Op 8 augustus 2023 is het cassatieberoep partieel ingetrokken. Het beroep richt zich niet tegen de vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde “tezamen en in vereniging met een ander of anderen” en de vrijspraak van het tenlastegelegde “opzettelijk (en met voorbedachten rade)”.
HR, 23-04-2024, nr. 22/04692
ECLI:NL:HR:2024:646
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-04-2024
- Zaaknummer
22/04692
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Politierecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:646, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:154
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3738
ECLI:NL:PHR:2024:154, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:646
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑05‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0085
JA 2024/99 met annotatie van mr. J. van de Klashorst
NJ 2024/356 met annotatie van J.L. Smeehuijzen, J.M. Reijntjes
NTS 2024/27
Uitspraak 23‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Doodslag door goede vriend in auto met vuurwapen door zijn hoofd te schieten, terwijl zijn 14 maanden oude dochter op achterbank zit (art. 287 Sr). 1. Vormverzuim, art. 126j Sv (stelselmatige informatie-inwinning). Politie zet door twee heimelijke ‘inzetten’ een dreiging voor veiligheid van verdachte, zijn zus en partner in scène teneinde belastend bewijs te verkrijgen. Is oordeel hof dat deze toepassing van opsporingsbevoegdheid voldoet aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit toereikend gemotiveerd? 2. Vorderingen benadeelde partijen t.z.v. materiële schade wegens gederfd levensonderhoud (art. 6:108.1 BW). Heeft hof zijn oordeel over toewijsbaarheid van vorderingen b.p.’s m.b.t. gederfd levensonderhoud toereikend gemotiveerd in het licht van (processuele) beperkingen voor verdediging in strafproces en gelet op aard van vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud? 3. Vordering benadeelde partij t.z.v. shock-/schokschade. Kon hof toewijzing van vordering mede baseren op omstandigheid dat verdachte de b.p. (weduwe van slachtoffer) in periode na doodslag “om de tuin heeft geleid” doordat hij zich tegenover haar heeft voorgedaan als steun en toeverlaat, terwijl zij in kwetsbare positie verkeerde? Ad 1. Oordeel hof dat geen sprake is van vormverzuim, is niet toereikend gemotiveerd. Verdediging heeft aangevoerd dat dreiging plaatsvond tegen achtergrond van al bestaande anonieme dreiging voor leven van verdachte, in verband waarmee voorlopig gehechte verdachte half jaar in afzondering heeft doorgebracht in penitentiaire inrichting. Verder heeft verdediging aangevoerd dat deze ‘inzetten’ bij verdachte en zijn naasten tot veel angst, spanning en stress hebben geleid, en dat politie pas na 4,5 maand aan verdachte heeft verteld dat dreiging door politie was geënsceneerd. Bovendien heeft verdediging aangevoerd dat mededelingen van OvJ op pro forma-tz. in eerste aanleg voorafgaand aan ‘inzetten’ door politie erop wijzen dat opsporingsonderzoek toen al in afrondende fase verkeerde, maar desondanks met beslissing over ‘inzetten’ de resultaten van dit onderzoek niet werden afgewacht. Hof heeft nagelaten juistheid van deze door verdediging aangevoerde aspecten (die in onderlinge samenhang bekeken schending van beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zouden kunnen opleveren) te beoordelen. In dit licht is ook oordeel hof dat in stadium van onderzoek waarin beslissing over ‘inzetten’ werd genomen “geen lichter of ander middel (meer) voorhanden [was]”, niet z.m. begrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. vordering tot schadevergoeding waarmee degene die rechtstreeks schade heeft geleden door strafbaar feit zich als b.p. kan voegen in strafproces en gaat nader in op verplichting van strafrechter zich ervan te vergewissen dat partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest stellingen en onderbouwingen m.b.t. toewijsbaarheid van vordering b.p. genoegzaam naar voren te brengen. Verplichting van strafrechter vraagt aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van nabestaanden voor gederfd levensonderhoud, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan toewijzing en oplegging van schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met bijzonderheden van partijdebat over zo’n vordering, te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen m.b.t. (betwisting van) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. HR merkt op dat mogelijkheid tot splitsing van vordering ook bestaat in gevallen waarin strafrechter tot conclusie komt dat b.p. aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd. Oordeel hof dat volledige vorderingen tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud toewijsbaar zijn, is ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat inzichtelijke weergave van schadeberekeningen die door b.p.’s ingeschakeld gespecialiseerd bureau heeft gemaakt niet zonder meer voldoende grond biedt voor aannemen van juistheid van uitkomsten van die schadeberekeningen als niet is nagegaan in hoeverre eenzijdig aan die berekeningen ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:958 m.b.t. vergoeding van schokschade. Hof heeft toewijzing van gevorderde schokschade mede gebaseerd op oordeel dat verdachte b.p. “om de tuin [heeft] geleid” doordat hij zich in periode volgend op bewezenverklaarde feit bij verschillende gelegenheden tegenover haar heeft voorgedaan als steun en toeverlaat terwijl zij in kwetsbare positie verkeerde. Oordeel geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Bij schokschade in strafzaken gaat het om schade die gevolg is van hevige emotionele schok die is teweeggebracht door (jegens ander gepleegde) strafbaar feit, waarbij slechts rol kunnen spelen omstandigheden waaronder dit feit en confrontatie met dit feit of gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. Gedragingen van verdachte in periode nadat dit feit is gepleegd die losstaan van plegen van dit feit en deze confrontatie, kunnen niet worden aangemerkt als omstandigheden die relevant zijn voor (als gevolg daarvan) ontstaan van schokschade. Dit brengt mee dat middel ook slaagt v.zv. dat opkomt tegen oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing m.b.t. strafoplegging (waaronder oplegging van schadevergoedingsmaatregelen) en beslissingen over vorderingen b.p.’s t.a.v. gederfd levensonderhoud en schokschade. CAG: anders t.a.v. vorderingen b.p.’s t.z.v. materiële schade wegens gederfd levensonderhoud.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/04692
Datum 23 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2022, nummer 23-002224-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft R.A. Korver, advocaat in Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van het verweer dat strafvermindering moet worden toegepast omdat de toepassing van de in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) omschreven bevoegdheid door de politie een vormverzuim oplevert.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 1 oktober 2019 te Duivendrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen te schieten door het hoofd van [slachtoffer] .”
2.3.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 hebben de raadslieden van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“Ten tweede heeft het OM naar de mening van de verdediging bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, die niet proportioneel zijn:(...)2. Bedreigen/pogen tot afpersen van cliënt middels die brief naar de PI.3. Bedreigen/pogen tot afpersen van zijn zus.
De verdediging betwist de rechtmatigheid van de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen.
Met de inwerkingtreding van de Wet BOB zijn verschillende opsporingsmethoden in het Wetboek van Strafvordering opgenomen, waaronder stelselmatig inwinnen van informatie (art. 126j Sv.).
Het gebruik van dit bijzondere opsporingsmiddel moet wel de toets der proportionaliteit en subsidiariteit doorstaan. Bovendien mogen opsporingsambtenaren geen strafbare feiten plegen bij de inzet. Mijns inziens is dat wel gebeurd. Cliënt, zijn vrouw en zijn zus zijn bedreigd, althans is gepoogd hen af te persen.
De vertoonde beelden, en ook de geverbaliseerde verslaglegging hiervan, laten zien dat de zus van mijn cliënt [betrokkene 12] bedreigd wordt door enkele mannen. Ze wordt omringd door druk zwaaiende en kanker schreeuwende kerels, die haar duidelijk maken dat het hen menens is als er voor het eind van het jaar geen € 150.000 in bitcoins wordt betaald. Ik begrijp heel goed dat [betrokkene 12] dit als uiterst bedreigend heeft ervaren. Ik heb haar direct na deze aanloopactie huilend aan de telefoon gehad, waarbij zij zeer geëmotioneerd haar verhaal deed. Zij was zeer aangedaan. Ook mijn cliënt heeft dit niet ongemoeid gelaten, om het eufemistisch uit te drukken.
Aan het eind van het laatste politieverhoor werd cliënt verteld dat deze actie dreiging aan het adres van [betrokkene 12] en de kaart die cliënt in de PI heeft ontvangen door de politie in scene zijn gezet. Dit heeft tot heftige emoties geleid bij cliënt. Ik wist dat cliënt al heel lang op grond van levensbedreigende dreiging in afzondering zat in de PI. De angst die dit met zich meebrengt werd pas echt reëel toen cliënt hoorde van de dreiging jegens [betrokkene 12] op 3 december 2020 en de ontvangen kaart. Nu kwam het heel dichtbij en was het reeel. Het was stuitend om dan maanden later, te weten op 30 april 2021 bij het laatste verhoor te vernemen dat deze inzet door de politie was gepleegd. [betrokkene 12] was bedreigd door mensen van de politie, althans onder regie van de politie.
Cliënt, zijn zus en zijn vrouw zijn derhalve ruim 4 ½ maand in angst achtergelaten, terwijl de politie beter wist.
Mijns inziens volstrekt ten onrechte deelde de OvJ in eerste aanleg mee dat er geen aangifte mogelijk is omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt bij dit handelen van de politie. Het gaat er bij een bedreiging natuurlijk om of de bedreigde zich objectief gezien redelijkerwijs bedreigd kon voelen door de gebezigde bewoordingen, in combinatie met de gedragingen. De beelden, het geluid en de gesproken tekst, zoals geverbaliseerd spreken mijns inziens voor zich.
Bij deze voer ik het 395a Sv verweer, niet alleen voor het aanlopen van [betrokkene 12] , maar ook voor het vervolg, te weten het versturen van de kaart met tekst en foto aan mijn cliënt. Hier wordt een vervolg gegeven op de eerdere bedreiging van [betrokkene 12] .
De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw (het schrijven met foto aan hem gericht in de PI is te zien als een indirecte bedreiging van zijn vrouw) zijn hard bij hem binnengekomen. Ook cliënt was geheel van streek. Hij zat immers al maanden in de PI in afzondering wegens een anonieme dreiging op zijn leven, die door het GRIP zo serieus werd genomen dat cliënt hiervoor ruim ½ jaar in afzondering heeft doorgebracht. Door deze bedreiging van zijn zus en vrouw, werd deze dreiging op zijn leven concreet. Hierdoor hebben zijn zus [betrokkene 12] , zijn vrouw [betrokkene 3] en hij zelf doodsangsten uitgestaan. Het heeft tot veel angst, spanning en stress geleid bij cliënt.
Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art 359a Sv. Ten aanzien van de in art 359a lid 2 genoemde factoren voer ik aan:
Het belang dat het geschonden voorschrift dient:
Het aanlopen van [betrokkene 12] kwalificeer ik als een bedreiging van [betrokkene 12] (artikel 285 Sr.). Dit is een strafbaar feit en dat mag niet. [betrokkene 12] wordt omringt door opdringerige kanker roepende mannen, die druk en dreiging uiten, door te zeggen dat ze tegen [verdachte] moet zeggen dat hij voor 31 december 150.000 in bitcoins moet betalen. Doekoe moet terug. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit. We maken geen grappen, zeggen ze letterlijk (pagina 2428 PV). Me dunkt dit is een bedreiging! Ik verwijs ook naar het filmpje. Het is mijns inziens ook te kwalificeren als een poging tot afpersing (artikel 317 Sr). Ik verwijs ook naar de aangifte van deze bedreiging door zus [betrokkene 12] op 3 december 2020 (vide pagina 2578 t/m 2581 PV). Het zou ook nog te kwalificeren zijn als belaging (art. 285b Sr: iemand vrees aanjagen).
De dreiging die bij cliënt is binnengekomen door dit bedreigen cq. pogen tot afpersen, dan wel belagen van [betrokkene 12] en het nadien ontvangen van de kaart met foto in de PI , in de context van de anonieme dreiging die er al op zijn leven was, is ook te kwalificeren als bedreiging, poging tot afpersing, althans belaging van mijn cliënt (art. 285 Sr), althans is te zien als een schending van artikel 3 EVRM.
[betrokkene 12] heeft met cliënt gebeld en melding gemaakt van deze bedreiging. Cliënt was hiervan helemaal van de kaart. Op 4 januari 2021 heeft cliënt toen in de [PI] de brief ontvangen, die is bijgevoegd bij het PV van bevindingen (zie pagina 2576/2577 PV), met de tekst: “Zit je lekker veilig en rustig in je cel; Heb je al gesproken met je zus; Wij wachten nog steeds; Kijk naar de foto; Voor vergiffenis is het nooit te laat.” De bijgaande foto (pag 2577) toont de voordeur van het huis van zijn vrouw [betrokkene 3] . Mijns inziens is evident dat dit een strafbaar feit oplevert jegens mijn cliënt. Subsidiair vind ik deze handelwijze van de politie een inbreuk op de integriteit van mijn cliënt. De inbreuk op zijn integriteit levert mijns inziens strijd met artikel 3 EVRM op.
De ernst van het verzuim:
Het hard aanpakken en onder druk zetten van een verdachte tijdens het vooronderzoek kan onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. Het toepassen van deze methoden vindt zijn begrenzing waar deze overgaan in een behandeling die strafbaar is, althans strijdig met art. 3 EVRM. Gebleken is dat er strafbare feiten zijn gepleegd met psychische schade tot gevolg. Er is geen ruimte voor het plegen van strafbare feiten door de politie. Dit maakt dat er sprake is van een ernstig verzuim. Het optreden van de politie zoals in deze zaak is niet toegestaan. Als de politie onschuldige burgers gaat bedreigen is het hek van de dam.
Het nadeel dat door het geschonden voorschrift wordt veroorzaakt:
Het bedreigen van [betrokkene 12] en de dreiging naar mijn cliënt toe heeft geen bewijs opgeleverd. De toegepaste bejegening van mijn cliënt heeft niet geleid tot bewijs. Het nadeel is dan ook beperkt. Door de dreiging heeft cliënt doodsangsten gehad. De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw heeft cliënt veel stress en spanning opgeleverd gedurende 4½ maand.
Gevolg:
Welk rechtsgevolg moet aan deze onherstelbare vormverzuimen worden verbonden? Voor niet-ontvankelijk bij een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a is alleen plaats bij schending van het Zwolsman of Karmancriterium. Mijn onderbuik zegt dat dit hier eigenlijk wel aan de orde is.
(...)
Bij het tweede [verzuim] kan het toch niet zo zijn dat onschuldige burgers worden bedreigd door de politie en maanden in angstige onzekerheid worden gelaten. Als dit niet voldoende gesanctioneerd wordt geeft het mijns inziens een vrijbrief voor justitie om dit onrechtmatige gedrag te blijven herhalen.
Gezien de jurisprudentie is niet ontvankelijkheid helaas een brug te ver, maar ik vind wel dat dit gedrag stevig gesanctioneerd moet worden. (...) Bij het tweede verzuim verziekt het mijns inziens feitelijk de opsporing als we gaan toestaan dat de politie strafbare feiten mag plegen om een strafrechtelijk onderzoek vlot te trekken.
Strafvermindering is naar de mening van de verdediging gerechtvaardigd. Ik verwijs naar de motivering van de Hoge Raad in dit arrest van 23 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1092): strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van voldoende ernstige verzuimen ex 359a Sv is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte kan grond bieden voor strafvermindering.
AG Bleichrodt schrijft in zijn conclusie bij bovenvermeld arrest (ECLI:NL:PHR:2020:654): het zonder rechtsgevolg blijven van vormverzuimen brengt niet alleen het gevaar van toekomstig gebrek aan rechtsdiscipline in de opsporing met zich mee (het preventieargument), maar kan ook leiden tot aantasting van de integriteit en het gezag van de overheid (het integriteitsargument).
Met verwijzing naar dit Anne Faber arrest verzoek ik om strafvermindering: zoals daar is vastgesteld, vind ik ook hier: zo ga je niet met verdachten om. Dit moet gesanctioneerd worden. Als u mij derhalve onverhoopt niet zou volgen en niet tot een vrijspraak zou komen, dient de op te leggen straf verminderd te worden op grond van deze onherstelbare vormverzuimen.
Ten aanzien van het aanlopen van de zus van cliënt en het versturen van de ansichtkaart heeft het OM betoogt en dit herhaalt in de appelmemorie dat dit met instemming van de RC is gebeurd. De rechtbank heeft hier anders over geoordeeld en de verdediging volgt hierin de rechtbank. De rechtbank heeft (vide pagina 10 van het vonnis) geoordeeld dat de eerder genoemde twee acties “op grond van artikel 126j Sv niet aan de RC, althans niet formeel en in concreto, zijn voorgelegd”. De rechtbank heeft voorts op de lezing van de OvJ dat de hele kwestie was voorgelegd aan de RC en dat mede om die reden er geen sprake zou zijn van een vormverzuim een onjuiste voorstelling van zaken is.
De rechtbank heeft dan ook geconstateerd dat er sprake geweest is van een verregaande inbreuk op de rechten van verdachte en zijn zus. De manier waarop de zus van verdachte is achtervolgd (namelijk voor haar merkbaar) en vervolgens is benaderd, kan moeilijk anders gezien worden als een bedreiging.
De rechtbank heeft geoordeeld dat - hoewel er nog onbeantwoorde vragen waren - er eind 2020 voldoende duidelijkheid was op de zaak te kunnen berechten. Toch is ervoor gekozen om gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde en van verdachte. Daarmee heeft het OM naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare overschreden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval bij de inzet van deze acties niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, waardoor er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek.
Het OM heeft in haar appelmemorie gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inzet van het middel in december niet meer proportioneel zou zijn. Immers ten tijde van de inzet was het multidisciplinair onderzoek van het NFI nog niet gereed. Dat het onderzoek “op enige technische details na gereed was, zoals de rechtbank stelt, betwist het OM.
De verdediging is het met de rechtbank eens en betwist de juistheid van het door het OM in haar appelmemorie gestelde. Ik wil in dit kader nog even benadrukken wat het OM zelf heeft verklaard:
Op de pro forma zitting van 29 juli 2020 verklaart de OvJ reeds op pagina 2 van het PV van de zitting: “...De volgende zitting op 8 oktober 2020, is wat het Openbaar Ministerie betreft de laatste pro forma zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak is gepland in begin december van dit jaar”.
De Officier van Justitie heeft voorts op 8 oktober 2020, tijdens die pro forma zitting gemeld dat wat het OM betreft “het tactisch onderzoek zo goed als gereed is en het PV zo goed als af.” (zie pagina 1 van het PV van de zitting d.d. 8 oktober 2020)
De onderhavige inzetten vinden maanden nadien plaats, te weten op 3 december 2020 en 4 januari 2021.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de verdachte nadeel van deze inzet heeft ondervonden: deze actie heeft voor de nodige angst bij verdachte gezorgd, angst voor zichzelf maar zeker ook voor zijn familie voor wie hij vanuit detentie niets kon betekenen. De rechtbank volgt de verdediging voorts ook in het oordeel dat ook als dit niet tot een benadeling van de verdachte is zijn strafzaak heeft geleid ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. De verdediging kan zich vinden in dit oordeel en het gevolg, te weten vermindering in enige mate van de op te leggen straf.”
2.3.2
Het hof heeft het verweer verworpen en daartoe overwogen:
“Geen strafbaar handelen van de politie of een schending van artikel 3 EVRM.
Uit het dossier volgt dat in het kader van onderhavig politieonderzoek op grond van artikel 126j Sv twee acties zijn ingezet, te weten: het ‘aanlopen’ van de zus van de verdachte, [betrokkene 12] , en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel in de [PI] .
Op 24 november 2020 heeft de officier van justitie een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven als bedoeld in artikel 126j Sv. Het bevel strekte ertoe om [betrokkene 12] te benaderen op een wijze die de indruk zou wekken dat dit door een derde partij, niet zijnde de politie, werd gedaan. Op 3 december 2020 hebben opsporingsambtenaren van Team Heimelijke Operaties uitvoering gegeven aan dat bevel (dossierpagina Z2430). Voorafgaand aan de inzet gericht tegen [betrokkene 12] zijn de kaders waarbinnen dit moest gebeuren en de over te brengen boodschap met deze opsporingsambtenaren besproken. Hierbij is expliciet afgesproken dat geen sprake mocht zijn van een bedreiging (in juridische zin) en dat er geen fysiek contact mocht zijn tussen de opsporingsambtenaren en [betrokkene 12] . Op 3 december 2020 zijn de opsporingsambtenaren [betrokkene 12] gevolgd vanaf haar huis naar de rechtbank in Amsterdam. Onderweg hebben de mannen bij een bezinepomp bewust oogcontact gemaakt met [betrokkene 12] . Vervolgens hebben de opsporingsambtenaren haar opnieuw gevolgd tot aan de rechtbank en hebben haar daar opgewacht. De opsporingsambtenaren hebben toen een briefje bij de deurgreep van het bestuurdersportier van de geparkeerde auto van [betrokkene 12] geplaatst. Nadat [betrokkene 12] de rechtbank verliet en onderweg was naar haar auto, is zij door twee van hen aangesproken. Uit het dossier blijkt dat het gesprek als volgt is verlopen (dossierpagina Z2428):
Ik, verbalisant B-180, sprak [betrokkene 12] aan.Ik zei tegen [betrokkene 12] : “Ewa hoe gaat het met [verdachte] ? Hoe gaat het met [verdachte] ?Luister zeg tegen [verdachte] , voor 31 december gaat hij 150.000 betalen.Doekoe moet terug, jij en [verdachte] hebben een probleem. Je kent [verdachte] toch of ken je geen [verdachte] ?”of woorden van gelijke strekking.
Wij, verbalisanten B-180 en B-270, hoorden [betrokkene 12] zeggen:“Welke [verdachte] ? Wat heb ik daarmee te maken? Ik ken geen [verdachte] ? Mijn broertje?”of woorden van gelijke strekking.
We vervolgden het gesprek:B-180: “150.000 voor 31 december.”B-270: “Voor 31 december 150 kop.”B-180: “Betaal die kanker doekoe, bij je auto staat hoe je het gaat betalen. Bitcoins, ik wil alleen Bitcoins. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem”B-270: “Je hebt ons toch gezien bij je huis en bij tankstation?”[betrokkene 12] : “Ja Ja.”B-180: “Je hebt ons gezien toch. Goed zo, knoop dat in je oren. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit.”B-270: ‘Kowed, we maken geen grappen!”of woorden van gelijke strekking.
[betrokkene 12] is vervolgens naar haar auto gelopen, waarop zij een briefje aantrof met daarop het getal 150.000 en het adres van een bitcoinwallet. Zij is onmiddellijk teruggelopen naar de rechtbank, waar zij de beveiliging heeft aangesproken. [betrokkene 12] heeft hierop het alarmnummer 112 gebeld en heeft diezelfde dag nog aangifte gedaan van chantage/afpersing. Ook heeft zij contact opgenomen met de echtgenote van de verdachte [betrokkene 3] en haar verteld wat haar was overkomen.
Op 28 december 2020 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven om een brief en/of kaart met tekst en bijgevoegd een foto van de woning [d-straat 1] in [plaats] of een foto van de auto van de verdachte, te sturen naar de verdachte in de [PI] . Uit het bevel volgt dat druk/dreiging zal worden opgelegd door middel van de tekst die wordt gebruikt. De tekst zal verwijzen naar de dreiging die [betrokkene 12] heeft meegemaakt en naar de vraag wanneer het geld dat (vermoedelijk) door de verdachte is verduisterd zal worden terugbetaald. Op 4 januari 2021 heeft de verdachte in zijn cel een brief ontvangen met daarop de navolgende tekst (dossierpagina Z2575):
“As-Salam AlaykumZit je lekker veilig en rustig in je celHeb je al gesproken met je zusWij wachten nog steedsKijk naar de fotoVoor vergiffenis is het nooit te laat”
Bij de brief is een foto gevoegd van de voordeur van de woning aan [d-straat 1] in [plaats] , waar de verdachte met zijn vrouw [betrokkene 3] en haar dochter woonde. Op de foto is ook de auto van [betrokkene 3] te zien.
Het hof stelt voorop dat deze twee acties zijn gestoeld op bevelen van de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv. Anders dan bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie op grond van artikel 126l Sv, waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, kan een bevel als bedoeld in artikel 126j Sv zonder tussenkomst van de rechter-commissaris (uitsluitend) door een officier van justitie worden afgegeven. Het hof constateert aldus dat in zoverre van enige onrechtmatigheid geen sprake is.
Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat door de opsporingsambtenaren tijdens de inzet tegen [betrokkene 12] geen sprake is geweest van een bedreiging (in juridische zin) tegen de verdachte, (indirect) diens vrouw en/of [betrokkene 12] en dat ook overigens jegens (één of meer van) hen geen strafbaar feit is gepleegd door de opsporingsambtenaren. Daarbij is betrokken dat de tegen [betrokkene 12] gebruikte woorden, die erop neerkomen dat vóór het einde van de maand 150.000 betaald moest worden, niet zien op een concreet misdrijf en dit evenmin in voldoende mate impliceren. Naar het oordeel van het hof is daarnaast de wijze waarop [betrokkene 12] door de opsporingsambtenaren is aangesproken niet van dien aard of onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [betrokkene 12] of (indirect) de verdachte, of diens vrouw de redelijke vrees kon ontstaan dat een in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf zou worden gepleegd.Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2020 aangaande het aanlopen van [betrokkene 12] blijkt dat de twee opsporingsambtenaren tijdens het gesprek op gepaste afstand van haar stonden, dat zij [betrokkene 12] de weg niet hebben geblokkeerd zodat zij vrij was om weg te lopen en dat zij haar tijdens het gesprek op geen enkel moment hebben aangeraakt of anderszins fysiek hebben bejegend (dossierpagina’s Z2425 tot en met Z2429). Niet gebleken is dat de opsporingsambtenaren zich tijdens het aanlopen van [betrokkene 12] op enigerlei wijze niet hebben gehouden aan de vooraf aan hen verstrekte opdracht en de in dat kader gemaakte afspraken, waaruit volgt dat zij binnen de kaders van het bevel hebben gehandeld, welk handelen dus niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.Het hof volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat sprake zou zijn van een poging tot afpersing of belaging van de verdachte, (indirect) diens vrouw en [betrokkene 12] , reeds omdat het daartoe in dat verband vereiste opzet (onderscheidenlijk oogmerk) van de opsporingsambtenaren heeft ontbroken. Het hof wil wel aannemen dat het aanlopen van [betrokkene 12] en het versturen van de brief/kaart naar de verdachte in eerste instantie voor zowel de verdachte als zijn zus imponerend zijn geweest en bij hen tot onrust heeft geleid. Het hof is echter van oordeel dat de opsporingsambtenaren tijdens de inzet van deze middelen niet de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. Van een schending als bedoeld in artikel 3 EVRM is, gelet op al het voorgaande, naar het oordeel van het hof evenmin sprake.
Tenslotte acht het hof zowel het aanlopen van [betrokkene 12] als het versturen van de kaart naar de cel van de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.Daartoe zijn met name de volgende omstandigheden in onderling verband redengevend: de ernst van het feit waarvan de verdachte werd verdacht (een levensdelict), de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de lange periode van onzekerheid waarin de nabestaanden, waarmee de verdachte als goede vriend in nauw contact had gestaan, toen al verkeerden. Door de proceshouding van de verdachte bleef ondanks alle inspanningen van het openbaar ministerie en de politie, zoals die uit het dossier volgen, onduidelijkheid bestaan over de feitelijke toedracht. Het politieonderzoek liep al gedurende ruim een jaar, toen is besloten tot een eenmalige gecombineerde inzet waarbij ook de zus van de verdachte werd betrokken. Deze beide inzetten zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd en dienden hetzelfde doel. De keuze om de inzet (deels) op [betrokkene 12] te richten is zorgvuldig gemaakt. Gedurende het onderzoek werd namelijk duidelijk dat de verdachte een hechte band had met deze zus; zij hadden een sterke vertrouwensrelatie en zeer frequent contact, ook over het onderzoek naar de verdachte. In dat stadium van het onderzoek was geen lichter of ander middel (meer) voorhanden. Bovendien had de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen niet enkel ten doel het scheppen van duidelijkheid aangaande het motief (ten behoeve van de nabestaanden), maar zag deze ook op de kwalificatievraag.
Het hof constateert dat uit de gecombineerde inzet van het aanlopen van [betrokkene 12] en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel en de daarop gevolgde OVC gesprekken geen voor de verdachte belastende informatie is voortgevloeid.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat ten aanzien van de inzet van het aanlopen van de zus van de verdachte en het versturen van een kaart naar de cel van de verdachte, geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer wordt ook in zoverre verworpen.”
2.4
Artikel 126j lid 1 Sv luidt:
“In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.”
2.5.1
Uit de vaststellingen van het hof volgt dat de toepassing van artikel 126j Sv heeft bestaan uit twee opeenvolgende ‘inzetten’ van de politie die waren gericht op (eerst) de zus van de verdachte en (vervolgens) op de verdachte zelf. Daarbij is de zus van de verdachte gevolgd en door twee mannen aangesproken dat vóór het einde van de maand 150.000 betaald moest worden in bitcoins en dat zij en haar broer anders “een kanker groot probleem” zouden hebben, waarbij zij “in haar oren moest knopen” dat zij hen had gezien bij haar huis en bij een tankstation. Vervolgens is aan de verdachte een kaart met een foto van zijn woning gestuurd, waar ook zijn partner en haar dochter woonden en waarop ook de auto van de partner zichtbaar was, met onder meer de vraag of hij “lekker veilig en rustig” in zijn cel zat, en of hij zijn zus al had gesproken. Daarmee heeft de politie een dreiging voor de veiligheid van de verdachte, zijn zus en zijn partner geënsceneerd. Het hof heeft geoordeeld dat de werkwijze van de opsporingsambtenaren ter uitvoering van de beide op artikel 126j Sv gebaseerde bevelen van de officier van justitie – hoewel die werkwijze “voor zowel de verdachte als zijn zus imponerend [zal] zijn geweest en bij hen tot onrust heeft geleid” – geen strafbaar feit of een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden jegens de verdachte of zijn zus heeft opgeleverd. Verder heeft het hof geoordeeld dat die werkwijze in overeenstemming is met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, waarbij het hof in zijn overwegingen heeft betrokken dat de inzet van deze “bijzondere opsporingsmiddelen” niet alleen tot doel had om duidelijkheid te scheppen over “het motief (ten behoeve van de nabestaanden)”, maar ook over de “kwalificatievraag”. Op grond van dit alles is het hof tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een vormverzuim bij deze ‘inzetten’.
2.5.2
Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim, is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad het volgende in aanmerking. De verdediging heeft – in verband met de omstandigheid dat door de politie een dreiging voor de veiligheid van de verdachte, zijn zus en zijn partner is geënsceneerd – aangevoerd dat deze dreiging plaatsvond tegen de achtergrond van een al bestaande anonieme dreiging voor het leven van de verdachte, in verband waarmee de voorlopig gehechte verdachte een half jaar in afzondering heeft doorgebracht in de penitentiaire inrichting. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat deze ‘inzetten’ bij de verdachte en zijn naasten tot veel angst, spanning en stress hebben geleid, en dat de politie pas na vier en een halve maand aan de verdachte heeft verteld dat de dreiging door de politie was geënsceneerd. Bovendien heeft de verdediging aangevoerd dat mededelingen van de officier van justitie op pro forma-terechtzittingen in eerste aanleg voorafgaand aan de ‘inzetten’ door de politie erop wijzen dat het opsporingsonderzoek toen al in een afrondende fase verkeerde, maar dat desondanks met de beslissing over de ‘inzetten’ de resultaten van dit onderzoek niet werden afgewacht. Het hof heeft nagelaten de juistheid van deze door de verdediging aangevoerde aspecten – die in onderlinge samenhang bekeken een schending van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zouden kunnen opleveren – te beoordelen. In dit licht is ook het oordeel van het hof dat in het stadium van het onderzoek waarin de beslissing over de ‘inzetten’ werd genomen “geen lichter of ander middel (meer) voorhanden [was]”, niet zonder meer begrijpelijk.
2.5.3
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3. Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen. In de eerste plaats klaagt het over de toewijzingen van de gevorderde materiële schade wegens gederfd levensonderhoud.
3.2.1
Bij de stukken bevinden zich formulieren ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] met bijlagen. Bijlage 2 betreft telkens een schriftelijke toelichting van de advocaat van de benadeelde partijen van 27 oktober 2020. Dit stuk houdt onder meer in:
“Namens mijn drie cliënten zal ik een verzoek tot schadevergoeding indienen middels de standaard schadeopgaveformulieren. Zij zullen onder meer gederfd levensonderhoud vorderen. Op dit moment beschik ik nog niet over alle informatie ter onderbouwing van de schadeposten maar beschik ik thans wel over de rapportage schadeberekening gederfd levensonderhoud. Namens cliënten breng ik deze schadeberekening reeds in de procedure zodat deze schadepost met onderbouwing kan worden bestudeerd en indien er vragen zijn over de berekening ik deze nog kan neerleggen bij de deskundige Laumen Expertise voor de inhoudelijke behandeling van de zaak. (...)
1. Het rekenkundig bureau Laumen Expertise heeft een personenschadeberekening ex art. 6:108 BW opgesteld ten behoeve van mijn cliënten. De rapportage met bijlagen (deel 1) en de berekening (deel 2) breng ik hierbij in de procedure als bijlage 1. De bijlagen bij de rapportage betreffen onder andere de Letselschade Richtlijn, Aangifte IB 2018 met winst [slachtoffer] , overzicht bijdrage [slachtoffer] bij kindverzorging. Zie voor een overzicht van de bijlagen p. 20 van de rapportage.(...)
3. Uit de rapportage op pagina 9 onder het kopje ‘b. Berekening Gederfd levensonderhoud’ blijkt dat het gederfde levensonderhoud is vastgesteld op:- [benadeelde 1] EUR 338.466,00- [benadeelde 2] EUR 46.315,00- [benadeelde 3] EUR 56.279,00
Cliënten vorderen dan ook deze bedragen. In de rapportage zijn diverse uitgangspunten genomen.
Situatie voor overlijden[slachtoffer]4. Allereerst volgt uit de rapportage op p. 11 dat ten tijde van het voorval [slachtoffer] als zelfstandig gevestigd kapper in Amsterdam werkte. De winst voor belasting bedroeg ten tijde van het voorval EUR 16.855,00 per jaar. [slachtoffer] bouwde geen pensioen op.5. Omdat [slachtoffer] zelfstandig ondernemer was zijn in de berekening de van toepassing zijnde ondernemers(aftrek-)posten opgenomen. De posten zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling zijn in de berekening meegenomen. Ook de post Stakingsaftrek/ - winst in 2052 is van toepassing en wordt als ondernemersaftrekpost opgevoerd.6. In de berekening is het ziektekostenstelsel volgens de basisverzekering toegepast. Een eventueel recht op zorgtoeslag wordt handmatig berekend en bij [benadeelde 1] opgevoerd.7. Ook zijn er, indien van toepassing, heffingskortingen in de berekening meegenomen, die afhankelijk zijn van de gezinssamenstelling en inkomen uit arbeid. Het rekenprogramma past enkele heffingskortingen automatisch toe wanneer deze van toepassing zijn. Andere heffingskortingen dan die kortingen die al automatisch door het rekenprogramma worden meegenomen, zijn niet van toepassing. Heffingskortingen die niet afzonderlijk kunnen worden ingevoerd, maar die automatisch worden verwerkt (indien van toepassing) zijn onder meer de algemene heffingskorting, arbeidskorting, kinderkorting (tot 2008), alleenstaande ouderkorting, ouderenkorting, tijdelijke heffingskorting vroegpensioen. Zie voor meer uitleg de technische bijlage in de rapportage op pagina 22/23.
[benadeelde 1]8. Ten tijde van het voorval ontving [benadeelde 1] een WIA-uitkering. In september 2018 bedroeg deze uitkering EUR 752,55 bruto per maand. Deze uitkering is verhoogd met de reguliere verhogingen. In oktober 2019 is de uitkering EUR 772,34. In de rapportage staat een tabel opgenomen waaruit de bedragen per maand volgen tot en met 2044. In 2044 zal de hoogte van de WIA-uitkering per maand EUR 780,84 bedragen.9. Uit de aangifte van [benadeelde 1] volgt dat zij in 2019 naast de WIA uitkering ook een WAZO uitkering heeft ontvangen. Deze Wazo uitkering had in 2018 uitbetaald moeten worden. Deze uitkering is door de rekenkundige dan ook niet in de berekening opgenomen, nu deze, ook al is deze in 2019 ontvangen, op 2018 ziet.10. Ook [benadeelde 1] bouwt zelf geen pensioen op. Verder wordt de hoogte van de AOW door het rekenprogramma automatisch opgenomen in de berekening.11. Ook ten aanzien van [benadeelde 1] wordt het ziektekostenstelsel volgens de basisverzekering toegepast. Verder blijkt dat het (verzamel-)jaarinkomen van [slachtoffer] en [benadeelde 1] boven de inkomensgrens ligt, waardoor zij geen recht op zorgtoeslag heeft. Uit de voorschotbeschikking van de fiscus blijkt ook dat de zorgtoeslag ingaat vanaf oktober 2019 .12. Ook ten aanzien van [benadeelde 1] heeft te gelden dat automatisch heffingskortingen worden toegepast en dat andere heffingskosten niet van toepassing zijn in deze situatie.
[benadeelde 2] en [benadeelde 3]13. Ten aanzien van de kinderen heeft te gelden dat in de berekening automatisch de kinderbijslag is meegenomen. Het rekenprogramma past de kinderbijslag automatisch toe.14. Vanaf de eerste maand volgend op de 18-jarige leeftijd zijn de kinderen verplicht om een basisverzekering af te sluiten. De nominale premie is niet meegenomen in de berekening.15. Er is ook nog rekening gehouden met andere gegevens. Zo bewoonden [slachtoffer] en [benadeelde 1] een huurwoning. De huurtoeslag is in december 2019 gestart, zodat er in de berekening vanuit wordt gegaan dat er in de situatie zonder overlijden geen recht op huurtoeslag was. Voor december 2019 woonde cliënte in een woning van HVO Querido en daarvoor woonde zij bij vrienden. In die situaties was geen recht op huurtoeslag.16. Omdat het toetsingsinkomen van [slachtoffer] in de situatie onder de inkomensgrens ligt bestaat er recht op kindgebonden budget. De toeslag is als een netto inkomen in de berekening ingevoerd.
Uitgangspunten na overlijden17. De winst uit de onderneming tot aan het overlijden van [slachtoffer] is niet meegenomen, omdat deze winst betrekking heeft op de periode vóór het overlijden18. De WIA-uitkering van [benadeelde 1] blijft hetzelfde. Door het overlijden heeft zij, totdat [benadeelde 3] 18-jaar is geworden, recht op een ANW-uitkering. Daarna vervalt de uitkering. In het geval van [benadeelde 1] wordt de WIA-uitkering in mindering gebracht op de ANW-uitkering. Ook bestaat er recht op een ANW-tegemoetkoming.19. Ten aanzien van [benadeelde 1] blijven de uitgangspunten voor het overige gelijk. Enkel voor de zorgverzekering heeft te gelden dat, nu het (verzamel-)jaarinkomen van [benadeelde 1] onder de inkomensgrens ligt, zij recht heeft op zorgtoeslag. Er wordt in dat kader wel rekening gehouden met een eventueel (tijdelijk) verlies van de zorgtoeslag in verband met het vermogen dat ontvangen wordt vanuit de overlijdensschade. Vanaf het moment dat het vermogen weer lager is dan EUR 116.613,00 (2038) zal [benadeelde 1] weer zorgtoeslag ontvangen.20. Voor wat betreft de kinderen blijven de uitgangspunten na overlijden gelijk aan de uitgangspunten voor overlijden.21. [benadeelde 1] woont nog immer in de huurwoning en heeft nu recht op huurtoeslag. De huurtoeslag is in de berekening meegenomen. Ook hier heeft echter te gelden dat er wel rekening wordt gehouden met een eventueel (tijdelijk) verlies van de huurtoeslag in verband met het vermogen dat ontvangen wordt vanuit de overlijdensschade. Vanaf het moment dat het vermogen weer lager is dan EUR 116.613,00 (2038) zal [benadeelde 1] weer huurtoeslag ontvangen.22. Ook na overlijden bestaat er recht op kindgebonden budget. Dit is in de berekening meegenomen. Ook is rekening gehouden met het eventuele (tijdelijke) verlies van de huurtoeslag in verband met het vermogen dat ontvangen wordt vanuit de overlijdensschade. Vanaf 2021 valt het kindgebonden budget weg.23. In de situatie van cliënten is geen sprake van weggevallen uitgaven. Er zijn wel bijkomende uitgaven. Er is rekening gehouden met een bijdrage in de verzorging van de kinderen, zoals bijvoorbeeld het halen en brengen naar/van de kinderopvang en het begeleiden van de kinderen alsmede in het huishouden. Hiervoor is de Richtlijn van de Letselschaderaad aangehouden. Dat [slachtoffer] een daadwerkelijk bijdrage leverde blijkt uit een overzicht dat door [benadeelde 1] is aangeleverd. Zie bijlage 7 van de rapportage. Volledigheidshalve wordt als bijlage 3 bij deze brief nog een verklaring overgelegd afkomstig van Kentalis, waarin wordt bevestigd dat het slachtoffer diverse zorgtaken op zich nam. Voor de berekening is het normbedrag van de richtlijn gelijkelijk verdeeld tussen de man en vrouw. Deze post loopt door tot 75-jarige leeftijd.
Concluderend
24. Concluderend worden de volgende bedragen aan gederfd levensonderhoud gevorderd:- [benadeelde 1] EUR 338.466,00- [benadeelde 2] EUR 46.315,00- [benadeelde 3] EUR 56.279,00”
3.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 heeft het hof ingestemd met het verzoek van de advocaat van de benadeelde partijen om de pleitnota die de advocaat in eerste aanleg heeft voorgedragen als “herhaald en ingelast te beschouwen”. Die pleitnota houdt onder meer in:
“Gederfde inkomsten2. In navolging op de schriftelijke toelichting wensen cliënten nog het navolgende met betrekking tot de gevorderde inkomstenderving op te merken. Voor het berekenen van de inkomstenderving is gebruik gemaakt van een in de rechtspraak geaccepteerde en veel gebruikte rekenmethode. Daarvoor is een gerenommeerd expertise bureau ingeschakeld. De wetgever heeft met de invoering van de wetgeving omtrent de vordering benadeelde partij bedoeld dat een benadeelde partij zoveel als mogelijk haar schade kan verhalen in het strafproces. Uit de rechtspraak volgt dat een dergelijke vorderingen die zien op gederfde inkomsten, ook worden toegewezen in strafzaken.3. De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest van 28 mei 2019 bepaald dat schade van een benadeelde partij ex artikel 6:97 BW op die wijze wordt begroot die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.Verder heeft de Hoge Raad in datzelfde arrest overwogen:“Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld.”En:“Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, beoogt deze uiteenzetting ook te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.”4. Cliënten stellen dat zij hun schade, en de inkomstenderving, door middel van het rekenkundig rapport afdoende hebben onderbouwd en dat hun vorderingen geen onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Het staat volgens cliënten vast dat zij inkomstenderving lijden nu hun man en vader om het leven is gekomen.5. Cliënten verwijzen uw Rechtbank subsidiair nog eerbiedig naar de Handleiding ‘Slachtoffer en de rechtspraak, handleiding voor de strafrechtspraktijk’.“De strafrechter moet zich dus realiseren dat de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade niet bewezen hoeft te worden. Voldoende is dat de schade aannemelijk is of redelijkerwijs valt te verwachten (toekomstige schade). Verder geldt dat in het geval de omvang van de schade niet nauwkeurig is vast te stellen, de rechter veel vrijheid toekomt bij de vaststelling daarvan.”6. Tot slot verwijzen cliënten naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2021. In deze zaak was door het slachtoffer een bedrag voor de door haar gederfde inkomsten gevorderd ad EUR 534.180,00. Deze schadepost werd onderbouwd aan de hand van een vergelijkbaar rekenkundig rapport. Het Gerechtshof oordeelde dat deze schadepost voldoende onderbouwd was en wees de gederfde inkomsten geheel toe. Afschrift van het arrest wordt als bijlage 1 aan deze pleitaantekeningen gehecht.7. Cliënten stellen dat alle materiële schadeposten afdoende zijn onderbouwd en geen onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. Cliënten verzoeken uw Rechtbank dan ook eerbiedig de door hen gevorderde materiële schade integraal toe te wijzen.”
3.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 hebben de raadslieden van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer in:
“Vordering benadeelde partijen:
De moeder van [slachtoffer] , zijn weduwe en zijn twee kinderen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben ieder een vordering benadeelde partij ingediend. Namens mijn cliënt wil ik benadrukken dat ook hij het vreselijk vindt dat zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen en zijn hele familie verder moeten leven met het grote verlies van [slachtoffer] .Primair verzoek ik u de vorderingen af te wijzen, nu u hier niet aan toe komt, aangezien cliënt vrijgesproken dient te worden van de het tenlastegelegde beschuldiging. Uiteraard volgt mijn vrijspraakverweer later in dit pleidooi.Als u de verdediging niet zou volgen en toch vindt dat mijn cliënt schuldig is merk ik het volgende in zijn algemeenheid op over de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen:
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] :De verdediging betwist bij gebrek aan andersluidende wetenschap en bij gebrek aan andere rapportage dan het eenzijdig opgemaakte rapport door het rekenkundig bureau Laumen Expertise de juistheid van de berekening, zoals gedaan door Laumen en zoals opgenomen in het schrijven van Mr. Korver van 20 oktober 2020.De verdediging acht het opgemaakte en overgelegde rapport te complex van aard. Het leent zich naar mijn mening niet voor behandeling en beoordeling in het strafproces.Ik ben van mening dat cliënt zich niet ten volle kan verweren tegen de vordering van de benadeelde partij. Toepassing van de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, leidt er in deze toe dat het recht van cliënt op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM in het gedrang komt. Ik verzoek u daarom op grond van art. 361, derde lid, Sv de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu mijn cliënt niet in voldoende mate in de gelegenheid is om alles ter voering van verweer tegen de vordering te kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.Ik verwijs naar het overzichtsarrest benadeelde partij van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) alwaar in overweging 2.8.3. van dit arrest is overwogen:In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1. bedoelde geval zich voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Ik verzoek u de vordering van de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien deze een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.(...)
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3] :Ten aanzien van de gevorderde € 56.279,-- voor [benadeelde 3] op grond van gederfd levensonderhoud verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt bij de post gederfd levensonderhoud bij [benadeelde 1] . Ik verzoek u dit als in deze herhaald en ingelast te beschouwen. Mijn conclusie ten aanzien van deze post is om de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien dit een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.De verdediging verzoekt de toekomstige reis- en parkeerkosten tbv medische behandeling ad € 1500 af te wijzen conform het oordeel van de rechtbank, daar geen kosten die in de toekomst wellicht gemaakt zullen worden thans voor vergoeding vatbaar zijn.Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud is mijns inziens slechts de schade tot kapitalisatiedatum ad € 1792,-- voor toewijzing vatbaar (vide pagina 27 van het rapport van Laumen expertise), daar de overige schade zich wellicht in de toekomst van [benadeelde 3] zou kunnen gaan afspelen, waarbij zoveel onzekere factoren van invloed kunnen zijn op het wel of niet ontstaan van schade als gevolg van dit feit. Er zijn vele onzekere factoren in de toekomst die de hoogte van de eventuele schade zullen beïnvloeden. Op grond hiervan acht de verdediging deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding, althans onvoldoende onderbouwd, althans onvoldoende vaststaand. Ik verwijs voorts naar hetgeen ik hierover bij aanvang van de bespreking vordering benadeelde partij heb opgemerkt. Primair derhalve niet ontvankelijk verklaring wegens onevenredige belasting van het geding. Subsidiair betwist de verdediging de juistheid van de vordering. Uiterst subsidiair verzoek ik u toewijzing tot de kapitalisatiedatum.(...)
Vorderingen benadeelde partij [benadeelde 2] :Ten aanzien van de gevorderde € 46.315,-- voor [benadeelde 2] op grond van gederfd levensonderhoud verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt bij de post gederfd levensonderhoud bij [benadeelde 1] . Ik verzoek u dit als in deze herhaald en ingelast te beschouwen. Mijn conclusie ten aanzien van deze post is dan ook om de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien dit een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.Terzake van de toekomstige reis- en parkeerkosten tbv medische behandeling verzoekt de verdediging de vordering, conform het oordeel van de rechtbank, niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.Ten aanzien van de affectieschade refereert de verdediging zich aan uw oordeel. Ten aanzien van de vordering immateriële schade op grond van “aantasting in de persoon op andere wijze” verwijs ik naar hetgeen hieromtrent is gezegd bij de vordering van [benadeelde 1] . Dit leidt tot niet ontvankelijk verklaring van de vordering op dit punt.”
3.2.4
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“13.1 De vorderingen[benadeelde 1] (weduwe van het slachtoffer)De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 398.180,52. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 338.466,00 gederfd levensonderhoud (...).(...)[benadeelde 2] (minderjarige zoon van het slachtoffer)De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 97.815,00. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 46.315,00 gederfd levensonderhoud (...).(...)[benadeelde 3] (minderjarige dochter van het slachtoffer)De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 107.779,00. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 56.279,00 gederfd levensonderhoud (...).(...)
13.2
De standpunten van de advocaat-generaal en de verdedigingDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat van alle vorderingen van de benadeelde partijen de materiële schade en de affectieschade kunnen worden toegewezen. (...)De raadsman heeft ingeval van een bewezenverklaring ten aanzien van de materiële schade primair verzocht de benadeelde partijen voor de post 'inkomstenderving' geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren omdat het (in het kader van een civiele vordering te beoordelen) rapport van rekenkundig bureau Laumen Expertise te complex is voor de verdediging en behandeling in het kader van een strafprocedure. De verdediging kan zich door de complexiteit hiervan niet ten volle tegen dit gedeelte van de vordering verweren, daarom zou de behandeling ervan een schending van artikel 6 EVRM opleveren. Subsidiair betwist de raadsman de juistheid van dit deel van de vordering bij gebrek aan andersluidende wetenschap en bij gebrek aan een andere rapportage.(...)Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] heeft de verdediging de volgende standpunten ingenomen. In aanvulling op het hierboven reeds weergegeven primaire standpunt heeft de verdediging als subsidiair standpunt voor wat betreft de materiële schade betoogd dat de kosten van gederfd levensonderhoud slechts dienen te worden vergoed tot de kapitalisatiedatum omdat er veel onzekere factoren zijn die van invloed kunnen zijn op het al dan niet ontstaan van de schade.
(...)De door [benadeelde 2] gevorderde schade door gederfd levensonderhoud en aantasting in de persoon moet naar het oordeel van de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard.(...)
13.3
Het oordeel van het hofBenadeelde partij [benadeelde 1]De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert € 346.330,52 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 338.466,00 gederfd levensonderhoud (...).(...)Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan en daarmee onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor is teweeg gebracht.Op grond van artikel 51f Sv jo artikel 6:108, lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de benadeelde partij een vordering indienen tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Aan de gevorderde kosten ligt een rapport met schadeberekening van rekenkundig bureau Laumen Expertise ten grondslag van 8 april 2020.Het hof constateert dat dit rapport is opgesteld door een bureau dat is gespecialiseerd in de berekening van personenschade. De verdediging heeft deze deskundigheid niet betwist. Het hof merkt op dat in het rapport is uiteengezet op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt, dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd en dat de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven. Het hof is van oordeel dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen.
De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat dit gedeelte van de vordering (€ 338.466,00) zal worden toegewezen.(...)Benadeelde partij [benadeelde 2]De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert € 47.815,00 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 46.315,00 gederfd levensonderhoud (...).
(...)De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6:108 lid 1 onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 2] de minderjarige zoon is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] .Het hof wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van € 46.315,00.(...)Benadeelde partij [benadeelde 3]De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert € 57.779,00 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 56.279,00 gederfd levensonderhoud (...).
(...)De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6:108 lid 1 onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 3] de minderjarige dochter is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] .”
3.3.1
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de – naar het materiële burgerlijk recht te beoordelen – vordering tot schadevergoeding waarmee degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces:
“2.1 (...) Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. (...) De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. (...)
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. (...)
2.8.4
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter.”
3.3.2
Dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de partijen voor het naar voren brengen en onderbouwen van hun stellingen, vergt deze verplichting doorgaans geen zelfstandige aandacht (in de motivering) van de strafrechter, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een substantiële vordering van complexe aard waarvan de omvang zich niet eenvoudig laat vaststellen.
3.3.3
Waar het gaat om een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten, betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing.Verder geldt ook in zaken over een vordering tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud dat de onder 3.3.1 genoemde beperkingen van het strafproces doorgaans meebrengen dat de strafrechter – op het moment dat het onderzoek op de terechtzitting naar het tenlastegelegde strafbare feit is afgerond – geen ruimte ziet om zijn einduitspraak op te schorten, bijvoorbeeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarover nader onderzoek door een onpartijdige deskundige te laten plaatsvinden, zonder daarmee het strafproces onevenredig te belasten.Ten slotte is in dit verband van belang dat de benadeelde partij zich bij het geldend maken van haar vordering tot vergoeding van gederfd levensonderhoud kan voorzien van (gefinancierde) rechtsbijstand die (mede) gespecialiseerd is in de begroting en behandeling van die aanspraak. Deze gespecialiseerde bijstand en een gelijkwaardige mogelijkheid tot financiering daarvan ontbreekt in veel gevallen aan de zijde van de verdediging.
3.3.4
Tegen deze achtergrond vraagt de onder 3.3.2 genoemde verplichting van de strafrechter aandacht waar het gaat om schadevergoedingsvorderingen van nabestaanden voor gederfd levensonderhoud, mede omdat het in die gevallen kan gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. In die gevallen mag van de strafrechter worden verwacht dat hij er blijk van geeft, rekening houdend met de onder 3.3.3 genoemde bijzonderheden van het partijdebat over zo’n vordering, te hebben beoordeeld of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt.
3.3.5
Opmerking verdient dat het de rechter vrijstaat in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Zo’n splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van het gevorderde waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen in de vorm van een voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.4.)Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd.
3.4.1
In deze zaak heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van gederfd levensonderhoud integraal toegewezen en daarbij – kort gezegd – overwogen dat aan de vorderingen van de benadeelde partijen een rapport met schadeberekening van een gespecialiseerd bureau ten grondslag ligt, dat in dat rapport is uiteengezet op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt en dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd. Verder heeft het hof overwogen dat de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven, dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is, dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen en dat de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.Mede gelet op wat hiervoor onder 3.3.4 is overwogen, en in aanmerking genomen dat een inzichtelijke weergave van de schadeberekeningen die het door de benadeelde partijen ingeschakelde gespecialiseerde bureau heeft gemaakt niet zonder meer voldoende grond biedt voor het aannemen van de juistheid van de uitkomsten van die schadeberekeningen als niet is nagegaan in hoeverre de eenzijdig aan die berekeningen ten grondslag gelegde gegevens aanvaardbaar zijn, heeft het hof daarmee zijn oordeel dat de volledige vorderingen tot vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud toewijsbaar zijn, ontoereikend gemotiveerd.
3.4.2
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.
3.5
Verder klaagt het cassatiemiddel over de toewijzing van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde vergoeding van schokschade.
3.6
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“SchokschadeIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan.- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.
De benadeelde partij is de echtgenote van het slachtoffer en de moeder van hun kinderen. Zij woont sinds 2014 in Nederland, spreekt geen Nederlands en was in sterke mate van haar echtgenoot afhankelijk. I. de Rijke, psychiater, heeft in een schrijven van 28 september 2022 medegedeeld dat [benadeelde 1] lijdt aan een depressieve stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis. Ook schrijft zij dat [benadeelde 1] weliswaar reeds vóór het overlijden van haar echtgenoot angsten en paniekaanvallen ervoer, maar dat deze na het incident heviger en complexer zijn geworden en dat de vooruitgang in de behandeling door de complexiteit van de klachten beperkt wordt. Uit een brief van 21 april 2021 van De Rijke blijkt verder dat [benadeelde 1] getraumatiseerd raakte door het overlijden van haar echtgenoot en dat zij zich niet langer veilig voelt in haar eigen woning. De huidige angst wordt met name gevoed door de vrees dat haar kinderen alleen zullen achterblijven. Ter terechtzitting heeft [benadeelde 1] nader toegelicht dat de wijze waarop haar echtgenoot om het leven is gekomen hierbij ook een rol speelt. Namens [benadeelde 1] is gesteld dat zij door het gebeuren geen vertrouwen meer heeft in andere mensen.
Het hof stelt in dit verband de volgende feiten vast.De benadeelde partij heeft het slachtoffer in het mortuarium geïdentificeerd. Zij toonde zich daarbij verdrietig en huilde.De verdachte wierp zichzelf op als vriend van het slachtoffer, aan wie het slachtoffer veel toevertrouwde en wiens hulp hij inriep voor administratieve aangelegenheden. Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte ook aan [benadeelde 1] hulp aangeboden. Zo zou hij haar niet alleen helpen met de verkoop van de auto waarin de slachtoffer was overleden, maar bracht hij haar ook naar het politiebureau, vergezelde haar bij een ontmoeting met verbalisanten waarin een uitzending van Opsporing Verzocht over de onderhavige zaak werd aangekondigd en hij bood haar een luisterend oor.
Het hof concludeert dat de benadeelde partij niet alleen bij de identificatie van haar echtgenoot met de zeer ernstige gevolgen van het onrechtmatig handelen van de verdachte jegens het slachtoffer is geconfronteerd. Zij is daarnaast in haar kwetsbare positie door de verdachte om de tuin geleid doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat. Dit gedrag schaart het hof onder het gezichtspunt ‘toedracht van het feit’ dat een rol kan spelen bij het vaststellen van de emotionele schok en het onrechtmatige handelen, nu dit handelen in het verlengde ligt van het optreden van de verdachte voorafgaand aan het strafbare feit en ook een zekere verwevenheid kent met zijn pogingen om zijn betrokkenheid bij het feit te maskeren. Dat de combinatie van de omstandigheden, te weten de ernst van het feit, de ernst van de gevolgen, de identificatie en het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht en de reeds bestaande angststoornis heeft verhevigd en het herstelproces heeft bemoeilijkt, is het hof op basis van de stukken van de deskundige en de verklaringen van de benadeelde partij voldoende gebleken. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte deze schok onrechtmatig bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht.(...)Het hof is van oordeel dat in dit geval een bedrag van € 10.000,00 billijk is.”
3.7
In zijn arrest van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, heeft de Hoge Raad over de vergoeding van schokschade overwogen:
“3.3 In zijn arrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het daar besproken geval toekenning van zogenoemde schok- of shockschade mogelijk is. In de rechtspraak van de Hoge Raad daarna zijn ook andere gevallen waarin schokschade werd gevorderd aan de orde geweest. In de praktijk komen over de vraag in welke gevallen vergoeding van schokschade mogelijk is verschillende opvattingen naar voren, zoals ook is weergegeven in de conclusie van de advocaten-generaal die is genomen in een andere zaak op 22 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:166. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding zijn rechtspraak hierover te preciseren, waarbij geldt dat voor zover zijn eerdere rechtspraak hierover anders zou kunnen worden gelezen, daarvan wordt teruggekomen.
3.4
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
3.5
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
3.6
De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
3.7
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.”
3.8.1
Het hof heeft de toewijzing van de gevorderde schokschade mede gebaseerd op zijn oordeel dat de verdachte de benadeelde partij “om de tuin [heeft] geleid” doordat hij zich in de periode volgend op het bewezenverklaarde feit bij verschillende gelegenheden tegenover haar heeft voorgedaan als steun en toeverlaat terwijl zij in een kwetsbare positie verkeerde.Mede gelet op wat hiervoor onder 3.7 – in het bijzonder in de daar onder 3.4 en 3.5 aangehaalde overwegingen – is weergegeven, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Bij schokschade in strafzaken gaat het om schade die het gevolg is van de hevige emotionele schok die is teweeggebracht door het – jegens een ander gepleegde – strafbare feit, waarbij slechts een rol kunnen spelen de omstandigheden waaronder dit feit en de confrontatie met dit feit of de gevolgen daarvan hebben plaatsgevonden. Gedragingen van de verdachte in de periode nadat dit feit is gepleegd die losstaan van het plegen van dit feit en deze confrontatie, kunnen niet worden aangemerkt als omstandigheden die relevant zijn voor het (als gevolg daarvan) ontstaan van schokschade.
3.8.2
Ook voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dit brengt mee dat het cassatiemiddel ook slaagt voor zover dat opkomt tegen de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen.
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, waaronder de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, en de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen:[benadeelde 1] voor zover het betreft de toewijzing van € 338.466 voor schade door gederfd levensonderhoud en € 10.000 voor schokschade,[benadeelde 2] voor zover het betreft de toewijzing van € 46.315 voor schade door gederfd levensonderhoud, en[benadeelde 3] voor zover het betreft de toewijzing van € 56.279 voor schade door gederfd levensonderhoud;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.
Conclusie 13‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Doodslag (art. 287 Sr). Middelen over 1. verwerping alternatief scenario en afwijzing voorwaardelijke verzoeken, 2. verwerping van een tweetal art. 359a Sv verweren en 3. toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van een van de benadeelde partijen.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/04692
Zitting 13 februari 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 De verdachte is bij arrest van 15 december 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "doodslag", veroordeeld tot veertien jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast de teruggave aan de verdachte gelast van twee inbeslaggenomen voorwerpen en de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] gedeeltelijk toegewezen en in dat verband schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.1.Door R. Korver, advocaat te Amsterdam, is namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , en [benadeelde 3] een verweerschrift ingediend.
De zaak in het kort
2.1 Het hof heeft in het bestreden arrest voorafgaand aan de bewijsoverwegingen een inleiding opgenomen. Voor een goed begrip van de zaak geef ik eerst deze inleiding weer:
“7.1.Inleiding
Na een 112-melding troffen verbalisanten op 1 oktober 2019 na 17:20 uur een overleden man aan in een auto op een parkeerterrein bij tuinpark Nieuw Vredelust aan de Buitensingel 4 in Amsterdam-Duivendrecht. Het slachtoffer zat op de bestuurdersstoel van een witte Volkswagen Golf, met het kenteken [kenteken 1] . De verbalisanten troffen hem aan met een bebloed hoofd naar beneden tegen de deur van de bestuurderszijde. Het slachtoffer had een pistool in zijn rechterhand. De arm was gestrekt en zijn hand met het vuurwapen lag op het middenconsole, met de wijsvinger op de trekker. De slede van het wapen stond open en in de kamer was een koperen huls zichtbaar. De man had een bloedende wond gelijkend op een schotwond, ter hoogte van zijn rechterslaap. De verbalisanten hebben tevergeefs getracht het slachtoffer te reanimeren. Het slachtoffer had een rijbewijs in zijn broekzak dat op naam stond van [slachtoffer] , hetgeen later zijn naam bleek te zijn. In een kinderzitje links op de achterbank zat een jong kind, dat later bleek de dochter van [slachtoffer] te zijn, [benadeelde 3] , 14 maanden oud. Zij was ongedeerd.
De verdachte wordt verweten dat hij degene is die [slachtoffer] heeft gedood, hetgeen hij steeds stellig heeft ontkend.”
2.2 Het eerste middel komt met twee deelklachten op tegen de verwerping van een door de verdediging aangedragen alternatief scenario en de afwijzing van de in dat verband door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek. Het tweede middel valt uiteen in twee deelklachten die beide betrekking hebben op de verwerping van een gevoerd verweer over vormverzuimen. Het derde middel komt met drie deelklachten op tegen de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] .
Het eerste middel
3.1 Voordat ik het middel bespreek geef ik eerst de bewezenverklaring, alsmede de bewijsmiddelen, de bewijsoverwegingen van het hof, delen van de pleitnota en delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep weer.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, bewijsoverwegingen van het hof, delen van de pleitnota en delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep
3.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op 1 oktober 2019 te Duivendrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen te schieten door het hoofd van [slachtoffer] .”
3.3 De bewezenverklaring steunt op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z019-Z020).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Na een 112-melding zijn de verbalisanten op 1 oktober 2019 rond 17:20 uur vanaf de Holterbergweg naar de Buitensingel 4 Amsterdam-Duivendrecht gereden. Daar zagen zij in een van de parkeervakken en witte Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] . Verbalisant [verbalisant] is naar het voertuig gelopen en zag op de bestuurdersstoel van de Volkswagen Golf een man zitten met een Noord Afrikaans uiterlijk. Achter deze man zat een jong kind op de achterbank in een Maxi Cosi. Het kind was rustig. De verbalisant zag het volgende. De man had een bebloed hoofd en zat levenloos met zijn hoofd naar beneden tegen de deur van de bestuurderszijde. Het slachtoffer had een pistool in zijn rechterhand. De arm was gestrekt en zijn hand met het vuurwapen lag op het middenconsole, met de wijsvinger op de trekker. De slede van het wapen stond open en in de kamer was een koperen huls zichtbaar. Hierdoor leek het alsof het vuurwapen een storing had. De verbalisant heeft de autogordel losgemaakt, de man uit de auto getrokken en met zijn rug op de grond gelegd. Hierbij viel een witte IPod uit een van zijn oren op de grond. De man had een bloedende wond gelijkend op een schotwond, ter hoogte van zijn rechterslaap. Andere schotwonden werden niet aangetroffen.
De verbalisanten hebben tevergeefs getracht het slachtoffer te reanimeren. Het slachtoffer had een rijbewijs in zijn broekzak dat op naam stond van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 2 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z077- Z085).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 oktober 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 1]:
Vandaag heb ik om 17:00 uur nog telefonisch contact gehad met mijn man ([slachtoffer]). Onze zoon ligt vanaf zaterdag in het ziekenhuis. [slachtoffer] was steeds bij onze zoon. Ik heb mijn man op 1 oktober 2019 afgelost rond 14:00 uur. Mijn man heeft ons dochtertje meegenomen. Mijn man heeft verteld dat hij naar [verdachte] ging. Mijn man werkt als kapper en huurt vanaf 2016 een winkelruimte op het adres [a-straat 1] Amsterdam.
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z086- Z094).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 oktober 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 1]:
Ik weet dat mijn man (op 1 oktober 2019) om 14:30 uur een afspraak had met [verdachte] ; hij zou 3 a 4 uur wegblijven. Ik heb hem om 15:30 uur of 16:00 uur nog gebeld om te vragen hoe het met onze dochter ging. Ik heb mijn man om 17:01 uur voor het laatst gesproken. Hij zei dat hij onderweg was naar huis.
4. Een geschrift, te weten een schouwverslag van forensisch arts Drs. M. Hollman van 1 oktober 2019 (doorgenummerde pagina’s Z060-61).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Datum en tijdstip schouw: 1 oktober 2019 20:10 uur.
Reden aanvraag: aanwijzing voor niet-natuurlijke dood.
Betreft: [slachtoffer] , man, geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] .
Rechts op de slaap zit een wond. Geen tekenen van tatoeage rondom die wond.
Aan de linkerzijde boven de linker oorschelp een hard aanvoelend voorwerp.
Bloedspoor lopend vanaf rechter slaap naar schuin links beneden.
Links in het oog iets meer rooddoorlopen dan rechts.
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina Z059).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op vrijdag 4 oktober 2019 waren de verbalisanten in het mortuarium bij het VU ziekenhuis in Amsterdam ter identificatie van het slachtoffer: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] , overleden op 1 oktober 2019 te Ouder-Amstel.
De getuige [benadeelde 1] verklaarde dat de man die haar getoond werd haar echtgenoot [slachtoffer] was.
6. Een rapport van arts en patholoog dr. J. Fronczek van het Nederlands Forensisch Instituut betreffende een pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood van 8 oktober 2019 met aanvraagnummer 001 (doorgenummerde pagina’s Z558-Z569).
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Resultaten
De volledige resultaten van de uit- en inwendige schouwing zijn in bijlage 1 weergegeven; een samenvatting volgt hieronder.
Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1985, is het navolgende gebleken:
A: inwendig en uitwendig
1. Direct voorafgaand aan de sectie werd het lichaam in het NFI door middel van een Cboog met röntgenstralen onderzocht. Hierbij werd ter hoogte van de schedel links één voor projectiel(deel) verdachte schaduw gezien.
2. Het was het lichaam van een getinte man met een lichaamslengte van circa 171 cm en een lichaamsgewicht van circa 78 kg (BMI 27 kg/m 2).
3. Schotletsel (zie ook de schematische tekening, bijlage 2);
Er was aan de behaarde hoofdhuid rechts zijwaarts, bij de haargrens, een ronde huidperforatie met een diameter van circa 0,6 cm (A, inschot). Er was zwartverkleuring van de wondranden en voetwaarts was er een iets gebogen lijnvormige zwarte huidverkleuring. Vanuit A was er een naar links en rugwaarts verlopend schotkanaal met onder andere perforatie van het schedeldak rechts zijwaarts, de hersenvliezen, de grote hersenen (van rechts zijwaarts (parietaal) naar links zijwaarts (tempero-parietaal)) en het schedeldak links zijwaarts.
Er was bloeduitstorting in/rond het wondkanaal.
Er werd een geelmetalen vervormd projectiel(deel) (genoemd '1') aan de binnenzijde van de schedelhuid links zijwaarts (in de linkerslaapspier) aangetroffen.
Interpretatie van resultaten
De sectie betrof een getinte man (sub A2) met 1 schotletsel aan het hoofd (sub A3), dat bij leven is ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch perforerend geweld (ballistisch trauma/schotletsel).
Het betrof één inschot, waarbij onder andere de schedel, de hersenvliezen en de grote hersenen waren geperforeerd/verbrijzeld, waarmee het overlijden wordt verklaard op basis van hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen.
Het aspect van het letsel, namelijk de zwarte verkleuring van de wondranden en de iets gebogen zwarte huidverkleuring op geringe afstand van de perforatie, past bij schieten van zeer beperkte afstand (een zgn. (near) contact wound).
Er waren met het blote oog geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden kunnen verklaren, of die hiervoor van betekenis kunnen zijn geweest.
Conclusie
Het overlijden van [slachtoffer] , 34 jaren oud geworden, wordt verklaard door één inschot van het hoofd.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 2 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z098- Z100).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 oktober 2019 om 23:51 uur tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [verdachte] :
[slachtoffer] was op 1 oktober 2019 om 14:45 uur bij mijn woning (aan de [b-straat] in [plaats] ). Hij had zijn kleine dochtertje bij zich.
We zijn met twee auto’s naar Zuid-Oost gereden. Hij reed in een witte Volkswagen Golf 7 station en ik reed in een lichtgrijze Mercedes 220D C-klasse
Bij de Makro heb ik voor 15 euro getankt. [slachtoffer] heeft niet getankt.
Daarna ben ik in de richting van de Arena gereden, [slachtoffer] reed achter mij aan.
Op de parkeerplaats aan de Buitensingel hebben wij onze auto’s naast elkaar geparkeerd. Ik ben bij hem in de auto gestapt en ben op de bijrijdersstoel gaan zitten, want zijn dochtertje zat bij hem achterin. We hebben ruim een uur gepraat.
Ik ben in mijn auto gestapt en weggereden. Toen ik de parkeerplaats afreed, zag ik een andere auto, een donkerblauwe Mercedes E klasse met blauwe kentekenplaten; een taxi dus. Ik zag dat deze voor mij draaide en terugreed naar de grote weg. Deze auto reed linksaf in de richting van de Makro en ik ben rechtsaf in de richting van de Arena gereden.
8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s P531-P625).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 26 november 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:
V: Jouw auto stond op hoeveel meter afstand ongeveer van die van [slachtoffer] ?
A: vier stappen, drie stappen..
V: jij loopt naar je auto, stapt in... Hoe lang duurde het vanaf het moment dat je instapte, dat je weg rijdt?
A: weet ik niet,(...) Het heeft bij elkaar misschien eh, misschien hoogstens een minuut of twee minuten.. Wat ik denk hè.
9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s P726-P775).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 30 april 2021 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:
V: Dus die tijden, dus dat laat ik ook effe staan .. Nou, dan heb je in het vijfde verhoor heb jij ook meerdere keren aangegeven, dat je in één vloeiende beweging naar je auto bent gelopen, ingestapt en bent weggereden. Klopt dat?
A: Ja, wat ik weet wel.. Ja .. Ik liep gewoon naar de auto toe .. Ik weet niet, misschien heb ik .. Dat weet ik niet maar.
V: Wat heb je misschien?
A: M'n veters gestrikt? Of zo? Ik weet het niet, weet je?
V: Oké.
A: Maar in ieder geval, wat ik in m'n hoofd heb .. ik doe de deur open .. Misschien zwaai ik naar hem, ik loop naar m'n auto en rijd weg.
V: Maar waarom ..
A: Ik kan me niets anders herinneren.
V: Oké. Maar waarom zeg je: ik heb misschien m'n veters gestrikt of wat anders?
A: Ja, omdat ik bang ben dat ik iets verkeerds zeg .. Weet je? Begrijp je? Wat ik weet, is dat ik niks anders heb gedaan.
V: Ja.
A: Ik ben niet de bosjes in gegaan.
V: Precies .. En je bent ook niet. ..
A: Ik ben naar de auto gelopen .. En ik ben weggereden .. Wat ik weet..
10. De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De voorzitter vraagt mij hoe ik op 1 oktober 2019 van de parkeerplaats ben weggereden. Ik ben normaal weggereden. Uit stilstand ben ik stapvoets van de parkeerplaats gereden.
11. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Camerabeelden Makro’ van 2 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z149-Z152).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
De verbalisanten hebben de camerabeelden van dinsdag 1 oktober 2019 bij de beveiliging van de Makro gevorderd omdat de getuige [verdachte] heeft verklaard dat hij daar op 1 oktober 2019 na 14:45 uur heeft getankt met [slachtoffer] .
De verbalisanten zagen het volgende op de camerabeelden:
15:12:35 uur: Een grijze Mercedes met kenteken [kenteken 2] komt het terrein op rijden. Direct hier achteraan komt een witte Volkswagen Golf station met kenteken [kenteken 1] aanrijden.
15:13:25 uur: De bestuurder van de witte Golf zet zijn auto rechts naast pomp 9.
15:13:50 uur: De bestuurder van de witte Golf stapt uit. Het is een man gekleed in een grijs T-shirt met een licht baardje en mogelijk een zonnebril. Hij vertoont grote gelijkenissen met het slachtoffer [slachtoffer] .
15:14:15 uur: De bestuurder van de Mercedes parkeert links van pomp 8 en rechts van de witte Golf. Direct stapt een man uit met een rode gewatteerde jas met capuchon. Hij loopt naar de achterzijde van zijn auto, waar geen zicht is met de geleverde camerabeelden.
15:14:30 uur: De bestuurder van de witte Golf opent de tankdop en loopt naar de pinautomaat van pomp 9 en blijft daar een tijdje staan.
15:15:30 uur: De bestuurder van de witte Golf en van de Mercedes kijken naar elkaar en lijken even kort met elkaar te spreken.
15:15:40 uur: De bestuurder van de Mercedes stapt in zijn voertuig en rijdt weg bij de pomp.
15:15:50 uur: De bestuurder van de Mercedes rijdt linksaf over de Flinesstraat in de richting van de Van der Madeweg.
15:16:00 uur: De bestuurder van de witte Golf stapt ook in zijn voertuig en rijdt weg. Het voertuig stopt een paar meter na het wegrijden. De bestuurder stapt uit, doet de tankdop dicht en stapt in. De witte Golf rijdt linksaf over de Flinesstraat in de richting van de Van der Madeweg.
12. Een geschrift, te weten een bijlag bij een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z904-Z907)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Uit door ING Bank N.V. verstrekt historische bankgegevens van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 kwamen onder meer de navolgende bijzonderheden naar voren dat [verdachte] een betaalrekening heeft met het nummer [rekeningnummer] (pasnummer 010).
De volgende transactie met bankpas is op 1 oktober 2019 gedaan:
Makro A’dam benzine AMSTERDAM // Pasvolgnr: 010 01-10-2019 15:14, debet 18.94 euro.
13. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Camerabeelden Endemol Shine d.d. 01/10/2019’ van 10 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z153-Z156).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
De verbalisant heeft op 10 oktober 2019 onderzoek gedaan naar de gevorderde camerabeelden van Endemol Shine van 1 oktober 2019 tussen 15:00 uur en 17:30 uur.
De camera heeft zicht op de Holterbergweg in Amsterdam tussen Endemol Shine en de Burgemeester Stramanweg.
[verdachte] reed die dag in een Mercedes-Benz, type C220, grijs van kleur. Het voertuig heeft zwarte velgen en een zwarte strip langs de zijkant. Het voertuig is omgebouwd tot een AMG (sport) uitvoering.
De verbalisant heeft voorafgaand aan het bekijken van de camerabeelden referentiefoto’s gezien van de Volkswagen Golf van [slachtoffer] en de genoemde Mercedes.
- 1 oktober 2019 15:23 uur: de verbalisant ziet een witte Volkswagen Golf station rijden, komend uit de richting van Borchland en gaand in de richting van de Burgemeester Stramanweg. De Volkswagen Golf heeft zwarte dakrails.
- 1 oktober 2019 16:08 uur: de verbalisant ziet opnieuw de witte Volkswagen Golf station rijden met zwarte dakrails en een zwart dak. Het voertuig komt uit de richting van de Burgemeester Stramanweg en rijdt in de richting van Borchland.
- 1 oktober 2019 17:13 uur: de verbalisant ziet een zilverkleurige Mercedes rijden, komend uit de richting van de Buitensingel en gaand in de richting van de Burgemeester Stramanweg, De auto heeft opvallend donkerkleurige velgen en aan de zijkant van de auto is deze voorzien van zwarte strips, ter hoogte van de wielophanging.
Tijdens het uitkijken van de beelden heeft de verbalisant verscheidene auto’s gezien die lijken op de genoemde Mercedes. Geen van die auto’s had zwarte velgen of een zwarte strip aan de zijkant. De verbalisant heeft geen andere witte Volkswagen stations voorbij zien komen.
De verbalisant heeft bij een Mercedes dealer een product expert gesproken en heeft hem de stills van de camerabeelden van Endemol Shine laten zien.
Op de vraag wat voor auto het betreft en waarom antwoordde de medewerker als volgt: Volgens mij gaat het om een Mercedes C63 AMG: de voorkant bij de wielkasten is uitgebouwd. De auto lijkt ook een kofferbak spoiler te hebben, wat typisch past bij een AMG. Ik lijk side skirts te zien, dat zijn de zwarte strips aan de zijkant; in combinatie met de achterbumper lijkt het een AMG uitvoering. De auto lijkt voorzien te zijn van matte lak, wat ook typisch is voor een AMG.
14. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Aanvulling proces-verbaal onderzoek GPS data 01/10/2019 Mercedes [kenteken 2] ’ van 29 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z715-Z716).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Uit aanvullend onderzoek GPS-data op 1 oktober 2019 betreffende de Mercedes [kenteken 2] van [verdachte] is het volgende gebleken:
- Ritnummer 2345 op 1 oktober 2019 tussen 14:35 uur en 15:20 uur.
Het voertuig is vanaf de [b-straat] in [plaats] via de Van der Madeweg in Amsterdam naar de Buitensingel in Duivendrecht gereden. Tussen 15:12 uur en 15:16 uur heeft het voertuig stilgestaan nabij de Makro aan de Van der Madeweg: Om 15:20 uur stond het voertuig stil op de Buitensingel in Duivendrecht.
- Ritnummer 2346 op 1 oktober 2019 tussen 17:12 uur en 18:32 uur.
Het voertuig is vanaf de Buitensingel in Duivendrecht eerst naar [d-straat] in [plaats] gereden. Daar heeft het voertuig tussen 17:38 uur en 17:40 uur stilgestaan. Het voertuig is hierna vanaf [d-straat] gereden naar de Zonnekruidweg in Badhoevedorp. Daar kwam het voertuig aan om 17:51 uur en is daar vertrokken om 17:53 uur. Het voertuig is gereden naar de Femina Mullerstraat in Hoofddorp, waar het om 18:11 uur aankwam en om 18:13 uur is vertrokken naar [d-straat] in [plaats] .
15. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Digitaal onderzoek navigatiecomputer’ van 18 november 2022 met proces-verbaalnummer 2019207223, opgemaakt in de wettelijke vorm door de bevoegde opsporingsambtenaar (losbladig).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Op 17 november 2022 heeft.de verbalisant op het bureau van politie Kabelweg 25 te Amsterdam, een onderzoek voorgezet aan de data afkomstig van de hierna genoemde inbeslaggenomen navigatiecomputer.
Omschrijving navigatiecomputer
Merk/type: Harman NTG5
Bouwjaar: 2014
Goednummer: PL1300-2019207223-5842898
Herkomst: Was ingebouwd in Mercedes-Benz C220 met kenteken [kenteken 2]
Vraagstelling
Het onderzoeksteam verzocht mij om voor ritnummer 2346 de opgeslagen gegevens over het ontgrendelen en portiergebruik verder toe te lichten.
In eerder digitaal onderzoek heb ik de gegevens van onder meer ritnummer 2346 veiliggesteld.
Dit is geverbaliseerd in mijn proces-verbaal van 25 februari 2020.
In de data die zijn veiliggesteld van de navigatiecomputer staan onder meer bestanden met diagnostische loggegevens ('logs'). Deze gegevens komen van diverse regelmodules die in de auto zijn ingebouwd. Hierbij is het bestand met onderstaande naam:
trigger_2754 HU 20191002_173538_SYS CA05.tzg
Na eerder digitaal onderzoek aan dit bestand heb ik de diagnostische gegevens inzichtelijk gemaakt. Hieronder staan de opgeslagen acties met betrekking tot het deurgebruik, links en rechtsvoor, van het begin van rit 2346.
In de data die zijn veiliggesteld van de navigatiecomputer staat het bestand 'trails.sqlite'.
Dit bestand is bij alle voorgaande onderzoeken de bron geweest voor de opgeslagen GPS-coördinaten. Deze worden opgeslagen ook zonder dat de gebruiker de navigatiecomputer bedient. De informatie uit beide bestanden wordt gebruikt omdat ze elkaar verrijken.
Analyse trigger_2754_HU_20191002_173538_SYS_CA05.TZG
Dit bestand is de bron voor de informatie over het deurgebruik, ontgrendelen en tijdsbepaling bij ritnummer 2346.
De informatie die in dit logbestand staat opgeslagen is niet nauwkeuriger dan op een minuut te bepalen. Bij elke regel in het logbestand staat namelijk geen daadwerkelijke tijd opgeslagen, maar alleen hoelang het na het begin van de logsessie is vastgelegd.
De daadwerkelijke tijd wordt op enig moment wel opgeslagen in het logbestand. Bij het vastleggen van deze regel staat ook hoelang dat na het beginnen van de logsessie wordt gedaan. De tijdsbepaling via GPS is slechts op de minuut nauwkeurig. Door met het tijdsverschil tussen de logregels en de tijdbepaling via GPS te werken, kom ik tot onderstaande berekening:
Tijdsbepaling GPS
De verbalisant zag onderstaande regel in het logbestand staan:
19026 0000075448 [0x0f02]GeneraI_GpsTimeAvailable 2019-10-01 15:13 0x7e3a0bcd
Deze logregel is 75,448 seconden na het begin van de logsessie opgeslagen. Op dit moment heeft de navigatiecomputer de tijd door middel van het GPS signaal bepaald op 1 oktober 2019 tussen 15:13:.00 en 15:13:59 (UTC). Voor Nederland in deze periode moet de tijd worden aangepast naar UTC+2.
Hierdoor is de Nederlandse lokale tijd 1 oktober 2019 tussen 17:13:00 en 17:13:59 bij het opslaan van deze logregel.
Deze logregel is het uitgangspunt voor de verdere tijdsbepalingen in het logbestand.
Want uit de voorgaande berekening kan worden gesteld dat:
Op 75,448 seconden na het begin van de logsessie de Nederlandse lokale tijd 1 oktober 2019 tussen 17:13:00 en 17:13:59 was.
Begin logsessie
De verbalisant zag dat de bovenste regel van de logsessie deze is:
18917 0000000922 [0x0501] Vehicle_lgnition <LOCK>0x00000000.
Deze logregel is 0,922 seconden na het begin van de logsessie opgeslagen. Dat is 75,448 seconden - 0,922 seconden= 74,526 seconden voor het bepalen van de tijd door middel van het GPS signaal. Deze regel is dus op 1 oktober 2019 tussen 15:11:45 en 15:12:44 (UTC) opgeslagen. Met de aanpassing naar UTC+2 is de Nederlandse lokale tijd tussen 17:11:45 en 17:12:44.
Openen portier linksvoor
De verbalisant zag onderstaande regel in de logsessie staan:
18926 0000002535 [0x0503]Vehicle_FrontDoorLeft Door opened 0x01020000.
Deze logregel is 2,535 seconden na het begin van de logsessie opgeslagen. Dat is 75,448 seconden - 2,535 seconden= 72,913 seconden voor het bepalen van de tijd door middel van het GPS signaal. De linker voordeur is dus op 1 oktober 2019 tussen 15:11:47 en 15: 12:46 (UTC) geopend.
Met de aanpassing naar UTC+2 is de Nederlandse lokale tijd tussen 17:11:47 en 17:12:46.
Sluiten portier linksvoor
De verbalisant zag onderstaande regel in het log staan:
18956 0000005943 [0x0503]Vehicle_FrontDoorLeft Door closed 0x01010000.
Dit bericht is 5,943 seconden na het begin van de logsessie opgeslagen. Dat is 75,448 seconden 5,943 seconden = 69,505 seconden voor het bepalen van de tijd door middel van het GPS signaal. De linker voordeur is dus op 1 oktober 2019 tussen 15:11:50 en 15:12:49 (UTC) gesloten. Met de aanpassing naar UTC+2 is de Nederlandse lokale tijd tussen 17:11:50 en 17:12:49.
Analyse trails.sqlite
Het bestand trails.sqlite is de bron voor alle opgeslagen locatiedata. Hierin staat de afstand die is gereden in combinatie met de tijd en datum of met locatiedata. De locatie is beschikbaar als lengtegraad en breedtegraad.
Voor de ritnummer 2346 zijn.in trails.sqlite 3352 regels met informatie opgeslagen. Hieronder staan de eerste acht:
Datum | Tijd | Gereden (m) | Breedtegraad | Lengtegraad |
0 000000 | 52,319894 | 4,927458 | ||
01-10-2019 | 17:12:24 | 0,000000 | ||
24,020000 | 52,320103 | 4,927550 | ||
17:12:36 | 86,010000 | 52,320113 | 4,928465 | |
17:12:38 | 111,800000 | |||
17:12:38 | 113,80000 | |||
17:12:38 | 114,670000 |
Op basis van het trails.sqlite bestand kan gezegd worden dat het voertuig om 17:12:24 uur ontgrendeld is en een afstand heeft gereden van 0 meter.
Tijdspanne openen portier linksvoor
Zoals omschreven bij 'analyse van trigger_2754_HU_20191002_173538_SYS_CA05.tzg' is de tijdspanne voor het openen van het portier linksvoor tussen 17:11:47 en 17:12:46. Deze tijdspanne kan nauwkeuriger gemaakt worden door er de informatie van de gereden route uit trails.sqlite aan toe te voegen.
Uit het bestand trails.sqlite kan namelijk worden afgeleid dat om 17:12:36 de gereden afstand 86,01 meter is. Wanneer het voertuig is gaan rijden toen het portier linksvoor dicht was, kan de tijdspanne nauwkeuriger worden bepaald, namelijk van 17:11:47 tot 17:12:36.
16. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Rapport analyse historische telecomgegevens’ van 11 november 2019 met documentcode 12010538, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (dossierpagina’s Z333-Z338).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Bij deze analyse is gebruik gemaakt van de volgende data:
- Relevante telefoonnummers:
[slachtoffer] gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer 1] (*[telefoonnummer 1])
en als werk telefoonnummer [telefoonnummer 2] zie p. 335 (*[telefoonnummer 2]);
[verdachte] gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer 3] (*[telefoonnummer 3]);
[betrokkene 1] gebruikte telefoonnummer [telefoonnummer 4] (*[telefoonnummer 4]).
( [benadeelde 1] telefoonnummer [telefoonnummer 5] (* [telefoonnummer 5] ) zie p. 336;
[betrokkene 2] telefoonnummer [telefoonnummer 6] (* [telefoonnummer 6] ) zie p. 338;
[betrokkene 3] telefoonnummer [telefoonnummer 7] (* [telefoonnummer 7] ) zie p. 338.)
- De originele historische telecomgegevens van de telefoonnummers * [telefoonnummer 1] ; * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] over de periode van 18 april 2019 tot en met 3 oktober 2019.
- Tevens heeft een netwerkmeting plaatsgevonden op de Buitensingel te Duivendrecht.
- De telematica module van de Mercedes van [verdachte] is uitgelezen. In combinatie met de verkregen gegevens van de Mercedes dealer kwam het daarbij horende imeinummer naar voren: [imeinummer] (hierna: [imeinummer]). De historische gegevens van dit imeinummer zijn opgevraagd over de periode van 1 september 2019 tot en met 8 oktober 2019.
(…)
17. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Aanvulling document 12010538’ van 2 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z413).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Op 11 november 2019 heb ik een analyserapport geschreven onder documentnummer 12010538. In dit rapport heb ik abusievelijk het kenteken [kenteken 3] vermeld waar het imeinummer [imeinummer] aan zou toebehoren. Het kenteken welke hier door mij vermeld had moeten worden betreft: [kenteken 2] .
18. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Onjuistheid document 11868566 ivm Call Logs tel. [slachtoffer] ’ van 23 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z182-Z183).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Op 1 oktober 2019 is de telefoon van [slachtoffer] , die in zijn auto lag, inbeslaggenomen. Een digitaal rechercheur heeft van deze telefoon de data inzichtelijk gemaakt en een proces-verbaal opgemaakt waarin de Whats App en Call Logs van 1 oktober 2019 van die telefoon worden weergegeven.
Volgens de Call Log is er op 1 oktober 2019 om 17:09:30 uur op de telefoon van [slachtoffer] een inkomend gesprek geweest, aangeduid als record 36. De status van deze belbeweging moet zijn: answered. Call Duration (Seconds):33. Tevens blijkt dat deze Call Log is tot stand gekomen via een zogenaamde Third Part Application. Uit de naam daarvan is op te maken dat deze verbinding tot stand is gekomen via Facebook Messenger. Met behulp van de vertaling door een tolk in de Arabische taal is de inkomende beller geduid als De moeder van [betrokkene 4] .
Aangenomen wordt dat de inkomende partij van deze verbinding de moeder van [slachtoffer] betreft.
19. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 19 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina's Z376- Z383).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 19 november 2019 tegenover de verbalisanten (ook aangeduid als: V) afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 4] (ook aangeduid als: A):
Ik heb veel kinderen, de eerste is [betrokkene 4] .
Mijn zoon [slachtoffer] en [benadeelde 1] hebben twee kinderen: [benadeelde 2] is bijna vijf jaar en [benadeelde 3] is 1 jaar en twee maanden.
[slachtoffer] vertelde dat [verdachte] naar het ziekenhuis kwam en dat hij [verdachte] niet meer vertrouwde. Hij heeft gezegd dat hij zich onveilig voelde omdat [verdachte] een afspraak maakte met [slachtoffer] voor de volgende dag op een heel afgelegen plaats. Ik zei tegen [slachtoffer] dat hij er niet heen moest gaan.
V: Dus de locatie van afspreken was al besproken?
A: Ja. Alleen ik weet dit. De dag van het overlijden van [slachtoffer] waren wij aan het beeldbellen. [slachtoffer] had afgesproken dat [benadeelde 1] naar [benadeelde 2] zou gaan in het ziekenhuis. [slachtoffer] ging met zijn dochter naar de afspraak. Hij ging vanuit het ziekenhuis naar huis om te douchen. We spraken elkaar na het douchen. Hij was zeer bang voor [verdachte] .
V: Hij reed naar de plek en jullie belden nog. Was er iets aan hem te zien?
A: Ik merkte dat hij aan het zweten was. Ik heb tijdens het bellen geen anderen in de auto zien zitten, alleen zijn dochter zat achter hem.
V: U zei dat u de verbinding heeft verbroken.
A: Ik zei: ik zal je na het gesprek met [verdachte] bellen. Om 17:10 uur belde ik hem. Hij zei dat hij met [verdachte] zat. Ik vroeg hem wanneer het gesprek voorbij was. [slachtoffer] zei dat hij er nog zat. Dat is het laatste wat ik van mijn zoon heb gehoord.
20. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer] ’ van 30 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z977-Z991).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Op dinsdag 1 oktober 2019 is de telefoon van [slachtoffer] aangetroffen in zijn auto, een witte Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken 1] . De telefoon, een Iphone 6S, is inbeslaggenomen en door mij onderzocht.
Contact [verdachte] via het telefoonnummer van [betrokkene 1] .
Op 1-10-2019 om 14:45:38 uur zijn vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer 4] , opgeslagen als [betrokkene 1] (spreek je uit als ' [betrokkene 1] ') via what's app de volgende berichten verstuurd naar het privénummer van [slachtoffer] :
14:45:38 uur: "Hey bel me"
14:50:58 uur: "Selaam ik wacht op je in Osdorp [verdachte] "
Bericht van [verdachte] naar [slachtoffer]
Op 01-10-2019 om 17:17:33 uur is op het privénummer van [slachtoffer] via what's app een audiobericht ontvangen van telefoonnummer [telefoonnummer 3] , opgeslagen als [verdachte] . Het bericht was deels Nederlands en deels Arabisch gesproken. Het audiobericht is vertaald door een tolk Arabisch.
Audiobericht:
"Salaam alaikoem (vrede zij met je) [slachtoffer]
Ik wil je zeggen: "maak je je niet druk"
Alles komt goed, als Allah het wil, weet je!?
Wees niet bang, wees niet bang ... voor niets
En..uh ... dat huis ga je krijgen
En die rekeningen.. zal je nog betalen, als Allah het wil
Alles komt goed, je hoeft je niet te stressen
Ik sta je bij.
Bel me alsjeblieft als je in het ziekenhuis bent.
Doei."
21. Een proces-verbaal van bevindingen ‘112 gesprek’ van 9 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z043- Z045).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Bij de meldkamer kwam een 112 gesprek binnen van een man die belde met telefoonnummer 06- [telefoonnummer 8] . De verbalisanten hebben dit gesprek, dat 05:56 minuten duurde, beluisterd en letterlijk uitgewerkt.
Opmerking hof: het hof laat in verband met de leesbaarheid bij de weergave hieronder de herhalingen van het operationeel centrum weg alsmede de haperingen (zoals eueu) van de sprekers.
P= Operationeel Centrum
M= Melder (man)
P: Meldkamer politie, wat is het adres van uw noodgeval?
M: Buitensingel 4 Amsterdam Duivendrecht
M: Dat is de parkeerterrein van tuinpark Nieuw Vredelust
P: Wat is daar aan de hand?
M: Er zit een iemand in een auto met een zeer bebloed gezicht met zijn hoofd helemaal opzij gevallen. Ik zit met mijn auto ernaast
P: O
M: Ik toeter volop, hij reageert niet
P: Dat is niet zo best ... het betreft een man?
M: Ja
P: Op het parkeerdek bebloed....gezicht.... en het lijkt of hij echt buiten kennis is, want hij is ....zijn gezicht hangt ook naar de zijkant ...
M: Ik heb geen zin om het van dichtbij te gaan kijken..
P: Nee, dat begrijp ik heel goed. Ik ben al heel blij dat u belt. Ik ga even snel alle informatie vragenen mogelijk politie zo snel mogelijk uw kant opsturen. Hij reageert niet op toeteren he?
M: Niet op toeteren nee, ik stond er net naast te toeteren en hij reageert.. maar ik zie duidelijk bloed
P: Ja, ik snap dat u dat vervelend vindt... heeft u op het raampje getikt?
M: Nee
P: Zou u dat willen doen voor mij?
M: Ja, dan loop ik er nu heen, tik ik op het raam
P: Ja
Noot verbalisanten: Op de achtergrond horen wij het geluid van tikken
M: Maar ik zag ook net auto's wegrijden dus ik denk echt dat het slechte boel is.
P: Ok
M: Ooo er zit een kind achterin
P: Ach nee, dat meent u niet
M: Ook nog .... er zit een kind achterin, hij reageert niet, er zit een kind achterin de auto
P: Dan komen we extra snel die kant op. Heel goed dat u dat meldt meneer. Als u het niet meer wilt zien dan kunt u teruggaan naar de auto hoor, politie komt eraan
M: ja, ik loop weer terug naar de auto; kindje zit niet te huilen of zo, het is niet in shock
P: Maar het kindje reageert.. het is nog wel wakker?
P: Het kindje is nog wel wakker, die reageert wel...
M:Ja, ja
P: Ok
M: Ja, ja, ze huilt niet ofzo, ze is niet helemaal van streek of..
P: Maar de persoon, de man in de auto die is overduidelijk....
M: Die reageert niet nee...
P: Ok
M: Je hoeft niet met sirene te komen denk ik hoor want dat is niet meer nodig.
P: We gaan wel met spoed komen omdat er een kindje achterin de auto zit
M: O nee, dat bedoel ik niet, maar niet dat je met sirene het terrein oprijdt
P: Dat is een inschatting voor de politie op straat
M: Ok nou in ieder geval als je het kind niet wil choqueren zou ik hem onderweg afzetten
P: Nee precies, ik heb erbij gezet dat er een kindje in de auto zit.
En kunt u voor mij het kenteken van de auto zien meneer?
M: Ja, dan loop ik er even uit weer; het is een ... effe kijken., wat is het voor een merk? Een Volkswagen ... […] verhoogd met een tweetje [kenteken 1]
P: [kenteken 1] ...klopt dat?
M: Ja
P: En dat betreft het een Golf zegt u he?
M: Nee, een Volkswagen, ik denk een Passaat of een verlengde Golf
P: Het is in ieder geval een Volkswagen ok
M: [kenteken 1]
P: Mijn collega's zijn in ieder geval al onderweg, daar ben ik blij mee. Ziet u verder nog iets raars? M: Ja, ik zag net twee auto's wegrijden
P: Heeft u daar iets van gezien: kentekens, kleuren, auto...
M: Ik heb geprobeerd kentekens te noteren maar nee dat... ik ben er heel even achteraan gereden, maar ze reden zo snel dat.. en ik moest voorrang geven, ik was ze gelijk kwijt eigenlijk.
P: Ok, met hoge snelheid wel
M: Ja, ze gingen met hoge snelheid weg ja...
P: Ok en heeft u wel de kleuren en de ....
M: Ja, ik weet dat het twee Mercedessen waren, waarvan één een taxi nummerbord had. Een blauw kenteken. Het waren allebei Mercedessen
P: Ja
M: Het was een C of een E serie zowiezo .... de één, de ander was erg opvallend omdat het een witte Mercedes was, niet de taxi. Het was een witte Mercedes, ik denk een model Combo of dat heet anders bij Mercedes? En er zat grijs aan de zijkanten
P: Met grijs aan de zijkant..
M: Ja een beetje racerig gemaakt met grijs aan de zijkant
P: Ok, dat was in ieder geval geen taxi he?
M: Nee, de taxi was een gewone Mercedes, zwart, donker kleurig grijs, zoiets een C of een E waar al die taxi's in rijden
P: Ja, en dat grijs aan de zijkant meneer was dat beschadigd of hoorde dat gewoon op de bus
M: Nee, het was alsof het een soort race model was
P: Een race model is...
M: Het was heel opvallend .... Ik hoor de sirenes aankomen nu
P: Ok, dan zijn ze gelukkig heel dichtbij ....Ja, ze zijn echt heel dichtbij, ik zie ze momentje hoor... M: Ik heb echt gepoogd om het beter te doen met die nummerborden maar het ging echt te snel
P: Nee, ja goed dat u belt. We zijn heel blij mee
M: Ik zie ze aankomen, hij heeft ze aanstaan...ho niet te ver ...ja ok..
P: Hebben ze u gezien?
M: Nou ik heb ze gewenkt, ik zat in de auto; ik neem aan dat ze het gezien hebben; ja nu hebben ze het gezien
P: Helemaal goed, dan ga ik de verbinding met u verbreken, heel erg bedankt voor de melding en we hopen dat het meevalt.
M: Ik denk het niet, maar ik hoop het ook.
22. Een proces-verbaal van bevindingen tijdstip 112-melding van 20 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z532-Z533).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Navraag tijdstip 112 melding
Op 1 april 2020 heb ik, 1e verbalisant navraag gedaan bij de centrale meldkamer van de Landelijk Eenheid in Driebergen. Nadat ik, 1e verbalisant, het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , van de getuige [betrokkene 5] eveneens de beller naar 112, heb opgegeven bij de centrale meldkamer zagen zij, in het computer systeem Avaya, dat het voornoemde telefoonnummer op 1 oktober 2019 om 17.15.36 uur had gebeld met de 112-centrale in Driebergen.
23. Proces-verbaal van verhoor getuige van 1 oktober 2019 inclusief bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z135- Z136, bijlagen Z137-Z138).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 oktober 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 5]:
Ik heb om 17:15 uur met mijn telefoon 112 gebeld. Ik parkeer praktisch elke dag bij Nieuw Vredelust in Duivendrecht, dus ik weet welke voertuigen er normaal gesproken staan. Toen ik kwam aanrijden ben ik in een soort van u-bocht de parkeerplaats opgereden, om zodoende mijn auto zo te positioneren dat ik de volgende dag direct zou kunnen wegrijden. Ik kwam dus aanrijden en voordat ik de bocht op het parkeerterrein kon maken, stond daar een witte Mercedes, station model, ik denk een C of een E klasse. Opvallend aan deze auto was het volgende: de auto was wit en er zat een maanvormig vlak aan de zijkant ter hoogte van de linker achterkant en de punt van de maanvorming was naar voren gericht. Deze witte Mercedes viel mij zo op omdat de mensen die daar een tuinhuisje hebben, normaal gesproken niet parkeren achter in de hoek bij de bomen, als er voldoende plek is. Ik liet deze Mercedes voorgaan om zodoende naar mijn parkeerplaats te gaan.
Terwijl ik aan het wachten was, keek ik naar links en zag een witte Volkswagen staan. Ik zag dat de bestuurder met zijn hoofd tegen de zijruit van de bestuurderskant lag. Ik zag dat deze man een klein straaltje bloed had lopen langs de zijkant van zijn gezicht, volgens mij was dat de rechterkant. Ik stond met mijn auto schuin ten opzichte van het slachtoffer.
De witte Mercedes reed het parkeerterrein af, volgens mij redelijk beheerst; hij reed normaal weg. Ik keek op dat moment naar rechts en zag dat er een taxi wegreed, die er als volgt uitzag. Ik neem aan dat het een Mercedes E klasse, kleur zwart of donkergrijs. Ik meen me te herinneren dat hij een grote lichtbak bovenop het dak had, mogelijk met blauwe kentekenplaten. Ook deze taxi reed redelijk beheerst weg. Deze auto’s reden allebei vrijwel tegelijkertijd weg. Mij viel op dat de taxi aan de zijkant van de weg stond, terwijl er genoeg parkeergelegenheid was.
(opmerking hof: zie de aantekening van de getuige op de bijgevoegde plattegrond 1).
Ik zag dus dat de bestuurder van de Volkswagen met bloed op zijn hoofd tegen het bestuurdersraam aan lag. Toen dacht ik: dat klopt niet. Ik zag dus die auto’s wegrijden. Ik reed tot de hoek, maar toen waren ze al weg. Ik zag dat de taxi linksaf de Buitensingel op reed en dat de andere auto, de witte Mercedes, twee keer rechtsaf sloeg en in de richting van de Arena is gereden. (opmerking hof: zie de aantekening van de getuige op de bijgevoegde plattegrond 2).
Ik heb geen schoten gehoord.
Ik ben even achter die twee auto’s aangereden maar ik was ze uit het oog verloren en ben teruggegaan naar de parkeerplaats.
Ik heb mijn bocht op de parkeerplaats wat ruimer genomen, zodat ik beter zicht had op de jongen in de auto. Toen zag ik ook duidelijker dat hij bloed aan zijn hoofd had. Ik heb mijn auto op 1,5 meter voor de auto van het slachtoffer gezet en heb een aantal keren op mijn claxon gedrukt om te kijken of ik beweging in de andere auto zag. Die was er niet. Ik heb mijn auto 5 meter verderop geparkeerd. Daar heb ik 112 gebeld. Op een vraag van degene die ik aan de lijn had ben ik naar de auto gelopen en heb ik op het raam getikt, terwijl ik aan de lijn was. Terwijl ik met mijn autosleutels op het raam tikte, zag ik dat achter het slachtoffer op de achterbank een kinderzitje was bevestigd met een klein kindje erin. Het kindje huilde niet en zat stil. Ik ben met 112 aan de lijn gebleven totdat de politie er was.
(…)
24. Een proces-verbaal van 8 juni 2020, opgemaakt door mr. A.B.M. Wijnveldt, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam (losbladig).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2020 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 5]:
Ik rijd in een zwarte Alfa 147, ook op 1 oktober 2019.
Wat ik mij herinner van wat ik heb gezien op 1 oktober 2019 is het volgende.
Ik kwam aanrijden op de parkeerplek bij de volkstuinen. Ik woon op de [A] . Deze volkstuin gebruikt hetzelfde parkeerterrein als Vredelust. De route die ik naar de parkeerplaats heb genomen is de volgende: na de afslag S111 bij de Arena ben ik linksaf de ventweg opgereden, dat is de Buitensingel. Daar reed ik het parkeerterrein van [A] op. Als je deze parkeerplaats voorbij rijdt, dan loopt de weg feitelijk dood. Je passeert dan eerst nog een ander groot parkeerterrein.
Die avond ben ik niet verder gereden dan de eerste parkeerplaats. Ik weet het precieze tijdstip niet meer. Het tijdstip zal blijken uit mijn telefoon toen ik de 112 melding maakte. Toen ik kwam aanrijden, wilde ik op de parkeerplaats een lus maken om mijn auto zo te kunnen parkeren dat ik gemakkelijk kon wegrijden. Op dat moment zag ik een Mercedes aanstalten maken om weg te rijden en ik gaf hem voorrang. Misschien was de Mercedes al een klein stukje opgetrokken, maar hij wachtte tot ik hem voorrang gaf.
Toen ik voorrang moest verlenen of iets daarvoor of daarna heb ik aan de rechterkant van zijn hoofd bloed gezien bij de man in de Golf.
De witte Golf stond achter in een hoekje neusklaar om weg te rijden, daarmee bedoel ik dat zijn kont tegen de bosjes aan stond. De Mercedes stond parallel aan deze auto, ook met de neus naar voren gericht.
U vraagt mij een beschrijving van de Mercedes te geven. Ik vond vooral de ingestanste vorm van de carrosserie opvallend. Dat heb ik eerder beschreven als maanvormig. Ik dacht toen dat het een opgeplakte sticker was. Met de huidige kennis denk ik dat het de vorm van de auto was. Ik heb deze vorm namelijk ook bij andere Mercedessen gezien. Die vorm zit op het achterportier. De auto was grijs of zilvergrijs. De kleur kan iets anders zijn omdat het geen helder weer was. Er waren nog geen straatlampen aan. De Volkswagen waarin het slachtoffer zat was wit. Als ik in mijn verklaring spreek over een witte auto dan bedoel ik de Golf en met de grijze de Mercedes.
Ik heb ook over een andere auto verklaard die wegreed en dat was denk ik een E-klasse en die was ook een slag groter.
De grijze Mercedes was een A- of C-klasse, in ieder geval kleiner dan de taxi want dat was dacht ik een E-klasse. De taxi was donker van kleur en had een taxi-ding op zijn dak. Het was in ieder geval duidelijk dat het een taxi was, want dit voertuig had een blauw kenteken. Op het moment dat ik kwam aanrijden stond de taxi stil. Bijna op hetzelfde moment reed de grijze Mercedes weg en ook de taxi. Volgens mij reed de grijze Mercedes in de richting van de Arena en de taxi ging in de richting van de Utrechtsebrug.
De grijze Mercedes reed maximaal 5 meter voor mij langs en de taxi maximaal 15 meter. Ik stond stil toen zij passeerden. Ik heb die grijze Mercedes voorrang gegeven. Deze kwam uit stilstand en reed op een normale manier weg; niet met gierende banden. Ik zag die auto van de zijkant en zag op die manier de maanvorm.
Ik ben achter de grijze Mercedes aan gereden omdat ik, nadat ik deze voorrang had verleend, naar links keek en het slachtoffer zag in een vreemde positie, met zijn hoofd naar links geleund tegen het raam. Ik heb toen heel even gewacht. Ik durfde er niet direct achter aan. Ik wilde het nummerbord opnemen, maar ik zag hem de S111 op rijden en ben toen afgehaakt en teruggegaan. Ik ben tot het hoekje gereden. Ik denk dat dat bij de stoplichten bij de Arena was. Ik zag die auto de S111 op draaien en verloor hem toen uit het zicht.
Daarna heb ik 112 gebeld, nadat ik terug was gereden, om de situatie beter in te schatten. Ik heb toen een grotere lus op de parkeerplaats gemaakt om het beter te kunnen zien en zag toen bloed bij die man. Volgens mij zag ik de eerste keer een klein beetje bloed. Ik heb getoeterd of er nog reactie kwam en daarna 112 gebeld. Ik had inderdaad bloed gezien voordat ik 112 belde.
Het was niet druk op de parkeerplaats. Het was buiten het seizoen, extreem rustig. Er waren niet veel auto’s geparkeerd. Ik kon gemakkelijk de lus maken en parkeren.
Volgens mij stonden er behalve de Golf en de Mercedes nog 4 â 5 andere auto’s. Ik heb geen mensen zien lopen
25. Proces-verbaal met bijlage van de letterlijke uitwerking van het verhoor van een getuige van 7 mei 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z861-873).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang, als de op 10 oktober 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 5]:
I: interviewer
G: gehoorde
I: waren er buiten die taxi en de Mercedes nog andere mensen of auto’s?
G: nee, er is niemand weggegaan in die tijd of gekomen. [...] ik kwam aan en ik keek op dat moment ook effetjes deze kant op. Dus ik was niet alleen maar met die auto bezig...
I: Ja. Ja, ja. Nee, nee, nee. Ja.
G: ...zeg maar. Ik was met, met die auto hier bezig. En eh pas op het moment dat ze weer wegreden keek ik weer naar die auto. En keek ik naar die auto die daar wegreed en was die, was dit mijn beeld niet meer.
26. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Resultaat onderzoek TCA taxi op de Buitensingel’ van 10 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z142-Z143).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
Bij taxibedrijf Taxicentrale Amsterdam (TCA) zijn de gegevens opgevraagd en verkregen van de taxi’s die op 1 oktober 2019 tussen 16:00 en 17:30 uur op de Buitensingel in Amsterdam-Duivendrecht zijn geweest, of daar in de nabije omgeving zijn geweest.
TCA heeft op 10 oktober 2019 de volgende gegevens verstrekt:
Wij hebben 1 match met een TCA wagen die op 1 oktober 2019 van 17:10 uur tot 17:16 uur op de Buitensingel is geweest.
Het betreft TCA taxi [001] , Mercedes met kenteken [kenteken 4] , zwart, bestuurder [betrokkene 6] .
27. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s Z041-Z042).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
De verbalisant arriveerde op de Buitensingel op 1 oktober 2019 rond 17:25 uur en sprak met enkele getuigen. Hij zag dat een personenauto naar het lint rijden en dat een mannelijke bestuurder uitstapte. De bestuurder verklaarde later te zijn genaamd [betrokkene 7] .
[betrokkene 7] verklaarde op de gestelde strekkende vragen het volgende:
Ik was hier met mijn vriendin in de auto. Ik stond verderop op het doodlopende stukje geparkeerd. Wij zaten in de auto. Het enige wat wij gezien hebben was dat een zwarte taxi over de parkeerplaats reed en vervolgens weer wegreed.
28. De verklaring van de getuige [betrokkene 7] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De voorzitter houdt mij voor dat het verhoor vandaag gaat over een gebeurtenis op 1 oktober 2019 op een parkeerplaats, vlakbij de volkstuinen, aan de Buitensingel in Duivendrecht.
Ik wilde van de parkeerplaats rijden, toen de politieagent naar mij toekwam. Hij zei dat ik niet weg mocht rijden, omdat de weg geblokkeerd was.
Door het afzetlint was het niet meer mogelijk om naar de andere parkeerplaats te komen. De andere kant op kon ik niet wegrijden, want daar loopt de weg dood.
29. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Telefonisch contact getuige [betrokkene 6] ’ van 14 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina Z144).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de mededeling van de verbalisant:
De verbalisant heeft op 14 oktober 2019 telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 6] .
Hij verklaarde als volgt.
Ik was op 1 oktober (2019) met mijn Mercedes in Amsterdam. Mijn auto moest naar de garage vanwege een geluid bij de schokdemper. Nadat ik de auto had opgehaald, ben ik naar de Buitensingel gereden. Ik heb daar een rondje gereden en heb mij gefocust op het geluid van de schokdemper. Het viel mij op dat het bij de Buitensingel erg rustig was. Ik heb geen speciale of opvallende dingen gezien.
30. Een proces-verbaal van 8 juni 2020, opgemaakt door mr. A.B.M. Wijnveldt, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam (losbladig).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 juni 2020 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 6]:
Wat ik nog weet van 1 oktober 2019?
Als u mij zegt dat dat de dag is waarover ik door de politie ben gehoord, dan weet ik over welke dag het gaat. Op zichzelf zegt 1 oktober mij niets.
Ik ben chauffeur. Ik rijd in een Mercedes, dat is mijn dagelijkse werk. Er was iets niet goed aan mijn auto. Iemand van de Mercedes garage is met mij op een hobbelig weggetje gaan rijden, zodat het duidelijk werd om welk geluidje het ging.
Een week later kon ik mijn auto bij de Mercedes garage ophalen en ben toen ( het hof begrijpt: op 1 oktober 2019) weer naar dat weggetje gereden waar ik een week eerder met de monteur ook had gereden. Zo kon ik luisteren of het geluidje weg was. De Mercedes garage is gevestigd bij de (Burgemeester) Stramanweg.
Naar welk weggetje ik ben gereden? Ik kan er zo naar toe rijden, maar weet niet hoe het daar heet. Vanuit de Arena ligt het Van den Ende gebouw aan de rechter kant. Aan de linker kant is het oefenterrein van Ajax. Je gaat dan rechtdoor op de grote weg en dan ergens linksaf naar het kleine weggetje. Ik zat alleen in de auto. Ik heb een Mercedes E model, een zwarte sedan met blauw kenteken.
U vraagt hoe je kunt zien dat de auto een taxi is. Naast dat ik voor de TCA reed, reed ik voor mezelf. Als ik voor de TCA reed, had ik een kleine dakkap op en als ik voor mijzelf reed helemaal niets. Ik weet niet meer of ik die dag mijn dakkap op had.
Het klopt dat de centrale bijhoudt waar ik naartoe rij en in- en uitstap.
Ik was ben door de centrale of de politie gebeld dat de centrale had gezien dat ik daar was geweest. Of de gegevens op de centrale kunnen worden uitgelezen of in mijn auto?
Ik weet dat toen ik 15 jaar geleden ben overvallen de centrale en de politie mijn auto toen hebben teruggevonden.
U vraagt wat ik mij kan herinneren van wat ik heb gezien die dag op dat weggetje. Ik heb daar natuurlijk over nagedacht: niets. Ik heb tegen de politie gezegd dat ik alleen geconcentreerd was op het luisteren naar mijn auto. Als bijvoorbeeld een auto op een rare plek staat dan valt dat op, maar er is mij niets opgevallen.
Ik denk niet dat ik stil heb gestaan, maar ik kan het mij niet herinneren. Ik weet niet of het tweede rondje exact hetzelfde was als het eerste rondje (het hof begrijpt: van de week voor 1 oktober 2019). Als je terugrijdt hoef je inderdaad niet te steken of te keren. Ik weet niet meer of je voor het rijden van dat rondje om parkeerplaatsen heen moest rijden. Ik denk dat een rondje ongeveer drie minuten duurt. Gedurende de twee rondjes heb ik geen andere taxi gezien. Dat valt meestal wel op.
Of ik een auto voorrang heb verleend of dat een auto daarom heeft gevraagd? Ik denk het niet, maar ik weet het niet zeker.
U vraagt hoeveel auto’s ik (daar) die dag heb gezien. Ik heb erover nagedacht, maar ik kan mij niets specifieks herinneren. Ook niet over auto’s die geparkeerd stonden of rondreden.
31. Een proces-verbaal ‘Forensisch onderzoek plaats delict’ van 19 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z224-Z234).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op 1 oktober 2019 om 17:45 uur kwamen wij naar aanleiding van een doodslag/moord voor een forensisch onderzoek op de locatie Buitensingel 4A, 1114 BE Amsterdam-Duivendrecht.
Betrokken slachtoffer: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1985.
Omschrijving onderzoekslocatie
De plaats delict betrof een parkeerterrein in het buitengebied van Duivendracht en was gelegen tussen twee tuincomplexen. Het parkeerterrein was met een auto te bereiken via een weg (Buitensingel), die langs het parkeerterrein liep. De Buitensingel was te bereiken via de Van der Madeweg en de Holterbergweg te Duivendrecht. Het parkeerterrein grensde direct aan een toegang tot het tuincomplex [A] . Schuin tegenover deze toegang was aan de overzijde van de Buitensingel een toegang tot het tuincomplex Nieuw Vredelust. Op het parkeerterrein stond, gezien vanaf de Buitensingel, links achter in de hoek van dit parkeerterrein een witte Volkswagen Golfstationwagen voorzien van gele Nederlandse kentekenplaten met de cijfer/lettercombinatie [kenteken 1] en voorzien van duplicaatcode 2.
Bevindingen
Wij zagen dat links achterop het parkeerterrein een witte links gestuurde Volkswagen Golf stationwagen met kenteken [kenteken 1] stond. Wij zagen dat deze personenauto met de neus in de richting van de Buitensingel stond geparkeerd. De auto stond op het parkeerterrein op straatklinkers aan de rand van een groenstrook met een bomenrij.
Auto
Het bestuurdersportier en het linker achterportier van de Volkswagen Golf waren geopend. De ruit van het linker voorportier was op een kier van ongeveer 10 centimeter geopend. Voor het bestuurdersportier lag op de grond van het parkeerterrein een Apple Airpod oortelefoon. Op de linkerzijde van de bestuurdersstoel en de onderdorpel van het bestuurdersportier zagen wij diverse bloedspatten. Links van de autoradio hing een zwarte Apple IPhone in een telefoonhouder aan het dashboard. Wij zagen dat de telefoon was ingeschakeld doordat er regelmatig naar werd gebeld en er regelmatig berichten op het scherm verschenen. De telefoon (AML31400) hebben wij overgedragen aan de districtsrecherche Amsterdam Oost. Wij zagen dat de zonneklep aan de bestuurderszijde was uitgeklapt en dat het schildje voor de spiegel was geopend.
Vuurwapen
Op het middenconsole lag een zwart vuistvuurwapen van het merk en type Beretta model 70. Het wapen lag op de linkerzijde, met de loop in de richting van het dashboardkastje. De slede van het vuurwapen was naar achteren geschoven, in de kamer van het vuurwapen zat een huls geklemd. De veiligheidspal van het vuurwapen stond in de ‘vuurstand’. Er was geen patroonhouder in het wapen aanwezig. Ik, verbalisant, heb de huls uit het vuurwapen verwijderd. Wij hebben de huls veilig gesteld. Het vuurwapen werd door ons veilig gesteld.
Slachtoffer
In de rechterzijde van het voorhoofd/slaap van het slachtoffer was een perforatie in de huid. Rond deze perforatie zagen wij zowel aan de voorhoofdszijde als aan de zijde richting het oor een donkere verkleuring van of op de huid. Vanuit deze perforatie liepen bloedsporen over het gelaat schuin naar de linkerzijde en de linkeronderzijde van het gelaat. Tevens zagen we een bloedspoor over de rechterzijde van het hoofd naar het achterhoofd lopen.
Overzicht veiliggestelde sporen
SIN: AAMC4986NL
Datum /tijd veiligstellen: 1 oktober 2019 om 20:00 uur
Plaats veiligstellen: Bem. loop voorzijde/binnenzijde vuurwapen (Beretta)
SIN: AAMC4989NL
Datum /tijd veiligstellen: 1 oktober 2019 om 20:30 uur
Plaats veiligstellen: Bem. slede vuurwapen (Beretta) vanaf middenconsole VW
SIN: AAMC4991NL
Object: vuurwapen (pistool)
Merk/type: Beretta Model 70
Kaliber: 7.65mm Browning
Bijzonderheden: geen patroonmagazijn aanwezig
SIN: AAMC2866NL
Object: Munitie (Mund huls)
Merk/type: Cbc 7.65mm Browning
Kleur; goudkleurig
Land: Brazilië
Kaliber: 7.65mm Browning
SIN: AAMC4918NL
Object: munitie
Land: Nederland
Bijzonderheden: projectiel uit hoofd slachtoffer. Bij sectie verwijderd.
32. Een rapport Wapentechnisch en munitieonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 maart 2020, opgemaakt door W. Kerkhof (doorgenummerde dossierpagina’s Z657- 672).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Vuurwapen (AAMC4991NL)
Dit vuurwapen heeft de opschriften en de uiterlijke kenmerken van een semi-automatisch werkend pistool van het merk Beretta, model 70 in kaliber 7.65mm Browning.
Technisch onderzoek
Het pistool (AAMC4991NL) is technisch onderzocht. Zowel aan de loop, de slede als aan de kast werden veranderingen vastgesteld. Het pistool geeft het beeld van een gedeactiveerd wapen, dat gedeeltelijk is gereactiveerd. Er zijn concrete aanwijzingen dat de stootbodem in de slede weer is aangepast, met de kennelijke bedoeling het pistool weer schietklaar te maken. Er zijn geen aanwijzingen dat geprobeerd is de kast of de loop te herstellen. In de huidige staat functioneert het pistool feitelijk bijna als een enkelschots pistool. Er kan met de hand een patroon in de kamer worden gevoerd, die kan worden verschoten. Er werd slechts één keer een huls uitgeworpen waarna een patroon uit het patroonmagazijn werd ingevoerd die kon worden verschoten. Na de andere 36 schoten werd de huls niet uitgeworpen, waardoor een aantal handelingen moesten worden verricht voor het lossen van het tweede schot. De twee kogels die in een blok gelatine werden verschoten, drongen daar meer dan 30 centimeter in door, ondanks het feit dat de loopwand op drie plaatsen was doorboord (p.11).
Conclusie vergelijkend onderzoek
Huls
Voor de huls (AAMC2866NL) en het vuurwapen (AAMC4991NL), kaliber 7.65mm Browning zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: de huls is verschoten met het vuurwapen.
Hypothese 2: de huls is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen.
De resultaten van het vergelijkend huisonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is.
Kogel
Voor de kogel (AAMC4918NL) en het vuurwapen (AAMC4991NL), kaliber 7.65mm Browning zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 3: de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen
Hypothese 4: de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.
De resultaten van liet vergelijkend huisonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 3 waar is dan wanneer hypothese 4 waar is.
33. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Werking vuurwapen Beretta met BVH nummer 2019207223 van 17 november 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (losbladig).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
Het betreft een pistool van het wapenmerk Beretta, type model 70, kaliber 7,65mm Browning met SIN-nummer AAMC4991NL.
Ik heb dit vuurwapen tijdens een verhoor van [verdachte] in mijn handen gehad omdat mij gevraagd was een storing te verhelpen. Een dummypatroon zat vast in de kamer precies op de plek waar gefreesd was, dus bij de grens tussen de patroonruimte naar de kamer van dit wapen. Ik heb een paperclip gebruikt om de patroon omhoog te wippen zodat deze de kamer verliet. Die paperclip gebruikte ik ook om een nieuwe dummypatroon in de kamer te zetten.
34. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 25 april 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s P190-244).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 april 2020 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] (pagina’s P196, P203-204 en P207-208):
V: vraag verbalisanten
A: antwoord verdachte
V: Weet jij nog welke kleding je droeg op de dag dat [slachtoffer] doodgeschoten werd?
A: Ja, die rode jas die jullie hebben meegenomen.
De forensisch expert wordt tijdens het verhoor erbij gehaald. De expert geeft toelichting dat het patroon omhoog gewipt moet worden om in de kamer te komen. Na dit omhoog wippen van de kogel kan er dus één kogel worden afgevuurd met het wapen.
V: Het wapen is onklaar gemaakt. Dat is hersteld zodat je wel kunt schieten, maar niet alles is goed terug gebouwd zodat automatisch doorladen niet lukt.
35. Een rapport ‘Aanvullend schotrestenonderzoek’ met bijlage van het Nederlands Forensisch Instituut van 8 mei 2020, opgemaakt door A. Knijnenberg (doorgenummerde pagina’s Z907- 925, bijlage Z926-943).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Schootsafstandbepaling
De bevindingen van het schootsafstandenonderzoek gekoppeld aan de verwonding in het lichaam van [slachtoffer] zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand kleiner is dan 2,5 centimeter, dan wanneer de schootsafstand groter is dan 2,5 centimeter.
36. Een rapport ‘Forensisch DNA-onderzoek’ van het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek (FLDO) van 7 november 2019, opgemaakt door P. de Knijff (doorgenummerde pagina’s Z285-290).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op 24 oktober 2019 werd het in tabel 1 genoemde onderzoeksmateriaal ontvangen. Het FLDO heeft op 30 oktober 2019 de schotresten uit de huls veiliggesteld. De veilig gestelde schotresten zijn voorzien van de in tabel 1 bij SIN-code schotresten genoemde nieuwe SIN-code.
Tabel 1
Omschrijving onderzoeksmateriaal | SIN-code sample | SIN-code schotresten |
AAMC2866NL (mund huls) | AAMC2866NL | AAMS7585NL |
37. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z218-219).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op 2 oktober 2019 zijn wij langs gegaan op de [b-straat 1] te [plaats] . Aldaar spraken wij met [verdachte] ( [geboortedatum] -1970). Wij vroegen hem of wij de rode jas die hij ten tijde van het tanken bij de Makro aan had, mochten onderzoeken. Hierop gaf [verdachte] genoemde jas. De jas hebben wij in beslag genomen onder goednummer 5815744.
Tevens vroegen wij aan [verdachte] of wij de Mercedes met kenteken [kenteken 2] mochten onderzoeken. Genoemd voertuig stond in de parkeergarage onder genoemd perceel en is in beslag genomen onder goednummer 5733619.
38. Een proces-verbaal ‘Forensisch onderzoek [b-straat 1] [plaats] ’ van 3 oktober 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z302-303).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op 2 oktober 2019 kwamen wij voor een forensisch onderzoek op de [b-straat 1] , [postcode] te [plaats] . Wij werden verzocht ter plaatse te gaan en de binnenzijde van een Mercedes die door de Districtsrecherche op dit adres werd aangetroffen, te bemonsteren in verband met de mogelijke aanwezigheid van schotresten.
Op een parkeerplaats van de ondergrondse parkeergarage van het appartementencomplex zagen wij een grijze Mercedes, type AMG C63S voorzien van Nederlandse kentekenplaten met de cijfer/lettercombinatie [kenteken 2] . Door ons werden aan de binnenzijde van het voertuig door middel van stubs bemonsteringen gedaan. De bemonsteringen werden uitgevoerd op de deurgreep links voor (blauw), het stuur (groen), de pook in de middenconsole (zwart) en de hendels achter het stuur (rood). Vervolgens werden de bemonsteringen inclusief een blanco bemonstering geplaatst in een schotrestenkit en gemerkt met SIN AAJS9724NL.
SIN: AAJS9724NL
Datum/tijd veiligstellen: 2 oktober 2019 om 21:20 uur
Plaats veiligstellen: diverse plaatsen bestuurderszijde [kenteken 2]
39. Een rapport ‘Schotrestenonderzoek’ van het Nederlands Forensisch Instituut met bijlage van 19 november 2019, opgemaakt door A. Knijnenberg (doorgenummerde pagina’s Z306-314, bijlage Z315-330).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
1. Ontvangen van Team Forensische Opsporing op 4 oktober 2019: een rode jas, SIN AAMS2830NL
2. Ontvangen van Team Forensische Opsporing op 10 oktober 2019: bemonsterset diverse plaatsen bestuurderszijde Mercedes [kenteken 2] , SIN AAJS9724NL en
Ontvangen van Team Forensische Opsporing op 10 oktober 2019: munitie (mund huls) een huls, SIN AAMC2866NL
3. Ontvangen van FLDO op 3 1 oktober 2019: een schotrestenbemonstering uit huls AAMC2866NL, SIN AAMS7585NL.
Bij het verschieten van een patroon met een vuurwapen, ook wel aangeduid met de term schietproces, komen deeltjes vrij. Deze deeltjes worden aangeduid met de term schotresten. Schotresten kunnen zowel organisch als anorganisch zijn. De organische deeltjes die van belang zijn voor het onderzoek bestaan voornamelijk uit (deels verbrande) nitrocellulosekruitdeeltjes. Anorganische deeltjes kunnen afkomstig zijn van de slagas, het vuurwapen, de kogel en de huls.
De uiteinden van de mouwen van de jas zijn bemonsterd.
Resultaten
Anorganische deeltjes
Op de onderzochte stubs zijn met de elektronenmicroscoop verschillende anorganische deeltjes aangetroffen. In tabel 4 zijn de deeltjes opgenomen die op basis van hun morfologie en elementsamenstelling in aanmerking komen voor schotresten.
(…)
Organische deeltjes
Op de onderzochte stubs zijn geen nitrocellulosekruitdeeltjes aangetroffen.
Interpretatie resultaten
Bij het beschouwen van de aangetroffen deeltjes worden deze ingedeeld in twee categorieën: A en B. Categorie A deeltjes zijn karakteristiek voor schotresten. Deze deeltjes zijn tot op heden niet aangetroffen bij personen die voor zover bekend op geen enkele wijze met een schietproces te maken hebben en er zijn van deze deeltjes geen andere bronnen van herkomst bekend dan een schietproces. Categorie B deeltjes komen in aanmerking voor schotresten. Van deze deeltjes zijn echter ook andere bronnen van herkomst bekend. In het algemeen is de bewijskracht van categorie B deeltjes veel lager dan van categorie A deeltjes.
Op de stubs waarmee de mouwen van de jas zijn bemonsterd zijn categorie A en categorie B deeltjes aangetroffen, zie tabel 4. De categorie A deeltjes voldoen aan de door het NFI gehanteerde criteria.
Op de stubs waarmee de delen van de auto zijn bemonsterd zijn categorie A en categorie B deeltjes aangetroffen, zie tabel 4. De categorie A deeltjes voldoen aan de door het NFI gehanteerde criteria.
Het merendeel van de aangetroffen categorie B deeltjes past bij de aangetroffen categorie A deeltjes.
Conclusie
Voor het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten zijn de bevindingen getoetst aan de volgende set hypothesen:
Hypothese 1: op de bemonsteringen van de jas/de auto zijn schotresten aanwezig.
Hypothese 2: op de bemonsteringen van de jas/de auto zijn géén schotresten aanwezig.
Daarbij zijn de volgende conclusies getrokken:
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de mouwen van de jas AAMS2830NL zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de onderzoeksset schiethanden AAJS9724NL waarmee delen van de auto zijn bemonsterd, zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Verbale term en ordegrootte bewijskracht:
ongeveer even waarschijnlijk 1-2
iets waarschijnlijker 2-10
waarschijnlijker 10-100
veel waarschijnlijker 100-10.000
zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
40. Een aanvullend rapport Schotrestenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut met bijlage van 8 mei 2020, opgemaakt door A. Knijnenberg (doorgenummerde pagina’s Z907- 925, bijlage Z926-943).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In aanvulling op de onderzoeksresultaten in de schotrestenrapportage van 19 november 2019 zijn de bemonsteringen aan de binnenzijde van de jas en de zakken van de jas onderzocht.
Tabel 6 Overzicht van categorie A en B deeltjes die zijn aangetroffen op de onderzochte stubs.
(…)
Organische deeltjes
Op de onderzochte stubs zijn geen nitrocellulosekruitdeeltjes aangetroffen
Huls
Tabel 7 Resultaten schotrestenbemonstering uit de huls
(…)
Conclusie
Onderzoek aanwezigheid schotresten
De bevindingen van het onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten op de bemonsteringen van de binnenzijde van de mouwen van de jas AAMS2830NL zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A1 waar is, dan wanneer hypothese A2 waar is, waarbij:
Hypothese A1: op de bemonsteringen van de binnenzijde van de mouwen van de jas zijn schotresten aanwezig.
Hypothese A2: op de bemonsteringen van de binnenzijde van de mouwen van de jas zijn géén schotresten aanwezig.
Vergelijkend schotrestenonderzoek
Voor de vergelijkingen tussen de schotresten uit de huis enerzijds en de schotresten op de bemonsteringen van de jas en de auto anderzijds is de volgende set hypothesen beschouwd:
Hypothese V1: de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonstering zijn afkomstig van het verschieten van de aangetroffen huls.
Hypothese V2: de deeltjes die zijn aangetroffen op de bemonstering zijn afkomstig van het verschieten van een willekeurige andere huls.
Vergelijking huls – jas
De op de jas aangetroffen verzamelingen deeltjes zijn specifiek genoeg voor een vergelijkend schotrestenonderzoek. De conclusie van dit vergelijkend schotrestenonderzoek is:
De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek aan de schotrestenbemonstering AAMS7585NL uit de huls (AAMC2866NL) en de bemonsteringen van de jas AAMS2830NL zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese V1 waar is, dan wanneer hypothese V2 waar is.
Vergelijking huls - auto
De bevindingen van het vergelijkend schotrestenonderzoek aan de schotrestenbemonstering AAMS7585NL uit de huls (AAMC2866NL) en de bemonsteringen van de auto AAJS9724NL zijn iets waarschijnlijker wanneer hypothese V1 waar is, dan wanneer hypothese V2 waar is.
Verbale term en ordegrootte bewijskracht:
ongeveer even waarschijnlijk 1-2
iets waarschijnlijker 2-10
waarschijnlijker 10-100
veel waarschijnlijker 100-10.000
zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
41. Een rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 november 2019, opgemaakt door P.A. Maaskant van Wijk (doorgenummerde pagina’s Z295-297).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
SIN | Naam | geboortedatum | |
AAMS9051NL | Slachtoffer [slachtoffer] | 14 maart 1985 | |
SIN | Beschrijving DNA-profiel | DNA kan afkomstig zijn van | Matchkans DNA-profiel |
AAMC4986NL#01 | DNA-profiel van een man | Slachtoffer [slachtoffer] | Kleiner dan 1 op 1 miljard |
Loop voorzijde/binnenzijde vuurwapen (Beretta) | |||
AAMR9892NL#01 Binnenkant loop + buitenkant sil afdruk | DNA-profiel van een man | Slachtoffer [slachtoffer] | Kleiner dan 1 op 1 miljard |
42. Een rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 november 2019, opgemaakt door P.A. Maaskant van Wijk (doorgenummerde pagina’s Z367-370).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Politie eenheid Amsterdam heeft verzocht referentiemateriaal WAAB4259NL van verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970, te onderwerpen aan DNA-onderzoek en het verkregen DNA-profiel te vergelijken met eerder in deze zaak verkregen DNA-profielen. Ook het DNA-profiel AAMS9051NL van slachtoffer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1985, is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.
In tabel 1 staat vermeld van wie het DNA op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn. Wordt een persoon, van wie het DNA-profiel is vergeleken, niet vermeld, dan is er geen aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid va DNA van deze persoon in die bemonstering.
Tabel 1 resultaten interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek
SIN | Beschrijving DNA-profiel | DNA kan afkomstig zijn van | Matchkans DNA-profiel |
AAMC4989NL#01 Slede vuurwapen Beretta vanaf middenconsole | DNA-mengprofiel van minimaal twee personen | [verdachte] en minimaal één onbekende persoon | Zie bewijskracht vergelijkend DNA-onderzoek |
AAMR9891NL#01 Onder greepplaten | DNA-mengprofiel van minimaal vier personen | [verdachte] en minimaal drie onbekende personen | Zie bewijskracht vergelijkend DNA-onderzoek |
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Bemonstering AAMC4989NL#01 ten aanzien van verdachte [verdachte]
Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht (zie ook het kader bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek) van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] WAAB4259NL en DNA-mengprofïel AAMC4989NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:
-bemonstering AAMC4989NL#01 bevat DNA van twee personen;
-de personen in dit mengsel zijn onderling niet verwant.
Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
Hypothese 1 : de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van twee willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel AAMC4989NL#01 is meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Bemonstering AAMR9891NL#01 ten aanzien van verdachte [verdachte]
Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht (zie ook het kader bewijskracht van het resultaat van vergelijkend DNA-onderzoek) van de overeenkomsten tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] WAAB4259NL en DNA-mengprofiel AAMR9891NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:
-de bemonstering AAMR9891NL#01 bevat DNA van vier personen.
-de personen in dit mengsel zijn onderling niet verwant.
Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] en drie willekeurige onbekende personen.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van vier willekeurige onbekende personen.
Het verkregen DNA-mengprofiel AAMR9891NL#01 is meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
43. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met bijlage van 16 april 2021, opgemaakt door B. Kokshoorn (losbladig).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Verzocht is de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en het DNA-onderzoek te evalueren gegeven hypothesen op activiteiten niveau. Daartoe zijn de volgende hypothesen geformuleerd:
Hypothese 1: de verdachte heeft op het slachtoffer geschoten. De verdachte heeft het wapen daarna in de hand van het slachtoffer geplaatst.
Hypothese 2: een ander dan de verdachte heeft op het slachtoffer geschoten. De onbekende schutter heeft het wapen daarna in de hand van het slachtoffer geplaatst. De verdachte was op dat moment niet in de VW Golf van het slachtoffer aanwezig.
Hypothese 3: het slachtoffer heeft zichzelf beschoten. De verdachte was op dat moment niet in de VW Golf van het slachtoffer aanwezig.
Ten behoeve van de evaluatie van de onderzoeksresultaten op activiteitenniveau zijn de volgende aannamen gedaan:
Aannamen:
1. Het DNA in de bemonsteringen van de onderzochte voorwerpen is daadwerkelijk afkomstig van personen die door middel van het DNA-onderzoek daaraan zijn gekoppeld.
2. Het vuurwapen is niet schoongemaakt voordat het in de hand van het slachtoffer is geplaatst (hypothese 1 en 2).
3. Het vuurwapen was voorafgaand aan het schietincident in bezit van degene die heeft geschoten (dat wil zeggen, in bezit van de verdachte onder hypothese 1, in bezit van een onbekende dader onder hypothese 2 en in bezit van het slachtoffer onder hypothese 3).
4. Er is nagenoeg geen tijd verstreken tussen het eerste moment van vastpakken van het wapen door de schutter tot het afschieten ervan. Er is in die tijd niet met het wapen gemanipuleerd (zoals plaatsen of verwijderen van de patroonhouder). Na afloop is de patroonhouder verwijderd maar niet teruggeplaatst (het wapen is zonder patroonhouder aangetroffen).
5. Bij het schietincident zijn geen handschoenen gedragen door de persoon die heeft geschoten.
Overwegingen
Omdat niet betwist is dat met het vuurwapen op korte afstand in het hoofd van het slachtoffer is geschoten, is de kans onder elke hypothese betrekkelijk groot dat in de loop DNA van het slachtoffer wordt aangetroffen.
Ten aanzien van hypothese 1 (verdachte was de schutter en in bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft verdachte [verdachte] het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op het slachtoffer geschoten. De kans om onder deze hypothese in een bemonstering van de slede van het wapen DNA van verdachte aan te treffen is zeer groot. De kans om in een bemonstering van de binnenzijde van het wapen (onder de kolfplaten) DNA van verdachte aan te treffen is groot. Op het wapen is ook DNA van onbekende personen aangetroffen. Onder deze hypothese is dit achtergrond DNA dat niet gerelateerd is aan de betwiste handelingen. De kans om in een bemonstering van de buiten- of de binnenzijde van [h]et wapen ook DNA van een of meer onbekende personen aan te treffen is groot. Samengenomen betekent dit dat de kans op het verkregen onderzoeksresultaat (DNA van verdachte en een of meer onbekende personen) van de bemonstering van de slede groot is. De kans op het resultaat van de bemonstering van de binnenzijde van het wapen is eveneens groot.
Ten aanzien van hypothese 2 (een onbekende was schutter en in bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft een onbekende persoon (iemand anders dan verdachte [verdachte] of het slachtoffer) het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op het slachtoffer geschoten. Verdachte [verdachte] heeft op enig eerder moment het vuurwapen vastgehouden en ermee geschoten. De kans om onder deze hypothese in een bemonstering van de slede van het wapen DNA van verdachte aan te treffen is betrekkelijk groot. De kans om in een bemonstering van de binnenzijde van het wapen (onder de kolfplaten) DNA van verdachte aan te treffen is klein. De kans om in een bemonstering van de buiten-of de binnenzijde van het wapen DNA van een of meer onbekende personen aan te treffen (achtergrond DNA) is zeer groot. Samengenomen betekent dit dat de kans op het verkregen onderzoeksresultaat (DNA van verdachte en een of meer onbekende personen) van de bemonstering van de slede betrekkelijk groot is. De kans op het resultaat van de bemonstering van de binnenzijde van het wapen is klein.
Ten aanzien van hypothese 3 (het slachtoffer was schutter en in bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft het slachtoffer het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op zichzelf geschoten. Verdachte [verdachte] heeft op enig eerder moment met het vuurwapen geschoten. De kans om onder deze hypothese geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede is klein. De kans om onder deze hypothese in deze bemonstering wel DNA van verdachte aan te treffen is betrekkelijk groot. De kans om onder deze hypothese geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de binnenzijde van het wapen (onder de kolfplaten) is klein. De kans om in deze bemonstering wel DNA van verdachte aan te treffen is, evenals onder hypothese 2, klein.
De kans om in een bemonstering van de buiten-of de binnenzijde van het wapen DNA van een of meer onbekende personen aan te treffen (achtergrond DNA) is groot. Samengenomen betekent dit dat de kans op het verkregen onderzoeksresultaat (DNA van verdachte en een of meer onbekende personen) van de bemonstering van de slede klein is. De kans op het resultaat van .de bemonstering van de binnenzijde van het wapen is zeer klein.
Interpretatie en conclusie
Ten aanzien van hypothesen 1 en 2
De resultaten van het onderzoek aan bemonsteringen AAMC4989NL#01 en AAMR9891NL#01 zijn, gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie, iets waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. Dit betekent dat de onderzoeksresultaten iets waarschijnlijker zijn wanneer verdachte op het slachtoffer heeft geschoten, dan wanneer dit een onbekende persoon was.
Ten aanzien van hypothesen 1 en 3
De resultaten van het onderzoek aan bemonsteringen AAMC4989NL#01 en AAMR9891NL#01 zijn, gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie, veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 3 waar is. Dit betekent dat de onderzoeksresultaten veel waarschijnlijker zijn wanneer verdachte op het slachtoffer heeft geschoten, dan wanneer dit het slachtoffer zelf was.
Ten aanzien van hypothesen 2 en 3
De resultaten van het onderzoek aan bemonsteringen AAMC4989NL#01 en AAMR9891NL#01 zijn, gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie, waarschijnlijker wanneer hypothese 2 waar is, dan wanneer hypothese 3 waar is. Dit betekent dat de onderzoeksresultaten waarschijnlijker zijn wanneer een onbekende persoon op het slachtoffer heeft geschoten, dan wanneer dit het slachtoffer zelf was.
Verbale term en ordegrootte bewijskracht:
ongeveer even waarschijnlijk 1-2
iets waarschijnlijker 2-10
waarschijnlijker 10-100
veel waarschijnlijker 100-10.000
zeer veel waarschijnlijker 10.000-1.000.000
extreem veel waarschijnlijker > 1.000.000
44. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 24 maart 2020, opgemaakt door M.J. van der Scheer (losbladig).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
In de onderhavige casus is alleen sprake van een inschot. Het al dan niet aantreffen van back-spatter op een schutter is volgens de literatuur afhankelijk van verschillende factoren. Om de afwezigheid van bloedsporen op de onderzochte jas AAMS2830NL te kunnen duiden is informatie nodig omtrent het bloedsporenbeeld in de auto waarin het slachtoffer is aangetroffen. Zo is het van belang te weten of er al dan niet sprake is van back-spatter. Dit geldt eveneens voor de handen van het slachtoffer en voor het aangetroffen vuurwapen. De foto’s en het bijbehorende proces-verbaal van het forensisch technisch onderzoek aan het slachtoffer en de auto zullen dan bij het onderzoek betrokken moeten worden. Daarnaast is informatie over de schootsafstand van belang. Ook ontbreekt informatie of de verdachte de onderzochte jas heeft gedragen in de auto van het slachtoffer. Verder dient te worden opgemerkt dat de afwezigheid van bloed en/of biologische weefseldeeltjes op een schutter verklaard kan worden door resultaten van experimentele studies. Hieruit blijkt dat onder de geteste omstandigheden de aanvankelijk ontstane back spatter, onder invloed van de vrijgekomen gaswolk en drukgolf uit het vuurwapen, teruggedrongen kan worden in de richting van de bron (i.e. de inschotverwonding). De afwezigheid van bloed en/of biologische weefselsporen op (kleding van) een persoon betekent daarom niet dat deze persoon een vuurwapen niet afgevuurd kan hebben.
45. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 juni 2021, opgemaakt door B. Kokshoorn (losbladig).
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Op de vraag van de raadsman over mijn rapport van 16 april 2021 wat wordt verstaan onder ‘in bezit’ onder aanname 3:
Met ‘bezit’ wordt bedoeld dat de persoon die het wapen heeft meegenomen naar de plaats delict het wapen daaraan voorafgaand meermaals heeft gehanteerd/gebruikt.
De inschatting van deze kansen is gebaseerd op de studie van Gosch et al. (2020). Deze studie laat zien dat de kans groot is om DNA van de persoon die het wapen eerder in bezit (zie vraag 2) heeft gehad aan de binnenzijde van het wapen aan te treffen nadat een ander er eenmalig mee heeft geschoten. De kans om DNA van een schutter (die het wapen eenmalig gebruikt) aan te treffen aan de binnenzijde is klein (dit is in de studie niet waargenomen).
46. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s P48-87).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op 3 december 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte] (pagina’s P52- 58):
V: vraag verbalisanten
A: antwoord verdachte
A: De rode jas heb ik op 1 oktober 2019 gedragen Vanaf het moment van weggaan van huis tot aankomst bij huis. Ik heb de jas voor het laatst gedragen toen de politie bij mij was (het hof begrijpt: 2 oktober 2019), tot die werd weg genomen. De politie zag dat ik de jas droeg. Ik weet niet hoeveel keren ik de jas in september heb gedragen.
47. De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2022 (losbladig).
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
De voorzitter vraagt naar de auto waarin ik reed op 1 oktober 2019. Het was een Mercedes C220. Ik heb de Mercedes gekocht.
48. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 22 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s P021- P038).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op 22 november 2019 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:
V: wat is je telefoonnummer?
A: [telefoonnummer 3] .
Auto Mercedes voorzien van het kenteken [kenteken 2]
A: Niemand anders gebruikt deze auto.
49. De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb op 1 oktober 2019 bij het tanken bij de Makro gepind met mijn ING bankpas. De rode jas die ik droeg bij het tanken heb ik die middag steeds gedragen. Ik heb de jas die dag na 18:00 toen ik thuis was uit getrokken.
50. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 27 november 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z338-403)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op 27 november 2019 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [benadeelde 1] (pagina’s Z394-402):
V:Jullie kwamen in een woning [c-straat 1] en moesten daar uit. Hoe ging [slachtoffer] daar mee om? A: Het was geen probleem.
A: We woonden samen met die vent op wiens naam de woning stond. Hij had geen recht om iemand te laten inschrijven. We zijn half mei daar weg gegaan.
V: Hoe zijn jullie uit elkaar gegaan?
A: Niet echt fijn. Hij belde mijn man dat hij nog geld ergens voor wilde.
V: Hoe is dat geëindigd?
A: We zijn verhuisd en ik heb er niets meer over gehoord.
V: Hoe voelde [slachtoffer] zich eronder dat die man zo boos was? Was hij bang?
A: Nee
A: Hij heeft later nog een factuur betaald aan die meneer voor de verwarming. Alles was goed. Hij had niets te vrezen. [slachtoffer] heeft nooit een wapen gehad.
51. Een proces-verbaal Forensisch onderzoek plaats delict met bijlage van 19 december 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z472-473, bijlage Z474).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één van hen):
Op 4 december 2019 werd door ons op de locatie Etnastraat te Amsterdam assistentie verleend bij het doorzoeken van een stuk natuurgebied Lutkemeerpolder (Akerpolder). In dit natuurgebied was een locatie aangewezen door een verdachte. Op deze locatie zou een aantal keer zijn proef geschoten met een vuurwapen, waarna de uitgeworpen hulzen zeer waarschijnlijk op die locatie terecht waren gekomen. Door ons werd rekening gehouden met eventuele marges en afwijkingen waardoor is besloten het zoekgebied te verruimen. Wij waren met metaaldetectors aan het werk. Wij bemerkten dat er weinig tot geen metalen in de grond aanwezig waren. Er werden door ons geen bijzonderheden waargenomen/aangetroffen.
52. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 13 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z1517- 1519).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op 13 januari 2021 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 8]:
V: vraag verbalisanten
A: antwoord getuige
O: opmerking
O: lk heb [verdachte] leren kennen.
V: Heeft [verdachte] aan u ooit gevraagd hoe hij aan een vuurwapen kan komen?
A: Nee
V: Heeft u [slachtoffer] ooit horen praten over het aanschaffen van een vuurwapen?
A: Nee, nooit. Ik heb met [slachtoffer] nooit veel gesproken en zeker niet over wapens.
53. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 januari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s Z1520- 1523)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op 15 januari 2021 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [betrokkene 9]:
V: vraag verbalisanten
A: antwoord getuige
O: opmerking
V: Kent u [verdachte] ?
A: Ja die ken ik.
V: Kent u [slachtoffer] ?
A: Die kende ik.
V: Heeft [verdachte] aan u ooit gevraagd hoe hij aan een vuurwapen kon komen?
A: Nee.
V: Heeft u [slachtoffer] ooit horen praten over het aanschaffen van een vuurwapen?
A: Nee”
3.4 Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overwegingen opgenomen:
“7.2. Tijdlijn
7.2.1. Vaststelling feiten
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 1 oktober 2019 is [slachtoffer] rond 14:00 uur met zijn dochtertje [benadeelde 3] weggegaan uit het ziekenhuis, het OLVG West, waar zijn zoontje was opgenomen. [slachtoffer] had die middag een afspraak met de verdachte.
[slachtoffer] is met [benadeelde 3] in zijn witte Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] gereden naar de [b-straat 1] in [plaats] , waar de verdachte verbleef met [betrokkene 1] .
Hij was daar rond 14:45 uur.
Om 14:53 uur vertrokken [slachtoffer] in zijn Volkswagen Golf, met [benadeelde 3] achterin, en de verdachte in zijn grijs/zilverkleurige Mercedes met het kenteken [kenteken 2] vanaf de [b-straat] . Zij reden naar het tankstation bij de Makro in Amsterdam Zuid-Oost, waar de verdachte, die een rode gewatteerde jas droeg, tankte en om 15:15 uur afrekende met een pinbetaling.
[slachtoffer] en de verdachte vertrokken daar vandaan in hun eigen auto’s, waarbij de verdachte voorop reed. [slachtoffer] reed achter de verdachte aan, via de Van der Madeweg naar de Buitensingel in Amsterdam-Duivendrecht. Daar bevinden zich parkeerplaatsen met elk een aantal parkeervakken bij tuinpark Nieuw Vredelust aan de Buitensingel 4. De verdachte heeft zijn Mercedes op één van de parkeerplaatsen in een parkeervak geparkeerd. De verdachte heeft verklaard dat hij daar in de auto van [slachtoffer] is gestapt, dat zij samen met die auto op en neer zijn gereden naar [plaats] en daarna zijn teruggekeerd naar de parkeerplaats.
Voor de vaststelling van de feiten die zich afspelen rondom het tijdstip waarop [slachtoffer] is overleden, zijn de volgende tijdstippen, die zijn vastgesteld op basis van objectieve gegevens, van belang:
Tijdstip Gebeurtenis
15:20 uur Registreerde de navigatiecomputer van de Mercedes van de verdachte dat het voertuig stilstond op de Buitensingel in Duivendrecht. Het linker voorportier werd geopend. (Vanaf dat moment tot 17:11:47 uur is geen activiteit van deze auto waarneembaar)
15:23 uur De Volkswagen Golf van [slachtoffer] is te zien op camerabeelden van Endemol Shine en rijdt via de Holterbergweg in de richting van [plaats] .
16:08 uur De Volkswagen Golf van [slachtoffer] is te zien op camerabeelden van Endemol Shine. De Volkswagen rijdt dan over de Holterbergweg in de richting van de Buitensingel.
16:33 uur De verdachte heeft gebeld met zijn vrouw [betrokkene 3] , waarbij zijn telefoon een zendmast aanstraalde op de Borghlandweg, dat is in de buurt van de Buitensingel
17:01 uur [slachtoffer] heeft een telefoongesprek gevoerd met zijn vrouw [benadeelde 1] . Zijn telefoon straalde daarbij de zendmast aan de Borghlandweg aan.
17:09 uur – Dit was ook het geval om 17:09 uur. Toen belde de moeder van [slachtoffer] ,
17:10:03 uur [benadeelde 4] hem via Facebook Messenger. Dit gesprek duurde 33 seconden tot 17:10:03 uur. Nadien is geen levensteken van [slachtoffer] meer ontvangen.
17:12:24 uur De Mercedes van de verdachte is ontgrendeld, maar het voertuig stond toen nog op dezelfde plek. Het portier linksvoor is geopend in de tijdspanne van 17:11:47 tot 17:12:36.
17:12:36 uur Was de Mercedes van de verdachte 86 meter verwijderd van die parkeerplek.
17:13 uur Op camerabeelden van Endemol Shine is te zien dat een zilverkleurige Mercedes met opvallend donkere velgen en een strip ter hoogte van de wielophanging reed over de Holterbergweg, komend uit de richting van de Buitensingel en gaand in de richting van de Burgemeester Stramanweg.
17:15:36 uur De getuige [betrokkene 5] heeft het alarmnummer 112 gebeld vanaf het parkeerterrein bij tuinpark Nieuw Vredelust aan de Buitensingel 4 in Amsterdam-Duivendrecht.
Tijdens dit telefoongesprek meldde [betrokkene 5] dat hij daar iemand in een auto zag zitten met een zeer bebloed gezicht, met zijn hoofd helemaal opzij gevallen. De getuige toeterde volop, maar de man reageerde niet. [betrokkene 5] is op verzoek van het operationeel centrum naar die auto gelopen en heeft op het raampje getikt. [betrokkene 5] zei dat hij net auto’s had zien wegrijden en dat hij dacht dat het slechte boel was. Hij zag dat er een kind achterin de auto zat. Het kind reageerde wel. Desgevraagd heeft [betrokkene 5] het merk en kenteken van de auto doorgegeven.
De getuige meldde eveneens dat hij na zijn aankomst op het parkeerterrein twee auto’s had zien wegrijden, beide van het merk Mercedes, waarvan één met een taxi nummerbord: een blauw kenteken. Hij is er nog heel even achteraan gereden, maar ze reden zo snel dat hij ze meteen kwijt was.
De andere Mercedes was erg opvallend omdat het een witte Mercedes was met grijs aan de zijkanten; deze auto was een beetje racerig gemaakt.
De verdachte stuurde om 17:17 uur naar het telefoonnummer van [slachtoffer] een audiobericht, waarbij de telefoon van de verdachte de zendmast aan de Burgemeester Stramanweg 107 aanstraalde. Uit de ritgegevens afkomstig van het computersysteem van de Mercedes van de verdachte komt naar voren dat hij vanaf de Buitensingel is gereden naar het adres van zijn vrouw [betrokkene 3] aan [d-straat] in [plaats] . De verdachte was om 17:38 uur met de Mercedes bij [d-straat] in [plaats] .
Op 2 oktober 2019 hebben verbalisanten de verdachte bezocht in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] . Hem werd gevraagd de rode jas, die hij op 1 oktober 2019 had gedragen tijdens het tanken bij de Makro, over te dragen om deze te onderzoeken. Hierop overhandigde hij de jas, die werd inbeslaggenomen en voorzien van goednummer 5815744. De Mercedes met het kenteken [kenteken 2] werd eveneens in beslag genomen en onderzocht.
7.2.2. Bewijsoverwegingen
De kernvraag in deze zaak luidt wie het pistoolschot heeft gelost waardoor [slachtoffer] om het leven is gekomen, in het tijdsbestek tussen de beëindiging van het gesprek met zijn moeder via Facebook Messenger om 17:10:03 uur (hierna te noemen: het laatste telefoongesprek) en hij dus nog in leven was, en het tijdstip waarop de getuige [betrokkene 5] het slachtoffer levenloos achter het stuur van zijn Volkswagen Golf heeft aangetroffen.
[benadeelde 4] heeft verklaard dat haar zoon [slachtoffer] haar tijdens het laatste telefoongesprek zei dat de verdachte bij hem in de auto zat.
Het hof stelt op grond van de gegevens in de navigatiecomputer van de Mercedes van de verdachte vast dat hij met die auto omstreeks 17:12 uur (met een marge van enkele seconden) vanaf de parkeerplaats is vertrokken.
Deze vaststelling wordt ondersteund door de camerabeelden van Endemol Shine waarop te zien is dat een zilverkleurige Mercedes met opvallend donkere velgen en een strip ter hoogte van de wielophanging om 17:13:13 uur op de Holterbergweg reed, komend uit de richting van de Buitensingel en gaand in de richting van de Burgemeester Stramanweg. De Mercedes van de verdachte had diezelfde kenmerken. De Holterbergweg is bereikbaar vanaf de Buitensingel.
De verdachte heeft verklaard dat hij op de parkeerplaats bij [slachtoffer] in diens auto op de bijrijdersstoel had gezeten, dat zij daar aldus enige tijd met elkaar hadden gesproken; dat hij vervolgens uit de auto van [slachtoffer] is gestapt, naar zijn Mercedes is gelopen en is weggereden.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat de verdachte dus omstreeks twee minuten na de beëindiging van het laatste telefoongesprek van [slachtoffer] met zijn Mercedes van de parkeerplaats naast de auto van [slachtoffer] is weggereden.
[betrokkene 5] heeft diezelfde dag en op 10 oktober 2019 als getuige onder meer nog het volgende verklaard:
Hij parkeerde zijn auto praktisch elke dag bij Nieuw Vredelust in Duivendrecht.
Hij is die dag in een soort u-bocht de parkeerplaats opgereden om zijn auto zodanig te positioneren dat hij de volgende dag zo zou kunnen wegrijden. Voordat hij die bocht kon maken, zag hij daar de genoemde witte Mercedes. Deze viel hem op: de mensen met een tuinhuisje parkeren hun auto normaal gesproken niet achter in de hoek bij de bomen als er voldoende plek is. Hij liet deze Mercedes voorgaan om zodoende naar zijn parkeerplaats te gaan. Terwijl hij aan het wachten was, keek hij naar links en zag een witte Volkswagen staan, waarvan de bestuurder met zijn hoofd tegen de zijruit van de bestuurderskant lag. Er liep een klein straaltje bloed langs de zijkant van zijn gezicht. De witte Mercedes reed op een normale manier het parkeerterrein af. Op dat moment zag [betrokkene 5] rechts ook een Mercedes taxi wegrijden. Deze was zwart of donkergrijs van kleur en had blauwe kentekenplaten. De auto’s reden tegelijkertijd weg. Hij reed er tot de hoek achteraan, maar toen waren ze al weg. Hij zag dat de taxi linksaf sloeg, de Buitensingel op en dat de andere auto, de witte Mercedes, twee keer rechtsaf sloeg en in de richting van de Arena is gereden. [betrokkene 5] verklaarde tevens dat hij geen schoten had gehoord en dat er buiten de taxi en de Mercedes niemand is weggegaan of gekomen.
De verdachte heeft verklaard dat hij een donkerblauwe Mercedes E klasse met blauwe kentekenplaten, heeft gezien toen hij wegreed van de parkeerplaats. Hij zag dat deze voor hem draaide. Daarbij reed die auto voor hem naar de grote weg.
De getuige [betrokkene 7] bevond zich op 1 oktober 2019 in een auto op het doodlopende stuk van de Buitensingel. Hij heeft een zwarte taxi over de parkeerplaats zien rijden, die vervolgens wegreed.
Na onderzoek bij TCA bleek dat op 1 oktober 2019 tussen 17:10 uur en 17:16 uur één taxi van TCA op de Buitensingel was geweest. Het betrof TCA taxi [001] ; een zwarte Mercedes met kenteken [kenteken 4] en de bestuurder was [betrokkene 6] .
[betrokkene 6] heeft telefonisch als getuige verklaard dat hij de auto die dag naar de garage had gebracht vanwege een geluid bij de schokdemper. Daarna is hij op de Buitensingel een rondje gaan rijden om het geluid te testen. Hij heeft daar geen andere taxi’s of iets opvallends gezien.
Het hof stelt vast dat [betrokkene 5] om 17:15:36 uur naar 112 heeft gebeld en kan op grond van de voorhanden zijnde informatie niet met voldoende zekerheid vaststellen hoe laat [betrokkene 5] op de parkeerplaats is komen aanrijden.
Het hof acht het voor de beantwoording van de kernvraag niet van belang dit tijdstip exact te kunnen bepalen, mede omdat ervan kan worden uitgegaan dat de verdachte ongeveer drie minuten voorafgaand aan de 112 melding is weggereden én een en ander in samenhang moet worden bezien met de hierna te vermelden feiten en omstandigheden, waaronder het forensisch bewijs. Uit de aangehaalde getuigenverklaring van [betrokkene 5] blijkt welke handelingen hij op en nabij de plaats delict achtereenvolgens heeft verricht tussen het moment waarop hij de lichtgekleurde Mercedes voorrang verleende en tegelijkertijd het slachtoffer bewegingloos in diens auto zag zitten alvorens 112 te bellen.
[betrokkene 5] kwam met zijn auto aan op de parkeerplaats; wachtte om een witte/lichtkleurige Mercedes voor te laten gaan en terwijl hij wachtte zag hij het slachtoffer in diens auto. [betrokkene 5] zag de witte Mercedes en een donkere taxi het parkeerterrein afrijden en is deze auto’s even achterna gereden. Hij verloor de auto’s uit het zicht, is met zijn auto omgekeerd en is teruggereden naar de plek waar hij de Volkswagen Golf had zien staan. Hij heeft zijn auto daar geparkeerd en heeft getoeterd om te zien of er een reactie van de man in de Volkswagen kwam. Toen dat niet het geval was heeft hij tenslotte 112 gebeld.
Het hof stelt vast dat met deze handelingen van [betrokkene 5] minst genomen enige minuten gemoeid geweest moeten zijn en dat hij bij aanvang van dit tijdsbestek dus op de plaats delict moet zijn gearriveerd.
Het hof merkt hierbij op dat de stopwatchmethode van de raadsman geen soelaas kan bieden voor het vaststellen van de tijd die met deze handelingen van [betrokkene 5] werkelijk gemoeid is geweest. De tijd die verstrijkt met het opnoemen van de verrichte handelingen, zoals de raadsman tijdens zijn pleidooi heeft gedaan, komt niet overeen met de tijd die feitelijk nodig moet zijn geweest voor het verrichten van die handelingen.
Het hof acht verder op dit onderdeel relevant dat de enige manier waarop auto’s de parkeerplaats konden verlaten was via de uitgang aan de Buitensingel; dat de getuige [betrokkene 5] behalve de lichtgekleurde Mercedes en de donkere taxi geen auto of andere personen ter plaatse heeft gezien en dat hij heeft geen schot gehoord.
7.2.3. Tussenconclusies
Het hof komt op grond van het voorgaande tot de volgende tussenconclusies.
[slachtoffer] was om 17:10:03 uur nog in leven, toen zijn laatste telefoongesprek werd beëindigd. De verdachte is uit de Volkswagen gestapt en naar zijn auto gelopen, waarvan het computersysteem in het tijdsbestek vanaf 17:11:47 uur activiteiten aangaf. Uit de analyse van de gegevens uit het navigatiesysteem van de auto van de verdachte is gebleken dat om 17:12:24 uur 0 meter was gereden. De auto van de verdachte was om 17:12:36 uur 86 meter verwijderd van die parkeerplek. Hieruit volgt dat de verdachte direct na 17:12:24 uur vanaf de parkeerplaats is weggereden. De verdachte is dus vanaf het einde van het laatste telefoongesprek van [slachtoffer] nog twee minuten ter plaatse geweest.
[betrokkene 5] is enkele minuten voorafgaand aan zijn 112 melding om 17:15:36 uur, ter plaatse gekomen en heeft op dat moment een lichtgekleurde Mercedes zien wegrijden, terwijl hij [slachtoffer] bloedend in diens auto zag. De door [betrokkene 5] genoemde specifieke kenmerken van die Mercedes komen in grote lijnen overeen met die van de auto van de verdachte.
Gezien het zeer korte tijdsbestek waarin genoemde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en bij het ontbreken van enig concreet aanknopingspunt in het dossier, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat [betrokkene 5] de verdachte in zijn Mercedes heeft zien wegrijden, nagenoeg op hetzelfde moment waarop hij zag dat het slachtoffer reeds beschoten was.
Het hof beoordeelt dit als zeer sterke aanwijzingen voor de conclusie dat de verdachte het slachtoffer (in genoemd tijdsbestek van twee minuten) kan hebben doodgeschoten, waarna hij het wapen met de wijsvinger op de trekker in diens hand kan hebben gelegd, uit de Volkswagen kan zijn gestapt en in zijn eigen auto kan zijn weggereden.
7.3. Forensisch bewijs
7.3.1. Het wapen
Het vuurwapen dat in de hand van het slachtoffer is aangetroffen, is onderzocht. Toen het wapen werd aangetroffen, stond de slede half open met hierin een zichtbare koperen huls, waardoor het leek alsof het vuurwapen een storing had. Deze huls en de kogel die in de schedel van het slachtoffer is aangetroffen, zijn ook onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van W. Kerkhof, wapen- en munitiedeskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 30 maart 2020.
In dit rapport heeft de deskundige geconcludeerd dat de resultaten van het vergelijkend kogel- en hulsonderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer de kogel en de huls zijn verschoten met het aangetroffen vuurwapen dan met een ander vuurwapen.
Het vuurwapen heeft de uiterlijke kenmerken en de opschriften van een semi automatisch werkend pistool van het merk Beretta. Uit technisch onderzoek aan het pistool bleek dat het wijzigingen had ondergaan aan de loop, de slede en de kast. Het vuurwapen geeft een beeld van een gedeactiveerd wapen dat vervolgens gedeeltelijk is gereactiveerd, met de kennelijke bedoeling het wapen weer schietklaar te maken.
Tijdens onderzoek door middel van proefschieten bleek dat de patronen niet vanuit het magazijn in de kamer van de loop werden gevoerd, als werd geprobeerd om het pistool op de normale manier door te laden. Met de hand kan een patroon in de kamer worden gevoerd dat kan worden verschoten. Bij het proefschieten werd slechts één keer een huls uitgeworpen. Na de andere 36 schoten werd de huls niet uitgeworpen, waardoor een aantal handelingen moest worden verricht voor het lossen van een tweede schot. In de huidige staat functioneert het pistool derhalve feitelijk bijna als een enkelschots wapen.
In het proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2022 is geverbaliseerd dat de dummypatroon in het wapen vast zat in de kamer op de plek waar gefreesd was, bij de grens tussen de patroonruimte naar de kamer. Een paperclip is gebruikt om de dummypatroon omhoog te duwen zodat deze de kamer verliet. Een nieuw dummypatroon is middels de paperclip in de kamer geplaatst. In het verhoor van de verdachte van 1 april 2020 heeft de forensisch expert toegelicht dat het patroon omhoog moet worden gewipt om in de kamer te komen, waarna één kogel met het wapen kan worden afgevuurd. Automatisch doorladen lukt niet.
7.3.2. De kogel en de schootsafstand
In het rapport van 8 mei 2020 heeft het NFI geconcludeerd dat de bevindingen van het schootsafstandenonderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de schootsafstand kleiner is dan 2,5 centimeter, dan wanneer de schootsafstand groter is dan 2,5 centimeter.
7.3.3. De huls, de jas en de auto van de verdachte
Bij het verschieten van een patroon met een vuurwapen komen deeltjes vrij die worden aangeduid als schotresten. De rode jas die de verdachte op 1 oktober 2019 droeg en die de volgende dag in beslag is genomen, is bemonsterd aan de buiten- en de binnenkant van de mouwen en de zakken en onderzocht op de aanwezigheid van schotresten. Op 2 oktober 2019 is ook de auto van de verdachte aan de bestuurderskant bemonsterd en onderzocht op schotresten. Uit de huls in de kamer van het vuurwapen zijn schotresten veilig gesteld en onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 19 november 2019 en 8 mei 2020 van A. Knijnenberg, schotrestendeskundige bij het NFI. De deskundige komt tot de conclusie dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer in de bemonsteringen van de jas en de auto schotresten aanwezig zijn dan wanneer géén schotresten aanwezig zijn.
Het NFI heeft de schotresten uit de huls vergeleken met de schotresten van de jas en de auto. De overeenkomsten en verschillen in de deeltjes van de jas en de huls onderscheidenlijk de auto en de huls passen bij de hypothese dat de schotresten op de jas en in de auto afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen huls. De overeenkomsten en verschillen passen ook bij de hypothese dat de schotresten op de jas en in de auto afkomstig zijn van het verschieten van een willekeurige andere huls, maar die kans is iets kleiner. Het is iets waarschijnlijker dat het waar is dat de schotresten op de jas en in de auto afkomstig zijn van het verschieten van de aangetroffen huls dan van het verschieten van een willekeurige andere huls.
De jas van de verdachte is tevens onderworpen aan een bloedspoorpatroononderzoek. Uit het rapport van 24 maart 2020 van een deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek van het NFI, M.J. van der Scheer, blijkt dat op de jas geen bloedsporen zijn aangetroffen. De deskundige schrijft verder, dat het al dan niet aantreffen van bloedsporen op een schutter afhankelijk is van verschillende factoren en dat de afwezigheid van bloedsporen niet betekent dat de persoon het vuurwapen niet afgevuurd kan hebben.
7.3.4. DNA-onderzoek
Een deskundige forensisch onderzoek DNA en biologische sporen van het NFI, P.A. Maaskant-van Wijk, heeft onderzoek gedaan naar DNA-sporen die zijn aangetroffen op het vuurwapen te weten: op de slede (AAMC4989NL#01), onder de greepplaten na loshalen van de greepplaten (AAMR9891NL#01), op de loop voorzijde/binnenzijde (AAMC4986NL#01) en aan de binnen -en buitenkant van de loop (AAMR9892NL#01). De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van 28 oktober, 12 en 26 november 2019.
Uit dit onderzoek blijkt dat in de bemonsteringen van de slede en onder de greepplaten/kolfplaten van het vuurwapen DNA is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De resultaten van dit onderzoek zijn meer dan een miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonsteringen op de slede en onder de greepplaten DNA bevatten van onderscheidenlijk de verdachte en (een) willekeurige onbekende perso(o)n(en) dan als zij slechts DNA bevatten van willekeurige personen. Geen aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van DNA van het slachtoffer in deze bemonsteringen. De DNA-sporen op de loop voorzijde/binnenzijde en aan de binnen- en buitenkant van de loop van het vuurwapen kunnen afkomstig zijn van het slachtoffer.
Tussenconclusie hof
Op basis van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat:
- het slachtoffer is dood geschoten met het vuurwapen dat bij hem is aangetroffen,
- met dit vuurwapen in de aangetroffen staat slechts bij hoge uitzondering meer dan één kogel achter elkaar kon worden afgeschoten zonder dat het tussen deze schoten met de hand werd geladen,
- DNA van de verdachte werd aangetroffen op de slede en onder de greepplaten van het vuurwapen,
- de DNA-sporen op en in de loop van het vuurwapen afkomstig zijn van het slachtoffer,
- schotresten aanwezig waren op de jas van de verdachte en in diens auto.
7.3.5. DNA-onderzoek op activiteitenniveau
Het NFI heeft op activiteitenniveau onderzoek gedaan naar de DNA-sporen die zijn aangetroffen op de slede en onder de greepplaten. Daartoe zijn de bevindingen van het DNA-onderzoek geëvalueerd op activiteitenniveau onder hypothesen 1, 2 en 3 en aannamesets 1 tot en met 5. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van B. Kokshoorn, deskundige bij het NFI, van 16 april 2021.
Dit onderzoek is uitgevoerd onder de volgende hypothesen en aannamen:
Hypothese 1: de verdachte heeft op het slachtoffer geschoten. De verdachte heeft het wapen daarna in de hand van het slachtoffer geplaatst.
Hypothese 2: een ander dan de verdachte heeft op het slachtoffer geschoten. De onbekende schutter heeft het wapen daarna in de hand van het slachtoffer geplaatst. De verdachte was op dat moment niet in de Volkswagen Golf van het slachtoffer aanwezig.
Hypothese 3: het slachtoffer heeft zichzelf beschoten. De verdachte was op dat moment niet in de Volkswagen Golf van het slachtoffer aanwezig.
Aannamen:
1. Het DNA in de bemonsteringen van de onderzochte voorwerpen is daadwerkelijk afkomstig van personen die door middel van het DNA-onderzoek daaraan zijn gekoppeld.
2. Het vuurwapen is niet schoongemaakt voordat het in de hand van het slachtoffer is geplaatst (hypothese 1 en 2).
3. Het vuurwapen was voorafgaand aan het schietincident in bezit van degene die heeft geschoten (dat wil zeggen, in bezit van de verdachte onder hypothese 1, in bezit van een onbekende dader onder hypothese 2 en in bezit van het slachtoffer onder hypothese 3).
4. Er is nagenoeg geen tijd verstreken tussen het eerste moment van vastpakken van het wapen door de schutter tot het afschieten ervan. In die tijd is er niet met het wapen gemanipuleerd (zoals plaatsen of verwijderen van de patroonhouder). Na afloop is de patroonhouder verwijderd maar niet teruggeplaatst (het wapen is zonder patroonhouder aangetroffen).
5. Bij het schietincident zijn geen handschoenen gedragen door de persoon die heeft geschoten.
In het rapport van 2 juni 2021 heeft de deskundige op een vraag van de verdediging uitgelegd dat met ‘bezit’ in aanname 3 wordt bedoeld dat de persoon die het wapen heeft meegenomen naar de plaats delict het wapen daaraan voorafgaand meermaals heeft gehanteerd/gebruikt.
Ten aanzien van hypothese 1 (de verdachte was de schutter en in bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft de verdachte het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op het slachtoffer geschoten. De kans om onder deze hypothese in een bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het wapen DNA van de verdachte en een of meer onbekende personen aan te treffen is onderscheidenlijk zeer groot en groot.
Ten aanzien van hypothese 2 (een onbekende was de schutter en in het bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft een onbekende persoon (iemand anders dan de verdachte of het slachtoffer) het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op het slachtoffer geschoten. De verdachte heeft op enig eerder moment het vuurwapen vastgehouden en ermee geschoten. De kans om onder deze hypothese in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten DNA van de verdachte, en een of meer onbekende personen aan te treffen is onderscheidenlijk klein en zeer klein.
Ten aanzien van hypothese 3 (het slachtoffer was de schutter en in het bezit van het vuurwapen)
Onder deze hypothese heeft het slachtoffer het wapen enige tijd in bezit gehad en in het voertuig op zichzelf geschoten. De verdachte heeft op enig eerder moment met het vuurwapen geschoten. De kans om onder deze hypothese geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten is klein.
De kans om onder deze hypothese in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten DNA van de verdachte en een of meer onbekende personen aan te treffen is onderscheidenlijk betrekkelijk groot en klein.
Deskundige Kokshoorn heeft geconcludeerd dat gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie de onderzoeksresultaten:
het iets waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 2 waar is,
het veel waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 3 waar is
en het waarschijnlijker is wanneer hypothese 2 waar is dan wanneer hypothese 3 waar is.
Wanneer wordt aangenomen dat het slachtoffer onder hypothese 1, 2 en 3 in bezit van het vuurwapen was, is het gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie ongeveer even waarschijnlijk wanneer hypothese 1 waar is als wanneer hypothese 2 waar is, iets waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is dan wanneer hypothese 3 waar is en iets waarschijnlijker wanneer hypothese 2 waar is dan wanneer hypothese 3 waar is.
Naar aanleiding van vragen van de verdediging heeft de deskundige in een schrijven van 2 juni 2021 op het bovenstaande nog enige, toelichting gegeven en daarbij het volgende medegedeeld. Enerzijds blijkt uit een studie dat de kans groot is om aan de binnenzijde (onder de kolfplaten) van een wapen DNA aan te treffen van de persoon die het wapen eerder enige tijd in bezit heeft gehad nadat een ander er eenmalig mee heeft geschoten. Anderzijds is de kans klein dat op die plek het DNA van de schutter wordt aangetroffen als deze een wapen slechts eenmalig heeft gebruikt.
Conclusies hof DNA-onderzoek op activiteitenniveau
Het hof leidt uit het onderzoek van het NFI allereerst af dat de kans klein is dat het slachtoffer het wapen heeft afgevuurd terwijl hij daarvoor enige tijd in bezit van het vuurwapen is geweest.
Daarnaast leidt het hof uit het onderzoek en de bijbehorende toelichting af dat een grote kans zou hebben bestaan dat DNA van het slachtoffer zou zijn aangetroffen op de binnenzijde (onder de kolfplaten) van het wapen als hij dat wapen enige tijd in zijn bezit zou hebben gehad. Dit (gedeelte van een) scenario is in de hierboven genoemde stukken niet separaat besproken, maar kan naar het oordeel van het hof wel uit de samenhang van de hierboven aangehaalde conclusies en toelichting worden afgeleid. Uit de toelichting van 2 juni 2021 blijkt immers dat voor het aantreffen van het DNA op die plek het bezit (in tegenstelling tot het schieten) van doorslaggevend belang is, hetgeen overigens ook logisch lijkt. Bovendien blijkt uit de toelichting dat de kans groot is dat DNA van de ‘bezitter’ wordt aangetroffen aan de binnenzijde van het wapen, zelfs als dat wapen naderhand nog door een ander is gebruikt.
7.3.6. Bespreking van verweren ten aanzien van het forensisch bewijs
Verweer van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd over de juistheid van de resultaten van het forensisch onderzoek. Wel heeft de verdediging bepleit dat de resultaten van het forensisch onderzoek passen bij de verklaringen van de verdachte zodat aan de resultaten niet de conclusies kunnen worden verbonden die het openbaar ministerie er aan verbindt.
Allereerst heeft de verdediging betoogd dat, nu geen bloedsporen van het slachtoffer op de jas van de verdachte zijn aangetroffen, de kans kleiner is dat de verdachte het slachtoffer van dichtbij zou hebben doodgeschoten. Als hij dat wel gedaan had, waarbij men rekening houdt met de bepaalde schootsafstand van minder dan 2,5 centimeter, zou je verwachten dat bloed van het slachtoffer op of in de mouw van zijn jas was aangetroffen.
Het hof verbindt aan de stelling van de verdediging niet de door haar gewenste conclusies. Zoals hiervoor reeds is weergegeven, heeft het NFI geconcludeerd dat de afwezigheid van bloedsporen niet betekent dat de persoon het vuurwapen niet afgevuurd kan hebben. Hoe groot de kans is dat op de schutter bloedsporen worden aangetroffen bij een dergelijke kleine schootafstand, is niet nader uitgewerkt.
De verdachte heeft bij de rechter-commissaris, de politie en in hoger beroep met betrekking tot de schotresten op/in zijn jas en in zijn auto en zijn DNA op het vuurwapen verklaringen afgelegd. In de kern komen deze verklaringen erop neer dat de schotresten op/in de jas en in zijn auto en het DNA van de verdachte op de slede en onder de greepplaten van het vuurwapen kunnen worden verklaard omdat de verdachte en het slachtoffer in september 2019 met het vuurwapen hebben proef geschoten. De verdachte droeg tijdens het proefschieten de rode jas en nadien heeft hij met die jas in zijn Mercedes gezeten.
Op 25 november 2019 bij de rechter-commissaris en op 3 december 2019 bij de politie heeft de verdachte het volgende verklaard. Het slachtoffer bewoonde een woning in onderhuur op het adres [c-straat 1] in [plaats] . Toen het slachtoffer daar weg wilde, deed de onderverhuurder moeilijk en wilde geld van het slachtoffer. Het slachtoffer voelde zich bedreigd en vroeg de verdachte of hij aan een wapen kon komen waarop de verdachte antwoordde dat hij niet wist hoe hij aan een wapen kon komen. De verdachte heeft nog aan iemand gevraagd of hij aan een wapen kon komen. De verdachte wilde de naam van die persoon niet noemen.
Ongeveer drie weken voor zijn dood liet het slachtoffer de verdachte een wapen zien en zei hem dat hij daar via een klant aan was gekomen. De verdachte en het slachtoffer zijn vervolgens in de auto van het slachtoffer naar een plek achter McDonalds in West bij de Aker (het hof begrijpt: de Etnastraat) gereden en hebben naar het wapen gekeken. Ze hebben niet geschoten want het wapen deed het niet; het ding bovenop het pistool (het hof begrijpt: de slede) kon niet naar achteren worden getrokken. Het slachtoffer zou het wapen teruggeven. Twee tot drie dagen later werd de verdachte gebeld door het slachtoffer; hij wist nu hoe het wapen werkte: ze hadden het niet goed gedaan. De verdachte en het slachtoffer zijn met de auto van het slachtoffer naar dezelfde plek achter McDonalds gereden om het wapen te proberen. De kogels zaten in het wapen. Het slachtoffer heeft in de auto een paar keer de slede naar achteren getrokken, de verdachte heeft de slede niet naar achteren gedaan. De verdachte heeft twee keer geschoten, het slachtoffer drie a vier keer. Het ging beide keren bij de Aker om hetzelfde vuurwapen. De verdachte kon de politie de plek aanwijzen waar zij hadden geschoten, de hulzen moesten er nog liggen. De verdachte heeft de in beslag genomen en onderzochte rode jas op 1 oktober 2019 gedragen. In september 2019 heeft de verdachte de jas vaak gedragen.
Op 1 april 2020 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat bij de tweede keer bij de Aker tijdens het proefschieten achter elkaar is geschoten en dat er geen moment van doorladen is geweest.
Op 6 januari 2021 heeft de verdachte bij de politie verklaard dat hij voor het slachtoffer bij [betrokkene 8] en [betrokkene 10] heeft geïnformeerd naar een wapen.
Oordeel van het hof
Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat het slachtoffer in het bezit was van het vuurwapen dat in zijn auto is aangetroffen en dat het slachtoffer en de verdachte daarmee gezamenlijk hebben proef geschoten niet geloofwaardig en overweegt in dit verband het volgende.
In het dossier is er geen enkele objectieve aanwijzing dat het slachtoffer het vuurwapen heeft aangeschaft. Weliswaar heeft de partner van de verdachte verklaard dat de verdachte haar enkele weken voor zijn aanhouding heeft gezegd dat het slachtoffer een wapen wilde aanschaffen, maar het hof verbindt aan deze verklaring niet de door de verdediging gewenste waarde, omdat de verdachte zelf de bron was van deze informatie en geen ander bewijs voorhanden is. De echtgenote van het slachtoffer heeft verklaard dat haar man nooit een wapen heeft gehad en niet vreesde voor zijn leven. Van een conflict met de onderverhuurder van de woning aan [c-straat 1] , dat de verdachte als reden voor de aanschaf van het wapen heeft opgegeven, was in elk geval in september 2019 (al maanden) geen sprake meer. Volgens de echtgenote van het slachtoffer was hij niet bang voor de onderhuurder en was na een betaalde factuur voor de verwarming de onderlinge verstandhouding goed.
De verklaring van de verdachte dat hij bij [betrokkene 8] en [betrokkene 10] naar een vuurwapen voor het slachtoffer heeft gevraagd, is door deze getuigen niet bevestigd. Het DNA van het slachtoffer is, anders dan op/in de loop hetgeen verklaarbaar is omdat het slachtoffer op korte afstand in het hoofd is geschoten, niet op het vuurwapen aangetroffen.
Het hof acht bovendien onaannemelijk dat de verdachte en het slachtoffer gezamenlijk met het vuurwapen hebben proef geschoten. Allereerst overweegt het hof dat de verdachte, na zijn eerdere bewering dat hij in geen tien jaar een vuurwapen had vastgehouden, hierover pas heeft verklaard nadat de politie hem had medegedeeld dat zijn DNA op het wapen was aangetroffen. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen hierover. Daarnaast is uit onderzoek aan het vuurwapen gebleken dat het wapen feitelijk functioneerde als een enkelschots wapen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het proefschieten meermalen achter elkaar heeft geschoten zonder door te laden. Bovendien is onder de hypothese dat het slachtoffer het vuurwapen enige tijd in zijn bezit heeft gehad, de kans om géén DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering onder de kolfplaten klein gebleken. Tot slot betrekt het hof hierbij dat de politie op de door de verdachte aangewezen plek als locatie van het proefschieten met behulp van metaaldetectors naar de uitgeworpen hulzen heeft gezocht, hetgeen geen resultaat heeft opgeleverd.
Anders dan de verdediging stelt is de omstandigheid dat de Mercedes van de verdachte op 22 september 2019 twee keer op de door de verdachte als proefschietlocatie aangemerkte plek is geweest niet aan te merken als steunbewijs voor de stelling van de verdachte, reeds omdat hij heeft verklaard dat zij beide keren met de auto van het slachtoffer naar de locatie van het proefschieten zijn gereden.
Bovendien bevindt zich in de buurt van die plek een McDonalds en woont de verdachte daar niet ver vandaan, zodat het zeer goed mogelijk is dat hij om een andere reden naar deze plek is gereden. Het hof acht de verklaring van de verdachte voor de schotresten op en in zijn jas, de schotresten in zijn auto, het DNA op de slede van het wapen en het DNA aan de binnenzijde van de kolfplaten niet aannemelijk.
7.4. Tussenconclusies: combinatie van de bevindingen uit de tijdlijn en het forensisch onderzoek
Uit de waarnemingen van getuigen in combinatie met objectieve gegevens over de plaatsbepaling van de verdachte en het slachtoffer volgen sterke aanwijzingen dat de verdachte degene is geweest die in de auto zat toen het slachtoffer om het leven kwam en dat hij degene is geweest die het slachtoffer heeft gedood door met een vuurwapen van dichtbij een kogel in diens hoofd te schieten. Deze sterke aanwijzingen worden bevestigd door het aantreffen van schotresten op en in de jas en in de auto van de verdachte en door het aantreffen van DNA van de verdachte op de slede en onder de greepplaten van het vuurwapen en in samenhang met de besproken conclusies van de deskundigen.
7.5 Alternatieve scenario’s
De verdediging heeft aangevoerd dat in het dossier diverse contra-indicaties aanwezig zijn die er op wijzen dat de verdachte niet de schutter is geweest. Zo is niet gebleken van enig motief, nu de verklaringen die de vrouw van het slachtoffer, [benadeelde 1] , daarover heeft afgelegd onbetrouwbaar zijn en het bevreemdt dat op de jas van de verdachte geen bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen, terwijl het schot van een zeer kleine afstand gelost is. Verder zijn er elementen in de waarnemingen van de getuigen die vragen oproepen. De verdediging acht daarom aannemelijk dat [slachtoffer] op een andere wijze is omgekomen en heeft daartoe twee scenario’s aan het hof voorgelegd.
(…)
7.5.2. Zelfdoding
Hoewel de verdachte ter terechtzitting nog heeft verklaard dat hij niet kan uitsluiten dat [slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd, heeft de verdediging tijdens het pleidooi gesteld dat zij dit niet naar voren brengt als alternatief scenario.
Het hof noch de advocaat-generaal heeft aanknopingspunten gevonden voor een dergelijk scenario, zodat dit geen bespreking behoeft.
De verdediging heeft wel naar voren gebracht dat sprake kan zijn geweest van een ongeluk, waarbij het slachtoffer met het wapen, dat hij reeds enige tijd in zijn bezit had, zichzelf per ongeluk heeft doodgeschoten. Dit zou bijvoorbeeld hebben kunnen gebeuren omdat het slachtoffer aan het spelen was met het wapen.
In het dossier treft het hof geen onderzoeksresultaten aan die dit scenario ondersteunen, terwijl het dossier wel sterke contra-indicaties bevat. Allereerst heeft de deskundige van het NFI geconcludeerd dat in een dergelijk geval de kans klein zou zijn om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen. Daar komt nog bij dat zowel de verdachte als [betrokkene 5] hebben verklaard dat zij geen schot hebben gehoord, terwijl uit de waarnemingen van [betrokkene 5] volgt dat het slachtoffer al was beschoten voordat de verdachte de parkeerplaats verliet. Het hof acht dit scenario dan ook onaannemelijk.
7.6. Bewezenverklaring ter zake van doodslag en vrijspraak terzake van moord en medeplegen
Gelet op hetgeen het hof hierboven heeft overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 1 oktober 2019 in Duivendrecht [slachtoffer] door het hoofd heeft geschoten, waardoor deze is overleden. In navolging van de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier te weinig aanwijzingen bevat dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade en tezamen en in vereniging met een ander of anderen om het leven heeft gebracht. Het hof zal de verdachte daarom van deze onderdelen vrijspreken.
8. Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging
De verdediging heeft het hof verzocht een aantal nadere onderzoekshandelingen te (laten) verrichten indien de verdachte niet wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het hof zal deze verzoeken hieronder bespreken.
Het hof is niet gebleken van de noodzaak van nader onderzoek aan de Mercedes van de verdachte. De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat het hem niet is opgevallen dat de lichtgekleurde Mercedes die hij op de parkeerplaats liet voorgaan een AMG-geluid voortbracht. Zoals het hof hierboven reeds heeft overwogen, valt op grond van die verklaring echter niet vast te stellen of de auto die [betrokkene 5] heeft zien wegrijden dit typische AMG-geluid toen al dan niet heeft gemaakt. Het hof acht dit onderzoek derhalve niet noodzakelijk ter beantwoording van de vragen in de artikelen 348-350 Sv, zodat dit verzoek wordt afgewezen.”
3.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 hebben de raadslieden van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden voor zover van belang in:
“Ad B: Nu komt de verdediging toe aan de hoofdschotel van vandaag: namelijk het onderbouwd betwisten van de juistheid van de bewijsoverweging van de rechtbank en daarna het onderbouwen van de twee alternatieve scenario’s, die door de verdediging zijn aangevoerd, te weten: 1. een derde onbekende man/vrouw heeft [slachtoffer] doodgeschoten. Of 2. Zelfdoding van [slachtoffer] .
(…)
Scenario 2: Zelfdoding van [slachtoffer] . Dit scenario wordt gevoed door de verklaring van cliënt dat hij de kogels en de patroonhouder had meegenomen en er nog een kogel in het wapen was achtergebleven, welke uiteindelijk dodelijk was voor slachtoffer [slachtoffer] . Wellicht heeft [slachtoffer] zichzelf doodgeschoten, in der veronderstelling verkerend dat er zich geen kogels meer in het wapen bevonden. Deze zelfdoding kan bewust of onbewust gebeurd zijn. De schootsafstand van minder dan 2,5 cm past in dit scenario.
Persoonlijk verhaal Iman
Er is relevant en mijns inziens behoorlijk sterk steunbewijs voor de verklaring van [verdachte] dat [slachtoffer] hem had gevraagd om een wapen te regelen.
In haar verhoor d.d. 13 maart 2020 verklaart getuige [betrokkene 2] (vide pagina Z577) dat [verdachte] reeds geruime tijd voor de dood van [slachtoffer] aan haar had verteld dat [slachtoffer] had gevraagd of [verdachte] aan een wapen kon komen. Deze informatie heeft deze getuige al eerder met de politie gedeeld, namelijk in haar verhoor d.d. 10 december 2019 (vide pagina 434 PV). [slachtoffer] heeft tegen [verdachte] gezegd dat hij dit wapen voor zelfverdediging nodig had. [verdachte] zag dat [slachtoffer] gestrest was.
Deze getuige kan deze informatie niet achteraf van mijn cliënt hebben ontvangen, daar cliënt op het moment van deze verklaring in december nog in alle beperkingen zat. Deze getuigenverklaring wordt mijns inziens nog sterker nu getuige [betrokkene 2] dit nogmaals bevestigd heeft in haar tweede verhoor in maart 2020, terwijl ze in dit verhoor verklaart zich bedrogen te voelen door cliënt. [verdachte] heeft er namelijk meerdere vrouwen op nagehouden en is hier niet eerlijk over geweest.
Waarom zou zij dan nog een verhaal in stand houden als dit niet waar zou zijn. Als dat waar was geweest is de te verwachten reactie toch eerder: nu hij mij bedrogen heeft ga ik hem niet langer in bescherming nemen en ga ik geen voorgelogen berichten volhouden. Als het niet waar zou zijn, zou zij dit mijns inziens gezien die bijzonder gewijzigde omstandigheden hebben gemeld.
De optie van zelfdoding van [slachtoffer] , namelijk een ongeluk, is een plausibel alternatief scenario. En dan denk ik niet aan zelfmoord. Er zijn namelijk geen aanwijzingen in het dossier te vinden voor het plegen van zelfmoord door [slachtoffer] . Een zware contra indicatie voor zelfmoord is ook aanwezig. Het lijkt mij toch vrij onwaarschijnlijk dat iemand zelfmoord zou willen plegen in het bijzijn van zijn dochter van 14 maanden.
Maar zelfdoding als ongeluk daarentegen is zeer wel mogelijk: [slachtoffer] kan zichzelf per ongeluk doodgeschoten hebben.
Zowel cliënt als [slachtoffer] leefden in de veronderstelling dat door het wegnemen van dit magazijn en deze patronen er geen kogel meer kon worden afgevuurd met dit wapen. Maar er is gebleken dat er nog een patroon achtergebleven was in het wapen, namelijk in de kamer.
Een deskundige heeft ook bevestigd dat dit mogelijk is. In de rapportage van W. Kerkhoff van het NFI van 14 april 2020 is vastgesteld dat er zonder patroonhouder met dit wapen geschoten kan worden. Derhalve is het mogelijk dat na vertrek van cliënt, die de patroonhouder en patronen had meegenomen, het fatale schot nog kan zijn gelost.
Het zou mijns inziens dus zeer wel mogelijk zijn dat [slachtoffer] op deze wijze zichzelf per ongeluk heeft doodgeschoten.
Maar er is NFI rapportage opgemaakt waaruit blijkt dat er geen DNA van [slachtoffer] op het wapen zat, althans niet op de kolf of op de slede. Hoe is dit te rijmen?
Wat is de waarde van DNA-bewijs? Daar kun je wel je vraagtekens bij zetten als je de DNA-rapportages in deze zaak onder de loep neemt. Als het wapen niet in de hand van [slachtoffer] was aangetroffen, zou je op grond van de DNA-rapportages zeggen dat [slachtoffer] het wapen in ieder geval niet in zijn handen heeft gehad, want er bevindt zich geen DNA van [slachtoffer] op het wapen. Echter, niets is minder waar. Wij weten allemaal dat het wapen in de hand van [slachtoffer] is aangetroffen.
Maar wat staat er in het dossier: Het vuurwapen is in de hand van het slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen met de vinger op de trekker. Ik verwijs naar pagina Z19 alwaar de verbalisant [verbalisant] op 1 oktober 2019 heeft verklaard: “Toen ik naast de auto stond, ter hoogte van de man, zag ik dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen vast hield gelijkend op een Baretta model 81....Ik zag dat zijn Wijsvinger op de trekker zat ..... Terwijl ik over hem heen bukte heb ik zijn wijsvinger van de trekker gehaald waarna ik hem bij zijn pols heb gepakt en het vuurwapen uit zijn hand heb geschut.”
Hier lees ik dus dat de vinger om de trekker zat en het wapen uit de hand van [slachtoffer] , waar het in lag, is geschut, nadat de vinger van de trekker is gehaald.
Het feit dat er geen DNA van [slachtoffer] op het wapen is aangetroffen is dus moeilijk te rijmen met de feiten. Kennelijk is het toch mogelijk om een wapen vast te houden en de vinger op de trekker te hebben zonder dat er DNA van diegene wordt aangetroffen op dit wapen. Dan is het mijns inziens ook mogelijk, althans zeker niet uit te sluiten dat [slachtoffer] zichzelf heeft doodgeschoten met dit vuurwapen zonder DNA achter te laten.
Dit alternatieve scenario kan mijns inziens dan ook niet simpelweg worden weggewoven door erop te wijzen dat er geen DNA van het slachtoffer op het wapen is aangetroffen.
Het scenario van de zelfdoding zou mijns inziens middels eenvoudig onderzoek uitgesloten of bevestigd kunnen worden, ware het niet dat de VW Golf van het slachtoffer is teruggegeven aan de nabestaanden. Een onderzoek naar het bestaan van een schotrestenpatroon op de bijrijdersstoel zou hierover uitsluitsel kunnen geven.
- Als er schotresten op de bijrijdersstoel zouden worden aangetroffen is het zeer aannemelijk dat daar dus niemand heeft gezeten ten tijde van het afvuren van het wapen.
- Als er geen schotresten worden gevonden op de bijrijdersstoel betekent dit dat daar zeer waarschijnlijk wel iemand heeft gezeten. Dit onderzoek is echter niet uitgevoerd door de politie en de verdediging kon dit onderzoek niet meer uit laten voeren omdat de auto teruggeven was.
Uiteindelijk is er door het NFI na al het onderzoek op bronniveau een evaluatie gemaakt van de resultaten van biologische sporen en DNA-onderzoek. Dit heeft geresulteerd in het rapport op activiteitenniveau van 16 april 2021.
NFI rapportage op activiteitenniveau:
De verdediging heeft voordat dit rapport tot stand is gekomen bezwaren gemaakt tegen bepaalde aannames en omschrijvingen van de feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van dit rapport van het NFI van 16 april 2021 heeft de verdediging nog de nodige vragen gesteld, die zijn beantwoord door het NFI.
Uiteindelijk heeft de verdediging ook de piekenprofielen ingezien. Dit heeft nog vragen en mogelijk nieuwe onderzoekswensen opgeleverd, maar de verdediging heeft besloten om de inhoudelijke behandeling door te laten gaan.
Als ik de conclusies van Kokshoorn met betrekking tot de 3 hypothesen (6.2, pagina 6/7) goed lees dan haal ik hier het volgende uit:
Kokshoorn acht de hypothese 1, dat cliënt op [slachtoffer] heeft geschoten, iets waarschijnlijker dan hypothese 2, dat een onbekende derde op [slachtoffer] heeft geschoten. Het oordeel iets waarschijnlijker heeft gezien de tabel op pagina 7 op zichzelf nauwelijks bewijskracht (2-10). Zoals is aangegeven geeft deze conclusie niet de kans weer welke hypothese waar is. Dat hangt af van het overige bewijs.
Kokshoorn acht hypothese 1, dat cliënt op [slachtoffer] heeft geschoten, veel waarschijnlijker dan hypothese 3, dat [slachtoffer] zichzelf heeft beschoten. Bewijskracht 100-10.000. Dat is een veel sterkere bewijskracht, maar ook niet heel krachtig vergeleken met de bewijskracht die wij meestal zien bij DNA bewijs.
Kokshoorn concludeert vervolgens dat hypothese 2, dat een derde op [slachtoffer] heeft geschoten, waarschijnlijker dan hypothese 3, dat [slachtoffer] zichzelf heeft beschoten. Dit heeft bewijskracht 10- 100.
Kokshoorn heeft vervolgens de conclusies aangepast naar aanleiding van bezwaren van de verdediging met betrekking tot de gestelde aannames: als men uitgaat van de aanname dat het wapen in bezit was van [slachtoffer] veranderen de conclusies:
- Veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1, cliënt heeft geschoten, waar is, dan hypothese 2 (derde) en 3 ( [slachtoffer] ) waar is.
- Iets waarschijnlijker wanneer hypothese 2 (derde) waar is dan hypothese 3 ( [slachtoffer] zelf) waar is.
Naar aanleiding van een volgend bezwaar van de verdediging naar aanleiding van de gestelde aannames concludeert Kokshoorn:
Wanneer wordt aangenomen dat ook onder hypothese 1 (cliënt is de schutter) [slachtoffer] in het bezit van het wapen was dan moeten de conclusies verder aangepast worden:
Ongeveer even waarschijnlijk wanneer hypothese 1 (cliënt schutter) waar is als wanneer hypothese 2 (derde schutter) waar is. Iets waarschijnlijker wanneer hypothese 1 (cliënt schutter) waar is of hypothese 2 (derde schutter) dan wanneer hypothese 2 ( [slachtoffer] schutter) waar is.
[verdachte] heeft uitvoerig verklaard dat [slachtoffer] om een wapen vroeg en dit heeft aangeschaft. Hij heeft deze informatie ook met zijn vriendin [betrokkene 2] gedeeld, die dit ook heeft bevestigd in haar verklaring bij de politie. De verdediging gaat dan ook uit van deze laatste aannames.
Uit deze laatste conclusies van Kokshoorn leid ik af dat het gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie, ongeveer even waarschijnlijk is dat cliënt [slachtoffer] heeft doodgeschoten als dat een derde dit gedaan heeft. De kans dat [slachtoffer] zichzelf heeft doodgeschoten is iets kleiner.
Derhalve is de conclusie van de verdediging dat uit het onderzoek van het NFI op activiteitenniveau gezien de aannames van de verdediging, die op grond van het dossier aannemelijk zijn, niet duidelijk wordt welk scenario, welke hypothese, het meest waarschijnlijk is. Kokshoorn stelt wel dat het iets onwaarschijnlijker is dat het zelfdoding was, maar ongeveer even waarschijnlijk dat cliënt de schutter was of een derde.
Voor de goede orde haal ik Buger e Aben uit 2010 aan als ik zeg dat het gehanteerde Beyesiaanse redeneerschema van onzekerheid geen zekerheid kan maken. Het kan wel inzichten verschaffen. Mijns inziens blijft er meer dan gerede twijfel bestaan of mijn cliënt dit feit heeft gepleegd.”
3.6 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2021 houdt voor zover van belang in:
“De verdachte legt, door het hof ondervraagd, de navolgende verklaring af:
De voorzitter vraagt mij of het in mijn optiek een mogelijkheid is dat het slachtoffer op 1 oktober 2019 in Duivendrecht zelfmoord heeft gepleegd.
Achteraf denk ik dat het misschien wel een mogelijkheid is geweest. Aan het begin heb ik gezegd dat het 100% zeker geen zelfmoord kon zijn, omdat [slachtoffer] nog veel plannen had. Hij zou bijvoorbeeld het jaar daarna op bedevaart naar Mekka gaan. Dus ik geloofde het op dat moment niet. Maar daarna is alles door mijn hoofd gegaan. Ik weet alleen 100% zeker dat ik het niet heb gedaan. Natuurlijk ga je je dan afvragen wat er gebeurd zal zijn. Vervolgens hoor je dat [slachtoffer] in de problemen zat. Toen dacht ik dat ik hem dan misschien toch niet zo goed kende als ik dacht en dat het misschien wel mogelijk is dat hij dat heeft gedaan. De voorzitter houdt voor dat ik op 23 december 2019 bij de politie heb verklaard dat ik had gelogen dat het slachtoffer geen zelfmoord kon hebben gepleegd om hem in een goed daglicht te stellen. Ik denk niet dat ik het zo heb gezegd. Het is vaak gebeurd dat, als mijn advocaat en ik de verhoren mochten terugluisteren, er dan iets anders bleek te zijn gezegd dan wat er op papier stond. Ik heb niet gezegd dat hij met een wapen was om hem niet in een verkeerd daglicht te zetten. Als dat wel zo in het proces-verbaal staat, dan heb ik het verkeerd geformuleerd. De voorzitter houdt voor dat ik op 1 april 2020 bij de politie heb verklaard dat het slachtoffer mogelijk per ongeluk zichzelf heeft doodgeschoten en vraagt mij dit toe te lichten. Ik heb begrepen dat de spiegel in zijn zonneklep was uitgeklapt. Ik dacht dat hij misschien aan het kijken was, raar aan het doen was of met zijn dochter aan het spelen was, en dat het wapen toen misschien per ongeluk is afgegaan. Ze zeggen dat ik het heb gedaan, maar hoe zou ik dat kunnen doen? Ik krijg er zelfs nu ik eraan denk de rillingen van. Ik word afgeschilderd als een koelbloedige moordenaar die daarna het wapen in zijn hand legt, maar ik ben geen crimineel. Ik ben veroordeeld voor moord. Natuurlijk ga je dan van alles bedenken en andere hypotheses bedenken.
De voorzitter houdt mij voor dat uit de rapportages van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat op het wapen geen DNA is aangetroffen dat matcht met het DNA van het slachtoffer. Dat vind ik ook vreemd. Ik heb in het dossier namelijk gelezen dat de politie het wapen van het slachtoffer af moesten schudden. Eerst zeiden ze dat er een mengprofiel was, dus dat het ook zijn DNA zou kunnen zijn. Ik vind het niet raar dat mijn DNA op het wapen zit want ik heb er samen met [slachtoffer] aan lopen kloten, een paar dagen ervoor ook nog. Wij hebben samen proef geschoten.
(…)
De voorzitter vraagt op welk moment het wapen in de auto ter sprake is gekomen.
Aan het einde van ons gesprek. Toen bleek dus dat hij een afspraak had met diegene. Ik dacht dat hij toen zoiets zei als: “Ik ben hier” en “Ik krijg geld” of “Ik breng geld”. Hij pakte ineens een wapen onder zijn stoel vandaan en liet dit aan mij zien. Het wapen zat in een plastic tasje met het AH-logo erop. Ik schrok ervan en vroeg wat er aan de hand was. Ik dacht dat hij een wapen had omdat hij bedreigd werd in verband met zijn huis, want op dat moment zat hij in een safehouse. Hij zei dat hij het wapen niet bij zich had in verband met die afspraak. Hij zei dat hij het voor de veiligheid had meegenomen, voor de zekerheid zoiets. Toen dacht ik: ‘Dan neem ik het mee’.
De voorzitter vraagt waarom ik schrok toen het slachtoffer mij in de auto het wapen toonde, terwijl ik door het proefschieten wist dat hij over een wapen beschikte.
Ja, maar ik wist niet dat hij ermee rondliep. [slachtoffer] zei dat het niet nodig was dat ik het wapen mee zou nemen. Hij zei dat het alleen bedoeld was om af te schrikken. Toen zei ik dat ik dan de kogels en het doosje mee zou nemen in de plastic zak. In de zak lag alles los van elkaar. Ik heb [slachtoffer] daar dus achtergelaten met een leeg wapen.
De voorzitter houdt mij voor dat de door mij geschetste gang van zaken rondom het tonen van het wapen enigszins moeilijk voorstelbaar is.
Zo is het wel gegaan. Het gesprek ging over van alles en nog wat. Aan het einde, toen ik wist dat zijn afspraak er zou zijn, kwam hij ineens met dat ding. Als hij had gezegd dat hij bang was voor deze afspraak, dan zou ik zijn gebleven of had ik gevraagd: “Waarom spreek je op deze plek af?”. Dit bedenk ik mij pas achteraf. Ik dacht dat er zonder kogels geen ongelukken konden gebeuren. Ik kreeg tijdens het gesprek de indruk dat de afspraak op de parkeerplaats zou plaatsvinden.
De voorzitter vraagt wat ik ervan vond dat het slachtoffer een afspraak had waarvoor hij een vuurwapen nodig had, terwijl zijn 14 maanden oude dochtertje op de achterbank zat.
Het is vreemd. Het is daar in ons gesprek niet over gegaan. Toen ik het wapen zag ben ik niet meer zo lang bij hem gebleven. Ik heb nu spijt van alles; dat ik heb proef geschoten en dat ik hem daar niet aan zijn haren heb meegenomen. Het voelde niet goed om hem op deze manier achter te laten.
De voorzitter houdt mij voor dat het kindje mogelijk (ook) gevaar liep.
Ik zag niet echt een gevaar. Ik had er wel een raar gevoel bij. Daarom heb ik [slachtoffer] daarna nog gebeld.
Of ik bezorgd was over het kindje?
Ik dacht: ‘Het komt wel goed, ik moet mij niet zo druk maken’. Ik moest ook snel weg naar mijn dochter want die moest naar taekwondo les in Hoofddorp. Het klopt wel dat ik er niet helemaal gerust op was, daarom heb ik dus ook gebeld. [slachtoffer] nam niet op. Toen heb ik een spraakbericht ingesproken dat hij zich niet druk moest maken. Ik kreeg wel een naar gevoel toen [slachtoffer] vrouw mij belde met de vraag waar hij was en ik hem ook niet kon bereiken. Ik dacht er in eerste instantie niet bij na dat wij op een soort ‘Opsporing Verzocht locatie’ stonden. Nu denk ik: ‘Waren daar maar camera’s geweest’.
Ik weet niet meer of het wapen op 1 oktober 2019 in de auto van [slachtoffer] uit het tasje is gehaald. Volgens mij heb ik gewoon gekeken. Voordat ik wegging zei ik: “Dan neem ik dit mee”. Hij zei: “Oké”. Die man belde en toen pakte ik die zak en liep ik weg.
(…)
De oudste raadsheer houdt mij de verklaring van [benadeelde 1] op dossierpagina’s Z396 en Z397 voor waarin staat dat ik tegen haar heb gezegd dat [slachtoffer] naar een afspraak zou gaan met [betrokkene 11] . Nee, ik heb niet gezegd dat hij een afspraak had. Ik heb ook niet tegen haar gezegd dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had. Ik vond het heel vreemd dat hij een wapen had. Ik vond dat iets waar je met niemand over praat. De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik heb verklaard dat ik het slachtoffer niet in een verkeerd daglicht wilde stellen, en vraagt hoe zich dat verhoudt tot het feit dat [slachtoffer] toen al overleden was. Tijdens mijn eerste verhoor wilde de politie weten of [slachtoffer] criminele activiteiten uitvoerde. Ik wilde juist dat de politie niet die kant op zou denken. Ik zei daarom dat [slachtoffer] een hardwerkende man is en dat niet van zelfmoord moest worden uitgegaan. De oudste raadsheer vraagt waarom ik er op dat moment voor heb gekozen om de informatie waarover ik beschikte over de aanwezigheid van een vuurwapen in de auto van het slachtoffer, niet met het onderzoeksteam te delen. Ik weet het niet. Ik wist dat er geen kogels in het vuurwapen zaten. Ik heb niet het wapen meegenomen, omdat ik dacht dat het een harmless ding was dat geen kwaad kon doen.
(…)
Wanneer ik het magazijn en de patronen heb weggegooid? Op 1 oktober 2019 in de avond, toen wij terugkwamen van dat sportding. Toen dacht ik: ‘ik heb dat ding nog, die gooi ik weg’. Ik was even naar een slootje gegaan. Wat mijn drijfveer was om het weg te gooien? Als [betrokkene 3] dat ding bij mij zou zien, dan zou zij flippen en ik vond het zelf ook vreemd om zoiets bij mij te hebben; ik loop nooit met een wapen. De oudste raadsheer houdt mij voor dat de politie op de door mij aangewezen locaties niets heeft aangetroffen dat in dit verband ter zake doet. Ze hebben wel gezien dat mijn auto daarheen is gereden en dat hij twee seconden later is weggereden en dat daar verder niets anders te doen is.
(…)
De advocaat-generaal vraagt of ik het als een reële mogelijkheid beschouw dat het slachtoffer met het wapen in de auto heeft zitten spelen terwijl zijn 14 maanden oude dochtertje op de achterbank zat. Dat zei ik, omdat ik echt niet weet wat er is gebeurd. In het begin dacht ik dat het geen zelfmoord kon zijn en ook niet per ongeluk. Ik heb het niet gedaan en ik heb alles naar voren gehaald, nu denk ik werkelijk dat dit zou kunnen gebeuren. Ik dacht misschien dat hij dit zit te doen, omdat hij dacht dat er geen kogel in zat en ‘bam!’ dat er dan wel een kogel in zat.
(…)
De advocaat-generaal houdt mij voor dat ik op 1 oktober 2019 ervoor heb gekozen de informatie waarover ik toen beschikte, namelijk dat het slachtoffer een wapen zonder kogels had, niet met de politie te delen, terwijl ik daarmee het scenario van zelfmoord had kunnen ontkrachten. Ik heb dat niet gezegd omdat het anders leek alsof [slachtoffer] een gangster was. Die man is een hardwerkende man en hij heeft geen zelfmoord gepleegd. Als ik die man dood had gemaakt, dan zou ik toch blij zijn als de politie denkt dat het een zelfmoord is?”
De bespreking van het middel
3.7 De eerste deelklacht houdt in dat het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario dat niet de verdachte het slachtoffer heeft gedood maar het slachtoffer door (niet opzettelijke) zelfdoding om het leven is gekomen, door het hof niet toereikend is weerlegd en/of dat het hof op daartoe niet toereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden.
3.8 Voordat ik overga tot bespreking van deze deelklacht is het van belang het alternatieve scenario van (niet opzettelijke) zelfdoding te schetsen dat door de verdediging is gepresenteerd.
3.9 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd die – kort samengevat – inhoudt dat het slachtoffer aan het einde van hun gesprek in de auto ineens een wapen onder zijn stoel vandaan pakte en deze aan de verdachte liet zien. Het slachtoffer vond het niet nodig dat de verdachte het wapen meenam, omdat het wapen alleen bedoeld was om af te schrikken. De verdachte heeft vervolgens naar eigen zeggen alleen de kogels en het doosje meegenomen en het slachtoffer achtergelaten met een leeg wapen. De verdachte heeft verklaard dat hij diezelfde dag het magazijn en de patronen heeft weggegooid in een slootje.
3.10 De verdediging heeft in hoger beroep ter onderbouwing van de verklaring van de verdachte opgemerkt dat zowel de verdachte als het slachtoffer in de veronderstelling leefden dat door het wegnemen van het magazijn en de patronen er geen kogel meer kon worden afgevuurd met het wapen. De verdediging heeft daarbij gewezen op de rapportage van W. Kerkhoff waaruit volgt dat er zonder patroonhouder met het wapen kon worden geschoten. Het zou derhalve mogelijk zijn dat na het vertrek van de verdachte het fatale schot alsnog is gelost. Ten aanzien van de omstandigheid dat er geen DNA van het slachtoffer op het wapen aanwezig was, althans niet op de kolf of op de slede is door de verdediging opgemerkt dat dit moeilijk valt te rijmen met de omstandigheid dat het slachtoffer is aangetroffen met het vuurwapen in zijn hand en zijn vinger op de trekker. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het rapport op activiteitenniveau van 16 april 2021 van het NFI, waaruit de verdediging heeft afgeleid dat uit dat onderzoek gezien de aannames van de verdediging, die op grond van het dossier aannemelijk zijn, niet duidelijk wordt welk scenario, welke hypothese het meest waarschijnlijk is.
3.11 Het hof heeft geoordeeld dat het door de verdediging aangedragen scenario dat het slachtoffer zich per ongeluk heeft doodschoten onaannemelijk is. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat het geen onderzoeksresultaten heeft aangetroffen in het dossier die dit scenario ondersteunen, terwijl het dossier wel sterke contra-indicaties bevat. De eerste contra-indicatie die het hof noemt, is dat een deskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat in een dergelijk geval2.de kans klein zou zijn om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen. De tweede contra-indicatie die het hof noemt, is dat zowel de verdachte als de getuige [betrokkene 5] hebben verklaard dat zij geen schot hebben gehoord, terwijl uit de waarneming van [betrokkene 5] volgt dat het slachtoffer al was beschoten voordat de verdachte de parkeerplaats verliet.
3.12 In de toelichting op de deelklacht worden een aantal bezwaren tegen ’s hofs weerlegging van het alternatieve scenario opgeworpen. In de eerste plaats wordt een klacht tegen ’s hofs overweging inhoudende “dat in het dossier geen ondersteunende onderzoeksresultaten zijn aangetroffen die dit scenario ondersteunen” geformuleerd. Uit deze overweging leiden de stellers van het middel af dat het hof is uitgegaan van een onjuist criterium. Aangevoerd wordt dat het erop aankomt of de aangedragen alternatieve gang van zaken weerlegging vindt in (feiten en omstandigheden ontleend aan) bewijsmiddelen. Dat zou niet het geval zijn. Dat ondersteuning in de bewijsmiddelen ontbreekt, zou aan de aannemelijkheid van het alternatieve scenario niet in de weg kunnen staan.
3.13 Als uitgangspunt geldt dat ingeval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter — indien hij tot een bewezenverklaring komt — die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.3.
3.14 De stellers van het middel lijken tot uitgangspunt te nemen dat de feitenrechter een alternatief scenario zal moeten uitsluiten wil hij tot een bewezenverklaring komen. Dat uitgangspunt is in het licht van hetgeen onder randnummer 3.13 voorop is gesteld onjuist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat door de verdachte gestelde alternatief toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Het middel berust in zoverre op een verkeerde uitleg van de eisen die in dit verband aan de verwerping van een verweer worden gesteld. Het hof heeft voorts door te overwegen dat in het dossier geen onderzoeksresultaten zijn aangetroffen die het scenario ondersteunen, niet tot uitdrukking gebracht dat het alternatieve scenario bewezen moet worden. Het hof heeft bij de beoordeling of het voorgedragen alternatieve scenario aannemelijk is, kunnen betrekken dat er geen ondersteuning in de bewijsmiddelen is voor dat scenario.
3.15 In de tweede plaats richten de stellers van het middel hun pijlen op de twee door het hof genoemde “contra-indicaties”. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof, dat het ontbreken van ondersteuning in de bewijsmiddelen en de contra-indicaties het alternatieve scenario onaannemelijk doen zijn, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
3.16 De eerste contra-indicatie, de omstandigheid dat een deskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat in een dergelijk geval de kans klein zou zijn om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen, heeft het hof niet onbegrijpelijk bij zijn oordeel betrokken dat het door de verdachte aangedragen scenario onaannemelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de slede en onder de greepplaten van het vuurwapen.
3.17 De tweede contra-indicatie, de omstandigheid dat zowel de verdachte als [betrokkene 5] hebben verklaard dat zij geen schot hebben gehoord, heeft het hof eveneens niet onbegrijpelijk bij zijn oordeel betrokken dat het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario onaannemelijk is. Ik zal dit toelichten.
3.18 In het door de verdediging geschetste scenario zou de verdachte de patroonhouder en de kogels hebben meegenomen op het moment dat hij de auto van het slachtoffer verliet, in zijn eigen auto plaats hebben genomen en (stapvoets en op een normale manier) zijn weggereden. Het slachtoffer was in dit scenario op het moment dat de verdachte zijn auto verliet nog in leven. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en getuige [betrokkene 5] hebben verklaard geen schoten te hebben gehoord. In het door de verdediging geschetste scenario kan het dan niet anders zijn dan dat het slachtoffer pas nadat de verdachte het parkeerterrein heeft verlaten zichzelf per ongeluk heeft doodgeschoten. De verdachte had anders immers een schot moeten horen. Het hof heeft echter op basis van de verklaring van de getuige [betrokkene 5] vastgesteld dat hij de verdachte van het parkeerterrein heeft zien wegrijden en dat het slachtoffer op dat moment al was beschoten.
3.19 Aan de toereikendheid van ’s hofs oordeel doet niet af, zoals door de stellers van het middel nog wordt aangevoerd, dat er geen onderzoeksresultaten zijn waaruit blijkt dat [betrokkene 5] en/of de verdachte beide rijdend in hun eigen auto met de motor aan, in staat moeten zijn geweest het geluid van een schot in de auto van het slachtoffer te horen. Evenmin doet daaraan af dat de verdachte in een auto reed die een zogenaamd ‘AMG-geluid’ maakte. Ik merk op dat uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat de afstand tussen de auto van de verdachte en de auto van het slachtoffer ongeveer vier, drie stappen was (bewijsmiddel 8) en dat de verdachte uit stilstand, stapvoets en op een normale manier van de parkeerplaats is gereden (bewijsmiddel 10 en bewijsmiddel 24).
3.20 Al met al acht ik het oordeel van het hof dat het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario van niet opzettelijke zelfdoding onaannemelijk is, niet onbegrijpelijk en, mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Dat betekent dat de eerste deelklacht faalt.
3.21 De tweede deelklacht houdt in dat het hof bij de beoordeling van de in verband met het alternatief scenario gedane voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en/of deze verzoeken (telkens) heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen en/of dat de afwijzing(en) van die verzoeken (telkens) onbegrijpelijk is.
3.22 De verdediging heeft op 29 juli 2020 per e-mailbericht de rechter-commissaris verzocht om nader onderzoek te verrichten. Dit e-mailbericht houdt voor zover van belang in:
“Hierdoor verzoek ik u in bovengenoemde zaak de volgende onderzoekswensen van de verdediging in te willigen en zorg te dragen voor het doen laten uitvoeren van dit verzochte onderzoek;
1. De verdediging verzoekt een schotrestenonderzoek te doen laten plaatsvinden naar het spreidingspatroon van de aangetroffen schotresten op de jas van cliënt. Uit de stukken blijkt dat de bemonsteringen er zijn, maar dit onderzoek vooralsnog niet is uitgevoerd.
De verdediging verwijst naar de pagina’s 51 en 52 van het laatste relaas, waarbij is vermeld dat “ten aanzien van de vragen over een eventueel spreidingspatroon van aanwezige schotresten (is) met de aanvrager en opdrachtgever op 10 februari 2020 en medio maart/april afgesproken om vooralsnog alleen bemonsteringen uit te voeren, maar om deze vooralsnog niet allemaal te onderzoeken.” Dit komt overeen met pagina 7 van het schotrestenonderzoek van het NFI van 8 mei 2020 (vide Z 913 PV)
De verdediging wenst thans dit nader onderzoek naar het spreidingspatroon van de schotresten uit de laten voeren, daar de verdediging het van het grootste belang acht om de resultaten hiervan te vernemen.
De verdediging verzoekt het NFI derhalve het onderzoek te verrichten, zoals reeds geformuleerd is op pagina 6 van het schotrestenonderzoek van 8 mei 2020 (vide Z 912 PV): In de onderzoeksvraag 007 van 9 oktober 2019 staat ten aanzien van het schotrestenonderzoek vermeld: “Zijn er schotresten aanwezig op deze jas? Is er op de jas een spreidingspatroon zichtbaar? Zo ja waar is de concentratie het sterkst? Indien mogelijk visualiseren.
Dit is het onderzoek hetwelk de verdediging thans verzoekt. Dit onderzoek dient te worden verricht op de aanwezige bemonsteringen van de jas, te weten linker voorpand, rechter voorpand, linkermouw vanaf 20 cm van de rand tot schouder, rechtermouw vanaf 20 centimeter van de rand tot schouder, linker steekzak, rechter steekzak, grote zak in linker voorpand, linker achterpand, rechter achterpand, binnenzijde linkermouw en binnenzijde rechtermouw. De verdediging verwijst naar pagina 8 onder 4.1 van het aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 8 mei 2020 (vide pagina Z914 PV)
2. De verdediging heeft de RC heden tevens verzocht een schotrestenonderzoek te doen laten plaatsvinden op het volgende materiaal: de folie AAMC4971NL en de folies AAMC4972NL tot en met AAMC4975NL, zoals vermeld op pagina 1 van het bloedspoorpatroononderzoek van het NFI d.d. 21 juli 2020. Op pagina 2 van dit rapport is vermeld dat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van schotresten op deze folies. “ De folies zijn op het NFI nog niet onderworpen aan een onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten.” De verdediging wenst te vernemen: Zijn er schotresten aanwezig op deze folies? Is er op deze folies een spreidingspatroon zichtbaar? Zo ja waar is de concentratie het sterkst? Indien mogelijk visualiseren.
3. De verdediging verzoekt het NFI tevens om het spreidingspatroon van de schotresten aanwezig op de jas en op de folies met elkaar te vergelijken, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten. De verdediging verzoekt het NFI onderzoek te laten doen, teneinde de juistheid van de volgende hypothesen te onderzoeken: 1. Met de inbeslaggenomen rode jas is in een afgesloten ruimte geschoten. 2. Met de inbeslaggenomen rode jas is in de buitenlucht geschoten.”
3.23 Naar aanleiding van deze onderzoekswensen heeft op 2 september 2020 een video-bespreking plaatsgevonden tussen medewerkers van het NFI, de officier van justitie, de raadsman van de verdachte en de rechter-commissaris. Van deze video-bespreking is een schriftelijk verslag opgemaakt. Dit schriftelijk verslag houdt in:
“Verslag video-bespreking op 2 september 2020 mbt onderzoekswensen schotresten
Aanwezig:
G. van der Peijl (NFI), A. Knijnenberg (NFI), B. Ottevanger (NFI), F. Fleurhaaij (NFI), officier van justitie Vreekamp, raadsman Witlox en rechter-commissaris A. Wijnveldt.
Het doel van de bespreking is de mate van toegevoegde waarde van de uitvoering van de onderzoeken naar schotresten zoals verzocht door mr. Witlox op 29 juli 2020. Deze onderzoekswensen en opmerkingen van de heer Knijnenberg daarop zoals verwoord in zijn mail van 7 augustus 2020 zij op voorhand door de rechter-commissaris aan de deelnemers toegezonden (bijlage 1 bij dit verslag).
Ad 1. Onderzoek schotresten op jas
Dhr Knijnenberg geeft aan dat een dergelijk onderzoek als gevraagd onder 1(A t/m D) zinvol kan zijn als er elkaar uitsluitende scenario’s zijn, terwijl die er op dit moment niet zijn: het door de verdachte proefschieten (in de buitenlucht) sluit niet uit dat er ook door de verdachte geschoten is in de auto op 1 oktober 2019. Mr. Witlox merkt op dat aan de hypothese “schieten met de jas in de buitenlucht” (zie onder 3) nog toegevoegd dient te worden “en niet ook in de auto”. Dhr Knijnenberg geeft aan dat de hypotheses dan wel elkaar uitsluitend zijn.
Dhr Knijnenberg merkt op dat geen grote aantallen schotrestendeeltjes zijn vastgesteld (toevoeging van dhr. Knijnenberg (3 september 2020): als er wordt gesproken over aantallen schotrestdeeltjes, dan worden hiermee de aantallen categorie A deeltjes bedoeld. Van de categorie B deeltjes staat onvoldoende vast dat deze daadwerkelijk schotresten zijn) en er wordt geen duidelijk spreidingspatroon vastgesteld o.b.v. de huidige resultaten. Hiermee bedoelt dhr. Knijnenberg dat er niet één of meerdere bemonsteringen zijn, die qua aangetroffen aantallen schotresten afwijken van de overige (op dit moment) onderzochte bemonsteringen. Mr. Witlox vraagt waar dit is vastgelegd. Beantwoording dhr. Knijnenberg (3 september 2020): In het rapport van 8 mei 2020 staan de aantallen aangetroffen categorie A deeltjes in de diverse tabellen vermeld, i.e. op de 4 bemonsteringen van de mouwen van de jas zijn in totaal 2 categorie A deeltjes aangetroffen, op de 2 bemonsteringen van de binnenzijde van de mouwen 1 categorie A deeltje en op de 3 bemonsteringen van de zakken van de jas in totaal 5 categorie A deeltjes.
Dhr. Knijnenberg merkt op dat om een zinvol schotrestenonderzoek te doen naar de jas, met hetzelfde wapen verschillende schietoefeningen gedaan zouden moeten worden om te zien welk spreidingspatroon die veroorzaken en wat devariatie hierin is tussen de verschillende schietoefeningen.
De officier van justitie merkt op dat zij, alvorens dit onderzoek wordt gedaan, wil weten hoe zinvol deze onderzoeken zijn als ook gekeken wordt naar de onderbouwing van de hypotheses op grond van het dossier zoals dat er nu ligt. Verder vraagt zij zich af in hoeverre dan ook de schotresten in de auto van verdachte betrokken moeten worden bij het onderzoek.
Dhr Knijnenberg geeft aan dat voor een beoordeling van de bewijskracht van het onderzoek (in relatie tot het dossier) een zogenoemde pre-assessment zou moeten plaatsvinden. Met zo’n pre-assessment wordt een inschatting gemaakt van de bewijskracht die het onderzoek – met inachtneming van benodigde aannames en onzekerheden – bij verschillende resultaten op zal leveren. Deze inschatting van de bewijskracht geeft weer met welke factor de a-priori kansverhouding van de diverse hypothesen mogelijk vermenigvuldigd kan worden na uitvoering van het onderzoek. De mate waarin de hieruit resulterende a-posteriori kansverhouding verandert door het onderzoek zegt iets over de zinvolheid van het onderzoek, te weten: hoe groot is de invloed van het onderzoek op de uiteindelijke a-posteriori kansverhouding. Dit betekent echter dat er op basis van het huidige dossier zonder de schotrest resultaten (door de rechter) ook een inschatting moet worden gemaakt van de a-priori kansen op de scenario’s: verdachte heeft proefgeschoten en was niet in de auto t.t.v. het schieten op 1 oktober 2019 versus verdachte was wel in de auto t.t.v. het incident van 1 oktober 2019. Als het ene of het andere scenario veel aannemelijker wordt geacht, kan vervolgens een inschatting worden gemaakt in hoeverre de resultaten van het schotrestenonderzoek van de jas een overwegende invloed kan hebben op die inschatting. Kortweg gezegd: indien de verdeling 50/50 is voor beide scenario’s, zal het onderzoek een bijdrage kunnen leveren.
Dhr Knijnenberg merkt verder op dat hij niet verwacht dat er een hoge bewijskracht uit het onderzoek zal komen door een aantal onzekerheden, waaronder:
- De jas is weliswaar snel in beslaggenomen, maar ook in 1 dag kan er van alles gebeuren met het sporenbeeld op de jas;
- Er zijn kleine aantallen schotresten deeltjes vastgesteld op de jas. Uit andere onderzoeken in zelfmoordzaken is gebleken dat kleine hoeveelheden schotresten niet betekent dat er niet is geschoten.
- Het wapen in deze zaak is storingsgevoelig, waarmee het onzeker is of alle proeven met het wapen uitgevoerd kunnen worden.
- Toevoeging dhr. Knijnenberg (3 september 2020): Kleine details in de te onderzoeken scenario’s kunnen grote invloed hebben op de uitkomsten. De verblijfstijd in de auto na het schieten zal van invloed zijn op de aantallen deeltjes die initieel neerkomen op een jas van een schutter. Het is in experimenten niet mogelijk om al dit soort variabelen uitputtend mee te nemen.
Ad 2 Onderzoek naar schotresten op folies
Dhr Knijnenberg geeft aan dat er geen toegevoegde waarde zit in het onderzoeken van de schotresten op de folies omdat dit niets zegt over wie er heeft geschoten. Vaststaat dat er is geschoten in de auto. Er kan dus geen onderscheid worden gemaakt tussen verschillende scenario’s.
Mr. Witlox vraagt of een vergelijking van het spreidingspatroon op de jas en op de folies wel zinvol is. Dhr. Knijnenberg antwoordt daarop dat door de verschillende methodes van de bemonsteringen (stubs en folies) dit niet met elkaar kan worden vergeleken. Een dergelijk onderzoek is dus niet zinvol.
Bemonsteringen schotresten in auto van verdachte
Op de vraag in hoeverre het zinvol is om de schotresten in de auto te betrekken bij het onderzoek geeft drh Knijnenberg aan dat, indien de onderzoeken onder 1 en 3 (v.w.b. de juistheid van de hypotheses) worden uitgevoerd, de bemonsteringen in de auto van verdachte daarin meegenomen kunnen worden. Dhr Van der Peijl geeft aan dat dan ook rekening gehouden moet worden met de verklaring van de verdachte dat hij op 1 oktober 2019 de kogels en het magazijn uit het tasje heeft gehaald en heeft weggegooid. Op die wijze kunnen er immers potentieel ook schotresten op de handen van verdachte via overdracht op de jas en in de auto van verdachte terecht zijn gekomen. Dit betekent dat de uitkomsten van het onderzoek daardoor moeilijker te duiden zijn en effectief de sterkte van het bewijs afneemt.
Vraag mr. Witlox nav het rapport aanvullend schotrestenonderzoek dd 8 mei 2020
Mr. Witlox vraagt naar de totstandkoming van de afspraken tussen de aanvrager en het NFI zoals weergegeven op pagina 7, derde alinea, van het rapport van 8 mei 2020.
Beantwoording Van de Peijl/Knijnenberg 3 september 2020: Op 10 februari 2020 heeft een brainstorm plaatsgevonden met het doel om als Politie en OM met input van NFI-deskundigen tot concrete vraagstellingen te komen i.v.m. het onderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] op 1 oktober 2019. Dit ook als voorbereiding voor een overleg met RC en verdediging, waarin de laatste de mogelijkheid krijgt om in detail het scenario vanuit de verdediging te geven.
Tijdens dit overleg is besloten om de jas in verschillende segmenten nader te bemonsteren op de aanwezigheid en spreiding van schotresten, maar om deze bemonsteringen vooralsnog niet te onderzoeken. De reden hiervoor is – zoals ook in het overleg op 2 september 2020 aangegeven – dat aan het uitsluitend in kaart brengen van een spreidingspatroon (hiermee wordt door dhr. Knijneberg bedoeld: de spreiding van categorie A deeltjes over de verschillende bemonsteringen) geen conclusies kunnen worden verbonden zonder o.a. verdere aanvullende reconstructieonderzoeken.
Tevens is bij de overleg aangegeven dat het onderzoek aan de folies, waarmee de hemel van de auto is bemonsterd, geen onderscheid zal opleveren tussen verschillende scenario’s (i.e. zelfmoord vs. van korte afstand beschoten door iemand anders). Voorgesteld is om dit onderzoek vooralsnog niet uit te voeren.”
3.24 Blijkens de pleitnota hebben de raadslieden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een aantal voorwaardelijke verzoeken gedaan. Deze voorwaardelijke verzoeken komen wat betreft de aard van het verzochte onderzoek overeen met de verzoeken tot nader onderzoek zoals weergegeven in randnummer 3.22. De pleitnota houdt in dat verband voor zover van belang in:
“Ad D:
Mocht u mij hierin niet volgen dat doet de verdediging een voorwaardelijk verzoek. Indien Uw Hof niet tot een vrijspraak zou komen verzoekt de verdediging alsnog het onderzoek te doen laten verrichten, waarom eerder is verzocht en welke wensen uw hof heeft afgewezen, daar de noodzaak hiertoe thans naar de mening van de verdediging gezien uw standpunt alsdan wel bestaat.
(…)
13. De verdediging verzoekt Uw Hof het NFI een nader schotrestenonderzoek naar het spreidingspatroon van de aangetroffen schotresten op de jas van cliënt te laten verrichten. De verdediging is van mening dat de resultaten van dit onderzoek relevant is voor de beantwoording van een van de vragen ex artikel 348/350 Sv.
Dit verzoek betreft het volgende:
Uit de stukken blijkt dat de bemonsteringen voor een nader schotrestenonderzoek aanwezig zijn, maar dit onderzoek niet is uitgevoerd.
Ik verwijs naar de pagina’s 51 en 52 van het relaas, waarbij is vermeld dat “ten aanzien van de vragen over een eventueel spreidingspatroon van aanwezige schotresten (is) met de aanvrager en opdrachtgever op 10 februari 2020 en medio maart/april afgesproken om vooralsnog alleen bemonsteringen uit te voeren, maar om deze vooralsnog niet allemaal te onderzoeken.” Dit komt overeen met pagina 7 van het schotrestenonderzoek van het NFI van 8 mei 2020 (vide Z 913 PV).
De verdediging wenst thans dit nader onderzoek naar het spreidingspatroon van de schotresten uit de laten voeren.
De verdediging verzoekt het NFI derhalve het onderzoek te verrichten, zoals reeds geformuleerd is op pagina 6 van het schotrestenonderzoek van 8 mei 2020 (vide Z 912 PV): In de onderzoeksvraag 007 van 9 oktober 2019 staat ten aanzien van het schotrestenonderzoek vermeld: “Zijn er schotresten aanwezig op deze jas? Is er op de jas een spreidingspatroon zichtbaar? Zo ja waar is de concentratie het sterkst? Indien mogelijk visualiseren”.
Dit onderzoek dient te worden verricht op de aanwezige bemonsteringen van de jas, te weten linker voorpand, rechter voorpand, linkermouw vanaf 20 cm van de rand tot schouder, rechtermouw vanaf 20 centimeter van de rand tot schouder, linker steekzak, rechter steekzak, grote zak in linker voorpand, linker achterpand, rechter achterpand, binnenzijde linkermouw en binnenzijde rechtermouw. Vindplaats: pagina 8 onder 4.1 van het aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 8 mei 2020 (vide pagina Z914 PV).
De verdediging verzoekt tevens een schotrestenonderzoek te doen laten plaatsvinden op het volgende materiaal: de folie AAMC4971NL en de folies AAMC4972NL tot en met AAMC4975NL, zoals vermeld op pagina 1 van het bloedspoorpatroononderzoek van het NFI d.d. 21 juli 2020.
Op pagina 2 van dit rapport is vermeld dat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van schotresten op deze folies. “De folies zijn op het NFI nog niet onderworpen aan een onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten.”
De verdediging wenst te vernemen of er schotresten aanwezig op deze folies. Zo ja, welk spreidingspatroon er op de folies zichtbaar is en waar is de concentratie schotresten het sterkst is.
Ik verzoek het NFI om het spreidingspatroon van de schotresten aanwezig op de jas en op de folies met elkaar te vergelijken, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten. De verdediging verzoekt het NFI-onderzoek te laten doen, teneinde de juistheid van de volgende hypothesen te onderzoeken: 1. Met de inbeslaggenomen rode jas is in een afgesloten ruimte geschoten. 2. Met de inbeslaggenomen rode jas is in de buitenlucht geschoten en niet in de auto.
Deze geformuleerde onderzoekswens is het reeds door het NFI zelf voorgestelde onderzoek, welk onderzoek echter na overleg met de opdrachtgever in de wacht is gezet.
Het gevraagde onderzoek zou kunnen worden afgewezen als de onderzoeksopdracht onduidelijk of onjuist is geformuleerd, dan wel als het onderzoek niet is uit te voeren. Dit is in dit geval niet de kwestie: zoals de heer Knijnenbelt de RC heeft medegedeeld hebben de verzoeken een logische opbouw en is uitvoering van de verzoeken mogelijk. De hypothese diende aangescherpt te worden, hetgeen is geschied. Aan de hypothese: “schieten met de jas aan in de buitenlucht” is toegevoegd, “en niet in de auto.”
Het NFI heeft in de bespreking van 2 september 2020 te kennen gegeven dat het gevraagde onderzoek niet veel zal opleveren. De verdediging is van oordeel dat het NFI in deze bespreking vooruitloopt op de zaken. De verdediging is de mening toegedaan dat het gevraagde onderzoek eerst dient te worden uitgevoerd. Nadien kan bekeken worden welke betekenis aan de resultaten kan worden toegeschreven.
Ik ben van mening dat de procesdeelnemers en ook derden in staat gesteld dienen te worden om hieromtrent hun oordeel te kunnen vormen. Ik wil de resultaten van het gevraagde onderzoek aan een derde schotrestendeskundige ter beoordeling voorleggen. Teneinde deze mogelijkheid te hebben, dient dit onderzoek op bronniveau wel gedaan te zijn. De verdediging acht het in het belang van de verdediging dat dit onderzoek derhalve wordt uitgevoerd.
Het resultaat of er überhaupt schotresten worden aangetroffen op de overige delen van de jas en op de folies dient de waarheidsvinding. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek is naar de mening van de verdediging meer te zeggen welke hypothese aannemelijker is: er is met de rode jas aan in de auto geschoten of is er niet met de rode jas aan in de auto geschoten.
De verdediging is van mening dat met het aantreffen van schotresten, de wetenschap over de hoeveelheid schotresten en het spreidingspatroon hiervan, meer te zeggen is over welke hypothese aannemelijker is. Dit is van belang voor de beantwoording van de vragen 348-350 Sv.
Als het door het onderzoek namelijk aannemelijker wordt dat er met de rode jas in de auto is geschoten, dan is dit belastend voor client. Als aannemelijker is dat er niet met de rode jas in de auto is geschoten, is dit aanmerkelijk ontlastend voor cliënt.
Als u cliënt niet vrijspreekt is de verdediging van oordeel dat het gevraagde onderzoek noodzakelijk is, daar het meer duidelijkheid kan geven op de vraag of er met de rode jas binnen of buiten de auto is geschoten. Als uit het onderzoek blijkt dat het aannemelijker is dat er met de rode jas buiten de auto is geschoten sluit dit meer aan bij de verklaring van cliënt dat hij met [slachtoffer] met een vuurwapen buiten heeft proef geschoten. Dit levert aldus ontlastend materiaal op.
Dit onderzoek is ook van belang voor de beantwoording van de vraag of er van de bijrijdersstoel is geschoten, derhalve aan de beantwoording van de vraag of de bijrijdersstoel bezet of onbezet was ten tijde van het afvuren van de dodelijke kogel in deze. Als vast komt te staan, dan wel aannemelijker is, dat de bijrijdersstoel bezet was ten tijde van het afvuren van de dodelijke kogel in de auto, is dit belastend voor cliënt. Als vast komt te staan, dan wel aannemelijker is, dat de bijrijdersstoel niet bezet was, betekent dit dat het scenario van zelfdoding aannemelijker wordt en is dit ontlastend voor cliënt.
De verdediging is reeds enorm benadeeld door de teruggave van de auto waarin het dodelijk slachtoffer is aangetroffen, zodat er geen nader onderzoek gedaan kan worden naar de aanwezigheid van schotresten op de bijrijdersstoel. Dit onderzoek zou uiterst relevante informatie hebben opgeleverd met betrekking tot het uitsluiten van het alternatieve scenario dat er sprake was van zelfdoding. Als uit het schotrestenpatroon blijkt dat er ten tijde van het dodelijk schot niemand naast het slachtoffer in de auto zat, dan is aannemelijker dat er sprake was van zelfdoding.
Nu dit onderzoek naar de bijrijdersstoel niet meer tot de mogelijkheden behoort verzoekt de verdediging al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto dat nog wel mogelijk is, te laten uitvoeren.
De rechtbank concludeert dat de teruggave van de auto van [slachtoffer] (de PD) aan de nabestaanden een onherstelbaar vormverzuim is. Gezien vaste jurisprudentie is de verdediging alsdan van oordeel dat de verdediging voldoende compensatie krijgt voor dit onherstelbaar vormverzuim. Dit betekent naar de mening van de verdediging dat onderhavig verzoek dan ook gehonoreerd zou moeten worden.”
3.25 Het hof heeft in het bestreden arrest de voorwaardelijke verzoeken van de verdediging als volgt samengevat en afgewezen:
“Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de volgende forensische onderzoeken:
1. een nader onderzoek van de rode jas van de verdachte, mede na het uitvoeren van een reconstructie (aanwezigheid van schotresten en een spreidingspatroon).
2. een nader onderzoek van de schotrestbemonsteringen uit de Volkswagen Golf van het slachtoffer (aanwezigheid van schotresten en een spreidingspatroon).
3. een vergelijking tussen beide spreidingspatronen.
4. al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto van het slachtoffer.
Op basis van de e-mail van de deskundige Knijnenberg van 7 augustus 2020 en het concept-verslag van de videobespreking op 2 september 2020 van deskundigen van het NFI, de officier van justitie, mr. Witlox en rechter-commissaris A. Wijnveldt overweegt het hof het volgende.
Ad 1. De deskundige Knijnenberg is van oordeel dat het onderzoek aan de schotrestenfolies geen bijdrage kan leveren aan de toetsing op activiteitenniveau. Een onderzoek naar de schotresten op de jas zou alleen zinvol kunnen zijn als met het wapen en de jas verschillende schietoefeningen zouden worden verricht, maar. de bewijskracht van het onderzoeksresultaat van een dergelijk onderzoek zal worden beperkt door een aantal onzekerheden die grote invloed kunnen hebben op de uitkomsten. Het is niet mogelijk al deze variabelen uitputtend mee te nemen in de experimenten. De deskundige concludeert dat dit onderzoek een bijdrage kan leveren als de rechter, op basis van de overige stukken in het dossier, van oordeel is dat sprake is van een a priori kansverdeling van 50/50 tussen het scenario dat de verdachte heeft proef geschoten en niet aanwezig was in de auto ten tijde van het fatale schot en het scenario dat de verdachte op dat moment wel aanwezig was in de auto.
De verdediging heeft betoogd dat het onderzoek eerst gedaan moet worden vóórdat een conclusie over de bewijswaarde getrokken kan worden. Het hof volgt de verdediging hierin niet, nu uit de toelichting van de deskundige blijkt dat een aantal van de door de deskundige genoemde onzekerheden onvermijdelijk is, zoals de verblijfsduur in de auto en de verandering van het spreidingspatroon op de jas gedurende de periode tussen het schot en de inbeslagname.
Gelet op hetgeen hierboven in de bewijsoverwegingen en met betrekking tot de alternatieve scenario’s is weergegeven, is het hof bovendien van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier (ook zonder de schotresten) de a priori kans dat de verdachte zich ten tijde van het schot in de auto bevond bijzonder veel groter is dan de kans dat hij toen niet in de auto was.
Ad 2. Ten aanzien van het tweede verzoek heeft de deskundige Knijnenberg op 2 september 2020 verklaard dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten. Vaststaat dat in de auto, de witte Volkswagen Golf van het slachtoffer, is geschoten; tussen verschillende scenario’s kan geen onderscheid worden gemaakt
Ad 3. Wat het derde verzoek betreft heeft Knijnenberg opgemerkt dat hij een onderzoek naar het vergeleken van het spreidingspatroon van schotresten op de jas van de verdachte en dat op de folies niet mogelijk acht, omdat het verschillende methoden van bemonsteren betreft.
Ad 4. Het hof acht dit verzoek te weinig specifiek geformuleerd om daarover een beslissing te kunnen nemen, mede gelet op het stadium van de procedure en de gelegenheid die de verdediging heeft gehad om onderzoekswensen in overleg met de deskundigen te specificeren.
Het hof komt tot de slotsom dat de noodzaak tot het verrichten van de verzochte onderzoeken
gelet op deze constateringen van de deskundige van het NFI tegen het licht van de motivering van
de verdediging, niet is gebleken.”
3.26 De door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoeken hebben te gelden als verzoeken als bedoeld in artikel 328 in verbinding met de artikelen 315–317 Sv, welke bepalingen ingevolge artikel 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Dergelijk verzoeken kunnen ook strekken tot een (aanvullend of tegen)onderzoek door één of meer deskundigen. De maatstaf voor de beslissing op een zodanig verzoek is of de rechter de noodzaak van het verzochte is gebleken.4.In cassatie kan slechts worden onderzocht of de feitenrechter het juiste criterium heeft aangelegd en of de afwijzing van een dergelijk verzoek begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.5.
3.27 Het hof heeft overwogen dat de noodzaak van de verzochte onderzoeken niet is gebleken. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf toegepast. Zie ik het goed, dan wordt over de toepassing van het noodzakelijkheidscriterium ook niet geklaagd. Waar het de stellers van het middel om gaat, is de motivering van het hof ten aanzien van het ontbreken van de noodzaak voor - wat door het hof wordt aangeduid als het onder ad 1 tot en met ad 4 – voorwaardelijk verzochte onderzoek. Ten aanzien van het onder ad 1 gedane voorwaardelijke verzoek heeft de verdediging in hoger beroep aangevoerd dat dit onderzoek dient te worden uitgevoerd “teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten” en dat het “gevraagde onderzoek noodzakelijk is, daar het meer duidelijkheid kan geven op de vraag of er met de rode jas binnen of buiten de auto is geschoten”.
3.28 Het hof heeft bij zijn oordeel dat de noodzaak van dit onderzoek niet is gebleken, acht geslagen op het “Verslag video-bespreking op 2 september 2020 mbt onderzoekswensen schotresten”. Het hof heeft overwogen dat het “onderzoek naar de schotresten op de jas alleen zinvol [zou] kunnen zijn als met het wapen en de jas verschillende schietoefeningen zouden worden verricht, maar dat de bewijskracht van het onderzoeksresultaat van een dergelijk onderzoek zal worden beperkt door een aantal onzekerheden die grote invloed kunnen hebben op de uitkomsten” en dat “dit onderzoek een bijdrage kan leveren als de rechter op basis van de overige stukken in het dossier, van oordeel is dat sprake is van een a priori kansverdeling van 50/50 tussen het scenario dat de verdachte heeft proefgeschoten en niet aanwezig was in de auto ten tijde van het fatale schot en het scenario dat de verdachte op dat moment wel aanwezig was in de auto”. In dat verband heeft het hof overwogen dat “gelet op hetgeen hierboven in de bewijsoverwegingen en met betrekking tot de alternatieve scenario’s is weergegeven, het (…) bovendien van oordeel [is] dat op basis van de stukken in het dossier (ook zonder de schotresten) de a priori kans dat de verdachte zich ten tijde van het schot in de auto bevond bijzonder veel groter is dan de kans dat hij toen niet in de auto was”.
3.29 De stellers van het middel voeren aan dat uit het citaat van Knijnenberg in het verslag van de videobespreking “in ieder geval niet [kan] volgen dat het gevraagde onderzoek géén bewijskracht heeft voor de in het kader van art. 348 en 350 Sv te beantwoorden onderzoeksvragen”. De onzekerheden c.q. beperkingen die tijdens het onderzoek worden ervaren en de mate waarin die de uitkomst van het onderzoek beïnvloeden zouden tot uitdrukking kunnen worden gebracht in de resultaten van het onderzoek.
3.30 Ik kan de stellers van het middel hierin niet volgen. Bij de beoordeling of het gevraagde onderzoek noodzakelijk is, heeft het hof in aanmerking kunnen nemen wat de deskundige op voorhand over de bewijskracht van het verzochte onderzoek heeft gezegd. Van een onderzoek waarvan op voorhand al door de deskundige wordt aangegeven dat het geen of weinig bewijskracht heeft, zal de noodzaak niet snel blijken.
3.31 Voorts wordt aangevoerd dat met de door Knijnenberg geformuleerde en door het hof overgenomen ‘eis’ van een a priori kansverdeling van 50/50 tussen de twee scenario’s de onschuldpresumptie met voeten wordt getreden en dat de verdachte – nog voordat is bewezenverklaard dat hij het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd – de middelen om zijn onschuld aannemelijk te maken uit handen wordt geslagen.
3.32 Ook hierin kan ik de stellers van het middel niet volgen. Uit het verslag van de videobespreking blijkt dat en waarom een dergelijke inschatting van de kansen tussen twee scenario’s noodzakelijk is om te beoordelen of het verzochte onderzoek een bijdrage kan leveren aan de beantwoording van de vragen uit art. 348 en 350 Sv. Een dergelijke inschatting lijkt mij niet in strijd met de onschuldpresumptie. Het staat het hof vrij om in zijn oordeel omtrent de noodzakelijkheid van nader onderzoek ook de waarschijnlijkheid van de voorgestelde hypothesen en het overige bewijsmateriaal te betrekken.6.Ik merk daarbij voorts op dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de vraag of de verdachte degene is geweest die het schot heeft gelost, maar enkel heeft overwogen dat al op grond van andere vaststellingen van het hof de kans dat de verdachte zich ten tijde van het schot in de auto bevond bijzonder veel groter is. Dat bij een onderzoek zoals verzocht de inschatting van de kansverdeling tussen verschillende scenario’s relevant is, hangt voorts samen met de wijze waarop het NFI de resultaten van een dergelijk onderzoek presenteert met het oog op de uiteindelijke bewijsbeslissing.7.
3.33 Ten aanzien van het onder ad 2 gedane voorwaardelijke verzoek, dat ziet op een nader onderzoek van de schotrestbemonstering uit de Volkswagen Golf van het slachtoffer, voeren de stellers van het middel aan dat het hof heeft miskend dat het verzoek meer in het bijzonder ziet op de vraag welke conclusie aan het al dan niet aantreffen van schotresten op de bijrijdersstoel moet worden verbonden met betrekking tot de aannemelijkheid van de aanwezigheid van de verdachte daarop ten tijde van het lossen van het schot.
3.34 Het hof heeft ter onderbouwing van het ontbreken van de noodzaak van dit onderzoek overwogen dat de deskundige Knijnenberg op 2 september 2020 heeft verklaard dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten. En dat vaststaat dat in de auto, de witte Volkswagen Golf van het slachtoffer, is geschoten. Uit ’s hofs onderbouwing volgt derhalve dat het verzochte onderzoek niet redengevend kan zijn voor het doel dat het verzoek nastreeft.
3.35 Ook de afwijzing van het onder ad 3 gedane voorwaardelijke verzoek zou volgens het middel tekortschieten. Dit verzochte onderzoek heeft betrekking op een vergelijking van het spreidingspatroon aanwezig op de jas en die op de folies teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of de verdachte met de rode jas buiten heeft geschoten of in een afgesloten ruimte in de auto. Het hof heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar hetgeen Knijnenberg blijkens het videoverslag heeft opgemerkt – kort gezegd – omdat het verschillende methoden van bemonsteren betreft. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij neem ik in aanmerking dat door de verdediging niet is betwist dat de verschillende methoden van bemonstering aan een dergelijk onderzoek in de weg staan.
3.36 Ten aanzien van ’s hof motivering voor het ontbreken van noodzaak van het onder ad 4 gedane voorwaardelijke verzoek wordt aangevoerd dat de in de pleitnota van de verdediging voorkomende opmerking om “al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto dat nog wel mogelijk is, te laten uitvoeren” kennelijk betrekking heeft op de daarvoor gedane concrete verzoeken tot onderzoek. In dat licht bezien zou het oordeel van het hof dat het verzoek te weinig specifiek is om daarop een beslissing te nemen onbegrijpelijk zijn, nu alle verzoeken om nader onderzoek immers zeer concreet zijn gespecificeerd en veelal voorzien van (aangescherpte) hypothesen die aan het onderzoek of reconstructie ten grondslag zouden moeten liggen. Naar het mij voorkomt faalt deze klacht reeds omdat de stellers van het middel kennelijk menen dat in hetgeen het hof onder ad 4 heeft geschaard geen zelfstandig voorwaardelijk verzoek is gelegen.
3.37 De tweede deelklacht faalt. Daarmee faalt het eerste middel.
Het tweede middel
4.1 Het tweede middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht heeft betrekking op de verwerping van een verweer dat de onmogelijkheid tot het doen verrichten van tegenonderzoek in strijd is met een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM. De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Voordat ik overga tot het bespreken van deze deelklachten geef ik eerst delen van de pleitnotities en de relevante overwegingen uit het bestreden arrest weer
Delen van de pleitnotities en relevante overwegingen van het hof
4.2 Blijkens de overgelegde pleitnotities hebben de raadslieden van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd als bedoeld in art. 359a Sv. De pleitnotities houden voor zover van belang het volgende in:
“Als uw hof wel tot een veroordeling zou komen en het niet met de verdediging eens is dat cliënt dient te worden vrijgesproken, wat is dan een passende straf (A) en welke elementen spelen daarbij een relevante rol. Dit ga ik eerst behandelen. In dit kader zal ik ook het OM appel bespreken, die immers ook van het vonnis van de rechtbank in beroep is gegaan.
(…)
Ad A:
Als u mij in mijn nog te voeren vrijspraakverweer niet zou volgen, wijs ik u op de volgende factoren, die mijns inziens relevant zijn bij de bepaling van de straf:
Vormverzuimen:
1. De verdediging is met de rechtbank van mening dat het optreden van het Openbaar Ministerie tot onherstelbare vormverzuimen heeft geleid, die in het vonnis van de rechtbank tot strafvermindering hebben geleid. Het OM is het hier niet mee eens. Daar het OM hiervan in appel is gekomen zal ik deze vormverzuimen wederom uitvoerig bespreken en onderbouwen.
Ten eerste bestaat er een onherstelbaar vormverzuim, nu het OM de PD niet heeft veiliggesteld voor nader onderzoek. De verdediging wilde de Golf van het slachtoffer laten onderzoeken en heeft hiertoe ook een expliciet verzoek gedaan. Dit onderzoek was niet echter meer mogelijk omdat deze Golf al was teruggegeven aan de nabestaanden, die de auto verkocht hadden, ten tijde van dit verzoek.
Het belang van het onderzoek aan de auto van het slachtoffer was het volgende:
Als er kruitsporen zouden worden aangetroffen op de bijrijdersstoel dan zat daar dus niemand ten tijde van het afvuren van de kogel. Dat duidt dan op zelfdoding, zeker nu we weten dat de schootsafstand minder dan 2,5 cm was. Als er geen kruitsporen op de bijrijdersstoel zouden worden aangetroffen, heeft daar dus iemand naast [slachtoffer] gezeten ten tijde van het afvuren van de kogel.
Op deze wijze is de verdediging de mogelijkheid ontnomen om uiterst relevant onderzoek te laten doen naar de PD. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art 359a Sv. Ten aanzien van de in art 359a lid 2 genoemde factoren voer ik aan:
Het ontnemen van de mogelijkheid aan de verdediging tot het laten doen van dit onderzoek is een schending van artikel 6 EVRM. Het recht op een eerlijke behandeling in dit strafproces is geschonden.
De ernst van het verzuim:
Equality of arms is in het geding, daar politie en justitie wel onderzoek hebben kunnen laten uitvoeren aan de auto van het slachtoffer, maar de verdediging deze kans is ontnomen door deze teruggave. Op deze wijze is essentieel bewijsmateriaal, nota bene de PD, door justitie weggegeven, waardoor uiterst relevant nader onderzoek, hetwelk nog niet was verricht, op verzoek van de verdediging niet meer tot de mogelijkheden behoorde.
Het nadeel dat wordt veroorzaakt:
Op deze wijze is de verdediging de mogelijkheid ontnomen om aan te tonen dat het zelfdoding was. Cliënt heeft op deze wijze geen eerlijk proces. De verwezenlijking van het recht op toegang tot mogelijk ontlastend materiaal is de verdediging ontnomen. Ik verwijs naar de zaak Messier (EVRM).
De rechtbank heeft in zijn vonnis geoordeeld dat dit een onherstelbaar vormverzuim is in de zin van art. 359a Sv en dit heeft geleid tot strafvermindering. De verdediging is het niet eens met het verder niet onderbouwde standpunt van het OM in de appelmemorie dat de rechtbank hier had kunnen volstaan met de enkele vaststelling van een vormverzuim.
In het licht van de EVRM jurisprudentie in deze is de verdediging ook onvoldoende compensatie geboden. In het bijzonder verwijs ik hierbij naar de afwijzing van onderzoekswens 13 door Uw Hof. Namelijk onderzoek laten doen naar wat er nog wel te onderzoeken is aan deze auto en dat betreft het onderzoek naar het schotrestenpatroon op de veiliggestelde folie’s uit de auto van het slachtoffer.
2.Ten tweede heeft het OM naar de mening van de verdediging bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, die niet proportioneel zijn:
1. Afluisteren van gesprekken die cliënt met zichzelf voert in zijn cel, inclusief gebeden.
2. Bedreigen/pogen tot afpersen van cliënt middels die brief naar de PI.
3. Bedreigen/pogen tot afpersen van zijn zus.
De verdediging betwist de rechtmatigheid van de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen.
Het gebruik van dit bijzondere opsporingsmiddel moet wel de toets der proportionaliteit en subsidiariteit doorstaan. Bovendien mogen opsporingsambtenaren geen strafbare feiten plegen bij de inzet. Mijns inziens is dat wel gebeurd. Cliënt, zijn vrouw en zijn zus zijn bedreigd, althans is gepoogd hen af te persen.
De vertoonde beelden, en ook de geverbaliseerde verslaglegging hiervan, laten zien dat de zus van mijn cliënt [betrokkene 12] bedreigd wordt door enkele mannen. Ze wordt omringd door druk zwaaiende en kanker schreeuwende kerels, die haar duidelijk maken dat het hen menens is als er voor het eind van het jaar geen € 150.000 in bitcoins wordt betaald. Ik begrijp heel goed dat [betrokkene 12] dit als uiterst bedreigend heeft ervaren. Ik heb haar direct na deze aanloopactie huilend aan de telefoon gehad, waarbij zij zeer geëmotioneerd haar verhaal deed. Zij was zeer aangedaan. Ook mijn cliënt heeft dit niet ongemoeid gelaten, om het eufemistisch uit te drukken.
Aan het eind van het laatste politieverhoor werd cliënt verteld dat deze actie dreiging aan het adres van [betrokkene 12] en de kaart die cliënt in de PI heeft ontvangen door de politie in scene zijn gezet. Dit heeft tot heftige emoties geleid bij cliënt. Ik wist dat cliënt al heel lang op grond van levensbedreigende dreiging in afzondering zat in de PI. De angst die dit met zich meebrengt werd pas echt reëel toen cliënt hoorde van de dreiging jegens [betrokkene 12] op 3 december 2020 en de ontvangen kaart. Nu kwam het heel dichtbij en was het reeel. Het was stuitend om dan maanden later, te weten op 30 april 2021 bij het laatste verhoor te vernemen dat deze inzet door de politie was gepleegd. [betrokkene 12] was bedreigd door mensen van de politie, althans onder regie van de politie.
Cliënt, zijn zus en zijn vrouw zijn derhalve ruim 4 1/2 maand in angst achtergelaten, terwijl de politie beter wist.
Mijns inziens volstrekt ten onrechte deelde de OvJ in eerste aanleg mee dat er geen aangifte mogelijk is omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt bij dit handelen van de politie. Het gaat er bij een bedreiging natuurlijk om of de bedreigde zich objectief gezien redelijkerwijs bedreigd kon voelen door de gebezigde bewoordingen, in combinatie met de gedragingen. De beelden, het geluid en de gesproken tekst, zoals geverbaliseerd spreken mijns inziens voor zich.
Bij deze voer ik het 395a Sv verweer, niet alleen voor het aanlopen van [betrokkene 12] , maar ook voor het vervolg, te weten het versturen van de kaart met tekst en foto aan mijn cliënt. Hier wordt een vervolg gegeven op de eerdere bedreiging van [betrokkene 12] .
De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw (het schrijven met foto aan hem gericht in de PI is te zien als een indirecte bedreiging van zijn vrouw) zijn hard bij hem binnengekomen. Ook cliënt was geheel van streek. Hij zat immers al maanden in de PI in afzondering wegens een anonieme dreiging op zijn leven, die door het GRIP zo serieus werd genomen dat cliënt hiervoor ruim ½ jaar in afzondering heeft doorgebracht. Door deze bedreiging van zijn zus en vrouw, werd deze dreiging op zijn leven concreet. Hierdoor hebben zijn zus [betrokkene 12] , zijn vrouw [betrokkene 3] en hij zelf doodsangsten uitgestaan. Het heeft tot veel angst, spanning en stress geleid bij cliënt.
Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art 359a Sv. Ten aanzien van de in art 359a lid 2 genoemde factoren voer ik aan:
Het belang dat het geschonden voorschrift dient:
Het aanlopen van [betrokkene 12] kwalificeer ik als een bedreiging van [betrokkene 12] (artikel 285 Sr.). Dit is een strafbaar feit en dat mag niet. [betrokkene 12] wordt omringt door opdringerige kanker roepende mannen, die druk en dreiging uiten, door te zeggen dat ze tegen [verdachte] moet zeggen dat hij voor 31 december 150.000 in bitcoins moet betalen. Doekoe moet terug. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit. We maken geen grappen, zeggen ze letterlijk (pagina 2428 PV). Me dunkt dit is een bedreiging! Ik verwijs ook naar het filmpje. Het is mijns inziens ook te kwalificeren als een poging tot afpersing (artikel 317 Sr). Ik verwijs ook naar de aangifte van deze bedreiging door zus [betrokkene 12] op 3 december 2020 (vide pagina 2578 t/m 2581 PV). Het zou ook nog te kwalificeren zijn als belaging (art. 285b Sr: iemand vrees aanjagen).
De dreiging die bij cliënt is binnengekomen door dit bedreigen cq. pogen tot afpersen, dan wel belagen van [betrokkene 12] en het nadien ontvangen van de kaart met foto in de PI, in de context van de anonieme dreiging die er al op zijn leven was, is ook te kwalificeren als bedreiging, poging tot afpersing, althans belaging van mijn cliënt (art. 285 Sr), althans is te zien als een schending van artikel 3 EVRM.
[betrokkene 12] heeft met cliënt gebeld en melding gemaakt van deze bedreiging. Cliënt was hiervan helemaal van de kaart. Op 4 januari 2021 heeft cliënt toen in de [PI] de brief ontvangen, die is bijgevoegd bij het PV van bevindingen (zie pagina 2576/2577 PV), met de tekst: “Zit je lekker veilig en rustig in je cel; Heb je al gesproken met je zus; Wij wachten nog steeds; Kijk naar de foto; Voor vergiffenis is het nooit te laat.” De bijgaande foto (pag 2577) toont de voordeur van het huis van zijn vrouw [betrokkene 3] . Mijns inziens is evident dat dit een strafbaar feit oplevert jegens mijn cliënt. Subsidiair vind ik deze handelwijze van de politie een inbreuk op de integriteit van mijn cliënt. De inbreuk op zijn integriteit levert mijns inziens strijd met artikel 3 EVRM op.
De ernst van het verzuim:
Het hard aanpakken en onder druk zetten van een verdachte tijdens het vooronderzoek kan onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. Het toepassen van deze methoden vindt zijn begrenzing waar deze overgaan in een behandeling die strafbaar is, althans strijdig met art. 3 EVRM. Gebleken is dat er strafbare feiten zijn gepleegd met psychische schade tot gevolg. Er is geen ruimte voor het plegen van strafbare feiten door de politie. Dit maakt dat er sprake is van een ernstig verzuim. Het optreden van de politie zoals in deze zaak is niet toegestaan. Als de politie onschuldige burgers gaat bedreigen is het hek van de dam.
Het nadeel dat door het geschonden voorschrift wordt veroorzaakt:
Het bedreigen van [betrokkene 12] en de dreiging naar mijn cliënt toe heeft geen bewijs opgeleverd. De toegepaste bejegening van mijn cliënt heeft niet geleid tot bewijs. Het nadeel is dan ook beperkt. Door de dreiging heeft cliënt doodsangsten gehad. De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw heeft cliënt veel stress en spanning opgeleverd gedurende 4 ½ maand.
Gevolg:
Welk rechtsgevolg moet aan deze onherstelbare vormverzuimen worden verbonden? Voor niet-ontvankelijk bij een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a is alleen plaats bij schending van het Zwolsman of Karmancriterium. Mijn onderbuik zegt dat dit hier eigenlijk wel aan de orde is.
Bij het eerste verzuim wordt uiterst relevant bewijsmateriaal, te weten de PD, weggeven voordat al het nodige onderzoek is verricht, althans voordat de verdediging hiertoe verzoeken heeft kunnen doen.
Bij het tweede kan het toch niet zo zijn dat onschuldige burgers worden bedreigd door de politie en maanden in angstige onzekerheid worden gelaten. Als dit niet voldoende gesanctioneerd wordt geeft het mijns inziens een vrijbrief voor justitie om dit onrechtmatige gedrag te blijven herhalen.
Gezien de jurisprudentie is niet ontvankelijkheid helaas een brug te ver, maar ik vind wel dat dit gedrag stevig gesanctioneerd moet worden. Bij het eerste verzuim ontneemt justitie mijn cliënt de kans op een eerlijk proces, althans op het laten doen van essentieel onderzoek, dat zeer ontlastend materiaal zou kunnen opleveren. Bij het tweede verzuim verziekt het mijns inziens feitelijk de opsporing als we gaan toestaan dat de politie strafbare feiten mag plegen om een strafrechtelijk onderzoek vlot te trekken.
Strafvermindering is naar de mening van de verdediging gerechtvaardigd. Ik verwijs naar de motivering van de Hoge Raad in dit arrest van 23 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1092): strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van voldoende ernstige verzuimen ex 359a Sv is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte kan grond bieden voor strafvermindering.
AG Bleichrodt schrijft in zijn conclusie bij bovenvermeld arrest (ECLI:NL:PHR:2020:654): het zonder rechtsgevolg blijven van vormverzuimen brengt niet alleen het gevaar van toekomstig gebrek aan rechtsdiscipline in de opsporing met zich mee (het preventieargument), maar kan ook leiden tot aantasting van de integriteit en het gezag van de overheid (het integriteitsargument).
Met verwijzing naar dit Anne Faber arrest verzoek ik om strafvermindering: zoals daar is vastgesteld, vind ik ook hier: zo ga je niet met verdachten om. Dit moet gesanctioneerd worden. Als u mij derhalve onverhoopt niet zou volgen en niet tot een vrijspraak zou komen, dient de op te leggen straf verminderd te worden op grond van deze onherstelbare vormverzuimen.
Ten aanzien van het aanlopen van de zus van cliënt en het versturen van de ansichtkaart heeft het OM betoogt en dit herhaalt in de appelmemorie dat dit met instemming van de RC is gebeurd. De rechtbank heeft hier anders over geoordeeld en de verdediging volgt hierin de rechtbank. De rechtbank heeft (vide pagina 10 van het vonnis) geoordeeld dat de eerder genoemde twee acties “op grond van artikel 126j Sv niet aan de RC, althans niet formeel en in concreto, zijn voorgelegd”. De rechtbank heeft voorts op de lezing van de OvJ dat de hele kwestie was voorgelegd aan de RC en dat mede om die reden er geen sprake zou zijn van een vormverzuim een onjuiste voorstelling van zaken is.
De rechtbank heeft dan ook geconstateerd dat er sprake geweest is van een verregaande inbreuk op de rechten van verdachte en zijn zus. De manier waarop de zus van verdachte is achtervolgd (namelijk voor haar merkbaar) en vervolgens is benaderd, kan moeilijk anders gezien worden als een bedreiging.
De rechtbank heeft geoordeeld dat - hoewel er nog onbeantwoorde vragen waren - er eind 2020 voldoende duidelijkheid was op de zaak te kunnen berechten. Toch is ervoor gekozen om gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde en van verdachte. Daarmee heeft het OM naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare overschreden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval bij de inzet van deze acties niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, waardoor er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek.
Het OM heeft in haar appelmemorie gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inzet van het middel in december niet meer proportioneel zou zijn. Immers ten tijde van de inzet was het multidisciplinair onderzoek van het NFI nog niet gereed. Dat het onderzoek “op enige technische details na gereed was, zoals de rechtbank stelt, betwist het OM.
De verdediging is het met de rechtbank eens en betwist de juistheid van het door het OM in haar appelmemorie gestelde. Ik wil in dit kader nog even benadrukken wat het OM zelf heeft verklaard:
Op de pro forma zitting van 29 juli 2020 verklaart de OvJ reeds op pagina 2 van het PV van de zitting: “...De volgende zitting op 8 oktober 2020, is wat het Openbaar Ministerie betreft de laatste pro forma zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak is gepland in begin december van dit jaar”.
De Officier van Justitie heeft voorts op 8 oktober 2020, tijdens die pro forma zitting gemeld dat wat het OM betreft “het tactisch onderzoek zo goed als gereed is en het PV zo goed als af.” (zie pagina 1 van het PV van de zitting d.d. 8 oktober 2020).
De onderhavige inzetten vinden maanden nadien plaats, te weten op 3 december 2020 en 4 januari 2021.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de verdachte nadeel van deze inzet heeft ondervonden: deze actie heeft voor de nodige angst bij verdachte gezorgd, angst voor zichzelf maar zeker ook voor zijn familie voor wie hij vanuit detentie niets kon betekenen. De rechtbank volgt de verdediging voorts ook in het oordeel dat ook als dit niet tot een benadeling van de verdachte is zijn strafzaak heeft geleid ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. De verdediging kan zich vinden in dit oordeel en het gevolg, te weten vermindering in enige mate van de op te leggen straf..”
4.3 Het hof heeft in het bestreden arrest met betrekking tot de door de raadslieden gevoerde verweren het volgende overwogen:
“6. Vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv
6.1.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het openbaar ministerie zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank om strafvermindering toe te passen vanwege het onherstelbare vormverzuim gelegen in de (te vroege) teruggave van de auto van het slachtoffer aan diens weduwe. Volstaan moet worden met de constatering van dit verzuim. Bovendien is het de verdachte die vanaf 7 oktober 2019 op de snelle verkoop van de auto heeft aangedrongen en hebben deskundigen vanaf het begin gezegd dat bij een schot in zo’n kleine ruimte als de auto overal schotresten terechtkomen en daarom niet onderscheidend zijn.
Verder heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de acties gebaseerd op artikel 126j Sv, te weten: het aanlopen van de zus van de verdachte op 3 december 2020 en het sturen van een kaart naar de verdachte in de Penitentiaire Inrichting op 4 januari 2021, voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, dat de politieambtenaren in dit kader geen strafbaar feit hebben gepleegd en dat al met al geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.
Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat, mocht het hof van oordeel zijn dat ter zake deze laatstgenoemde twee acties krachtens artikel 126j Sv wél sprake is van enig vormverzuim, ter zake kan worden volstaan met de constatering daarvan. Tot slot heeft de advocaat-generaal uiteengezet dat het afluisteren van de verdachte in diens cel, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank, niet als een vormverzuim dient te worden aangemerkt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv en dat deze cumulatief beschouwd tot strafvermindering dienen te leiden.
Allereerst is in dit verband aangevoerd dat het openbaar ministerie de plaats delict (de auto van het slachtoffer) niet (lang genoeg) heeft veiliggesteld voor het verrichten van nader onderzoek, zoals de verdediging heeft verzocht. Door het ontnemen van deze mogelijkheid is tevens aan de verdediging de toegang tot mogelijk ontlastend bewijsmateriaal ontzegd. Ter zake van dit onherstelbare vormverzuim is bovendien aan de verdediging onvoldoende compensatie geboden, omdat het verzoek tot het verrichten van onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto is afgewezen. Onder deze omstandigheden is het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), geschonden, aldus de verdediging.
Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie op onrechtmatige wijze bijzondere opsporingsmiddelen heeft ingezet, waarbij niet is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste, waarbij zij heeft gewezen op:
i) (…)
ii) de bedreiging, poging tot afpersing dan wel belaging van de verdachte door het sturen van een brief/ansichtkaart naar de verdachte in de Penitentiaire Inrichting waar hij destijds verbleef;
iii) de bedreiging, poging tot afpersing dan wel belaging van [betrokkene 12] , een zus van de verdachte. Meer in het bijzonder heeft de verdediging ten aanzien van de onder ii) en iii) genoemde opsporingsmiddelen/kort gezegd, uiteengezet dat de politieambtenaren strafbare feiten hebben gepleegd jegens de verdachte, zijn zus en (indirect) ook tegen zijn vrouw.
Ten aanzien van het onder ii) genoemde opsporingsmiddel heeft de verdediging subsidiair betoogd dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM. De verdachte, zijn zus en zijn vrouw hebben, mede bezien in de context van de anonieme dreiging die toen al op het leven van de verdachte bestond, ten gevolge van deze handelwijze van de politie doodsangsten uitgestaan. Eén en ander heeft de verdachte bovendien veel stress en spanning bezorgd.
(…)
6.3
Het oordeel van het hof
Schending van het recht op een eerlijk proces door (te vroege) teruggave van de auto
Op grond van de processtukken staat vast dat het slachtoffer in zijn auto, een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] (hierna ook: ‘het voertuig’ dan wel ‘de auto’) in zijn hoofd is geschoten. Het voertuig is op 2 oktober 2019 forensisch onderzocht in de onderzoeksgarage van de forensische opsporing van de politie Eenheid Amsterdam. Ten tijde van dit onderzoek waren nog verschillende hypothesen en scenario's mogelijk, zodat verschillende locaties in het voertuig zijn bemonsterd op de aanwezigheid van schotresten en op de aanwezigheid van humaan biologisch materiaal (dossierpagina Z481-Z484). Op 14 november 2019 heeft [verdachte] , die op dat moment nog niet als verdachte was aangehouden, ten behoeve van de weduwe van het slachtoffer het voertuig opgehaald bij de politie. De verdediging heeft reeds in het kader van de eerste zitting bij de rechtbank op 26 februari 2020 verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de schotresten en het kruitpatroon in de auto van het slachtoffer. De verdediging achtte dit onderzoek van belang omdat daarmee mogelijkerwijs geconcludeerd kon worden dat het aannemelijker is dat vanaf de bestuurdersstoel of juist vanaf de bijrijdersstoel is geschoten.
De verdediging heeft gesteld dat sprake is van een vormverzuim. Uit de toelichting leidt het hof af dat de verdediging betoogt dat het verzuim hierin bestaat dat door het teruggeven van de auto haar recht op het laten verrichten van tegenonderzoek geschonden is.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat de eis van een eerlijke procesvoering inderdaad kan meebrengen dat aan een verzoek tot tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of dit recht bestaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval in de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van (bijvoorbeeld) de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat. De vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staat, dient uiteraard aan de hand van diezelfde omstandigheden te worden beoordeeld (vgl. HR ECLI:NL:HR:2019:1065, HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293).
Het hof constateert met de raadsman dat in de onderhavige zaak de auto van het slachtoffer in een relatief vroege fase van het opsporingsonderzoek aan diens nabestaanden is teruggegeven en dat daardoor het door de verdediging gewenste tegenonderzoek niet meer kon worden uitgevoerd. In dit verband overweegt het hof allereerst, dat uit het dossier blijkt dat het de verdachte is geweest die vanaf 7 oktober 2019 bij de weduwe van het slachtoffer op de verkoop van het voertuig heeft aangedrongen (dossierpagina Z1743) en die op 14 november 2019 de auto bij de politie heeft opgehaald (dossierpagina Z1990).
Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog dat de onmogelijkheid tot het doen verrichten van het tegenonderzoek, zoals hiervoor omschreven, in deze zaak aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staat. Op voorhand is duidelijk dat de resultaten van het tegenonderzoek geen tegenwicht in ontlastende zin zouden hebben kunnen bieden aan de in de bewijsoverweging uiteengezette voor de verdachte belastende resultaten (kort gezegd: het DNA- en schotrestenonderzoek en waarneming van de getuige [betrokkene 5] die erop neer komt dat hij tegelijkertijd met het vertrek van de Mercedes van de verdachte vanaf de plaats delict het beschoten slachtoffer in diens auto heeft gezien). In dat kader acht het hof tevens van belang dat in het opsporingsonderzoek de betrokken deskundigen van meet af aan te kennen hebben gegeven dat bij een schot in een dergelijk kleine ruimte, de auto, overal schotresten terecht (kunnen) komen en deze daarom niet onderscheidend zijn. Het schot had in een andere auto dan die van het slachtoffer kunnen worden nagebootst, maar ook in die situatie heeft te gelden dat met een dergelijk onderzoek geen informatie verkregen had kunnen worden die naar diverse scenario’s onderscheiden had kunnen worden. Het hof concludeert op grond hiervan dat het door de verdediging verzochte tegenonderzoek niet had kunnen leiden tot redengevende onderzoeksresultaten met betrekking tot de gronden waarop de verdediging de wens tot het verrichten van dat onderzoek heeft gestoeld. Het hof is dan ook van oordeel dat met de teruggave van de auto in genoemd stadium geen inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en in redelijkheid niet valt in te zien dat de verdachte hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
Met betrekking tot het standpunt van de raadsman dat de verdediging onvoldoende is gecompenseerd voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het verrichten van tegenonderzoek (omdat het verzoek tot het verrichten van onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto is afgewezen), verwijst het hof naar verklaringen van de deskundige Knijnenberg van 2 september 2020. De deskundige heeft verklaard dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten. Vaststaat dat in de auto, de witte Volkswagen Golf van het slachtoffer, is geschoten; tussen de verschillende scenario’s kan geen onderscheid worden gemaakt. Gelet op de constateringen van de deskundige ziet het hof, in het licht van hetgeen door de verdediging aan het verzoek ten grondslag is gelegd, in redelijkheid niet in dat en, zo ja, op welke wijze een onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto aan de verdediging compensatie had kunnen bieden zoals hier bedoeld.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de procedure als geheel voor de verdachte eerlijk is geweest. Het hof verwerpt het verweer strekkende tot strafvermindering, nu de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
(…)
Geen strafbaar handelen van de politie of schending van artikel 3 EVRM
Uit het dossier volgt dat in het kader van onderhavig politieonderzoek op grond van artikel 126j Sv twee acties zijn ingezet, te weten: het ‘aanlopen’ van de zus van de verdachte, [betrokkene 12] , en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel in de [PI] .
Op 24 november 2020 heeft de officier van justitie een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven als bedoeld in artikel 126j Sv. Het bevel strekte ertoe om [betrokkene 12] te benaderen op een wijze die de indruk zou wekken dat dit door een derde partij, niet zijnde de politie, werd gedaan. Op 3 december 2020 hebben opsporingsambtenaren van Team Heimelijke Operaties uitvoering gegeven aan dat bevel (dossierpagina Z2430). Voorafgaand aan de inzet gericht tegen [betrokkene 12] zijn de kaders waarbinnen dit moest gebeuren en de over te brengen boodschap met deze opsporingsambtenaren besproken. Hierbij is expliciet afgesproken dat geen sprake mocht zijn van een bedreiging (in juridische zin) en dat er geen fysiek contact mocht zijn tussen de opsporingsambtenaren en [betrokkene 12] . Op 3 december 2020 zijn de opsporingsambtenaren [betrokkene 12] gevolgd vanaf haar huis naar de rechtbank in Amsterdam. Onderweg hebben de mannen bij een bezinepomp bewust oogcontact gemaakt met [betrokkene 12] . Vervolgens hebben de opsporingsambtenaren haar opnieuw gevolgd tot aan de rechtbank en hebben haar daar opgewacht. De opsporingsambtenaren hebben toen een briefje bij de deurgreep van het bestuurdersportier van de geparkeerde auto van [betrokkene 12] geplaatst. Nadat [betrokkene 12] de rechtbank verliet en onderweg was naar haar auto, is zij door twee van hen aangesproken. Uit het dossier blijkt dat het gesprek als volgt is verlopen (dossierpagina Z2428):
Ik, verbalisant B-180, sprak [betrokkene 12] aan.
Ik zei tegen [betrokkene 12] :
"Ewa hoe gaat het met [verdachte] ? Hoe gaat het met [verdachte] ?
Luister zeg tegen [verdachte] , voor 31 december gaat hij 150.000 betalen.
Doekoe moet terug, jij en [verdachte] hebben een probleem. Je kent [verdachte] toch of ken je geen [verdachte] ?"
of woorden van gelijke strekking.
Wij, verbalisanten B-180 en B-270, hoorden [betrokkene 12] zeggen:
"Welke [verdachte] ? Wat heb ik daarmee te maken? Ik ken geen [verdachte] ? Mijn broertje?"
of woorden van gelijke strekking
We vervolgden het gesprek:
B-180: " 150.000 voor 31 december."
B-270: "Voor 31 december 150 kop.”
B-180: "Betaal die kanker doekoe, bij je auto staat hoe je het gaat betalen. Bitcoins, ik wil alleen Bitcoins. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem"
B-270: "Je hebt ons toch gezien bij je huis en bij tankstation?"
[betrokkene 12] : "Ja Ja."
B-180: "Je hebt ons gezien toch. Goed zo, knoop dat in je oren. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit."
B-270: "Kowed, we maken geen grappen!"
of woorden van gelijke strekking.
[betrokkene 12] is vervolgens naar haar auto gelopen, waarop zij een briefje aantrof met daarop het getal 150.000 en het adres van een bitcoinwallet. Zij is onmiddellijk teruggelopen naar de rechtbank, waar zij de beveiliging heeft aangesproken. [betrokkene 12] heeft hierop het alarmnummer 112 gebeld en heeft diezelfde dag nog aangifte gedaan van chantage/afpersing. Ook heeft zij contact opgenomen met de echtgenote van de verdachte [betrokkene 3] en haar verteld wat haar was overkomen.
Op 28 december 2020 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven om een brief en/of kaart met tekst en bijgevoegd een foto van de woning [d-straat 1] in [plaats] of een foto van de auto van de verdachte, te sturen naar de verdachte in de [PI] . Uit het bevel volgt dat druk/dreiging zal worden opgelegd door middel van de tekst die wordt gebruikt. De tekst zal verwijzen naar de dreiging die [betrokkene 12] heeft meegemaakt en naar de vraag wanneer het geld dat (vermoedelijk) door de verdachte is verduisterd zal worden terugbetaald. Op 4 januari 2021 heeft de verdachte in zijn cel een brief ontvangen met daarop de navolgende tekst (dossierpagina Z2575):
“As-Salam Alaykum
Zit je lekker veilig en rustig in je cel
Heb je al gesproken met je zus
Wij wachten nog steeds
Kijk naar de foto
Voor vergiffenis is het nooit te laat”
Bij de brief is een foto gevoegd van de voordeur van de woning aan [d-straat 1] in [plaats] , waar de verdachte met zijn vrouw [betrokkene 3] en haar dochter woonde. Op de foto is ook de auto van [betrokkene 3] te zien.
Het hof stelt voorop dat deze twee acties zijn gestoeld op bevelen van de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv. Anders dan bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie op grond van artikel 126l Sv, waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, kan een bevel als bedoeld in artikel 126j Sv zonder tussenkomst van de rechter-commissaris (uitsluitend) door een officier van justitie worden afgegeven. Het hof constateert aldus dat in zoverre van enige onrechtmatigheid geen sprake is.
Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat door de opsporingsambtenaren tijdens de inzet tegen [betrokkene 12] geen sprake is geweest van een bedreiging (in juridische zin) tegen de verdachte, (indirect) diens vrouw en/of [betrokkene 12] en dat ook overigens jegens (één of meer van) hen geen strafbaar feit is gepleegd door de opsporingsambtenaren. Daarbij is betrokken dat de tegen [betrokkene 12] gebruikte woorden, die erop neerkomen dat vóór het einde van de maand 150.000 betaald moest worden, niet zien op een concreet misdrijf en dit evenmin in voldoende mate impliceren. Naar het oordeel van het hof is daarnaast de wijze waarop [betrokkene 12] door de opsporingsambtenaren is aangesproken niet van dien aard of onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [betrokkene 12] of (indirect) de verdachte, of diens vrouw de redelijke vrees kon ontstaan dat een in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf zou worden gepleegd.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2020 aangaande het aanlopen van [betrokkene 12] blijkt dat de twee opsporingsambtenaren tijdens het gesprek op gepaste afstand van haar stonden, dat zij [betrokkene 12] de weg niet hebben geblokkeerd zodat zij vrij was om weg te lopen en dat zij haar tijdens het gesprek op geen enkel moment hebben aangeraakt of anderszins fysiek hebben bejegend (dossierpagina’s Z2425 tot en met Z2429). Niet gebleken is dat de opsporingsambtenaren zich tijdens het aanlopen van [betrokkene 12] op enigerlei wijze niet hebben gehouden aan de vooraf aan hen verstrekte opdracht en de in dat kader gemaakte afspraken, waaruit volgt dat zij binnen de kaders van het bevel hebben gehandeld, welk handelen dus niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.
Het hof volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat sprake zou zijn van een poging tot afpersing of belaging van de verdachte, (indirect) diens vrouw en [betrokkene 12] , reeds omdat het daartoe in dat verband vereiste opzet (onderscheidenlijk oogmerk) van de opsporingsambtenaren heeft ontbroken. Het hof wil wel aannemen dat het aanlopen van [betrokkene 12] en het versturen van de brief/kaart naar de verdachte in eerste instantie voor zowel de verdachte als zijn zus imponerend zijn geweest en bij hen tot onrust heeft geleid. Het hof is echter van oordeel dat de opsporingsambtenaren tijdens de inzet van deze middelen niet de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. Van een schending als bedoeld in artikel 3 EVRM is, gelet op al het voorgaande, naar het oordeel van het hof evenmin sprake.
Tenslotte acht het hof zowel het aanlopen van [betrokkene 12] als het versturen van de kaart naar de cel van de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Daartoe zijn met name de volgende omstandigheden in onderling verband redengevend: de ernst van het feit waarvan de verdachte werd verdacht (een levensdelict), de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de lange periode van onzekerheid waarin de nabestaanden, waarmee de verdachte als goede vriend in nauw contact had gestaan, toen al verkeerden. Door de proceshouding van de verdachte bleef ondanks alle inspanningen van het openbaar ministerie en de politie, zoals die uit het dossier volgen, onduidelijkheid bestaan over de feitelijke toedracht. Het politieonderzoek liep al gedurende ruim een jaar, toen is besloten tot een eenmalige gecombineerde inzet waarbij ook de zus van de verdachte werd betrokken. Deze beide inzetten zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd en dienden hetzelfde doel. De keuze om de inzet (deels) op [betrokkene 12] te richten is zorgvuldig gemaakt. Gedurende het onderzoek werd namelijk duidelijk dat de verdachte een hechte band had met deze zus; zij hadden een sterke vertrouwensrelatie en zeer frequent contact, ook over het onderzoek naar de verdachte. In dat stadium van het onderzoek was geen lichter of ander middel (meer) voorhanden. Bovendien had de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen niet enkel ten doel het scheppen van duidelijkheid aangaande het motief (ten behoeve van de nabestaanden), maar zag deze ook op de kwalificatievraag.
Het hof constateert dat uit de gecombineerde inzet van het aanlopen van [betrokkene 12] en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel en de daarop gevolgde OVC gesprekken geen voor de verdachte belastende informatie is voortgevloeid.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat ten aanzien van de inzet van het aanlopen van de zus van de verdachte en het versturen van een kaart naar de cel van de verdachte, geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer wordt ook in zoverre verworpen.
Conclusie
De onderdelen van het verweer van de raadsman strekkende tot strafvermindering dienen, noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, te leiden tot de door de raadsman gestelde conclusie. Het verweer wordt dan ook met betrekking tot alle onderdelen verworpen.
De bespreking van het middel
4.4
De eerste deelklacht bevat de klacht dat de verwerping van het verweer dat de onmogelijkheid tot het doen verrichten van het tegenonderzoek in deze zaak in strijd is met een eerlijke procesvoering als bedoeld in art. 6 EVRM, onbegrijpelijk is. Bij de beoordeling van deze klacht is van belang om de achtergrond van het door de verdediging gewenste, maar door teruggave van de auto onmogelijk geworden, ‘tegenonderzoek’ te schetsen.
4.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 26 februari 2020 heeft de raadsman van de verdachte een pleitnota overgelegd. Uit deze pleitnota volgt dat de verdediging het verzoek heeft gedaan om nader onderzoek te verrichten naar de schotresten en naar het kruitpatroon in de auto (Volkswagen Golf) waarin het slachtoffer is aangetroffen (ad 11). Dit verzoek dient te worden bezien in het licht van het door de verdediging opgeworpen scenario dat het slachtoffer door (onopzettelijke) zelfdoding om het leven is gekomen. De verdediging heeft ter onderbouwing van de noodzaak van het onderzoek aangevoerd dat “mogelijkerwijs geconcludeerd kan worden dat het aannemelijker is dat van de bestuurderstoel of juist van de bijrijdersstoel is geschoten”. De auto van het slachtoffer was op het moment van het verzoek reeds aan de nabestaanden teruggegeven8., die de auto hadden verkocht. Op de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim omdat het openbaar ministerie de plaats delict niet heeft veiliggesteld voor nader onderzoek. Aangevoerd is dat de equality of arms in het geding is omdat politie en justitie wel onderzoek hebben kunnen uitvoeren aan de auto van het slachtoffer, maar dat de verdediging deze kans is ontnomen en dat het ontnemen van de mogelijkheid aan de verdediging tot het laten doen van onderzoek naar schotresten en het kruitpatroon een schendig van art. 6 EVRM oplevert. Dit zou tot strafvermindering moeten leiden.
4.6
Bij de beoordeling van deze deelklacht kan het volgende voorop worden gesteld. Volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) is het beginsel van ‘equality of arms’ inherent aan het concept van een eerlijk proces. Het equality of armsbeginsel vereist dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet hebben om zijn of haar zaak te presenteren onder omstandigheden die hem niet in een aanzienlijk nadeel ten opzichte van zijn tegenstander plaatsen.9.Van belang is voorts dat het vereiste van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM de rechter niet de verplichting oplegt om een deskundigenoordeel of enige andere onderzoeksmaatregel te gelasten alleen omdat de verdediging daarom heeft verzocht. Wanneer de verdediging verzoekt om een deskundigenrapport is het aan de nationale rechtbanken om te beslissen of het noodzakelijk of raadzaam is om rapport op te laten stellen.10.De regels inzake de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal mogen de verdediging echter niet de mogelijkheid ontnemen om de bevindingen van een deskundige effectief te betwisten.11.
4.7
Zie ik het goed, dan zijn door de verdediging de resultaten van het reeds uitgevoerde onderzoek naar de auto van het slachtoffer niet betwist. Evenmin is de deskundigheid van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd betwist. De achtergrond van het verzoek tot nader onderzoek is aldus niet het betwisten van belastend bewijsmateriaal, maar het mogelijk verkrijgen van ontlastend bewijsmateriaal. Van een ‘tegenonderzoek’ is naar het mij voorkomt geen sprake.12.
4.8
Het hof heeft geoordeeld dat met de teruggave van de auto in een relatief vroege fase van het opsporingsonderzoek geen inbreuk is gemaakt op de beginselen van behoorlijke procesorde en dat in redelijkheid niet valt in te zien dat de verdachte hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Aan dat oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat in het opsporingsonderzoek de betrokken deskundigen van meet af aan te kennen hebben gegeven dat bij een schot in een dergelijke kleine ruimte, de auto, overal schotresten terecht (kunnen) komen en deze daarom niet onderscheidend zijn. En dat het schot in een andere auto dan die van het slachtoffer had kunnen worden nagebootst, maar dat ook in die situatie heeft te gelden dat met een dergelijk onderzoek geen informatie had kunnen worden verkregen die naar diverse scenario’s onderscheiden had kunnen worden. Uit ’s hofs overweging volgt derhalve dat het verzochte onderzoek naar het oordeel van het hof niet relevant kan zijn in verband met het aan de verdachte ten laste gelegde feit. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Door te overwegen dat de procedure als geheel voor de verdachte eerlijk is geweest heeft het voorts hof tot uitdrukking gebracht dat van een schending van het beginsel van ‘equality of arms’ geen sprake is. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.9
De eerste deelklacht faalt.
4.10
De tweede deelklacht komt op tegen ’s hofs oordeel dat ten aanzien van de inzet van het aanlopen van de zus van de verdachte en het versturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. Dit oordeel zou onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd zijn en blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder zou dit (ook) gelden voor de aan dit oordeel ten grondslag liggende beslissingen van het hof dat de opsporingsambtenaren geen strafbare feiten hebben gepleegd jegens de verdachte en zijn zus en dat het aanwenden van de twee bedoelde opsporingsmiddelen voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4.11
Art. 359a Sv ziet op vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge art. 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.13.
4.12
Art. 126j Sv luidt voor zover van belang:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.
(…)
3. Het bevel tot het inwinnen van informatie is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en
d. de geldigheidsduur van het bevel.”
4.13
Bij opsporing door gebruik van deze bevoegdheid is de persoonlijk levenssfeer van de verdachte in het geding, aangezien een opsporingsambtenaar stelselmatig, al dan niet actief deelnemend, aanwezig is in het leven van de verdachte en anderen. Daarnaast is sprake van misleiding van deze personen omdat zij niet weten dat ze van doen hebben met een opsporingsambtenaar. Deze gang van zaken brengt ook risico’s mee voor de verklaringsvrijheid van de verdachte omdat hij in een verhoorsituatie terecht zou kunnen komen zonder de waarborgen van een formele verhoorsituatie.14.De rechtspraak over art. 126j Sv heeft dan ook met name betrekking op de problematiek rond deze verklaringsvrijheid.15.
4.14
In de onderhavige zaak is echter niet sprake van zo een typische inzet van deze bevoegdheid. Van stelselmatigheid is geen sprake bij slechts twee inzetten, waarvan er maar één heeft geleid tot een persoonlijke ontmoeting en dan nog niet eens met de verdachte zelf. Het doel van de inzet was niet dat de niet als zodanig herkenbare opsporingsambtenaren (rechtstreeks) iets van de verdachte of een ander te horen zouden krijgen. Een potentiële verhoorsituatie is dan ook nooit in zicht geweest. Het element van de inzet in de onderhavige zaak dat het meest met de bevoegdheid art. 126j Sv in verbinding kan worden gebracht, is dat van de misleiding.16.
4.15
De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder de uitoefening van de bevoegdheid van art. 126j Sv, dient steeds te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze beginselen maken deel uit van de beginselen van een goede procesorde. Waar de inzet van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning gevaar oplevert voor de verklaringsvrijheid van de verdachte heeft de Hoge Raad expliciet overwogen:
“Gelet daarop zal vooreerst bij de toetsing van een zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uitgangspunt moeten zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf zulks rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.”17.
4.16
In het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit gecodificeerd. Het voorgestelde artikel 2.1.3 bepaalt dat “een bevoegdheid alleen [wordt] uitgeoefend indien: a. het daarmee beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kan worden bereikt en b. de uitoefening daarvan in redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel”.18.Deze formulering sluit aan bij de wijze waarop het beginsel ook wordt geformuleerd in de literatuur.19.In het hiervoor weergegeven citaat uit het arrest van de Hoge Raad wordt voor de proportionaliteit een wat beperkter afwegingskader gegeven, namelijk dat de ernst van het misdrijf de toepassing van de bevoegdheid moet rechtvaardigen. Ik neem echter aan dat de Hoge Raad hier heeft bedoeld voor de in het arrest beschreven gevallen een minimumregel te formuleren, zonder een bredere toetsing aan de beginselen van een goede procesorde te willen uitsluiten.
4.17
In de memorie van toelichting bij boek 2 voor een nieuw Wetboek van Strafvordering wordt duidelijk gemaakt dat de beschreven beginselen van betekenis zijn bij de abstracte afweging door de wetgever welke voorwaarden in de wet moeten worden verbonden aan de uitoefening van deze bevoegdheden. Daarnaast zijn de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit echter ook van groot belang zijn bij de afweging door de bevoegde autoriteit of een bepaalde bevoegdheid in het concrete geval zal worden uitgeoefend. De wetgever signaleert dat gezien het belang van de deze beginselen voor het opsporingsonderzoek een algemene bepaling waarin deze beginselen centraal worden gesteld in de wettelijke regeling van dat onderzoek niet mag ontbreken. Uit het artikel vloeit dan ook wettelijk als algemeen uitgangspunt voort dat naarmate een bevoegdheid ingrijpender is, indringender de vraag kan worden gesteld enerzijds of de inzet daarvan noodzakelijk is voor het nagestreefde doel en anderzijds of niet met de inzet van een lichter middel kan worden volstaan. Daarmee wordt, aldus de wetgever, ook in de wet benadrukt dat de inzet van een bevoegdheid in het algemeen noodzakelijk moet zijn. Het is in eerste instantie aan de bevoegde autoriteit die beslist of de in te zetten bevoegdheid in overeenstemming is met de vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit.20.
4.18
De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn volgens de memorie van toelichting echter niet alleen van belang voor de autoriteit die de bevoegdheid uitoefent of daarover beslist, zij spelen ook een rol bij de rechtmatigheidstoets achteraf door de zittingsrechter, vooral bij bevoegdheden waarvoor geen machtiging van de rechter-commissaris is vereist.21.Volgens de toelichting moet de vraag of een bevoegdheid is uitgeoefend in overeenstemming met dit artikel, worden beantwoord naar het moment van de bevoegdheidsuitoefening. Het is niet de bedoeling overspannen eisen te stellen aan de opsporing, hetgeen volgens de toelichting ook naar geldend recht niet het geval zou zijn.22.Ik wijs erop dat in cassatie het oordeel van de feitenrechter over de proportionaliteit en subsidiariteit van de ingezette opsporingsbevoegdheid slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
4.19
Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Bij het hof is het grotendeels gegaan over de vraag of de opsporingsambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheid strafbare feiten hebben gepleegd. Ook (de toelichting op) het cassatiemiddel gaat uitgebreid in op vraag op sprake was van een strafbare vorm van bedreiging of een poging tot afpersing.
4.20
De discussie of opsporingsambtenaren een strafbaar feit hebben gepleegd lijkt mij echter niet erg vruchtbaar en voor de vaststelling of sprake is van een vormverzuim ook niet zonder meer noodzakelijk. Deze discussie kan namelijk leiden tot een proces binnen een proces dat per definitie onvolmaakt is omdat de door de opsporingsambtenaren mogelijk gepleegde feiten daarin niet centraal staan. Het handelen van de opsporingsambtenaren is verder verweven met een in de kern gerechtvaardigd opsporingsonderzoek en het gebruik van wettelijke opsporingsmethoden, zodat mogelijk niet aan alle voorwaarden voor strafbaarheid is voldaan, ook als wel in aanzienlijke mate inbreuk is gemaakt op de rechten van de verdachte.
4.21
Bovendien zal na de vaststelling dat een strafbaar feit is gepleegd en dat dit een vormverzuim oplevert, aan de hand van de factoren genoemd in art. 359a lid 1 Sv moeten worden nagegaan of een rechtsgevolg aan dit verzuim moet worden verbonden. Eén van die factoren is het door het verzuim veroorzaakte nadeel. De vaststelling dat een strafbaar feit is gepleegd, brengt echter niet zonder meer mee dat de verdachte ook een relevant nadeel heeft geleden. Illustratief hiervoor is de ook in het cassatiemiddel gemaakte vergelijking van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning van art. 126j Sv met de bevoegdheid tot politie-infiltratie van art. 126h. Volgens die laatste bepaling kan ”strafbaar gesteld handelen” worden toegestaan (art. 126h lid 3 onder d Sv). De memorie van toelichting bij de invoering van de artikelen 126j en 126h Sv stipt dit onderscheid aan waar zij stelt dat de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning zich onderscheidt van de bevoegdheid van politie-infiltratie, doordat bij stelselmatige informatie-inwinning niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. De opsporingsambtenaar zal dan ook niet deelnemen aan het plegen of beramen van misdrijven, aldus de toelichting.23.Het gaat bij infiltratie dus in beginsel om het plegen van misdrijven met de verdachte en niet om misdrijven jegens de verdachte.
4.22
Relevanter lijkt mij daarom in welke mate door de inzet en uitvoering van de opsporingsbevoegdheid inbreuk is gemaakt op de rechtsgoederen die onder andere door de strafbaarstelling van bepaald handelen worden beschermd en of die inbreuk rechtmatig was. De vaststelling dat is voldaan aan alle voorwaarden voor strafbaarheid kan dus bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een relevant vormverzuim, maar is daarvoor niet noodzakelijk omdat ook anderszins tot de vaststelling kan worden gekomen dat een inbreuk is gemaakt op de rechten van een verdachte en dat die inbreuk niet rechtmatig is, bijvoorbeeld wegens overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ik zie dan ook geen noodzaak de eerste twee gronden voor het cassatiemiddel, te weten het begaan van strafbare feiten jegens de verdachte en zijn zus, afzonderlijk te onderzoeken.
4.23
Voor de verdere beoordeling van het cassatiemiddel dient wel duidelijk te zijn welke rechtsgoederen hier in het geding zijn. De verdediging stelt dat de opsporingsambtenaren bij de verdachte opzettelijk angst hebben veroorzaakt voor gewelddadig handelen tegen hemzelf, zijn zus en zijn vrouw. Dergelijk handelen kan inbreuk maken op het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals onder ander vastgelegd in art. 3 EVRM, en op het recht verschoond te blijven van inbreuken op de fysieke en geestelijke integriteit van de verdachte, zoals onder andere beschermd door art. 8 EVRM.
4.24
Art. 3 EVRM behelst een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Om een bepaalde vorm van behandeling of bestraffing binnen het bereik van artikel 3 te brengen dient die een voldoende mate van ernst (‘minimum level of severity’) te hebben bereikt. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen een rol spelen de duur van de behandeling, de fysieke en mentale gevolgen ervan en, in sommige gevallen, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand. Een behandeling wordt als vernederend beschouwd wanneer het gevoelens van angst of minderwaardigheid oproept die zijn of haar morele en fysieke weerstand kunnen breken. Van belang kan ook zijn of het doel van de behandeling is gelegen in het vernederen. Het ontbreken van een dergelijke doel sluit een schending van art. 3 EVRM echter niet uit.24.In de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens komt naar voren dat art. 3 en 8 van het EVRM elkaar kunnen aanvullen in die zin dat als een slechte behandeling niet zodanig hevig is dat die het niveau van een onmenselijke of vernederende behandeling haalt, wel sprake kan zijn van een inbreuk op de fysieke en geestelijke integriteit van de betrokkene.25.
4.25
Voor een goed oordeel over de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van de opsporingsbevoegdheid in dit geval, is het van belang nader in te gaan op de door het hof aangehaalde bevelen van de officier van justitie die ten grondslag hebben gelegen aan het optreden van de opsporingsambtenaren. Het bevel stelselmatige inwinning van informatie van 24 november 2020 in verband met het ‘aanlopen’ van de zus van de verdachte houdt voor zover van belang in:
“Bevel stelselmatige inwinning van informatie(art. 126j Sv.)
(…)
Overwegende, dat ten aanzien van de verdachte
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
(…)
de verdenking bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het/de hierna te noemen misdrijven:
SR 287 DOODSLAG
SR 289 MOORD
(,,.)
Bepaalt, de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven als hierna omschreven:
Het onderzoeksteam wil [betrokkene 12] en/of haar zoon [betrokkene 13] gaan benaderen op een wijze wat de indruk wekt dat dit door een derde partij, niet zijnde de politie, wordt gedaan. Het moment zal op een tactisch moment worden gekozen om te voorkomen dat er door [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] een “link” wordt gelegd met een “opzet” van de politie. Het streven om dit te doen is binnen één week vanaf het moment dat verdachte is gehoord. Dit zal plaatsvinden de het meest tactische/gunstige moment en op één van de volgende wijzen plaatsvinden:
- In persoon aanspreken en/of
- Het non-verbaal contact leggen met [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of
- Het achterlaten van een bericht op/in de auto van [betrokkene 12] en/of
- Telefonisch op een van [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] bekend telefoonnummer
Hierbij zal, binnen toelaatbare druk/dreiging worden gezet op [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] . De druk/dreiging zal worden gelegd op het terugbetalen (al dan niet door haar/hem) van het (vermoedelijk) door verdachte van slachtoffer verduisterde geld. Dit contact/druk/dreiging zal worden gelegd/gemaakt op het moment dat hij/zij in een voertuig zit. Deze methode is binnen dit onderzoek niet “vreemd” gelet op daadwerkelijk dreiging op verdachte.”
4.26
Het bevel stelselmatig inwinning van informatie in verband met de verzonden brief/kaart aan de verdachte van 28 december 2020 houdt voor zover van belang in:
“Bevel stelselmatige inwinning van informatie(art. 126j Sv.)
(…)
Overwegende, dat ten aanzien van de verdachte
naam: [verdachte]
voornamen: [verdachte]
(…)
de verdenking bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan het/de hierna te noemen misdrijven:
SR 287 DOODSLAG
SR 289 MOORD
(…)
Bepaalt, de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven als hierna omschreven:
Het onderzoeksteam wil een brief en/of kaart sturen naar de [PI] (…) waar [verdachte] gedetineerd zit.
In deze brief en/of kaart zal in verdekte woorden worden omschrijven:
- Waar het geld blijft wat aan [betrokkene 12] is gevraagd,
- Foto van de woning [d-straat 1] te [plaats] mee te sturen
En/of
- Foto van de auto van [verdachte] mee te sturen,
De druk/dreiging zal worden opgelegd door de tekst, die zal worden gebruikt. De tekst zal verwijzen naar de dreiging die [betrokkene 12] heeft meegemaakt en op de vraag wanneer het geld dat (vermoedelijk) door de [verdachte] is verduisterd zal worden terugbetaald.”
4.27
Het hof heeft over de gevolgen van de inzet van deze opsporingsbevoegdheid geoordeeld dat “het wel wil aannemen” dat het aanlopen van de zus van de verdachte en het sturen van de kaart aan de verdachte “in eerste instantie” voor beiden “imponerend” is geweest en “bij hen tot onrust heeft geleid”. Dit oordeel van het hof acht ik niet begrijpelijk in het licht van hetgeen de verdediging bij het hof heeft aangevoerd over de gevolgen van het optreden van de opsporingsambtenaren en hetgeen het hof zelf heeft vastgesteld over dit optreden. Volgens de verdediging hebben zowel de verdachte als zijn vrouw en zus doodsangsten uitgestaan en hebben zij vier en een halve maand in angst, spanning en stress geleefd. Dat was tot het moment dat de politie vertelde zelf deze acties te hebben uitgevoerd. Het hof heeft in zijn overweging geen aandacht besteed aan de door de verdediging benoemde (lange) periode van vier en een halve maand van onzekerheid voor de verdachte en zijn familie. De vaststellingen van het hof houden in dat voor de verdachte onbekende personen een groot geldbedrag (mede via zijn zus) van hem hebben geëist. Deze personen hebben bij de confrontatie met de zus, die voor haar onverwacht kwam, laten weten dat de verdachte bij niet-betaling “een kanker groot probleem” heeft. De betrokken personen hebben daarbij gescholden en zich in die zin agressief opgesteld. Daar werd de overduidelijke boodschap aan toegevoegd dat deze personen de zus konden vinden. Zij hadden haar immers vanaf haar huis gevolgd en vervolgens fysiek geconfronteerd. Die boodschap was er ook over de vrouw van de verdachte toen een foto van haar voordeur werd opgestuurd. Dat ging gepaard met de vraag of de verdachte “lekker veilig en rustig” in zijn cel zat. Daarvan gaat ontegenzeggelijk de suggestie uit dat de personen in het huis op de foto niet veilig (en rustig) zijn. Dit alles speelde tegen de achtergrond van een dreiging jegens de verdachte die door de autoriteiten voldoende geloofwaardig werd geacht om hem lange tijd in het huis van bewaring in afzondering te plaatsen.
4.28
Het hof heeft verder geoordeeld dat de opsporingsambtenaren binnen de kaders van de bevelen stelselmatige informatie-inwinning zijn gebleven en hun optreden in die zin rechtmatig was. Verder heeft het hof geoordeeld dat deze inzet van bevoegdheden de “grenzen van het toelaatbare” niet heeft overschreden, dat “evenmin” inbreuk is gemaakt op art. 3 EVRM en dat de inzet in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit was. Wat het hof bedoelt met de “grenzen van het toelaatbare” is niet zonder meer duidelijk. Voor zover het hof hiermee tot uitdrukking wil brengen dat het optreden rechtmatig was, voegt dit niets toe aan de overweging. Voor zover het hof hier oordeelt dat het optreden geen inbreuk heeft gemaakt op rechten van de verdachte, acht ik dit oordeel niet begrijpelijk. Het opzettelijk gedurende lange tijd de vrees aanjagen dat de verdachte en, met name, zijn naasten geconfronteerd zouden kunnen worden met geweld, maakt naar mijn mening wel degelijk inbreuk op art. 3 of 8 EVRM. Dat een dergelijke actie onder deze omstandigheden gevoelens van angst bij de verdachte oproepen die zijn morele of fysieke weerstand kunnen breken, laat zich goed voorstellen. Dat dit optreden opzettelijk was, volgt uit de bevelen van de officier van justitie die vermelden dat “dreiging/druk” moest worden uitgeoefend en die nadrukkelijk aansloten bij de al bestaande dreiging jegens de verdachte.
4.29
De vervolgens door het hof aangelegde proportionaliteitstoets zou naar mijn mening ook in dit licht moeten worden bezien. Het hof heeft overwogen: “bovendien [had] de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen niet enkel ten doel het scheppen van duidelijkheid aangaande het motief (ten behoeve van de nabestaanden), maar zag ook op de kwalificatievraag”. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht, zo begrijp ik, dat de inzet enerzijds tot doel had om duidelijkheid omtrent het motief te krijgen en anderzijds om duidelijkheid te verkrijgen welk strafbaar feit (moord of doodslag) aan de verdachte kon worden verweten. De inzet van de bevoegdheid van stelselmatige informatie-inwinning is in beginsel gerechtvaardigd om te achterhalen welk strafbaar feit ten laste van de verdachte kan worden bewezen. Daarmee kan ook een nevendoel zijn gediend, zoals het belang van de nabestaanden om meer duidelijkheid te verkrijgen omtrent hetgeen met het slachtoffer is gebeurd. Het hof heeft bij zijn oordeel ook kunnen betrekken dat het ging om de verdenking van een levensdelict alsmede de omstandigheden waaronder dit feit is begaan.
4.30
Het hof had echter ook moeten beoordelen of de vastgestelde inzet van dit opsporingsmiddel, die inhield dat opzettelijk langdurig vrees voor geweld werd aangejaagd, in redelijke verhouding stond tot dit doel. Er lijken mij niet veel omstandigheden denkbaar waarin een dergelijk optreden gerechtvaardigd is. Ook in een geval als hier aan de orde, een levensdelict dat onder zeer verzwarende omstandigheden is gepleegd, lijkt mij de proportionaliteit niet zonder meer gegeven. Ik constateer dat het hof de gevolgen van de inzet van het opsporingsmiddel onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken en dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
4.31
De tweede deelklacht slaagt. Daarmee slaagt het tweede middel gedeeltelijk. Mijns inziens heeft de verdachte ook belang bij cassatie en terugwijzing. De door hem beoogde strafvermindering is immers denkbaar als rechtsgevolg van vormverzuimen die een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.26.Omdat de vraag of daadwerkelijk sprake is van een onrechtmatige bevoegdheidsuitoefening nog niet definitief is beantwoord, lijkt het mij minder voor de hand te liggen dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet door de straf te verminderen.
Het derde middel
5.
5.1
Het derde middel valt uiteen in drie deelklachten. De eerste deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de vorderingen voor ‘gederfd levensonderhoud’ van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De tweede en derde deelklacht zien op de toekenning van schokschade aan respectievelijk [benadeelde 1] en [benadeelde 3] .
De overwegingen van het hof en de standpunten van de partijen
5.2
Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met de vorderingen van de benadeelde partijen de volgende overweging opgenomen:
“13. De vorderingen van de benadeelde partijen
In deze strafzaak hebben de benadeelde partijen [benadeelde 1] , de minderjarigen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (via hun wettelijke vertegenwoordiger [benadeelde 1] ) zich in eerste aanleg gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding. [benadeelde 1] heeft tevens vergoeding gevorderd voor het opstellen van de rapporten voor haarzelf en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] door rekenkundig bureau Laumen Expertise. De advocaat van de benadeelde partijen heeft toegelicht dat de rapportages zijn opgesteld voor drie benadeelden en dat de kosten daarvoor daarom door ieder van hen worden gevorderd, maar dat deze kosten maar één keer hoeven te worden voldaan (brief mr. R. Korver van 27 oktober 2020). In hoger beroep hebben de benadeelde partijen zich opnieuw gevoegd voor hun oorspronkelijke vorderingen, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente.
13.1.
De vorderingen
[benadeelde 1] (weduwe van het slachtoffer)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 398.180,52. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 338.466,00 gederfd levensonderhoud, € 1.500,00 toekomstige medische reis-en parkeerkosten, € 1.364,52 oppaskosten, € 5.000,00 toekomstige oppaskosten, €30.000,00 schokschade en € 20.000,00 affectieschade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 361.645,52 inclusief € 1.815,00 voor het opstellen van de rapporten voor haarzelf en haar twee kinderen door Laumen Expertise en heeft de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige kosten en de schokschade/aantasting in de persoon op andere wijze niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.
[benadeelde 2] (minderjarige zoon van het slachtoffer)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 97.815,00. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 46.315,00 gederfd levensonderhoud, € 1.500,00 toekomstige medische reis-en parkeerkosten, € 30.000,00 aantasting in de persoon op andere wijze en € 20.000,00 affectieschade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 66.315,00 en heeft de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige kosten en de aantasting in de persoon op andere wijze niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard.
[benadeelde 3] (minderjarige dochter van het slachtoffer)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 107.779,00. De gevorderde schadevergoeding ziet op: € 56.279,00 gederfd levensonderhoud, € 1.500 toekomstige medische reis-en parkeerkosten, € 30.000,00 schokschade en € 20.000,00 affectieschade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 106.279,00 en heeft de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige kosten niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.
(…)
13.2.
De standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat van alle vorderingen van de benadeelde partijen de materiële schade en de affectieschade kunnen worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade op grond van schokschade kan eveneens aan [benadeelde 3] en [benadeelde 1] worden toegewezen, waarbij de advocaat-generaal wel aantekent dat een matiging in het geval van [benadeelde 1] voor de hand ligt. Ten aanzien van de namens [benadeelde 2] gevorderde schokschade is de advocaat-generaal van oordeel dat de wet geen ruimte laat voor toewijzing. Daarnaast vordert de advocaat-generaal de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De raadsman heeft ingeval van een bewezenverklaring ten aanzien van de materiële schade primair verzocht de benadeelde partijen voor de post 'inkomstenderving' geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren omdat het (in het kader van een civiele vordering te beoordelen) rapport van rekenkundig bureau Laumen Expertise te complex is voor de verdediging en behandeling in het kader van een strafprocedure. De verdediging kan zich door de complexiteit hiervan niet ten volle tegen dit gedeelte van de vordering verweren, daarom zou de behandeling ervan een schending van artikel 6 EVRM opleveren. Subsidiair betwist de raadsman de juistheid van dit deel van de vordering bij gebrek aan andersluidende wetenschap en bij gebrek aan een andere rapportage.
Ten aanzien van de oppaskosten heeft de verdediging aangevoerd dat deze onvoldoende onderbouwd zijn, zodat de vordering tot vergoeding van deze kosten moet worden afgewezen.
Ten aanzien van de gevorderde toekomstige oppas- en reis-en parkeerkosten verzoekt de verdediging [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze kosten nog niet gemaakt zijn.
De verdediging stelt ten aanzien van de gevorderde schokschade dat de beoordeling een onevenredige belasting van de strafprocedure oplevert, zodat deze dient te worden afgewezen.
Voor de overige door [benadeelde 1] gevorderde schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] heeft de verdediging de volgende standpunten ingenomen.
In aanvulling op het hierboven reeds weergegeven primaire standpunt heeft de verdediging als subsidiair standpunt voor wat betreft de materiële schade betoogd dat de kosten van gederfd levensonderhoud slechts dienen te worden vergoed tot de kapitalisatiedatum omdat er veel onzekere factoren zijn die van invloed kunnen zijn op het al dan niet ontstaan van de schade.
Ten aanzien van de toekomstige reis- en parkeerkosten dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ditzelfde geldt, aldus de verdediging, voor de vordering ten aanzien van de schokschade, nu de verdediging er aan twijfelt of sprake is van schokschade bij een kind van 14 maanden dan wel, of die schade even groot is als deze bij een volwassene in die omstandigheden zou zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging een e-mail overgelegd van klinisch psychologe J. van der Sleen. In dit schrijven heeft Van der Sleen uiteengezet dat gebeurtenissen die personen meemaken voordat zij anderhalf jaar oud zijn, op latere leeftijd door deze personen niet kunnen worden ‘opgehaald’. De verdediging concludeert dat voor het bepalen van de schade nader onderzoek verricht dient te worden en dat een dergelijk onderzoek een onevenredige belasting voor de strafprocedure oplevert. Subsidiair verzoekt de verdediging een deskundige te horen alvorens op dit onderdeel tot een beslissing te komen.
Ten aanzien van de gevorderde affectieschade refereert de raadsman zich aan het oordeel van het hof.
De door [benadeelde 2] gevorderde schade door gederfd levensonderhoud en aantasting in de persoon moet naar het oordeel van de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van de gevorderde affectieschade refereert de raadsman zich aan het oordeel van het hof.
(…)
13.3.
Het oordeel van het hof
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert € 346.330,52 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 338.466,00 gederfd levensonderhoud en € 1.364,52 oppaskosten. Voor wat betreft de toekomstige kosten heeft de benadeelde partij haar vordering aangepast in die zin dat zij € 393,98 vordert aan toekomstige medische kosten en € 2.269,32 aan toekomstige oppaskosten. De benadeelde partij vordert € 1.815,00 voor het opstellen van de rapporten ter vaststelling van gederfd levensonderhoud. Tenslotte vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 30.000,00 aan schokschade en € 20.000,00 aan affectieschade.
Materiële schade
Gederfd levensonderhoud
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan en daarmee onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor is teweeg gebracht.
Op grond van artikel 51f Sv jo artikel 6:108, lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de benadeelde partij een vordering indienen tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Aan de gevorderde kosten ligt een rapport met schadeberekening van rekenkundig bureau Laumen Expertise ten grondslag van 8 april 2020.
Het hof constateert dat dit rapport is opgesteld door een bureau dat is gespecialiseerd in de berekening van personenschade. De verdediging heeft deze deskundigheid niet betwist. Het hof merkt opdat in het rapport is uiteengezet op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt, dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd en dat de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven. Het hof is van oordeel dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen. De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat dit gedeelte van de vordering (€ 338.466,00) zal worden toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de kosten door de benadeelde partij gemaakt in verband met het opstellen van de rapporten van het rekenkundig bureau Laumen Expertise toewijsbaar zijn, nu dit deel van de vordering door de verdediging niet is betwist en de vordering op deze onderdelen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (€ 1.815,00).
Oppaskosten
Ten aanzien van de oppaskosten overweegt het hof als volgt. In navolging van de rechtbank acht het hof het alleszins voorstelbaar dat de benadeelde partij als alleenstaande moeder van twee jonge kinderen oppaskosten moet maken en acht het hof causaal verband met het bewezenverklaarde delict aanwezig.
De oppaskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt én gevorderd vóór/bij de inhoudelijke behandeling op 6 juli 2021 van € 1364,52, acht het hof voor toewijzing vatbaar. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en er bestaat voldoende verband tussen de kosten en het onrechtmatig handelen van de verdachte. Datzelfde geldt voor de gevorderde kosten voor de oppasdiensten die gemaakt zijn na de zitting van de rechtbank ten bedrage van € 314,32.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij echter ook € 1.955,00 vergoeding gevorderd van kosten die zij heeft betaald vóór de behandeling van de vordering ter terechtzitting in eerste aanleg op 6 juli 2021 en die zij desondanks toen niet heeft gevorderd.
Op grond van artikel 421 lid 3 Sv kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen. Nu deze door de benadeelde partij opgevoerde kosten niet vallen onder de door haar in eerste aanleg opgevoerde post ‘toekomstige kosten’, heeft zij door de huidige toevoeging van deze kosten de vordering van reeds gemaakte oppaskosten in feite verhoogd. Het hof zal dit gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Medische kosten
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij het bedrag ter vergoeding van toekomstige medische kosten aangepast in € 402,14. Het hof is van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door haar gevorderde schade om te kunnen aannemen dat aan de benadeelde partij door dit handelen rechtstreekse schade is toegebracht. Het hof stelt vast de kosten bestaan uit € 290,87 aan eigen bijdrage GGZ, € 48,28 aan medicijnen in 2022 en € 62,99 aan medicijnen in 2021, waarvan de kosten ten bedrage van € 15,45 en € 15,50 onderscheidenlijk de maanden februari en mei 2021 betreffen.
In hoger beroep heeft de benadeelde partij derhalve ook € 30,95 vergoeding gevorderd van kosten die zij heeft gemaakt en betaald vóór de behandeling van de vordering ter terechtzitting in eerste aanleg op 6 juli 2021 en die zij desondanks toen niet heeft gevorderd.
Op grond van artikel 421 lid 3 Sv kan, voor zover de in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding niet is toegewezen, de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. De in deze wetsbepaling opgenomen beperking moet zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd en evenmin het bedrag van de.in eerste aanleg gevorderde schadevergoeding mag verhogen. Nu deze door de benadeelde partij opgevoerde kosten niet vallen onder de door haar in eerste aanleg opgevoerde post ‘toekomstige kosten’, heeft zij door de huidige toevoeging van deze kosten de vordering van reeds gemaakte medische kosten in feite verhoogd.
Het hof zal dit gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Het hof is aldus van oordeel dat een bedrag van € 371,19 kan worden toegewezen.
Immateriële schade
Affectieschade
Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet van onder meer het overlijden van een naaste. In artikel 6: 108 lid 4 BW staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Hierbij worden onder andere ouders, kinderen en partners genoemd.
Op grond van deze bepaling in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade heeft [benadeelde 1] recht op vergoeding van € 20.000,- aan affectieschade. Het hof wijst dit deel van de vordering toe.
Schokschade
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.
De benadeelde partij is de echtgenote van het slachtoffer en de moeder van hun kinderen. Zij woont sinds 2014 in Nederland, spreekt geen Nederlands en was in sterke mate van haar echtgenoot afhankelijk. [betrokkene 14] , psychiater, heeft in een schrijven van 28 september 2022 medegedeeld dat [benadeelde 1] lijdt aan een depressieve stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis. Ook schrijft zij dat [benadeelde 1] weliswaar reeds vóór het overlijden van haar echtgenoot angsten en paniekaanvallen ervoer, maar dat deze na het incident heviger en complexer zijn geworden en dat de vooruitgang in de behandeling door de complexiteit van de klachten beperkt wordt. Uit een brief van 21 april 2021 van [betrokkene 14] blijkt verder dat [benadeelde 1] getraumatiseerd raakte door het overlijden van haar echtgenoot en dat zij zich niet langer veilig voelt in haar eigen woning. De huidige angst wordt met name gevoed door de vrees dat haar kinderen alleen zullen achterblijven. Ter terechtzitting heeft [benadeelde 1] nader toegelicht dat de wijze waarop haar echtgenoot om het leven is gekomen hierbij ook een rol speelt. Namens [benadeelde 1] is gesteld dat zij door het gebeuren geen vertrouwen meer heeft in andere mensen.
Het hof stelt in dit verband de volgende feiten vast.
De benadeelde partij heeft het slachtoffer in het mortuarium geïdentificeerd. Zij toonde zich daarbij verdrietig en huilde.
De verdachte wierp zichzelf op als vriend van het slachtoffer, aan wie het slachtoffer veel toevertrouwde en wiens hulp hij inriep voor administratieve aangelegenheden. Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte ook aan [benadeelde 1] hulp aangeboden. Zo zou hij haar niet alleen helpen met de verkoop van de auto waarin de slachtoffer was overleden, maar bracht hij haar ook naar het politiebureau, vergezelde haar bij een ontmoeting met verbalisanten waarin een uitzending van Opsporing Verzocht over de onderhavige zaak werd aangekondigd en hij bood haar een luisterend oor.
Het hof concludeert dat de benadeelde partij niet alleen bij de identificatie van haar echtgenoot met de zeer ernstige gevolgen van het onrechtmatig handelen van de verdachte jegens het slachtoffer is geconfronteerd. Zij is daarnaast in haar kwetsbare positie door de verdachte om de tuin geleid doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat. Dit gedrag schaart het hof onder het gezichtspunt ‘toedracht van het feit’ dat een rol kan spelen bij het vaststellen van de emotionele schok en het onrechtmatige handelen, nu dit handelen in het verlengde ligt van het optreden van de verdachte voorafgaand aan het strafbare feit en ook een zekere verwevenheid kent met zijn pogingen om zijn betrokkenheid bij het feit te maskeren. Dat de combinatie van de omstandigheden, te weten de ernst van het feit, de ernst van de gevolgen, de identificatie en het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht en de reeds bestaande angststoornis heeft verhevigd en het herstelproces heeft bemoeilijkt, is het hof op basis van de stukken van de deskundige en de verklaringen van de benadeelde partij voldoende gebleken. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte deze schok onrechtmatig bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht.
In het geval een benadeelde partij zowel aanspraak heeft op de vergoeding van schokschade als affectieschade dient de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs af te wegen in hoeverre bij het bepalen van de schokschade rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade. Het hof is van oordeel dat in dit geval een bedrag van € 10.000,00 billijk is.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert € 47.815,00 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 46.315,00 gederfd levensonderhoud en € 1.500,00 toekomstige reis- en parkeerkosten ten behoeve van medische behandeling, € 30.000,00 aantasting in de persoon op andere wijze en € 20.000,00 aan affectieschade
Materiële schade
Gederfd levensonderhoud
De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6:108 lid 1 onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 2] de minderjarige zoon is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] .
Het hof wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van € 46.315,00.
Toekomstige kosten
Het hof verklaart [benadeelde 2] , overeenkomstig de standpunten van de benadeelde partij, de advocaat-generaal en de raadsman, niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op de toekomstige medische reis- en parkeerkosten van € 1.500,00, die bij de rechtbank onder de post toekomstige kosten waren opgenomen, omdat deze kosten ook in hoger beroep nog niet zijn gemaakt en verwijst hiervoor ook naar hetgeen hiervoor over dit onderwerp is overwogen.
Immateriële schade
Affectieschade
De rechtbank stelt vast onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] is overwogen over affectieschade, dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] door de bewezenverklaarde doodslag op zijn vader [slachtoffer] affectieschade is toegebracht. Op grond van artikel 6:108 lid 4 BW in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij aanspraak op vergoeding van € 20.000,00 aan affectieschade. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij op dit punt dan ook toe.
Aantasting in de persoon op andere wijze
Namens [benadeelde 2] is schade gevorderd vanwege aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en eerste lid onder b, BW. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: (...) b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Deze grond, aantasting in de persoon op andere wijze, geldt ook voor nabestaanden maar dan alleen in de vorm van schokschade. De wet biedt geen ruimte om in andere gevallen een vergoeding toe te wijzen. Dat betekent dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor toewijzing van de gevorderde immateriële schade van € 30.000,00. Deze vordering zal daarom op dit onderdeel worden afgewezen.
Benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert € 57.779,00 aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 56.279,00 gederfd levensonderhoud en € 1.500,00 toekomstige reis- en parkeerkosten ten behoeve van medische behandeling en € 50.000,- aan vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 20,000,00 affectieschade en € 30.000,00 shockschade.
Materiële schade
Gederfd levensonderhoud
De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6: 108 lid 1 onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 3] de minderjarige dochter is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] .
Toekomstige kosten
Het hof verklaart [benadeelde 3] , overeenkomstig de standpunten van de benadeelde partij, de advocaat-generaal en de raadsman, niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover die ziet op de toekomstige medische reis- en parkeerkosten van € 1.500,00, die bij de rechtbank onder de post toekomstige kosten waren opgenomen, omdat deze kosten ook in hoger beroep nog niet zijn gemaakt en verwijst hiervoor ook naar hetgeen hiervoor over dit onderwerp is overwogen.
Immateriële schade
Affectieschade
Het hof stelt vast onder verwijzing naar wat hiervoor is overwogen over affectieschade dat aan de benadeelde partij [benadeelde 3] door de bewezenverklaarde doodslag op haar vader [slachtoffer] affectieschade is toegebracht. Op grond van artikel 6:108 lid 4 BW in combinatie met de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade heeft zij aanspraak op vergoeding van € 20.000,- aan affectieschade. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij dan ook toe.
Schokschade
Het hof verwijst voor het juridische kader naar hetgeen hiervoor over schokschade is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] .
Naar het oordeel van het hof is ook in het geval van [benadeelde 3] voldaan aan de criteria voor toekenning van schokschade. [benadeelde 3] zat bij haar vader in de auto op het moment dat de verdachte haar vader door zijn hoofd schoot. Na het incident kreeg zij last van een continue en sterke angst, vermoedelijke terugkerende herinneringen en hoge arrousal. Op 27 maart 2020 heeft klinisch psycholoog [betrokkene 15] als diagnose gesteld dat [benadeelde 3] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en ouder-kindrelatieprobleem. [benadeelde 3] heeft hiervoor EMDR-behandelingen ondergaan. Uit een brief van psycholoog [betrokkene 16] van 15 september 2022 blijkt dat [benadeelde 3] ook nu, drie jaar na het incident, nog last heeft van nachtmerries, slecht slaapt en er gedragsproblemen zijn in de relatie met haar moeder, wat aanleiding vormt haar behandeling opnieuw te starten. Op basis van de ernst en de toedracht van het incident en de door de deskundige vastgestelde psychische problemen die hun oorsprong kennen vlak na dit incident, is het hof voldoende gebleken dat de aanwezigheid van [benadeelde 3] bij het doodschieten van haar vader een hevige emotionele schok bij haar teweeg heeft gebracht.
De verdediging heeft stukken overgelegd waarin de vraag aan de orde wordt gesteld of een kind dat op zeer jonge leeftijd iets heftigs meemaakt zich dat op een latere leeftijd wel of niet kan herinneren. Het hof legt deze stukken terzijde gezien de thans bestaande posttraumatische stressstoornis en gedragsproblemen bij [benadeelde 3] . Het hof acht het aan die stukken ontsproten verzoek van de verdediging een deskundige hierover te raadplegen dan ook niet noodzakelijk.
De vordering tot immateriële schade vanwege schokschade zal op het grond van de hierboven staande overwegingen worden toegewezen. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 30.000,00 is door de verdachte niet betwist en deze komt het hof gelet op alle omstandigheden ook niet onredelijk voor. Dit bedrag zal worden toegewezen.”
5.3
Namens de benadeelde partijen heeft mr. R. Korver ter terechtzitting in hoger beroep de vorderingen van de benadeelde partijen toegelicht overeenkomstig schriftelijke aantekeningen. Deze schriftelijke aantekeningen houden voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“1. Namens cliënten zijn in eerste aanleg vorderingen benadeelde partijen ingediend. Gelet op het voortbouwend karakter van het appèl vormt het vonnis van de Rechtbank in deze procedure het startpunt: de bezwaren tegen dat vonnis staan centraal alsmede op hetgeen overigens nodig is. Daarop zal ik namens cliënten dan ook de nadruk leggen. Daarnaast zal ik kort ingaan op de aanvulling van de vordering, zoals in hoger beroep is ingediend.
2. Een kanttekening is daarbij echter wel op haar plaats. Het standpunt van cliënten is bij de Rechtbank gemotiveerd naar voren gebracht. Daar willen zij geen afbreuk aan doen. Om dat te verzekeren, maar om te voorkomen dat teveel in herhaling wordt vervallen, verzoek ik u datgeen wat in eerste aanleg naar voren is gebracht als hier woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen. De toelichting vorderingen benadeelde partijen en de tweede termijn, zoals beiden uitgesproken bij de Rechtbank, is aan deze pleitaantekeningen gehecht als bijlage 1.”
5.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 november 2022 heeft de het hof ermee ingestemd dat de bijlage 1 bij de schriftelijke aantekening als hier herhaald en ingelast zal worden beschouwd. Bijlage 1 bij de schriftelijke aantekeningen betreft de ‘toelichting vorderingen benadeelde partij’ die door mr. Korver in eerste aanleg aan de rechtbank zijn overgelegd. Deze bijlage houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“Gederfde inkomsten
2. In navolging op de schriftelijke toelichting wensen cliënten nog het navolgende met betrekking tot de gevorderde inkomstenderving op te merken. Voor het berekenen van de inkomstenderving is gebruik gemaakt van een in de rechtspraak geaccepteerde en veel gebruikte rekenmethode. Daarvoor is een gerenommeerd expertise bureau ingeschakeld. De wetgever heeft met de invoering van de wetgeving omtrent de vordering benadeelde partij bedoeld dat een benadeelde partij zoveel als mogelijk haar schade kan verhalen in het strafproces. Uit de rechtspraak volgt dat een dergelijke vorderingen die zien op gederfde inkomsten, ook worden toegewezen in strafzaken.
3. De Hoge Raad heeft in haar overzichtsarrest van 28 mei 2019 bepaald dat schade van een benadeelde partij ex artikel 6:97 BW op die wijze wordt begroot die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.
Verder heeft de Hoge Raad in datzelfde arrest overwogen:
“Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in - kort gezegd - een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld.
En:
“Mede gelet op het grote belang dat benadeelde partijen erbij hebben op een eenvoudige wijze schadeloos gesteld te worden voor de schade die zij door een strafbaar feit hebben geleden, beoogt deze uiteenzetting ook te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.”
4. Cliënten stellen dat zij hun schade, en de inkomstenderving, door middel van het rekenkundig rapport afdoende hebben onderbouwd en dat hun vorderingen geen onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Het staat volgens cliënten vast dat zij inkomstenderving lijden nu hun man en vader om het leven is gekomen.
5. Cliënten verwijzen uw Rechtbank subsidiair nog eerbiedig naar de Handleiding ’Slachtoffer en de rechtspraak, handleiding voor de strafrechtspraktijk’.
“De strafrechter moet zich dus realiseren dat de omvang van de door de benadeelde partij geleden schade niet bewezen hoeft te worden. Voldoende is dat de schade aannemelijk is of redelijkerwijs valt te verwachten (toekomstige schade). Verder geldt dat in het geval de omvang van de schade niet nauwkeurig is vast te stellen, de rechter veel vrijheid toekomt bij de vaststelling daarvan.”
6. Tot slot verwijzen cliënten naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2021. In deze zaak was door het slachtoffer een bedrag voor de door haar gederfde inkomsten gevorderd ad EUR 534.180,00. Deze schadepost werd onderbouwd aan de hand van een vergelijkbaar rekenkundig rapport. Het Gerechtshof oordeelde dat deze schadepost voldoende onderbouwd was en wees de gederfde inkomsten geheel toe. Afschrift van het arrest wordt als bijlage 1 aan deze pleitaantekeningen gehecht.
7. Cliënten stellen dat alle materiële schadeposten afdoende zijn onderbouwd en geen onevenredige belasting voor het strafproces opleveren. Cliënten verzoeken uw Rechtbank dan ook eerbiedig de door hen gevorderde materiële schade integraal toe te wijzen.”
5.5
De pleitnota houdt in verband met de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen voor zover van belang in:
“Vordering benadeelde partijen:
De moeder van [slachtoffer] , zijn weduwe en zijn twee kinderen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben ieder een vordering benadeelde partij ingediend. Namens mijn cliënt wil ik benadrukken dat ook hij het vreselijk vindt dat zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen en zijn hele familie verder moeten leven met het grote verlies van [slachtoffer] .
Primair verzoek ik u de vorderingen af te wijzen, nu u hier niet aan toe komt, aangezien cliënt vrijgesproken dient te worden van de het tenlastegelegde beschuldiging. Uiteraard volgt mijn vrijspraakverweer later in dit pleidooi.
Als u de verdediging niet zou volgen en toch vindt dat mijn cliënt schuldig is merk ik het volgende in zijn algemeenheid op over de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen:
Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] :
De verdediging betwist bij gebrek aan andersluidende wetenschap en bij gebrek aan andere rapportage dan het eenzijdig opgemaakte rapport door het rekenkundig bureau Laumen Expertise de juistheid van de berekening, zoals gedaan door Laumen en zoals opgenomen in het schrijven van Mr. Korver van 20 oktober 2020.
De verdediging acht het opgemaakte en overgelegde rapport te complex van aard. Het leent zich naar mijn mening niet voor behandeling en beoordeling in het strafproces.
Ik ben van mening dat cliënt zich niet ten volle kan verweren tegen de vordering van de benadeelde partij. Toepassing van de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, leidt er in deze toe dat het recht van cliënt op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM in het gedrang komt. Ik verzoek u daarom op grond van art. 361, derde lid, Sv de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu mijn cliënt niet in voldoende mate in de gelegenheid is om alles ter voering van verweer tegen de vordering te kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Ik verwijs naar het overzichtsarrest benadeelde partij van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) alwaar in overweging 2.8.3. van dit arrest is overwogen:
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1. bedoelde geval zich voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Ik verzoek u de vordering van de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien deze een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.
Ten aanzien van de gevorderde toekomstige kosten verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op kosten die nog niet zijn gemaakt.
De verdediging heeft kennisgenomen van het schrijven van 24 oktober jl. van de advocaat van de benadeelde partij en kan zich vinden in toekenning van de onderbouwde aanvullende zorgkosten ad € 393,98, zoals verzocht.
De verdediging verzoekt afwijzing van de aanvullende oppaskosten zoals verzocht. De verdediging ziet onvoldoende onderbouwing van deze post ad € 2269,32. Als Mr Korver hierbij verwijst naar de overgelegde “Receipt from Holiday Sitters BV” nota’s merkt de verdediging op dat dit een onvoldoende onderbouwing betreft. Niet blijkt aan wie deze nota’s zijn gericht, noch blijkt voor welke diensten deze nota’s zijn opgesteld. Eveneens ontbreekt bewijs van betaling.
Terzake van de gevorderde immateriële schade van [benadeelde 1] refereert de verdediging zich met betrekking tot de gevorderde affectieschade aan uw oordeel.
Terzake van de gevorderde shockschade is de verdediging het eens met de rechtbank dat voor de beoordeling van deze vordering nader onderzoek nodig zou zijn, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ik zie in appel ook geen nadere onderbouwing die mij noopt tot het innemen van een ander standpunt in deze. In deze vordering dient de benadeelde partij dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.
Ten aanzien van de subsidiair door de benadeelde partij gevorderde psychische schade op de grondslag “aantasting van de persoon op andere wijze” is de verdediging het met de rechtbank eens dat de wet hiervoor geen ruimte geeft, zodat de vordering ook op dit punt niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3] :
Ten aanzien van de gevorderde € 56.279,- voor [benadeelde 3] op grond van gederfd levensonderhoud verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt bij de post gederfd levensonderhoud bij [benadeelde 1] . Ik verzoek u dit als in deze herhaald en ingelast te beschouwen. Mijn conclusie ten aanzien van deze post is om de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien dit een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.
De verdediging verzoekt de toekomstige reis- en parkeerkosten tbv medische behandeling ad € 1500 af te wijzen conform het oordeel van de rechtbank, daar geen kosten die in de toekomst wellicht gemaakt zullen worden thans voor vergoeding vatbaar zijn.
Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud is mijns inziens slechts de schade tot kapitalisatiedatum ad € 1792,- voor toewijzing vatbaar (vide pagina 27 van het rapport van Laumen expertise), daar de overige schade zich wellicht in de toekomst van [benadeelde 3] zou kunnen gaan afspelen, waarbij zoveel onzekere factoren van invloed kunnen zijn op het wel of niet ontstaan van schade als gevolg van dit feit. Er zijn vele onzekere factoren in de toekomst die de hoogte van de eventuele schade zullen beïnvloeden. Op grond hiervan acht de verdediging deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding, althans onvoldoende onderbouwd, althans onvoldoende vaststaand. Ik verwijs voorts naar hetgeen ik hierover bij aanvang van de bespreking vordering benadeelde partij heb opgemerkt. Primair derhalve niet ontvankelijk verklaring wegens onevenredige belasting van het geding. Subsidiair betwist de verdediging de juistheid van de vordering. Uiterst subsidiair verzoek ik u toewijzing tot de kapitalisatiedatum.
Terzake van de gevorderde affectieschade refereert de verdediging zich aan uw oordeel.
Met betrekking tot de gevorderde shockschade wijs ik u op het feit dat het in casu gaat om de dochter van de overledene, die als baby van 14 maanden getuige is geweest van het overlijden van haar vader, nu zij in een maxi cosy op de achterbank van de auto zat op het moment dat [slachtoffer] is doodgeschoten. Allereerst wil de verdediging opmerken dat dit natuurlijk een vreselijk gegeven is. Vader wordt getroffen door een dodelijke kogel in zijn auto met zijn baby van 14 maanden oud op de achterbank.
De verdediging is van mening dat de rechtbank ten onrechte het gevorderde bedrag in deze volledig heeft toegewezen, daar het niet betwist zou zijn. De verdediging heeft de vordering in eerste aanleg betwist, evenals de hoogte. De verdediging heeft deze betwisting echter niet of niet voldoende onderbouwd in eerste aanleg en doet dit thans in appel.
De verdediging betwijfelt of er sprake is van shockschade bij een kind van 14 maanden, althans betwist dat de shockschade bij een kind van 14 maanden even groot is, althans in dezelfde orde van grootte ligt, als bij een volwassene bij een dergelijke gebeurtenis.
De verdediging baseert zich hierbij op de informatie die verkregen is van klinisch psychologe J. van der Sleen (haar CV is als bijlage toegezonden).
Voor de goede orde verwijst de verdediging naar de reeds eerder overgelegde Email van voornoemde van der Sleen d.d. 16 november 2022 en bijbehorende bijlage, te weten de pagina’s 576/577, uit het boek “Het geheugen van kinderen”, van Koppen e.a.
Van belang acht ik de volgende passages uit de overgelegde Email:
- Het is niet zo dat kinderen onder de 1,5 jaar geen herinneringen/geen geheugen hebben, maar dit zijn geen herinneringen die zij op latere leeftijd nog op kunnen halen. Dit wordt infantiele amnesie genoemd.
- De baby waarover u hieronder schrijft was 14 maanden, dus 1 jaar en 2 maanden. Zelfs de herinneringen van kinderen van 4 jaar bleken uit bovengenoemd onderzoek niet verder terug te gaan dan tot hun tweede
Voor de goede orde betwist de verdediging niet dat een kind jonger dan 2 jaar oud geen immateriële schade ondervindt bij het verlies van zijn of haar vader doordat deze in het bijzijn van dit kind door het hoofd is geschoten, maar dit betreft alsdan affectieschade en geen shockschade.
De verdediging is van mening dat de beoordeling van deze vordering shockschade bij een baby van 14 maanden gezien het eerdergenoemde te veel vragen oproept om dit in deze op een juiste wijze zonder nader onderzoek te kunnen kwantificeren. Derhalve betekent dit een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de vordering op dit punt niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
Mocht u hier anders over denken dan herhaalt de verdediging de onderzoekswens tot het verzoek tot het horen van een deskundige, zoals eerder gedaan op de regiezitting en door uw hof is afgewezen. De verdediging verzoekt Uw Hof alsdan een getuige deskundige te benoemen, althans de AG op te dragen om een nader PV van bevindingen op te laten maken, waarbij een deskundige zich uitlaat over de juistheid van deze schadepost in het licht van het hieromtrent door mij hiervoor is aangevoerd.
De verdediging verzoekt alsdan van een deskundige nader onderbouwd te vernemen of er bij een kind van 14 maanden sprake kan zijn van shockschade, althans wat de te verwachten schade is bij een baby van 14 maanden en of deze schade anders gekwantificeerd dient te worden dan bij een ouder kind of volwassene in eenzelfde situatie. De verdediging verzoekt alsdan een deskundige te benoemen van de faculteit psychologie van de Universiteit van Maastricht, teneinde omtrent het bovenstaande te rapporteren.
Dit is derhalve een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige deskundige, te weten indien uw hof tot een veroordeling zou komen.
Vorderingen benadeelde partij [benadeelde 2] :
Ten aanzien van de gevorderde € 46.315,- voor [benadeelde 2] op grond van gederfd levensonderhoud verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt bij de post gederfd levensonderhoud bij [benadeelde 1] . Ik verzoek u dit als in deze herhaald en ingelast te beschouwen. Mijn conclusie ten aanzien van deze post is dan ook om de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien dit een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.
Terzake van de toekomstige reis- en parkeerkosten tbv medische behandeling verzoekt de verdediging de vordering, conform het oordeel van de rechtbank, niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.
Ten aanzien van de affectieschade refereert de verdediging zich aan uw oordeel. Ten aanzien van de vordering immateriële schade op grond van “aantasting in de persoon op andere wijze” verwijs ik naar hetgeen hieromtrent is gezegd bij de vordering van [benadeelde 1] . Dit leidt tot niet ontvankelijk verklaring van de vordering op dit punt.”
De bespreking van het middel
5.6
In de toelichting op de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat het hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op het verweer dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in ieder geval voor wat betreft gederfde levensonderhoud een onevenredige belasting van het geding opleveren. Het arrest zou om die reden aan nietigheid lijden.
5.7
De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep verzocht om op grond van art. 361 lid 3 Sv de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch het bestreden arrest houdt een expliciete en afzonderlijke beslissing in over dit verzoek.
5.8
Art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv is niet van toepassing op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die de vordering van de benadeelde partij betreffen.27.Art. 330 Sv houdt onder meer in dat weigering of verzuim te beslissen op een verzoek of verzet van de verdachte strekkende om gebruik te maken van een bevoegdheid of van een door de wet toegekend recht, nietigheid tot gevolg heeft. Deze bepaling heeft betrekking op verzoeken die bij gelegenheid van de behandeling van de strafzaak op de terechtzitting zijn gedaan, terwijl art. 361 Sv ziet op de beraadslaging en de uitspraak over de civiele vordering van de benadeelde partij. De aan het middel kennelijk ten grondslag liggende opvatting dat art. 330 Sv van toepassing is op het verzoek als bedoeld in art. 361, derde lid, Sv, is dus onjuist.28.
5.9
De stellers van het middel voeren voorts aan dat, indien het hof impliciet zou hebben geoordeeld dat de vorderingen voor gederfd levensonderhoud van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is. In dat verband wijzen de stellers van het middel erop dat het rapport van Laumen, inclusief bijlagen, 97 pagina’s telt; het rapport allerhanden (meer dan vijftig) tabellen bevat met verschillende afkortingen waarvan niet duidelijk is wat ze betekenen en het rapport twee delen bevat en dat niet direct duidelijk is hoe die delen zich tot elkaar verhouden. Door de stellers van het middel wordt niet betwist dat duidelijk is op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt en dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekening zijn gebaseerd. Wel wordt betwist dat “de berekeningen inzichtelijk zijn weergeven” en dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging binnen de gegeven tijd en de geboden financiële middelen in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen. De onevenredige belasting van het strafgeding zou, zo vat ik het middel op, aldus zijn gelegen in de omstandigheid dat het voor de verdediging niet haalbaar is om de vordering te kunnen doorgronden.
5.10
Of de behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De Hoge Raad toetst daarbij terughoudend.29.
5.11
Door de verdediging is in hoger beroep niet aangevoerd dat zij de tabellen en afkortingen niet kunnen doorgronden of dat de berekeningen niet inzichtelijk zijn weergegeven. Evenmin heeft de verdediging iets gesteld over eventuele aan haar kant gelegen beperkingen in tijd en geld die het voeren van verweer bemoeilijkten. Dat de verdediging wordt belast door de behandeling van de vordering benadeelde partij, brengt verder niet zonder meer mee dat het strafgeding onevenredig wordt belast. Ik merk op dat in ’s hofs overweging inhoudende “dat de schadeberekening op dit punt al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen te onderbouwen”, naar het mij voorkomt besloten ligt dat en waarom het hof van oordeel is dat de vorderingen ten aanzien van deze post geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Mede in het licht van de terughoudende toets in cassatie, acht ik ’s hofs (impliciete) oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de gederfde levensonderhoud geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.12
De eerste deelklacht faalt.
5.13
De tweede deelklacht houdt in dat ‘s hofs oordeel dat [benadeelde 1] schokschade heeft geleden onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd en/of van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan doordat het bij zijn oordeel een grote rol heeft toegekend aan de ‘toedracht van het feit’, namelijk dat de verdachte na de dood van het slachtoffer aan [benadeelde 1] zijn hulp heeft aangeboden, waarmee hij haar om de tuin heeft geleid doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat. De tekst uit de rechtspraak van de Hoge Raad zou onvoldoende aanknopingspunten bieden om te veronderstellen dat ‘toedracht van de onrechtmatige daad’ breder moet worden opgevat dan de wijze waarop en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden.
5.14
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende overwegingen van de Hoge Raad uit het overzichtsarrest HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 van belang (met overneming en vernummering van voetnoten):
“Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken.30.Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.31.In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.
2.8.4
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.32.Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter.33.
2.8.5
De rechter dient tegelijk met de einduitspraak in de strafzaak ook op de vordering van de benadeelde partij te beslissen (art. 335 Sv), tenzij hij de benadeelde partij op grond van evidente omstandigheden kennelijk niet-ontvankelijk acht en hij haar zonder nadere behandeling van de vordering niet-ontvankelijk verklaart (art. 333 Sv).
Aan een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter komt gezag van gewijsde toe op de voet van art. 236, eerste lid, Rv voor zover daarin de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) is toe- of afgewezen34.
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.35.”
5.15
In HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958 heeft de Hoge Raad de rechtspraak over schokschade gepreciseerd. Dit arrest houdt voor zover van belang in:
“Inleidende opmerkingen over vergoeding van schok- of shockschade
3.3
In zijn arrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het daar besproken geval toekenning van zogenoemde schok- of shockschade mogelijk is. In de rechtspraak van de Hoge Raad daarna zijn ook andere gevallen waarin schokschade werd gevorderd aan de orde geweest. In de praktijk komen over de vraag in welke gevallen vergoeding van schokschade mogelijk is verschillende opvattingen naar voren, zoals ook is weergegeven in de conclusie van de advocaten-generaal die is genomen in een andere zaak op 22 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:166. De Hoge Raad ziet daarin aanleiding zijn rechtspraak hierover te preciseren, waarbij geldt dat voor zover zijn eerdere rechtspraak hierover anders zou kunnen worden gelezen, daarvan wordt teruggekomen.
3.4
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna onder 3.7 nader omschreven.
3.5
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
3.6
De feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
3.7
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is – zoals hiervoor in 3.4 reeds overwogen – beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.
Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
3.8
Ook in zaken over een vordering tot vergoeding van schokschade geldt dat de strafrechter gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing kan nemen in de vorm van een toewijzing, en dat hij de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk kan verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen als voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.4.)
3.9
Naast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade.
3.10
In cassatie kunnen de oordelen over de omvang van de hiervoor besproken verplichting tot vergoeding van schade in beginsel slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht. Bij dit onderzoek kan van belang zijn in hoeverre blijkt dat de feitenrechter bij zijn oordeel acht heeft geslagen op beslissingen van (Nederlandse) rechters in vergelijkbare gevallen.”
5.16
Uit deze overwegingen volgt dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden, ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt (het secundaire slachtoffer). De Hoge Raad formuleert een aantal, niet exclusief bedoelde, gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een emotionele schok is teweeggebracht. Het eerste gezichtspunt betreft de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad. Mij komt het voor dat daarbij in beginsel dient te worden gedacht aan feiten en omstandigheden die direct verband houden met de wijze waarop en omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad jegens het primaire slachtoffer, in dit geval het strafbare feit, is begaan. De Hoge Raad noemt in dat verband expliciet de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed. Gedragingen van de verdachte enige tijd na het plaatsvinden van de onrechtmatig daad jegens het primaire slachtoffer vallen, zo meen ik, daar in beginsel buiten.
5.17
Het hof heeft bij zijn oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte onrechtmatig een schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, betrokken dat zij in haar kwetsbare positie door de verdachte om de tuin is geleid doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat. Dit lijken mij enerzijds gedragingen die meer gericht zijn op de benadeelde partij zelf dan op het primaire slachtoffer en anderzijds gedragingen die hebben plaatsgevonden (enige tijd) na de onrechtmatige daad waardoor het primaire slachtoffer is gedood. Bij dit laatste geldt dat weliswaar het handelen van de verdachte kan hebben aangesloten op de door hem verrichte onrechtmatige daad jegens het primaire slachtoffer, maar dat eventuele schade bij de benadeelde partij pas zal zijn ontstaan op het moment dat zij begreep dat haar steun en toeverlaat in werkelijkheid de dader (of verdachte) was. Op dat moment zou haar vertrouwen en gevoel van veiligheid kunnen zijn aangetast.
5.18
Het hof heeft deze omstandigheid geschaard onder ‘toedracht van het feit’. Dat oordeel acht ik zonder nadere motivering niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het misbruik van vertrouwen van de benadeelde partij, gelet op het voorgaande, niet zonder meer kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder de onrechtmatige daad jegens het primaire slachtoffer heeft plaatsgevonden.
5.19
De vraag kan worden gesteld of dit handelen van de verdachte onder een ander gezichtspunt kan meewegen bij het oordeel dat jegens de benadeelde partij onrechtmatig is gehandeld. Gedacht zou kunnen worden aan het gezichtspunt ‘de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad’. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat deze confrontatie ook na het doden of verwonden van het primaire slachtoffer kan plaatsvinden. Verder lijkt mij niet op voorhand uitgesloten dat verschillende, elkaar opvolgende momenten van confrontatie bijdragen aan de uiteindelijke, geestelijk letsel toebrengende hevige emotionele schok. Ik neig er niettemin toe deze vraag ontkennend te beantwoorden. De door het hof vastgestelde misbruik van vertrouwen lijkt mij zowel in aard als in tijd te ver verwijderd van de onrechtmatige daad die heeft geleid tot de dood van het primaire slachtoffer. Uit de overwegingen van het hof kan ik ook niet afleiden op welk moment de relevante, hevige emotionele schok volgens het hof is ontstaan.
5.20
Het hof heeft geoordeeld dat het een combinatie van omstandigheden was die een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij heeft teweeggebracht. Naast het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij waren dit de ernst van het feit, de ernst van de gevolgen van het feit en de identificatie van het slachtoffer door de benadeelde partij. Uit de vaststellingen en overwegingen van het hof kan ik niet opmaken dat als het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij buiten beschouwing wordt gelaten, de overige omstandigheden het oordeel dat onrechtmatig is gehandeld jegens de benadeelde partij, zelfstandig kunnen dragen.
5.21
De tweede deelklacht slaagt.
5.22
De derde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof, in het kader van de door [benadeelde 3] geleden schokschade, dat de hoogte van het gevorderde bedrag van € 30.000,00 door de verdachte niet is betwist, onbegrijpelijk en/of onjuist is. De stellers van het middel wijzen daarbij op het pleidooi van de verdediging waaruit volgt dat “de verdediging betwijfelt of er sprake is van schokschade bij een kind van 14 maanden, althans betwist dat de schokschade bij een kind van 14 maanden even groot is, althans in dezelfde orde van grootte ligt, als bij een volwassene bij een dergelijke gebeurtenis”. Dat zou een directe betwisting van de hoogte van het gevorderde bedrag zijn.
5.23
Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het hiervoor geciteerde arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 (rov. 2.8.3), zal de rechter uitgaan van de juistheid van de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering als “de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist”. Dat een betwisting een nadere onderbouwing kan vereisen, vloeit voort uit het ook door de Hoge Raad genoemde art. 149 lid 1 Rv waarin wordt gesproken over een betwisting die “niet of niet voldoende” is gedaan.
5.24
In dit geval heeft de verdediging bij het hof haar betwisting van de vordering onderbouwd, nadat zij dat naar eigen zeggen bij de rechtbank “niet of niet voldoende” had gedaan. Zij voert vervolgens het verweer dat erg jonge kinderen de herinneringen die zij opdoen op latere leeftijd niet meer kunnen ophalen (zie hiervoor onder 5.5). Dit verweer is echter door het hof gemotiveerd verworpen door te oordelen dat [benadeelde 3] op dit moment al psychische problemen heeft en dat voor het vaststellen van de schade dus niet ter zake doet wat [benadeelde 3] zich op latere leeftijd nog zal herinneren (zie hiervoor onder 5.2). Het middel is niet gericht tegen de vaststellingen van het hof over de huidige psychische problemen van [benadeelde 3] .
5.25
Andere gronden voor de betwisting heeft de verdediging bij het hof niet naar voren gebracht, ook niet hetgeen nu in het cassatiemiddel wordt gesteld over de duur van het geestelijke letsel. De gehele motivering van het oordeel van het hof beziend, dient dan ook de overweging van het hof dat de hoogte van het schadebedrag niet door de verdachte is betwist, te worden begrepen als: ‘voor het overige niet voldoende betwist’.
5.26
De eerste en de derde deelklacht falen. De tweede deelklacht slaagt. Dat betekent dat het derde middel deels slaagt.
Afronding
6.
6.1
Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen. Het tweede middel en het derde middel slagen gedeeltelijk.
6.2
Ambtshalve merk ik ten aanzien van de duur van de gijzeling het volgende op. Het hof heeft de duur van de gijzeling op ten hoogste 241 dagen bepaald voor de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] , op ten hoogste 43 dagen voor de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2] , op ten hoogste 68 dagen voor de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] en op ten hoogste 11 dagen voor de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 4] . Daarmee heeft het hof de totale duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 363 dagen. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar. Wat de onderhavige zaak betreft, geldt mijns inziens dat krachtens de toenmalige wet onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan.36.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2024
Ik begrijp in het geval waarin het slachtoffer zichzelf per ongeluk zou hebben doodgeschoten.
HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314, m.nt. Buruma.
HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 rov. 4.3. Zie ook HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2189 en HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:651.
Vgl. HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2856.
Zie in dit verband nader de conclusie van A-G Aben (ECLI:NL:PHR:2023:555) voorafgaand aan HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303, randnummers 79 en 235.
NFI (2017). De reeks waarschijnlijkheidstermen van het NFI en het Bayesiaanse model voor interpretatie van bewijs. Den Haag: NFI. Citaat p. 4
Het hof heeft vastgesteld dat de auto op 19 november 2019 door de verdachte bij de politie is opgehaald, p. 4 van het arrest.
EHRM 18 februari 1997, appl. no. 18990/91 (Nideröst-Huber/Zwitserland) § 23. Zie ook onder meer EHRM 21 december 2006, appl. no. 56891/00 (Borisova/Bulgarije) § 38; EHRM 14 mei 2006, appl. nos. 51111/07 en 42757/07 (Khodorkovskiy en Lebedev/Rusland) § 477.
Vgl. o.a. EHRM 26 juli 2011, appl. nos. 35485/05, 45553/05, 35680/05 36085/05 (Huseyn e.a./Azerbeidzjan) § 196; EHRM 25 juli 2013, appl. nos. 11082/06 en 13772/05 (Khodorkovskiy en Lebedev/Rusland) §§ 718 en 721 en EHRM 12 mei 2016, appl. nos. 26711/07, 32786/10 en 34278/10 (Poletan en Azirovik/voormalig Joegoslavische republiek Macedonië) § 95.
Welke mogelijkheden dat zijn, is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige, alsmede de concrete omstandigheden van het geval, zo volgt uit HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198 rov. 2.4.2.
Vgl. 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293 waarbij de verdediging om contra-expertise had verzocht om te onderzoeken of de in de auto van de verdachte aangetroffen pakketjes hasjiesj bevatten.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 rov. 2.2.1.
Vgl. HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195 en de in dit arrest geciteerde delen van de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van art. 126j Sv.
Behalve op het in de vorige noot genoemde arrest kan bijvoorbeeld worden gewezen op HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1983; HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982 en recent HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1700. Vgl. ook HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1591 waarin de Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel dat klaagt over het oordeel van het hof dat het WOD-traject waarin een getuige een verklaring heeft afgelegd niet een toepassing van de bevoegdheid van stelselmatig inwinnen van informatie vormt die (in belangrijke mate) overeenkomst met de zogenoemde ‘Mr Big’-methode, tevergeefs was voorgesteld.
Vgl. HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:18 voor een geval waarin sprake was van misleiding van twee verdachten zonder dat een in de wet geregelde opsporingsbevoegdheid was toegepast.
HR 9 maart 2002, ECLI:NL:HR:2004:AN9195, rov. 5.6.
G.J.M. Costens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 66 en B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 10.
Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 358-359.
Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 359. Als de rechter-commissaris een machtiging dient af te geven voor de uitoefening van een bevoegdheid, dan is de toets van de zittingsrechter naar huidig recht beperkt tot de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel over de machtiging heeft kunnen komen. Zie HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4351, en HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9673. Zie in dit verband ook A.A. Franken, Proportionaliteit en subsidiariteit in de opsporing, DD 2009/8.
Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 360. De toelichting maakt dit punt als antwoord op vragen die waren gesteld naar aanleiding van P.H.P.C.M. van Kempen, Subsidiariteit, proportionaliteit en doelbinding als algemene beginselen: codificatie graag, maar meer volledig, DD 2018/8.
Zie bijvoorbeeld EHRM 1 juni 2010, appl. no. 22978/05 (Gäfgen/Duitsland) § 88.
EHRM 26 september 2006, appl.no. 12350/04 (Wainwright/Verenigd Koninkrijk), § 41-43. In dit arrest wordt gesproken over de “physical and moral integrity”, maar elders worden ook de termen “physical and psychological integrity” gebruikt, bijvoorbeeld in EHRM 3 april 2012, appl.no. 41723/06 (Gillberg/Zweden), § 66. Zie ook W.A. Schabas, The European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2015, p. 171-174.
Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.4, en HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, rov. 3.4.2.
HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7762, rov. 3.3.
HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:889.
Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3357 en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751.
HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755. Vgl. ook HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559, rov. 3.3.2.
Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221.
HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963.
Vgl. HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963.
HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654.
Vgl. HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0173 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391.
Zie onder meer HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498 en HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714.
Beroepschrift 10‑05‑2023
De Hoge Raad der Nederlanden
Griffienummer: S 22/04692
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE
in de zaak van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1970, verzoeker van cassatie van een hem betreffende uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2022 met parketnummer 23-002224-21, en van de onder dat parketnummer genomen (tussen)beslissingen.
Inleiding:
Op 1 oktober 2019 is [slachtoffer] door getuige [betrokkene 5] levenloos aangetroffen op de bestuurdersstoel van een witte Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1]. Deze Volkswagen stond geparkeerd op een parkeerterrein bij tuinpark Nieuw Vredelust aan de Buitensingel 4 in Amsterdam-Duivendrecht. Voornoemde [betrokkene 5] heeft hiervan om 17.15.36 uur via 112 melding gedaan. Reanimatie door de ter plaatse gekomen politie mocht niet meer baten.1.
Getuige [betrokkene 5] heeft in zijn 112-melding op de vraag of hij verder nog iets raars had waargenomen gemeld dat toen hij aankwam op het parkeerterrein, hij twee auto's zag wegrijden. Omdat hij op vrijwel hetzelfde moment ook een man met bloed op zijn hoofd tegen het bestuurdersraam zag liggen, is hij achter die auto's aangereden tot hij ze uit het oog verloor. Hij heeft tevergeefs geprobeerd de kentekens te noteren. De auto's omschrijft hij als Mercedessen. Eén daarvan was zwart, donkerkleurig grijs, een C of E serie, met een taxinummerbord, blauw kenteken, en grote taxilichtbak op het dak. De ander was opvallend omdat hij wit was, model Combo, beetje racerig met grijs aan de zijkanten.2.
Een ook op de parkeerplaats aanwezige getuige, [betrokkene 7], heeft verklaard dat hij daar met zijn vriendin was en dat het enige dat zij gezien hebben was dat een zwarte taxi over de parkeerplaats reed en vervolgens weer wegreed.3.
Verzoeker wordt ervan verdacht het slachtoffer om het leven te hebben gebracht maar ontkent zich daaraan schuldig te hebben gemaakt. Het slachtoffer, dat in het vervolg van deze cassatieschriftuur ook als [slachtoffer] zal worden aangeduid, was een vriend van verzoeker.
Verzoeker heeft, aanvankelijk als getuige en later als verdachte, over zijn contacten met het slachtoffer verklaringen afgelegd. Daaruit volgt onder meer dat hij met [slachtoffer] kort voor zijn overlijden en in diens auto, de voormelde witte Volkswagen Golf, op het parkeerterrein een gesprek heeft gehad. Verzoeker heeft verklaard dat hij na dit gesprek in zijn eigen auto, een lichtgrijze Mercedes 220D C-klasse, is weggereden. Digitaal onderzoek van de navigatiecomputer van die auto wijst uit dat hij die dag tussen 17:11:47 tot 17:12:36 (het begin van ritnummer 2346) zijn linkervoorportier moet hebben geopend en daarna is gaan rijden. Uit camerabeelden van Endemol Shine volgt dat een Mercedes met vergelijkbare kenmerken als die van verzoeker om 17.13 uur langs rijdt. Uit de GPS data van ritnummer 2346 volgt — samengevat — dat verzoeker vanaf de Buitensingel via verschillende plekken naar het [d-straat] in [a-plaats] is gereden.4.
Verzoeker heeft verklaard dat toen hij van de parkeerplaats afreed, hij een donkerblauwe Mercedes E-klasse met blauwe kentekenplaten — een taxi — waarnam.5.
Uit informatie van de Taxicentrale Amsterdam (TCA) blijkt dat een (zwarte) taxi, eigendom van taxichauffeur [betrokkene 6], op 1 oktober 2019 van 17:10 uur tot 17:16 uur op de Buitensingel is geweest. [betrokkene 6] heeft zulks als getuige bevestigd.6.
[slachtoffer] bleek te zijn overleden aan één inschot van het hoofd. In zijn rechterhand had hij een pistool waarvan de slede openstond terwijl in de kamer een koperen huls zichtbaar was. De huls is veiliggesteld. Bij sectie bleek zich in het hoofd van het slachtoffer munitie, te weten een kogel te bevinden. Die is verwijderd.7.
Bij technisch onderzoek van 30 maart 2020 van het in de hand van [slachtoffer] aangetroffen wapen zijn zowel aan de loop, de slede als aan de kast veranderingen vastgesteld die het beeld geven van een gedeactiveerd wapen dat gedeeltelijk is gereactiveerd en feitelijk bijna als een enkelschots pistool werkt.8.
Uit vergelijkend hulsonderzoek is gebleken dat ‘zeer veel waarschijnlijker’ is dat de aangetroffen huls met het vuurwapen is verschoten dan wanneer het is verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen. Uit het vergelijkend kogelonderzoek is gebleken dat ‘extreem veel waarschijnlijker’ is dat de kogel is afgevuurd uit de loop van het vuurwapen dan wanneer de kogel is afgevuurd uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de loop van het vuurwapen.9.
Uit bemonstering van het interieur van de Mercedes van verzoeker en de (mouwen van de) rode jas die hij zegt te hebben gedragen tijdens zijn gesprek met [slachtoffer], volgt dat daarin ‘zeer waarschijnlijk’ schotresten aanwezig zijn.10. Dat deze afkomstig zijn van het verschieten van de in de auto van het slachtoffer aangetroffen huls, is ‘iets waarschijnlijker’ dan dat zij daarvan niet afkomstig zijn.11.
Op de slede en onder de greepplaten van het in de hand van [slachtoffer] aangetroffen vuurwapen bevond zich, in een mengprofiel, met een grote mate van waarschijnlijkheid DNA afkomstig van verzoeker.12. Naar aanleiding daarvan is in een onderzoek op activiteitenniveau geconcludeerd dat die onderzoeksresultaten ‘iets waarschijnlijker’ zijn wanneer de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten dan wanneer dit een onbekende persoon was, dat zij ‘veel waarschijnlijker zijn’ wanneer de verdachte op het slachtoffer heeft geschoten dan wanneer dit het slachtoffer zelf was en dat zij ‘iets waarschijnlijker’ zijn wanneer een onbekende op het slachtoffer heeft geschoten dan wanneer dit het slachtoffer zelf was.13.
Verzoeker heeft voor het aantreffen van de kruitsporen/schotresten en zijn DNA in een verhoor van 23 december 2019 als verklaring gegeven dat hij twee weken voor 1 oktober 2019 op de Etnastraat achter de McDonalds in Amsterdam West is gaan proefschieten met [slachtoffer]. Hij heeft verklaard dat hij bij het proefschieten het vuurwapen van [slachtoffer] in zijn handen heeft gehad en hiermee heeft geschoten. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 25 februari 2020 volgt dat de uitgelezen gegevens van de Mercedes van verzoeker aangeven dat er op 22 september 2019 twee ritten naar deze plek zijn geweest, 227 en 228. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de Mercedes van verzoeker toen 2 keer op de proefschietlocatie is geweest. Tijdens het proefschieten droeg verzoeker voornoemde rode jas. Nadien heeft verzoeker met deze rode jas in zijn Mercedes gezeten.14.
Verzoeker heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] hem in de auto een wapen heeft laten zien en daarbij meedeelde dat hij die bij zich had in verband met een andere afspraak en ‘om af te schrikken’. Bij vertrek uit diens auto heeft verzoeker een tasje met daarin de bij het wapen behorende kogels en de patroonhouder meegenomen, zodat [slachtoffer] die niet had. Hij liet [slachtoffer] dus achter met een leeg wapen, aldus verzoeker.15. Het magazijn en de patronen heeft hij weggegooid de avond van 1 oktober 2019 in het [d-straat] in [a-plaats]. Uit onderzoek is gebleken dat zijn auto daarheen is gereden en dat hij twee seconden later is weggereden.16.
Verzoeker van cassatie dient hierbij de volgende middelen in:
Middel I:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM, 14 IVBPR, 287 Sr, 330, 350, 358, 359 en 415 Sv, doordat:
- a)
het door verzoeker aangedragen, met de bewezenverklaring strijdige alternatieve scenario dat niet verzoeker het slachtoffer heeft gedood maar het slachtoffer door (niet opzettelijke) zelfdoding om het leven is gekomen, door het gerechtshof niet (toereikend) aan de hand van aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden is weerlegd, en/of het gerechtshof op daartoe niet toereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat de door de verzoeker gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden en/of de lezing van de verzoeker als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld en/of het (impliciete) oordeel van het hof dat die lezing zo onwaarschijnlijk is dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft, onbegrijpelijk is, en/of
- b)
het gerechtshof bij de beoordeling van de in verband met voormeld alternatief scenario gedane voorwaardelijke verzoeken tot nader onderzoek (naar schotresten en/of het spreidingspatroon en/of het verzoek om reconstructie) een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd en/of deze verzoeken (telkens) heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen en/of de afwijzing(en) van die verzoeken (telkens) onbegrijpelijk is.
Het arrest lijdt daardoor aan nietigheid.
Toelichting:
1.
Ten laste van verzoeker heeft het gerechtshof bewezenverklaard dat hij:
‘(…) op 1 oktober 2019 te Duivendrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen te schieten door het hoofd van [slachtoffer].’
Ad a) alternatief scenario
2.
Verzoeker heeft ontkend zich aan dit feit schuldig te hebben gemaakt. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg (p. 6) volgt dat hij aldaar heeft verklaard dat hij niet weet wat er is gebeurd en dat hij alleen weet dat hij het niet gedaan heeft. Voorts volgt uit dat proces-verbaal dat de verdediging twee alternatieve scenario's naar voren heeft gebracht, te weten:
- 1)
dat het slachtoffer zichzelf, al dan niet per ongeluk, het leven heeft benomen;
- 2)
dat een derde (onbekend gebleven) persoon het slachtoffer heeft doodgeschoten.
3.
Het gerechtshof is in zijn bewijsvoering uitgebreid ingegaan op het tweede alternatieve scenario, te weten dat een derde (onbekend gebleven) persoon het slachtoffer heeft doodgeschoten. Het concludeert dat daarvan gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende opeenvolgende gebeurtenissen, waaronder reisbewegingen en telefonische contacten met derden, geen sprake kan zijn geweest.
4.
Met betrekking tot het eerste alternatieve scenario overweegt het voor wat betreft de mogelijkheid dat het slachtoffer zich per ongeluk van het leven heeft benomen het volgende:
‘De verdediging heeft (…) naar voren gebracht dat sprake kan zijn geweest van een ongeluk, waarbij het slachtoffer met het wapen, dat hij reeds enige tijd in zijn bezit had, zichzelf per ongeluk heeft doodgeschoten. Dit zou bijvoorbeeld hebben kunnen gebeuren omdat het slachtoffer aan het spelen was met het wapen.
In het dossier treft het hof geen onderzoeksresultaten aan die dit scenario ondersteunen, terwijl het dossier wel sterke contra-indicaties bevat. Allereerst heeft de deskundige van het NFI geconcludeerd dat in een dergelijk geval de kans klein zou zijn om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen. Daar komt nog bij dat zowel de verdachte als [betrokkene 5] hebben verklaard dat zij geen schot hebben gehoord, terwijl uit de waarnemingen van [betrokkene 5] volgt dat het slachtoffer al was beschoten voordat de verdachte de parkeerplaats verliet. Het hof acht dit scenario dan ook onaannemelijk.’
5.
Verzoeker heeft ter zitting in hoger beroep in verband met het alternatieve scenario dat [slachtoffer] zichzelf per ongeluk17. van het leven heeft beroofd onder meer verklaard dat toen hij de auto van [slachtoffer] na hun gesprek zou verlaten, [slachtoffer] hem toonde dat hij een wapen had. Verzoeker heeft daarover ter zitting in hoger beroep van 21 november 2022 verklaard:
p. 7 pvb zitting:
‘Ik heb begrepen dat de spiegel in zijn zonneklep was uitgeklapt. Ik dacht dat hij misschien aan het kijken was, raar aan het doen was of met zijn dochter aan het spelen was, en dat het wapen toen misschien per ongeluk is afgegaan.’
p. 12 pvb zitting:
‘De voorzitter vraagt op welk moment het wapen in de auto ter sprake is gekomen.
Aan het einde van ons gesprek. Toen bleek dus dat hij een afspraak had met diegene. Ik dacht dat hij toen zoiets zei als: ‘Ik ben hier’ en ‘Ik krijg geld’ of ‘Ik breng geld’. Hij pakte ineens een wapen onder zijn stoel vandaan en liet dit aan mij zien. Het wapen zat ineen plastic tasje met het AH-logo erop. Ik schrok ervan en vroeg wat er aan de hand was. Ik dacht dat hij een wapen had omdat hij bedreigd werd in verband met zijn huis, want op dat moment zat hij in een safehouse. Hij zei dat hij het wapen niet bij zich had in verband met die afspraak. Hij zei dat hij het voor de veiligheid had meegenomen, voor de zekerheid zoiets. Toen dacht ik: ‘Dan neem ik het mee’.
De voorzitter vraagt waarom ik schrok toen het slachtoffer mij in de auto het wapen toonde, terwijl ik door het proefschieten wist dat hij over een wapen beschikte.
Ja, maar ik wist niet dat hij ermee rondliep. [slachtoffer] zei dat het niet nodig was dat ik het wapen mee zou nemen. Hij zei dat het alleen bedoeld was om af te schrikken. Toen zei ik dat ik dan de kogels en het doosje mee zou nemen in de plastic zak. In de zak lag alles los van elkaar. Ik heb [slachtoffer] daar dus achtergelaten met een leeg wapen.
De voorzitter houdt mij voor dat de door mij geschetste gang van zaken rondom het tonen van het wapen enigszins moeilijk voorstelbaar is.
Zo is het wel gegaan. Het gesprek ging over van alles en nog wat. Aan het einde, toen ik wist dat zijn afspraak er zou zijn, kwam hij ineens met dat ding. Als hij had gezegd dat hij bang was voor deze afspraak, dan zou ik zijn gebleven of had ik gevraagd: ‘Waarom spreek je op deze plek .af?’. Dit bedenk ik mij pas achteraf. Ik dacht dat er zonder kogels geen ongelukken konden gebeuren. Ik kreeg tijdens het gesprek de indruk dat de afspraak op de parkeerplaats zou plaatsvinden.
De voorzitter vraagt wat ik ervan vond dat het slachtoffer een afspraak had waarvoor hij een vuurwapen nodig had, terwijl zijn 14 maanden oude dochtertje op de achterbank zat.
Het is vreemd. Het is daar in ons gesprek niet over gegaan. Toen ik het wapen zag ben ik niet meer zo lang bij hem gebleven. Ik heb nu spijt van alles; dat ik heb proef geschoten en dat ik hem daar niet aan zijn haren heb meegenomen. Het voelde niet goed om hem op deze manier achter te laten.
De voorzitter houdt mij voor dat het kindje mogelijk (ook) gevaar liep. Ik zag niet echt een gevaar. Ik had er wel een raar gevoel bij. Daarom heb ik [slachtoffer] daarna nog gebeld. Of ik bezorgd was over het kindje?
Ik dacht: ‘Het komt wel goed, ik moet mij niet zo druk maken’. Ik moest ook snel weg naar mijn dochter want die moest naar taekwondo les in Hoofddorp. Het klopt wel dat ik er niet helemaal gerust op was, daarom heb ik dus ook gebeld. [slachtoffer] nam niet op. Toen heb ik een spraakbericht ingesproken dat hij zich niet druk moest maken. Ik kreeg wel een naar gevoel toen [slachtoffer]s vrouw mij belde met de vraag waar hij was en ik hem ook niet kon bereiken. Ik dacht er in eerste instantie niet bij na dat wij op een soort ‘Opsporing Verzocht locatie’ stonden. Nu denk ik: ‘Waren daar maar camera's geweest’.
Ik weet niet meer of het wapen op 1 oktober 2019 in de auto van [slachtoffer] uit het tasje is gehaald. Volgens mij heb ik gewoon gekeken. Voordat ik wegging zei ik: ‘Dan neem ik dit mee’. Hij zei: ‘Oké’. Die man belde en toen pakte ik die zak en liep ik weg.(…)’
p. 17 pvb zitting:
‘Wanneer ik het magazijn en de patronen heb weggegooid? Op 1 oktober 2019 in de avond, toen wij terugkwamen van dat sportding. Toen dacht ik: ‘ik heb dat ding nog, die gooi ik weg’. Ik was even naar een slootje gegaan. Wat mijn drijfveer was om het weg te gooien? Als [betrokkene 3] [de partner van verzoeker, opm. JK en DS] dat ding bij mij zou zien, dan zou zij flippen en ik vond het zelf ook vreemd om zoiets bij mij te hebben; ik loop nooit met een wapen.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat de politie op de door mij aangewezen locaties niets heeft aangetroffen dat in dit verband ter zake doet. Ze hebben wel gezien dat mijn auto daarheen is gereden en dat hij twee seconden later is weggereden en dat daar verder niets anders te doen is. (….)’
p. 18 pvb zitting:
‘De advocaat-generaal vraagt of ik het als een reële mogelijkheid beschouw dat het slachtoffer met het wapen in de auto heeft zitten spelen terwijl zijn 14 maanden oude dochtertje op de achterbank zat.
Dat zei ik, omdat ik echt niet weet wat er is gebeurd. In het begin dacht ik dat het geen zelfmoord kon zijn en ook niet per ongeluk. Ik heb het niet gedaan en ik heb alles naar voren gehaald, nu denk ik werkelijk dat dit zou kunnen gebeuren. Ik dacht misschien dat hij dit zit te doen, omdat, hij dacht dat er geen kogel in zat en ‘bam!’ dat er dan wel een kogel in zat. (……)’
p. 23 pvb zitting:
‘De voorzitter vraagt wat ik vind van de redenering van de rechtbank ten aanzien van het DNA- en schotrestenonderzoek.
Ik heb gezegd dat het kan kloppen want ik heb proef geschoten met een wapen en met die jas aan en ik rijd maar in één auto. Dus wat er is aangetroffen, kan daardoor zijn gekomen.
De voorzitter houdt mij voor dat op het wapen dat op 1 oktober 2019 op de plaats delict in beslag is genomen DNA is aangetroffen dat matcht met mijn DNA.
Ja, daar heb ik mee proef geschoten.
De voorzitter houdt voor dat ik bij de rechtbank heb verklaard dat ik niet weet of tijdens het proef schieten hetzelfde wapen is gebruikt als op 1 oktober 2019.
Dat weet ik nog steeds niet. Ik dacht dat het om hetzelfde wapen ging, een zwart vuistwapen. Ik dacht dat het hetzelfde wapen was, omdat het qua soort, grootte en alles hetzelfde was. Ik heb twee keer proef geschoten, maar de eerste keer deed ie het niet en de tweede keer wel. Ik weet niet of dat verschillende wapens waren en of één van die wapens het wapen was dat [slachtoffer] op 1 oktober 2019 bij zich had.
De voorzitter houdt mij voor dat, in het geval bij het proef schieten en op 1 oktober 2019 andere wapens zijn gebruikt, het proef schieten geen verklaring biedt voor de aanwezigheid van mijn DNA op het wapen dat op 1 oktober 2019 op de plaats delict is aangetroffen.
Het wapen waarop mijn DNA aangetroffen is, is het wapen dat ik heb aangeraakt bij het proefschieten of de keer dat het wapen het niet deed.
De voorzitter houdt mij voor dat uit onderzoek naar het wapen dat op 1 oktober 2019 op de plaats delict is aangetroffen is gebleken dat de hulsuitstoot in 36 van de 38 keer haperde omdat het wapen is bewerkt en dat het dus niet mogelijk is om met dat wapen vijf keer achter elkaar te schieten. Zij houdt mij tevens voor dat ik heb verklaard dat tijdens één van de keren dat wij hebben proef geschoten door mij en [slachtoffer] in ieder geval vijf keer achter elkaar is geschoten, maar dat dat dan niet het wapen kan zijn geweest dat op 1 oktober in 2019 op de plaats delict is aangetroffen.
Dan is dat blijkbaar het wapen dat haperde, want dat heb ik ook geprobeerd. Ik denk wel dat het wapen dat [slachtoffer] op 1 oktober 2019 in het tasje aan mij liet zien het wapen is van het proef schieten. De wapens van de twee keer proef schieten leken hetzelfde, maar ik weet niet of het twee wapens waren of dat [slachtoffer] het heeft laten repareren.
De oudste raadsheer houdt mij voor dat ik vandaag heb verklaard dat wij er samen aan hebben lopen kloten, een paar dagen ervoor ook nog. Wat ik met een paar dagen ervoor bedoel?
Tijdens de eerste keer proefschieten lukte het niet. Toen heb ik met [slachtoffer] eraan lopen kloten; wij dachten dat wij misschien een knopje moesten omdraaien ofzo. Daarna zijn wij nog een keer gaan proefschieten; die tweede keer kwamen er wel kogels uit.
De voorzitter houdt mij de conclusies voor van de rapporten van het NFI van 19 november 2019 (een rapport schotrestenonderzoek), 8 mei 2020 (een aanvullend rapport schotrestenonderzoek), 30 maart 2020 (een herzien rapport Wapentechnisch en munitieonderzoek) en 16 april 2021 (een onderzoek op activiteitenniveau).
Ik wil hier niet op reageren; ik vind het heel erg om te horen. Ik heb geen greepplaten opengemaakt of wat dan ook.’
p. 24 pvb zitting:
‘De voorzitter vraagt mij waarom ik niet eerder in de procedure heb verklaard oVer de omstandigheid dat [slachtoffer] een wapen zocht, het proefschieten en het weggooien van het magazijn en de munitie.
Ik wilde niet dat jullie dachten dat [slachtoffer] een wapen had en dat jullie zouden denken dat hij verkeerd bezig was. Toen ik merkte dat de politie écht dacht dat ik het heb gedaan, heb ik het gezegd. Het schaakmat-moment was daarna. Ik zei in de pauze van het verhoor tegen mijn advocaat dat ik wel een wapen had gehad. Hij zei dat ik dat dan direct moest vertellen. Ik werd erdoor overvallen, daarom heb ik het niet gelijk gezegd. Daarvoor had ik er niet over verklaard, omdat ik geen slecht beeld over [slachtoffer] wilde creëren. Ik heb daarna alles aan de politie verteld wat ik nu ook heb verteld, en daarna heb ik alles ook nog een keer tegen de rechter-commissaris gezegd.
De voorzitter houdt mij voor dat uit mijn verklaringen in het dossier niet blijkt dat ik in één keer het hele verhaal heb verteld, maar dat ik herhaaldelijk nieuwe dingen verklaarde nadat ik werd geconfronteerd met nieuwe, belastende onderzoeksgegevens. Hoe dat komt?
Ik wilde mijzelf niet bezwaren. Het verdient geen schoonheidsprijs. Ik dacht dat ik het allemaal goed deed voor hem. Ik heb gewoon alles verteld wat ik wist. Het is niet zo dat ik elke keer heb gewacht.
(…)
De oudste raadsheer vraagt waarom [slachtoffer], indien hij over twee wapens zou beschikken, het haperende wapen mee zou nemen op 1 oktober 2019,
Dat kun je ook omdraaien: a|s ik [slachtoffer] wilde doodschieten, dan neem ik geen haperend wapen mee.’
p. 41 pvb zitting:
‘De politie doet alsof ik een meesterbrein ben die een goede vriend heeft gedood. Maar als dat zo was, waarom zou ik dan een pistool gebruiken dat het niet goed doet en daarna het wapen met mijn DNA en alles erop daar achterlaten? Het is geen bewijs voor jullie, maar ik zweer het op Allah: Wollah, toen ik daar wegreed was die man gewoon in leven! Wat er daarna is gebeurd, weet ik niet. Ik weet in ieder geval dat ik het niet heb gedaan.’
(onderstrepingen JK en DS)
6.
De raadsman heeft daarnaast met betrekking tot het onbedoelde zelfdodingsscenario aangevoerd dat dit zeer wel mogelijk is (p. 28 e.v. van de op de zitting in hoger beroep van 23 november 2022 overgelegde pleitnota) omdat zowel [slachtoffer] als verzoeker in de veronderstelling verkeerden dat door het wegnemen van het magazijn en patronen er geen kogel meer kon worden afgevuurd met het wapen:
‘Maar zelfdoding als ongeluk daarentegen is zeer wel mogelijk: [slachtoffer] kan zichzelf per ongeluk doodgeschoten hebben.
Zowel cliënt als [slachtoffer] leefden in de veronderstelling dat door het wegnemen van dit magazijn en deze patronen er geen kogel meer kon worden afgevuurd met dit wapen. Maar er is gebleken dat er nog een patroon achtergebleven was in het wapen, namelijk in de kamer.
Een deskundige heeft ook bevestigd dat dit mogelijk is. In de rapportage van W. Kerkhoff van het NFI van 14 april 2020 is vastgesteld dat er zonder patroonhouder met dit wapen geschoten kan worden. Derhalve is het mogelijk dat na vertrek van cliënt, die de patroonhouder en patronen had meegenomen, het fatale schot nog kan zijn gelost. Het zou mijns inziens dus zeer wel mogelijk zijn dat [slachtoffer] op deze wijze zichzelf per ongeluk heeft doodgeschoten.
Maar er is NFI rapportage opgemaakt waaruit blijkt dat er geen DNA van [slachtoffer] op het wapen zat, althans niet op de kolf of op de slede. Hoe is dit te rijmen?
Wat is de waarde van DNA-bewijs? Daar kun je wel je vraagtekens bij zetten als je de DNA-rapportages in deze zaak onder de loep neemt. Als het wapen niet in de hand van [slachtoffer] was aangetroffen, zou je op grond van de DNA-rapportages zeggen dat [slachtoffer] het wapen in ieder geval niet in zijn handen heeft gehad, want er bevindt zich geen DNA van [slachtoffer] op het wapen. Echter, niets is minder waar. Wij weten allemaal dat het wapen in de hand van [slachtoffer] is aangetroffen.
Maar wat staat er in het dossier: Het vuurwapen is in de hand van het slachtoffer [slachtoffer] aangetroffen met de vinger op de trekker. Ik verwijs naar pagina Z19 alwaar de verbalisant [verbalisant 1] op 1 oktober 2019 heeft verklaard:
‘Toen ik naast de auto stond, ter hoogte van de man, zag ik dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen vast hield gelijkend op een Baretta model 81….Ik zag dat zijn Wijsvinger op de trekker zat …… Terwijl ik over hem heen bukte heb ik zijn wijsvinger van de trekker gehaald waarna ik hem bij zijn pols heb gepakt en het vuurwapen uit zijn hand heb geschut. ’
Hier lees ik dus dat de vinger om de trekker zat en het wapen uit de hand van [slachtoffer], waar het in lag, is geschut, nadat de vinger van de trekker is gehaald.
Het feit dat er geen DNA van [slachtoffer] op het wapen is aangetroffen is dus moeilijk te rijmen met de feiten. Kennelijk is het toch mogelijk om een wapen vast te houden en de vinger op de trekker te hebben zonder dat er DNA van diegene wordt aangetroffen op dit wapen. Dan is het mijns inziens ook mogelijk, althans zeker niet uit te sluiten dat [slachtoffer] zichzelf heeft doodgeschoten met dit vuurwapen zonder DNA achter te laten.
Dit alternatieve scenario kan mijns inziens dan ook niet simpelweg worden weggewoven door erop te wijzen dat er geen DNA van het slachtoffer op het wapen is aangetroffen.
Het scenario van de zelfdoding zou mijns inziens middels eenvoudig onderzoek uitgesloten of bevestigd kunnen worden, ware het niet dat de VW Golf van het slachtoffer is teruggegeven aan de nabestaanden. Een onderzoek naar het bestaan van een schotrestenpatroon op de bijrijdersstoel zou hierover uitsluitsel kunnen geven. — Als er schotresten op de bijrijdersstoel zouden worden aangetroffen is het zeer aannemelijk dat daar dus niemand heeft gezeten ten tijde van het afvuren van het wapen.
- —
Als er geen schotresten worden gevonden op de bijrijdersstoel betekent dit dat daar zeer waarschijnlijk wel iemand heeft gezeten.
- —
Dit onderzoek is echter niet uitgevoerd door de politie en de verdediging kon dit onderzoek niet meer uit laten voeren omdat de auto teruggeven was.
Uiteindelijk is er door het NFI na al het onderzoek op bronniveau een evaluatie gemaakt van de resultaten van biologische sporen en DNA-onderzoek. Dit heeft geresulteerd in het rapport op activiteitenniveau van 16 april 2021.
NFI rapportage op activiteitenniveau:
De verdediging heeft voordat dit rapport tot stand is gekomen bezwaren gemaakt tegen bepaalde aannames en omschrijvingen van de feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van dit rapport van het NFI van 16 april 2021 heeft de verdediging nog de nodige vragen gesteld, die zijn beantwoord door het NFI.
Uiteindelijk heeft de verdediging ook de piekenprofielen ingezien. Dit heeft nog vragen en mogelijk nieuwe onderzoekswensen opgeleverd, maar de verdediging heeft besloten om de inhoudelijke behandeling door te laten gaan.
Als ik de conclusies van Kokshoom met betrekking tot de 3 hypothesen (6.2, pagina 6/7) goed lees dan haal ik hier het volgende uit:
Kokshoorn acht de hypothese 1, dat cliënt op [slachtoffer] heeft geschoten, iets waarschijnlijker dan hypothese 2, dat een onbekende derde op [slachtoffer] heeft geschoten. Het oordeel iets waarschijnlijker heeft gezien de tabel op pagina 7 op zichzelf nauwelijks bewijskracht (2–10). Zoals is aangegeven geeft deze conclusie niet de kans weer welke hypothese waar is. Dat hangt af van het overige bewijs.
Kokshoom acht hypothese 1, dat cliënt op [slachtoffer] heeft geschoten, veel waarschijnlijker dan hypothese 3, dat [slachtoffer] zichzelf heeft beschoten. Bewijskracht 100-10.000. Dat is een veel sterkere bewijskracht, maar ook niet heel krachtig vergeleken met de bewijskracht die wij meestal zien bij DNA bewijs.
Kokshoorn concludeert vervolgens dat hypothese 2, dat een derde op [slachtoffer] heeft geschoten, waarschijnlijker dan hypothese 3, dat [slachtoffer] zichzelf heeft beschoten. Dit heeft bewijskracht 10–100.
Kokshoorn heeft vervolgens de conclusies aangepast naar aanleiding van bezwaren van de verdediging met betrekking tot de gestelde aannames: als men uitgaat van de aanname dat het wapen in bezit was van [slachtoffer] veranderen de conclusies:
- —
Veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1, cliënt heeft geschoten, waar is, dan hypothese 2 (derde) en 3 ([slachtoffer]) waar is.
- —
Iets waarschijnlijker wanneer hypothese 2 (derde) waar is dan hypothese 3 ([slachtoffer] zelf) waar is.
Naar aanleiding van een volgend bezwaar van de verdediging naar aanleiding van de gestelde aannames concludeert Kokshoorn:
Wanneer wordt aangenomen dat ook onder hypothese 1 (cliënt is de schutter) [slachtoffer] in het bezit van het wapen was dan moeten de conclusies verder aangepast worden: Ongeveer even waarschijnlijk wanneer hypothese 1 (cliënt schutter) waar is als wanneer hypothese 2 (derde schutter) waar is.
Iets waarschijnlijker wanneer hypothese 1 (cliënt schutter) waar is of hypothese 2 (derde schutter) dan wanneer hypothese 2 ([slachtoffer] schutter) waar is.
Ab heeft uitvoerig verklaard dat [slachtoffer] om een wapen vroeg en dit heeft aangeschaft. Hij heeft deze informatie ook met zijn vriendin [betrokkene 2] gedeeld, die dit ook heeft bevestigd in haar verklaring bij de politie. De verdediging gaat dan ook uit van deze laatste aannames.
Uit deze laatste conclusies van Kokshoorn leid ik af dat het gegeven de hypothesen, aannamen en overige relevante contextinformatie, ongeveer even waarschijnlijk is dat cliënt [slachtoffer] heeft doodgeschoten als dat een derde dit gedaan heeft. De kans dat [slachtoffer] zichzelf heeft doodgeschoten is iets kleiner.
Derhalve is de conclusie van de verdediging dat uit het onderzoek van het NFI op activiteitenniveau gezien de aannames van de verdediging, die op grond van het dossier aannemelijk zijn, niet duidelijk wordt welk scenario, welke hypothese, het meest waarschijnlijk is. Kokshoorn stelt wel dat het iets onwaarschijnlijker is dat het zelfdoding was, maar ongeveer even waarschijnlijk dat cliënt de schutter was of een derde.
Voor de goede orde haal ik Buger e Aben uit 2010 aan als ik zeg dat het gehanteerde Beyesiaanse redeneerschema van onzekerheid geen zekerheid kan maken. Het kan wel inzichten verschaffen. Mijns inziens blijft er meer dan gerede twijfel bestaan of mijn cliënt dit feit heeft gepleegd.’ (onderstreping JK en DS)
7.
Als uitgangspunt bij de weerlegging van een verweer als het onderhavige geldt het volgende aan HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359 ontleende beoordelingsschema. Ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, zal de rechter — indien hij tot een bewezenverklaring komt — die aangedragen alternatieve gang van zaken moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.
8.
Het gerechtshof heeft naar aanleiding van hetgeen door en vanwege verzoeker is aangevoerd overwogen dat er geen ondersteunende onderzoeksresultaten voor zijn. Dat is echter niet het criterium, het gaat erom of de aangedragen alternatieve gang van zaken weerlegging vindt in (feiten en omstandigheden (ontleend aan)) bewijsmiddelen. Dat is hier niet het geval. Bovendien blijkt dat de bewijsmiddelen voor de alternatieve gang van zaken uitdrukkelijk ruimte laten. Zo heeft de raadsman erop gewezen dat uit onderzoek van het NFI blijkt dat sprake was van een haperend wapen waardoor het mogelijk bleek dat, ondanks het feit dat verzoeker de patroonhouder en de kogels bij zijn vertrek uit de auto heeft meegenomen, het kon gebeuren dat een nog in de kamer aanwezige kogel kon worden afgevuurd.18.
9.
Verder zijn de door het gerechtshof genoemde twee ‘sterke contra-indicaties’ niet aan te merken als aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten.
10.
Als eerste contra-indicatie noemt het gerechtshof het feit dat de deskundige van het NFI heeft geconcludeerd dat in een dergelijk geval de kans klein zou zijn om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen.19. Het feit dat de kans klein is, betekent echter niet dat de kans dermate klein is dat het scenario (genoegzaam) kan worden uitgesloten. Een kleine kans is nog steeds een kans. De bewijsmiddelen weerleggen daarmee het alternatieve scenario niet.
11.
Dat geldt ook voor de tweede contra-indicatie. Het gerechtshof ziet die gelegen in het feit dat zowel verdachte als [betrokkene 5] heeft verklaard geen schot te hebben gehoord, terwijl uit de waarnemingen van [betrokkene 5] volgt dat het slachtoffer al was beschoten voordat de verdachte de parkeerplaats verliet.
12.
Er zijn geen onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat [betrokkene 5] en/of verzoeker, beiden rijdend in hun eigen auto met de motor aan, in staat zouden moeten zijn geweest het geluid van een schot in de afgesloten auto van het slachtoffer te horen. Daar komt bij dat niet vaststaat dat [betrokkene 5] zich op het moment van dat schot (al) op de parkeerplaats bevond en/of zich binnen gehoorafstand bevond van het schot in de auto van het slachtoffer, terwijl de afstand tussen de auto van verzoeker en die van het slachtoffer op dat moment evenmin bekend is.
13.
Bovendien heeft het gerechtshof daarbij, kennelijk en ten onrechte, geen rekening gehouden met het feit dat, zo de door [betrokkene 5] waargenomen auto die van verzoeker was een zogeheten ‘AMG-geluid’ maakte welk geluid, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting, is te horen in de afgeluisterde OVC-gesprekken en is geïllustreerd aan de hand van een door de raadsman ter zitting afgespeelde YouTube-video. Het gerechtshof heeft niet geoordeeld dat verzoeker ondanks dit geluid in staat moet zijn geweest het geluid van een schot in de afgesloten auto van het slachtoffer te horen, noch heeft het geoordeeld dat de auto van verzoeker dat geluid op dat moment niet maakte.
14.
Daarnaast is het oordeel van het gerechtshof dat het ontbreken van ondersteuning in de bewijsmiddelen en de contra-indicaties het alternatieve scenario ‘onaannemelijk’ doen zijn, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
15.
Dat ondersteuning in de bewijsmiddelen ontbreekt, kan aan de aannemelijkheid van het alternatieve scenario niet in de weg staan. Een alternatief scenario hoeft immers niet ‘bewezen’ te worden, voldoende is dat het aannemelijk is geworden.
16.
Voorts geldt met betrekking tot de contra-indicaties die het gerechtshof noemt dat het feit dat de kans om geen DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering van de slede en onder de kolfplaten van het vuurwapen klein is, noch het feit dat de verdachte en [betrokkene 5] hebben verklaard geen schot te hebben gehoord, om dezelfde als de hiervoor genoemde redenen — een kleine kans is ook een kans en het ontbreken van onderzoek(sresultaten) waaruit de mogelijkheid blijkt om onder de gegeven omstandigheden een dergelijk schot te horen — de gestelde onaannemelijkheid van het alternatieve scenario kunnen dragen.
17.
Aldus heeft het hof het alternatieve scenario op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden verworpen, waardoor de met de bewezenverklaring maar niet met de bewijsmiddelen strijdige mogelijkheid is opengebleven dat het slachtoffer (per ongeluk) door zelfdoding om het leven is gekomen.
18.
Voor de volledigheid wordt hier, ook al betrekt het gerechtshof zelf dat niet bij zijn overwegingen omtrent het alternatieve scenario, nog ingegaan op wat het gerechtshof heeft geoordeeld ten aanzien van het aantreffen van schotresten op de rode jas van verzoeker en van zijn DNA op het wapen en de daarvoor door verzoeker gegeven verklaring.20.
19.
Op. p. 17 e.v. van het arrest overweegt het gerechtshof dienaangaande:
‘Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat het slachtoffer in het bezit was van het vuurwapen dat in zijn auto is aangetroffen en dat het slachtoffer en de verdachte daarmee gezamenlijk hebben proef geschoten niet geloofwaardig en overweegt in dit verband het volgende.
In het dossier is er geen enkele objectieve aanwijzing dat het slachtoffer het vuurwapen heeft aangeschaft. Weliswaar heeft de partner van de verdachte verklaard dat de verdachte haar enkele weken voor zijn aanhouding heeft gezegd dat het slachtoffer een wapen wilde aanschaffen, maar het hof verbindt aan deze verklaring niet de door de verdediging gewenste waarde, omdat de verdachte zelf de bron was van deze informatie en geen ander bewijs voorhanden is. De echtgenote van het slachtoffer heeft verklaard dat haar man nooit een wapen heeft gehad en niet vreesde voor zijn leven. Van een conflict met de onderverhuurder van de woning aan [c-straat 01], dat de verdachte als reden voor de aanschaf van het wapen heeft opgegeven, was in elk geval in september 2019 (al maanden) geen sprake meer. Volgens de echtgenote van het slachtoffer was hij niet bang voor de onderhuurder en was na een betaalde factuur voor de verwarming de onderlinge verstandhouding goed.
De verklaring van de verdachte dat hij bij [betrokkene 8] en [betrokkene 10] naar een vuurwapen voor het slachtoffer heeft gevraagd, is door deze getuigen niet bevestigd. Het DNA van het slachtoffer is, anders dan op/in de loop hetgeen verklaarbaar is omdat het slachtoffer op korte afstand in het hoofd is geschoten, niet op het vuurwapen aangetroffen.
Het hof acht bovendien onaannemelijk dat de verdachte en het slachtoffer gezamenlijk met het vuurwapen hebben proef geschoten. Allereerst overweegt het hof dat de verdachte, na zijn eerdere bewering dat hij in geen tien jaar een vuurwapen had vastgehouden, hierover pas heeft verklaard nadat de politie hem had medegedeeld dat zijn DNA op het wapen was aangetroffen. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen hierover. Daarnaast is uit onderzoek aan het vuurwapen gebleken dat het wapen feitelijk functioneerde als een enkelschots wapen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het proefschieten meermalen achter elkaar heeft geschoten zonder door te laden. Bovendien is onder de hypothese dat het slachtoffer het vuurwapen enige tijd in zijn bezit heeft gehad, de kans om géén DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering onder de kolfplaten klein gebleken. Tot slot betrekt het hof hierbij dat de politie op de door de verdachte aangewezen plek als locatie van het proefschieten met behulp van metaaldetectors naar de uitgeworpen hulzen heeft gezocht, hetgeen geen resultaat heeft opgeleverd.
Anders dan de verdediging stelt is de omstandigheid dat de Mercedes van de verdachte op 22 september 2019 twee keer op de door de verdachte als proefschietlocatie aangemerkte plek is geweest niet aan te merken als steunbewijs voor de stelling van de verdachte, reeds omdat hij heeft verklaard dat zij beide keren met de auto van het slachtoffer naar de locatie van het proefschieten zijn gereden. Bovendien bevindt zich in de buurt van die plek een McDonalds en woont de verdachte daar niet ver vandaan, zodat het zeer goed mogelijk is dat hij om een andere reden naar deze plek is gereden.
Het hof acht de verklaring van de verdachte voor de schotresten op en in zijn jas, de schotresten in zijn auto, het DNA op de slede van het wapen en het DNA aan de binnenzijde van de kolfplaten niet aannemelijk.’
20.
Dat oordeel, waarin het gerechtshof de door verzoeker afgelegde verklaring dat het slachtoffer in het bezit was van het in de auto aangetroffen wapen en hij met het slachtoffer (met dat wapen) heeft proef geschoten21. ongeloofwaardig/onaannemelijk acht, kan niet in de weg staan aan de eerder getrokken conclusie over de verwerping door het gerechtshof van het alternatieve scenario.
21.
Daarbij wordt vooropgesteld dat het gerechtshof van die verklaring niet heeft kunnen vaststellen/vastgesteld dat die in strijd is met de bewijsmiddelen.
22.
Verder heeft het aan zijn oordeel dat de verklaring met betrekking tot de daarin naar voren komende (wens tot) aanschaf van een wapen door het slachtoffer ongeloofwaardig is ten grondslag gelegd dat - er in het dossier geen enkele objectieve aanwijzing is dat het slachtoffer het vuurwapen heeft aangeschaft;
- —
de volgens verzoeker door het slachtoffer daarvoor gegeven reden (conflict van slachtoffer met verhuurder) niet is bevestigd door de echtgenote van het slachtoffer;
- —
de getuigen [betrokkene 8] en [betrokkene 10] niet hebben bevestigd dat verzoeker hen naar een vuurwapen ten behoeve van het slachtoffer heeft gevraagd, en;
- —
DNA van het slachtoffer op het wapen ontbreekt, met uitzondering van de loop.
23.
Die gronden zijn ontoereikend om dat oordeel te kunnen dragen, meer in het bijzonder in het licht van de verklaring van de vriendin van verzoeker, [betrokkene 2]. Daarin zegt zij dat verzoeker haar heeft verteld dat het slachtoffer een wapen wilde aanschaffen en dat het slachtoffer daarbij had aangegeven dat dit voor zelfverdediging was, waarbij het slachtoffer er gestrest uitzag. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onbegrijpelijk de overweging van het gerechtshof dat verdachte zelf de bron van die verklaring was en het aan de verklaring daarom bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van verzoeker ‘niet de door de verdediging gewenste waarde geeft’, i.e. buiten beschouwing laat. Dit geldt temeer nu door de verdediging in dat verband is aangevoerd dat getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat verzoeker haar dit heeft verteld ruim voor de dood van [slachtoffer] en zij haar verklaring heeft afgelegd toen verzoeker in beperkingen zat.22.
24.
Datzelfde geldt voor het oordeel van het gerechtshof dat de verklaring van verzoeker over het proefschieten door hem en het slachtoffer onaannemelijk is. Dat oordeel is gestoeld op de overwegingen dat
- —
hij in een eerder stadium had gezegd in nog geen tien jaar een wapen te hebben vastgehouden en hij vervolgens pas met zijn verklaring kwam toen hem door de politie werd verteld dat zijn DNA op het wapen was aangetroffen, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van die verklaring;
- —
uit onderzoek aan het vuurwapen gebleken dat het wapen feitelijk functioneerde als een enkelschots wapen, terwijl de verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het proefschieten meermalen achter elkaar heeft geschoten zonder door te laden;
- —
onder de hypothese dat het slachtoffer het vuurwapen enige tijd in zijn bezit heeft gehad, de kans om géén DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering onder de kolfplaten klein is gebleken en
- de politie op de door de verdachte aangewezen plek als locatie van het proefschieten met behulp van metaaldetectors naar de uitgeworpen hulzen heeft gezocht, hetgeen geen resultaat heeft opgeleverd.
25.
Met betrekking tot de overweging dat het feit dat het wapen feitelijk functioneerde als een enkelschotswapen en verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het proefschieten meermalen achter elkaar heeft geschoten zonder door te laden, het tweede gedachtestreepje, heeft het gerechtshof miskend c.q. ten onrechte niet mede in beschouwing genomen dat verzoeker ter zitting in hoger beroep23. ook heeft verklaard dat hij twee keer met het slachtoffer is gaan proefschieten en dat het wapen het de eerste keer niet deed en de tweede keer wel, en hij niet weet of dat verschillende wapens waren en of één van die wapens het wapen was dat [slachtoffer] op 1 oktober 2019 bij zich had. Er was aldus volgens de verklaring van verzoeker in ieder geval één keer sprake van een haperend wapen. Dit brengt mee dat het gerechtshof niet zonder meer kon oordelen dat ‘het’ wapen feitelijk functioneerde als een enkelschotswapen en de verklaring dat hij bij het proefschieten met het wapen meerdere keren achtereen heeft geschoten daarmee niet in overeenstemming was.
26.
Het feit dat het slachtoffer het vuurwapen enige tijd in zijn bezit heeft gehad en daardoor de kans om géén DNA van het slachtoffer aan te treffen in de bemonstering onder de kolfplaten klein is, het derde gedachtestreepje, betekent niet dat het slachtoffer het wapen niet al langer in zijn bezit kan hebben gehad en/of daarmee heeft proef geschoten. Zoals eerder ook verwoord: het feit dat de kans klein is, betekent niet dat de kans niet bestaat. Een kleine kans is nog steeds een kans. Deze overweging is derhalve niet redengevend voor de conclusie dat de verklaring van verzoeker niet aannemelijk is.
27.
Dat de politie zonder resultaat op de door de verdachte aangewezen plek als locatie van het proefschieten met behulp van metaaldetectors naar de uitgeworpen hulzen heeft gezocht, het vierde gedachtestreepje, leidt tot dezelfde conclusie. Het niet aantreffen van hulzen betekent niet dat ze er niet lagen, waarbij van belang is hetgeen de verdediging in dat verband heeft aangevoerd (p. 20 van de op 23 november 2022 overgelegde pleitnota):
‘Het feit dat dit niet ondersteund wordt door gevonden hulzen in het aangewezen gebied betekent niet dat het niet gebeurd is. Er is een lange tijd verstreken tussen het proefschieten en het zoeken van de politie. Het is dus ook zeer wel mogelijk dat de achtergebleven hulzen inmiddels verdwenen zijn of gewoon niet gevonden konden worden. De plaatsbepaling hiervan is immers niet eenvoudig.’
28.
Het vorenstaande brengt mee dat overblijft de onder het eerste gedachtestreepje opgenomen overweging van het gerechtshof dat verzoeker zijn verklaring in een laat stadium en na eerdere ontkenning heeft afgelegd, hetgeen volgens het gerechtshof ‘afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van die verklaring’. Het enkele afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaring betekent echter nog niet dat die verklaring daarmee ook onaannemelijk is. Nu de overige gronden die het gerechtshof daarvoor heeft aangedragen niet toereikend zijn, kan het oordeel van het gerechtshof niet leiden tot de conclusie dat de verklaring van verzoeker ongeloofwaardig/onaannemelijk is.
29.
Een en ander brengt mee dat hetgeen het gerechtshof heeft overwogen met betrekking tot de door verzoeker gegeven verklaring voor de aanwezigheid van schotresten op zijn rode jas en zijn DNA op het wapen, niet in de weg staat c.q. kan staan aan de hier eerder getrokken conclusie dat het alternatieve scenario niet weersproken wordt door de bewijsvoering en dat de gronden waarop het gerechtshof heeft geoordeeld dat dit scenario onaannemelijk is daartoe niet toereikend zijn.
30.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Ad b) de door de verdediging gedane (voorwaardelijke) verzoeken
31.
In het verband van het onderwerp van de voorgaande deelklacht(en) zijn ook enkele door de verdediging gevraagde voorwaardelijke, dat wil zeggen indien geen vrijspraak volgt, verzoeken gedaan.
32.
Die verzoeken betreffen onderzoek door het NFI naar de schotresten en folies. Concreet gaat het om (zie p. 43 onder 13. van de door de verdediging ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnota waarbij de nummering die het gerechtshof daaraan heeft gegeven zal worden aangehouden):
- a)
een verzoek een nader schotrestenonderzoek te doen naar het spreidingspatroon van de aangetroffen schotresten op de jas van verzoeker waarvan de resultaten relevant zijn, aldus de verdediging, voor de beantwoording van een van de vragen ex artikel 348/350 Sv. Daarbij refereert zij aan de pagina's 51 en 52 van het relaas, waarbij is vermeld dat ‘ten aanzien van de vragen over een eventueel spreidingspatroon van aanwezige schotresten (is) met de aanvrager en opdrachtgever op 10 februari 2020 en medio maart/april af gesproken om vooralsnog alleen bemonsteringen uit te voeren, maar om deze vooralsnog niet allemaal te onderzoeken.’ Dit komt overeen, aldus de verdediging, met pagina 7 van het schotrestenonderzoek van het NFI van 8 mei 2020 (vide Z 913 PV);
De verdediging heeft het oog op het door de aanvrager op 9 oktober 2019 verzochte maar nog niet uitgevoerde onderzoek ter beantwoording van de volgende vragen:
‘Zijn er schotresten aanwezig op deze jas? Is er op de jas een spreidingspatroon zichtbaar? Zo ja waar is de concentratie het sterkst? Indien mogelijk visualiseren.’
welk onderzoek
‘dient te worden verricht op de aanwezige bemonsteringen van de jas, te weten linker voorpand, rechter voorpand, linkermouw vanaf 20 cm van de rand tot schouder, rechtermouw vanaf 20 centimeter van de rand tot schouder, linker steekzak, rechter steekzak, grote zak in linker voorpand, linker achterpand, rechter achterpand, binnenzijde linkermouw en binnenzijde rechtermouw. Vindplaats: pagina 8 onder 4.1 van het aanvullend schotrestenonderzoek d.d. 8 mei 2020 (vide pagina Z914 PV).’
- b)
een verzoek om een schotrestenonderzoek op het volgende materiaal: de folie AAMC4971NL en de folies AAMC4972NL tot en met AAMC4975NL, zoals vermeld op pagina 1 van het bloedspoorpatroononderzoek van het NFI d.d. 21 juli 2020 waarbij dient te worden nagegaan of er schotresten aanwezig zijn op deze folies en zo ja, welk spreidingspatroon er op de folies zichtbaar is en waar is de concentratie schotresten het sterkst is.
- c)
een verzoek om het NFI opdracht te geven het spreidingspatroon van de schotresten aanwezig op de jas en op de folies met elkaar te vergelijken, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten.
Daarbij verzoekt de verdediging het NFI-onderzoek te laten doen, teneinde de juistheid van de volgende hypothesen te onderzoeken: 1. Met de inbeslaggenomen rode jas is in een afgesloten ruimte geschoten. 2. Met de inbeslaggenomen rode jas is in de buitenlucht geschoten en niet in de auto.
- d)
het verzoek om uitbreiding van het nader onderzoek op activiteitenniveau, te weten een reconstructie, teneinde te bezien of het schotrestenpatroon beter past bij het lossen van een schot in de buitenlucht, dan wel in een auto zoals eerder voorgesteld door het NFI zelf tijdens een bespreking op 2 september 2020. De verdediging acht dit een zinvolle aanvulling en heeft dit verzoek tot nader onderzoek overgenomen waarbij de eerder aangescherpte hypothese dient te worden gebruikt waarbij aan ‘schieten met de jas aan in de buitenlucht’ is toegevoegd, ‘en niet in de auto.’
33.
Dat het NFI, zoals het bij de bespreking van 2 september 2020 kennelijk heeft aangegeven, niet verwacht dat de gevraagde onderzoeken veel zullen opleveren kan aan de noodzaak van de verzoeken niet afdoen, aldus de verdediging (p. 45 e.v. pleitnota):
‘De verdediging is van oordeel dat het NFI in deze bespreking vooruitloopt op de zaken. De verdediging is de mening toegedaan dat het gevraagde onderzoek eerst dient te worden uitgevoerd. Nadien kan bekeken worden welke betekenis aan de resultaten kan worden toegeschreven.
Ik ben van mening dat de procesdeelnemers en ook derden in staat gesteld dienen te worden om hieromtrent hun oordeel te kunnen vormen. Ik wil de resultaten van het gevraagde onderzoek aan een derde schotrestendeskundige ter beoordeling voorleggen. Teneinde deze mogelijkheid te hebben, dient dit onderzoek op bronniveau wel gedaan te zijn. De verdediging acht het in het belang van de verdediging dat dit onderzoek derhalve wordt uitgevoerd.’
34.
Met betrekking tot de noodzaak van het gevraagde onderzoek wordt voorts nog het volgende aangevoerd:
‘Het resultaat of er überhaupt schotresten worden aangetroffen op de overige delen van de jas en op de folies dient de waarheidsvinding. Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek is naar de mening van de verdediging meer te zeggen welke hypothese aannemelijker is: er is met de rode jas aan in de auto geschoten of is er niet met de rode jas aan in de auto geschoten.
De verdediging is van mening dat met het aantreffen van schotresten, de wetenschap over de hoeveelheid schotresten en het spreidingspatroon hiervan, meer te zeggen is over welke hypothese aannemelijker is. Dit is van belang voor de beantwoording van de vragen 348–350 Sv.
Als het door het onderzoek namelijk aannemelijker wordt dat er met de rode jas in de auto is geschoten, dan is dit belastend voor client. Als aannemelijker is dat er niet met de rode jas in de auto is geschoten, is dit aanmerkelijk ontlastend voor cliënt.
Als u cliënt niet vrijspreekt is de verdediging van oordeel dat het gevraagde onderzoek noodzakelijk is, daar het meer duidelijkheid kan geven op de vraag of er met de rode jas binnen of buiten de auto is geschoten. Als uit het onderzoek blijkt dat het aannemelijker is dat er met de rode jas buiten de auto is geschoten sluit dit meer aan bij de verklaring van cliënt dat hij met [slachtoffer] met een vuurwapen buiten heeft proef geschoten. Dit levert aldus ontlastend materiaal op.
Dit onderzoek is ook van belang voor de beantwoording van de vraag of er van de bijrijdersstoel is geschoten, derhalve aan de beantwoording van de vraag of de bijrijdersstoel bezet of onbezet was ten tijde van het afvuren van de dodelijke kogel in deze. Als vast komt te staan, dan wel aannemelijker is, dat de bijrijdersstoel bezet was ten tijde van het afvuren van de dodelijke kogel in de auto, is dit belastend voor cliënt. Als vast komt te staan, dan wel aannemelijker is, dat de bijrijdersstoel niet bezet was, betekent dit dat het scenario van zelfdoding aannemelijker wordt en is dit ontlastend voor cliënt.
De verdediging is reeds enorm benadeeld door de teruggave van de auto waarin het dodelijk slachtoffer is aangetroffen, zodat er geen nader onderzoek gedaan kan worden naar de aanwezigheid van schotresten op de bijrijdersstoel. Dit onderzoek zou uiterst relevante informatie hebben opgeleverd met betrekking tot het uitsluiten van het alternatieve scenario dat er sprake was van zelfdoding. Als uit het schotrestenpatroon blijkt dat er ten tijde van het dodelijk schot niemand naast het slachtoffer in de auto zat, dan is aannemelijker dat er sprake was van zelfdoding.
Nu dit onderzoek naar de bijrijdersstoel niet meer tot de mogelijkheden behoort verzoekt de verdediging al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto dat nog wel mogelijk is, te laten uitvoeren.
De rechtbank concludeert dat de teruggave van de auto van [slachtoffer] (de PD) aan de nabestaanden een onherstelbaar vormverzuim is. Gezien vaste jurisprudentie is de verdediging alsdan van oordeel dat de verdediging voldoende compensatie krijgt voor dit onherstelbaar vormverzuim.
Dit betekent naar de mening van de verdediging dat onderhavig verzoek dan ook gehonoreerd zou moeten worden.
Derhalve formuleert de verdediging ook dit verzoek als een voorwaardelijk verzoek. De voorwaarde is: als uw hof de verdediging niet volgt en cliënt niet vrijspreekt, doet de verdediging deze verzoeken.’
35.
Het gerechtshof heeft de verzoeken afgewezen. Het rubriceert daarbij de verzoeken als volgt:
‘Ten slotte heeft de verdediging verzocht om de volgende forensische onderzoeken:
- 1.
een nader onderzoek van de rode jas van de verdachte, mede na het uitvoeren van een reconstructie (aanwezigheid van schotresten en een spreidingspatroon).
- 2.
een nader onderzoek van de schotrestbemonsteringen uit de Volkswagen Golf van het slachtoffer (aanwezigheid van schotresten en een spreidingspatroon).
- 3.
een vergelijking tussen beide spreidingspatronen.
- 4.
al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto van het slachtoffer.’
en overweegt in dat verband:
‘Op basis van de e-mail van de deskundige Knijnenberg van 7 augustus 2020 en het concept-verslag van de videobespreking op 2 september 2020 van deskundigen van het NFI, de officier van justitie, mr. Witlox en rechter-commissaris A. Wijnveldt overweegt het hof het volgende.
Ad 1. | De deskundige Knijnenberg is van oordeel dat het onderzoek aan de schotrestenfolies geen bijdrage kan leveren aan de toetsing op activiteitenniveau. Een onderzoek naar de schotresten op de jas zou alleen zinvol kunnen zijn als met het wapen en de jas verschillende schietoefeningen zouden worden verricht, maar de bewijskracht van het onderzoeksresultaat van een dergelijk onderzoek zal worden beperkt door een aantal onzekerheden die grote invloed kunnen hebben op de uitkomsten. Het is niet mogelijk al deze variabelen uitputtend mee te nemen in de experimenten. De deskundige concludeert dat dit onderzoek een bijdrage kan leveren als de rechter, op basis van de overige stukken in het dossier, van oordeel is dat sprake is van een a priori kansverdeling van 50/50 tussen het scenario dat de verdachte heeft proef geschoten en niet aanwezig was in de auto ten tijde van het fatale schot en het scenario dat de verdachte op dat moment wel aanwezig was in de auto. De verdediging heeft betoogd dat het onderzoek eerst gedaan moet worden vóórdat een conclusie over de bewijswaarde getrokken kan worden. Het hof volgt de verdediging hierin niet, nu uit de toelichting van de deskundige blijkt dat een aantal van de door de deskundige genoemde onzekerheden onvermijdelijk is, zoals de verblijfsduur in de auto en de verandering van het spreidingspatroon op de jas gedurende de periode tussen het schot en de inbeslagname. Gelet op hetgeen hierboven in de bewijsoverwegingen en met betrekking tot de alternatieve scenario's is weergegeven, is het hof bovendien van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier (ook zonder de schotresten) de a priori kans dat de verdachte zich ten tijde van het schot in de auto bevond bijzonder veel groter is dan de kans dat hij toen niet in de auto was. |
Ad 2. | Ten aanzien van het tweede verzoek heeft de deskundige Knijnenberg op 2 september 2020 verklaard dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten. Vaststaat dat in de auto, de witte Volkswagen Golf van het slachtoffer, is geschoten; tussen verschillende scenario's kan geen onderscheid worden gemaakt. |
Ad 3. | Wat het derde verzoek betreft heeft Knijnenberg opgemerkt dat hij een onderzoek naar het vergeleken van het spreidingspatroon van schotresten op de jas van de verdachte en dat op de folies niet mogelijk acht, omdat het verschillende methoden van bemonsteren betreft. |
Ad 4. | Het hof acht dit verzoek te weinig specifiek geformuleerd om daarover een beslissing te kunnen nemen, mede gelet op het stadium van de procedure en de gelegenheid die de verdediging heeft gehad om onderzoekswensen in overleg met de deskundigen te specificeren. |
Het hof komt tot de slotsom dat de noodzaak tot het verrichten van de verzochte onderzoeken gelet op deze constateringen van de deskundige van het NFI tegen het licht van de motivering van de verdediging, niet is gebleken.’
36.
Voor de onderbouwing van het ontbreken van de noodzaak voor het onder 1) verzochte onderzoek heeft het gerechtshof verwezen naar wat Knijnenberg daarover heeft gezegd, te weten dat een onderzoek naar de schotresten op de jas alleen zinvol zou kunnen zijn als met het wapen en de jas verschillende schietoefeningen zouden worden verricht, maar dat de bewijskracht van het onderzoeksresultaat van een dergelijk onderzoek zal worden beperkt door een aantal onzekerheden die grote invloed kunnen hebben op de uitkomsten en dat het niet mogelijk al deze variabelen uitputtend mee te nemen in de experimenten.
37.
Voor zover deze deskundige op voorhand al iets zou kunnen zeggen over de ‘bewijskracht’ van het resultaat van dergelijk onderzoek — het is uiteindelijk aan de rechter bij beoordeling daarvan om dit vast te stellen — kan uit het citaat van Knijnenberg in ieder geval niet volgen dat het gevraagde onderzoek géén bewijskracht heeft voor de in het kader van de op grond van de artt. 348 en 350 Sv te beantwoorden onderzoeksvragen. De overweging van het gerechtshof dat uit de toelichting van de deskundige blijkt dat een aantal van de door de deskundige genoemde onzekerheden onvermijdelijk is, zoals de verblijfsduur in de auto en de verandering van het spreidingspatroon op de jas gedurende de periode tussen het schot en de inbeslagname, doet daaraan niet af. Die onzekerheden c.q. beperkingen die tijdens het onderzoek worden ervaren en de mate waarin die de uitkomst van het onderzoek beïnvloeden, kunnen immers in de resultaten daarvan tot uitdrukking worden gebracht.
38.
Belangrijk is verder om vast te stellen dat uit hetgeen Knijnenberg heeft verwoord kan volgen dat het onderzoek potentieel geëigend moet worden geacht te zijn om meer duidelijkheid te krijgen over de door de verdediging in dit verband opgeworpen, voor de bewijsvraag belangrijke punten. In dit verband heeft de verdediging genoemd dat ‘het resultaat of er überhaupt schotresten worden aangetroffen op de overige delen van de jas en op de folies (….) de waarheidsvinding dient’, en dat ‘aan de hand van de resultaten van dit onderzoek meer te zeggen is welke hypothese aannemelijker is: is er met de rode jas aan in de auto geschoten of is er niet met de rode jas aan in de auto geschoten’ (pleitnota p. 45). Terecht voert de verdediging in dat verband aan dat het gevraagde onderzoek eerst moet worden uitgevoerd, en dat nadien bekeken kan worden welke betekenis aan de resultaten kan worden toegeschreven waarbij de resultaten ook eventueel een derde, via de verdediging in te schakelen schotdeskundige ter beoordeling moeten kunnen worden voorgelegd.
39.
Ook verwijst het gerechtshof in zijn overwegingen naar de conclusie van dezelfde deskundige dat dit onderzoek een bijdrage kan leveren als de rechter, op basis van de overige stukken in het dossier, van oordeel is dat sprake is van een a priori kansverdeling van 50/50 tussen het scenario dat de verdachte heeft proef geschoten en niet aanwezig was in de auto ten tijde van het fatale schot en het scenario dat de verdachte op dat moment wel aanwezig was in de auto.
40.
In dat verband wordt opgemerkt dat het uitgangspunt moet zijn dat een verdachte voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld is bewezen (art. 6 lid 2 EVRM). Verzoeker heeft in casu ontkend in de auto te hebben gezeten ten tijde van het fatale schot en als verklaring voor de aanwezigheid van schotresten op zijn jas en DNA op het wapen gegeven dat hij eerder met het slachtoffer heeft proef-geschoten. Als derhalve ‘a priori’ bij de beoordeling van het verzoek om nader onderzoek níet zou worden uitgegaan van een kansverdeling van 50/50 maar van een kansverdeling waarbij de kans dat verzoeker in de auto heeft gezeten ten tijde van het fatale schot (veel) groter dan 50% zou worden geacht dan dat hij met het wapen heeft proef-geschoten, dan wordt het onschuldprincipe met voeten getreden. Daarbij komt dat bij verzoeker alsdan — in strijd met de ook in art. 6 EVRM neergelegde beginselen van equality of arms en een adversarial proceeding — nog voordat is bewezenverklaard dat hij het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd, de middelen om zijn onschuld aannemelijk te maken uit handen worden geslagen.
41.
Het voorgaande brengt mee dat de door Knijnenburg geformuleerde, door het gerechtshof overgenomen ‘eis’ dat sprake is van een a priori kansverdeling van 50/50 het uitgangspunt moet zijn als het gaat om onderzoek als waarom de verdediging in casu heeft verzocht en dat kan dienen ter beantwoording van de vragen ex artt. 348 en 350 Sv, meer in het bijzonder de bewijsvraag.
42.
Het gerechtshof heeft dit miskend, blijkende uit de overweging dat ‘het bovendien van oordeel (is) dat op basis van de stukken in het dossier (ook zonder de schotresten) de a priori kans dat de verdachte zich ten tijde van het schot in de auto bevond bijzonder veel groter is dan de kans dat hij toen niet in de auto was’. Daarmee geeft het bovendien blijk van vooringenomenheid met betrekking tot de schuld van verzoeker aan het hem verweten feit nu het er op deze manier en voor bewezenverklaring — een beslissing op het voorwaardelijk gedane verzoek vergt immers een beoordeling daarvan voordat wordt gekomen tot een definitieve beslissing op de tenlastelegging c.q. omtrent de bewezenverklaring — kennelijk vanuit gaat dat de kans dat verzoeker zich ten tijde van het fatale schot in de auto heeft bevonden ‘bijzonder veel groter’ is dan de kans dat hij toen niet in de auto was.
43.
Ook voor de afwijzing van het onder 2) genoemde onderzoek, omdat dit niet noodzakelijk is, verwijst het gerechtshof naar hetgeen Knijnenberg heeft opgemerkt: het onderzoeken van de schotresten op de folies heeft volgens hem geen toegevoegde waarde omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten en dat, nu vaststaat dat in de auto is geschoten, geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende scenario's.
44.
De verdediging had om dit onderzoek gevraagd meer in het bijzonder, zo blijkt uit het verzoek, om, zo op de folies schotresten worden aangetroffen, na te gaan welk spreidingspatroon daaruit is af te leiden en waar de concentratie van de schotresten het grootst is. Uit de onderbouwing van de verzoeken blijkt dat door voortijdige teruggave van de auto aan de nabestaanden, zelfstandig onderzoek naar de schotresten en het spreidingspatroon in de auto niet meer kon plaatsvinden. Als op de folies van het interieur van de auto die gebruikt zijn voor het bloedspoorpatroononderzoek (ook) schotresten kunnen worden aangetroffen, dan zou onderzoek naar die schotresten en het spreidingspatroon daarvan een alternatief kunnen vormen voor een niet meer uit te voeren separaat onderzoek naar de schotresten en het spreidingspatroon daarvan in de auto, aldus de verdediging.
45.
De verdediging heeft in haar pleidooi het belang van dit onderzoek aangegeven, en heeft betoogd dat in dat verband van belang is of op bepaalde plekken in de auto en meer in het bijzonder op de bijrijdersstoel schotresten zijn aangetroffen, om alsdan na te kunnen gaan hoe groot de kans is dat verzoeker in de auto heeft gezeten ten tijde van het schot.
46.
In zijn afwijzing van het verzoek gaat het gerechtshof ten onrechte niet in op dit laatste, belangrijke aspect van het verzoek. Daardoor miskent het gerechtshof dat het verzoek meer in het bijzonder ziet op de vraag welke conclusie aan het al dan niet aantreffen van schotresten op de bijrijdersstoel moet worden verbonden met betrekking tot de aannemelijkheid van de aanwezigheid van verzoeker daarop ten tijde van het lossen van het schot. Daardoor is zonder nadere motivering, die ontbreekt, de beoordeling van dit verzoek onbegrijpelijk, en/of berust dit oordeel op een onjuiste lezing van dit voorwaardelijke verzoek.
47.
De mening van Knijnenburg is voor het gerechtshof ook de grondslag voor de afwijzing van het onder 3) genoemde onderzoek naar een vergelijking van het spreidingspatroon aanwezig op de jas en die op de folies teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of verzoeker met de rode jas buiten heeft geschoten of in een afgesloten ruimte c.q. de auto. Knijnenburg heeft, aldus het gerechtshof, opgemerkt dat hij ‘een onderzoek naar het vergelijken van het spreidingspatroon van schotresten op de jas van de verdachte en dat op de folies niet mogelijk acht, omdat het verschillende methoden van bemonsteren betreft.’ Waarom het verschil in bemonstering aan een vergelijking in de weg zou staan, en meer in het bijzonder dat dit in de weg zou staan aan onderzoek naar de vraag of met de rode jas binnen of buiten en niet in de auto is geschoten, wordt hieruit echter niet duidelijk en het gerechtshof motiveert dit ook niet nader. Gelet op de hiervoor weergegeven nadere toelichting van de verdediging op de noodzaak van dit onderzoek, is de afwijzing van het verzoek omdat de noodzaak daartoe zou ontbreken, onbegrijpelijk.
48.
Het gerechtshof heeft de in de pleitnota van de verdediging voorkomende opmerking om ‘al het mogelijke onderzoek naar schotresten in de auto dat nog wel mogelijk is, te laten uitvoeren’ opgevat als zelfstandig verzoek en heeft dit gerubriceerd onder 4). Hoewel een gelijkluidende zin is opgenomen in de pleitnota van verzoeker, heeft — anders dan het gerechtshof oordeelt — ‘al het mogelijke’ kennelijk betrekking op de daarvóór gedane concrete verzoeken tot onderzoek. De zin staat immers in de context van het feit dat het, door de teruggave van de auto aan de nabestaanden, niet meer mogelijk is onderzoek te doen naar/op de bijrijdersstoel. Gevraagd wordt om onderzoek te doen dat nog wel mogelijk is omdat het kan worden verricht aan onderzoeksmateriaal dat zich al op het NFI bevindt.
49.
In dat licht bezien is het oordeel dat het verzoek te weinig specifiek is om daarop een beslissing te nemen onbegrijpelijk: alle verzoeken om nader onderzoek zijn immers zeer concreet gespecificeerd en veelal voorzien van (aangescherpte) hypothesen die aan onderzoek/reconstructie ten grondslag zouden moeten liggen. Het oordeel van het gerechtshof dat het daarop geen beslissing kan nemen is bovendien onbegrijpelijk gelet op de daarna volgende overweging waaruit blijkt dat het gerechtshof kennelijk wél in staat is een beslissing te nemen: het wijst het verzoek af vanwege ‘het stadium van de procedure’ en de eerdere gelegenheid die de verdediging voor formulering van dit verzoek zou hebben gehad.
50.
Ook dat laatste, tweeledige oordeel is onbegrijpelijk. Het gerechtshof motiveert ten eerste niet nader waarom het stadium van de procedure aan toewijzing van de verzoeken in de weg staat. Voor zover het gerechtshof daarmee bedoelt te zeggen dat de verzoeken worden afgewezen omdat de zaak op dat moment al inhoudelijk door het gerechtshof wordt behandeld, kan zulks niet gelden als geldige reden daarvoor. Verzoeker is immers door de rechtbank veroordeeld voor een ernstig feit en tot vele jaren gevangenisstraf, en (andere) belangen die aan een aanhouding om dat onderzoek te verrichten in de weg staan worden door het gerechtshof niet genoemd. Bovendien heeft verzoeker bij diverse gelegenheden om deze onderzoeken verzocht en zijn die telkens afgewezen: uit de appelmemorie die namens verzoeker is ingediend volgt dat de onderhavige verzoeken niet alleen toen zijn gedaan, maar ook eerder, bij de RC en de rechtbank en dat zij bovendien zijn herhaald op de regiezitting van 31 maart 2022 (zie de aldaar overgelegde pleitnota onder 13.) en toen (ook) zijn afgewezen door het gerechtshof.
51.
Hetzelfde geldt voor het oordeel van het gerechtshof dat verzoeker eerder in de gelegenheid was om onderzoekswensen in overleg met deskundigen te formuleren. Niet kan blijken op welke gelegenheid het gerechtshof doelt. Belangrijker nog, het zij herhaald, heeft verzoeker bij diverse gelegenheden verzocht om dit onderzoek: uit de appelmemorie die namens verzoeker is ingediend volgt dat de onderhavige verzoeken niet alleen toen zijn gedaan, maar ook eerder, bij de RC en de rechtbank en dat de verzoeken bovendien zijn herhaald op de regiezitting van 31 maart 2022 (zie de aldaar overgelegde pleitnota onder 13.) en toen zijn afgewezen door het gerechtshof.
52.
En ook al zou die gelegenheid hebben bestaan, dan betekent dat nog niet dat door daarvan geen gebruik te maken, verzoeker het recht op dergelijk onderzoek heeft verspeeld. Meer in het bijzonder houdt het oordeel van het gerechtshof, net als overigens het eerder vermelde oordeel over het stadium van de procedure, niet in dat de noodzakelijkheid van het gevraagde onderzoek niet is gebleken. Daar komt bij dat het (ook) gaat om onderzoeken die door het NFI, aldus de verdediging, eerder zelf al waren voorgesteld: tijdens een bespreking op 2 september 2020. Aldus is niet op voorhand en/of zonder nadere motivering begrijpelijk waarom de noodzaak tot die onderzoeken ontbreekt. Aldus heeft het gerechtshof verzuimd bij beoordeling van ‘al het mogelijke onderzoek’ de juiste maatstaf toe te passen en/of is (ook) de afwijzing van dit verzoek onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed.
53.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel II:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR en 126j, 350, 358, 359, 359a en 415 Sv, doordat:
- a)
de verwerping van het verweer dat de onmogelijkheid tot het doen verrichten van het tegenonderzoek in deze zaak in strijd is met een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM en/of het oordeel van het gerechtshof dat dit geen onherstelbaar vormverzuim ex art. 359a Sv oplevert onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en/of;
- b)
het oordeel van het gerechtshof, inhoudende dat ‘ten aanzien van de inzet van het aanlopen van de zus van de verdachte en het versturen van een kaart naar de cel van de verdachte, geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv’ (arrest p. 7–8), onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder geldt dit (ook) voor de aan dit oordeel ten grondslag liggende beslissingen van het hof dat:
- —
de opsporingsambtenaren bij het aanwenden van deze opsporingsmiddelen geen strafbaar feit hebben gepleegd jegens [betrokkene 12], en/of;
- —
de opsporingsambtenaren bij het aanwenden van deze opsporingsmiddelen geen strafbaar feit hebben gepleegd jegens verzoeker, en/of;
- —
het aanwenden van de twee bedoelde opsporingsmiddelen voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
Ad a) tegenonderzoek
1.
Door de verdediging is in het kader van de strafmaat gewezen op meerdere vormverzuimen, in de eerste plaats het verzuim om de Volkswagen Golf waarin [slachtoffer] is aangetroffen veilig te stellen ten behoeve van nader (tegen)onderzoek. Daartoe is het volgende aangevoerd (pleitnota p. 2–3, inclusief aanvullingen zoals deze volgen uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof, p. 32 e.v.):24.
‘1.
De verdediging is met de rechtbank van mening dat het optreden van het Openbaar Ministerie tot onherstelbare vormverzuimen heeft geleid, die in het vonnis van de rechtbank tot strafvermindering hebben geleid. Het OM is het hier niet mee eens. Daar het OM hiervan in appel is gekomen zal ik deze vormverzuimen wederom uitvoerig bespreken en onderbouwen.
Ten eerste bestaat er een onherstelbaar vormverzuim, nu het OM de PD niet heeft veiliggesteld voor nader onderzoek. De verdediging wilde de Golf van het slachtoffer laten onderzoeken en heeft hiertoe ook een expliciet verzoek gedaan. Dit onderzoek was niet echter meer mogelijk omdat deze Golf al was teruggegeven aan de nabestaanden, die de auto verkocht hadden, ten tijde van dit verzoek.
[aanvulling proces-verbaal:] Pagina 2, tweede alinea: Cliënt hielp [benadeelde 1] alleen maar met de verkoop. Hij haalde de auto op, want zij had geen rijbewijs.
Het belang van het onderzoek aan de auto van het slachtoffer was het volgende:
Als er kruitsporen zouden worden aangetroffen op de bijrijdersstoel dan zat daar dus niemand ten tijde van het afvuren van de kogel. Dat duidt dan op zelfdoding, zeker nu we weten dat de schootsafstand minder dan 2,5 cm was. Als er geen kruitsporen op de bijrijdersstoel zouden worden aangetroffen, heeft daar dus iemand naast [slachtoffer] gezeten ten tijde van het afvuren van de kogel.
Op deze wijze is de verdediging de mogelijkheid ontnomen om uiterst relevant onderzoek te laten doen naar de PD. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art 359a Sv. Ten aanzien van de in art 359a lid 2 genoemde factoren voer ik aan:
Het belang dat het geschonden voorschrift dient:
Het ontnemen van de mogelijkheid aan de verdediging tot het laten doen van dit onderzoek is een schending van artikel 6 EVRM. Het recht op een eerlijke behandeling in dit strafproces is geschonden.
De ernst van het verzuim:
Equality of arms is in het geding, daar politie en justitie wel onderzoek hebben kunnen laten uitvoeren aan de auto van het slachtoffer, maar de verdediging deze kans is ontnomen door deze teruggave. Op deze wijze is essentieel bewijsmateriaal, nota bene de PD, door justitie weggegeven, waardoor uiterst relevant nader onderzoek, hetwelk nog niet was verricht, op verzoek van de verdediging niet meer tot de mogelijkheden behoorde.
Het nadeel dat wordt veroorzaakt:
Op deze wijze is de verdediging de mogelijkheid ontnomen om aan te tonen dat het zelfdoding was. Cliënt heeft op deze wijze geen eerlijk proces. De verwezenlijking van het recht op toegang tot mogelijk ontlastend materiaal is de verdediging ontnomen. Ik verwijs naar de zaak Messier (EVRM).
De rechtbank heeft in zijn vonnis geoordeeld dat dit een onherstelbaar vormverzuim is in de zin van art.359a S en dit heeft geleid tot strafvermindering. De verdediging is het niet eens met het verder niet onderbouwde standpunt van het OM in de appelmemorie dat de rechtbank hier had kunnen volstaan met de enkele vaststelling van een vormverzuim.
In het licht van de EVRM jurisprudentie in deze is de verdediging ook onvoldoende compensatie geboden. In het bijzonder verwijs ik hierbij naar de afwijzing van onderzoekswens 13 door Uw Hof. Namelijk onderzoek laten doen naar wat er nog wel te onderzoeken is aan deze auto en dat betreft het onderzoek naar het schotrestenpatroon op de veiliggestelde folie's uit de auto van het slachtoffer.’
2.
Het gerechtshof heeft hierop als volgt beslist (arrest p. 3–4):
‘Schending van het recht op een eerlijkproces door (te vroege) teruggave van de auto
Op grond van de processtukken staat vast dat het slachtoffer in zijn auto, een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] (hierna ook: ‘het voertuig’ dan wel ‘de auto’) in zijn hoofd is geschoten. Het voertuig is op 2 oktober 2019 forensisch onderzocht in de onderzoeksgarage van de forensische opsporing van de politie Eenheid Amsterdam. Ten tijde van dit onderzoek waren nog verschillende hypothesen en scenario's mogelijk, zodat verschillende locaties in het voertuig zijn bemonsterd op de aanwezigheid van schotresten en op de aanwezigheid van humaan biologisch materiaal (dossierpagina Z481-Z484). Op 14 november 2019 heeft [verdachte], die op dat moment nog niet als verdachte was aangehouden, ten behoeve van de weduwe van het slachtoffer het voertuig opgehaald bij de politie. De verdediging heeft reeds in het kader van de eerste zitting bij de rechtbank op 26 februari 2020 verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de schotresten en het kruitpatroon in de auto van het slachtoffer. De verdediging achtte dit onderzoek van belang omdat daarmee mogelijkerwijs geconcludeerd kon worden dat het aannemelijker is dat vanaf de bestuurdersstoel of juist vanaf de bijrijdersstoel is geschoten.
De verdediging heeft gesteld dat sprake is van een vormverzuim. Uit de toelichting leidt het hof af dat de verdediging betoogt dat het verzuim hierin bestaat dat door het teruggeven van de auto haar recht op het laten verrichten van tegenonderzoek geschonden is.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat de eis van een eerlijke procesvoering inderdaad kan meebrengen dat aan een verzoek tot tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of dit recht bestaat, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval in de desbetreffende zaak. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop de wens van de verdediging tot het doen verrichten van een tegenonderzoek steunt en (b) het belang van het gewenste tegenonderzoek in het licht van (bijvoorbeeld) de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat. De vraag of de onmogelijkheid van een tegenonderzoek aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staat, dient uiteraard aan de hand van diezelfde omstandigheden te worden beoordeeld (vgl. HR ECLI:NL:HR:2019:1065, HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293).
Het hof constateert met de raadsman dat in de onderhavige zaak de auto van het slachtoffer in een relatief vroege fase van het opsporingsonderzoek aan diens nabestaanden is teruggegeven en dat daardoor het door de verdediging gewenste tegenonderzoek niet meer kon worden uitgevoerd. In dit verband overweegt het hof allereerst, dat uit het dossier blijkt dat het de verdachte is geweest die vanaf 7 oktober 2019 bij de weduwe van het slachtoffer op de verkoop van het voertuig heeft aangedrongen (dossierpagina Z1743) en die op 14 november 2019 de auto bij de politie heeft opgehaald (dossierpagina Z1990). Het hof volgt de raadsman niet in zijn betoog dat de onmogelijkheid tot het doen verrichten van het tegenonderzoek, zoals hiervoor omschreven, in deze zaak aan een eerlijke procesvoering als bedoeld in artikel 6 EVRM in de weg staat. Op voorhand is duidelijk dat de resultaten van het tegenonderzoek geen tegenwicht in ontlastende zin zouden hebben kunnen bieden aan de in de bewijsoverweging uiteengezette voor de verdachte belastende resultaten (kort gezegd: het DNA- en schotrestenonderzoek en waarneming van de getuige [betrokkene 5] die erop neer komt dat hij tegelijkertijd met het vertrek van de Mercedes van de verdachte vanaf de plaats delict het beschoten slachtoffer in diens auto heeft gezien). In dat kader acht het hof tevens van belang dat in het opsporingsonderzoek de betrokken deskundigen van meet af aan te kennen hebben gegeven dat bij een schot in een dergelijk kleine ruimte, de auto, overal schotresten terecht (kunnen) komen en deze daarom niet onderscheidend zijn. Het schot had in een andere auto dan die van het slachtoffer kunnen worden nagebootst, maar ook in die situatie heeft te gelden dat met een dergelijk onderzoek geen informatie verkregen had kunnen worden die naar diverse scenario's onderscheiden had kunnen worden. Het hof concludeert op grond hiervan dat het door de verdediging verzochte tegenonderzoek niet had kunnen leiden tot redengevende onderzoeksresultaten met betrekking tot de gronden waarop de verdediging de wens tot het verrichten van dat onderzoek heeft gestoeld. Het hof is dan ook van oordeel dat met de teruggave van de auto in genoemd stadium geen inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en in redelijkheid niet valt in te zien dat de verdachte hierdoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
Met betrekking tot het standpunt van de raadsman dat de verdediging onvoldoende is gecompenseerd voor het ontbreken van de mogelijkheid tot het verrichten van tegenonderzoek (omdat het verzoek tot het verrichten van onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto is afgewezen), verwijst het hof naar verklaringen van de deskundige Knijnenberg van 2 september 2020. De deskundige heeft verklaard dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten. Vaststaat dat in de auto, de witte Volkswagen Golf van het slachtoffer, is geschoten; tussen de verschillende scenario's kan geen onderscheid worden gemaakt. Gelet op de constateringen van de deskundige ziet het hof, in het licht van hetgeen door de verdediging aan het verzoek ten grondslag is gelegd, in redelijkheid niet in dat en, zo ja, op welke wijze een onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto aan de verdediging compensatie had kunnen bieden zoals hier bedoeld.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat de procedure als geheel voor de verdachte eerlijk is geweest. Het hof verwerpt het verweer strekkende tot strafvermindering, nu de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad.’
3.
De kern van het betoog van de verdediging is dat door de auto te vroeg aan de nabestaanden van [slachtoffer] terug te geven, de mogelijkheid voor het doen van nader onderzoek van (de binnenruimte van) die auto ten onrechte is gefrustreerd. In het bijzonder geldt dit voor onderzoek naar kruitsporen op de bijrijdersstoel. Het aantreffen van kruitsporen aldaar, zou aannemelijk kunnen doen zijn dat daar niemand zat ten tijde van het afvuren van de kogel, hetgeen kan bijdragen aan de aannemelijkheid van het aangedragen alternatieve scenario dat van (niet opzettelijke) zelfdoding sprake is geweest, zeker nu bekend is dat de schootsafstand minder dan 2,5 cm was, aldus de verdediging.
4.
Uw Raad heeft beslist dat de omstandigheid dat als gevolg van enig verzuim het voor het verrichten van een tegenonderzoek bestemde bewijsmateriaal, kort gezegd, in het ongerede is geraakt, niet meebrengt dat de verkrijging van voornoemd bewijsmateriaal als resultaat van dat in het ongerede raken reeds op die grond als onrechtmatig moet worden aangemerkt (HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293). Deze rechtspraak geeft geen uitsluitsel over de situatie waarin als gevolg van enig verzuim geen onderzoek meer kan worden gedaan naar mogelijk ontlastend bewijsmateriaal.
5.
Uit rechtspraak van uw Raad volgt voorts dat de volgende factoren van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de eis van een eerlijke procesvoering meebrengt dat aan een verzoek tot het verrichten van tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven:
- (a)
de gronden waarop het verzoek steunt;
- (b)
het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van — bijvoorbeeld — de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat;
- (c)
de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en
- (d)
de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan (HR 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1065).
De vraag die in deze deelklacht centraal staat, is of in het licht van deze factoren, art. 6 EVRM geschonden is.
6.
Het springt in het oog dat het gerechtshof in zijn overwegingen alleen de factoren (a) en (b) noemt — volgens verzoeker ten onrechte. Zoals Reijntjes uiteenzet (noot NJ 2017/30), was de reden dat uw Raad in HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293 slechts die twee factoren noemde, daarin gelegen dat de betrouwbaarheid van de getrokken conclusie centraal stond (onder 5). Dat is hier niet het geval; integendeel, het gaat om het verlangen van de verdediging om ontlastend materiaal boven tafel te krijgen. Niet valt in te zien waarom in de onderhavige zaak de beoordeling niet aan de hand van alle vier de factoren getoetst zou moeten worden. Het oordeel van het hof geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is daardoor zodanig gemankeerd dat het ontoereikend is gemotiveerd en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
7.
Dit klemt te meer wanneer — in verband met de bij de beoordeling niet betrokken factoren c) en d) in aanmerking wordt genomen dat — zo stelt het hof zelf vast (arrest p. 3) — de verdediging reeds in het kader van de eerste zitting bij de rechtbank op 26 februari 2020 heeft verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de schotresten en het kruitpatroon in de auto van [slachtoffer], en dat de verdediging dit onderzoek van belang achtte omdat daarmee mogelijkerwijs geconcludeerd kon worden dat het aannemelijker is dat vanaf de bestuurdersstoel of juist vanaf de bijrijdersstoel is geschoten.
8.
Het oordeel van het hof is daarnaast gestoeld op overwegingen die steeds onbegrijpelijk zijn.
9.
Allereerst heeft het hof vastgesteld dat uit het dossier blijkt dat het verzoeker is geweest die vanaf 7 oktober 2019 bij de weduwe van het slachtoffer op de verkoop van het voertuig heeft aangedrongen (dossierpagina Z1743) en die op 14 november 2019 de auto bij de politie heeft opgehaald (dossierpagina Z1990) (arrest p. 4). Alhoewel het hof hieraan niet in directe zin conclusies heeft verbonden, verdient opmerking dat het feit dat verzoeker de auto heeft opgehaald aan de verdediging niet kan worden tegengeworpen: destijds was hij nog geen verdachte was, wist ook niet dat hij zich in rechte zou moeten gaan verdedigen tegen de thans geuite beschuldiging en wist, in het verlengde hiervan, evenmin dat hij de auto nodig zou kunnen hebben om zijn verdediging effectief te kunnen voeren.
10.
Verder, en hoofzakelijk, heeft het hof geoordeeld:
‘Op voorhand is duidelijk dat de resultaten van het tegenonderzoek geen tegenwicht in ontlastende zin zouden hebben kunnen bieden aan de in de bewijsoverweging uiteengezette voor de verdachte belastende resultaten (kort gezegd: het DNA- en schotrestenonderzoek en waarneming van de getuige [betrokkene 5] die erop neer komt dat hij tegelijkertijd met het vertrek van de Mercedes van de verdachte vanaf de plaats delict het beschoten slachtoffer in diens auto heeft gezien).’
(onderstreping JK en DS)
10.1.
Deze overweging is onbegrijpelijk. De strekking van het verzoek tot het verrichten van tegenonderzoek aan de betreffende auto was juist dat wanneer er iemand op de bijrijdersstoel zit, daar géén schotresten worden aangetroffen. In zoverre zou het onderzoek dus wel degelijk ‘tegenwicht (kunnen) bieden’ aan de ‘belastende’ (maar niet: sluitende) onderzoeksresultaten, of zelfs de betrokkenheid van verzoeker kunnen uitsluiten.
10.2.
Dat deskundigen, zoals het gerechtshof vervolgens overweegt, ‘van meet af aan te kennen hebben gegeven dat bij een schot in een dergelijk kleine ruimte, de auto, overal schotresten terecht (kunnen) komen’, laat onverlet dat op grond van deductie en/of als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen dat er geen kruitsporen/schotresten terecht kunnen komen op stoelbekleding wanneer daar ten tijde van het lossen van het schot iemand op zit.
10.3.
Bovendien wordt met het oordeel vooruitgelopen op de onderzoeksresultaten, in zoverre dat de conclusies die aan het tegenonderzoek aan de auto kunnen worden verbonden niet in algemene zin kunnen worden getrokken maar afhankelijk zijn van de precieze resultaten van dat onderzoek. Concreter: wanneer er, bijvoorbeeld, zeer veel kruitsporen aangetroffen zouden worden op de gehele bijrijdersstoel, ziet verzoeker niet in waarom het argument van de verdediging op voorhand niet op zou kunnen gaan.
10.4.
In zoverre heeft het hof in ieder geval verzuimd factor (a), de gronden waarop het verzoek steunt, genoegzaam en/of onbegrijpelijk bij zijn oordeelsvorming betrokken.
11.
Ook heeft het gerechtshof — onder verwijzing naar mededelingen die de deskundige Knijnenberg op 2 september 2020 heeft gedaan — geoordeeld dat het niet inziet hoe het door de verdediging verzochte onderzoek naar de veiliggestelde folies uit de auto aan de verdediging compensatie kan bieden voor het ontbreken van het doen van onderzoek aan de auto.
11.1.
In dat verband wordt opgemerkt dat het gerechtshof kennelijk meent dat er iets is dat compensatie behoeft. Dat staat op gespannen voet met zijn eerdere oordeel dat in redelijkheid niet valt in te zien dat de verzoeker door het ontbreken van de mogelijkheid tot tegenonderzoek in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
11.2.
In het verlengde hiervan betekent het oordeel van het hof dat onderzoek naar de folies geen compensatie kon bieden, niet dat er geen compensatie vereist is. De vraag die het hof dient te beantwoorden (indien er een verzuim heeft plaatsgevonden dat compensatie behoeft), is óf deze compensatie er is. Het hof heeft nagelaten dit te onderzoeken.
11.3.
Belangrijker nog is dat het oordeel van het hof dat het onderzoeken van de schotresten op de folies geen toegevoegde waarde heeft omdat dit niets zegt over het antwoord op de vraag wie heeft geschoten, onbegrijpelijk is gelet op de inhoud van de door de verdediging genoemde onderzoekswens 13. Daarin komt tot uitdrukking dat schotresten op de folies vergeleken dienen te worden met de schotresten op de jas van verzoeker (BM 39). De onderzoekswens houdt in (pleitnota p. 44):
‘De verdediging verzoekt tevens een schotrestenonderzoek te doen laten plaatsvinden op het volgende materiaal: de folie AAMC4971NL en de folies AAMC4972NL tot en met AAMC4975NL, zoals vermeld op pagina 1 van het bloedspoorpatroononderzoek van het NFI d.d. 21 juli 2020.
Op pagina 2 van dit rapport is vermeld dat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van schotresten op deze folies. ‘D efolies zijn op het NFI nog niet onderworpen aan een onderzoek naar de aanwezigheid van schotresten.’
De verdediging wenst te vernemen of er schotresten aanwezig op deze folies. Zo ja, welk spreidingspatroon er op de folies zichtbaar is en waar is de concentratie schotresten het sterkst is.
Ik verzoek het NFI om het spreidingspatroon van de schotresten aanwezig op de jas en op de folies met elkaar te vergelijken, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten. De verdediging verzoekt het NFI-onderzoek te laten doen, teneinde de juistheid van de volgende hypothesen te onderzoeken:
- 1.
Met de inbeslaggenomen rode jas is in een afgesloten ruimte geschoten.
- 2.
Met de inbeslaggenomen rode jas is in de buitenlucht geschoten en niet in de auto.’
(onderstreping JK en DS)
11.4.
Het gaat er mitsdien niet om of uit de folies kan worden afgeleid wie er schoot, maar om de vraag naar het verband van de sporen op die folies met de sporen op de jas, teneinde een antwoord te krijgen op de vraag of uit dit patroon is af te leiden of cliënt met deze rode jas buiten heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verklaard, te weten bij het proefschieten. De beslissing van het hof berust in zoverre op een onjuiste lezing van het pleidooi van de verdediging.
12.
Ter afronding wordt gewezen op de genoemde noot van Reijntjes (NJ 2017/30), waarin hij over het arrest van uw Raad HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2293 schrijft (onder 3):
‘Valt het vernietigen van de in beslag genomen blokken dan wel aan te merken als een vormverzuim? Waar geen recht op nader onderzoek bestond kan dit toch ook niet zijn gefrustreerd? Het hof achtte een dergelijk verzuim wel aanwezig, maar verbond daaraan geen rechtsgevolg, kort gezegd: omdat er voldoende bewijs voorhanden was. Hiermee bracht het zichzelf in moeilijkheden; was deze motivering niet te kort door de bocht?’
Onder 6 voegt Reijntjes hieraan toe dat in het oordeel van uw Raad waarin dit wordt gebillijkt, vermoedelijk moet worden gelezen dat het onmogelijk geworden onderzoek voor het nemen van een verantwoorde beslissing overbodig was.
13.
In de onderhavige zaak heeft het gerechtshof een gelijksoortige beslissing genomen; er is geen sprake van een vormverzuim, omdat er voldoende bewijs voorhanden is c.q. omdat het onderzoek geen ander licht op dit bewijs kon werpen. Gelet op het voorgaande, is juist dat oordeel onbegrijpelijk. Het belang bij het tegenonderzoek kan op grond van wat door de verdediging daarover is aangevoerd niet worden uitgesloten, zodat aan verzoeker het recht op tegenonderzoek ten onrechte is ontzegd. Dat is een evident nadeel dat de verdediging met strafvermindering gecompenseerd had willen zien. Hiertoe is het hof — gelet op het voorgaande — ten onrechte en/of onbegrijpelijk niet overgegaan. Daarmee is ook het belang van verzoeker ex art. 80a RO gegeven.
Ad b) 126j Sv-opsporingsmiddelen
14.
De verdediging heeft ook de rechtmatigheid van enkele bijzondere opsporingsmiddelen betwist (pleitnota p. 3):
- ‘1.
Afluisteren van gesprekken die cliënt met zichzelf voert in zijn cel, inclusief gebeden.
- 2.
Bedreigen/pogen tot afpersen van cliënt middels die brief naar de PI.
- 3.
Bedreigen/pogen tot afpersen van zijn zus [proces-verbaal: ‘Pagina 3, tweede alinea, nummer 3: Dan wel belaging van zijn zus] ’
15.
In cassatie wordt opgekomen tegen de beslissingen van het hof omtrent de opsporingshandelingen onder 2 en 3.
16.
De verdediging heeft hierover het volgende aangevoerd, volledigheidshalve in zijn geheel weergegeven (pleitnota p. 3 e.v., inclusief aanvullingen zoals deze volgen uit het proces-verbaal van de zitting bij het hof, p. 32 e.v.):25.
‘De verdediging betwist de rechtmatigheid van de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen.
Het gebruik van dit bijzondere opsporingsmiddel moet wel de toets der proportionaliteit en subsidiariteit doorstaan. Bovendien mogen opsporingsambtenaren geen strafbare feiten plegen bij de inzet. Mijns inziens is dat wel gebeurd. Cliënt, zijn vrouw en zijn zus zijn bedreigd, althans is gepoogd hen afte persen.
De vertoonde beelden, en ook de geverbaliseerde verslaglegging hiervan, laten zien dat de zus van mijn cliënt [betrokkene 12] bedreigd wordt door enkele mannen. Ze wordt omringd door druk zwaaiende en kanker schreeuwende kerels, die haar duidelijk maken dat het hen menens is als er voor het eind van het jaar geen € 150.000 in bitcoins wordt betaald. Ik begrijp heel goed dat [betrokkene 12] dit als uiterst bedreigend heeft ervaren. Ik heb haar direct na deze aanloopactie huilend aan de telefoon gehad, waarbij zij zeer geëmotioneerd haar verhaal deed. Zij was zeer aangedaan. Ook mijn cliënt heeft dit niet ongemoeid gelaten, om het eufemistisch uit te drukken.
Aan het eind van het laatste politieverhoor werd cliënt verteld dat deze actie dreiging aan het adres van [betrokkene 12] en de kaart die cliënt in de PI heeft ontvangen door de politie in scene zijn gezet. Dit heeft tot heftige emoties geleid bij cliënt. Ik wist dat cliënt al heel lang op grond van levensbedreigende dreiging in afzondering zat in de PI. De angst die dit met zich meebrengt werd pas echt reëel toen cliënt hoorde van de dreiging jegens [betrokkene 12] op 3 december 2020 en de ontvangen kaart. Nu kwam het heel dichtbij en was het reeel. Het was stuitend om dan maanden later, te weten op 30 april 2021 bij het laatste verhoor te vernemen dat deze inzet door de politie was gepleegd. [betrokkene 12] was bedreigd door mensen van de politie, althans onder regie van de politie.
[proces-verbaal: Pagina 3, zevende alinea: De verdediging heeft nooit grip kunnen krijgen op de (onderliggende) informatie van de GRIP-melding.]
Cliënt, zijn zus en zijn vrouw zijn derhalve ruim 4 1/2 maand in angst achtergelaten, terwijl de politie beter wist.
Mijns inziens volstrekt ten onrechte deelde de OvJ in eerste aanleg mee dat er geen aangifte mogelijk is omdat de wederrechtelijkheid ontbreekt bij dit handelen van de politie. Het gaat er bij een bedreiging natuurlijk om of de bedreigde zich objectief gezien redelijkerwijs bedreigd kon voelen door de gebezigde bewoordingen, in combinatie met de gedragingen. De beelden, het geluid en de gesproken tekst, zoals geverbaliseerd spreken mijns inziens voor zich.
Bij deze voer ik het 395a Sv verweer, niet alleen voor het aanlopen van [betrokkene 12], maar ook voor het vervolg, te weten het versturen van de kaart met tekst en foto aan mijn cliënt. Hier wordt een vervolg gegeven op de eerdere bedreiging van [betrokkene 12].
De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw (het schrijven met foto aan hem gericht in de PI is te zien als een indirecte bedreiging van zijn vrouw) zijn hard bij hem binnengekomen. Ook cliënt was geheel van streek. Hij zat immers al maanden in de PI in afzondering wegens een anonieme dreiging op zijn leven, die door het GRIP zo serieus werd genomen dat cliënt hiervoor ruim 1/2 jaar in afzondering heeft doorgebracht. Door deze bedreiging van zijn zus en vrouw, werd deze dreiging op zijn leven concreet. Hierdoor hebben zijn zus [betrokkene 12], zijn vrouw [betrokkene 3] en hij zelf doodsangsten uitgestaan. Het heeft tot veel angst, spanning en stress geleid bij cliënt.
Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in art 359a Sv. Ten aanzien van de in art 359a lid 2 genoemde factoren voer ik aan:
Het belang dat het geschonden voorschrift dient:
Het aanlopen van [betrokkene 12] kwalificeer ik als een bedreiging van [betrokkene 12] (artikel 285 Sr.). Dit is een strafbaar feit en dat mag niet. [betrokkene 12] wordt omringt door opdringerige kanker roepende mannen, die druk en dreiging uiten, door te zeggen dat ze tegen [verdachte] moet zeggen dat hij voor 31 december 150.000 in bitcoins moet betalen. Doekoe moet terug. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit. We maken geen grappen, zeggen ze letterlijk (pagina 2428 PV). Me dunkt dit is een bedreiging! Ik verwijs ook naar het filmpje. Het is mijns inziens ook te kwalificeren als een poging tot afpersing (artikel 317 Sr). Ik verwijs ook naar de aangifte van deze bedreiging door zus [betrokkene 12] op 3 december 2020 (vide pagina 2578 t/m 2581 PV). Het zou ook nog te kwalificeren zijn als belaging (art. 285b Sr: iemand vrees aanjagen).
De dreiging die bij cliënt is binnengekomen door dit bedreigen cq. pogen tot afpersen, dan wel belagen van [betrokkene 12] en het nadien ontvangen van de kaart met foto in de PI , in de context van de anonieme dreiging die er al op zijn leven was, is ook te kwalificeren als bedreiging, poging tot afpersing, althans belaging van mijn cliënt (art. 285 Sr), althans is te zien als een schending van artikel 3 EVRM.
[betrokkene 12] heeft met cliënt gebeld en melding gemaakt van deze bedreiging. Cliënt was hiervan helemaal van de kaart. Op 4 januari 2021 heeft cliënt toen in de PI Grave de brief ontvangen, die is bijgevoegd bij het PV van bevindingen (zie pagina 2576/2577 PV), met de tekst: ‘Zit je lekker veilig en rustig in je cel; Heb je al gesproken met je zus; Wij wachten nog steeds; Kijk naar de foto; Voor vergiffenis is het nooit te laat. ’ De bijgaande foto (pag 2577) toont de voordeur van het huis van zijn vrouw [betrokkene 3]. Mijns inziens is evident dat dit een strafbaar feit oplevert jegens mijn cliënt. Subsidiair vind ik deze handelwijze van de politie een inbreuk op de integriteit van mijn cliënt. De inbreuk op zijn integriteit levert mijns inziens strijd met artikel 3 EVRM op.
De ernst van het verzuim:
Het hard aanpakken en onder druk zetten van een verdachte tijdens het vooronderzoek kan onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. Het toepassen van deze methoden vindt zijn begrenzing waar deze overgaan in een behandeling die strafbaar is, althans strijdig met art. 3 EVRM. Gebleken is dat er strafbare feiten zijn gepleegd met psychische schade tot gevolg. Er is geen ruimte voor het plegen van strafbare feiten door de politie. Dit maakt dat er sprake is van een ernstig verzuim. Het optreden van de politie zoals in deze zaak is niet toegestaan. Als de politie onschuldige burgers gaat bedreigen is het hek van de dam.
Het nadeel dat door het geschonden voorschrift wordt veroorzaakt:
Het bedreigen van [betrokkene 12] en de dreiging naar mijn cliënt toe heeft geen bewijs opgeleverd. De toegepaste bejegening van mijn cliënt heeft niet geleid tot bewijs. Het nadeel is dan ook beperkt. Door de dreiging heeft cliënt doodsangsten gehad. De bedreiging van zijn zus en zijn vrouw heeft cliënt veel stress en spanning opgeleverd gedurende 4 1/2 maand.
Gevolg:
Welk rechtsgevolg moet aan deze onderherstelbare vormverzuimen worden verbonden? Voor niet-ontvankelijk bij een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a is alleen plaats bij schending van het Zwolsman of Karmancriterium. Mijn onderbuik zegt dat dit hier eigenlijk wel aan de orde is.
Bij het eerste verzuim wordt uiterst relevant bewijsmateriaal, te weten de PD, weggeven voordat al het nodige onderzoek is verricht, althans voordat de verdediging hiertoe verzoeken heeft kunnen doen.
Bij het tweede kan het toch niet zo zijn dat onschuldige burgers worden bedreigd door de politie en maanden in angstige onzekerheid worden gelaten. Als dit niet voldoende gesanctioneerd wordt geeft het mijns inziens een vrijbrief voor justitie om dit onrechtmatige gedrag te blijven herhalen.
Gezien de jurisprudentie is niet ontvankelijkheid helaas een brug te ver, maar ik vind wel dat dit gedrag stevig gesanctioneerd moet worden. Bij het eerste verzuim ontneemt justitie mijn cliënt de kans op een eerlijk proces, althans op het laten doen van essentieel onderzoek, dat zeer ontlastend materiaal zou kunnen opleveren. Bij het tweede verzuim verziekt het mijns inziens feitelijk de opsporing als we gaan toestaan dat de politie strafbare feiten mag plegen om een strafrechtelijk onderzoek vlot te trekken.
Strafvermindering is naar de mening van de verdediging gerechtvaardigd. Ik verwijs naar de motivering van de Hoge Raad in dit arrest van 23 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1092): strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van voldoende ernstige verzuimen ex 359a Sv is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte kan grond bieden voor strafvermindering.
AG Bleichrodt schrijft in zijn conclusie bij bovenvermeld arrest (ECLI:NL:PHR:2020:654): het zonder rechtsgevolg blijven van vormverzuimen brengt niet alleen het gevaar van toekomstig gebrek aan rechtsdiscipline in de opsporing met zich mee (het preventieargument), maar kan ook leiden tot aantasting van de integriteit en het gezag van de overheid (het integriteitsargument).
Met verwijzing naar dit Anne Faber arrest verzoek ik om strafvermindering: zoals daar is vastgesteld, vind ik ook hier: zo ga je niet met verdachten om. Dit moet gesanctioneerd worden. Als u mij derhalve onverhoopt niet zou volgen en niet tot een vrijspraak zou komen, dient de op te leggen straf verminderd te worden op grond van deze onherstelbare vormverzuimen.
Ten aanzien van het aanlopen van de zus van cliënt en het versturen van de ansichtkaart heeft het OM betoogt en dit herhaalt in de appelmemorie dat dit met instemming van de RC is gebeurd. De rechtbank heeft hier anders over geoordeeld en de verdediging volgt hierin de rechtbank. De rechtbank heeft (vide pagina 10 van het vonnis) geoordeeld dat de eerder genoemde twee acties ‘op grond van artikel 126j Sv niet aan de RC, althans niet formeel en in concreto, zijn voorgelegd’. De rechtbank heeft voorts op de lezing van de OvJ dat de hele kwestie was voorgelegd aan de RC en dat mede om die reden Cr geen sprake zou zijn van een vormverzuim een onjuiste voorstelling van zaken is.
De rechtbank heeft dan ook geconstateerd dat er sprake geweest is van een verregaande inbreuk op de rechten van verdachte en zijn zus. De manier waarop de zus van verdachte is achtervolgd (namelijk voor haar merkbaar) en vervolgens is benaderd, kan moeilijk anders gezien worden als een bedreiging.
De rechtbank heeft geoordeeld dat — hoewel er nog onbeantwoorde vragen waren — er eind 2020 voldoende duidelijkheid was op de zaak te kunnen berechten. Toch is ervoor gekozen om gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde en van verdachte. Daarmee heeft het OM naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare overschreden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval bij de inzet van deze acties niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, waardoor er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek.
Het OM heeft in haar appelmemorie gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inzet van het middel in december niet meer proportioneel zou zijn. Immers ten tijde van de inzet was het multidisciplinair onderzoek van het NFI nog niet gereed. Dat het onderzoek ‘op enige technische details na gereed was, zoals de rechtbank stelt, betwist het OM.
De verdediging is het met de rechtbank eens en betwist de juistheid van het door het OM in haar appelmemorie gestelde. Ik wil in dit kader nog even benadrukken wat het OM zelf heeft verklaard:
Op de pro forma zitting van 29 juli 2020 verklaart de OvJ reeds op pagina 2 van het PV van de zitting: ‘…De volgende zitting op 8 oktober 2020, is wat het Openbaar Ministerie betreft de laatste pro forma zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak is gepland in begin december van dit jaar’.
De Officier van Justitie heeft voorts op 8 oktober 2020, tijdens die pro forma zitting gemeld dat wat het OM betreft ‘het tactisch onderzoek zo goed als gereed is en het PV zo goed als af.’ (zie pagina 1 van het PV van de zitting d.d. 8 oktober 2020). De onderhavige inzetten vinden maanden nadien plaats, te weten op 3 december 2020 en 4 januari 2021.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de verdachte nadeel van deze inzet heeft ondervonden: deze actie heeft voor de nodige angst bij verdachte gezorgd, angst voor zichzelf maar zeker ook voor zijn familie voor wie hij vanuit detentie niets kon betekenen. De rechtbank volgt de verdediging voorts ook in het oordeel dat ook als dit niet tot een benadeling van de verdachte is zijn strafzaak heeft geleid ook ander voldoende ernstig nadeel van verdachte grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. De verdediging kan zich vinden in dit oordeel en het gevolg, te weten vermindering in enige mate van de op te leggen straf.’
17.
Het hof was — anders dan de verdediging en de rechtbank — van oordeel dat geen sprake is geweest van (een) vormverzuim(en) ex art. 359a Sv, en overwoog hiertoe (arrest p. 5–7):
‘Geen strafbaar handelen van de politie of een schending van artikel 3 EVRM
Uit het dossier volgt dat in het kader van onderhavig politieonderzoek op grond van artikel 126j Sv twee acties zijn ingezet, te weten: het ‘aanlopen’ van de zus van de verdachte, [betrokkene 12], en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel in de PI in Grave.
Op 24 november 2020 heeft de officier van justitie een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven als bedoeld in artikel 126j Sv. Het bevel strekte ertoe om [betrokkene 12] te benaderen op een wijze die de indruk zou wekken dat dit door een derde partij, niet zijnde de politie, werd gedaan. Op 3 december 2020 hebben opsporingsambtenaren van Team Heimelijke Operaties uitvoering gegeven aan dat bevel (dossierpagina Z2430). Voorafgaand aan de inzet gericht tegen [betrokkene 12] zijn de kaders waarbinnen dit moest gebeuren en de over te brengen boodschap met deze opsporingsambtenaren besproken. Hierbij is expliciet afgesproken dat geen sprake mocht zijn van een bedreiging (in juridische zin) en dat er geen fysiek contact mocht zijn tussen de opsporingsambtenaren en [betrokkene 12]. Op 3 december 2020 zijn de opsporingsambtenaren [betrokkene 12] gevolgd vanaf haar huis naar de rechtbank in Amsterdam. Onderweg hebben de mannen bij een bezinepomp bewust oogcontact gemaakt met [betrokkene 12]. Vervolgens hebben de opsporingsambtenaren haar opnieuw gevolgd tot aan de rechtbank en hebben haar daar opgewacht. De opsporingsambtenaren hebben toen een briefje bij de deurgreep van het bestuurdersportier van de geparkeerde auto van [betrokkene 12] geplaatst. Nadat [betrokkene 12] de rechtbank verliet en onderweg was naar haar auto, is zij door twee van hen aangesproken. Uit het dossier blijkt dat het gesprek als volgt is verlopen (dossierpagina Z2428):
‘Ik, verbalisant B-180, sprak [betrokkene 12] aan.
Ik zei tegen [betrokkene 12]:
‘Ewa hoe gaat het met [verdachte]?
Hoe gaat het met [verdachte]? Luister zeg tegen [verdachte], voor 31 december gaat hij 150.000 betalen.
Doekoe moet terug, jij en [verdachte] hebben een probleem. Je kent [verdachte] toch of ken je geen [verdachte]?’
of woorden van gelijke strekking.
Wij, verbalisanten B-180 en B-270, hoorden [betrokkene 12] zeggen:
‘Welke [verdachte]? Wat heb ik daarmee te maken? Ik ken geen [verdachte]? Mijn broertje?’
of woorden van gelijke strekking.
We vervolgden het gesprek:
B-180: ‘150.000 voor 31 december.’
B-270: ‘Voor 31 december 150 kop.’
B-180: ‘Betaal die kanker doekoe, bij je auto staat hoe je het gaat betalen. Bitcoins, ik wil alleen Bitcoins. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem’ B-270: ‘Je hebt ons toch gezien bij je huis en bij tankstation?’
[betrokkene 12]: ‘Ja Ja.’
B-180: ‘Je hebt ons gezien toch. Goed zo, knoop dat in je oren. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit.’
B-270: ‘Kowed, we maken geen grappen!’
of woorden van gelijke strekking.’
[betrokkene 12] is vervolgens naar haar auto gelopen, waarop zij een briefje aantrof met daarop het getal 150.000 en het adres van een bitcoinwallet. Zij is onmiddellijk teruggelopen naar de rechtbank, waar zij de beveiliging heeft aangesproken. [betrokkene 12] heeft hierop het alarmnummer 112 gebeld en heeft diezelfde dag nog aangifte gedaan van chantage/afpersing. Ook heeft zij contact opgenomen met de echtgenote van de verdachte [betrokkene 3] en haar verteld wat haar was overkomen.
Op 28 december 2020 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning afgegeven om een brief en/of kaart met tekst en bijgevoegd een foto van de woning [d-straat 01] in [a-plaats] of een foto van de auto van de verdachte, te sturen naar de verdachte in de PI Grave. Uit het bevel volgt dat druk/dreiging zal worden opgelegd door middel van de tekst die wordt gebruikt. De tekst zal verwijzen naar de dreiging die [betrokkene 12] heeft meegemaakt en naar de vraag wanneer het geld dat (vermoedelijk) door de verdachte is verduisterd zal worden terugbetaald. Op 4 januari 2021 heeft de verdachte in zijn cel een brief ontvangen met daarop de navolgende tekst (dossierpagina Z2575):
‘As-Salam Alaykum
Zit je lekker veilig en rustig in je cel
Heb je al gesproken met je zus
Wij wachten nog steeds
Kijk naar de foto
Voor vergiffenis is het nooit te laat’
Bij de brief is een foto gevoegd van de voordeur van de woning aan het [d-straat 01] in [a-plaats], waar de verdachte mei zijn vrouw [betrokkene 3] en haar dochter woonde. Op de foto is ook de auto van [betrokkene 3] te zien.
Het hof stelt voorop dat deze twee acties zijn gestoeld op bevelen van de officier van justitie op grond van artikel 126j Sv. Anders dan bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie op grond van artikel 1261 Sv, waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, kan een bevel als bedoeld in artikel 126j Sv zonder tussenkomst van de rechter-commissaris (uitsluitend) door een officier van justitie worden afgegeven. Het hof constateert aldus dat in zoverre van enige onrechtmatigheid geen sprake is.
Anders dan de verdediging en de rechtbank is het hof van oordeel dat door de opsporingsambtenaren tijdens de inzet tegen [betrokkene 12] geen sprake is geweest van een bedreiging (in juridische zin) tegen de
verdachte, (indirect) diens vrouw en/of [betrokkene 12] en dat ook overigens jegens (één of meer van) hen geen strafbaar feit is gepleegd door de opsporingsambtenaren. Daarbij is betrokken dat de tegen [betrokkene 12] gebruikte woorden, die erop neerkomen dat vóór het einde van de maand 150.000 betaald moest worden, niet zien op een concreet misdrijf en dit evenmin in voldoende mate impliceren.
Naar het oordeel van het hof is daarnaast de wijze waarop [betrokkene 12] door de opsporingsambtenaren is aangesproken niet van dien aard of onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [betrokkene 12] of (indirect) de verdachte, of diens vrouw de redelijke vrees kon ontstaan dat een in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf zou worden gepleegd.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2020 aangaande het aanlopen van [betrokkene 12] blijkt dat de twee opsporingsambtenaren tijdens het gesprek op gepaste afstand van haar stonden, dat zij [betrokkene 12] dc weg niet hebben geblokkeerd zodat zij vrij was om weg te lopen en dat zij haar tijdens het gesprek op geen enkel moment hebben aangeraakt of anderszins fysiek hebben bejegend (dossierpagina's Z2425 tot en met Z2429). Niet gebleken is dat de opsporingsambtenaren zich tijdens het aanlopen van [betrokkene 12] op enigerlei wijze niet hebben gehouden aan de vooraf aan hen verstrekte opdracht en de in dat kader gemaakte afspraken, waaruit volgt dat zij binnen de kaders van het bevel hebben gehandeld, welk handelen dus niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt.
Het hof volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat sprake zou zijn van een poging tot afpersing of belaging van de verdachte, (indirect) diens vrouw en [betrokkene 12], reeds omdat het daartoe in dat verband vereiste opzet (onderscheidenlijk oogmerk) van de opsporingsambtenaren heeft ontbroken. Het hof wil wel aannemen dat het aanlopen van [betrokkene 12] en het versturen van de brief/kaart naar de verdachte in eerste instantie voor zowel de verdachte als zijn zus imponerend zijn geweest en bij hen tot onrust heeft geleid. Het hof is echter van oordeel dat de opsporingsambtenaren tijdens de inzet van deze middelen niet de grenzen van het toelaatbare hebben overschreden. Van een schending als bedoeld in artikel 3 EVRM is, gelet op al het voorgaande, naar het oordeel van het hof evenmin sprake.
Tenslotte acht het hof zowel het aanlopen van [betrokkene 12] als het versturen van de kaart naar de cel van de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Daartoe zijn met name de volgende omstandigheden in onderling verband redengevend: de ernst van het feit waarvan de verdachte werd verdacht (een levensdelict), de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de lange periode van onzekerheid waarin de nabestaanden, waarmee de verdachte als goede vriend in nauw contact had gestaan, toen al verkeerden. Door de proceshouding van de verdachte bleef ondanks alle inspanningen van het openbaar ministerie en de politie, zoals die uit het dossier volgen, onduidelijkheid bestaan over de feitelijke toedracht. Het politieonderzoek liep al gedurende ruim een jaar, toen is besloten tot een eenmalige gecombineerde inzet waarbij ook de zus van de verdachte werd betrokken. Deze beide inzetten zijn zorgvuldig op elkaar afgestemd en dienden hetzelfde doel. De keuze om de inzet (deels) op [betrokkene 12] te richten is zorgvuldig gemaakt. Gedurende het onderzoek werd namelijk duidelijk dat de verdachte een hechte band had met deze zus; zij hadden een sterke vertrouwensrelatie en zeer frequent contact, ook over het onderzoek naar de verdachte. In dat stadium van het onderzoek was geen lichter of ander middel (meer) voorhanden. Bovendien had de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen niet enkel ten doel het scheppen van duidelijkheid aangaande het motief (ten behoeve van de nabestaanden), maar zag deze ook op de kwalificatievraag.
Het hof constateert dat uit de gecombineerde inzet van het aanlopen van [betrokkene 12] en het sturen van een kaart naar de verdachte in zijn cel en de daarop gevolgde OVC gesprekken geen voor de verdachte belastende informatie is voortgevloeid.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat ten aanzien van de inzet van het aanlopen van de zus van de verdachte en het versturen van een kaart naar de cel van de verdachte, geen sprake is van een
vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het verweer wordt ook in zoverre verworpen.
Conclusie
De onderdelen van het verweer van de raadsman strekkende tot strafvermindering dienen, noch op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, te leiden tot de door de raadsman gestelde conclusie. Het verweer wordt dan ook met betrekking tot alle onderdelen verworpen.’
Strafbaar feit door de politie
18.
Door de verdediging is er terecht op gewezen dat het gebruik van het bijzondere opsporingsmiddel ex art. 126j Sv de toets der proportionaliteit en subsidiariteit moet doorstaan, en dat opsporingsambtenaren bovendien geen strafbare feiten mogen plegen bij de inzet. Blom schrijft in dit verband:
‘Geen strafbare feiten:
De informant is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan het begaan of beramen van misdrijven. Het bevel van art. 126j legitimeert daartoe ook niet (vgl. het verschil in de formulering van art. 126j lid 3 onderdeel c met die van art. 126i lid 3 onderdeel d)’.26.
19.
Verzoeker acht het oordeel van het gerechtshof dat geen sprake is van strafbaar handelen door de politie onbegrijpelijk.
Strafbaar handelen jegens [betrokkene 12]
20.
Met betrekking tot strafbaar handelen jegens de zus van verzoeker, [betrokkene 12], heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat:
- —
de op de zitting getoonde beelden, en ook de geverbaliseerde verslaglegging hiervan, laten zien dat de zij bedreigd wordt door enkele mannen; ze wordt omringd door druk zwaaiende en kanker-schreeuwende kerels, die haar duidelijk maken dat het hen menens is als er voor het eind van het jaar geen € 150.000 in bitcoins wordt betaald;
- —
zij dit als uiterst bedreigend heeft ervaren en hierdoor zeer geëmotioneerd was;
- —
de strekking van de uitingen van de mannen was dat [betrokkene 12] tegen verzoeker moet zeggen dat hij voor 31 december 150.000 in bitcoins moet betalen, waarbij ‘letterlijk’ is gezegd:
‘Doekoe moet terug. Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit. We maken geen grappen’
(pagina 2428 PV);
- —
zij hieraan voorafgaand, ‘voor haar merkbaar’ is achtervolgd;
- —
dit strafbare bedreiging (art. 285 Sr) en/of een poging tot afpersing (317 Sr) en/of belaging (285b Sr) oplevert.
21.
Primair verdient in het verband met de Schutznorm opmerking dat — gelijk de rechtbank heeft beslist (vonnis p. 10, hierna geciteerd), door het hof niet is betwist en ook besloten ligt in het pleidooi van de verdediging in hoger beroep waarin het strafbare handelen jegens [betrokkene 12] en verzoeker gezamenlijk is besproken — de druk die op [betrokkene 12] is uitgeoefend ‘overduidelijk gericht was op verzoeker en niet enkel ingezet werd om haar [[betrokkene 12]] bang te maken’:
‘Deze druk op [betrokkene 12] had als doel verdachte bang te maken, in de hoop hem zo aan het praten te krijgen (al dan niet tegen zichzelf in zijn cel, of tegen zijn zus of partner). Dat de druk bedoeld was voor verdachte blijkt evident uit het bericht dat aan verdachte is gezonden, waarin wordt gerefereerd aan het voorval met zijn zus. De rechtbank zal dus rekening houden met (de combinatie van) beide acties, het ‘aanlopen’ van de zus en het sturen van de kaart/brief aan verdachte in de P.I.’
Derhalve kan niet worden gezegd dat het niet verzoeker is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen.27.
22.
Het gerechtshof heeft geoordeeld dat geen sprake is van strafbaar handelen van verbalisanten jegens [betrokkene 12] en heeft daarbij betrokken dat:
‘de tegen [betrokkene 12] gebruikte woorden, die erop neerkomen dat vóór het einde van de maand 150.000 betaald moest worden, niet zien op een concreet misdrijf en dit evenmin in voldoende mate impliceren. Naar het oordeel van het hof is daarnaast de wijze waarop [betrokkene 12] door de opsporingsambtenaren is aangesproken niet van dien aard of onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [betrokkene 12] of (indirect) de verdachte, of diens vrouw de redelijke vrees kon ontstaan dat een in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemd misdrijf zou worden gepleegd.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2020 aangaande het aanlopen van [betrokkene 12] blijkt dat de twee opsporingsambtenaren tijdens het gesprek op gepaste afstand van haar stonden, dat zij [betrokkene 12] de weg niet hebben geblokkeerd zodat zij vrij was om weg te lopen en dat zij haar tijdens het gesprek op geen enkel moment hebben aangeraakt of anderszins fysiek hebben bejegend (dossierpagina's Z2425 tot en met Z2429).
(…)Het hof volgt de raadsman evenmin in zijn betoog dat sprake zou zijn van een poging tot afpersing of belaging van de verdachte, (indirect) diens vrouw en [betrokkene 12], reeds omdat het daartoe in dat verband vereiste opzet (onderscheidenlijk oogmerk) van de opsporingsambtenaren heeft ontbroken.’
285 Sr
23.
Het is vaste rechtspraak van uw Raad dat bij strafbare bedreiging ex art. 285 Sr, zoals bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, de context van het handelen van (groot) belang is (vgl. de woorden ‘onder zodanige omstandigheden is geschied’ uit de rechtspraak van uw Raad).28.
24.
Deze context heeft het hof ten onrechte in de overwegingen niet betrokken: het gaat niet in op de omstandigheden dat, zoals is aangevoerd, [betrokkene 12] door meerdere hevig schreeuwende en scheldende mannen werd medegedeeld dat zij van haar broer — destijds gedetineerd — nog geld kregen. In zoverre is het oordeel van het hof onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Vgl. in dit verband HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1790, waarin de betrekkelijke onbepaalde toevoeging ‘Doe de groeten aan uw dochter… en uhm, zorg ervoor dat ze in de gaten wordt gehouden’ in een e-mail waarin de fractievoorzitter van de PvdA werd aangesproken op de steun van haar partij aan de inval in Irak, gelet op de omstandigheden een strafbare bedreiging met zware mishandeling opleverde.
25.
Het gerechtshof heeft ook verzuimd de omstandigheid dat [betrokkene 12] voor haar merkbaar door de verbalisanten is achtervolgd bij zijn oordeel te betrekken. Zo stelt het hof zelf vast:
‘Op 3 december 2020 zijn de opsporingsambtenaren [betrokkene 12] gevolgd vanaf haar huis naar de rechtbank in Amsterdam. Onderweg hebben de mannen bij een bezinepomp bewust oogcontact gemaakt met [betrokkene 12]. Vervolgens hebben de opsporingsambtenaren haar opnieuw gevolgd tot aan de rechtbank en hebben haar daar opgewacht.’
Deze in het kader van art. 285 Sr relevante context, heeft het hof bij de invulling van het criterium niet mede in aanmerking genomen. Ook in zoverre is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd en/of zonder deze motivering onbegrijpelijk.
26.
Verder heeft het hof bij zijn oordeel dat het wel wil aannemen dat de beschreven gedragingen ‘imponerend zijn geweest’ en ‘tot onrust heeft geleid’ maar heeft het in het midden gelaten of, en zo ja in hoeverre [betrokkene 12] — zoals aangevoerd (bv. pleitnota p. 4, tweede alinea) — ‘doodsangsten’ heeft uitgestaan. Nu hieraan in het kader van art. 285 Sr betekenis toekomt in zoverre dat dit indicatief kan zijn voor de (indringendheid van) de wijze waarop de uitlatingen zijn gedaan, had het hof die door de gedragingen veroorzaakte hevige gemoedsbeweging niet buiten beschouwing mogen laten.29.
27.
In dat verband kan worden gewezen op de in de repliek van de A-G genoemde email van de officier van justitie aan de rechter-commissaris, waarin staat dat ‘zodanig non-verbaal intimiderend gedrag vertoond zal worden dat [betrokkene 12] hier — kort gezegd — zodanig van onder de indruk zal zijn dat zij zich hierna in haar auto, door emotie, hardop zal uiten’. Kennelijk is er naast de verbale uitlatingen, ook nog intimiderend non-verbaal gedrag vertoond, althans blijkt duidelijk dat dergelijk non-verbaal onderdeel was van de regie bij het aanlopen van [betrokkene 12]. Ook dat heeft het hof ten onrechte niet bij zijn oordeelsvorming betrokken.
28.
Het oordeel van het hof dat de verbalisanten ‘op geen enkel moment hebben aangeraakt of anderszins fysiek hebben bejegend’ mist ten slotte elke argumentatieve kracht, nu dit voor strafbare bedreiging niet vereist is, en mogelijk zelfs, naast art. 285 Sr, andere strafbare feiten zou opleveren.
29.
Redenen waarom het oordeel van het hof dat de verbalisanten zich niet aan strafbare bedreiging jegens [betrokkene 12] schuldig heeft gemaakt, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
317 jo 45 Sr
30.
Ten aanzien van art. 317 Sr geldt het volgende. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat bij de verbalisanten het ‘oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’ ontbrak, geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien aan dit oordeel ten grondslag ligt dat de verbalisanten (feitelijk) ten doel hadden duidelijkheid te vergaren over de feitelijke toedracht van en/of het motief achter het tenlastegelegde, zodat zij geen oogmerk tot bevoordeling hadden, wordt in te vergaande mate geabstraheerd van de situatie zoals deze zich feitelijk heeft afgespeeld. De vastgestelde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm enkel geacht worden gericht te zijn geweest op afgifte van geld en daarmee van bevoordeling. Dit oogmerk tot bevoordeling was ook wederrechtelijk, ten eerste omdat de opsporingsambtenaren daarop geen recht hadden, en ten tweede omdat niet in rechte vast is komen te staan dat er een geldelijk conflict was waarin verzoeker aan [slachtoffer] geld verschuldigd was (zodat niet kan worden (vast)gesteld van verzoeker niet de rechthebbende was van het geld dat hem gepoogd werd te ontnemen).
31.
Verder verdient opmerking dat voor ‘bedreiging met geweld’ ex art. 317 lid 1 Sr de lat bepaald niet hoog ligt. In HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6391 concludeerde A-G Vellinga tot vernietiging, stellende dat de uitlatingen niets concreets inhouden over mogelijke gewelddadige handelingen (onder 11, de meest ‘verstrekkende’ uitlating was ‘anders gaan we dingen doen die je niet leuk zal vinden’). Uw Raad billijkte evenwel de bewijsvoering. Welbeschouwd zijn de uitlatingen ‘Jij en [verdachte] hebben een kanker groot probleem. Zorg dat die shit wordt betaald. Regel die kanker shit. We maken geen grappen’ — mede gelet op de context — niet van een minder bedreigende aard.
Strafbaar handelen jegens verzoeker
33.
Met betrekking tot het strafbaar handelen jegens verzoeker zelf is door de verdediging in hoger beroep aangevoerd dat:
- —
verzoeker al heel lang op grond van levensbedreigende dreiging in afzondering zat in de PI, welke bedreiging door het GRIP zo serieus werd genomen dat die afzondering ruim ½ jaar heeft geduurd; cliënt
- —
de angst die dit met zich meebracht reëel c.q. concreet werd toen verzoeker hoorde van de dreiging jegens [betrokkene 12] op 3 december 2020 en de ontvangen kaart;
- —
verzoeker op 4 januari 2021 in de PI Grave een brief heeft ontvangen, die is bijgevoegd bij het PV van bevindingen (zie pagina 2576/2577 PV), met de tekst:
‘Zit je lekker veilig en rustig in je cel; Heb je al gesproken met je zus; Wij wachten nog steeds; Kijk naar de foto; Voor vergiffenis is het nooit te laat.’;
- —
met daarbij een foto (p. 2577) die de voordeur van het huis van zijn vrouw [betrokkene 3] toont.
34.
Het hof heeft geen aparte overwegingen gewijd aan de vraag of het sturen van deze kaart, in samenhang met het handelen jegens [betrokkene 12] (waarvan verzoeker vanzelfsprekend — dat was ook de bedoeling — kennis heeft genomen), een strafbaar feit oplevert. Het spreekt in dit verband enkel over ‘de inzet tegen [betrokkene 12]’ en over de ‘tegen [betrokkene 12] gebruikte woorden’ (arrest p. 6 onderaan resp. p. 7 bovenaan).
35.
Reeds om die reden is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd, dan wel is — nu in cassatie van de juistheid van het standpunt van de verdediging, inhoudende dat met het versturen van de brief sprake is van strafbare bedreiging jegens verzoeker moet worden uitgegaan — het oordeel van het hof waarin het concludeert dat (onder meer) met ‘het versturen van een kaart naar de cel van de verdachte’ geen sprake is van vormverzuim ex art. 359a Sv, innerlijk tegenstrijdig.
36.
Het voorgaande klemt te meer nu de verdediging in haar pleidooi heeft benadrukt dat verzoeker ten tijde van het ‘aanlopen’ van zijn zus en het sturen van een kaart naar verzoeker in zijn cel in de PI in Grave ‘al heel lang op grond van levensbedreigende dreiging in afzondering zat in de PI’, terwijl de politie ‘beter wist’ (pleitnota p. 4), lees: (natuurlijk) wist van deze levensbedreigende dreiging. Deze wetenschap van de politie draagt bij aan de aannemelijkheid van het standpunt dat de politie, met het handelen jegens [betrokkene 12] en het hiernavolgende versturen van de brief aan verzoeker, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij verzoeker in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat [betrokkene 12] en/of zijn vrouw zwaar letsel zouden bekomen dan wel zouden komen te overlijden.
37.
In dat verband wordt opgemerkt dat uw Raad heeft geoordeeld dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig in art. 285 Sr genoemd misdrijf, niet vereist is dat dit misdrijf is gericht tegen de bedreigde persoon zelf:
‘Daarbij is van belang dat art. 285 Sr is geplaatst in Titel XVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht waarin strafbaar zijn gesteld ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Dit door art. 285 Sr beschermde rechtsgoed kan ook op het spel staan ingeval het misdrijf waarmee wordt gedreigd, is gericht tegen een ander dan degene jegens wie de bedreiging is geuit. Een dergelijke bedreiging kan immers een inbreuk maken op de persoonlijke vrijheid van degene jegens wie de bedreiging is geuit die vergelijkbaar is met een bedreiging die op hem zelf betrekking zou hebben gehad. (…)’30.
Het gerechtshof heeft deze rechtspraak (kennelijk) miskend — immers, het heeft ondanks een daarop betrekking hebbend verweer niet beoordeeld of (ook) sprake is van strafbare bedreiging jegens verzoeker. Zijn oordeel dat van een vormverzuim ex art. 359a Sv jegens verzoeker geen sprake is getuigt ook daarom van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk en/of is dat oordeel onvoldoende met redenen omkleed.
38.
Het belang van verzoeker ex art. 80a RO is dat — gelet op de wijze waarop de verweren met betrekking tot de vormverzuimen in hoger beroep zijn vormgegeven, alle factoren ex art. 359a lid 2 Sv hierbij betrekkende en in het licht van de andersluidende beslissing van de rechtbank — het zeer wel mogelijk is dat dit na vernietiging en terug- of verwijzing op de aangevoerde gronden tot strafvermindering zou leiden. In dat verband wordt gewezen op de rechtspraak van uw Raad dat strafvermindering als mogelijk rechtsgevolg van voldoende ernstige verzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv niet beperkt is tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak, maar dat ook ander voldoende ernstig nadeel van de verdachte grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering.31.
Proportionaliteit en subsidiariteit van de beide 126j-Sv opsporingsmiddelen
39.
Ten slotte is het oordeel van het hof dat de beide op de voet van art. 126j Sv aangewende opsporingsmiddelen voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
40.
De verdediging heeft, mede aan de hand van het vonnis van de rechtbank, aangevoerd dat (pleitnota p. 6 e.v.):
- —
er eind 2020 voldoende duidelijkheid was om de zaak te kunnen berechten;
- —
er toch voor is gekozen om gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde en van verdachte;
- —
het OM daarmee naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare, want van de proportionaliteit en subsidiariteit, heeft overschreden, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim;
- —
het OM dit betwist heeft;
- —
de verdediging het met de rechtbank eens is, waarbij benadrukt is dat het OM zelf heeft verklaard:
- °
op de pro forma zitting van 29 juli 2020:
‘De volgende zitting op 8 oktober 2020, is wat het Openbaar Ministerie betreft de laatste pro forma zitting. De inhoudelijke behandeling van de zaak is gepland in begin december van dit jaar’
- °
op de pro forma zitting van 8 oktober 2020: dat
‘het tactisch onderzoek zo goed als gereed is en het PV zo goed als af’.
terwijl de twee 126j Sv-inzetten op 3 december 2020 en 4 januari 2021 plaatsvonden.
41.
Nu de verdediging meermalen naar het vonnis verwijst, en dit in haar pleidooi heeft geïncorporeerd, wordt een deel van deze beslissing hieronder weergegeven (p. 11):
‘Om te beoordelen of sprake is van een ongeoorloofde inzet van opsporingsmethoden dient de rechtbank dus na te gaan of is voldaan aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. In dat verband is het volgende van belang. De inzet heeft plaatsgevonden eind 2020 en begin 2021. Verdachte zat toen al ruim een jaar in voorarrest, de rechtbank had ernstige bezwaren tegen verdachte aangenomen en al vele malen bevestigd dat de aangenomen ernstige bezwaren tegen verdachte nog aanwezig waren en het onderzoek was, op wat forensische/technische details na, gereed. Verdachte was al vele malen verhoord en had ook (uitgebreide) verklaringen afgelegd. Hoewel de precieze toedracht van de dood van [slachtoffer] altijd onduidelijk is gebleven en met name het motief, zal er op het moment van de inzet van bedoelde opsporingsmethoden bij politie en Openbaar Ministerie weinig twijfel over hebben bestaan dat zij de juiste persoon als verdachte hadden aangemerkt en ook dat er voldoende bewijsmiddelen tegen hem waren verzameld. Zo heeft de officier van justitie het ook verwoord op de terechtzitting van 19 mei 2021:
‘Het Openbaar Ministerie wilde elke mogelijkheid benutten om te achterhalen wat er die, dag nou is gebeurd en wat het motief kan zijn. Het Openbaar Ministerie is een stap verder gegaan en heeft in de vertrouwelijkheid van verdachte nog wat informatie proberen in te winnen.’
De rechtbank onderkent het belang van het kennen van de toedracht en het motief, met name voor de nabestaanden. In dit geval echter is gedurende het onderzoek ook al heel veel wél duidelijk geworden en bestaat er bij de nabestaanden van [slachtoffer] weinig twijfel over het door hen veronderstelde motief, zo is de rechtbank ter terechtzitting gebleken. Eind 2020 was dit niet anders. Er was ook geen sprake van dat er duidelijkheid moest komen over bijvoorbeeld de locatie van het stoffelijk overschot van [slachtoffer]: het stoffelijk overschot is direct ter plekke aangetroffen en na vrijgave hebben de nabestaanden afscheid van [slachtoffer] kunnen nemen en hem kunnen begraven.
Kortom, hoewel er nog onbeantwoorde vragen waren, was er eind 2020 voldoende duidelijkheid om de zaak te kunnen berechten. Toch is ervoor gekozen om gebruik te maken van bijzondere opsporingsmethoden. Opsporingsmethoden, die een verregaande inbreuk maakten op de rechten en veiligheidsgevoelens van een onschuldige derde en van verdachte. Daarmee heeft het Openbaar Ministerie naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van het toelaatbare overschreden.
(…)De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de inzet van de acties, gebaseerd op artikel 126j Sv, niet heeft voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daarmee is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek.’
42.
Het hof besliste dat het aanwenden van de opsporingsmiddelen wel voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en nam hierbij in aanmerking de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit feit is gepleegd en de lange periode van onzekerheid waarin de nabestaanden, waarmee verzoeker als goede vriend in nauw contact had gestaan, toen al verkeerden. Het heeft voorts geoordeeld dat door de proceshouding van verzoeker onduidelijkheid bleef bestaan over de feitelijke toedracht en dat de inzet van deze bijzondere opsporingsmiddelen niet enkel ten doel had het scheppen van duidelijkheid aangaande het motief (ten behoeve van de nabestaanden), maar ook zag op de kwalificatievraag.
43.
Dit oordeel is onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd om de volgende redenen.
43.1.
Het hof heeft ten eerste (1) zijn oordeel dat sprake was van een lange periode van onzekerheid waarin de nabestaanden verkeerden niet nader gemotiveerd. In het bijzonder heeft het hof niet uitgelegd waarom het — anders dan de rechtbank meende en waarbij de verdediging zich heeft aangesloten — niet de opvatting deelt dat de betrokkenen wel degelijk meenden te weten waarin het (kennelijke) motief van verzoeker gelegen zou zijn. Het oordeel van het hof lijdt daarmee aan een motiveringsgebrek. Uit de notities van mr. Korver- getiteld ‘Spreekrecht Bewijs en Straf’, overgelegd bij het hof, volgt bovendien dat ‘cliënten [JK en DS: [benadeelde 4], [benadeelde 1], [ benadeelde 2] en [ benadeelde 3]] onverkort hun visie zoals aangevoerd in eerste aanleg handhaven’, waarbij is verzocht hun standpunten als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen. Uit de in bijlage 1 onder dat document opgenomen verklaring ‘spreekrecht ten aanzien van bewijs en straf’ uit eerste aanleg, volgt (bv. onder 16–17) inderdaad dat gesteld is dat [slachtoffer] de laatste tijd het vermoeden kreeg dat zijn vriend — kennelijk verzoeker — niet de beste bedoelingen met hem en met het geld wat hij verzoeker in beheer had gegeven had, en dat de moeder van [slachtoffer] hem een dag voor de afspraak nog waarschuwde ‘het is maar geld, let goed op jezelf’, maar dat [slachtoffer] er vertrouwen in leek te hebben dat hij zonder conflict zijn geld terug zou krijgen. Onduidelijkheid over het motief kan dus niet geacht worden te (hebben) bestaan.
43.2.
Ook overigens (2) wordt betwist dat onduidelijkheid over het motief dat het aanwenden van de besproken opsporingsmiddelen kan rechtvaardigen. Het vergaren van kennis over een motief is immers — zo ligt ook besloten in het oordeel van de rechtbank — niet vereist binnen ons strafprocesrecht, en een dergelijk motief blijft dan ook vaak onduidelijk, terwijl aangenomen mag worden dat opsporingsmiddelen zoals hier aan de orde enkel worden aangewend indien dit noodzakelijk (en geboden) is in het kader van dit strafproces en de daarin ex art. 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen.
43.3.
Verder (3) is onduidelijk wat het hof bedoelt met de ‘kwalificatievraag’. Van het gerechtshof mag verlangd worden daaromtrent geen onduidelijkheid te laten bestaan, nu dit met een blik op het oordeel van het hof de enige (mogelijke) voor de strafprocedure relevante grond kan betreffen.
43.3.1.
In zoverre het hof daarmee doelt op de vraag of in plaats van ‘doodslag’ niet ‘moord’ bewezen kon worden, betreft dit, ten eerste, geen kwalificatievraag, maar is er bovendien geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat hierover onduidelijkheid bestond. Uit de overwegingen van het hof kan niet volgen dat er op enig moment aanleiding was om over dat onderscheid duidelijkheid te verkrijgen, terwijl zowel in eerste aanleg als in hoger beroep steeds vrijspraak van moord is gevraagd en gegeven, door de officier van justitie, de verdediging in eerste aanleg, de rechtbank, de A-G in appel, de verdediging in appel en het hof.
43.3.2.
Ook overigens heeft het hof niet duidelijk gemaakt waarom het in de lijn der verwachting lag dat verzoeker naar aanleiding van de gebezigde opsporingsmiddelen een moord zou gaan bekennen. In zoverre kan het aanwenden van de opsporingsmiddelen, in ieder geval op grond van het oordeel van het hof, bezwaarlijk anders worden geduid dan als een fishing expedition. Dát is niet waarvoor dergelijke ingrijpende dwangmiddelen mogen worden aangewend.
44.
Verzoeker benadrukt ook (4) dat het hof niet (uitdrukkelijk) afstand heeft genomen van het door de verdediging onderschreven oordeel van de rechtbank, inhoudende dat er op het moment van de inzet van bedoelde opsporingsmethoden bij politie en Openbaar Ministerie weinig twijfel over kan hebben bestaan dat zij de juiste persoon als verdachte hadden aangemerkt en ook dat er voldoende bewijsmiddelen tegen hem waren verzameld.
45.
De overweging van het hof dat gedurende het onderzoek duidelijk werd dat verzoeker een sterke vertrouwensrelatie en frequent contact had met zijn zus, ook over het onderzoek naar hem, mist in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit iedere voor het oordeel met betrekking tot de vormverzuimen vereiste dragende kracht (5). Aangenomen mag worden dat dit een ondergrens is voor het aanwenden van de hier aan de orde zijnde opsporingsmiddelen, nu anders ieder (onschuldig) familielid zonder meer aan ingrijpende dwangmiddelen zou kunnen worden onderworpen.
46.
Ten slotte (6) kan uit de beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen op geen enkele wijze blijken dat het hof zich in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit — arrest p. 7, tweede alinea — rekenschap heeft gegeven van de aard en indringendheid van de opsporingsmiddelen, en de gevolgen die dit voor verzoeker en zijn omgeving heeft gehad. ‘Proportionaliteit’ ziet op de verhouding van het middel tot het doel. Het hof beperkt zich daarbij tot het aangeven waarin het doel is gelegen, en geeft er geen blijk van de (uitgebreid door de verdediging over het voetlicht gebrachte) indringendheid en bijzonder bedreigende aard van het middel te hebben onderkend, niet enkel voor verzoeker maar ook voor zijn (onschuldige) omgeving. Het oordeel van het hof geeft in zoverre blijk van een doel-redenering, waardoor het ook daarom ontoereikend is gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is.
47.
Het vorenstaande brengt mee dat het oordeel van het hof dat het aanwenden van de twee hier besproken opsporingsbevoegdheden ex art. 126j Sv voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en in het verlengde hiervan het oordeel dat geen sprake is van (een) vormverzuim(en) ex art. 359a Sv, onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
48.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Middel III:
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen. In het bijzonder betreft dit de artikelen 36f Sr en 51f, 51g, 361, 415 en 421 Sv, doordat:
- a)
het oordeel van het gerechtshof dat de vorderingen voor ‘gederfd levensonderhoud’ van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, en/of dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, en/of blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, en/of;
- b)
het oordeel van het gerechtshof dat [benadeelde 1] schokschade heeft geleden, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en/of;
- c)
het oordeel van het gerechtshof in het kader van door [benadeelde 3] geleden schokschade ‘de hoogte van het gevorderde bedrag van € 30.000,00 door de verdachte niet is betwist’ onbegrijpelijk en/of onjuist is.
Ten gevolge hiervan is/zijn in zoverre de toewijzing(en) van de vordering(en) benadeelde partij(en), alsmede de voor het gelijke bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of getuigen deze beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting.
Het arrest lijdt hierdoor aan nietigheid.
Toelichting:
Ad a) onevenredige belasting strafgeding ‘gederfd levensonderhoud’ Laumen Expertise
1.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het rapport van rekenkundig bureau Laumen Expertise, waarin de kosten van gederfd levensonderhoud uiteen worden gezet, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Eerst ten aanzien van [benadeelde 1] (pleitnota p. 9–10):
‘Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]
De verdediging betwist bij gebrek aan andersluidende wetenschap en bij gebrek aan andere rapportage dan hett [sic] eenzijdig opgemaakte rapport door het rekenkundig bureau Laumen Expertise de juistheid van de berekening, zoals gedaan door Laumen en zoals opgenomen in het schrijven van Mr. Korver van 20 oktober 2020.
De verdediging acht het opgemaakte en overgelegde rapport te complex van aard. Het leent zich naar mijn mening niet voor behandeling en beoordeling in het strafproces.
Ik ben van mening dat cliënt zich niet ten volle kan verweren tegen de vordering van de benadeelde partij. Toepassing van de civiele regels van stelplicht en bewijslastverdeling, waaronder art. 24 Rv, leidt er in deze toe dat het recht van cliënt op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM in het gedrang komt. Ik verzoek u daarom op grond van art. 361, derde lid, Sv de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu mijn cliënt niet in voldoende mate in de gelegenheid is om alles ter voering van verweer tegen de vordering te kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
Ik verwijs naar het overzichtsarrest benadeelde partij van de Hoge Raad van 28 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:793) alwaar in overweging 2.8.3. van dit arrest is overwogen:
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1. bedoelde geval zich voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Ik verzoek u de vordering van de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien deze een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.’
2.
Dit standpunt heeft de verdediging in het kader van de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 2] — onder aanvulling van gronden — herhaald (p. 11 pleitnota resp. p. 13):
‘Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud is mijns inziens slechts de schade tot kapitalisatiedatum ad € 1792,- voor toewijzing vatbaar (vide pagina 27 van het rapport van Laumen expertise), daar de overige schade zich wellicht in de toekomst van [benadeelde 3] zou kunnen gaan afspelen, waarbij zoveel onzekere factoren van invloed kunnen zijn op het wel of niet ontstaan van schade als gevolg van dit feit. Er zijn vele onzekere factoren in de toekomst die de hoogte van de eventuele schade zullen beïnvloeden. Op grond hiervan acht de verdediging deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding, althans onvoldoende onderbouwd, althans onvoldoende vaststaand. Ik verwijs voorts naar hetgeen ik hierover bij aanvang van de bespreking vordering benadeelde partij heb opgemerkt. Primair derhalve niet ontvankelijk verklaring wegens onevenredige belasting van het geding. Subsidiair betwist de verdediging de juistheid van de vordering. Uiterst subsidiair verzoek ik u toewijzing tot de kapitalisatiedatum.’
en:
‘Ten aanzien van de gevorderde € 46.315,- voor [benadeelde 2] op grond van gederfd levensonderhoud verwijs ik naar hetgeen ik hierover heb opgemerkt bij de post gederfd levensonderhoud bij [benadeelde 1]. Ik verzoek u dit als in deze herhaald en ingelast te beschouwen. Mijn conclusie ten aanzien van deze post is dan ook om de benadeelde partij op dit punt geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk te verklaren, aangezien dit een onevenredige belasting van het strafgeding betekent.’
3.
De verdediging heeft hieraan in dupliek het volgende toegevoegd (proces-verbaal zittingen hof, p. 38):
‘Ten aanzien van hetgeen mr. Korver uiteen heeft gezet met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen merk ik het volgende op. Het vak van een civilist is echt een ander vak dan dat van een strafrechtadvocaat.' Met de Wet Terwee is de rol van het slachtoffer in het strafproces uitgebreid, maar er zijn wel grenzen aan hetgeen in redelijkheid in het kader van een strafproces kan worden behandeld. Het rapport van Laumen zou moeten worden beoordeeld door een derde. Mr. Korver stelt dat de verdediging daar alle tijd voor heeft gehad. In mijn optiek hoort dit echter niet thuis in het strafproces. Het is voor de verdediging bovendien niet mogelijk hierover iemand te horen, want daar is het strafproces niet op ingericht. Dat zijn dan dus de grenzen. Dit betreft geen schade die eenvoudig kan worden vastgesteld; deze schadepost is onderbouwd met uitgebreide rapporten. Ik ben van mening dat het strafrecht daar buiten moet blijven, omdat het strafgeding hiermee op een onevenredige wijze belast wordt.’
4.
Het hof heeft ten aanzien van [benadeelde 1] geoordeeld (arrest p. 28):
‘Gederfd levensonderhoud
Naar het oordeel van het hof staat vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan en daarmee onrechtmatig jegens de benadeelde partij heeft gehandeld. Hij is uit dien hoofde dan ook aansprakelijk voor schade die daardoor is teweeg gebracht. Op grond van artikel 51f Sv jo artikel 6:108, lid 1 sub d van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de benadeelde partij een vordering indienen tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Aan de gevorderde kosten ligt een rapport met schadeberekening van rekenkundig bureau Laumen Expertise ten grondslag van 8 april 2020. Het hof constateert dat dit rapport is opgesteld door een bureau dat is gespecialiseerd in de berekening van personenschade. De verdediging heeft deze deskundigheid niet betwist. Het hof merkt opdat in het rapport is uiteengezet op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt, dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd en dat de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven. Het hof is van oordeel dat de schadeberekening al met al voldoende controleerbaar is en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen. De vordering komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat dit gedeelte van de vordering (€ 338.466,00) zal worden toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de kosten door de benadeelde partij gemaakt in verband met het opstellen van de rapporten van het rekenkundig bureau Laumen Expertise toewijsbaar zijn, nu dit deel van de vordering door de verdediging niet is betwist en de vordering op deze onderdelen het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt (€ 1.815,00).’
En ten aanzien van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (p. 31 resp. 32 pleitnota):
‘Gederfd levensonderhoud
De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6:108 lid 1 onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 2] de minderjarige zoon is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1]. Het hof wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van € 46.315,00.’
en:
‘Gederfd levensonderhoud
De kosten voor gederfd levensonderhoud komen, zoals toegelicht en berekend in genoemd rapport van het Expertisebureau Laumen, op grond van artikel 6: 108 lid I onder a BW voor vergoeding in aanmerking, nu [benadeelde 3] de minderjarige dochter is van de overledene. De kosten zijn voldoende onderbouwd en komen het hof niet onrechtmatig voor. Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te beperken. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen hiervoor over inkomstenderving is overwogen met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1].’
5.
Via de raadsman van verzoeker in hoger beroep, mr. Witlox, hebben ondergetekenden kennis genomen van het bedoelde rapport van Laumen, opgenomen in bijlage 1 van bijlage 2 onder het Verzoek tot Schadevergoeding, ondertekend door mr. R. Korver op 25 juni 2021. Ziet verzoeker het goed, dan is er één rapport opgemaakt ten aanzien van de drie benadeelde partijen tezamen. Volledigheidshalve heeft verzoeker uw Raad tevens verzocht het rapport in het digitaal portaal te plaatsen en zo ook onderdeel te laten uitmaken van de processtukken die van belang zijn voor de cassatieprocedure en de daarin geformuleerde klachten.
Beknopt juridisch kader
6.
Uw Raad heeft in HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.1 het volgende beslist:
‘Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in — kort gezegd — een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.1’
7.
A-G Aben heeft in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2021:230 beschouwingen gewijd aan dit thema. Hij stelt:
- ‘15.
(…) Een onevenredige belasting van het strafgeding moet worden vermeden. Voor bewijslevering door de benoeming van deskundigen en voor getuigenverhoren met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is in het strafproces geen ruimte. Indien de strafrechter niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter staving van de vordering of tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren, kan — of zelfs: moet — de strafrechter bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dat kan tegelijk met de einduitspraak dan wel eventueel reeds bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Complexe vorderingen tot vergoeding van schade, met inbegrip van vorderingen waarin complexe vragen van civiel recht worden opgeworpen, moeten mijns inziens aan de burgerlijke rechter worden toevertrouwd.’
Oordeel hof
8.
Het hof heeft op het verweer dat de vorderingen van de benadeelde partij, in ieder geval voor wat betreft het gederfde levensonderhoud, een onevenredige belasting van het geding opleveren niet uitdrukkelijk beslist. Reeds daarom lijdt het arrest aan nietigheid.
9.
In zoverre die beslissing geacht moet worden in het oordeel van het gerechtshof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen besloten te liggen, geldt het volgende.
10.
Aan dat oordeel legt het gerechtshof, kort weergegeven, ten grondslag dat:
- —
Laumen gespecialiseerd is in de berekening van personenschade;
- —
in het rapport is uiteengezet op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt;
- —
is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd;
- —
de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven,
- —
zodat de schadeberekening ‘al met al voldoende controleerbaar is’.
11.
Dit oordeel is onbegrijpelijk.
12.
Een vluchtige blik in de rechtspraak leert dat vorderingen met betrekking tot gederfd levensonderhoud door de strafrechter met regelmaat niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.32. Paridaens stelt in dat verband (Concl. A-G Paridaens, ECLI:NL:PHR:2020:1112, onder 67):
- ‘67.
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat een vordering van de benadeelde partij voor gederfd levensonderhoud betrekkelijk snel een onevenredige belasting van het strafproces zal opleveren. Instructief is Langemeijer in Het slachtoffer en het strafproces:
‘Het gederfde levensonderhoud is op het moment waarop de rechter een oordeel moet geven grotendeels nog toekomstige schade. Wanneer de rechter kiest voor toekenning van een bedrag ineens, moet rekening worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen: hoe lang zou de kostwinner nog in het onderhoud hebben kunnen voorzien als hij was blijven leven? Zou er dan wijziging zijn gekomen in de behoeften van de onderhoudsgerechtigde? Daarnaast moet rekening worden gehouden met uitkeringen waarop de desbetreffende nabestaanden aanspraak kunnen maken, zoals een eventueel nabestaandenpensioen, en met de fiscale gevolgen van een uitkering ineens. Het hiervoor noodzakelijke onderzoek maakt al spoedig dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (art. 361 Sv).’37
13.
Het rapport van Laumen incl. bijlagen telt (hand-geteld) 97 pagina's.
14.
Op grond van het rapport wordt geconcludeerd — ook door het hof — tot een bedrag aan kosten voor gederfd levensonderhoud van € 441.060,- (€ 338.466,00 + € 46.315,00 + € 56.279,00).
15.
Het rapport bevat allerhande tabellen met verschillende afkortingen waarvan het niet duidelijk is wat ze betekenen. Om precies te zijn, bevat het document meer dan vijftig (50) tabellen (niet meegenomen de ‘berekeningen’ die op tabellen/schema's lijken maar dit niet zijn).
15.1.
Om een voorbeeld te noemen, is op p. 19 van ‘deel 2’ van het rapport te vinden de ‘artikel 108-berekening van mevr. [benadeelde 1] (inclusief stertekanscorrectie), tabel 9 ‘Intering schadekapitaal met fiscale component’.
16.
Het rapport bevat een ‘deel 2’, getiteld ‘Personenschadeberekening art. 6:108 BW’ waarvan het niet direct duidelijk is hoe dit zich verhoudt tot deel 1; beide rapporten zijn opgemaakt op 8 april 2020.
17.
Niet alleen voor verdachten maar ook voor de (strafrecht)advocaten die hen bijstaan is het vaak onmogelijk om in dergelijke rapporten binnen de korte termijn en de geboden financiële middelen een weg te vinden. Het is een veilige aanname dat het lezen van het document, het begrijpen ervan, het selecteren van de voor de strafprocedure relevante passages en vervolgens ook het voorbereiden van een verweer aan de hand van het toepasselijke civielrechtelijke juridische kader tijd en geld vergen die er beide in de strafprocedure niet zijn.
18.
Verzoeker wil met het hof aannemen dat duidelijk is op basis van welke persoonlijke gegevens de berekeningen zijn gemaakt en dat is vermeld op welke richtlijnen de uitgangspunten en normbedragen voor de berekeningen zijn gebaseerd.
19.
Verzoeker betwist evenwel dat ‘de berekeningen inzichtelijk zijn weergegeven’ en — vooral — dat de schadeberekening ‘al met al voldoende controleerbaar is’ en dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om haar standpunt over de toewijsbaarheid van de vordering naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat oordeel is, gelet op het voorgaande en de inhoud van het rapport en het onderwerp daarvan (berekeningen met betrekking tot gederfd levensonderhoud) onbegrijpelijk.
20.
Daarbij wordt in aanmerking genomen het hier eerder geciteerde standpunt van de verdediging in dupliek dat er grenzen zijn aan hetgeen in redelijkheid in het kader van een strafproces kan worden behandeld, dat het rapport van Laumen zou moeten worden beoordeeld door een derde (lees: civiel en rekenkundig daartoe toegeruste persoon), dat het voor de verdediging niet mogelijk is hierover iemand te horen omdat het strafproces daar niet op ingericht is (‘Dat zijn dan dus de grenzen’), en dat het geen eenvoudig vast te stellen schade is, maar schade die onderbouwd is met uitgebreide rapporten. Ook in dat licht is het oordeel van het hof onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
21.
Verder heeft het hof ten onrechte niet beslist dat het verplicht is de benadeelde partij voor dit onderdeel van zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat het, mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM, niet verzekerd acht dat verzoeker in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
22.
Dit leidt tot de slotsom dat het (impliciete) oordeel van het gerechtshof dat de vorderingen voor ‘gederfd levensonderhoud’ van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geen onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, onbegrijpelijk is. Ten gevolge hiervan zijn de toewijzing van vordering(en) van (de) benadeelde partij(en) tot een bedrag van € 441.060,- (€ 338.466,00 + € 46.315,00 + € 56.279,00), alsmede de voor een gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of getuigen deze beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting.
Ad b) schokschade [benadeelde 1]
23.
De verdediging heeft zich met betrekking tot de door benadeelde partij [benadeelde 1] gevorderde schokschade aangesloten bij het vonnis van de rechtbank, en als verweer gevoerd (pleitnota p. 11):
‘Terzake van de gevorderde shockschade is de verdediging het eens met de rechtbank dat voor de beoordeling van deze vordering nader onderzoek nodig zou zijn, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ik zie in appel ook geen nadere onderbouwing die mij noopt tot het innemen van een ander standpunt in deze. In deze vordering dient de benadeelde partij dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard’
24.
De rechtbank had hierover beslist:
‘Shockschade
Een vordering tot vergoeding van shockschade moet worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad. Bij shockschade gaat het om schade van de benadeelde partij zelf bij wie door het zien van een ernstige gebeurtenis of vanwege de directe confrontatie van de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok ontstaat, waardoor diegene geestelijk letsel krijgt. Er moet uit de waarneming of confrontatie geestelijk letsel zijn voortgevloeid dat in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dat geestelijk letsel zal zich vooral voordoen als iemand in een nauwe relatie staat met degene die bij het ongeval is gedood of gewond is geraakt. In de rechtspraak worden de voorwaarden om shockschade te vergoeden strikt toegepast.
De rechtbank erkent zonder meer dat de gevolgen van het gewelddadige overlijden van [slachtoffer] voor [benadeelde 1] zeer ingrijpend zijn en dat dit heeft geleid — en nog dagelijks leidt — tot veel pijn en verdriet. Deze erkenning kan echter niet de grond voor toewijzing zijn. Daarvoor moet zijn voldaan aan het hiervoor genoemde criterium van de Hoge Raad. [benadeelde 1] is kort na het overlijden van haar partner met zijn lichaam en het (inschot)letsel aan zijn hoofd geconfronteerd omdat zij hem heeft moeten identificeren. Dit is ongetwijfeld confronterend en emotioneel voor haar geweest. [benadeelde 1] heeft echter geen onderbouwing aangeleverd waaruit blijkt dat bij haar sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, veroorzaakt door de shock van deze confrontatie. In de regel wordt een vordering tot vergoeding van shockschade afgewezen als deze niet is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Ook op andere wijze is niet gebleken dat [benadeelde 1] geestelijk letsel heeft opgelopen specifiek door de confrontatie met het lichaam van [slachtoffer]. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering op grond van shockschade zou nader onderzoek nodig zijn. De behandeling daarvan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan haar vordering op dit punt bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’
25.
Het hof heeft evenwel geoordeeld (arrest p. 30):
‘Schokschade
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer:
- —
De aard, de toedracht en de gevolgen van de onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- —
De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd niet de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan.
- —
De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.
De benadeelde partij is de echtgenote van het slachtoffer en de moeder van hun kinderen. Zij woont sinds 2014 in Nederland, spreekt geen Nederlands en was in sterke mate van haar echtgenoot afhankelijk. I. [psychiater], psychiater, heeft in een schrijven van 28 september 2022 medegedeeld dat [benadeelde 1] lijdt aan een depressieve stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis. Ook schrijft zij dat [benadeelde 1] weliswaar reeds vóór het overlijden van haar echtgenoot angsten en paniekaanvallen ervoer, maar dat deze na het incident heviger en complexer zijn geworden en dat de vooruitgang in de behandeling door de complexiteit van de klachten beperkt wordt. Uit een brief van 21 april 2021 van [psychiater] blijkt verder dal [benadeelde 1] getraumatiseerd raakte door het overlijden van haar echtgenoot en dat zij zich niet langer veilig voelt in haar eigen woning. De huidige angst wordt met name gevoed door de vrees dat haar kinderen alleen zullen achterblijven. Ter terechtzitting heeft [benadeelde 1] nader toegelicht dat de wijze waarop haar echtgenoot om het leven is gekomen hierbij ook een rol speelt. Namens [benadeelde 1] is gesteld dat zij door het gebeuren geen vertrouwen meer heeft in andere mensen.
Het hof stelt in dit verband de volgende feiten vast.
De benadeelde partij heeft het slachtoffer in het mortuarium geïdentificeerd. Zij toonde zich daarbij verdrietig en huilde.
De verdachte wierp zichzelf op als vriend van het slachtoffer, aan wie het slachtoffer veel toevertrouwde en wiens hulp hij inriep voor administratieve aangelegenheden. Na de dood van het slachtoffer heeft de verdachte ook aan [benadeelde 1] hulp aangeboden. Zo zou hij haar niet alleen helpen met de verkoop van de auto waarin de slachtoffer was overleden, maar bracht hij haar ook naar het politiebureau, vergezelde haar bij een ontmoeting met verbalisanten waarin een uitzending van Opsporing Verzocht over de onderhavige zaak werd aangekondigd en hij bood haar een luisterend oor.
Het hof concludeert dat de benadeelde partij niet alleen bij de identificatie van haar echtgenoot met de zeer ernstige gevolgen van het onrechtmatig handelen van de verdachte jegens het slachtoffer is geconfronteerd. Zij is daarnaast in haar kwetsbare positie door de verdachte om de tuin geleid doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat. Dit gedrag.schaart het hof onder het gezichtspunt ‘toedracht van het feit’ dat een rol kan spelen bij het vaststellen van de emotionele schok en het onrechtmatige handelen, nu dit handelen in het verlengde ligt van het optreden van de verdachte voorafgaand aan het strafbare feit en ook een zekere verwevenheid kent met zijn pogingen om zijn betrokkenheid bij het feit te maskeren. Dat de combinatie van de omstandigheden, te weten de ernst van het feit, de ernst van de gevolgen, de identificatie en het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht en de reeds bestaande angststoornis heeft verhevigd en het herstelproces heeft bemoeilijkt, is het hof op basis van de stukken van de deskundige en de verklaringen
van de benadeelde partij voldoende gebleken. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte deze schok onrechtmatig bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht.
In het geval, een benadeelde partij zowel aanspraak heeft op de vergoeding van schokschade als affectieschade dient de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs af te wegen in hoeverre bij het bepalen van de schokschade rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade. Het hof is van oordeel dat in dit geval een bedrag van € 10.000,00 billijk is.’
26.
Uit rechtspraak van uw Raad (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.4 – 3.7, aangehaald in HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250) volgt dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt — afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden — ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (r.o. 3.4).
26.1.
Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar (r.o. 3.4 en 3.7).
26.2.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht zijn onder meer (r.o. 3.5):
- —
De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- —
De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- —
De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
27.
In het oog springt dat het gerechtshof in zijn oordeel een grote rol heeft toegekend aan (wat het schaart onder) de ‘toedracht van het feit’, namelijk dat verzoeker na de dood van [slachtoffer] aan [benadeelde 1] hulp heeft aangeboden, waarmee hij haar om de tuin geleid heeft doordat hij zich voordeed als steun en toeverlaat.
28.
Daarmee getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Nog los van het feit dat hiermee een ‘moreel oordeel’ wordt geveld over het doen en laten van verzoeker, terwijl de beweegredenen van verzoeker in dat verband niet in rechte zijn vastgesteld, biedt de tekst uit de rechtspraak van uw Raad ‘toedracht van de onrechtmatige daad’ onvoldoende aanknopingspunten om te veronderstellen dat dit breder moet worden opgevat dan de wijze waarop en omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. Dat is immers de onrechtmatige daad die in de strafzaak centraal staat. Hoe iemand zich nadien heeft gedragen, houdt hiermee geen verband. Dat dit handelen ‘in het verlengde ligt van het optreden van de verzoeker voorafgaand aan het strafbare feit’ — kennelijk in temporele zin — zoals het hof stelt, doet hieraan niet af. Dat het ‘een zekere verwevenheid kent met zijn pogingen om zijn betrokkenheid bij het feit te maskeren’ is een verder ongemotiveerde stelling die (hierdoor) onbegrijpelijk is.
29.
Een andere lezing zou bovendien op gespannen voet staan met art. 51f Sv, waarin lid 2 de bevoegdheid tot voeging door erfgenamen op de voet van art. 6:101 BW koppelt aan de rechtstreekse schade door een strafbaar feit uit lid 1. Ook de voeging door erfgenamen berust mitsdien in de kern op het bewezenverklaarde als onrechtmatige daad, en niet op andere handelingen die hiervan in een verwijderd verband staan.
30.
De overige vaststellingen van het hof kunnen de toewijzing van de gevorderde schokschade evenmin dragen, gelet op het volgende.
31.
Allereerst heeft het hof ten onrechte bij zijn beslissing niet betrokken de wijze waarop [benadeelde 1] werd geconfronteerd met het onrechtmatig handelen jegens [slachtoffer], meer in het bijzonder heeft het daarbij niet betrokken of dit was doordat zij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van dat onrechtmatige handelen, of dat zij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Nu dit laatste in casu het geval was, had het gerechtshof in de motivering ervan blijk moeten geven wat de gevolgen daarvan zijn voor de bepaling van de hoogte van het bedrag waarvoor de vordering wegens schokschade aan haar kon worden toegewezen. Dat geldt ook voor het feit dat het hof in dat verband bij de beoordeling van de vordering (eveneens ten onrechte) niet heeft betrokken of en in hoeverre de confrontatie onverhoeds was. Ook dat is een omstandigheid die bij de bepaling van het bedrag waarvoor de vordering kan worden toegewezen van belang is. In zoverre is het oordeel van het hof dan ook ontoereikend gemotiveerd.
32.
Verder kan uit de overwegingen van het hof niet volgen dat [benadeelde 1] daadwerkelijk een ‘schok’ heeft ervaren, en evenmin dat deze ‘schok’ geestelijk letsel heeft veroorzaakt.
33.
Psychiater [psychiater] schrijft dat [benadeelde 1] lijdt aan een depressieve stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis, maar geeft niet aan waardoor deze zijn ontstaan. Dat klemt in het bijzonder nu de psychiater ook schrijft dat [benadeelde 1] reeds vóór het overlijden van haar echtgenoot angsten en paniekaanvallen ervoer. Het hof geeft in zijn overwegingen in dat verband een enigszins onjuiste voorstelling van zaken, en voor zover het hof hiermee heeft geoordeeld dat [benadeelde 1] voorafgaand aan het tenlastegelegde ‘slechts’ angsten en paniekaanvallen ervoer en pas ná het tenlastegelegde ‘officieel is gediagnosticeerd’ met een depressieve stoornis en een gegeneraliseerde angststoornis, is dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk. Uit de ook door het hof genoemde, op 21 april 2021 door psychiater [psychiater] verschafte informatie33. volgt immers:
‘Patiënte werd voor het overlijden van haar echtgenoot behandeld met cognitieve gedragstherapie door onze psychologie voor haar angst- en depressieve klachten. Door middel van exposure durfde zij met haar kinderen weer op straat te gaan en durfde zij ook alleen op straat te gaan. Dit lukte ook na het overlijden van haar man. Na het overlijden van haar man ging zij wel meer piekeren en was zij verdrietig over zijn overlijden. Ze raakte getraumatiseerd door zijn overlijden, slaapt slecht, heeft nachtmerries, is angstig en voelt zich niet veilig in haar eigen woning.’
(onderstreping JK en DS)
34.
Het is voorstelbaar en dat het overlijden van een dierbare maakt dat angsten en paniekaanvallen ‘heviger en complexer’ worden, en dat de vooruitgang in de behandeling door de complexiteit van de klachten beperkt wordt. Hetzelfde geldt vanzelfsprekend ook voor het ‘piekeren’ en ‘verdriet’ van [benadeelde 1], en dat zij ‘getraumatiseerd’ is geraakt door het overlijden van [slachtoffer]. Dat is echter niet waar het bij schokschade om gaat; in dat verband kan ook worden gewezen op het bestaan van (ook in casu toegekende) affectieschade. Het draait er bij schokschade in de kern om of bij iemand, vanwege de omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad en/of de confrontatie met de daad of met de gevolgen van deze daad plaatsvonden, een ‘hevige emotionele schok’ teweeggebracht is, die op zijn beurt geestelijk letsel heeft veroorzaakt dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Deze ‘hevige emotionele schok’ en/of dergelijk geestelijk letsel heeft het hof niet vastgesteld c.q. met recht en/of begrijpelijk kunnen vaststellen.
35.
Het oordeel van het hof dat de combinatie van de omstandigheden, te weten de ernst van het feit, de ernst van de gevolgen, de identificatie en het misbruik van het vertrouwen van de benadeelde partij — dit laatste is hiervoor aangevochten — een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht, is niet nader gemotiveerd.
36.
Zo heeft het hof niet vastgesteld of [benadeelde 1] bij de identificatie van [slachtoffer] hevig is geschrokken, laat staan hierdoor getraumatiseerd is geraakt c.q. dat haar angsten en paniekaanvallen hiermee verband houden.
37.
Dit geldt mutatis mutandis voor de vaststellingen van het hof over de wijze waarop verzoeker [benadeelde 1] ‘misleid’ zou hebben — (de redengevende kracht van) welke vaststelling hiervoor is betwist. Het hof tilt hier zwaar aan, maar heeft niet vastgesteld dat [benadeelde 1] hiervan enige gevolgen heeft ondervonden. Dit volgt evenmin uit de vordering benadeelde partij of uit haar spreekrechtverklaring.
38.
Ook heeft het hof niets vastgesteld over de aard, duur en/of gevolgen van het (kennelijk aangenomen) geestelijk letsel van [benadeelde 1], laat staan dat dit de kwalificatie ‘ernstig’ rechtvaardigt.
39.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat in het oordeel van het hof dat [benadeelde 1] ter terechtzitting nader heeft toegelicht dat de wijze waarop haar echtgenoot om het leven is gekomen ‘hierbij’ ook een rol speelt, onduidelijk is waarop ‘hierbij’ terugslaat. Belangrijker is dat deze mededeling niet volgt uit het proces-verbaal van de zittingen bij het hof, terwijl ook uit de (Google-translate vertaling van de) zich in het digitaal portaal van uw Raad bevindende Poolse spreekrechtverklaring die [benadeelde 1] ter zitting bij het hof heeft afgelegd, niet meer volgt dan dat meespeelt dat [slachtoffer] door een misdrijf om het leven is gekomen.
40.
Het is gelet hierop niet verwonderlijk dat de genoemde zaak HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250, waarin het oordeel van het hof dat sprake was van schokschade de goedkeuring van uw Raad kon wegdragen, op fundamentele onderdelen verschilt van de onderhavige zaak.
- —
aangevoerd was dat de benadeelde partijen door onder meer de confrontatie met het lichaam van het slachtoffer, waarop sporen van enorm geweld te zien waren, ernstig psychisch letsel hebben opgelopen (r.o. 4.4.1), en;
- —
het hof heeft overwogen dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met hun zoon dan wel broer, dat de confrontatie met het overleden slachtoffer onmiskenbaar een hevige schok bij hen heeft teweeggebracht en dat deze schok bij alle benadeelde partijen heeft geleid tot ernstig geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld (r.o. 4.4.2), op basis van overgelegde stukken van de behandelende psychologen (onderstreping JK en DS).
41.
In de onderhavige zaak heeft het hof niet vastgesteld dat en waarom de confrontatie met het lichaam van [slachtoffer] een hevige schok, laat staan psychisch letsel heeft veroorzaakt.
42.
Ook kan worden gewezen op HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:560, waarin uw Raad besliste dat het oordeel van het hof dat ‘het alleen na nadere onderbouwing en/of bewijslevering is vast te stellen of en in hoeverre de namens de benadeelde partijen [JK en DS: de ouders van het slachtoffer] aangevoerde omstandigheden een directe confrontatie vormen met de ernstige gevolgen van de moord op [slachtoffer] en recht geven op een vergoeding van shockschade’ (r.o. 3.4) niet onbegrijpelijk was. Ook in de onderhavige zaak is enkel na een nadere onderbouwing vast te stellen in hoeverre de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden — waaronder het handelen van verzoeker ná het feit, voor zover dit in de visie van uw Raad mag worden meegenomen — een directe confrontatie vormen met de ernstige gevolgen van de dood van [slachtoffer].
43.
Redenen waarom het oordeel van het gerechtshof dat [benadeelde 1] schokschade heeft geleden, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
44.
Ten gevolge hiervan is/zijn in zoverre de toewijzing van de vordering benadeelde partij voor een bedrag van €10.000,- alsmede de (mede) voor dit bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd en/of getuigen deze beslissingen van een onjuiste rechtsopvatting.
Ad c) schokschade [benadeelde 3]
45.
De verdediging heeft de schokschade bij [benadeelde 3] als volgt betwist (pleitnota p. 11–12):
‘De verdediging is van mening dat de rechtbank ten onrechte het gevorderde bedrag in deze volledig heeft toegewezen, daar het niet betwist zou zijn. De verdediging heeft de vordering in eerste aanleg betwist, evenals de hoogte. De verdediging heeft deze betwisting echter niet of niet voldoende onderbouwd in eerste aanleg en doet dit thans in appel.
De verdediging betwijfelt of er sprake is van schokschade bij een kind van 14 maanden, althans betwist dat de schokschade bij een kind van 14 maanden even groot is, althans in dezelfde orde van grootte ligt, als bij een volwassene bij een dergelijke gebeurtenis.
De verdediging baseert zich hierbij op de informatie die verkregen is van klinisch psychologe J. van der Sleen (haar CV is als bijlage toegezonden).
Voor de goede orde verwijst de verdediging naar de reeds eerder overgelegde Email van voornoemde van der Sleen d.d. 16 november 2022 en bijbehorende bijlage, te weten de pagina's 576/577, uit het boek ‘Het geheugen van kinderen’, van Koppen e.a..
Van belang acht ik de volgende passages uit de overgelegde Email:
- —
Het is niet zo dat kinderen onder de 1,5 jaar geen herinneringen /geen geheugen hebben, maar dit zijn geen herinneringen die zij op latere leeftijd nog op kunnen halen. Dit wordt infantiele amnesie genoemd.
- —
De baby waarover u hieronder schrijft was 14 maanden, dus 1 jaar en 2 maanden. Zelfs de herinneringen van kinderen van 4 jaar bleken uit bovengenoemd onderzoek niet verder terug te gaan dan tot hun tweede.
Voor de goede orde betwist de verdediging niet dat een kind jonger dan 2 jaar oud geen immateriële schade ondervindt bij het verlies van zijn of haar vader doordat deze in het bijzijn van dit kind door het hoofd is geschoten, maar dit betreft alsdan affectieschade en geen schokschade.
De verdediging is van mening dat de beoordeling van deze vordering schokschade bij een baby van 14 maanden gezien het eerdergenoemde te veel vragen oproept om dit in deze op een juiste wijze zonder nader onderzoek te kunnen kwantificeren. Derhalve betekent dit een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de vordering op dit punt niet ontvankelijk dient te worden verklaard.’
46.
Het hof heeft geoordeeld dat bij [benadeelde 3] een hevige emotionele schok teweeg is gebracht. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.
47.
Wel wordt bestreden het oordeel van het hof dat inhoudt:
‘De vordering tot immateriële schade vanwege schokschade zal op het grond van de hierboven staande overwegingen worden toegewezen. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 30.000,00 is door de verdachte niet betwist en deze komt het hof gelet op alle omstandigheden ook niet onredelijk voor.’ (onderstreping JK en DS)
48.
Uit het pleidooi van de verdediging volgt immers dat de verdediging betwijfelt of er sprake is van schokschade bij een kind van 14 maanden, althans betwist dat de schokschade bij een kind van 14 maanden even groot is, althans in dezelfde orde van grootte ligt, als bij een volwassene bij een dergelijke gebeurtenis. Dat is een directe betwisting van de hoogte van het gevorderde bedrag. Het oordeel van het hof berust in zoverre op een onjuiste lezing van het pleidooi van de verdediging.
49.
Dit argument van de verdediging is onderbouwd met stukken waarin — aldus het hof — de vraag aan de orde wordt gesteld of een kind dat op zeer jonge leeftijd iets heftigs meemaakt zich dat op een latere leeftijd wel of niet kan herinneren. Door het hiervoor geconstateerde verzuim heeft het hof nagelaten om te beoordelen of dit standpunt aanleiding geeft om het schadebedrag te matigen.
50.
In het bijzonder heeft het hof ten onrechte niet onderkend dat bij de bepaling van de schokschade relevant is hoelang het geestelijke letsel zou blijven, en/of heeft het hof ten onrechte de juistheid in het midden gelaten van het standpunt van de verdediging dat het gegeven dat het op grond van de wetenschap ‘in de lijn der verwachting ligt’ (eigen woorden) dat de herinneringen en/of het geestelijk letsel spoedig verdwijnen, noopt tot matiging van het gevorderde schadebedrag.
51.
Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat aangezien [benadeelde 3] ‘drie jaar na het incident’ nog last heeft van nachtmerries, slecht slaapt en er gedragsproblemen zijn in de relatie met haar moeder, het genoemde standpunt van de verdediging niet opgaat, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Immers kan niet in algemene zin worden gesteld of een duur van drie jaren een ‘lange’ of ‘korte’ duur van dit geestelijke letsel is, terwijl ook overigens vaststellingen ontbreken over de ontwikkelingen van het geestelijk letsel in deze drie jaar (is het bijvoorbeeld beter of juist slechter geworden?), welke vaststellingen in het kader van schokschade ter zake doende zijn.
52.
Redenen waarom het oordeel van het gerechtshof dat de hoogte van het aan schokschade gevorderde bedrag van €30.000 ‘door de verdachte niet betwist is’ onbegrijpelijk en/of onjuist is, en/of het oordeel van het hof dat de gevorderde schadevergoeding geheel wordt toegewezen, alsmede de (mede) voor dit bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
53.
Het arrest lijdt aan nietigheid.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Kuijper en mr. D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat te Amsterdam, aldaar kantoorhoudende aan de Amstel 326, 1017 AR Amsterdam, die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Amsterdam, 10 mei 2023
J. Kuijper
D.W.E. Sternfeld
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 10‑05‑2023
Bewijsmiddelen 1, 6, 21, 22, 23 en 31.
Bewijsmiddelen 21, 23 en 24.
Bewijsmiddel 27.
Bewijsmiddelen 13, 14 en 15.
Bewijsmiddel 7.
Bewijsmiddelen 26 en 30.
Bewijsmiddel 6.
Bewijsmiddel 32.
Bewijsmiddel 32.
Bewijsmiddel 39 en 40.
Bewijsmiddel 40.
Bewijsmiddel 42.
Bewijsmiddel 43.
Pleitnota verdediging overgelegd op de zitting in hoger beroep van 23 november 2022, p. 19 en 20.
Pleitnota inhoudelijke behandeling hoger beroep, p. 28; proces-verbaal zitting hoger beroep 21 november 2022, p. 12.
Proces-verbaal zitting hoger beroep 21 november 2022, p. 17; pleitnota inhoudelijke behandeling hoger beroep, p. 21 met verwijzing naar de plaatsbepaling van zijn Mercedes (pagina Z 419/420 van het PV) waar is vastgesteld dat de Mercedes op de avond van 1 oktober 2019 is gereden naar het [d-straat], de plek die verzoeker later heeft aangewezen en waaruit blijkt dat de auto van verzoeker heeft stilgestaan bij de plaats waarover hij zegt dat hij daar de patronen en het magazijn heeft weggegooid.
Verzoeker geeft aan voor een zelfmoordscenario geen aanleiding te zien, zie ook de verdediging, pleitnota p. 27.
Bewijsmiddel 32.
Het gerechtshof doelt hier kennelijk op bewijsmiddel 43.
P. 17 e.v. van het arrest.
Zie ook de inleiding van deze cassatieschriftuur.
P. 27 van de overgelegde pleitnota.
Proces-verbaal zitting in hoger beroep van 21 november 2022, p. 23.
Proces-verbaal van de zittingen bij het hof van 21 november 2022, 23 november 2022, 24 november 2022 en 15 december 2022.
Proces-verbaal van de zittingen van het gerechtshof van 21 november 2022, 23 november 2022, 24 november 2022 en 15 december 2022.
26 Blom in T&C Strafvordering, commentaar op art. 126j Sv, actueel t/m 19 maart 2023.
Vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:242, r.o. 2.3, onder verwijzing naar HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.
Vgl. HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2751, r.o. 2.4.
Vgl. Concl. A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:1942, onder 3.4.2: ‘De aangever heeft ook verklaard dat hij zich bedreigd voelde.’ en Concl. A-G Keulen, ECLI:NL:PHR:2021:821, onder 11 : ‘Uit de aangifte van [betrokkene 8] volgt dat de gemeente vanaf medio mei 2015 bijna wekelijks brieven met dreigende taal van de verdachte ontvangt, en dat die brieven zijn gericht aan de burgemeester, [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (bewijsmiddel 7). [betrokkene 8] verklaart dat de genoemde ambtenaren van de gemeente [gemeente] zich ‘bedreigd en belaagd’ voelen en angstig zijn om de verdachte ‘zowel in privé- als in de zakelijke omgeving te ontmoeten’’.
HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3400, r.o. 3.2-3.3.
HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, r.o. 3.4.2.
Blijkend uit Bijvoorbeeld HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:829 en HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218. Zie verder ook Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4629 (onherroepelijk) waarin uit de motivering maar weer blijkt hoe ingewikkeld dergelijke vorderingen zijn:‘Voorts overweegt het hof dat thans geen ruimte is voor toewijzing van het resterende deel van de vordering ter zake gederfd levensonderhoud. De omvang van de schadevergoeding is immers niet alleen afhankelijk van de (hypothetische) draagkracht van de overledene zoals in de onderbouwing van de vordering vermeld. Deze hangt tevens af van de redelijke verwachtingen van de feitelijke ontwikkeling van de behoefte van de nabestaande zoals deze zich na het overlijden, onder invloed van alle omstandigheden en inclusief alle haar toekomende baten, verder ontwikkelt. Juist deze redelijke verwachtingen ten aanzien van de feitelijke ontwikkeling van de behoefte van de nabestaande is thans nog onzeker, in het bijzonder gelet op de lange termijn waarover de schade is berekend. Aldus zal het hof deze vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, [benadeelde partij] kan haar resterende vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.’, (onderstreping JK en DS)
Door ondergetekende aangetroffen als bijlage 6 van bijlage 2 onder het Verzoek tot Schadevergoeding, ondertekend door mr. R. Korver op 25 juni 2021