Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/4.2.1
4.2.1 Toezichthouden in zijn diversiteit
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS382511:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een overzicht met toezichthouders verwijs ik naar bijlage 8, Overzicht van Nederlandse publieke en private toezichthouders.
P. van den Broek, Samenwerkende inspecties, p. 541-564. In: F.C.M.A. Michiels en E.R. Muller (red.) Handhaving. Bestuurlijk handhaven in Nederland, 2013, p. 543.
Art. 43c van de Uitv. reg. AWR noemt limitatief instanties waaraan de Belastingdienst informatie mag verstrekken. Hierin zijn opgenomen alle ministeries, de directeur van de FIOD, gemeenten en provincies, de officier van Justitie, universiteiten, DNB, AFM, het Bureau Financieel Toezicht (hierna: Bft) en de participanten van het Financieel Expertise Centrum. In het kader van de probleemstelling beperk ik mij tot het verstrekken van toezichtgegevens aan de zogenaamde financiële toezichthouders DNB, AFM en het Bureau Financieel Toezicht (inclusief hun participatie binnen het Financieel Expertise Centrum). Daarnaast betrek ik specifieke bevoegdheden van de Nederlandse Zorgautoriteit en de Inspectie Leefomgeving en Transport in het vergelijkende onderzoek voorzover dat toezicht financieel gericht is en te vergelijken met dat van de Belastingdienst en de genoemde financiële toezichthouders.
De Awb volstaat daaronder ‘organen van een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld’ en ‘een persoon of college met enig openbaar gezag bekleed’ (art. 1:1 lid 1 Awb). Uitzonderingen staan vermeld in art. 1:1 lid 2 Awb. Het begrip ‘orgaan’ vindt zijn definitie in art. 2:1 BW. De Staat, de provincies, de gemeenten en de waterschappen bezitten rechtspersoonlijkheid vanuit de Grondwettelijke instelling (art. 123 en 133 GW). Andere organen krachtens specifieke wet. Het bekleden van openbaar gezag (‘de bevoegdheid tot het eenzijdig kunnen opleggen van rechten en plichten aan burgers) is tevens krachtens specifieke wet: dan is alleen daarvoor sprake van ‘een bestuursorgaan’.
Zie bijlagen 1 en 2 voor vergelijking van toezichthouders naar respectievelijk doel en wettelijke kerntaak.
Voor begripsbepaling en definities verwijs ik naar par. 2.2.
Zie hoofdstuk vijf, Algemeen kader voor het vergaren van toezichtgegevens.
M. Brunia en R. Velders, Begrippenkader Rijksinspecties, Inspectieraad, 2013, p. 48.
WRR-rapport 89, Toezien op publieke belangen, 2013, p. 31. Als voorbeelden noemt de Raad de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWa), Inspectie van het Onderwijs, Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Inspectie Veiligheid en Justitie, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Staatstoezicht op de Mijnen, Erfgoedinspectie, Inspectie Jeugdzorg (IJZ) en Agentschap Telecom.
H.B. Winter, Toezicht in het Nederlandse (bestuurs)recht, p. 29-50. In: F.C.M.A. Michiels en E.R. Muller (red.) Handhaving. Bestuurlijk handhaven in Nederland, p. 31-32.
Besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 13 december 2011, nr. IENM/IVW-2011/14993, houdende de instelling van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport), Stcrt. 2011, 23871.
Transport (Luchtvaart, Binnenvaart, Bus, Rail, Taxi, Goederenvervoer over de weg, Visserij en Passagiersrechten), Leefomgeving (Afval, Bodem, Drinkwater, Labels en markeringen, Legionella, risicovolle stoffen, nucleair en straling, risicovolle bedrijven en activiteiten, ruimte, hoogwaterveiligheid) en Woningcorporaties.
Besluit mandaat Autoriteit woningcorporaties en aanwijzing toezichthouders Woningwet en WNT, Stcrt. 2015, 17887; zie ook Regeling van de minister-president, minister van Algemene Zaken van 30 september 2015, nr. 3151041, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties.
Organisatiebesluit NVWa, 16 maart 2017 (WOB-verzoek 16-2573, dd. 23 maart 2017, www.rijksoverheid.nl, geraadpleegd: 18 april 2017). De status van agentschap geldt voor inspectiedienst ILenT en NVWa; een baten-lastendienst ex art. 10 Comptabiliteitswet. Zie de Regeling agentschappen, Stcrt. 2012, 20668. Dit heeft verder geen gevolgen voor de ministeriële verantwoordelijkheid.
De Regeling van de minister-president, minister van Algemene Zaken van 30 september 2015, nr. 3151041, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties.
De taken van de NVWa zoals vastgelegd in het Besluit mandaat, volmacht en machtiging EZ 2015.
Voor NVWa is het toezicht bepaald in met name Warenwet (art. 25), Tabaks- en rookwarenwet (art. 13), Geneesmiddelenwet (art 100), Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (art 114), Wet dieren (art 8.1), Meststoffenwet (art 47), Plantenziektenwet (art 10), Wet gewasmiddelenbescherming en biociden (art 82), Visserijwet 1963 (artt. 54a-62), Landbouwwet (art 48 a), Wet op de dierproeven (artt. 20 en 26), Kaderwet EZ-subsidies (art 8), Wet implementatie Nagoya protocol (art 4), Wet verbod pelsdierhouderij (art 5), Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 (art 89), Wet natuurbescherming (art 7.1) en Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie (art. 31).
Organisatiebesluit NVWa, 16 maart 2017 (WOB-verzoek 16-2573, dd. 23 maart 2017, www.rijksoverheid.nl, geraadpleegd: 18 april 2017).
Voor ILenT is de algemene taak geformuleerd in Art. 2. Besluit van de minister van Infrastructuur en Milieu van 13 december 2011, nr. IENM/IVW-2011/14993, houdende de instelling van de Inspectie Leefomgeving en Transport (Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport), Stcrt. 2011, 23871; toezicht vormt daar slechts een onderdeel van, zie o.a. R. van Dorp en R. Velders, De Inspectie Leefomgeving en Transport. In: (red.) F.J.H. Mertens, E.R. Muller en H.B. Winter, Toezicht (Handboeken Veiligheid), 2015, p. 463.
Zie bijvoorbeeld de risicobeoordeling en communicatie over fipronil zomer 2017; zie o.a. Kamerstukken 2017/17, 26 991, nr. 487.
De Regeling van de minister-president, minister van Algemene Zaken van 30 september 2015, nr. 3151041, houdende de vaststelling van de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties. Dit is het geval bij de NVWa, ISZW en ILenT.
‘Het dossier speelt in op de gedachte dat toezicht en handhaving gebeuren vanuit de overheid als geheel en niet vanuit de afzonderlijke inspecties. Inspectiediensten zijn door Inspectieview beter geïnformeerd. Daardoor houden zij meer risicogericht en effectiever toezicht. Goed presterende bedrijven ervaren minder last van het toezicht terwijl de inspectiediensten hun aandacht richten op de bedrijven die dat wel nodig hebben. Deze aanpak maakt het mogelijk om informatie op te zoeken bij bronhouders zonder deze gegevens op een centrale plaats op te slaan.’ aldus de samenwerkende rijksinspecties op hun website over inspectieviews, zie https://www.rijksinspecties.nl/over-de-inspectieraad/inspectieviews, geraadpleegd: 22 december 2016.
F.J.H. Mertens, E.R. Muller en H.B. Winter, Toezicht, Inspecties en autoriteiten in Nederland, 2015, p. 17. Zie bijvoorbeeld de marktautoritteiten ACM, AFM, DNB, NZa en het Bureau Financieel Toezicht; zie ook bijlage 1 en 2 vergelijksingstabel met toezichthouders in het doel van hun toezichthoudende taak.
Gebaseerd op: Kamerstukken II 2003/04, 29 200 xiii, nr. 50, Visie op markttoezicht en de visie op markttoezicht zoals verwoord in een brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2010/11, 31 490, nr. 55.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, WRR-rapport 89, Toezien op publieke belangen, 2013, p. 31. Andere kwalificaties van toezicht zijn onder andere ‘gedragstoezicht’ door de AFM wanneer het gaat over gedragingen van ondernemingen versus consumenten en ‘prudentieel toezicht’ door DNB op de stabiliteit van financiële instellingen, WRR-rapport 89, Toezien op publieke belangen, 2013, p. 32.
G.M. Kuiper, geeft drie redenen voor de ZBO als soort van verzelfstandiging van het uitoefenen van een overheidsbevoegdheid: ‘waarborgen onafhankelijke en deskundige taak, waarborging consequente taakuitvoering en een wijze van taakuitvoering waarbij belanghebbenden betrokken zijn.’ In: Financiële controle op zelfstandige bestuursorganen, 1999.
B.M.J. van der Meulen, Marktautoriteiten. In: B.M.J. van der Meulen en A.T. Ottow (red.), Toezicht op markten (preadviezen VAR-reeks 130), Den Haag: BJu 2003, p. 25 en L.F.M. Verhey en N. Verheij, De macht van de marktmeesters. In: A.A. van Rossum, L.F.M. Verhey en N. Verheij, Toezicht (NJV-preadviezen), 2005, p. 139.
Zie bijlage 5 voor vergelijkingstabel toezichthouders volgens ZBO register, geraadpleegd: 30 november 2016.
Convenant van 28 maart 2013 tussen de Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank N.V. inzake samenwerking en coördinatie op het gebied van toezicht, regelgeving en beleid, (inter)nationaal overleg en andere taken met een gemeenschappelijk belang met betrekking tot de uitvoering van de Wta, Wft, PW, Wvb en Verordening ratingbureaus, Stcrt. 2013, 9966 en Samenwerkingsconvenant tussen de Stichting Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank N.V., Stcrt. 2016, 1863.
Samenwerkingsprotocol Autoriteit Consument en Markt en Nederlandse Zorgautoriteit, 19 december 2014, Stcrt. 2015, 583. ACM is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan de NZa ten behoeve van de in art. 16 van de Wmg aan de NZa opgedragen taken (art. 7 lid 3 onderdeel a, Iw jo. art. 2 lid 1 onderdeel m, Regeling gegevensverstrekking ACM). De NZa is bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan ACM die voor ACM van belang zijn voor uitvoering van haar wettelijke taken (art. 70 lid 2 Wmg jo. art. 65, onder b, Wmg).
Intentieverklaring Markttoezichthoudersberaad, maart 2009 tussen AFM, ACM (toentertijd Nma, OPTA, CA), NZa en DNB.
Convenant houdende afspraken over de samenwerking in het kader van de Verbetering van de bestrijding van zorgfraude: Voortzetting Bestuurlijk Overleg Integriteit Zorgsector, Stcrt. 2015, 8345. Zie voor instelling Informatie Knooppunt Zorgfraude, Besluit tot wijziging Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging NZa, van 1 november 2016, Stcrt. 2016, 58658.
Samenwerkingsprotocol Autoriteit Consument en Markt – Belastingdienst, Stcrt. 2015, 4468.
Samenwerkingsprotocol tussen Autoriteit Consument & Markt en Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Stcrt. 2016, 44592.
Convenant inzake de samenwerking bij het tegengaan van ontoelaatbaar gedrag van (i) externe accountants, accountantsorganisaties en (mede)beleidsbepalers daarvan en (ii) financiële ondernemingen en (mede)beleidsbepalers daarvan tussen de Stichting Autoriteit Financiële Markten en de Autoriteit woningcorporaties, dd 10 april 2017.
Opgericht bij inwerkingtreding van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), 5 december 2006, Stb. 2006, 591 (impliceert EG-Verordening nr. 2006/ 2004, PbEG 2004, L364 voor samenwerking bij handhaving nationale instanties voor consumentenbescherming). Het betreft bevoegdheden op te treden tegen overtredingen consumentregels vanuit het Burgerlijk Wetboek, de Prijzenwet en Colportagewet.
Opgericht in 1997 als opvolger van Directie Toezicht netwerken en diensten van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, ter uitvoering van de taken en bevoegdheden vanuit de OPTA-wet (het betreft nalevingstoezicht op het gebied van post en elektronische communicatiediensten vanuit Postwet resp. Telecommunicatiewet en gericht op bevordering concurrentie en eerlijke prijzen voor consumenten).
Opgericht in 1998 voor uitvoering van Mededingingswet en enkele specifieke wetten op het gebied van vervoer en energie. De belangrijkste take zijn opgenomen in de Mededingingswet voor het toezicht op handhaving kartelverbod (art. 6 Mw) en verbod op machtsmisbruik vanuit economische posities (art. 24 Mw).
Wet van 28 februari 2013, houdende regels omtrent de instelling van de Autoriteit Consument en Markt (Instellingswet Autoriteit Consument en Markt), Stb. 2013, 102.
Kamerstukken II 2012/13, 33 622, nr. 3, p. 1; zie ook Art. 3.1 Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 15 december 2016, ACM/DJZ/2016/203133, houdende wijziging van het Besluit organisatie, mandaat, volmacht en machtiging ACM 2013, Stcrt. 2016, 69690.
Sectorspecifieke markttoezicht vindt plaats op het naleven van andere wetten zoals Drinkwaterwet, Elektriciteitswet 1998, Gaswet, Loodsenwet, Postwet 2009, Spoorwegwet, Telecommunicatiewet, Warmtewet, Wet handhaving consumentenbescherming, Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, Wet Luchtvaart, Wet personenvervoer 2000, alsmede het toezicht op de naleving van Europese verordeningen als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag van de werking van de Europese Unie, voor zover dat toezicht is opgedragen aan de ACM. Zie Art. 1 Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 2 april 2013, ACM/DJZ/2013/200834, tot aanwijzing van toezichthouders van de Autoriteit Consument en Markt, Besluit aanwijzing toezichthouders ACM, Stcrt. 2013, 9716.
Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg en enkele andere wetten in verband met aanpassingen van de tarief- en prestatieregulering en het markttoezicht op het terrein van de gezondheidszorg, Kamerstukken II 2015/16, 34 455.
Regeling van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 16 november 2010, nr. WJZ/10167427, houdende regels voor de meettarieven van netbeheerders van elektriciteits- en gasnetten (Regeling meettarieven), Stcrt. 2010, 18248 met wijziging van de regeling Stcrt. 2012, 26058.
Besluit van 11 december 2006, houdende de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht, twee andere wetten en diverse besluiten. Stcrt. 2006, 664.
R.J. Theissen en F. De Vries, Toezicht door inspecties, p. 187-215. In: F.C.M.A. Michiels en E.R. Muller (red.) Handhaving. Bestuurlijk handhaven in Nederland, p. 188.
Op 1 januari 2007 is de Wet op het financieel toezicht (Wft) in werking getreden en daarmee zijn zeven verschillende toezichtwetten vervangen door één integrale wet.
Statuten Stichting F179/F694/31001809, 26 november 2013, art. 2.
Wet op het financieel toezicht, Wet toezicht accountantsorganisaties, Wet toezicht effectenverkeer 1995, Wet giraal effectenverkeer, Pensioenwet, Wet handhaving consumentenbescherming, Wet verplichte beroepspensioenregeling, Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme en Sanctiewet 1977, Wet bekostiging financieel toezicht.
Voor onder andere aanbieden van beleggingen (art. 2:55 e.v. Wft), aanbieden van kredieten (art. 2:60 Wft), het bieden van een recht van deelneming in een beleggingsinstelling (art. 2:65 e.v. Wft), advisering en bemiddeling (artt. 2.75 – 2.86 Wft) en verlenen van beleggingsdiensten (art. 2.96 e.v. Wft).
Als voorbeeld noem ik de bevoegdheid tot het vorderen van inlichtingen (art. 1:74 lid 1 Wft).
In het gedragstoezicht kan de toezichthouder geconfronteerd worden met toezicht dilemma’s op het terrein van inzet van toezicht en het treffen van handhavingsmaatregelen; ook het al dan niet verstrekken van gegevens aan DNB binnen de kaders van de wettelijke geheimhoudingspicht is geen questie van standaardprocedure, maar het afwegen van belangen waarbij het dilemma zich afspeelt ter bescherming van vermogensbelang (toekomstige) cliënten tegen gevaar van deconfiture; zie ook de overwegingen in DSB-zaak, PHR 20 juni 2014, ECLI:NL: PHR:2014:705.
Het toezicht van de AFM vindt bij of krachtens wet plaats volgens de Wet op het financieel toezicht (1:25 Wft) met daarnaast specifieke wet- en regelgeving vanuit Wet toezicht accountantsorganisaties (art. 49 Wta), Wet toezicht effectenverkeer 1995 (sinds 1 januari 2007 opgenomen in Wft), Wet giraal effectenverkeer (art. 2 Wge), Pensioenwet (art. 151 PW), Wet handhaving consumentenbescherming (art. 3.1 Whc), Wet verplichte beroepspensioenregeling (art. 146 Wvb), Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (art. 1 Besluit aanwijzing toezichthouders Wwft), Sanctiewet 1977 (art. 1 Regeling toezicht Sanctiewet 1977) en Wet bekostiging financieel toezicht (art. 1 Wbft).
Beleidsregel geschiktheid 2012 en respectievelijk artt. 1:52 Wft en 1:68 Wft.
Besluit van 21 oktober 2004, Stb. 2004, 564, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet documentatie vennootschappen, Besluit documentatie vennootschappen, art. 2 letter b.
Voorbeelden voor DNB zijn: het materiële toezicht op alle normen in de pensioenwet die geen onderdeel uitmaken van gedrags- of prudentieel toezicht (art. 151 lid 5 Pensioenwet (PW)), het toezicht op verplichte deelname aan bedrijfstakpensioenfondsen (art. 17 lid 1 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wdpf)), toezicht op trustkantoren (art. 1 letter j Wet toezicht trustkantoren (Wtt)). Daarnaast heeft DNB internationale georiënteerde taken voor de uitvoering van de Wet financiële betrekkingen buitenland en het opleggen van boetes bij overtreding van die wet (art. 7 Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 (Wfbb 1994)) en naleving en uitvoering van allerlei internationale Verordeningen zoals EMIR (648/2012/EU), AIFM (2011/61/EG), FCD (2002/87/EG), IORP (2003/41/EG), EMD (2009/110/EG), PSD (2007/64/EG) en AMLD (2005/60/EG).
Algemene leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en Sanctiewet (SW), ministerie van Financiën, versie 2014, p. 9. De DNB houdt Wwft toezicht op kredietinstellingen, financiële instellingen, geldtransactiekantoren, betaalinstellingen, levensverzekeraars, trustkantoren, casino’s en creditcardmaatschappijen. De AFM houdt Wwft toezicht op de beleggingsondernemingen, beleggingsinstellingen, banken en financiële dienstverleners voorzover deze bemiddelen in levensverzekeringen. Het Bft houdt toezicht op Registeraccountants, Accountant Administratieconsulenten, belastingadviseurs, administratiekantoren, juridisch dienstverleners, advocaten en notarissen. De BHM houdt toezicht op de makelaars en bepaalde handelaren van goederen in grote waarde; zie ook Besluit aanwijzing toezichthouders Wwft, Stcrt. 2008, 142.
Kamerstukken II 2003/04, 29 708, nr. 3, p. 47-48. De geheimhoudingsbepaling is een uitwerking van met name Artt. 44–52 Recast Bankenrichtlijn 2006/48/ EC; art. 16 Levensverzekeringrichtlijn 2002/83/EC, die betreft wijziging van art. 12 Eerste Bankenrichtlijn 78/780/EEC, vervangen door art. 30 Geconsolideerde Bankenrichtlijn 2000/12/EC; art. 16 Derde Richtlijn Schadeverzekering 92/49/EEG. Deze bepalingen zijn één op één omgezet in de Wft.
Kamerstukken II 2003/04, 29 708, nr. 3, p. 50. Kritisch over de noodzaak van deze absolute geheimhoudingsplicht zijn A.P.W. Duijkersloot en H.R.B.M. Kummeling, Parlement en geheime toezichtsinformatie. In: H.R.B.M. Kummeling e.a. (red.), De samengestelde Besselink, Bruggen bouwen tussen nationaal, Europees en internationaal recht, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2012, p. 75-82.
De Moor-van Vugt e.a., Gegevensuitwisseling door Toezichthouders, Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het WODC, Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid p. 48, voetnoot 105.
Ingevolge art. 1, aanhef en onder c, van het Besluit bestuursorganen WNo en Wob is de AFM als bestuursorgaan uitgezonderd voor de verplichting volgens art. 1a lid 1 onderdeel d, Wob.
Deze ontheffing op de WOB geldt alleen voor zover de autoriteit belast is met werkzaamheden die voortvloeien uit dan wel verband houden met haar taken en bevoegdheden ingevolge de Wet toezicht financiële verslaggeving, de Wet financiële markten BES, de Wet op het financieel toezicht, de Wet toezicht accountantsorganisaties, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet op het notarisambt.
CBb 31 januari 2012, LJN:BV3704, JOR 2012/114.
Instellingsgrondslag is art. 110 lid 1 Wet op het notarisambt.
De vorm van ‘integraal toezicht’ noemt het Bft zelf in zijn publicaties maar is niet als terminologie opgenomen in wet- en regelgeving. Zie o.a. http://www.bureauft.nl/ notariaat/werkwijze-toezicht/werkwijze-3/, geraadpleegd: 31 augustus 2017.
Verdeling opgenomen in het besluit van de minister van Financiën tot aanwijzing toezichthouders Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Stcrt. 2008, 142 met diverse wijzigingen. De laatste is de aanwijzing van de kansspelautoriteit als Wwft-toezichthouder, Stcrt. 2015, 45368.
Wet herziening gerechtelijke kaart, de wet tot wijziging van de Wet op het notarisambt, de Wet op het centraal testamentenregister en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (28 oktober 2011, Stb. 2011, 470). In navolging daarvan, per 1 juli 2016 eveneens integraal toezicht ook en gerechtsdeurwaarders (Wet Wijziging van de Gerechtsdeurwaarderswet in verband met de evaluatie van het functioneren van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders, alsmede de regeling van enkele andere onderwerpen in die wet (7 maart 2016, Stb. 2016, 93).
Voor uitgebreide behandeling van de taken verwijs ik naar J. Bijkerk en C. Voogt, De Nederlandse Zorgautoriteit: goed geëquipeerd voor haar nieuwe rol, Actualiteiten mededingingsrecht 2006, nr. 5, p. 116-121 en M.J.J.M. Essers, H.E.G.M. Hermans en J.J. M. Sluijs, Aanbesteden en mededinging in de gezondheidszorg, Houten: Bohn Stafleu van Loghum 2011, p. 85 e.v.
De wetgever gaf aan ‘De complexe situatie vergt een speciaal op de zorgsector gerichte benadering waarin de specifieke kennis over de verschillende zorg(deel) markten en de verschillende vormen van toezicht zijn geïntegreerd. Daarbij komt dat het aantal toezichthouders niet groter moet zijn dan strikt nodig. Om die redenen legt deze wet de verschillende vormen van toezicht zoveel mogelijk in één hand, die van de zorgautoriteit’ Kamerstukken II 2004/05, 30 186, nr. 3, p. 10-11.
Als voorbeeld noem ik uit de grote hoeveelheid beschikbare (beleids)regels, willekeurig de Prestatie- en tariefbeschikking add-on geneesmiddelen, budgettair kader Wlz 2014, beleidsregel prestatiebeschrijvingen en tarieven zorgzwartepakketten, en de Regeling Innovatie voor kleinschalige experimenten. Zie https://puc.overheid.nl/nza/zorgsectoren/pagina/NZA000/-/srt/beleid_en_regels/p/1/gdlv/1/. Geraadpleegd 29 november 2017.
In de Wmg (art. 16 Wmg) zijn meerdere domeinen en vormen van toezicht opgenomen, te weten: het uitoefenen van markttoezicht op de zorgdeelmarkten, toezicht op de rechtmatigheid door zorgverzekeraars van de Zvw, toezicht op de recht- en doelmatige uitvoering van de Wlz door de Wlz-uitvoerders en het CAK en toezicht op naleving van de Zvw door onder andere zorginstituten.
https://www.nza.nl/zorgonderwerpen/dossiers/Toezicht-en-Handhaving/ 941624/Vormen-van-Toezicht-en-Handhaving/, geraadpleegd: 15 november 2016.
P. van den Broek, Samenwerkende inspecties, p. 541-564. In: F.C.M.A. Michiels en E.R. Muller (red.) Handhaving. Bestuurlijk handhaven in Nederland, 2013, p. 543.
D. Ruimschotel, Goed Toezicht: Principes van professionaliteit, democratie en good governance, 2014, p. 219.
Voor uitgebreide beschouwingen verwijs ik naar hoofdstuk 3.
Kenniscentrum Wetgeving en Juridische zaken (KCWJ), Aanwijzing 132 (‘toezicht op de naleving’; ‘opsporing’).
Door een veelheid aan wet- en regelgeving is binnen de categorie van professionele toezichthouders sprake van een grote diversiteit.1 Al deze toezichthoudende organisaties onderscheiden zich primair van elkaar door de rechtsbasis waarop zij functioneren.2 Ik beperk mij tot de financieel georiënteerde toezichthouders – met de publiekrechtelijke taak van toezichthouden – waarmee de Belastingdienst samenwerkt, te weten de ACM, AFM, Bft, DNB, ILenT, NZa en de NVW.3 Op hen is als bestuursorgaan de Awb van toepassing.4 Zij hebben in hun taakuitoefening gemeenschappelijk dat zij een rol vervullen in het professionele toezicht met toepassing van de vijf kernvormen van medewerking (zie par. 1.4 in het bijzonder figuur 6). Deze zogenaamde professionele toezichthouders zijn vanuit hun verantwoordelijkheidspositie te classificeren in:
rijkstoezichthouders,
markttoezichthouders en
overige toezichthouders.5
Hun wettelijke taakopdracht bepaalt de legitimiteit van het uitoefenen van hun toezichtsbevoegdheden. Deze classificatie kan als referentiekader dienen voor de aard van de wettelijke taken en daarmee tevens de vorm van het toezicht en de daarbij behorende bevoegdheden.6 Die elementen zijn van belang voor het rechtvaardig kunnen integreren van fiscale toezichtgegevens.7 Het positioneren van de Belastingdienst binnen deze classificatie van professionele toezichthouders is dan ook van betekenis om de rol te kunnen bepalen van fiscale gegevens binnen het rijksbrede toezicht.
Ad 1 Rijkstoezichthouders
De rijkstoezichthouders zijn toezichthoudende organisaties die direct onder ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Zij worden ook wel rijksinspectiediensten genoemd.8 De WRR betrekt in zijn rapport de stelling dat de rijksinspecties, de ‘keurmeesters’, zich voornamelijk bezighouden met nalevings- en uitvoeringstoezicht.9 Het zijn vooral de inspecties op het terrein van het onderwijs, zorginstellingen en uitkeringsinstanties die zich uitsluitend bezig houden met uitvoeringstoezicht.10 Dit is echter uitzonderlijk: de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWa) hebben beide een breder toezichtsterrein.
De ILenT – die in 2012 gevormd is door het samengaan van twee inspectiediensten: de VROM-inspectie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat – behoort als agentschap tot het ministerie van Infrastructuur en Milieu.11 Het is een bijzondere dienst omdat hij naast het houden van toezicht op het algemene terrein van het ministerie12 ook is aangewezen als een verbijzonderde toezichthouder, de Autoriteit Woningcorporaties.13 Een andere inspectiedienst is, hoewel de naam anders doet vermoeden, de NVWa. Dat is een agentschap van EZ en valt direct onder de secretaris-generaal.14 Het bijzondere aan de NVWa is dat zij een duale opdrachtgeverrelatie heeft namelijk met zowel de minister van EZ als de minister van VWS. Beide ministers bepalen wat zij van het toezicht en handhaving van de NVWa verwachten.15
De NVWa houdt van oorsprong toezicht op de naleving van wet- en regelgeving door bedrijven en organisaties op het terrein van veiligheid in de voedselketen, productveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en gezondheid en natuur.16 Voor de NVWa bepaalt een veelheid aan afzonderlijke wetten de wettelijke taak voor het toezicht. De Warenwet is daar de meest bekende van.17 Voor sommige taken is de NVWa echter een autonome organisatie te vergelijken met een autoriteit waarbij het in de politiek-bestuurlijke context een zelfstandige verantwoordelijkheid heeft als toezichthouder.18 Beide inspecties hebben dan ook kenmerken van een autoriteit. Tot de (wettelijke) kernactiviteiten van beide inspecties behoren echter ook uitvoerende werkzaamheden van certificering en vergunningverlening en het toezicht daarop.19 Naast het nalevingstoezicht is sprake van uitvoeringstoezicht. De brede maatschappelijke verantwoordelijkheid reikt verder dan alleen het toezien op het gedrag van onder toezichtgestelden. Ook preventie behoort daartoe hetgeen naar voren komt in de mogelijkheid van beide inspecties om rechtstreeks te communiceren met de samenleving over bepaalde risico’s.20
Daarnaast behoort zowel het instellen van onderzoek als opsporing tot de handhavingsvarianten. Voor deze laatste handhavingsvariant beschikken de inspecties ILenT en NVWa over een ‘eigen’ bijzondere opsporingsdienst.21
Hoewel alle inspecties een specifieke rechtsbasis en verantwoordelijkheid hebben, vindt samenwerking in toenemende mate plaats. Als voorbeeld noem ik de zogenaamde Inspectieviews. Dat zijn virtuele dossiers voor inspecteurs om informatie over inspectieobjecten te raadplegen.22 De Belastingdienst werkt hier overigens (nog) niet aan mee.
Ad 2 Markttoezichthouders
Binnen het spectrum van professionele toezichthoudende instanties hebben de markttoezichthouders – veelal ook aangeduid met autoriteiten – een bijzondere verantwoordelijkheid. Zij houden namelijk toezicht onafhankelijk van een ministerie. Zij onderscheiden zich daarmee qua positie van (rijks)inspecties. De markttoezichthouders zijn namelijk allemaal zelfstandige organen (ZBO, in stichtingsvorm of NV) met eigen verantwoordelijkheid.23 Deze instanties worden niet alleen in het algemeen spraakgebruik als ‘toezichthouder’ geduid, maar ook in de wetgeving.24 Het toepassingsgebied van markttoezicht is echter niet eenduidig en kent een grote variëteit.25 Het toezicht kan zich richten op de algemene markt (zoals mededingen) maar kan ook bestaan uit specifiek toezicht op sectorale ‘markten’, zoals het financieel toezicht.26 Hun taak is (eveneens) breder dan alleen (nalevings)toezicht.27 De naam toezichthouder doet wat dat betreft geen recht aan hun brede verantwoordelijkheid. Pogingen om hen te duiden als marktautoriteit of marktmeesters zijn niet geslaagd.28
Als bekende markttoezichthouders – waarmee de Belastingdienst toezichtgegevens kan delen – noem ik
de Autoriteit Consument en Markt (ACM),
de financiële toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandse Bank DNB),
het Bureau Financieel Toezicht (Bft) en
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).29
Tussen de autoriteiten zijn onderling, ten gevolge van met name de overeenkomsten in toezicht segmenten, allerlei wettelijke samenwerkingsverbanden ontstaan en vindt gegevensuitwisseling plaats. Ter voorkoming van het overlappen van het toezicht in bepaalde domeinen, zijn er wettelijke terugtredingsregels. Ook vindt er samenwerking plaats om de effectiviteit van het toezicht te verbeteren. De ‘gemeenschappelijke noemer’ wordt dan veelal gevonden in het uitoefenen van het markttoezicht binnen een bepaald domein (bijvoorbeeld financiële markten met het toezicht door AFM en DNB)30 dan wel wet- en regelgeving (toezicht op Wmg door ACM en NZa).31
Als voorbeeld voor een generieke samenwerking in een breder verband noem ik het zogenaamde markttoezichthoudersberaad.32 Daarnaast vindt ook op individuele basis samenwerking plaats in het toezicht op onder toezichtgestelden. Een voorbeeld van multilaterale samenwerking binnen de zorgsector (NZa, IGZ, IZW, FIOD en Belastingdienst) is het Knooppunt Zorgfraude.33 Bilateraal zijn er ook allerlei convenanten tussen toezichthouders, zoals die van de ACM met onder andere de AFM,34 de Belastingdienst,35 DNB36en de NVWa.37
De samenwerking beperkt zich echter niet tot alleen markttoezichthouders onderling als autoriteit. De AFM werkt bijvoorbeeld ook samen met de Autoriteit woningcorporaties als onderdeel van ILenT bij het tegengaan van ontoelaatbaar gedrag van accountants.38 Een terrein waar overigens ook de Belastingdienst een convenant voor heeft afgesloten met onder andere de AFM.39 Hoezeer ook de autoriteiten in hun onafhankelijk positie overeenkomen, en alle als markttoezichthouder gekwalificeerd kunnen worden, zij verschillen onderling in hun taakuitoefening. Om de autoriteiten te kunnen positioneren binnen het markttoezicht, geef ik hieronder een korte omschrijving van de afzonderlijke taken (met cursivering van de toezichtvorm).
De Autoriteit Consument en Markt
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is in 2013 ontstaan door een fusie van de Consumentenautoriteit (CA),40 de Onafhankelijke Post en Telecom Autoriteit (OPTA)41 en de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA).42 De regels voor het instellen van de ACM zijn bij wet bepaald in de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.43 Het markttoezicht door de ACM is gebaseerd op drie pijlers:
mededingingstoezicht (het toezicht op mededingingsafspraken, misbruik van economische machtsposities en concentratiecontrole),
sectorspecifiek toezicht en
consumentenbescherming (het bevorderen van eerlijke handel tussen bedrijven, het versterken van de zelfredzaamheid en informatie over rechten en plichten).44
De bekendste taak van de ACM is het mededingingstoezicht op de algemene markt: het (nalevings)toezicht bij of krachtens de Mededingingswet (art. 2 Mw).45
Naast de hiervoor genoemde ‘eigen’ wettelijke taken, heeft de ACM ook toezichthoudende taken opgedragen gekregen vanuit andere toezichsgebieden, zoals de Wet op het financieel toezicht (Wft) en (met ingang van 1 januari 2017) de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg).46 Met het wetsvoorstel voor wijziging van de Wmg verkrijgt de ACM de bevoegdheid verplichtingen op te leggen aan zorgaanbieders en -verzekeraars die beschikken over een Aanmerkelijke Marktmacht (AMM). Het gaat dan om een zorgspecifieke fusietoets en het instrument van aanmerkelijk marktmacht voorzover het een bevoegdheid is die daarvoor bij de NZa lag.47 Naast het uitoefenen van nalevingstoezicht heeft de ACM ook uitvoerende taken zoals tariefvaststelling volgens de Gaswet (art. 4a lid 2, van de Regeling meettarieven).48
De financiële toezichthouders Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandse Bank.
Het toezicht op de stabiliteit van de (gehele) financiële markt is gebaseerd op de Wet financieel toezicht (Wft).49 Dit toezicht vindt sinds 2004 plaats – volgens het zogenoemde Twin Peaks-model met functioneel toezicht (i.p.v. sectoraal toezicht) – door twee separate partijen met een gezamenlijke verantwoordelijk voor het toezicht op de gehele (financiële) sector. In dit toezicht wordt onderscheid gemaakt naar het prudenti ë le toezicht (door DNB: toezicht gericht op de soliditeit van ondernemingen en het bijdragen aan de stabiliteit van de financiële sector, ex art. 1:24 Wft) en het gedragstoezicht (door de AFM: toezicht gericht op een ordelijk en transparant marktproces, passend gedrag van marktpartijen en consumentenbescherming, ex art. 1:25 Wft).50
De Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) – opgericht 1 maart 2002 – ontleent aan deze wet zijn toezichthoudende taak op de stabiliteit van de financiële markten.51 Zij heeft als stichting statutair als taak ‘het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te beslissen over de toelating van financiële ondernemingen tot die markten’.52 Deze statutaire taak geeft uitvoering aan hetgeen bepaald is bij of krachtens wet.53 Naast het toezichthouden behelst dit ook uitvoerende taken zoals het verlenen van vergunningen.54 Als instrumentarium hiervoor beschikt de AFM – globaal gezien – over toezichtsbevoegdheden,55 handhavingsbevoegdheden 56
en bijzondere maatregelen.57 Ook toetst de AFM de geschiktheid van beleidsbepalers voor onder toezicht staande instellingen.58 Voor het uitvoeren van die taken kan de autoriteit regels stellen en informatie opvragen.59
De evenknie in het toezicht op de financiële markt is de DNB, een Naamloze Vennootschap (NV) die sinds 1814 toezicht houdt op de geldmarkt. De (huidige) juridische kapstok voor het handelen van DNB is opgenomen in de Bankwet van 1998. Daarin is expliciet het houden van toezicht als algemene wettelijke taak opgenomen: ‘het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen’ (art. 4 lid 1 letter a Bankwet 1998). De Bankwet bepaalt de toezichthoudende instantie noch de bevoegdheden. Dat vindt namelijk plaats ‘op voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen’: de eerdergenoemde Wft.
Het gezamenlijke toezicht door DNB en de AFM strekt echter verder dan alleen de Wft. Zij houden bijvoorbeeld ook gezamenlijk toezicht op rechtspersonen vanuit de Wet controle op rechtspersonen.60 Het exclusieve toezicht door de AFM dan wel DNB is beperkt. Als voorbeeld noem ik het functionele toezicht van de AFM voor de ‘sector’ van Accountantsorganisaties, te weten het toezicht op Accountantsorganisaties (art. 48 Wta) en het toezicht van DNB op pensioenfondsen en trustkantoren.61 Als financiële toezichthouder voeren zij ook gezamenlijk toezicht uit met onder andere de ACM, Belastingdienst en het Bft. Voorbeelden daarvan zijn het financiële toezicht op de financiële ondernemingen door de ACM (1:25a Wft)) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme door zowel DNB en de AFM als Bft en de Belastingdienst.62 Dit laatste is een vorm van integriteitstoezicht van het financiële stelsel, waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het beschermen van de integriteit van het financiële stelsel essentieel is voor het behoud van vertrouwen in dat stelsel.
Als bijzonderheid van deze twee toezichthouders noem ik dat beide bestuursorganen (overheidsinstelling) als financiële toezichthouder een uitzonderlijke positie hebben ten aanzien van de vertrouwelijke gegevens en openbaarheid van bestuur. De Wft kent namelijk een specifieke wettelijke geheimhoudingsplicht voor informatie – ongeacht de herkomst – van vertrouwelijke aard (art. 1:89 Wft).63 De Wft vormt daarmee een ‘gesloten systeem’ waarvan zelfs de parlementaire toezichthouder – de Algemene Rekenkamer – wordt buitengesloten.64 Dat geldt ook voor de Belastingdienst.65 Als bestuursorgaan zijn zij tevens beide deels uitgezonderd van de verplichtingen volgens de Wet openbaarheid bestuur (WOB).66 Dit heeft tot gevolg dat procedures en handleidingen noch individuele toezicht rapporten op basis van de WOB kunnen worden opgevraagd. De wijze waarop de toezichthouder hiermee omgaat is dan ook niet openbaar.67 Ook zijn er geen uitspraken van de Nationale ombudsman beschikbaar over het handelen van de deze financiële toezichthouders. De Ombudsman is niet bevoegd in te gaan op klachten over het uitoefenen van het toezicht door de AFM noch DNB. Daarnaast prevaleert de geheimhoudingsbepaling vanuit de Wft boven de openbaarmakingsregeling in de WOB (ex art. 2 lid 1 WOB).68 De bijzondere positie van AFM en DNB komt uitdrukkelijk naar voren in de verwijzing van de minister van Financiën naar zijn voorganger over de specifieke en strikte geheimhoudingsplicht:69 ‘Een onder toezicht staande financiële onderneming is verplicht de vertrouwelijke informatie ter beschikking te stellen aan de toezichthouder. Vanwege het ingrijpende karakter van die verplichting en om informatieverstrekking door de onder toezicht staanden te bevorderen, dient gewaarborgd te zijn dat vertrouwelijke informatie vertrouwelijk blijft. Daartoe is het nodig dat de toezichthouders eenmaal ontvangen vertrouwelijke informatie geheimhouden. De geheimhoudingsplicht van de toezichthouders heeft dan ook mede tot doel vrije informatieverstrekking door de onder toezicht staanden en derden en effectief toezicht te bevorderen’. Uit memorie van toelichting komt naar voren dat het gesloten stelsel van geheimhouding is overgenomen vanuit de Europese financiële toezicht richtlijn.70 Het is echter de vraag of hier daadwerkelijk een gerechtvaardigd onderscheid ligt vanwege de aard van het Europees georiënteerde toezicht. Een vertrouwelijke positie geldt toch immers feitelijk voor alle toezichthouders? De wetgever heeft echter bepaald de vertrouwelijkheid van dit toezicht strikt te willen reguleren in een gesloten systeem. Wat dat betreft is er overigens wel een gelijkenis met de Belastingdienst.
Het Bureau Financieel Toezicht
Het Bureau Financieel toezicht (Bft) is opgericht in 2000. Het Bft houdt integraal toezicht – dat zowel gedragstoezicht als prudentieel toezicht omvat – op de vrije beroepen in het bijzonder op het terrein van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ).7172 De wettelijke toezichthoudende taken van Bft zijn opgenomen in bijzondere wetten. Het gaat bijvoorbeeld om het toezicht op de naleving van de Gerechtsdeurwaarderswet (art. 30 GDW) en – voorzover het toezicht aan het Bft is opgedragen – de Wet op het notarisambt (art. 110 Wna). Het Bft is tevens verantwoordelijk voor andere uitvoerende taken van de Wna (o.a. art. 7 Wna). Ook heeft het Bft deels als taak het toezicht op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (ex art. 24 lid 1 Wwft).73 Voor degenen die onder de Wna vallen, is het Bft als toezichthouder aangewezen (art. 24 lid 5 Wwft juncto art. 111a Wna). Voor degenen die onder de Advocatenwet vallen, is de deken van de orde de aangewezen toezichthouder (art. 24 lid 6 Wwft juncto 45a lid 3 Advocatenwet).74
Opmerkelijk is de positie van Bft ten opzichte van de AFM en DNB. Voor deze laatste twee toezichthouders heeft de wetgever uitdrukkelijk onderscheid willen aanbrengen tussen gedragstoezicht en prudentieel toezicht. Dit onderscheid is niet terug te vinden bij het Bft. Het toezicht op notarissen en gerechtsdeurwaarders was aanvankelijk alleen gericht op de financiële positie. Dit is te vergelijken met prudentieel toezicht. Met ingang van 1 januari 2013 ziet het toezicht van Bft ook op de kwaliteit en integriteit van notarissen. Het integrale toezicht door Bft is gericht op beide aspecten en vindt integraal plaats door dezelfde toezichthouder.75
Het toezicht op naleving van de Wwft vindt plaats door drie markttoezichthouders met onderscheiden ‘onder toezicht gestelden’ qua beroepsuitoefening. Het toezicht op de advocaten vindt daarentegen wel plaats door de beroepsorganisatie van de advocaten (de orde).
De Nederlandse Zorgautoriteit
De Nederlandse zorgautoriteit (NZa) ziet erop toe dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders zich houden aan de wet- en regelgeving voor de zorg(deel)markten: de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) (art. 16 Wmg).76 De taken van de zorgautoriteit zijn aanvullend op die van andere toezichthouders die een breder terrein bestrijken, zoals de ACM, de AFM, DNB en de IGZ.77 De NZa en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn toezichthouders die zich specifiek op de zorgsector richten naast de ACM en de functionele toezichthouders DNB en de AFM.78 Het toezicht op de zorg(deel) markt ligt in tegenstelling tot het toezicht op de financiële markten, zoveel mogelijk bij één toezichthouder: de NZa.79 De wettelijke taak is meer dan alleen het uitoefenen van toezicht en behelst ook het geven van beschikkingen en het (vast) stellen van regels op verschillende terreinen (art. 41 Wmg en art. 57 Wmg e.v.).80
Het houden van toezicht op de markt is wettelijk toegewezen aan de NZa.81 Vanwege het eerder genoemde sectorale toezicht kan er sprake zijn van overlap met andere toezichthouders.82
Binnen het toezicht van de NZa zijn meerdere vormen aanwezig: nalevingstoezicht op bijvoorbeeld de zorgverzekeraars en zorgaanbieders voor het nakomen van hun verplichtingen uit de verschillende wetten (Wmg, Zvw en Wlz) en uitvoeringstoezicht op zorgverzekeraars, zorgkantoren en het Centraal Administratiekantoor (CAK) voor wat betreft het vervullen van hun taken uit de Zvw en de AWBZ.83
Ad 3 Overige toezichthouders
Daarnaast is er een restgroep van toezichthoudende rijksdiensten die wel een toezichthoudende taak hebben maar niet als rijksinspectie noch als autoriteit gekwalificeerd kunnen worden. Een voorbeeld van een dergelijke rijksdienst is de politie.84 De taak van de politie – en de politietaken van de Koninklijke marechaussee – bestaat uit de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven (art. 3 Politiewet 2013). Het houden van toezicht is geen wettelijke taak maar vloeit voort uit een andere wettelijke taak.85
En hier ligt ook de overeenkomst met de Belastingdienst. Ook deze rijksdienst is niet wettelijk ‘belast’ met het houden van toezicht. Het fiscale toezicht vloeit voort uit de bijzondere taak van heffen en innen van de belastingen met het toezicht als ondersteuning (art. 2 Uitv. reg. Belastingdienst 2003).86 De taak van het toezicht van beide valt binnen de algemene taak: handhaving van de rechtsorde respectievelijk het heffen en innen van belastingen. En dat is nu juist bepalend voor de bevoegdheden. Daarover later meer.
In dit verband wil ik nog aangegeven dat de specifieke opsporingsinstanties niet tot de categorie toezichthouders behoren om reden dat ‘opsporing’ niet als toezicht kan worden gekwalificeerd.87