzonder op grond van in de overlijdenschade rechtspraak verankerde criteria van de fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en risicovrij reëel spaarrendement van aan overlijdensschade gerelateerde zaken. Waaronder in rechtspraak vastgestelde wettelijke criteria van de fiscaal component, kapitalisatie, contante waarde, rekenrente, risicovrij reëel rendement inflatiecorrectie, koopkracht, derven levensonderhoud, versus forfaitaire rendementen, , voor zover dat, niet voldoende mogen blijken uit de (eerder) overlegde beroeps en bezwaarschriften met producties en het onderhavige cassatieberoep.
Niet valt verder in te zien op welke wijze [X] het gevorderde of verzochte nog verder aannemelijk had kunnen maken na opeenvolgende beroepen en in het bijzonder de ‘Akte’ en inmiddels over een verloop van 25 jaar een zware tol heeft geëist.
[X] heeft aan dit cassatieberoep de navolgende producties overlegd:
Productie A: | Uitspraak Gerechtshof Den Haag d.d. 4 oktober 2023 en proces-verbaal d.d. 29 augustus 2023. |
Productie B: | Proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 29 augustus 2023. |
Productie C: | Pleitnota: ‘Samenvatting grieven hoger beroep overlijdenschade 29 augustus 2023’ |
Productie D1: | Vereenvoudigde weergave intering overlijdenschade: (Primaire grief 1) in de ‘Akte’. |
Productie E: | Proces-verbaal mondelinge behandeling RBDHAd.d. 17 oktober 2022. |
Productie F | Audalet schadebegroting |
Verwijzingen | Producties VIII t/m XXI, welke zijn gehecht aan de ‘Akte’. |
Verwijzingen | Digitale dossier ‘mijn rechtspraak.nl’ |
Verwijzingen | Producties in eerste en tweede aanleg (cursief en onderstreept aangegeven) |
8. Conclusie
Er zijn te veel feiten waarover het GRDHA niets heeft overwogen en beslist. [X] verzoek tot verwijzing naar de feitenrechter (verwijzingshof) en opnieuw op devolutieve wijze te beslissen op individueel niveau inzake over de box 3-heffing op overlijdenschadevergoedingen in samenhang met EU- verordeningen, overlijdensrechtspraak, vastgelegde jurisprudentie criteria van fundamentele waarborgen en doelstellingen en de praktische gevolgen van box 3.1 en box 3.2 op de overlijdensschadevergoeding.
8.1.
Wat nu voorlegt zijn relevante ervaringen uit de praktijk welke de wetgever bij het ontwerp van het box 3-stelsel niet onder ogen heeft (willen) zien. Welke leiden tot een onvoorziene en onredelijke benadeling bij een robuuste groep gerechtigde op grond van vaste rechtspraak van artikel 6:108 BW. met inachtneming van de daaruit voortvloeiende fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria. Hierbij doet zich een vergelijk voor met de toeslagen affaire. Waarover de A-G bij de Raad van State in zijn conclusie gewezen heeft op de toepassingsmogelijkheden van artikel 3:4 lid 2 (evenrediqheidsvereiste). Zie randnummer: 3.12 t/m 3.12.7 (‘Verzuim toetsing wet op svsteemfout anders dan artikel 11 Wet algemene bepalingen’), 3.15 t/m 3.15.5 ( ‘Verzuim toetsing svsteemfout ontwerp box 3-stelsel Wet IB-2001’), 5 t/m 5.1.8 ( ‘Klacht 2: Beoordeling van het huger beroep’) en randnummer: 3.9 t/m 3.9.3 (‘GRDHA heeft met het box 3-stelsel bepaalde omstandigheden niet onder ogen gezien’). Onderhavig geschil zou naar analogie hiervan moeten leiden tot rechtsontwikkeling en volledig rechtsherstel.
8.2.
[X] kan de wetgever en de rechtspraak niet volgen dat de bij rechtspraak en uitgebreide (historische) jurisprudentie de verworven fundamentele rechten, waarborgen, doelstellingen en criteria door het box 3-stelsel wordt ondermijnd. Wat leidt dat rechtspraak over overlijdenschadezaken tot een fopspeen zijn geworden.
8.3.
Ten onrechte en op onrechtvaardige wijze heeft het GHDHA zich alleen laten leiden door de uitspraak van de RBDHAd.d. 22 december 2002 op stelsel niveau, massaalbezwaarprocedure, Wet rechtsherstel box 3 en het arrest IB-2016 d.d. 9 april 2019 van [X]: (ECU :NL:GHDHA:2019:834). En niet op het gevorderde en gestelde in de ‘Akte’ op individueel niveau overlijdensschade. Dat zijn twee afzonderlijke entiteiten, waarvan overlijdensschade op basis van rechtspraak een wettelijke basis heeft. En door de HR is bevestigd sinds d.d. 24 april 1959 ECLI:NL:HR:1959:24en verder is uitgekristalliseerd. Kapitaal uit een overlijdenschade rechtspraak wringt met EU- verordeningen maar botst ook met de regel het dat een inkomstembelasting moet worden geheven op basis van het individuele inkomen. Daarmee behoort een overlijdenschadevergoeding tot een andere vermogenscategorie, met een eigen risicovrij reëel spaarrendement. Het huidige box 3-stelsel is vanaf 2001 discriminatoir en is strijd met EU-verordeningen. Ook de Wet rechtsherstel box 3 schendt het discriminatieverbod en het eigendomsrecht. Het GHDHA heeft verzuimd om het feitencomplex van de aangedragen verschillen in de ‘Akte’ te behandelen versus de box 3-heffingen over de jaren 2001 t/m 2022 en de wettelijk robuust vastgestelde criteria, waarborgen en doelstellingen bij overlijdenschade rechtspraak. Bovendien worden ongelijke situaties zoals bij overlijdensschadevergoedingen fiscaal behandeld alsof ze gelijk zouden zijn met de gemiddelde box 3-belastingbetaler. Daarvoor ontbreekt het aan elke feitelijke grondslag.
8.4.
Het handelen en nalaten van de RBDHA en het GHDHA verdaagt zich niet met: artikel 3:4 lid 2 (evenredigheidsvereiste), artikel 8 69 lid 1 t/m 3 Awb. Bovendien verdraagt het GHDHA zich niet met: artikel 8:115 lid 1 sub bAwb, door de zaak niet terug te verwijzen naar de RBDHA en heeft niet voldaan aan de devolutieve werking van het hoger beroep, EU-verordeningen en de zorgvuldigheidsvereiste en belangenafweging die de wet biedt. Het GHDHA heeft daarmee in strijd gehandeld met een doelmatige, rechtmatige en gemotiveerde procesvoering door het gevorderde of verzochte in de ‘Akte’ niet te onderzoeken en te beslissen.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑12‑2024
Zie in dit kader onder andere CRvB 15 september 1998, RVS 1989, 98; CRvB 21 april 1994, JB 1994, 149; CBb 2 november 1994, JB 1994, 316 m.nt. JCCL; ABRS 14 juli 1995, JB 1995, 245; alsmede CRvB 8 januari 1996, Rawb 1996, 58 m.nt. BdW.
Te raadplegen via www.raadvanstate.nl/publica- tions/documents/52Jaarverslag_rvs_2003_fc.pdf.
Zie randnummer: 3.20 t/m 3.20.7 (Belastingdruk confiscatoir karakter IB-box 3 boven de 100%)
Als steunbewijs
Idem als voetnoot: 4